Gilst, van

 

 

verklaring:
Duidt op mogelijke herkomst uit de plaats Gilze (gemeente Gilze en Rijen) in Noord-Brabant.

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• Adrianus van Gilst, geboortig van. Gilst in de Baronie van Breda, te Rotterdam 1727 [Poorterboek. Rotterdam., in: GN (1957), p 207].
• Over de slot -t (mogelijk): "In oorsprong is het een collectief-suffix, waarmee vooral plantennamen tot plaatsnamen werden gemaakt, b.v. bies-t 'veelheid van biezen' en vandaar 'biesbos, met biezen begroeid terrein'. Naderhand verloor het suffix zijn collectief-betekenis en werd het ook aan allerlei topografische bestanddelen gehecht die zich niet lenen tot enige collectiefgedachte. In toponiemen als laakt (< laak 'waterplas') en wijert (< wijer 'vijver') is het semantisch verbleekt tot een pure markeerder van plaatsgebondenheid" [Devos-2001, p 24].

 

Specifieke componenten

Namen hebben veelal specifieke componenten waarmee ze morfologisch getypeerd kunnen worden. Te zijner tijd zullen op deze plaats vermelde naamdelen, evenals de kenmerken hierboven, als link fungeren met een databestand waarin meer informatie wordt verstrekt. Vooralsnog beperken we ons tot een verbinding met de onderstaande componenten, met het voorbehoud dat analyse en informatie nog aangevuld en bewerkt moeten worden.

De betreffende componenten kunnen voor- of achtervoegsels zijn die kenmerkend zijn voor het verspreidingsgebied van een naamtype. Namen eindigend op -ma en -stra worden bijvoorbeeld als Friese namen beschouwd.

Namen op -ink vinden we vooral in Twente en De Achterhoek, waar deze namen aan boerderijnamen zijn ontleend.

Namen met het voorzetsel 'van' wijzen op herkomst uit een bepaalde plaats en dit soort namen treffen we vooral in Noord-Brabant op grote schaal aan.

 Familienamen eindigend op -sen zijn meestal namen die teruggaan op patroniemen die met het woord -sone (= zoon) zijn samengesteld: Jansen = zoon van Jan. Veel varianten met -se blijken van Zeeuwse oorsprong te zijn (Janse, Jacobse, Jobse).

Namen eindigend op -en of -s zijn vaak verbogen naamsvormen. Bijvoorbeeld Jacobs, een patroniem dat ontstaan is uit 'Jacobs sone' of 'Jacobsz.' (een dochter van Jacob kreeg het patroniem Jacobsdr. = Jacobsdochter). Andere voorbeelden: Jagers, zoon of dochter van de jager; Franken < Frankenzn., zoon van Frank; Schouten, nakomeling van de schout. Het teken Ø in dit veld geeft aan dat het een onverbogen naamvorm, een naam zonder voorzetsel/lidwoord of een naam zonder achtervoegsel betreft, bijvoorbeeld de familienamen Jacob, Gouda en Been.

Een groot aantal namen heeft het kenmerk ´oude spelling´. Over de spellingsproblematiek bij namen kunt u via de kenmerken-link lezen. Enkele specifieke gevallen worden er bovendien op deze plaats uitgelicht. Hier willen wij bijvoorbeeld opheldering verschaffen over de ij en de y in namen als De Bruijn en De Bruyn.

 

van

• "De grootste groep van nederlandsche geslachtsnamen, of liever die groep welke het grootste aantal namen omvat, is zonder twyfel de groep die uit namen bestaat, welke met het voorvoechsel 'van' zijn samengesteld. In der daad, zulke namen komen uit der mate veelvuldig voor by het nederlandsche volk. Die 'van'-namen zijn byna zonder uitzondering van aardrijkskundigen oorsprong, en men kan ze onderscheiden in byzondere en algemeene. De byzondere aardrijkskundige 'van'-namen bestaan uit de namen van landen, gouen, eilanden, steden, dorpen en gehuchten (buitenlandsche natuurlik even zeer als binnenlandsche), allen met het voorvoechsel 'van' er voor; b.v. Van Engeland, Van Wieringen, Van Deventer, Van Keulen. De algemeene aardrijkskundige 'van'-namen bestaan uit gemeene zelfstandige naamwoorden die eene algemeene aardrijkskundige beteekenis hebben (berg, dijk, heide), maar die als byzondere aardrijkskundige namen dienst doen; eveneens met 'van' er voor, en zoo wel met als zonder een lidwoord. B.v. Van Dijk, Van Sluis, Van den Berg, Van der Heide" [Winkler-1885, p 221].

 

toponiem

Zeer veel familienamen zijn van toponiemen (aardrijkskundige namen) afgeleid. Deze namen geven aan waar men vandaan kwam (herkomstnamen), welk gebied of landgoed men bezat of beheerde, of welke huizen men al dan niet met bijhorend land in eigendom of huur had.
Bij deze laatste groep duiden de namen tevens aan waar men woonde. (Straatnummers waren immers nog niet ingevoerd!) Dit type naam wordt dan ook wel met de term 'adresnaam' van de herkomstnamen onderscheiden. Herkomstnamen gaan voornamelijk terug op namen van steden, dorpen en landen; adresnamen op microtoponiemen: namen van huizen, velden, waterlopen, straten. De elite die zich naar haar bezittingen noemde, plaatste zich als het ware tussen deze categorieën in.


• "Het onderzoek naar de oorspronkelijke betekenis van een plaatsnaam dient altijd uit te gaan van de vroegste vermeldingen van die naam in de schriftelijke bronnen. Er kan soms een aanzienlijk verschil bestaan tussen de vorm van het toponiem op het moment van zijn ontstaan en die waaronder hij nu in dialect of standaardtaal bekend is. Hoe ouder de attestatie, hoe dichter hij bij het moment ligt waarop de naam is gevormd en hoe groter de kans om daardoor het woord of de woorden te kunnen identificeren die aan die vorming ten grondslag hebben gelegen. Oude vermeldingen kunnen ons bovendien dikwijls helpen meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling die een naam heeft ondergaan sinds het het moment van de naamvorming"

 

vormverandering

Pas door het erfelijkheidsbeginsel van de burgerlijke stand, die in 1811 landelijk werd ingevoerd, kregen familienamen hun vaste vorm: een naam werd voortaan van generatie op generatie overgedragen in de spellingsvorm waarin de naam was geregistreerd. Weliswaar had het grootste deel van de Nederlandse bevolking voor die tijd al een familienaam, maar de vorm ervan was aan verandering onderhevig. Dat is niet zo verwonderlijk als men bedenkt dat de standaardisering van het Nederlands, met de uniformering van de spellingsregels, nog in ontwikkeling was. Zoals woorden nog op verschillende wijzen werden geschreven, zo werden ook de namen verschillend geschreven, afhankelijk van de schrijfwijze van degene die de namen registreerde. Registratie vond vaak op het gehoor plaats: een klerk of kerkelijke dienaar noteerde een naam in een akte of schrift zoals hij een naam verstond. Dat wil zeggen zoals hij een naam kon thuisbrengen in zijn namenwereld. Veel comparanten beheersten de schrijfkunst niet, zodat zij hem niet konden helpen. Ook als zij hun naam wel konden schrijven, kwam het vaak voor dat de naamvorm van de handtekening afweek van de door de administrateur opgestelde naamvorm. In de loop der tijd konden namen zo meer of minder opmerkelijke vormveranderingen ondergaan. Doorzichtig zijn algemene taalkundige verschijnselen die ook in de namenvoorraad productief waren, zoals toevoeging en weglating van medeklinkers op bepaalde plaatsen binnen een naam. Bijvoorbeeld toevoeging van -t- in Bostelaar uit Bosselaar of d-epenthese in Mulder (naast Muller en Molenaar) en weglating van -t- in Laurens uit Laurents, waarnaast ook Lourens voorkomt omdat ou en au nu eenmaal dezelfde klank vertegenwoordigen en derhalve in namen verwisselbaar zijn. Hierbij sluit bijvoorbeeld ook elisie van intervokalische -d- in Schreurs uit Schreuders aan.
Minder doorzichtig is de paragogische -t in Gresnigt, familienaam ontleend aan de plaatsnaam Gressenich.
[Enz.]

In het algemene taalgebruik zien we dat spellingsvarianten van woorden door correctie en normalisering verdwenen. Bij familienamen konden varianten echter gehandhaafd blijven, omdat zij niet meer met de woorden die aan de basis van deze namen stonden, werden vereenzelvigd. Zien we in het middelnederlands naast hovesc (= hoofs), vormen als hoesch en heusch, in modern Nederlands gebruiken we slechts het woord 'hoofs'. Maar als familienaam kennen we nog de naam De Heus. Ongetwijfeld zal niet meer begrepen zijn dat hiermee 'de hoofse' werd bedoeld.

 

Stamboom

Home