Pius bezoekt zijn geboortestad Corsignano (door Pius later herbouwd onder de naam Pienza) (Comm. II, 20)

 

De Corsiniano, nunc Pientia

Pontifex e Sartheano Corsinianum petiit. Mons editus est ex valle amnis Urciae surgens, in cuius vertice planities mille passus longitudinis habet, latitudinis multo minus. In eius angulo, qui solem hieme orientem respicit, situm est oppidum parvi nominis, verum aere salubri et vino ac rebus omnibus, quae ad victum pertinent, optimis. Qui Romam e Senis petunt, postquam Sancti Quiriti castellum reliquere, et Rhadicofanum recta pergunt, Corsinianum in colle relinquunt, qui ad sinistram cernitur tribus milibus passuum extra viam publicam clementer elevatus.

Maior oppidi pars Picolomineorum quondam fuit, et Sylvius, Pii pater avitas hic possessiones habuit, atque hic natus est Pius, et hic pueritiae rudimenta peregit. Quo tunc rediens speravit voluptatem aliquam sumere eos allocuturus, quibuscum adoleverat, et aspectum natalis soli cum gaudio revisere. Sed contra evenit, quando maior pars aequalium vita excesserat, et qui adhuc spirabant, gravati senio morbisque domi detinebantur, et si qui sese exhibebant, mutatis vultibus vix agnosci poterant exhausti viribus, deformes et quasi mortis nuntii. Offendebat pontifex ubique suae senectutis indicia, non poterat se non senem et cito casurum recognoscere, cum iam aetate graves filios inveniret eorum, quos pueros reliquerat.
 

Fuit oppidum mirifice ornatum gestiente populo et nimium festivo ob praesentiam maximi praesulis, quem apud se natum gloriabantur, nec satis aut intueri aut consalutare eum poterant. Mansit hic Pius in festo, quod Beati Petri Cathedram appellant, ac rem divinam peregit. Statuitque hoc in loco novam ecclesiam et palatium aedificare, conduxitque architectos et operarios non parva mercede, ut memoriale suae originis diuturnum relinqueret. Concessit et indulgentias plenarias quotannis in festo Inventionis Sanctae Crucis his, qui parrochialem ecclesiam visitarent, quae postea cathedralis effecta est. De quibus rebus suo loco dicemus.

 

Corsignano, nu Pienza genaamd.

Vanuit Sarteano begaf de paus zich naar Corsignano. Er ligt een hoge berg die vanuit de Val d’Orcia oprijst. Bovenop strekt zich een vlakte uit, waarvan de lengte ongeveer een mijl bedraagt, terwijl de breedte ervan veel minder is. Aan het uiteinde, in de winter naar de opgaande zon gekeerd, ligt een stad, gering van naam, maar met gezonde lucht, voortreffelijke wijn en alle verdere levensbenodigdheden. Reizigers, die vanuit Siena op weg zijn naar Rome, zien, nadat zij San Quirico gepasseerd zijn op weg naar Radicofani, Corsignano links liggen op een heuvel, die zich op drie mijl afstand van de hoofdweg mild verheft.

Het grootste deel van de stad behoorde eens toe aan de Piccolomini. Silvio, Pius’ vader, had hier zijn voorouderlijk bezit, Pius is er geboren en heeft er zijn prille jaren doorgebracht. Nu kwam hij er terug met de hoop op plezierige gesprekken met mensen, met wie hij was opgegroeid, en het vreugdevol weerzien van zijn geboortegrond. Maar het pakte anders uit: de meeste van zijn leeftijdgenoten waren overleden en zij die nog leefden, gingen gebukt onder hun oude dag en ziekten en waren aan huis gekluisterd. En als zich al mensen lieten zien, waren hun trekken zo veranderd dat zij nauwelijks te herkennen waren, verzwakt en misvormd en als het ware voorboden van de dood. Overal werd de paus geconfronteerd met de tekenen van zijn eigen ouderdom, hij kon er zich niet aan onttrekken in zichzelf een oude man te zien, die spoedig zou sterven, nu hij de zonen zag, die het gewicht der jaren al voelden, van hen die hij als kinderen had achtergelaten.


De stad was prachtig versierd, het volk verkeerde in feeststemming, omdat de paus aanwezig was; ze verkondigden vol trots dat hij bij hen geboren was en kregen er niet genoeg van hem naar hem te kijken en hem te begroeten. Hij bleef in de stad op het feest van Petrus Stoel[2] en droeg de mis op. Pius besloot er een nieuwe kerk en een paleis te bouwen om een duurzaam gedenkteken van zijn afkomst na te laten, en hij nam voor een niet onaanzienlijke som architecten en werklieden in dienst. Ook verleende hij jaarlijks een volle aflaat op het feest van de Kruisvinding[1] aan ieder, die de parochiekerk bezocht, die later een kathedraal is geworden, waarover wij te zijner tijd zullen vertellen. 


 

[1] Op 3 mei; voor het feest van de Kruisvinding zie http://www.newadvent.org/cathen/04529a.htm

[2] 22 februari

 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen