De ontdekking van het aluin; het grote profijt ervan voor de Kerk (Comm. VII, 12)

 

Ontdekking van het aluin; het grote profijt ervan.

Kort daarvoor[1] was Giovanni da Castro[2] naar Rome gekomen, een oude bekende van de paus uit de tijd dat de man handel dreef in Basel. Zijn vader Paolo, de meest beroemde jurist van zijn tijd, had veel jaren een leerstoel in Padua bekleed en heel Italië van adviezen voorzien, want procederende partijen wonnen vaak zijn raad in en bij rechters genoot hij groot gezag, aangezien hij een degelijk geleerde en onkreukbaar man was. Bij zijn dood liet hij een groot vermogen na en twee zoons die al van gevorderde leeftijd waren. De oudste was in de voetsporen van zijn vader getreden en een niet onverdienstelijk rechtsgeleerde, de ander had zich op de handel toegelegd, waarbij hij diep in de schulden was geraakt – onbetrouwbaar als de fortuin is – en omdat hij nergens anders veilig was, had hij bij de paus, die zijn peetoom was, zijn toevlucht gezocht. Van hem kreeg hij een brief, waarmee hij, zonder door schuldeisers te worden belaagd, kon verblijven op het grondgebied van de Kerk. Hij was een talentvol man, die zich beter aan de letteren dan aan de handel had kunnen wijden. Hij had grammatica geleerd en zich in geschiedenis verdiept; maar aan niets besteedde hij zoveel tijd en moeite als aan de studie van de astrologie, de uitleg van profeten en het speuren naar mineralen; misschien dacht hij wel met deze wetenschappen zijn verliezen in de handel ooit goed te kunnen maken. En hij werd hierin niet teleurgesteld. Terwijl hij alle bergen en heuvels van de kerkelijke domeinen doorkruiste en in de ingewanden van de aarde de geheimen der natuur navorste en geen aardkluit of steen onberoerd liet, ontdekte hij tenslotte op het grondgebied van Tolfa aluinsteen. Tolfa is een oude stad, die toebehoort aan twee broers, onderdanen van de Kerk van Rome, niet ver van Centocelle en Civitavecchia. Hoge bergen, rijk aan wouden en wateren, wijken hier terug van zee, diep het land in. Op zijn trektocht door dit gebied stuit Giovanni op een ongewoon uitziende plant[3], hij verwondert zich, stelt een nader onderzoek in en komt te weten, dat soortgelijke planten in de bergen van Azië voorkomen, die met aluin de Turkse schatkist verrijken. Hij ziet witte op mineralen lijkende stenen; hij bijt erop en proeft een zoute smaak; hij verhit ze, experimenteert: hij produceert aluin. Dan begeeft hij zich naar de paus en zegt: “Vandaag breng ik u de overwinning op de Turken! Meer dan 300.000 dukaten ontwringen zij ieder jaar aan de christenen vanwege het aluin, waarmee wij wol in verschillende kleuren verven. Want in de Latijnse wereld komt aluin niet voor, behalve een heel geringe hoeveelheid op het eiland Ischia, vroeger Aenaria genoemd, in de buurt van Puteoli, en een vindplaats in de Lyparische grot van het eiland Vulcano[4], die bijna is uitgeput, omdat de Romeinen hem in de oudheid al geëxploiteerd hebben. Ik echter heb zeven bergen gevonden die zo rijk zijn aan deze delfstof, dat ze voldoende zouden opleveren voor zeven werelden. Als u opdracht geeft werklieden in dienst te nemen, ovens te bouwen en de stenen te verhitten, zult u heel Europa van aluin voorzien en de Turken zullen heel hun gewin verliezen. Doordat het bij u wordt bijgeboekt, zullen de Turken een dubbel verlies lijden. Grondstof en water zijn in overvloed aanwezig en een haven heeft u in de buurt, in Civitavecchia, waar schepen kunnen worden beladen om naar het Westen te zeilen. Nu zult u een oorlog tegen de Turken kunnen organiseren. Deze ader zal u het zenuwstelsel van de oorlog[5] – dat wil zeggen: geld – bezorgen en die tegelijk aan de Turken ontnemen.”

Wat Giovanni zei, leek gekkenpraat. Pius beschouwde zijn woorden als sprookjes en loze verzinsels van astrologen. En zo dachten alle kardinalen erover. Giovanni echter hield, hoewel al vaak bespot en uitgemaakt voor opschepper en fantast, voet bij stuk. Hij bediende zich nu van de ene dan van de andere persoon om de deur van de paus telkens weer voor hem te openen, met de bedoeling om in zijn aanwezigheid een experiment te mogen uitvoeren met de steen die hij gevonden had. De paus riep er deskundigen bij, die de echtheid van het aluin keurden. Om bedrog uit te sluiten, werd een onderzoek gestart naar de steen. Er werden mensen naar de mijn gestuurd, die inderdaad een enorme hoeveelheid van de steen aantroffen. Uit Genua werden werklieden gehaald, die vroeger bij de Turken in Azië aluin hadden verwerkt. Zij onderzochten de natuurlijke gesteldheid van het terrein en zeiden dat die in alles overeenkwam met de bergen in Azië, waarin aluin voorkwam. Met tranen van vreugde knielden ze neer en vereerden God keer na keer en loofden Zijn goedheid, dat hij onze tijd zo’n groot geschenk had gegeven. Toen ze de stenen verhitten, werd daaruit aluin geproduceerd van een veel betere en mooiere kwaliteit dan de aluin uit Azië.

Monsters werden zowel naar Venetië als naar Florence gestuurd; er werden proeven mee gedaan: de resultaten overtroffen de verwachting. Als eersten kochten de Genuezen een partij ter waarde van 20.000 dukaten; vervolgens Cosimo de’ Medici voor 75.000 dukaten. Het eerste jaar bracht veel meer op dan ieder verwacht had; daarom meende Pius dat Giovanni beloond moest worden met bijzondere eerbewijzen en een standbeeld in zijn vaderstad verdiende met de inscriptie: “Voor Giovanni da Castro, ontdekker van het aluin.” Ook een deel van de winst ontging hem niet. Aan de broers, de heren van Tolfa, op wier land de mijn was ontdekt, werd vrijstelling van belasting verleend en een percentage van de opbrengst.

Deze inkomsten zijn de Kerk van Rome door Gods genade ten deel gevallen tijdens het pontificaat van Pius. Als zij – zoals billijk zou zijn – uit handen blijven van tirannen en behoedzaam beheerd worden, zullen ze met de dag toenemen en de pausen van Rome niet weinig helpen om de lasten van de christelijke godsdienst te dragen.

Meerdere dichters hebben deze gebeurtenis in verzen gevierd, waaronder Campano die het volgende epigram aan Pius heeft opgedragen:

 

Wie zegt dat slechts de hemelen u toebehoren, vergist zich
en heeft het ver mis wat betreft Pius’ rijk.
Zelfs de Aarde heeft u haar bezit gebracht en zich
aan u uitgeleverd, gul schenkend uit haar geopende buik.
Hier heeft zij uitgestort dofklinkend koper, daar weer aluin,
elders wordt door een derde ader zilver geschonken.
In de schoot van de aarde lag dit alles zoveel jaren verborgen,
nu is het alleen voor haar heer tevoorschijn gekomen.
Wat nu nog, Aarde, rijk als geen ander, aan goud in u rust,
maak u niet schuldig aan diefstal en geef ook dat Pius. 
 


[1] Mei 1462

[3]agrifolium (hulst)

[4] fossa di Vulcano op de Liparische eilanden: zie http://www.mindat.org/rloc.php?loc
=Vulcano+Island%2C+Eolie+Islands%2C
+Lipari%2C+Messina+Province%2C+Sicily%2C+Italy
 en

http://users.skynet.be/fa381414/stromboli/

2004/vulcano_2004.htm

5] nervos belli: cf. Cicero, Philipp. V, ii, 5:
“Quid est aliud omnia ad bellum civile
hosti arma largiri, primum nervos belli, pecuniam infinitam?”

 

 

Aluminis inventio maximusque proventus

 Paulo ante id temporis Romam venerat Iohannes Castrensis, pontifici iam pridem notus, cum Basileae negociaretur. Huic pater fuit Paulus, iure consultus sui temporis clarissimus, et qui cathedram multos annos Patavi rexit, atque omnem Italiam consiliis implevit, cum frequentes ad eum litigatores concurrerent, et iudices eius auctoritati multum tribuerent, cuius doctrina solida et sine dolo esset. Reliquit moriens plurimas opes et duos filios iam aetate provectos, quorum senior patris studia sectatus est non illaudatus iuris interpres, alter mercaturae se tradidit, in qua - ut est fortuna fallax - aes alienum grande contraxit; propter quod - cum tuto alibi esse nequiret - ad Pium pontificem se contulit, cui esset compaternitatis foedere iunctus, ab eoque litteras impetravit, ut sine molestia creditorum in terris Ecclesiae morari posset. Ingeniosus hic vir fuit, et qui litteris melius, quam mercaturae studuisset: didicit grammaticam, historias pervolvit, verum nulli rei tam accurate operam impendit, quam astronomiae et prophetarum interpretationi ac minerarum inquisitioni - tan­quam his artibus mercaturae detrimenta resarcire aliquando posset. Nec fefellit eum opinio. Dum montes collesque cunctos percurrit Ecclesiastici Patrimonii, atque in viscera terrae naturae secreta rimatur, nec glaebam nec saxum relinquit intactum, tandem in agro Tolfano aluminis lapidem repperit.

Tolfa vetus oppidum est duorum fratrum Ecclesiae Romanae subditorum, non procul a Centum Cellis et Urbe Vetula; hic montes alti a mari introrsus recedunt silvis et aquis fecundi. Per quos dum Iohannes ambulat, novam herbae faciem offendit; miratur, inquirit, deinde certior fit similem nasci herbam in montibus Asiae, qui Turchorum aerarium alumine ditant. Videt lapides albos et qui minerales apparent; mordet: salsedinem repperit; excoquit, experimentum facit: alumen producit; accedensque pontificem: ,,Hodie" - inquit - tibi victoriam de Turcho affero! Aureorum supra trecenta milia quottannis ille a Christianis extorquet propter alumen, quo diversis coloribus lanas inficimus, quia non reperitur apud Latinos, nisi paululum apud insulam Hisclam, quae olim Aenaria dicebatur, Puteolis vicinam, et in Lyppareo Vulcani antro, quod a Ro­manis olim exhaustum propemodum defecit. At ego septem montes inveni adeo huiusce­modi materiae fecundos, ut septem orbibus sufficere possint. Si iubes accersiri artifices, apparari fornaces, excoqui lapides, Europeis omnibus alumina ministrabis, et omne Turchi lucrum deficiet, quod tibi additum duplicato damno illum afficiet. Materia et aqua abunde suppetit, et portum habes propinquum in Civitate Vetula, in quo naves onerentur in Occidentem navigaturae. Licebit iam tibi adversus Turchos bellum instruere: haec tibi minera nervos belli administrabit et auferet Turcho - hoc est: pecuniam. "

Delyramentis similia visa sunt Iohannis verba; Pius somnia existimavit et inanes astronomorum fabulas, idemque cardinales omnes arbitrati sunt. -Iohannes, quamvis saepe irrisus atque reiectus esset quasi nugator ac vaniloquus, a proposito tamen non recessit, nunc hunc nunc illum interposuit, qui sibi pontificis aditum iterum atque iterum aperirent, coram quo posset experimentum inventi lapidis facere. Pontifex rerum peritos advocavit; illi veritatem aluminis probavere. De lapide quaesitum est, ne fraus inesset. Missum ad mineram, et inventa eius lapidis ingens vis. Vocati sunt artifices ex Genua, qui aliquando in Asia Turchi alumina tractavere. Ii, cum loci naturam inspexissent, per omnia similem esse dixerunt Asiaticis montibus alumen ferentibus, et prae gaudio illacrimati ter quaterque genua flectentes Deum adoravere, eiusque pietati benedixere, qui tantum donum nostrae contulisset aetati. Decoxere lapi­des, et alumen multo praestantius ac pulchrius exiit, quam illud Asiaticum. Missum est et ad Venetos et ad Florentinos; factum periculum; res ipsa opinio­nem superavit. Et primi Genuenses pro viginti milibus aureis mercatum fecere; postea Cosmas Medices quinque et septuaginta milia auri nummum in eam rem contulit; atque tantum prior annus attulit praeter opinionem omnium. Propter quod Pius Iohannem dignum censuit, quem singularibus prosequeretur honoribus, et cui statuam erigeret in patria, in qua scriptum esset: “Johan­ni Castrensi, aluminis inventori", nec sine parte lucri dimissus est. Fratribus Tolfae dominis, in quorum fundo minera reperta est, immunitates datae et pars quota emolumenti concessa.

Haec divino munere sub Pio pontifice maximo Ecclesiae Romanae accessio contigit, quae si - ut par fuerit - tyrannorum manus evaserit et caute administretur, in dies augescet, et Romanos pontifices ad ferenda Christianae reli­gionis onera non parum adiuvabit. - Nec defuere, qui rem versibus celebrarent; inter quos et Campani hoc epigramma ad Pium extat:

 

,,Esse tuos coelos tantum qui dixerit, errat

deque Pii longe fallitur imperio:
 ipsa etiam tellus, quod habet, tibi contulit et se

praebuit eruptis prodiga visceribus.
Parte alia raucum aes aliaque excussit alumen,
datque alio argentum  tertia vena loco.

Abdita telluris gremio haec latuere tot annos
et soli domino nunc patuere suo.

Tu, quod nunc auri restat, ditissima tellus,
ne furti rea sis, hoc quoque redde Pio!"

 

 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen