|
Ontdekking van het
aluin; het
grote profijt ervan.
Kort daarvoor[1]
was Giovanni da Castro[2]
naar Rome gekomen, een oude bekende van de paus uit de tijd dat
de man handel dreef in Basel. Zijn vader Paolo, de meest
beroemde jurist van zijn tijd, had veel jaren een leerstoel in
Padua bekleed en heel Italië van adviezen voorzien, want
procederende partijen wonnen vaak zijn raad in en bij rechters
genoot hij groot gezag, aangezien hij een degelijk geleerde en
onkreukbaar man was. Bij zijn dood liet hij een groot vermogen
na en twee zoons die al van gevorderde leeftijd waren. De oudste
was in de voetsporen van zijn vader getreden en een niet
onverdienstelijk rechtsgeleerde, de ander had zich op de handel
toegelegd, waarbij hij diep in de schulden was geraakt –
onbetrouwbaar als de fortuin is – en omdat hij nergens anders
veilig was, had hij bij de paus, die zijn peetoom was, zijn
toevlucht gezocht. Van hem kreeg hij een brief, waarmee hij,
zonder door schuldeisers te worden belaagd, kon verblijven op
het grondgebied van de Kerk. Hij was een talentvol man, die zich
beter aan de letteren dan aan de handel had kunnen wijden. Hij
had grammatica geleerd en zich in geschiedenis verdiept; maar
aan niets besteedde hij zoveel tijd en moeite als aan de studie
van de astrologie, de uitleg van profeten en het speuren naar
mineralen; misschien dacht hij wel met deze wetenschappen zijn
verliezen in de handel ooit goed te kunnen maken. En hij werd
hierin niet teleurgesteld. Terwijl hij alle bergen en heuvels
van de kerkelijke domeinen doorkruiste en in de ingewanden van
de aarde de geheimen der natuur navorste en geen aardkluit of
steen onberoerd liet, ontdekte hij tenslotte op het grondgebied
van Tolfa aluinsteen. Tolfa is een oude stad, die toebehoort aan
twee broers, onderdanen van de Kerk van Rome, niet ver van
Centocelle en Civitavecchia. Hoge bergen, rijk aan wouden en
wateren, wijken hier terug van zee, diep het land in. Op zijn
trektocht door dit gebied stuit Giovanni op een ongewoon
uitziende plant[3],
hij verwondert zich, stelt een nader onderzoek in en komt te
weten, dat soortgelijke planten in de bergen van Azië voorkomen,
die met aluin de Turkse schatkist verrijken. Hij ziet witte op
mineralen lijkende stenen; hij bijt erop en proeft een zoute
smaak; hij verhit ze, experimenteert: hij produceert aluin. Dan
begeeft hij zich naar de paus en zegt: “Vandaag breng ik u de
overwinning op de Turken! Meer dan 300.000 dukaten ontwringen
zij ieder jaar aan de christenen vanwege het aluin, waarmee wij
wol in verschillende kleuren verven. Want in de Latijnse wereld
komt aluin niet voor, behalve een heel geringe hoeveelheid op
het eiland Ischia, vroeger Aenaria genoemd, in de buurt van
Puteoli, en een vindplaats in de Lyparische grot van het eiland
Vulcano[4],
die bijna is uitgeput, omdat de Romeinen hem in de oudheid al
geëxploiteerd hebben. Ik echter heb zeven bergen gevonden die zo
rijk zijn aan deze delfstof, dat ze voldoende zouden opleveren
voor zeven werelden. Als u opdracht geeft werklieden in dienst
te nemen, ovens te bouwen en de stenen te verhitten, zult u heel
Europa van aluin voorzien en de Turken zullen heel hun gewin
verliezen. Doordat het bij u wordt bijgeboekt, zullen de Turken
een dubbel verlies lijden. Grondstof en water zijn in overvloed
aanwezig en een haven heeft u in de buurt, in Civitavecchia,
waar schepen kunnen worden beladen om naar het Westen te zeilen.
Nu zult u een oorlog tegen de Turken kunnen organiseren. Deze
ader zal u het zenuwstelsel van de oorlog[5]
– dat wil zeggen: geld – bezorgen en die tegelijk aan de Turken
ontnemen.”
Wat Giovanni zei, leek
gekkenpraat. Pius beschouwde zijn woorden als sprookjes en loze
verzinsels van astrologen. En zo dachten alle kardinalen erover.
Giovanni echter hield, hoewel al vaak bespot en uitgemaakt voor
opschepper en fantast, voet bij stuk. Hij bediende zich nu van
de ene dan van de andere persoon om de deur van de paus telkens
weer voor hem te openen, met de bedoeling om in zijn
aanwezigheid een experiment te mogen uitvoeren met de steen die
hij gevonden had. De paus riep er deskundigen bij, die de
echtheid van het aluin keurden. Om bedrog uit te sluiten, werd
een onderzoek gestart naar de steen. Er werden mensen naar de
mijn gestuurd, die inderdaad een enorme hoeveelheid van de steen
aantroffen. Uit Genua werden werklieden gehaald, die vroeger bij
de Turken in Azië aluin hadden verwerkt. Zij onderzochten de
natuurlijke gesteldheid van het terrein en zeiden dat die in
alles overeenkwam met de bergen in Azië, waarin aluin voorkwam.
Met tranen van vreugde knielden ze neer en vereerden God keer na
keer en loofden Zijn goedheid, dat hij onze tijd zo’n groot
geschenk had gegeven. Toen ze de stenen verhitten, werd daaruit
aluin geproduceerd van een veel betere en mooiere kwaliteit dan
de aluin uit Azië.
Monsters werden zowel naar
Venetië als naar Florence gestuurd; er werden proeven mee gedaan: de
resultaten overtroffen de verwachting. Als eersten kochten de Genuezen een partij ter waarde van 20.000 dukaten; vervolgens
Cosimo de’ Medici voor 75.000 dukaten. Het eerste jaar bracht
veel meer op dan ieder verwacht had; daarom meende Pius dat
Giovanni beloond moest worden met bijzondere eerbewijzen en een
standbeeld in zijn vaderstad verdiende met de inscriptie: “Voor
Giovanni da Castro, ontdekker van het aluin.” Ook een deel van
de winst ontging hem niet. Aan de broers, de heren van Tolfa, op
wier land de mijn was ontdekt, werd vrijstelling van belasting
verleend en een percentage van de opbrengst.
Deze inkomsten zijn de Kerk van
Rome door Gods genade ten deel gevallen tijdens het pontificaat
van Pius. Als zij – zoals billijk zou zijn – uit handen blijven
van tirannen en behoedzaam beheerd worden, zullen ze met de dag
toenemen en de pausen van Rome niet weinig helpen om de lasten
van de christelijke godsdienst te dragen.
Meerdere dichters hebben deze
gebeurtenis in verzen gevierd, waaronder Campano die het
volgende epigram aan Pius heeft opgedragen:
Wie zegt dat slechts de
hemelen u toebehoren, vergist zich en heeft het ver mis wat betreft Pius’ rijk. Zelfs de Aarde heeft u haar bezit gebracht en zich aan u uitgeleverd, gul schenkend uit haar geopende buik. Hier heeft zij uitgestort dofklinkend koper, daar weer aluin, elders wordt door een derde ader zilver geschonken. In de schoot van de aarde lag dit alles zoveel jaren verborgen, nu is het alleen voor haar heer tevoorschijn gekomen. Wat nu nog, Aarde, rijk als geen ander, aan goud in u rust, maak u niet schuldig aan diefstal en geef ook dat Pius.
5]
nervos belli: cf. Cicero, Philipp. V, ii, 5:
“Quid est aliud omnia ad bellum civile
hosti arma largiri, primum nervos belli, pecuniam
infinitam?”
|
Aluminis inventio maximusque proventus
Paulo ante
id temporis Romam venerat Iohannes Castrensis, pontifici iam pridem
notus, cum Basileae negociaretur. Huic pater fuit Paulus, iure consultus sui temporis clarissimus,
et qui cathedram
multos annos Patavi rexit, atque omnem Italiam consiliis
implevit, cum frequentes ad eum litigatores concurrerent,
et iudices eius auctoritati multum tribuerent, cuius
doctrina solida et sine dolo esset. Reliquit moriens plurimas opes
et duos filios iam aetate provectos, quorum senior patris
studia sectatus est non illaudatus iuris interpres, alter
mercaturae se tradidit, in qua - ut est fortuna fallax
- aes alienum grande contraxit; propter quod - cum
tuto alibi esse nequiret - ad Pium pontificem se contulit,
cui esset compaternitatis foedere iunctus, ab eoque
litteras impetravit, ut sine molestia creditorum in terris
Ecclesiae morari posset. Ingeniosus hic vir fuit, et qui
litteris melius, quam mercaturae studuisset: didicit
grammaticam, historias pervolvit, verum nulli rei tam
accurate operam impendit, quam astronomiae et prophetarum
interpretationi ac minerarum inquisitioni - tanquam his
artibus mercaturae detrimenta resarcire aliquando posset. Nec
fefellit eum opinio. Dum montes collesque cunctos percurrit
Ecclesiastici Patrimonii, atque in viscera terrae naturae
secreta rimatur, nec glaebam nec saxum relinquit intactum,
tandem in agro Tolfano aluminis lapidem repperit.
Tolfa vetus
oppidum est duorum fratrum Ecclesiae Romanae subditorum, non
procul a Centum Cellis et Urbe Vetula; hic montes alti a mari
introrsus recedunt silvis et aquis fecundi. Per quos dum Iohannes
ambulat, novam herbae faciem offendit; miratur, inquirit,
deinde certior fit similem nasci herbam in montibus
Asiae, qui Turchorum aerarium alumine ditant. Videt lapides
albos et qui minerales apparent; mordet: salsedinem repperit;
excoquit, experimentum facit: alumen producit; accedensque
pontificem:
,,Hodie"
- inquit -
tibi victoriam de Turcho affero! Aureorum supra trecenta milia
quottannis ille a Christianis extorquet propter alumen, quo
diversis coloribus lanas inficimus, quia non reperitur apud Latinos,
nisi paululum apud insulam Hisclam, quae olim Aenaria dicebatur,
Puteolis vicinam, et in Lyppareo Vulcani antro, quod a Romanis olim
exhaustum propemodum defecit. At ego septem montes inveni adeo
huiuscemodi materiae fecundos, ut septem orbibus sufficere possint.
Si iubes accersiri artifices, apparari fornaces, excoqui lapides,
Europeis omnibus alumina ministrabis, et omne Turchi lucrum
deficiet, quod tibi additum duplicato damno illum afficiet. Materia
et aqua abunde suppetit, et portum habes propinquum in Civitate
Vetula, in quo naves onerentur in Occidentem navigaturae. Licebit
iam tibi adversus Turchos bellum instruere: haec tibi minera nervos
belli administrabit et auferet Turcho - hoc est: pecuniam. "
Delyramentis
similia visa sunt Iohannis verba; Pius somnia existimavit et inanes
astronomorum fabulas, idemque cardinales omnes arbitrati sunt.
-Iohannes, quamvis saepe irrisus atque reiectus esset quasi nugator
ac vaniloquus, a proposito tamen non recessit, nunc hunc nunc illum
interposuit, qui sibi pontificis aditum iterum atque iterum
aperirent, coram quo posset experimentum inventi lapidis facere.
Pontifex rerum peritos advocavit; illi veritatem aluminis probavere.
De lapide quaesitum est, ne fraus inesset. Missum ad mineram, et inventa eius lapidis ingens vis. Vocati sunt artifices ex Genua,
qui aliquando in Asia Turchi alumina tractavere. Ii, cum
loci naturam inspexissent, per omnia similem esse dixerunt
Asiaticis montibus alumen ferentibus, et prae gaudio
illacrimati ter quaterque genua flectentes Deum adoravere, eiusque pietati benedixere,
qui tantum donum nostrae
contulisset aetati. Decoxere lapides, et alumen multo
praestantius ac pulchrius exiit, quam illud Asiaticum. Missum
est et ad Venetos et ad Florentinos; factum periculum; res ipsa
opinionem superavit. Et primi Genuenses pro viginti milibus aureis
mercatum fecere; postea Cosmas Medices quinque et septuaginta milia
auri nummum in eam rem contulit; atque tantum prior annus attulit
praeter opinionem omnium. Propter quod Pius Iohannem dignum censuit,
quem singularibus prosequeretur honoribus, et cui statuam
erigeret in patria, in qua scriptum esset: “Johanni
Castrensi, aluminis inventori", nec sine parte lucri dimissus
est. Fratribus Tolfae dominis, in quorum fundo minera reperta
est, immunitates datae et pars quota emolumenti concessa.
Haec divino munere
sub Pio pontifice maximo Ecclesiae Romanae accessio contigit, quae si - ut par fuerit - tyrannorum manus evaserit et caute
administretur, in dies augescet, et Romanos pontifices
ad ferenda Christianae religionis onera non parum adiuvabit. - Nec
defuere, qui rem versibus celebrarent; inter quos et Campani
hoc epigramma ad Pium extat:
,,Esse
tuos coelos tantum qui dixerit, errat
deque Pii longe
fallitur imperio: ipsa etiam tellus, quod habet, tibi contulit et se
praebuit
eruptis prodiga visceribus. Parte alia raucum aes aliaque excussit alumen,
datque alio argentum tertia vena loco.
Abdita telluris
gremio haec latuere tot annos et soli domino nunc patuere suo.
Tu, quod nunc auri
restat, ditissima tellus, ne furti rea sis, hoc quoque redde Pio!"
|
|