|
De Corsiniano, nunc Pientia
Pontifex e Sartheano Corsinianum petiit. Mons editus est ex valle
amnis Urciae surgens, in cuius vertice planities mille passus
longitudinis habet, latitudinis multo minus. In eius angulo, qui
solem hieme orientem respicit, situm est oppidum parvi nominis,
verum aere salubri et vino ac rebus omnibus, quae ad victum
pertinent, optimis. Qui Romam e Senis petunt, postquam Sancti
Quiriti castellum reliquere, et Rhadicofanum recta pergunt,
Corsinianum in colle relinquunt, qui ad sinistram cernitur tribus
milibus passuum extra viam publicam clementer elevatus.
Maior oppidi pars Picolomineorum quondam fuit, et Sylvius, Pii pater
avitas hic possessiones habuit, atque hic natus est Pius, et hic
pueritiae rudimenta peregit. Quo tunc rediens speravit voluptatem
aliquam sumere eos allocuturus, quibuscum adoleverat, et aspectum
natalis soli cum gaudio revisere. Sed contra evenit, quando maior
pars aequalium vita excesserat, et qui adhuc spirabant, gravati
senio morbisque domi detinebantur, et si qui sese exhibebant,
mutatis vultibus vix agnosci poterant exhausti viribus, deformes et
quasi mortis nuntii. Offendebat pontifex ubique suae senectutis
indicia, non poterat se non senem et cito casurum recognoscere, cum
iam aetate graves filios inveniret eorum, quos pueros reliquerat.
Fuit oppidum mirifice ornatum gestiente populo et nimium festivo ob
praesentiam maximi praesulis, quem apud se natum gloriabantur, nec
satis aut intueri aut consalutare eum poterant. Mansit hic Pius in
festo, quod Beati Petri Cathedram appellant, ac rem divinam peregit.
Statuitque hoc in loco novam ecclesiam et palatium aedificare,
conduxitque architectos et operarios non parva mercede, ut memoriale
suae originis diuturnum relinqueret. Concessit et indulgentias
plenarias quotannis in festo Inventionis Sanctae Crucis his, qui
parrochialem ecclesiam visitarent, quae postea cathedralis effecta
est. De quibus rebus suo loco dicemus.
|
Corsignano, nu Pienza genaamd.
Vanuit Sarteano begaf de
paus zich naar
Corsignano. Er ligt een hoge berg die vanuit de Val
d’Orcia oprijst. Bovenop strekt zich een vlakte uit, waarvan
de lengte ongeveer een mijl bedraagt, terwijl de breedte
ervan veel minder is. Aan het uiteinde, in de winter naar de
opgaande zon gekeerd, ligt een stad, gering van naam, maar
met gezonde lucht, voortreffelijke wijn en alle verdere
levensbenodigdheden. Reizigers, die vanuit Siena op weg zijn
naar Rome, zien, nadat zij
San Quirico gepasseerd zijn op weg naar
Radicofani, Corsignano links liggen op een heuvel, die
zich op drie mijl afstand van de hoofdweg mild verheft.

Het grootste deel van de
stad behoorde eens toe aan de Piccolomini. Silvio, Pius’
vader, had hier zijn voorouderlijk bezit, Pius is er
geboren en heeft er zijn prille jaren doorgebracht. Nu kwam
hij er terug met de hoop op plezierige gesprekken met
mensen, met wie hij was opgegroeid, en het vreugdevol
weerzien van zijn geboortegrond. Maar het pakte anders uit:
de meeste van zijn leeftijdgenoten waren overleden en zij
die nog leefden, gingen gebukt onder hun oude dag en ziekten
en waren aan huis gekluisterd. En als zich al mensen lieten
zien, waren hun trekken zo veranderd dat zij nauwelijks te
herkennen waren, verzwakt en misvormd en als het ware
voorboden van de dood. Overal werd de paus geconfronteerd
met de tekenen van zijn eigen ouderdom, hij kon er zich niet
aan onttrekken in zichzelf een oude man te zien, die spoedig
zou sterven, nu hij de zonen zag, die het gewicht der jaren
al voelden, van hen die hij als kinderen had achtergelaten.

De stad was prachtig
versierd, het volk verkeerde in feeststemming, omdat de paus
aanwezig was; ze verkondigden vol trots dat hij bij hen
geboren was en kregen er niet genoeg van hem naar hem te
kijken en hem te begroeten. Hij bleef in de stad op het
feest van Petrus Stoel[2] en droeg de mis op. Pius besloot er
een nieuwe kerk en een paleis te bouwen om een duurzaam
gedenkteken van zijn afkomst na te laten, en hij nam voor
een niet onaanzienlijke som architecten en werklieden in
dienst. Ook verleende hij jaarlijks een volle aflaat op het
feest van de Kruisvinding[1]
aan ieder, die de parochiekerk bezocht, die later een
kathedraal is geworden, waarover wij te zijner tijd zullen
vertellen.
|
|