Enea beschrijft aan Nicolaus van Cusa de gevolgen voor de Westerse wereld van de val van Constantinopel [Wolk. III, 204-215 (112)].

Berichten over de val van Constantinopel op 29 mei 1453, negen jaar na de catastrofe bij Varna, brachten in Europa grote ontsteltenis te weeg. Dat de berichten elkaar aanvankelijk tegenspraken blijkt uit brieven van Enea in 1453. Enea zag in de Turkse verovering van Constantinopel een grote bedreiging van de religieuze en culturele waarden van de christelijke wereld. Onvermoeibaar was hij in de weer om hiervoor aandacht te vragen bij invloedrijke personen in zijn omgeving en in Rome en hen aan te sporen om de onderlinge geschillen te regelen en te komen tot een gezamenlijke optreden tegen de ongelovigen. Enea is van meet af aan zo doordrongen van het gevaar van een Turkse expansie in de richting van het Westen dat hij van het beteugelen daarvan het centrale doel van zijn leven zal maken.

Op 12 juli 1453 is Enea nog ten prooi aan onzekerheid over de juistheid van de rampzalige tijding; in een brief aan Stefano Caccia di Fara[1] schrijft hij: ‘hier doet huiveringwekkend nieuws de ronde over de val van Constantinopel; ik hoop zo dat het valse berichten blijken!’[2]

    Diezelfde dag  stuurt hij een brief aan paus Nicolaas V, hoofdzakelijk over de toestand in Hongarije, maar aan het eind schrijft Enea: ‘Wat te denken van dat huiveringwekkend nieuws over Constantinopel dat ons pas bereikt heeft? Mijn hand trilt onder het schrijven, ik huiver bij de gedachte, verontwaardiging staat niet toe te zwijgen, maar tegelijk belet smart me om te spreken. Ach, ongelukkige Christenheid; wat is het leven nog waard, we waren beter af geweest als we dit ongeluk niet hadden meegemaakt! Terwijl Italië, Duitsland, Frankrijk en Spanje bloeien, staan we toe dat verwijfde Turken de vermaarde stad Constantinopel innemen…Ik treur bij de gedachte dat het meest beroemde heiligdom op aarde, de Hagia Sofia, verwoest of geschonden wordt. Ik treur wanneer ik denk aan die talrijke basilieken van onze heiligen, die met zoveel artistiek talent gebouwd zijn en die nu ten prooi vallen aan verwoesting of bezoedeling door Muzelmannen. Wat moet ik zeggen van de ontelbare boeken die daar waren, en die nog niet in het Westerse wereld bekend zijn? Ach, de namen van al die grote mannen die nu zullen verdwijnen! Homerus sterft voor de tweede maal, we verliezen Plato voor de tweede keer. Waar zullen we nu nog kunnen zoeken naar de meesterwerken van wijsgeren en dichters? De bron der Muzen is drooggelegd, ach, restte ons nog maar dat beetje vermogen om met passende woorden deze ramp te kunnen bewenen…Ik zie tegelijk het geloof én de wetenschap vernietigd worden…Men ontkende dat het gevaar zo groot was als gezegd werd, dat de Grieken onwaarheid spraken, dat zij om geld bedelden, dat we met denkbeeldige gevaren bang werden gemaakt. Uwe Heiligheid heeft gedaan wat in uw vermogen lag. U treft geen blaam, maar het nageslacht, dat de ware toedracht niet kent, zal deze catastrofe u aanrekenen, wanneer het zal vernemen dat Constantinopel verloren is gegaan onder uw pontificaat…wat wij vreesden is gebeurd: wij zijn ervan getuige dat een van de twee lichten van het Christendom is gedoofd; wij zien dat de zetel van het Oosterse Rijk omver is geworpen, dat de glorie die Griekenland was is uitgewist.’[3]

    Maar even daarna lijkt het slechte nieuws vals te zijn: we lezen in een brief die Enea op 27 juli aan kardinaal Capranica stuurt: ‘Kort geleden hoorden we hier vreselijk nieuws uit Servië en ook uit Venetië  en ging het hardnekkig gerucht van de ondergang van Constantinopel, het verloren gaan van een christelijke vloot, en dat Pera in handen van de Turken gevallen was. Dit was een verpletterende slag voor onze koning en het hele hof, zoals ik Zijne Heiligheid[4] in een lange brief heb geschreven. Nu echter is ons gunstiger, of althans niet zulk somber nieuws bericht: er wordt gezegd dat een legerafdeling van onze heer in Constantinopel is aangekomen en dat de hoofdstad verdedigd is, maar dat wel een aantal schepen verloren is gegaan. Zo zijn we nu wat geruster. De koning heeft boodschappers uitgezonden om de ware toedracht te achterhalen, die we binnenkort terug verwachten.’[5]

    Dan blijkt echter het nieuws van de verovering van Constantinopel door de Turken toch waar te zijn, zoals Enea op 10 augustus laat weten aan de kardinaal van Sant’Angelo, Juan Carvajal: ‘Ongetwijfeld bent u in diepe rouw gedompeld vanwege nederlaag die Constantinopel geleden heeft. Want welke christen zou niet treuren bij een zo diepe wond die het katholieke geloof is toegebracht? Ik rouw met u, eerbiedwaardige vader, en heus, ik zou, als ik daartoe in staat was, van mijn kant alles doen wat in mijn ogen de christelijke gemeenschap zou kunnen redden. Helaas, ik ben maar een gewoon mens, zonder werkelijke macht. U echter, met uw invloedrijke positie onder de senatoren van Rome, u die naast de paus staat en hem raad geeft, u zult, daar twijfel ik niet aan, u tot het uiterste inspannen de Turkse razernij tot staan te brengen en terug te drijven, om te voorkomen dat hij nog verder deze kant opkomt. Immers, ik ken uw vurige ijver en uw passie, u kunt er niet in berusten dat het christendom ten onder gaat…’.[6]

    Diezelfde dag nog informeert hij bij Stefano Caccia: ‘Ik verwacht nader nieuws van u. Ik meen dat de staten in Italië naar vrede streven, gewaarschuwd door de val van Constantinopel...Als wij  nu niet onderling vrede sluiten en ons beraden op welke wijze wij de razernij van de Turken kunnen weerstaan, is het met ons gedaan….Schrijf mij dus zo goed als u kunt in detail over de toestand in Italië, hoe de Curie handelt onder deze buitengewone omstandigheden, hoe de Heilige Vader zelf erover denkt, wat de verstandige mannen in Italië te zeggen hebben over zo’n hevige schok die de christenen getroffen heeft’.  Aan het eind twijfelt Enea tegen beter weten in toch nog: ‘In onze streken hebben we geen verder nieuws dan die gruwelijke en voor het hele christenvolk smartelijke berichten van pas geleden; ach, waren het maar valse berichten, maar ik vrees dat ze waar zullen blijken.’[7]

    Op 11 augustus richt Enea zich wederom tot paus Nicolaas en roept hem op de leiding te nemen in een oorlog tegen de Turken. Met de paus aan het hoofd zal de gezamenlijke strijd tegen de Turken dan opnieuw een kruistocht worden. ‘Onlangs heb ik u geschreven over de val van Constantinopel. Daarna bereikte ons nieuws dat de stad nog in handen van de christenen was, hetgeen mij, zolang ik in die veronderstelling verkeerde, troostte. Nu echter kom ik tot de bevinding dat de eerste berichten maar al te waar zijn geweest. Als het mij verder niet past over deze belangrijke zaken te spreken, dan kan ik toch als christen niet zwijgen. Ik heb met de keizer vele malen gesproken over de catastrofe die de christelijke wereld getroffen heeft. Ik constateer dat hij van goede wil is, maar het is voor hem onmogelijk om ondubbelzinnig op te treden, omdat hij de middelen mist. Maar indien Uwe Heiligheid, naar wie de vorsten luisteren, tot actie overgaat, zal zonder twijfel een halt worden toegeroepen aan de Turkse razernij en het christenvolk gered worden. Als een onbetekende worm heb ik u onlangs geschreven en ook nu weer, opdat uw plichtsgevoel u tot krachtdadig handelen aanzet en met heel uw hart de zaak van het geloof op u neemt en de keizer op de hoogte stelt van uw voornemen, die waarachtig vol goede wil is en de apostolische opdrachten naar zijn volle vermogen zal uitvoeren, zoals u uit zijn brieven kunt opmaken.’[8]

    Helaas, de zaken lopen niet zoals Enea graag zou zien: de staten van Italië blijven verdeeld, ook al spant de paus zich in om daar vrede tot stand te brengen. De vorsten in Europa zijn niet doordrongen van het belang om een vuist te maken tegen het gevaar van een Turkse expansie in westelijke richting, en zij blijven verstrikt in hun onderlinge geschillen. Enea voelt zich gefrusteerd, zijn gezondheid heeft te lijden, zoals hij aan Goro Lolli in Siena op 3 september met een zekere grimmige humor beschrijft.[9] Hij denkt aan de dood en het hiernamaals, wordt geplaagd door heimwee naar zijn vaderland. ‘Beminde neef, ik was gezond toen ik je brief ontving, nu ik je terugschrijf ben ik ziek. Je vraagt naar de aard van mijn ziekte, niet zonder zin, want ik heb er totaal geen zicht op. Alle lichamelijke ongemakken en gevaren heb ik al doorstaan. Duizend soorten van koorts heb ik meegemaakt, ik lijd aan chronische hoest; met galstenen ben ik vertrouwd; in Rome heb ik twaalf dagen lang geleden aan een ziekte van mijn ingewanden; te Padua had ik een oogziekte, in Schotland heb ik onder folterende pijn mijn tanden verloren; jicht is mijn metgezel bij al mijn reizen. Moet ik het nog hebben over mijn zwakke maag, over buikkrampen? Ik ken ze allemaal, de ongemakken van het lichaam…als jij dit hoort, zul je denken dat het met mij slecht gesteld is, en dat is ook zo; want ik word gepijnigd, niet alleen in mijn lichaam, maar ook in mijn geest; immers wie heeft zo’n sterke geest dat deze niet lijdt onder de pijn van het lichaam? Lichaam en geest zijn met elkaar verbonden, en terwijl zij de mens aansturen, zal het ene deel uit balans raken, wanneer het andere deel te zwaar belast wordt. Maar ook al verkeer ik in nood, ik raak niet zo van mijn stuk dat ik mijn geest niet tot de orde kan roepen en bedenk dat die pijnen ooit een keer ophouden, of doordat ik weer gezond word, of door de dood…Hoewel ik onder een grote zondenlast gebukt ga, twijfel ik er niet aan dat Gods barmhartigheid groter is dan mijn zondigheid…en ik deel ook niet de mening van diegenen die denken dat onze geest na dit leven niet blijft voortbestaan en dat vrees voor de dood derhalve ongegrond is.[10] …Dood zijn zou lijken op een lamp die gedoofd is; zoals hij, voordat hij werd aangestoken geen licht had, zo heeft hij ook na te zijn gedoofd geen licht meer. Een vooruitzicht dat, als ik het geloofde, mij bang zou maken voor de dood. Nee, ik probeer me ervan te doordringen dat waar is wat grote filosofen hebben overgeleverd, wat Christus onze Verlosser heeft verkondigd, wat onze moeder de Kerk onderwijst: voor onze ziel, bevrijd van het lichaam, bestaat een volgend leven, waarin de goeden gescheiden leven van de slechten, en de ene een gelukzalig, de ander een ellendig bestaan te wachten staat.. Met zulke aansporingen ga ik mijn ziekte te lijf. Ik bereid me voor om, als ik geroepen word, als ik op een keer uit dit aardse leven word verdreven, dat niet lijkt op een verbanning van hier, maar meer op een oproep van boven’. Ook heimwee kwelt Enea in steeds heviger mate: ‘Dag en nacht heb ik mijn dierbare vaderland voor ogen. Ik denk aan mijn moeder, mijn zusters, mijn neven, aan jou. Ik verlang naar niets anders dan zo snel mogelijk terugkeren naar huis....Maar ik moet rekening houden met de gevoelens van de keizer, die ik al voor het tiende jaar dien, wiens waardering ik heb ondervonden, in wiens schaduw ik ben gegroeid, door wiens gunst ik ben verheven; ik wil er alles aan doen in goede verstandhouding afscheid van hem te nemen, opdat wat goed begonnen is, en steeds beter is geworden, geen slecht einde beleeft. Men laat zijn oordeel gewoonlijk afhangen van de uitkomst….Groet al  mijn vrienden uit mijn naam; beveel mij aan bij het stadsbestuur, waaraan ik vanuit deze regio weinig nieuws te melden heb. Want dat diep bittere en betreurenswaardige nieuws over Constantinopel is al lang geen nieuws meer. De christenvorsten zouden dwaas handelen, als zij zich niet inspannen de razende Turken het hoofd te bieden. De Duitsers zijn nagenoeg tot vrede gekomen, en als iemand hen aanspoorde zich in te zetten voor deze zaak, zou men zien dat zij niet alleen gereed zijn maar van ganser harte bereid.’

    We lezen tussen de regels door dat vrede in Italië nog uit het zicht blijft. En die vrede is voor Enea een voorwaarde om naar zijn vaderland te kunnen terugkeren, zoals hij op 25 september aan Francesco Tolomei laat weten. Hij zou de keizer ook voor het hoofd stoten, de paus geen genoegen doen, de wegen onderweg vol gevaren aantreffen. Toch wil hij al die dringende aansporingen van de zijnen niet naast zich neerleggen en terugkeren, indien daartoe op enig moment de gelegenheid zich zal voordoen.[11]

    Diezelfde dag nog stort hij in een vertrouwelijke brief bij de Sienese ambassadeur in Venetië, Leonardo Benvogliente zijn hart uit over de hopeloze verdeeldheid en besluiteloosheid van de Westerse vorsten en de sombere politieke situatie van Europa: ‘Wij lijken wel de zaakgelastigden[12] van de Turkse sultan, de wegbereiders voor Mohamed; terwijl wij, stuk voor stuk, ieder voor zich willen heersen, zullen we met zijn allen de heerschappij verliezen; wij zijn bedacht op eigen voordeel, om het algemeen welzijn bekreunen we ons niet, we dienen slechts onze persoonlijke belangen….Als we onze daden eerlijk onder ogen zagen, zouden we tot de conclusie komen dat God met recht en rede een grotere afkeer zou moeten hebben van ons dan van de Turken… De hoofdstad van het Oosten, de steunpilaar van Griekenland, de zetel van het rijk en van de grote patriarch is omver geworpen…Wisselvallig is de loop der dingen, geen enkele macht duurt eeuwig; de Italianen waren de meesters van deze wereld, nu vangt het tijdperk van de Turkse overheersing aan. De toorn van Gods Majesteit is rechtvaardig. Wij hebben onze macht misbruikt en komen ten val, van heren worden wij slaven, we worden terecht voor onze daden gestraft….Geloof me, Leonardo, nu schijnen sommigen verontwaardigd en bezorgd voor het algemeen welzijn, maar na enkele maanden zal het vuur verflauwen en zal niemand er meer over reppen. We zullen erover zwijgen, en met alle kracht onze onderlinge vetes uitvechten, totdat een boodschapper komt melden dat de Turken geland zijn op de kust van Italië. Dat is Gods vonnis, wij worden geslagen voor onze zonden.’[13]

    In de brief die Enea op 21 juni 1453 aan Nicolaus van Cusa schreef stelde hij zich nog voor dat een gezamenlijke kruistocht onder leiding van de paus binnen bereik lag en dat de Turkse horden teruggeslagen konden worden.[14] Nicolaus kende Constantinopel van eigen aanschouwing, hij was er geweest om als gezant de Grieken te bewegen deel te nemen aan een concilie in Florence, gewijd aan de hereniging van de Oosterse en de Westerse Kerk. Hij was ook tamelijk goed op de hoogte van de leer van Mohammed. Daarvan getuigt zijn Cribratio Alcorani uit 1461 (Het zeven van de Koran), waarin hij voor zijn tijd een eerlijk oordeel over de leer van Mohammed probeert te vellen. In 1449 was hij door Nicolaas V tot kardinaal benoemd en sinds 1450 tot bisschop van Brixen.


 

Bisschop Enea aan kardinaal Nicolaus van Cusa.

…. De Turken geven zich over aan genot, voor wetenschap koesteren zij weinig belangstelling, toch tonen zij zich ongelofelijk trots en verwaand. Dat de Griekse welsprekendheid in hun handen is gevallen, zal ieder weldenkend mens betreuren. Want waar is nog welsprekend talent te halen? Afgesneden is de stroom van alle geleerdheid, opgedroogd de bron der Muzen. Waar is nog poëzie te halen, waar filosofie? Toegegeven, op veel plaatsen in de westerse landen bloeit de wetenschap: in Rome, in Parijs, Bologna, Padua Siena, Perugia, in Keulen, Wenen, Salamanca, in Oxford, Pavia en Erfurt. Maar dat zijn allemaal stroompjes, gevoed door Griekse bronnen. Snij een stroom af van zijn bron en hij valt terstond droog.[15] Hoe zul je water vinden in een rivier, wanneer je moet vaststellen dat de bron zelf is opgedroogd? Ik voel enkel droefheid, heilige vader, wanneer ik de literatuur zo’n verlies zie lijden. Onze voorouders dachten, dat wat zij aan de literatuur toevertrouwden, voor altijd in herinnering zou blijven…. Ze hebben zich vergist. Zelfs de Muzen sterven, de herinnering aan al dat prachtige werk van dichters en schrijvers zal vervagen; hoeveel dichters, moet men denken, zijn in de loop der tijd al naamloos geworden? Niets onder de zon[16] is eeuwig. Wat een begin heeft, vindt ook zijn einde. Zij die zich aan de literatuur wijden, leven lang, onsterfelijk zijn ze niet. Nieuwe stromingen ontstaan, nieuwe literaire genres worden geboren, andersoortige geesten staan op, die alles afschaffen en dwaas vinden wat vóór hen geweest is. Kijk maar naar de Turken, die vijanden van de Griekse en Latijnse literatuur: zij laten, om ruimte te gunnen aan hun eigen absurditeiten, geen vreemde boeken toe. Wie twijfelt eraan dat zij, nu ze Constantinopel hebben ingenomen, al wat schrijvers aan literaire werken hebben nagelaten, op de brandstapel zullen werpen. Nu zullen Homerus en Pindarus en Menander en al die beroemde dichters voor de tweede keer sterven. Nu is voor de Griekse filosofen het definitieve einde nabij. Nog zal voor de Latijnen een beetje licht overblijven; maar lang zal dat niet duren, voorspel ik u, tenzij God vanuit de hemel met een mildere blik op ons zal neerzien en het Roomse Rijk of de Heilige Stoel een beter lot zal gunnen. Met de Heilige Stoel in Rome gedijen de letteren, wanneer die verdwijnt, komt aan alle geleerdheid een eind. Maar hoe het daarmee staat, wil ik hier onbesproken laten; wij hebben niet Rome ter sprake gebracht, maar Constantinopel en ons verdriet en de angst dat het met de val van Constantinopel gedaan is met de Griekse literatuur.

    Dat verlies is al groot, veel erger nog is het om te zien hoe ons christelijk geloof terrein prijsgeeft en in de hoek gedreven wordt. Want het had zich over heel de aarde verspreid, maar is nu al uit Azië en Libië verdreven en zelfs in Europa wordt het geen rust gegund. Groot is het gebied aan deze zijde van de Don[17] en de Hellespont dat door de Tataren en Turken beheerst wordt, en het koninkrijk dat de Saracenen in Spanje hebben; klein het gebied dat op aarde de naam van Christus bewaart. Het land waar onze God is verschenen, en als mens meer dan dertig jaar onder de mensen heeft verkeerd, het land dat hij door wonderen beroemd heeft gemaakt, dat hij met zijn eigen bloed heeft geheiligd, waar de eerste bloemen van zijn verrijzenis[18] zijn ontloken, dat land wordt reeds lang vanwege onze zonden vertrapt door de vijanden van het kruis. Het gezegende land, het land van belofte, het land dat overvloeit van melk en honing is onderworpen aan de heerschappij van een misdadig volk. Ach, zelfs de stad van de levende God, de werkplaats van onze Verlosser, de heilige plaatsen, purper geverfd door het bloed van het Onbevlekt Lam, worden reeds lang bezoedeld door de handen en voeten der Saracenen. Of vertrappen de volgelingen van Mohammed niet de heiligste plaats van het Christendom en het heilig bed, waarin ons Leven ter wille van ons in de dood ontsliep. Karel de Grote heeft als eerste met al zijn krachten dat land opgeëist, het ging weer verloren en is vervolgens heroverd door Godfried (van Bouillon). Om het te behouden hebben ook keizer Konrad en koning Lodewijk van Frankrijk niet geaarzeld met een verenigde krijgsmacht naar Azië te vertrekken.[19] Later echter bleven, terwijl onze vorsten werkeloos toezagen, noch Jeruzalem noch Antiochië noch Acra in onze macht.[20] Wat wij in Azië bezaten, hebben we smadelijk verloren; we zijn op de vlucht geslagen en hebben Mohammed de overwinning gelaten. Een reusachtig verlies, een zeer grote schande! Toch was het verlies van de steden in het land van de vijand beter te dragen dan verdreven te worden uit de steden die op eigen bodem gesticht zijn en oorspronkelijk aan de christenen hebben toebehoord.

    Wat hebben we dan nu verloren? Een koningsstad, de zetel van het oostelijk keizerrijk, de steunpilaar van het Griekse volk, de troon van de tweede patriarch! Ach, christelijk geloof, eens zo wijd verbreid, hoezeer word je beperkt en verminkt! Van vier grote patriarchen rest je alleen die van Rome. Hoe lang nog kun je blijven staan, nu van de vier pilaren waarop heel het kerkgebouw rust, er drie zijn weggehaald? Je bent beroofd van een van beide ogen. Als niet Gods medelijden naar jou omziet, hebben wij weinig reden om op jouw redding te hopen. Immers, de Turkse opperheerser heeft na de inname van Constantinopel niet op zijn lauweren gerust – zoals volgens de overlevering velen in het verleden gedaan hebben – maar hij heeft meteen daarna het aangrenzende Pera, dat lang bezit van de Liguriërs is geweest, aangevallen en aan zich onderworpen[21]

    Ook een deel van Albanië houden de Turken bezet. Wie zal het volgende slachtoffer zijn van hun zegetocht? Hoe zal Durazzo de macht van de Turken weerstaan als Constantinopel niet tegen hen heeft opgekund? Wie zal het naburige Brindisi in Italië beschermen? Zij zullen de Adriatische zee afgrendelen, een groot verlies voor de Venetiaanse macht maar een nog groter voor het Christendom, dat na de nederlaag van de Venetianen niet langer de zee zal beheersen. Noch de Catalanen noch de Genuezen zullen, hoe machtig ook, zonder Venetië iets tegen de Turken kunnen uitrichten. Zij hebben al genoeg aan hun hoofd zich teweer te stellen tegen de moeilijkheden en aanhoudende aanvallen van de Afrikanen met wie zij in een eeuwige strijd gewikkeld zijn.

    Dit, liefdevolle vader, lijken mij betreurenswaardige en uiterst ongelukkige omstandigheden; wat het verleden betreft geven zij aanleiding tot verdriet en wat betreft de toekomst reden tot angst. Daarom treur ik met de treurenden. De huidige situatie is slecht, wat ons te wachten staat nog veel erger. De nederlaag van de Grieken hebben we gezien, nu verwachten we de ondergang van de Latijnen. Nu het huis van onze buren in de as is gelegd, dreigt ons huis hetzelfde lot te ondergaan. Wie bevinden zich nog tussen ons en de Turken? Een kleine strook land, een klein stukje zee is het enige dat ons van hen scheidt. Het Turkse zwaard hangt reeds boven onze hoofden en intussen voeren wij onderling oorlog, bestoken wij onze broeders en laten we toe dat de vijanden van het Kruis tegen ons optrekken.

    Hoewel ik er vast op vertrouw dat de redding van het christendom de volledige aandacht heeft van onze Heilige Vader en alle leden van de heilige senaat, zou ik toch zeer wensen dat Uwe Eminentie op dit ogenblik te Rome was. U zou, ik weet het, een galopperend paard aanvuren en in een zo gewichtige zaak geen enkele achteloosheid dulden. U zou van de ene kardinaal naar de andere gaan en hem toespreken; u zou ook de pauselijke oren geen moment rust gunnen. Ik zou goede hoop hebben dat het door uw zorg in korte tijd tot maatregelen kwam die het mogelijk maakten niet alleen de christelijke zaak tegen de ongelovigen te verdedigen, maar de Turken ook op hun eigen terrein op te zoeken, in het nauw te drijven en te vernietigen. Naar mijn mening zal in een zo belangrijke aangelegenheid Uwe Eminentie naar Rome worden teruggeroepen om het algemeen belang met uw advies te dienen; of u zult zeker belast worden met een missie om het Duitse volk op te roepen om het wankelend geloof te hulp te snellen. Mocht geen van beiden gebeuren, dan zou het – ja ik matig me aan als het spreekwoordelijk zwijn Minerva te onderrichten – mijns inziens het beste zijn dat Uwe Eminentie zelf het initiatief neemt en er bij de paus en het heilig College schriftelijk op aandringt dat zij in deze kritieke omstandigheden een geneesmiddel zoeken, nu de wonden nog vers zijn, en deze niet door nalatigheid laten veretteren; dat zij koningen en leiders op een bepaalde plaats bijeenroepen, een dag vaststellen voor deze vergadering, ambassadeurs namens de paus te zenden, de rampen aan de orde te stellen die het christendom zo pas geleden heeft en welke gevaren in de nabije toekomst te duchten zijn, voorzorgsmaatregelen aan te geven, ofwel een vrede, ofwel een wapenstilstand onder de christenen te regelen, een kruistocht te preken en vergeving van zonden te beloven. Laat de apostolische bazuin[22] schallen, laat hij niets verwaarlozen, niets op dit moment nalaten. Ik twijfel er niet aan: als een geschikte plaats wordt genoemd voor overleg, zullen de koningen komen of afgevaardigden zenden en in goede gezindheid deze zaak van het geloof omhelzen…..

    Niets staat ons in de weg behalve onze eigen onachtzaamheid of onenigheid; of er nu op zee of te land moet worden gestreden: als de wil er is, zullen wij zegevieren. Eens heeft Italië geheel op eigen kracht Griekenland, Azië, Libië en Egypte onderworpen. Waartoe zou Italië niet in staat zijn, wanneer de strijdkrachten van Duitsland en Frankrijk zich met haar zouden hebben verbonden? Uit de overlevering weten we, dat telkens wanneer de strijdkrachten van de Latijnen zich verenigden, de volkeren in het oosten beefden en dat onze legers altijd als overwinnaar zijn teruggekeerd, of het moest zijn dat God, vertoornd vanwege onze zonden, de onzen heeft geslagen met pest of honger. Want wanneer de strijd eenmaal was ontbrand, was de overwinning altijd aan de Latijnen. Als nu het christenvolk in goede gezindheid, niet uit hebzucht, niet uit begeerte naar ijdele roem, maar enkel door geloofsijver bezield de wapens zal opnemen voor de redding van broeders, voor de geboden van Christus, voor de verbreiding van het katholieke geloof, dan zal God ongetwijfeld vanuit de hemel op zijn volk neerzien en verheugd over de mensenkinderen[23] zijn erfgoed[24] beschermen en ons met zijn zegevierende hand de triomf schenken niet alleen over de Turken, als wij volharden, maar ook over de Saracenen en andere barbaarse volkeren.

    Dit alles wilde ik Uwe Eminentie schrijven, misschien klinken mijn woorden al te aanmatigend. Ik heb me echter door mijn geloofsijver laten meeslepen en bovendien heb ik gemeend dat Uwe Eminentie al mijn woorden ten goede zal duiden. Leef wel in Christus en denk nu en dan aan mij als uw trouwe dienaar. Graz in Styrië, dat men het Beierse noemt, 21 juli 1453.

 



[1] Stefano Caccia was een rechtsgeleerde, afkomstig uit Novara en vriend van Enea in Rome, door hem benut als inlichtingenbron. In zijn Libellus dialogorum (over het gezag van een algemeen concilie en de handelingen van het concilie van Bazel; geschreven in 1440) vertegenwoordigt Stefano het conciliaire standpunt, terwijl Nicolaus van Cusa de autoriteit van de paus verdedigt.

[2] Wolkan, III, 108.

[3] Wolkan, III, 109.

[4] In de brief van 12 juli aan paus Nicolaas V.

[5] Wolkan, III, 114.

[6] Wolkan, III, 121.

[7] Wolkan, III, 124.

[8] Wolkan, III, 126.

[9] Wolkan, III, 133.

[10] Enea doelt op de leer van Epicurus, die in de Renaissance veel aanhang had.

[11] Wolkan, III, 142; in 1454 zal Enea op de rijksdag te Frankfurt een beroemd geworden rede houden om op te roepen tot gezamenlijke actie tegen de Turken, pas in 1456 zal hij terugkeren naar Italië.

[12] ‘procuratores.’

[13] Wolkan, III, 153.

[14] Wolkan, III, 112.

[15] Cyprianus, De catholicae Ecclesiae unitate 1,5; Augustinus, Contra Cresconium II,33,42.

[16] Prediker 2, 11.

[17] Zie voor de Don als grens tussen Europa en Azië: Isidorus van Sevilla, Etymol. sive origin. XIII.21.

[18] Voor de uitdrukking ‘primi flores resurrectionis’: cf. Bernardus van Clairvaux, De diligendo Deo, III,10.

[19] Konrad III en Lodewijk VII namen deel aan de door Bernard van Clairvaux gepreekte tweede kruistocht (1147-1149).

[20] Saladin heroverde Jeruzalem in 1187 ; cf. http://en.wikipedia.org/wiki/Saladin.

    [21] Genua had een handelsnederzetting in Pera in concurrentie met Venetië, dat gebaat was met de verdwijning ervan.

 

[22] Deze uitdrukking apostolica tuba is mogelijk ontleend aan Augustinus, De continentia 3,8. 

[23] Psalm 65 in de vulgaat editie.

[24] Psalm 93 in de vulgaat editie.


 

 
     

 

© michel goldsteen