Pius reorganiseert de Curie (Comm. II, 6)

 

Ordinatio rei publicae Romanae et curialium constitutio
Exin vocatis ad Urbem baronibus agri Romani mandatum est, ne quis absente pontifice res novas moliretur, pacemque inter sese ut observarent, iure iurando adacti sunt; qui contra fecisset, in eum ingens poena statuta. Et quoniam Romanos magnus timor invaserat, ne abeunte pontifice in perpetuum Romana Curia privarentur, decrevit Pius annuente Senatu, ut si extra Urbem claudere se diem extremum contingeret, successoris sui electionem alibi, quam Romae fieri non posse, statuto dierum termino, quo cardinales, qui Rome reperirentur, expectare absentes deberent, et relictis nonnullis cardinalibus et auditoribus Rotae, advocatis ac litigatoribus in Urbe toto absentiae suae tempore Romanam Curiam apud eos non minus, quam secum esse declaravit. Legatis civitatum ac regulorum, qui ex universo Patrimonio Ecclesiae Romam venerant, privilegia, quae ab antiquis pontificibus obtinuerant, quoad sine controversia iis usi fuissent, confirmavit, et amplius haud parvam censuum partem ad tres annos remisit; quae res supra octuaginta milia auri nummum ascendit.

Referendarios instituit eos, qui fuerant praecessoris, et novos aliquos adiecit ex omni natione, diligenter admonitos ac iure iurando adactos, ne pecuniam neve dona sui officii causa ulla reciperent; nam symoniacam pravitatem praecipuo insectabatur odio. Atque ob eam rem, cum secretarios more maiorum peracto prandio aliquot diebus ad se admisisset, atque his fidem habens epistolas, quas illi attulerant, obsignasset, repperissetque postea infideliter secum esse actum, et iniqua per pecuniam absoluta negocia, deinceps aditum ad se cunctis inhibuit exceptis duobus - Iacobo Lucensi, qui postea cardinalis effectus est, et Gregorio Lollio, fratre consobrino -, quorum spectata virtus ab omni labe procul aberat.

E manu cardinalium supplicationes noluit accipere; si quas obtulerunt, ad referendarios remisit, ne per potentiam res iniquas extorquerent. Supplicationibus iura partium concernentibus Eberardum episcopum Spoletanum, egregium iure consultum et integritate morum ac opinione iustitiae laudatissi-mum praefecit, qui et ipse demum rubro pileo donatus est. Ac per hunc modum et facilis expeditio rerum erat et incorrupta et Romanam Curiam sequentibus admodum accepta, quibus non fuit necesse ad fores cardinalium dies ac noctes pro precibus impetrandis excubare.

 

Inrichting van de Kerkelijke Staat; organisatie van de Curie.

Vervolgens werden de baronnen van het Romeins grondgebied naar Rome geroepen en werd hen opgedragen geen politieke munt te slaan uit de afwezigheid van de paus. Zij legden een eed af de onderlinge vrede na te leven, waarbij een strenge straf werden bepaald voor hen die deze eed braken. De Romeinen waren erg beducht door het vertrek van de paus voor altijd de Curie kwijt te raken; daarom bepaalde Pius met goedvinden van het college, dat, voor het geval hij buiten Rome zijn laatste dag zou beleven, de verkiezing van zijn opvolger nergens anders dan in Rome mocht plaats vinden. Er werd een tijdsduur vastgesteld voor de kardinalen die zich in Rome bevonden, hoe lang zij moesten wachten op hen die afwezig waren. Een aantal kardinalen, auditoren van de Rota, advocaten en litigatoren liet hij in Rome en hij verklaarde dat voor de volle duur van zijn afwezigheid de Romeinse Curie in even grote mate bij hen berustte als bij hemzelf.
Voor de afgevaardigden van de steden en vorstendommen, die uit de hele Kerkelijke Staat naar Rome waren gekomen, bevestigde hij de voorrechten die vroegere pausen hen hadden gegund, voor zover zij die zonder geschil hadden genoten, en bovendien schold hij hen een niet gering deel van de verschuldigde belastingen voor een periode van drie jaar kwijt, een som die meer dan 80.000 goudstukken bedroeg.
De
referendarii die gediend hadden onder zijn voorganger benoemde hij opnieuw in hun functie en voegde er enkele nieuwe aan toe uit iedere natie. Zij werden met klem gewaarschuwd en moesten onder ede verklaren geen geld of geschenken aan te nemen in ruil voor hun diensten; want de verdorven praktijk van simonie haatte en bestreed hij uit alle macht. Naar oud gebruik had hij gedurende een korte periode zijn secretarissen na de lunch tot zich toegelaten en in vol vertrouwen de brieven, die zij hem voorlegden, ondertekend. Maar toen hij naderhand ontdekte dat men misbruik had gemaakt van zijn vertrouwen en dat zaken die niet door de beugel konden in ruil voor geld waren goedgekeurd, ontzegde hij ieder de toegang met uitzondering van twee personen: Jacopo van Lucca, die later kardinaal is geworden, en Gregorio Lolli, die een volle neef van hem was, want zij hadden blijk gegeven van een deugdzame en onkreukbare houding.

Hij weigerde verzoekschriften uit handen van kardinalen aan te nemen; als zij die aanboden, verwees hij ze naar de referendarii, om te voorkomen dat zij door hun machtspositie onrechtvaardige beslissingen wisten af te dwingen. Berardo, bisschop van Spoleto, belastte hij met het toezicht op verzoekschriften betreffende de rechten van partijen; hij was een uitstekend rechtsgeleerde en hogelijk gewaardeerd om zijn rechtvaardigheid en integer karakter. Ook hij ontving later de rode hoed. Dit alles zorgde voor een gemakkelijke en correcte afhandeling van bestuurskwesties en betekende een zeer welkome gang van zaken voor hen die met de Romeinse Curie van doen hadden en die nu niet langer dag en nacht voor de deuren van kardinalen hoefden te bivakkeren om gehoor te vinden voor hun smeekschriften. 

 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen