|
Voorbereidingen van Pius om het heilig hoofd te ontvangen. Zijn zeer
godvruchtige redevoering; de processie; overweldigende publieke
belangstelling. (Comm. VIII, 2) part 2...
“U bent dan eindelijk hier
aangekomen, zeer verheven en aanbeden hoofd van de heilige apostel! Door de
razernij van de Turken van huis verdreven, heeft u als balling bij uw broer,
Prins der apostelen, uw heil gezocht. En uw broeder zal u zijn steun niet
onthouden: u zult met Gods wil, roemvol op uw troon hersteld worden,
eens zult u kunnen zeggen: ‘ Oh gezegende ballingschap, die zo’n hulp
gevonden heeft!’ Intussen zult u een tijd lang bij uw broer verblijven en
dezelfde eer genieten als hij. De stad, die u daar ziet, is het ons allen
voedende Rome, geheiligd door het kostbaar bloed van uw broer. Dit volk, dat
om u heen staat, hebben de heilige apostel Petrus, uw liefdevolle broer, en
met hem, dat door God gekozen instrument, de heilige Paulus, opnieuw doen
geboren worden voor onze Heer Jezus Christus. Alle Romeinen, uw neven van de
kant van uw broer, vereren, eerbiedigen en gehoorzamen u als hun oom en
vader en zij twijfelen er niet aan, dat zij op uw voorspraak kunnen rekenen
voor het aanschijn van de almachtige God. Oh gelukzalige apostel Andreas,
verkondiger van de waarheid en uitmuntend verdediger van de Drieëenheid, met
hoeveel vreugde vervult u ons vandaag, nu wij uw heilig en eerbiedwaardig
hoofd voor ons zien, het hoofd, waarop de Heilige Geest, de Vertrooster,
zich verwaardigd heeft op Pinksteren neer te dalen in de gedaante van vuur.
Oh gij die naar Jeruzalem reist uit verering voor de Verlosser, om de
plaatsen te bezoeken die Zijn voeten hebben betreden: zie hier de woonplaats
van de Heilige Geest, zie hier Gods zetel! Hier, ja hier heeft zich Gods
geest gevestigd! Hier is de derde persoon van de Drieëenheid zichtbaar
geworden! Dit waren de ogen die dikwijls de Heer hebben gezien in Zijn
aardse gedaante! Deze mond heeft dikwijls tot Christus gesproken, deze
wangen heeft Jezus, daar mogen wij zeker van zijn, dikwijls gekust! Zie hier
deze machtige schrijn, zie de liefde, de vroomheid, de zoetheid van de ziel,
de vertroosting van de geest. Wie wordt niet hevig geroerd, bij wie brandt
niet het hart van binnen, wie schiet van vreugde niet vol tranen wanneer hij
dit kostbaar relikwie van de apostel ziet? Wij verheugen ons, wij juichen en
jubelen over uw komst, hemelse apostel Andreas! Want wij twijfelen niet, dat
u als metgezel van uw hoofd in ons midden bent en met dat hoofd de stad zult
binnengaan. Wij haten weliswaar de Turken, de vijanden van de christelijke
godsdienst; maar in dit ene haten wij hen niet, dat zij de aanleiding zijn
geweest voor uw komst. Wat welke vurige wens van ons had beter vervuld
kunnen worden dan dit zeer geëerde hoofd van u te mogen aanschouwen en
doordrongen te worden van zijn welriekende geur? Slechts dit benauwt ons dat
wij u bij uw komst niet die eer bewijzen, die u verdient, en dat wij u niet
kunnen ontvangen op een manier die recht doet aan uw buitengewone
heiligheid. Maar aanvaard onze goede wil, weeg de bedoeling, niet de daad.
Sta genadig toe dat wij met onzuivere handen uw gebeente aanraken en dat
wij, zondaars, u binnen de stadsmuren vergezellen. Betreed dan de heilige
stad en wees het Romeinse volk goedgunstig. Moge uw komst voor alle
christenen heilzaam zijn, uw intrede vrede stichten. Moge uw verblijf in
onze stad geluk en voorspoed brengen. Wees onze voorspreker in de hemel en
bewaar deze stad samen met de heilige apostelen Petrus en Paulus, zorg
liefdevol voor heel het christelijke volk, zodat door uw bemiddeling Gods
barmhartigheid over ons komt. En als Hij misschien vertoornd is vanwege onze
zonden, die menigvuldig zijn, moge dan Zijn toorn zich richten, in plaats
tegen ons, tegen de goddeloze Turken en de barbaarse naties, die Christus
onze Heer verachten.”
De toespraak van de paus wekte
bij allen tranen op, niemand op het podium, priester noch leek, die niet
weende en zich op de borst sloeg, terwijl hij de bescherming van de heilige
apostel inriep. Bij sommigen hadden de woorden van de paus zich zo in het
geheugen gegrift, dat zij, thuis gekomen, de toespraak woord voor woord
opschreven en aan de paus aanboden. Een van hen was Teodoro, bisschop van
Feltre (Teodoro Lelli; opm. vertaler), iemand vol talenten en
geleerdheid. Toen de paus zijn afschrift had gelezen, bewonderde hij het
geheugen van de man en prees de kracht van zijn talent.
Tijdens de woorden van de paus
heerste diepe stilte, op het snikken na van hen die, hun zonden betreurend,
hun geweeklaag niet konden bedwingen. Rondom brandden toortsen en heel de
verzamelde menigte op de weiden wachtte zwijgend tot de paus was
uitgesproken. Toen hij eindigde, kuste hij het gewijde hoofd en allen op het
podium kusten het insgelijks. Daarna vervolgde de paus en bad:
“Almachtige, eeuwige God, Heer
van hemel en aarde, U die zich verwaardigd heeft om ons vandaag te troosten
met de komst van het kostbaar hoofd van de heilige Andreas de apostel, geef,
vragen wij, dat door zijn verdiensten en tussenkomst de hoogmoed van het
perfide volk der Turken vermorzeld wordt en dat, wanneer aan de aanvallen
van alle ongelovigen een einde is gemaakt, het christenvolk U in veiligheid
en vrijheid mag dienen. In de naam van Christus onze Heer.” Allen stemden in
met Amen. Hij nam het eerbiedwaardig relikwie van de apostel in zijn
handen, en terwijl hij het omhoog hield, ging hij het podium rond en toonde
het volk het vurig verlangde geschenk; niemand was er die de aanblik ervan
onthouden bleef. Vanuit de menigte waren luide stemmen te horen, die Gods
barmhartigheid afsmeekten, met zoveel kracht dat in alle dalen rondom hun
kreten weergalmden. Toen werd het Te deum laudamus
aangeheven, een hymne die volgens de overlevering gedicht is door de
beroemde kerkvaders Ambrosius en Augustinus. Hierna zong het koor nog de
volgende hymne:
Als eerste volgt hij Jezus,
wanneer Hij roept,
bukt zich onder het kruis zoals Jezus doet,
als martelaar vereerd op Griekse kusten,
voor alle tijden.
Terwijl de Turk de Grieken plundert, wil Pius
niet dat hij een bloedige prooi van honden wordt,
hij haalt hem weg vanhier en neemt de balling op
in de heilige stad.
Met de heilige senaat komt
Pius hem
tegemoet, terwijl heel Rome geurt, versierd
met feestelijke bloemen, en de clerus
lofgezang liet klinken.
Stralend draagt de priester
het heilig relikwie,
vol luister zingen de burgers van Rome:
’van onze voedster wees de steunpilaar
en vader van Rome.
Oh sterkste vechter voor het heilig geloof,
de eerste die Gods roep herkent, de eerste
ook die, in een dood als Hij, triomf behaalt,
wees Rome’s beschermer.
Zegen de dag, barmhartige
God, voor ons,
wet tegen de Turk uw flikkerende drietand!’
Andreas, die de smeking van het volk hoort,
antwoordt als volgt:
‘U, Schepper van hemel en
aarde, bid ik
bevrijd ons van rampen en straf voor zonden,
ontferm U eindelijk over Uw volk en
vermorzel de Turken.
Uw goede herder met grote
verdiensten
bidt nederig: Heb meelij met de vermoeiden,
reik Uw hand aan de wereld die bijna instort,
machtige Heerser!
Dit vragen U smekend Petrus
en Paulus,
leiders der stad, en ook Rome,
steunend op hen als op dubbele zuilen,
werpt zich ter aarde.
Geef aan Pius leven, vragen
wij allen;
hij alleen met eindeloze moed trok de Alpen
over en durfde te wapen te roepen
tegen de Turken.
Zijn eigen leven offert hij
gaarne op,
opdat de hele aarde Christus’ naam vereert,
en de perfide vijand de weg ziet van
onze verlossing. Amen.”
Deze hymne was in opdracht van
Pius gedicht door Agapito, bisschop van Ancona, burger van Rome, van
wie het moeilijk viel te zeggen in welk opzicht hij beroemder was: als
rechtsgeleerde, als redenaar of als dichter (Agapito
da Rustici-Cenci, opgenomen in de familie van de Piccolomini; opm. vertaler).....
(klik op volgende)
 
|
Apparatus Pii ad sacrum caput excipiendum, eiusque oratio
devotissima, hymnusque cantatus, et pompa omnium aetatis
nostrae maxima. Concursus nationum incredibilis
,,Advenisti
tandem, o sacratissimum et adoratissimum sancti apostoli caput! Turchorum te
tua sede furor expulit, ad fratrem tuum, apostolorum principem confugisti
exulans. Non deerit germanus tuus tibi: restitueris in solio tuo cum gloria
volente Domino, licebitque aliquando dicere: »O felix exilium, quod tale
repperit auxilium!« Interea temporis cum tuo germano aliquandiu moraberis,
et honore pari cum eo potieris. Haec est alma Roma, quam prope cernis,
precioso tui germani sanguine dedicata; hanc plebem, quae circum astat,
Beatus Petrus apostolus, frater tuus pientissimus, et cum eo Vas Electionis,
Sanctus Paulus Christo Domino regeneravit. Nepotes tui ex fratre, Romani
omnes te veluti patruum patremque suum venerantur, colunt, observant, et tuo
se uti patrocinio in conspectu magni Dei non dubitant.
O beatissime apostole Andrea, praedicator veritatis et
assertor Trinitatis eximie! Quanto nos hodie gaudio reples, dum verticem
hunc tuum sacrum et venerandum coram aspicimus, qui dignus fuit, in quo
visibiliter sub specie ignis in die Penthecostes Sanctus resideret
Paraclytus! O vos, qui Hierosolymam petitis ob reverentiam Salvatoris visuri
locum, ubi steterunt pedes eius: ecce sedem Spiritus Sancti, ecce
divinitatis solium! Hic, hic consedit Spiritus Domini! Hic tertia in
Trinitate persona visa est! Hic oculi fuerunt, qui saepe Dominum in carne
viderunt! Hoc os saepe Christum est allocutum! Has genas non est dubium,
quin saepe Iesus fuerit obsculatus! En magnum sacrarium, en caritas, en
pietas, en animae dulcedo, en consolatio spiritus! Et quis est, cuius
viscera non commoveantur, cuius non ardeant intima cordis, cui non excidant
prae laetitia lacrimae in conspectu tam preciosarum apostoli reliquiarum?
Gaudemus, exultamus, iubilamus adventu
tuo, divinissime apostole Andrea! Neque enim dubitamus, quin tui capitis
comes adsis, et cum eo ingrediaris Urbem. Odimus Turchos, Christianae
religionis hostes; in hoc non odimus, quod tui adventus causa fuerunt! Nam
quid nobis optatius contingere potuit, quam tuum hoc honoratissimum intueri
caput, eius fragrantissimo perfundi odore? Id molestum est, quod adventanti
tibi non eos honores impendimus, quos mereris, nec te possumus pro tua
excellenti sanctimonia digne suscipere. Sed accipe voluntatem nostram, et
mentem metire, non factum; atque aequo animo patere, quod pollutis manibus
tua contrectamus ossa, et te peccatores intra moenia comitamur Urbis.
Ingredere sanctam civitatem, et esto propitius Romano populo! Sit omnibus
Christianis salutaris tuus adventus, sit pacificus ingressus tuus, sit felix
faustaque tua nobiscum mora! Esto noster advocatus in coelo, et una cum
beatis apostolis Petro et Paulo conserva hanc Urbem, et universo populo
Christiano pie consule, ut vestris patrociniis fiat misericordia Dei super
nos. Et si qua est eius indignatio propter peccata nostra, quae multa sunt,
transeat ad impios Turchos et ad nationes barbaras, quae Christum Dominum
contemnunt!”
Provocavit oratio praesulis omnium lacrimas,
nec quisquam in suggesto adfuit vel clericus vel laicus, qui non ploraret et
non tunderet pectora sua beati apostoli patrocinium implorans. Fuerunt, qui
verba pontificis adeo menti suae impresserint, ut domum reversi orationem
ipsam quasi ad verbum rescripserint pontificique tradiderint. Inter quos
fuit Theodorus episcopus Feltrensis, ingenio et doctrina iuxta praeditus;
eam cum pontifex oblatam legisset, admiratus est memoriam hominis, et vim
ingenii laudavit.
Tenebatur loquente praesule mirum
silentium, quamvis singultus nonnullorum exaudiebantur, qui peccata sua
plangentes ploratum retinere nequibant. Ardebant luminaria circum, et omnis
in pratis populus finem tacitus expectabat. Postquam vero pontifex dicendi
finem fecit, exobsculatus est sacrum caput, et omnes pariter, qui erant in
suggesto, flentes obsculati sunt. Et rursus pontifex:
“Omnipotens" - inquit -, “sempiterne Deus, qui coeleste simul et terrenum
moderaris imperium, quique nos hodie Beati Andreae, apostoli tui preciosi
capitis accessione consolari dignatus es, tribue, quaesumus, ut eius meritis
et intercessione perfidae Turchorum gentis attrita superbia et omnium
infidelium sublata molestia Christianus populus secura tibi serviat
libertate. Per Christum Dominum nostrum.' - Et cum omnes respondissent:
,,Amen!" -, accepit venerandas apostoli reliquias in manus suas, et elevans
in altum, circuiens undique suggestioni, ostendit populo desideratum donum;
nec quisquam fuit, qui eius visione privaretur. Moxque voces altissimae
auditae sunt multitudinis Dei misericordiam implorantis, ita, ut omnes
circum valles redderent sonum. Post haec alta voce intonatum canticum, cuius
initium est ,,Te Deum laudamus", quod fama est Ambrosium et Augustinum,
viros in Ecclesia celebres, condidisse; et eo finito cantores hymnum
cecinerunt in hunc modum:
“Primus hic Jesum sequitur vocantem,
et crucem primus similem subivit,
martyr Argivis veneratus oris
omne per aevum.
Hinc Pius Graios populante Turcho,
praeda ne fiat canibus cruentis,
tollit, et sancta profugum Secundus
excipit Urbe,
seque cum Sacro comitem Senatu
obvium praebet redolente Roma
floribus festis, resonante clero
cantica laudum.
Sacra fert dextra nitidus sacerdos,
splendidi carmen referunt Quirites:
»Almae sis nostrae columen, precamur,
et pater Urbis!
O pugil sanctae fidei supremus,
primus agnoscens Dominum vocantem,
primus et leto simili triumphans,
protege Romam!
Fac diem faustum, Deus alme, nobis
fulmen in Turchos acuens trisulcum!« -
Audit Andreas populum precantem
talia reddens:
»Te precor, coeli Sator atque terrae,
tolle iam clades scelerumque poenas,
et tui tandem populi misertus
contere Turchos!
Hoc Pius pastor meritique tanti
pronus exorat: miserere fessis,
da manum mundo prope iam labanti,
maxime Rector!
Hoc duces Urbis, Petrus atque Paulus,
supplices poscunt, pariterque Roma
his velut nitens geminis columnis
strata precatur.
Da Pio vitam, rogitamus omnes:
solus in Turchos animo perenni
ausus Alpinos superare montes
arma vocavit.
Et caput praebet proprium libenter,
nomen ut Christi veneretur orbis,
et viam nostrae videat salutis
perfidus hostis.« Amen."
Hunc hymnum iubente Pio ediderat Agapytus
episcopus Anchonitanus, civis Romanus - incertum: iuris interpres an
orator vel poeta praeclarior.
|
|