|
Ordinatio rei publicae Romanae et curialium constitutio
Exin vocatis ad Urbem baronibus agri Romani mandatum est, ne quis
absente pontifice res novas moliretur, pacemque inter sese ut
observarent, iure iurando adacti sunt; qui contra fecisset, in eum
ingens poena statuta. Et quoniam Romanos magnus timor invaserat, ne
abeunte pontifice in perpetuum Romana Curia privarentur, decrevit
Pius annuente Senatu, ut si extra Urbem claudere se diem extremum
contingeret, successoris sui electionem alibi, quam Romae fieri non
posse, statuto dierum termino, quo cardinales, qui Rome
reperirentur, expectare absentes deberent, et relictis nonnullis
cardinalibus et auditoribus Rotae, advocatis ac litigatoribus in
Urbe toto absentiae suae tempore Romanam Curiam apud eos non minus,
quam secum esse declaravit. Legatis civitatum ac regulorum, qui ex
universo Patrimonio Ecclesiae Romam venerant, privilegia, quae ab
antiquis pontificibus obtinuerant, quoad sine controversia iis usi
fuissent, confirmavit, et amplius haud parvam censuum partem ad tres
annos remisit; quae res supra octuaginta milia auri nummum ascendit.
Referendarios instituit eos, qui fuerant praecessoris, et novos
aliquos adiecit ex omni natione, diligenter admonitos ac iure
iurando adactos, ne pecuniam neve dona sui officii causa ulla
reciperent; nam symoniacam pravitatem praecipuo insectabatur odio.
Atque ob eam rem, cum secretarios more maiorum peracto prandio
aliquot diebus ad se admisisset, atque his fidem habens epistolas,
quas illi attulerant, obsignasset, repperissetque postea infideliter
secum esse actum, et iniqua per pecuniam absoluta negocia, deinceps
aditum ad se cunctis inhibuit exceptis duobus - Iacobo Lucensi, qui
postea cardinalis effectus est, et Gregorio Lollio, fratre
consobrino -, quorum spectata virtus ab omni labe procul aberat.
E
manu cardinalium supplicationes noluit accipere; si quas obtulerunt,
ad referendarios remisit, ne per potentiam res iniquas extorquerent.
Supplicationibus iura partium concernentibus Eberardum episcopum
Spoletanum, egregium iure consultum et integritate morum ac opinione
iustitiae laudatissi-mum praefecit, qui et ipse demum rubro pileo
donatus est. Ac per hunc modum et facilis expeditio rerum erat et
incorrupta et Romanam Curiam sequentibus admodum accepta, quibus non
fuit necesse ad fores cardinalium dies ac noctes pro precibus
impetrandis excubare.
|
Inrichting
van de Kerkelijke Staat; organisatie van de Curie.
Vervolgens
werden de baronnen van het Romeins grondgebied naar Rome geroepen en
werd hen opgedragen geen politieke munt te slaan uit de afwezigheid
van de paus. Zij legden een eed af de onderlinge vrede na te leven,
waarbij een strenge straf werden bepaald voor hen die deze eed
braken. De Romeinen waren erg beducht door het vertrek van de paus
voor altijd de Curie kwijt te raken; daarom bepaalde Pius met
goedvinden van het college, dat, voor het geval hij buiten Rome zijn
laatste dag zou beleven, de verkiezing van zijn opvolger nergens
anders dan in Rome mocht plaats vinden. Er werd een tijdsduur
vastgesteld voor de kardinalen die zich in Rome bevonden, hoe lang
zij moesten wachten op hen die afwezig waren. Een aantal kardinalen,
auditoren van de Rota, advocaten en litigatoren liet hij in Rome
en hij verklaarde dat voor de volle duur van zijn afwezigheid de
Romeinse Curie in even grote mate bij hen berustte als bij hemzelf.
Voor de afgevaardigden van de steden
en vorstendommen, die uit de hele Kerkelijke Staat naar Rome waren
gekomen, bevestigde hij de voorrechten die vroegere pausen hen
hadden gegund, voor zover zij die zonder geschil hadden genoten, en
bovendien schold hij hen een niet gering deel van de verschuldigde
belastingen voor een periode van drie jaar kwijt, een som die meer
dan 80.000 goudstukken bedroeg.
De
referendarii
die
gediend hadden onder zijn voorganger benoemde hij opnieuw in hun
functie en voegde er enkele nieuwe aan toe uit iedere natie. Zij
werden met klem gewaarschuwd en moesten onder ede verklaren geen
geld of geschenken aan te nemen in ruil voor hun diensten; want de
verdorven praktijk van simonie haatte en bestreed hij uit alle
macht. Naar oud gebruik had hij gedurende een korte periode zijn
secretarissen na de lunch tot zich toegelaten en in vol vertrouwen
de brieven, die zij hem voorlegden, ondertekend. Maar toen hij
naderhand ontdekte dat men misbruik had gemaakt van zijn vertrouwen
en dat zaken die niet door de beugel konden in ruil voor geld waren
goedgekeurd, ontzegde hij ieder de toegang met uitzondering van twee
personen: Jacopo van Lucca, die later kardinaal is geworden, en
Gregorio Lolli, die een volle neef van hem was, want zij hadden
blijk gegeven van een deugdzame en onkreukbare houding.
Hij weigerde verzoekschriften uit
handen van kardinalen aan te nemen; als zij die aanboden, verwees
hij ze naar de referendarii, om te voorkomen dat zij door hun
machtspositie onrechtvaardige beslissingen wisten af te dwingen.
Berardo, bisschop van Spoleto, belastte hij met het toezicht op
verzoekschriften betreffende de rechten van partijen; hij was een
uitstekend rechtsgeleerde en hogelijk gewaardeerd om zijn
rechtvaardigheid en integer karakter. Ook hij ontving later de rode
hoed. Dit alles zorgde voor een gemakkelijke en correcte afhandeling
van bestuurskwesties en betekende een zeer welkome gang van zaken
voor hen die met de Romeinse Curie van doen hadden en die nu niet
langer dag en nacht voor de deuren van kardinalen hoefden te
bivakkeren om gehoor te vinden voor hun smeekschriften.
|
|