|
De paus vertrekt naar Pienza.
Zeer kunstzinnige beschrijving van haar schitterende bouwwerken. |
Profectio pontificis ad Pientiam
et praestantissimorum
aedificiorum
artificiosissima descriptio.
|
|
|
Terwijl hij in Abbadia was, werd de paus ziek en lag een dag en
een nacht op bed, gekweld door een hevige aanval van artritis,
toen de hevig ontstelde kardinalen onverwacht kwamen melden, dat
in de stad pest was uitgebroken en dat sommigen van de mensen,
die zij kenden, waren bezweken. Zij drongen er op aan voor de
vreselijke besmetting te vluchten.
Onverwijld gaf de paus opdracht voor een draagbaar te
zorgen en bij zonsondergang ging hij, hoewel uitgeput door
hevige pijn, met heel zijn huishouden op weg, gevolgd door de
kardinalen. Zo kwam een eind aan de genoegens van Abbadia; op
vreugde volgt immers altijd droefenis.
|
Aegrotavit
in Abbatia pontifex, et arthetico dolore per diem noctemque
decubuerat oppressus, cum subito exterriti cardinales pestem in
oppido coepisse nuntiant et notos aliquos occubuisse,
fugiendumque tetrum virus suadent. Pontifex nihil cunctatus
apparari sibi lecticam iubet, et sole iam cadente cum
omni familia sequentibus cardinalibus iter ingreditur non sine
vehementi dolore languens. Hic exitus delitiarum Abbatiae fuit
- ut semper voluptatem sequitur maeror. |
|
|
Het was diep in de nacht, toen hij in Pienza aankwam. Pius wilde
niets liever dan zijn bouwwerken bekijken, daar kwam echter de
eerste dagen niets van, omdat hij ziek te bed lag. Toen hij
hersteld was, onderwierp hij alles aan een grondige inspectie en
had geen spijt van de hoge kosten, hoewel hij meer dan 50.000
dukaten had neergeteld voor de werkzaamheden. De schoonheid en
waardigheid van de bouwwerken deden zijn bedenkingen over de
kosten vergeten.
|
Nocte iam
multa Pientiam venit, nec aedificia sua pro desiderio
intueri potuit diebus aliquot morbo decumbens. Postquam
convaluit, singula diligenter invisit, nec
penituit expensarum, quamvis auri supra quinquaginta
milia nummum in ea opera contulisset; pulchritudo et dignitas
aedificii molestiam sumptus ademit. |
|
|
Het rechthoekig
paleis
had een hoogte van negentig voet en was
opgetrokken uit blokken natuursteen, die vanaf de basis tot
bovenaan zorgvuldig waren gepolijst en aan de randen telkens een
vinger dik waren afgerond zodanig, dat de verbindingen
samenvielen met de insnijdingen en de voorkanten van de blokken
als tegels uitstaken. Een cisterne op het dak, gemaakt van
grotere blokken en 5 voet
terugwijkend van de muur verzamelde het
regenwater, dat werd opgevangen in dakgoten, en loosde het
daarna via ijzeren pijpen een heel eind verder. De dikte van de
muur bedroeg nergens minder dan 4 of 6 voet. Drie muren van het
paleis waren op deze wijze opgetrokken, waarvan de noordmuur een
lengte had van 126 voet, terwijl de oostmuur en de westmuur 18
voet langer waren vanwege de loggia’s, die aan de zuidzijde
buiten het vierkant van het paleis uitstaken. De omtrek van het
gehele paleis mat 540 voet. Er waren twee rijen met ieder 23
vensters, opmerkelijk in grootte en stijl en op onderling
gelijke afstand van elkaar. De vensters waren door zuiltjes in
tweeën verdeeld en vanuit ieder willekeurig venster konden drie
mannen naar buiten kijken. Onder beide rijen vensters liepen
twee kunstig gebeeldhouwde sierlijsten, gewoonlijk
cornices genoemd, van een
steensoort gelijk aan travertijn,
die het paleis als met twee guirlandes omgaven. Ook had de
architect vanaf de bodem tot aan de cisterne op zeer harmonieuze
wijze vierkante kolommen ingevoegd met passende basen en
kapitelen. Op de hoeken van het paleis en op meerdere plaatsen
tussen de vensters had hij stenen schilden opgehangen, waarop in
goud en zilver en andere kleuren het wapen van de Piccolomini
schitterde, een gezamenlijk werk van beeldhouwer en schilder.
Ook waren er veel ijzeren ringen toegevoegd en een soort houders
aan de muren bevestigd, om s nachts brandende toortsen en
overdag vaandels in te steken. Verder waren er kleinere
vierkante vensters om de lagere verdiepingen van licht te
voorzien; deze waren afgesloten met ijzeren tralies. Ook
zitbanken ontbraken niet met twee of soms drie treden van
dezelfde steensoort als bij de sierlijsten. Aan de noordzijde
bevond zich in het midden de hoofdingang, een zeer brede en
indrukwekkende poort. Aan de oostzijde, die op het stadsplein
uitkijkt, kon geen ingang in het midden gemaakt worden: daar
zijn toen ter wille van de symmetrie twee deuren toegevoegd,
waarbij voor de ene deur een muur was gemetseld, zodat hij de
indruk wekte afgesloten te zijn, en de andere deur voor
dagelijks gebruik open stond. Met de westzijde was hetzelfde
gedaan. De
vierde zijde,
met een heerlijk uitzicht op het zuiden naar de Monte Amiata, is
voorzien van drie boven elkaar gelegen loggia’s, geschraagd door
stenen kolommen. De eerste, met een edel en hoog booggewelf,
maakte een zeer aangename wandeling mogelijk langs de rand van
de tuin; de tweede met een balkenplafond, dat zeer mooi versierd
was met schilderingen in verschillende kleuren, bood een uiterst
prettig verblijf tijdens de wintermaanden en had een balustrade,
die met zijn bovenrand ongeveer tot halve mensenhoogte reikte.
De derde galerij was aan de
voorgaande gelijk, maar had een cassetteplafond, dat minder
bewerkt was. Tot zover de buitenkant van het paleis.
|
illustraties ontleend aan J. Pieper, Pienza, Il progetto
di una visione umanistica
del mondo
Palatium
quadratum fuit nonaginta pedibus altum ex lapide vivo, ab
imo usque ad summum ferro artificis expolito, ad digiti
crassitudinem circumsecto, ita, ut iuncturae in
ipsa caesione concurrerent, et saxorum frontes tanquam
tesserae prominerent. In vertice compluvium ex grandioribus
saxis quinque pedibus a muro recedens collectas in canali
tectorum aquas per fistulas ferreas procul eiecit. Muri
crassitudo nusquam sex aut quattuor pedibus minor. - Tria
in hunc modum palatii latera surrexerunt, quorum
aquilonare centum XXti sex pedes longitudinis habuit,
orientale et occidentale duodeviginti amplius propter
porticus, quae in australi latere palatii quadrum
excessere; totius palatii ambitus quingentorum et quadraginta.
Tum fenestrarum duo fuerunt ordines structura et amplitudine
admirabiles. Tres et XXti fenestras aequo inter se
spatio distantes ordo unus complexus est, et alter
totidem. Tres ex qualibet fenestra viri exterius prospicere
potuerunt columnellis inter se divisi. Sub utroque fenestrarum
ordine ex lapide ei simili, quem Tyburtinum vocant, duo
pluteorum cimatia, quas vulgo cornices appellant, nobili
artificio deducta palatium quasi duae coronae cinxerunt. Duxit
et architectus a terra compluvium usque quadratas columnarum
figuras suis basibus et capitulis aptissime coherentes.
Suspendit et in angulis palatii et inter fenestras pluribus in
locis scuta lapidea, in quis Picolomineae domus insignia
sculptoris pictorisque opere auri et argenti et aliis fulsere
coloribus. Ferri quoque multi annuii additi et instrumenta, quae
faces ardentes nocturno tempore servare, et quae vexilla
interdiu sustinere possent, iniecta sunt. Fuerunt et fenestrae
minores in forma quadrata, quae loca inferiora collustrarent;
has cratibus ferreis conclusere. Sedilia quoque duorum graduum
et aliquibus in locis trium circumposita ex lapide cimatiorum.
In latere, quod aquilonem spectat, portam in medio
amplissimam et magnificam collocarunt, quae praecipua
esset. In orientali latere, quod oppidi plateam respicit,
cum medium porta tenere non posset, ad servandam
simmetriae gratiam duae ianuae additae sunt, quarum
altera muro obducta clausae vestigium prae se ferret,
altera ad quotidianum usum mansit aperta; in occidentali latere
idem fecere. Ad quartum latus, cui meridies et Amiata
mons aspectu gratissimus obiicitur, tres porticus
erexerunt, quarum secunda primae et tertia secundae
superincumberent columnis innixae lapideis. Prima sub testudine
alta et nobili deambulationem iuxta hortum praebuit
amoenissimam; altera sub contignatione coloribus et picturis
ornatissima mansionem hyberno tempore iocundissimam praebuit
pluteis, quae ad umbilicum hominis cum suis cimatiis
pertingerent, elevatis; similis conditio tertiae, quamvis
lacunari minoris artificii. Haec exterior forma palatii. |
|
|
Het reservoir op het dak voerde, zoals we hebben gezegd, een
deel van het regenwater af naar buiten; een ander deel werd naar
de binnenhof geleid om, na door een
kiezelbed te zijn gefilterd, cisternen te vullen. Twee daarvan
stonden in het paleis en een derde, die zeer groot was en
toereikend zou zijn voor een groot huishouden, stond in de tuin.
Op de nok van het dak prijkten 23 bouwsels die op torentjes
leken, waaruit de rook uit de stookplaatsen omhoog steeg,
versierd met pinakels en uitsteeksels en bont beschilderd; van
verre zichtbaar verleenden ze het gebouw een vrolijk en sierlijk
aanzicht. Wanneer men het paleis door de hoofdingang betreedt,
komt men in een hoge en ruime zuilengang, die een vierkante
binnenplaats omgeeft, met monolithische zuilen, die 16 voet hoog
zijn en een dikte hebben, die daarmee in verhouding staat, en
die een zeer harmonieus geheel vormen
met hun basen en kapitelen. Hier bevinden zich de eetzalen, voor
de winter, voor de zomer en voor de seizoenen daar tussenin, en
vertrekken, waarin koningen zich thuis voelen; voorts
opslagruimten, die zowel onder als boven de booggewelven liggen
en voor allerlei zaken dienen. Want toen men
de fundamenten van het paleis groef, werd de zeer harde rots tot
een diepte van ongeveer 16 voet weggehakt en werden kelders voor
wijn en olie en andere levensmiddelen gebouwd, overdekt met
tongewelven: inderdaad een edele provisieruimte, die men
moeilijk geheel zou kunnen vullen.
|
Tectorum
compluvia partim exterius - ut diximus - aquas
emiserunt, partim interius in aream, ut per meatum
et glaream purgatae cisternas implerent; quae in palatio duae
fuerunt, et tertia in horto amplissima et magnae familiae
suffectura. In cacumine tecti, qua fumi caminorum
exhalarunt, tres et viginti quasi turres pinnis et
propugnaculis picturisque variis ornatas construxerunt,
quae procul visae multum splendoris et gratiae operi addiderunt.
Ingredienti palatium porta maiori peristillum altum occurrit et
amplum, quod quadratam ambit aream columnis subnixum
unius lapidis sex et decem pedibus altis et ad proportionem suae
longitudinis crassis, basibus et capitulis aptissime
coniunctis. Hic triclynia sunt et hyemalia et aestiva, et
quae medio tempori conveniant, et cubicula digna regibus
et rerum diversarum receptacula sub testudine et supra
testudinem sita. Effodientes enim palatii fundamenta saxum
durissimum ad sexdecim circiter pedes exciderunt, ibique
promptuarias ac vinarias et olearias cellas superinductis
fornicibus construxerunt: nobile certe penu, et quod
difficile queat impleri. |
|
|
Vanaf de hoofdingang tot aan de zuilengang loopt een hal met een
stralend wit gewelf, even lang als de eetvertrekken aan
weerszijden breed zijn. Wanneer je door de hal heen in de
zuilengang bent gekomen en je gaat naar rechts, tref je een trap
aan van ongeveer veertig gemakkelijke, uit één steen gevormde
treden, 1 voet hoog, 2 voet diep en 9 voet lang, die leiden naar
de woonvertrekken op de eerste verdieping. Het eerste deel van
de trap stijgt twintig treden naar rechts omhoog, het tweede
deel evenveel treden naar links, terwijl op het niveau waar de
trap van richting verandert een venster is aangebracht om beide
helften te verlichten. De trap komt uit op een galerij, vanwaar
men aan drie zijden door vierkante vensters, die door een stenen
kruis verdeeld zijn, op de binnenplaats neerkijkt. Het
balkenplafond is kunstig gemaakt en fraai beschilderd in
verschillende kleuren.
|
A porta
maiori ad peristillum usque porticus sub fornice
candida tam
longa patet, quam lata sunt hinc atque inde triclynia.
Hac deambulata ingressus peristillum, si ad dexteram
te
converteris, scalas offendes, quae secunda in
habitacula ducent gradibus clementibus circiter quadraginta,
qui - alti, quantum pes unus est,
duobus lati, longi novem - quot numero sunt, tot ex
lapidibus succreverunt. Scalae a dextris viginti gradibus
ascendunt, totidem a sinistris versae, fenestra in ipsa
conversione adiecta, quae utrarunque aditum illuminet. His
ascensis deambulatorium occurrit, quod ex tribus lateribus per
fenestras quadratas et lapide per modum crucis divisas in aream
respicit; contignatio desuper apte composita et variis ornata
coloribus. |
|
|
Wanneer je in de galerij naar rechts loopt, kom je in een
vierkante hal die toegang geeft tot twee prachtige vertrekken;
in het ene vertrek valt het licht vanuit het westen naar binnen,
het andere ontvangt zijn licht ook vanuit het noorden en bevat
een afgesloten ruimte, waarin kostbare zaken kunnen worden
bewaard. Op het einde van de galerij ligt een hal die 72 voet
breed is en een derde langer. Hier komen zes deuren op uit, twee
ervan naar de galerij, twee bieden toegang tot de loggia in het
midden, die uitzicht heeft op de Amiata, terwijl de andere
toegang geven tot twee ruime en mooi ingerichte vertrekken,
waarvan het ene zijn licht ontvangt van de opkomende, het andere
van de ondergaande zon. De hal zelf wordt verlicht, deels door
de deuren, deels door grote vensters die uitkijken op de
binnenplaats en twee kleinere vensters aan de kant van de
loggia. Binnen is er een haard, vakkundig gemaakt van wit
marmer. Het cassetteplafond valt op, zowel door de harmonieuze
schikking van de balklaag als door de verscheidenheid van de
beschildering. Het is hier behaaglijk in alle seizoenen, nooit
extreem koud of warm.
|
Ad dexteram
deambulanti quadrata sese offert aula honestissimis cubiculis
duobus serviens, quorum alterum ab occidenti lumen recipit,
alterum etiam ab aquilone lucem admittit, et conclave interius
habet, in quo possint preciosa recondi. In fine deambulatorii
aula est septuaginta duorum pedum, tertia parte sua latitudine
longior. Haec ostia sex habet: duo deambulatoria respiciunt, duo
in porticum mediam Amiatam versus aditum praebent, reliqua in
duo ampla et ornatissima cubicula, quorum alterum ab oriente
sole, alterum ab occidenti lucem mutuatur. Aulam ipsam et ostia
illuminant et fenestrae maiores in aream versae et duae minores,
quae in porticum vergunt. Caminus inest ex lapide albo ingeniose
constructus. Lacunar et contignationis aptitudine et picturarum
varietate conspicuum. Locus nullo tempori non conveniens,
excessivi frigoris et caloris expers. |
|
|
Ga je in de galerij naar links, dan kom je bij een tweede trap,
geheel gelijk aan de eerste, die naar de tweede verdieping
voert. Voorbij deze trap ga je door een deuropening, die de
galerij in tweeën deelt. Van hieruit kun je, als je wilt, rechts
de hal betreden, die, zoals gezegd, aansluit op de centrale
loggia; links echter vind je een hal of eetzaal, die tijdens de
zomer dienst doet, het ruimste vertrek van alle, met vier
vensters op het noorden aan de straatzijde en twee op het oosten
aan de kant van het plein. Vanuit deze hal kom je in een
gebedsruimte en de oostelijke vertrekken, namelijk drie
slaapkamers, waarvan de laatste, zoals gezegd, een doorgang
heeft naar de hal met de zes deuren, die
aansluit op de loggia. Dit was het woonvertrek van de paus,
die opdracht had gegeven het te voorzien van een
dennenhouten lambrisering om geen last te ondervinden van de
vochtigheid van de nieuwe muren. Iedere slaapkamer had een haard
en wat er verder aan inrichting nodig leek. Overal waren er
cassetteplafonds en opmerkelijke balken van dennenhout, waarvan
de grootte en schoonheid in harmonie waren met het hele gebouw.
De dakbalken en de dwarsbalken verleenden zowel door hun
vormgeving als door hun beschildering en bladgoud een bijzondere
luister aan het geheel. De vloeren bestonden uit gepolijste
volkomen gelijke bakstenen met een en hetzelfde uiterlijk;
nergens hoefde men, wanneer men zich van het ene slaapvertrek
naar de andere begaf of van plaats
naar plaats, een stap omhoog of omlaag te doen. De vertrekken
van de tweede verdieping zijn in vorm gelijk of nagenoeg gelijk
aan die van de eerste verdieping. De gewelven zijn wat lager en
zonder beschildering en alleen opmerkelijk door de schoonheid
van de dakbalken.
|
Ad
sinistram deambulatorii conversus alteras offendes scalas,
quibus in tertia scanditur habitacula, prioribus per omnia
similes. His dimissis ostium ingrediens, quod
deambulatorium in duas partes dividit. Exin a dextris - si
placuerit - in aulam ibis, cui diximus mediam porticum
cohaerere; a sinistra vero aestivum cenaculum sive aulam omnibus
maiorem reperies, cuius quattuor fenestrae septentrionem
admittunt, orientem duae, et ille in vicum
respiciunt, iste in forum. Ex aula in oratorium itur et
habitacula in orientem versa, id est cubicula tria,
quorum ultimum ostium habet - ut diximus - in aulam sex
ostiorum et in porticum cohaerentem. Et hoc pontifex habitavit,
quod abiete iusserat incrustari, ne recentis parietis
humor officeret. Nullum cubiculum aut camino caruit aut aliis,
quae necessaria viderentur officinis. Spectatu digna ubique
laquearia, trabes abiegnae magnitudine et pulchritudine
respondentes operi; asseres et tigna cum suo corpore, tum
picturarum additamento et auri laminis mirificum splendorem
attulerunt. Pavimenta ex lateribus perpolitis nusquam inaequalia,
una omnium facies. Nihil est, quod ex cubiculo in
cubiculum aut ex loco in locum vadentem aut ascendere oporteat
aut descendere. Et qualis forma est mediarum habitationum,
talis est tertiarum, aut certe minimam distantiam
habent. Concamerationes paululum declinant coloribus et pictura
carentes et asserum tantum dignitate conspicuae. |

adapted from J. Pieper, Pienza
|
|
Als inderdaad, zoals sommigen willen doen geloven,
licht het
voornaamste element vormt dat een huis aantrekkelijk maakt,
dan is geen enkel huis te verkiezen boven dit paleis, dat zich
onbelemmerd opent naar alle vier windstreken en het daglicht
overvloedig binnenlaat niet alleen door de vensters aan de
buitenkant, maar ook door de vensters die uitzien op de
binnenplaats van het paleis, en die het verspreiden tot helemaal
beneden in de provisieruimten. Vanuit de hoger gelegen
woonvertrekken heeft men in westelijke richting een wijds
uitzicht voorbij Montalcino en Siena
tot aan de bergen van Pistoia. Het
panorama in noordelijke richting biedt over een afstand van vijf
mijl een verscheidenheid van heuvels en het
lieflijk groen van bossen. Als je goed kijkt, kun je zelfs de
Apennijnen zien en Cortona, op een
hoge heuvel gelegen niet ver van het
Trasimeense meer; maar de Chiana
vallei, die er tussen ligt, wordt door zijn diepte aan het zicht
onttrokken. Naar het oosten reikt het uitzicht minder ver, tot
aan Montepulciano – een voortdurende
bron van zorg voor de Sienezen – en de bergen die de vallei van
de Chiana en van de Orcia van elkaar
scheiden. De blik vanuit de drie loggia’s die de middagzon
ontvangen, wordt begrensd, zoals gezegd, door de zeer hoge en
beboste Amiata; je kijkt neer op de vallei van de Orcia, groene
weiden en heuvels die in het seizoen met gras begroeid zijn,
vruchtbare akkers en wijngaarden, burchten en steden op steile
rotsen, de baden van Vignoni en
Montepescali,
dat hoger ligt dan Radicofani en poort is van de midwinterzon.
|
Et si prima
aedium gratia - ut quibusdam placet - lux est, profecto
nulla domus huic fuerit praeferenda, quae plagas caeli
quattuor expeditas habet, et lumen non solum ab
exterioribus fenestris, sed etiam ab interioribus per
cavum palatii copiose admittit, et usque in imum penu
derivat. Respicientis ad occidentalem plagam ex altioribus
habitaculis prospectus ultra Ilcinum et Senas et in ipsis
Pistoriensibus Alpibus terminatur. Ad aquilonem prospicienti
varietas collium et silvarum iocunda viriditas sese offert ad
quinque milia passuum protensa. Fertur et in Appenninum acrius
intuentis acies, et sedentem in alto colle Corthonam
respicit non
procul a lacu Trasimeno; vallem, quae media
interiacet, amnis Clanii profunditas e conspectu aufert.
Ad orientem brevior est prospectus Politianum usque procurrens,
Senensi populo perpetuo metuendum, et montes,
qui Claniam regionem ab Urciensi disterminant. - Tres porticus
meridianum solem excipientes in Amiata - ut diximus - altissimo
et nemoroso monte visum terminant, subiectamque Urciae vallem et
viridantia prata collesque suo tempore gramineos et frugiferos
agros et vineta et in praeruptis rupibus arces atque oppida
intuentur et balnea, quae vocant Venionis, et
montem Pesium Radicofano celsiorem et brumalis ostium solis. |
|
|
Het hoofdgebouw van het paleis bezat geen keuken. Een vierkant
gebouw met dezelfde hoogte als het paleis werd opgetrokken naast
de cisterne in een hoek van de tuin aan de kant waar de zon in
de winter ondergaat. Daarin werden drie keukens gebouwd, met hun
verschillende geledingen boven elkaar, aansluitend op de
loggia’s zodat men de drie woonlagen van het paleis zeer
gemakkelijk kon bedienen en geen last had van rook of wind en
uit de cisterne vlak bij door middel van touwen water kon
putten.
|
Deerat huic
fabricae coquinarum structura. Domus quadrata ad altitudinem
palatii erecta est iuxta cisternam in horto defossam in angulo
hyemalis occasus et in ea tres coquinae cum suis membris alia
super aliam aedificatae, quae porticibus cohaerentes
tribus palatii habitationibus commodissime inservirent,
nec fumo laborarent nec ventis, et aquam ex proxima
cisterna funibus haurirent. |
|
|
Voorbij de loggia’s en de keukens tot aan de stadsmuur strekte
zich een terrein uit, dat even groot was als het oppervlak van
het paleis zelf. Hier wilde Pius graag een tuin aanleggen, maar
de bodem was ongelijk en helde sterk af. Daarom werden vanaf de
rotsbodem beneden zeer dikke muren opgetrokken en gewelven
gemetseld op kolommen van natuur- en
baksteen, waardoor er ruimte ontstond voor stallen voor
honderd paarden en werkplaatsen voor smeden. Daarboven volgde
een leeg gedeelte van ongeveer 12 voet, afgedekt door een tweede
rij gewelven; daarop werd aarde opgehoopt om een vlakke
ondergrond te vormen voor een hangende tuin, geschikt voor de
aanplant van wijnstokken en bomen. Er was voor gewaakt, dat
regenwater niet door de gewelven kon heendringen en de stallen
vochtig maken. Rondom de tuin stonden stenen banken en een
omheining op borsthoogte, versierd met beschilderde pinakels,
die van verre een heel vrolijke aanblik boden. Wanneer men het
paleis betreedt door de hoofdingang aan de noordzijde, omvat men
in één blik de zuilengang en de binnenplaats en door de deur aan
de overzijde de benedenloggia en de tuin tot aan het einde toe,
en kan men in alle rust zonder ergens omhoog
te moeten stappen alles belopen.
|
Ultra
porticus et coquinas usque ad muros oppidi tantum spatii fuit,
quantum palatium ipsum occupavit; hic hortum plantare
libuit; sed erat inaequale solum et ingens descensus. Deducti
sunt magna spissitudine muri ab ima saxorum crepidine, et
sub columnis lapideis ac latericeis iniecti fornices, qui centum
equis stabula praeberent et officinas ferrarias. Exin vacuo XII
circiter pedum relicto alii desuper fornices additi, et
super his terra congesta, quae solum aequaret, et
hortum pensilem faceret vitibus et arboribus aptum -
cautione adiecta, ne pluviales aquae inferiores quirent
testudines penetrare aut humectare stabula. Circa hortum sedilia
fuere saxea et plutea pectoribus tenus pinnis ornata depictis,
quae procul visae speciem laetissimam praebuerunt. Ingressi
palatium maiori ianua ad boream versa peristillum et aream et
per posticum infimam porticum et hortum et ultimas horti metas
uno prospectu contuentur, et passu placido nil pedibus elevatis
cuncta deambulare possunt.
 |
|
|
Beschrijving van de kathedraal van Pienza.
Zo was dus het paleis ingericht. Ernaast was de kerk gebouwd
ter ere van de heilige Maria altijd maagd. Omdat de bodem ter
plaatse afhelde, was het in feite een dubbele kerk: een
benedenkerk en een bovenkerk. Toen men in de ingewanden der
aarde op zoek was naar een vaste ondergrond om een hecht
fundament te kunnen leggen, vond men die pas op een diepte van
108 voet, en ook hier was de rotsgrond verbrokkeld.
Terwijl men het losse gesteente uitgroef om
een stevig fundament te vinden, stuitte men voortdurend op
scheuren en zwaveldampen. Bij hun pogingen om deze te
dichten kwamen enkele werklieden om het leven, bedolven onder
het puin van een instortende bouwput, waarvan de randen niet
voldoende gezekerd waren. Als oplossing werden zeer brede bogen
geconstrueerd, die van rots naar rots liepen. Daar bovenop werd
een muur gemetseld zonder dat de basis van de rotsen voldoende
onderzocht was; hoewel die enorm groot waren, was het onzeker
hoe vast ze in de ondergrond verankerd zaten. En het ontstaan
van een scheur in het gebouw, die helemaal van boven naar
beneden liep, liet twijfel rijzen over de betrouwbaarheid van de
fundering. De architect schreef het ontstaan van de scheur toe
aan het uitharden van de kalk en achtte geen reden aanwezig om
bezorgd te zijn voor de constructie. De tijd zal het leren. De
muren waren buitengewoon dik en in staat hun eigen gewicht en de
dubbele rij gewelven erboven te dragen.
|
Descriptio templi Pientini
Et palatium
quidem ita se habuit. Cui proximum fuit templum in honorem
Beatae Mariae semper Virginis aedificatum, quod ut esset duplex
- alterum inferius, alterum superius -, inaequalitas soli
fecit. Fundamenta in viscera terrae quaesita vix tandem post
octo et centum altitudinis pedes non satis commoda sunt inventa
inter saxa non cohaerentia; cum rimas effoderent solidum
reperturi fundamentum, hyatus offendere perpetuos et sulphureas
exhalationes, quas dum conantur obstruere, nonnulli artifices
ruina non bene custoditae scrobis obruti perierunt. Ob quam rem
ex saxo in saxum arcus deduxere latissimos, et super his
murum iniecerunt non satis explorata saxorum radice -
quae licet essent ingentia, incertum tamen est,
qua firmitate subsideant -; et rimula in aedificio demum suborta,
quae a summo usque deorsum procurrit, suspectam
fundamenti sedem efficit. Architectus calcem inter durescendum
subsedisse censuit, indeque rimam prodiisse, nec
verendum operi; veritatem dies patefaciet. - Murorum
eximia spissitudo fuit et idonea, quae suam altitudinem
et duplicatos posset sustinere fornices.
|
|
|
In de benedenkerk daalde men af door een deur en zesendertig
zeer brede treden. Twee kolommen in het midden torsten het
gewicht van het hele bouwwerk Drie grote ramen zorgden voor een
zee van licht in de hele de kerk en
voor de vier altaren en het doopbekken, kunstig vervaardigd van
wit marmer, dat in een van de kapellen stond. Alleen al de
aanblik van de kerk wekt bij de bezoeker een gevoel van diepe
ontroering en devote eerbied.
|
Ad templum
inferius per portam et gradus XXXVI late patentes descensus
fuit. Duae in medio columnae universam molem sustinuere. Lumen
abunde per tres fenestras ampliores altaria quattuor et
universam aedem illustravit et fontem baptismatis, quem eo in
loco in uno ex sacellis reconditum ex lapide albo nobili opere
construxerunt. Ipsa templi facies commotionem mentis et
religionis quandam reverentiam excitat intrantibus. |
|
|
De bovenkerk heeft een lengte van 140 voet, een hoogte van 60
voet en een even grote breedte, wanneer men de kapellen niet
meerekent, die de kerk zowel langer als breder maken.
Omstandigheden maakten het nodig dat, in tegenstelling met de
gewoonte, de lengteas van de kerk van noord naar zuid verloopt.
Het plein voor het paleis was bestraat met bakstenen, die op hun
kant waren gezet, en mortel; men betrad de bovenkerk via drie
hardstenen treden, die over de volle breedte van de voorzijde
waren gelegd, en kwam eerst in een open ruimte, 15 voet breed,
een soort vestibule. De voorgevel zelf was 72 voet hoog en
bekleed met een op travertijn
lijkende steensoort,
die de witheid van marmer imiteerde. Hij vertoonde de vorm van
een antieke tempel, prachtig versierd met zuilen, basen en
halfronde nissen, die bestemd waren voor beelden. Hij bezat drie
mooie deuren met harmonieuze verhoudingen, de middelste groter
dan de andere, en een rond venster,
oculus genoemd, wijd open als het oog van een
Cycloop, en verder nog het wapen van de Piccolomini met
daarboven het pauselijke lint, gewonden om de drievoudige kroon,
en de sleutels van de Kerk er tussen. Vanaf de basis tot het dak
is de façade overal even breed, daarboven tot aan de nok
heeft hij de vorm van een
piramide en is versierd met mooie kroonlijsten. De overige muren
van de kerk waren gemaakt van minder kostbaar materiaal,
vierkante steenblokken, die glad gepolijst waren, terwijl
pilasters, die als een soort ribben waren ingevoegd op
regelmatige afstand van elkaar, het gebouw meer stabiliteit
moesten verlenen.
|
Superior
aedes centum et quadraginta pedes longitudinis habuit,
altitudinis sexaginta, latitudinis totidem - non
supputato eo spatio, quod sacella sibi vendicavere,
hinc longius inde latius efficientia templum; quod urgente
necessitate praeter consuetudinem a septentrione in meridiem
protenditur. In foro,
quod ante palatium lateribus in latus erectis et calce
stratum erat, tres gradus - quam lata fuit templi facies
- ex duro lapide produxere, quibus in templum per aream
quindecim pedes latam tanquam vestibuli vicem tenentem
ascenderetur. Frons ipsa templi duo et septuaginta pedes alta,
ex lapide Tyburtino simili et marmoreum imitanti candorem,
vetustarum aedium prae se formam tulit columnis,
spiris et emiciclis, quae statuas recipere possent,
perpulchre adornata. Tres portas habuit congrua dimensione
venustas, mediam ceteris ampliorem et in morem Cyclopis
oculum late patentem et insigne Picolomineum et desuper
pontificalem infulam corona triplici redimitam, clavibus
Ecclesiae interpositis. Surgitque frons ipsa a
fundamentis usque
ad tectum aequaliter lata, deinde usque ad summum
pyramidalem accipit formam non indecoris communitam cimatiis;
reliquae murorum partes ex saxo minus precioso creverunt,
verum quadrato et commode perpolito, prominentiis
quibusdam tanquam costis interiectis, quae pariter inter
se distantes stabilius redderent aedificium.
|
|
|
Wanneer je door de middelste deur naar
binnen gaat, overzie je de hele kerk met kapellen en altaren en
raak je onder de indruk van de helderheid van het licht en de
luister van de architectuur. De binnenruimte is verdeeld
in drie zogenaamde schepen; het middenschip is het breedst, de
hoogte van alle drie is gelijk,
overeenkomstig de opdracht van Pius, die
voorbeelden
daarvan gezien had bij de Duitsers in
Oostenrijk. Het maakt de kerk bekoorlijker en lichter. Acht
kolommen van gelijke dikte en hoogte dragen het totale gewicht
van het gewelf. Nadat de basen waren gelegd en de kolommen met
vier halfronde zijden daarop waren gezet en met kapitelen waren
bekroond, ontdekte de architect dat de gewelven minder hoogte
zouden hebben dan gewenst was. Daarom plaatste hij op de
kapitelen vierkante kolommen met een lengte van zeven voet en
zette daar nogmaals kapitelen bovenop
om de gewelfbogen te dragen. Een gelukkige vergissing, die juist
door zijn afwisseling bijdroeg aan de schoonheid van het gebouw.
De zijschepen zijn tot aan de derde kolom overal even breed,
waarna ze geleidelijk aan smaller worden, zodanig dat de gehele
kerk eindigt in de vorm van een halve cirkel. Want het voorste
gedeelte, dat men kan vergelijken met een gekroond hoofd, was
verdeeld in vijf kapellen, die buiten de rest van het lichaam
uitstaken, en had een gelijk aantal gewelven met dezelfde hoogte
als die van de schepen; door de gouden sterren die erop waren
vastgehecht en de gouden kleur die er erop was aangebracht,
vertoonden zij een sprekende gelijkenis met de hemel. De overige
gewelven in de schepen waren in verschillende kleuren
beschilderd; de kolommen, die waren toegevoegd om, zoals gezegd,
de vergissing te corrigeren, hadden met hun kapitelen de kleuren
gekregen van porfier en andere edele marmersoorten; de kolommen
eronder hadden hun natuurlijke kleur van wit marmer. De wanden
van de kerk en de rest van het gebouw straalden met een
wonderbaarlijke witte glans. In de centrale kapel stond de
bisschopszetel en de koorbanken, vervaardigd van een kostbare
houtsoort, versierd met sculpturen en afbeeldingen in een
techniek die intarsia wordt genoemd.
In de overige vier kapellen waren altaren geplaatst, versierd
met altaarstukken die geschilderd waren door vooraanstaande
Sienese
kunstenaars. In de tweede kapel links
van de bisschopszetel stond het tabernakel, bestemd voor de
heilige Hostie, van wit marmer dat met groot meesterschap was
gebeeldhouwd. Elke kapel had een hoog en breed venster, kunstig
samengesteld uit zuiltjes en bloemmotieven in steen en
beglaasd met zogenaamd kristal. Ook
de zijschepen zijn voorzien van vier soortgelijke ramen, die,
als de zon schijnt, zoveel licht binnenlaten, dat kerkgangers
het gevoel hebben niet omgeven te zijn door een gebouw van
steen, maar van glas. Aan de twee kolommen die naast de ingang
staan, zijn waterbekkens bevestigd, werk van een hoog artistiek
gehalte, waaruit degenen, die de kerk betreden, zich met
wijwater besprenkelen. Het hoofdaltaar staat tussen de twee
voorste kolommen en wordt met vier treden beklommen. De priester
en zijn assistenten staan tijdens de dienst met de rug naar het
volk en de zangers voor zich, naast de bisschopszetel. In de
benedenkerk zijn nog twee altaren ten behoeve van het kerkvolk
opgesteld.
|
Ingredienti
mediam portam universum templum cum sacellis et altaribus in
conspectu datur praecipua luminis claritate et operis nitore
conspicuum. Tres -ut aiunt - naves aedem perficiunt;
media latior est, altitudo omnium par: ita Pius iusserat,
qui exemplar apud Germanos in Austria vidisset; venustius ea
res et luminosius templum reddit. Octo columnae spissitudine et
altitudine congruentes universam testudinum sustentant molem.
Architectus fundatis basibus cum columnas quattuor habentes
facies emicicleas superduxisset, et capitula imposuisset,
animadvertit fornaces minus, quam par esset,
sublimitatis habituras, erexitque super capitulis
quadratas septem pedum columnas, et altera superaddidit
capitula, quibus testudinum arcus inniterentur. Gratus
operis error et ipsa varietate decorem afferens. - Naves
extremae usque ad tertiam columnam aequaliter procedunt,
deinde paulatim coarctantur universo tempio in formam
semicirculi desinente. Pars enim superior tanquam coronatum
caput in aediculas quinque divisa, quae a reliquo corpore
exterius procumberent, totidem fornices habuit navibus
altitudine pares, in quis stellae affixae aureae et color
impressus aereus veram coeli faciem emulabantur. Reliquas
navium testudines diversis coloribus appinxerunt, et
columnis - quas diximus ad corrigendum errorem additas
- cum capitulis suis porphirii et aliorum nobilium lapidum
addidere colores; columnae inferiores naturam suam servavere
lapidis albi. Parietes templi et reliquum omne corpus candore
mirabili resplenduere. - In aedicula, quae media fuit,
episcopalem cathedram et canonicorum sedilia ex materia nobili
arte, quam vocant Tharsicam, sculpturis et imaginibus insignia
composuerunt; in reliquis quattuor altaria pictis ornata tabulis
erexerunt illustrium, quos Senae produxerunt, pictorum operibus.
In ea, quae secunda est a sinistris cathedrae, Divini Sacramenti
conditorium ex albo lapide sculpsere artificio non ignobili. Nec
ulla aedicula est, quae fenestram non habeat latam et altam,
columnellis et floribus lapideis artificiose compositam, vitro,
quod cristallinum vocant, occlusam. Sunt et aliae quattuor
fenestrae similes sub navibus extremis, quibus fulgente sole
tanta lux admittitur, ut qui templum incolunt, non domo
lapidea, sed vitrea sese clausos existiment. Duabus columnis,
quae proximae portis assunt, duo adherent lavacra, ex quis
sacris se lymphis aspergunt ingredientes; non vilis opus
ingenii. Altare maius inter duas columnas ultimas situm est, ad
quod quattuor gradibus ascenditur. Sacerdos et ministri, cum rem
divinam faciunt, a tergo populum habent, cantores a fronte iuxta
pontificis cathedram. Sunt et alia duo altaria, quae multitudini
serviant in inferiori aedis corpore. |
"een gelukkige vergissing"
|
|
Aan de rechterkant is een sacristie gebouwd, aan de linkerkant
van de kerk een klokkentoren met een hoogte van 160 voet,
waarvan een derde deel nog niet voltooid was. Vanaf de
benedenkerk naar de bovenkerk en vervolgens naar het dak van de
kerk waren links en rechts
wenteltrappen van 132 treden aangelegd, uitgehakt in de dikte
van de muur.
|
Et in parte
dextera sacrarium constructum est, in sinistra turris
campanaria, cuius altitudinem centum et sexaginta pedum
constituerunt; ei adhuc pars tertia defuit. - Deduxerunt et ab
inferiori templo a sinistris et a dextris scalas per muri
spissitudinem ad aedem superiorem et deinde ad tecti summitatem
in modum coclearum centum triginta duos gradus habentes. |
|
|
Op het plein naast het paleis stond een diepe put met bronwater,
waarvan de opening was uitgevoerd in prachtig marmer met twee
kolommen, die een kunstig gebeeldhouwde dwarsbalk schraagden met
kettingen en emmers om water te putten.
|
Fuit et in
foro iuxta palatium puteus profundus aquae vivae, cuius os
pulcherrimo lapide adornarunt adiectis columnis, quae trabem
lapideam ingeniose sculptam sustinerent, et cathenas et situlas
hauriendis aquis necessarias.
|
|
|
Dit alles vanaf de fundamenten tot het dak was in
drie jaar
voltooid, op de klokkentoren na, die
nog niet kompleet was.
|
Haec omnia
a fundamentis usque ad summum triennio perfecta sunt excepta
turri campanaria, quae nondum erat absoluta. |
|
|
De architect Bernardo. Het
decreet om de inrichting van de kathedraal te bewaren. De
overige bouwwerken van Pienza.
Tegen de architect waren veel aantijgingen
ingebracht bij de paus: hij zou oneerlijk hebben gehandeld; hij
had fouten gemaakt bij de bouw; terwijl hij de kosten van het
werk op 18.000 dukaten had geschat, had hij er meer dan 50.000
uitgegeven. De wet van de Efesiers
zou hebben voorgeschreven, dat de extra kosten voor zijn
rekening kwamen, aldus Vitruvius
. Het ging om
Bernardo, een Florentijn, alleen al vanwege zijn afkomst
bij de Sienezen gehaat. Iedereen brak hem af, terwijl hij zelf
afwezig was. Nadat Pius de bouwwerken had geïnspecteerd en alles
had bekeken, liet hij de man ontbieden. Toen hij niet zonder
vrees – want hij wist heel goed dat er veel beschuldigingen
tegen hem waren geuit – enige dagen later verscheen, zei Pius:
“U heeft er goed aan gedaan,
Bernardo, dat u ons hebt voorgelogen
over de kosten die de bouw met zich zou meebrengen. Als u de
waarheid had gesproken, zou u ons nooit hebben overgehaald
zoveel geld uit te geven en zouden dit edel
paleis en deze kerk die in heel Italië beroemd is, er nu niet
staan. Aan uw misleiding danken deze
zeer kostbare bouwwerken hun bestaan, door allen geprezen
behalve door die enkelen, die door afgunst verteerd worden. Wij
zijn u dankbaar en wij achten u onder alle architecten van onze
tijd een bijzondere eer waardig.” En hij beval hem zijn
volledige honorarium te betalen en daar bovenop nog honderd
dukaten en een scharlaken mantel. Hij bedacht zijn zoon met de
gunsten, waarom hij gevraagd had, en verleende hem nieuwe
opdrachten. Toen Bernardo de woorden
van de paus gehoord had, brak hij van vreugde in tranen uit.
|
De
Bernardo architecto, et decreto pro decore templi conservando
edito, et aliis Pientinis edificiis.
Multa
adversus architectum pontifici suggesta fuerant, qui et
infideliter egisset, et errasset in aedificio, et qui
sumptum operis octo aut decem milibus aureis aestimasset,
supra quinquaginta milia consumpsisset; quem lex Ephesiorum
resarcire impensas - ut est apud Vitruvium - praecepisset. -
Bernardus hic erat, natione Florentinus,
Senensibus ipsa patria odiosus; absentem cuncti lacerabant. Pius
inspectis operibus et omnia contemplatus accersiri hominem
iussit. Cui post dies aliquot non sine metu adventanti,
qui se multis criminationibus delatum non ignoraret: ,,Probe"
- inquit - ,,egisti, Bernarde, qui nobis de futura operis
impensa mentitus es. Si verum dixisses, nunquam nobis tantum
auri exponendum suasisses, neque hoc palatium nobile neque
templum tota Italia illustrissimum modo extaret. Surrexerunt tua
fallacia precarissima haec aedificia, quae cuncti laudant paucis
exceptis, quos edit invidiae livor. Nos tibi gratias agimus, et
te inter omnes architectos nostri saeculi praecipuo dignum
honore censemus." - Iussitque omnem homini reddi mercedem,
et ultra centum aureos et vestem coccineam dono dari; et filio,
quas optavit, gratias elargitus est, et novis eum praefecit
operibus. Qui audito pontifice prae gaudio collacrimatus est.
|
|
|
Om de waardigheid en luister van de kerk voor de toekomst te
behouden, vaardigde Pius het volgende decreet uit:
“Pius, bisschop, dienaar der dienaren Gods, om eeuwig in
herinnering te houden. In deze kerk die wij
hebben gebouwd en toegewijd aan de heilige maagd Maria, de
moeder van onze Heer en God, mag niemand een gestorvene
begraven, uitgezonderd in de graftomben, die bestemd zijn voor
priesters en bisschoppen. Niemand mag de witheid van de
muren en zuilen aantasten. Niemand mag beschilderingen
aanbrengen, niemand schilderijen ophangen. Niemand mag kapellen
toevoegen aan de reeds bestaande of
altaren oprichten. Niemand mag iets aan de vorm van de kerk,
hetzij de bovenkerk, hetzij de benedenkerk, wijzigen. Als iemand
handelt in strijd hiermee, treft hem de banvloek, waarvan hij
enkel, tenzij hij op het punt van sterven is, door de paus van
Rome kan worden ontslagen. Gegeven te Pienza, de 16de
september van het jaar 1462 van de Menswording van onze Heer, in
het 5de jaar van ons pontificaat.”
|
Pius, ut
templi dignitatem ac nitorem servaret, huiuscemodi decretum
edidit:
,,Pius
episcopus, servus servorum Dei, ad futuram rei memoriam. In hoc
templo, quod Beatae Mariae Virgini, Domini et Dei nostri
genitrici ereximus et dedicavimus, nemo mortuum sepelito
exceptis tumulis, qui sacerdotibus et episcopis assignati sunt;
nemo candorem parietum atque columnarum violato; nemo picturas
facito; nemo tabulas appendito; nemo capellas plures, quam sint,
aut altaria erigito; nemo formam ipsius templi
- sive
quae superius, sive quae inferius est - mutato. Si quis contra
fecerit, anathema esto, solius Romani pontificis, excepto mortis
articulo, auctoritate absolvendus. Datum Pientiae, anno
Incarnationis Dominicae Mo CCCCo LXIIo
XVI Kalendas Octobris, pontificatus nostri anno quinto."
|
|
|
Ook bouwde de paus een huis links naast de kerk, waarin de
provoost en de kanunniken comfortabel konden wonen en waaruit
zij ongehinderd de kerk konden binnengaan door een speciale
kleine deur, die met dat doel was in de zijmuur van de kerk was
ingevoegd, om overdag en ’s nachts hun diensten te verrichten.
Tegenover het paleis, opzij van het plein, stond een oud huis,
waar de pretor en overige magistraten van de stad plachten te
wonen. Pius kocht het en stelde het ter beschikking aan de
vice-kanselier, op voorwaarde dat hij het zou afbreken om op die
plaats een bisschoppelijk paleis te bouwen, dat hij aan de
heilige maagd Maria zou schenken. Nog andere
huizen van burgers kocht hij tegenover de kerk aan de overzijde
van het plein en gaf opdracht ze te slopen en daarvoor in de
plaats een derde paleis te bouwen met een loggia en een grote
hal, verschillende vertrekken en opslagruimten en een
klokkentoren met uurwerk, die tevens als gevangenis fungeerde.
Zijn bedoeling was, dat de magistraten van de stad hier
zouden wonen en de burgers hier zouden vergaderen. Hij nam
werklieden in dienst en betaalde zelf een groot deel van hun
loon, omdat hij graag zag, dat het plein door vier edele
gebouwen omgeven werd.
|
Aedificavit
pontifex et domum iuxta templum a sinistris, in qua praepositus
et canonici commode habitarent, et per ianuam quandam parvam,
eorum causa in latere templi dimissam, ad nocturna
diurnaque munera nullo impediente procederent. E regione palatii
interiecto foro domus antiqua fuit, quam praetor et
reliqui magistratus oppidi incolere consueverunt. Hanc Pius
coemit diruendamque vicecancellario ea lege tradidit, ut
palatium ibi episcopale construeret, ac Beatae Mariae
Virgini dono daret. Emit et alias aedes civium oppositas ultra
forum templo, quibus dirutis tertium aedificari palatium
iussit cum porticu et aula magna et cubiculis et armamentariis
et turri, quae campanis et horologio serviret et carceri,
magistratus urbis ut hic habitarent, et consilia civium fierent.
Conduxitque operarios, et partem magnam mercedis tradidit,
volens quattuor nobilibus aedificiis circundari forum. |
|
|
Ook andere prachtige huizen werden in de stad gebouwd. Na de
vice-kanselier bouwde de kardinaal van Arras
een hoog en ruim paleis, daarna de
thesaurier,
na hem legde Gregorio
Lolli de fundamenten voor zijn huis.
Als eerste van allen bouwde de kardinaal van Pavia
een mooi huis met evenwichtige
proporties volgens een vierkant grondplan, dat een volledig
huizenblok besloeg. De kardinaal van Mantua
kocht een kavel om een huis te bouwen,
evenals Tommaso,
pauselijk kamerheer, en verder zegelbewaarders en verschillende
stadsbewoners: oude huizen werden gesloopt om plaats te maken
voor nieuwe, zodat de stad er nergens meer uitzag als vroeger.
Op het feest van de onthoofding van de
heilige Johannes de Doper wijdde de
paus, terwijl de kardinaal van
Ostia
de mis opdroeg, de kerk en de altaren
in en zalfde zelf de voorkant van het hoofdaltaar en, nadat de
relieken van de heiligen erin waren opgeborgen, hechtte hij er
zijn zegel aan. Hij haalde de bisschop van
Chiusi,
Giovanni Chinugi, een edelman
uit Siena, naar Pienza en gaf zo een bruidegom aan de nieuwe
bruid. Gabriele Piccolomini, uit de
orde der Minderbroeders, die Observantisten
genoemd worden, benoemde hij tot bisschop van
Chiusi. Korte tijd later, toen de
aartsbisschop van Sevilla
in deze kerk door de kardinaal van Porto
werd gewijd, zette de paus eigenhandig
de mijter op zijn hoofd en zegende hem.
|
Fuerunt et
aliae domus magnifice in oppido constructae. Cardinalis
Atrebatensis post vicecancellarium altas et amplas aedes
aedificavit, deinde thesaurarius, post eum Gregorius Lollius
fundamenta iecit. Primus omnium aptissimam et pulchram domum
construxit cardinalis Papiensis quadratam et insularem;
Mantuanus constructurus aream emit; Thomas quoque, pontificis
cubicularius et plumbi ministri et plures oppidani deiectis
antiquis domibus novas erexerunt, ut nusquam prior oppidi
facies appareret.
In
Decollatione Beati Iohannis Baptistae pontifex templum et
altaria per cardinalem Ostiensem dedicavit, et per se
ipsum maioris arae frontem inunxit, et reconditis in ea
sanctorum reliquiis sigillum adiecit, ac Clusinum
episcopum. Iohannem Cinughium, nobili loco apud
Senenses natum illuc transtulit, et novae sponsae virum
dedit; Clusinis Gabrielem Picolomineum ex Ordine Minorum, qui
Observantes habentur, praefecit antistitem. Et paulo post
Hispalensi archiepiscopo in ea ipsa aede per cardinalem
Portuensem coram se consecrato sua manu mytram imposuit et
benedixit.
|
|
|
Hardloopwedstrijden en de prijzen voor de winnaars.
De burgers van de stad vereren de heilige apostel Mattheus met
grote vroomheid en op zijn feestdag in
september,
houden ze een drukbezochte jaarmarkt en loven prijzen uit voor
de deelnemers aan een wedren. Pius schonk, om door zijn
aanwezigheid het geheel een nog feestelijker karakter te geven,
alle leden van de stadsraad nieuwe kleding en gaf geld ter
bestrijding van de onkosten. De volgende prijzen waren
uitgeloofd: voor de paardenrace acht el scharlaken stof en voor
de wedren met ezels vier el stof van een andere kleur, voor de
hardloopwedstrijd van mannen ook vier el en die van de jongens
een gans.
Zodra de vastgestelde dag was aangebroken, werd in alle vroegte
in de kathedraal de mis opgedragen, in aanwezigheid van de paus
en onder zeer devote aandacht van het kerkvolk. Na de dienst
verzamelde de menigte zich in de tenten buiten de stad, waar
koks dertig grote ossen, aan de ploeg ontrokken, hadden gebraden
en een hele boel kleinere dieren, wat allemaal in één maaltijd
werd verslonden. De rest van de tijd tot aan de avond bracht men
door met koop en verkoop van spullen en het opdissen van
leugenverhalen.
Hierna werden de startposities voor de paarden aangewezen en
klonk het signaal voor het begin van de wedren. De race zelf was
niet erg spannend, omdat de snelheid van de paarden erg ongelijk
was en de winnaar geen moment in gevaar kwam: het paard van
Alessandro liet zijn rivalen ver
achter zich en bereikte ver voor nummer twee de finish. Het
gevecht tussen de ezels daarentegen
was fel, nu eens lag de een voor, dan weer een ander, aangevuurd
door onophoudelijke zweepslagen. Tenslotte
kwam Sacchino’s ezel, die al vaak
gewonnen had bij vorige gelegenheden, als eerste bij de eindpaal
aan, nadat zij haar berijder had afgeworpen. Degene die als
tweede aankwam, zat nog op zijn ezel en hield staande dat de
eerste prijs hem toekwam, niet aan Sacchino,
die van zijn rijdier was afgegooid. De jury wees zijn eis af,
omdat de prijzen waren uitgeloofd voor ezels, niet voor mensen.
|
Diversa certamina currentium, et constituta praemia victoribus
Oppidani
Divum Mattheum apostolum pia religione colunt, et in eius festo,
quod Septembrio celebrant, frequentes habent nundinas,
et praemia cursu certantibus ponunt. Pius, ut se praesente
celebrius agerent festum, consulares omnes cives nova
veste donavit, et pecuniam dedit ad sumptus necessarios. Illi
cursoribus equis praemia posuerant panni coccinei ulnas octo,
asinis ulnas quattuor coloris alterius; viris, qui
pedibus currerent, totidem, pueris anserem.
Ubi dies
statuta illuxit, summo mane res divina in templo coram
pontifice ingenti populi devotione peracta est. Multitudo deinde
extra oppidum in tabernacula se recepit, in quis caupones
XXX magnos boves ab aratro receptos coxerant et animalia multa
minora; quae omnia unico prandio vorata sunt. Deinde usque ad
vesperum emundis vendundisque rebus ac mendaciis tempus datum.
Post haec
equis assignati carceres, et signum currendi datum.
Spectaculum vilius reddidit velocitas impar et sine contentione
victoria: Alexandri longe post se dimissis emulis primus ad
metam equus nullo insequente pervenit. Inter asinos magna
concertatio fuit, et nunc unus nunc alter praecessit
crebris verberibus stimulatus. Postremo Sacchini asina,
quae saepe consuesset vincere, sessore deiecto prima
tenuit metam. Qui proximus sequebatur asino insedens,
deberi sibi bravium contendit, non Sacchino, qui
fuisset ab animali excussus. Iudices petitionem reiecere,
quod asinis, non hominibus fuissent posita praemia.
|
|
|
Aan de voetrace nam een flink aantal sterke en lenige
jongemannen deel, die al dikwijls in het stadion hadden gelopen.
Het had een beetje geregend en de route was glibberig. Ze renden
naakt en nu eens lag de een op kop, dan de ander. Vaak kon je ze
zien uitglijden en om de beurt vallen en door de modder rollen,
zodat de laatsten dan ineens voorop
liepen. Op deze manier voltrok zich de wedren over vier
stadiën tot aan de stadspoort
met heel weinig verschil tussen winnaar en verliezers, terwijl
hun lichamen zo onder de modder zaten, dat ze nauwelijks te
herkennen waren. Op dat moment schoot een kok,
Trippe genaamd,
afkomstig uit de keuken van de paus, die zijn laarzen en kleren
had afgeworpen en slechts een wambuis had aangehouden, vanuit
een hoek tevoorschijn en zonder herkend te worden begon hij door
de stad te rennen, alsof hij bij de deelnemers hoorde, en, fit
als hij was, snelde hij in rap tempo de voorste twee voorbij en
greep, alsof hij winnaar was, de prijs, tot groot verdriet van
de volgende renner, die dacht dat
hij, op het punt van winnen, op het laatste moment geklopt was,
en die het niet kon verkroppen, dat iemand hem de overwinning
had ontfutseld. Maar even later doorzag hij het bedrog, toen hij
merkte dat de winnaar te weinig modderspatten had opgelopen en
dat hij een wambuis droeg, waarmee hij zo’n
lange koers niet had kunnen volbrengen. De juryleden wezen
schuddend van de lach de kok af en gaven de prijs aan de
jongeman uit Sarteano, die eerste
was geworden.
De jongensrace was het meest spectaculair. Het merendeel van hen
die meededen was nog heel jong; bij het startsignaal schoten ze
naakt naar voren en het was prachtig om te zien hoe ze erom
streden elkaar te passeren en hun voeten niet uit de taaie klei
konden trekken; nu eens kwamen ze adem te kort en vielen, dan
kwamen ze weer op adem en krabbelden overeind, gesteund door hun
ouders en broers, die hen voortdurend met kreten aanmoedigden.
Er was ongeveer een stadie afgelegd tot aan de stadspoort en het
was nog altijd onduidelijk, wie zou winnen. Toen vloog een
huisslaaf van Alessandro, erg klein
van stuk, die tot de race was toegelaten, omdat hij geen baard
had en er heel jong uitzag, naar de eerste positie en, nadat hij
vliegensvlug door de stad was gerend, raakte hij de eindpaal aan
en eiste als overwinnaar zijn prijs op. Vlak achter hem volgde
een jongen uit Pienza, met blond haar en een volmaakt lichaam,
ook al was het door modder bevuild; omdat hij besefte, dat hij
slechts met een lengte van drie of vier passen was geslagen,
huilde hij tranen van woede om zijn pech, dat hij niet harder
had gerend. Zijn moeder, een heel knappe vrouw, stond bij hem en
troostte haar zoon met zachte woorden en wiste met een doek het
zweet van zijn lijf. De jury stond al op het punt de gans aan de
eerste loper toe te kennen, toen Alessandro
begreep, wat er speelde, en riep: “Wat doen jullie toch? Mijn
slaaf is al achttien jaar en heeft zich door een list laten
inschrijven bij de jongens. Pas op, dat zijn bedrog niet beloond
wordt!” Nu begreep de jury, hoe het gegaan was, en koos de
jongen uit Pienza als winnaar. Met de levende gans werd hij op
de schouders van zijn liefhebbende vader naar huis gedragen,
gevolgd door een grote menigte, en bracht heel zijn woonwijk in
een vrolijke stemming.
De paus keek vanuit een venster op grote hoogte naar dat alles
met veel plezier, hoewel hij intussen doorging zijn kardinalen
over staatzaken te raadplegen.
|
Iuvenes robusti et agiles, et qui saepe in stadio cucurrissent,
complures in cursu certaverunt. Pluerat aliquantulum,
et lubricum erat iter. Nudi currebant, et nunc unus nunc
alter praeibat; eratque saepe videre lapsu pedum nunc istum nunc
illum in terram cadere ac luto provolvi, et qui erant
ultimi, fieri priores. Stadiis per hunc modum quattuor
usque ad portam cursitatum est minimo inter victorem et victos
spatio intercedente, ita corporibus luto foedatis,
ut internosci non possent. Tum cocus unus, cognomento
Trippes, ex popina pontificis, dimissis vestibus
et caligis, duploide tantum retenta ex angulo prosiliens
incognitus, tanquam unus ex contendentibus esset, per
oppidum currere coepit, et celeri passu recens duos, qui
praecesserant, antecessit, et quasi victor bravium apprehendit
non sine dolore sequentis, qui se victum, cum iam
vicisset, existimabat, et victoriam de manibus
ereptam iniquo ferebat animo. Sed cognovit e vestigio fraudem,
victorem ubi aspersum luto parum animadvertit, et
indutum duploide, cum qua non potuisset tantum cursum
peragere. Iudices in risum soluti reiecto coco Sartheanensi,
qui primus fuerat, dedere praemium.
Puerorum cursus
spectaculis omnibus praestitit. Multi fuerunt in stadio nondum
puberes, qui nudi prosilientes accepto signo, dum alius
alium praecedere conatur, mira contentione decertant,
nec pedes e creta tenaci possunt tollere: nunc deficiente
spiritu labuntur, nunc hanelitu resumpto consurgunt,
et his parentes illis fratres adsunt crebris cohortationibus
animos excitantes. Curritur circiter stadium usque ad portam
oppidi inter plures nutante victoria. Tum vero quidam Alexandri
vernaculus, corpore minimus, et quia barba carebat,
impubes existimatus, ad cursum receptus primus evolat,
et oppido celeri passu decurso tanquam victor metam attingit,
ac praemium petit. Succedit Piensis quidam crine candido et
toto corpore pulcher, quamvis luto deformis; et quoniam
tribus quattuorve passibus superatum se non ignorabat,
flens fortunam suam sibi ipsi succensebat, qui non
celerius cucurrisset. Aderat mater, non invenusta mulier,
quae dulcibus verbis filium consolabatur, et linteo
tergebat sudantem. Iudices iamiam primo decreturi anserem
videbantur; quod cum Alexander intellexisset: ,,Quid agitis?"
- inquit. - ,,Vernaculus meus duodeviginti natus annos
dolo inter pueros ascriptus est. Cavete, ne fraus ei subveniat!"
-Illi re cognita Piensem praetulerunt; qui vivo donatus
ansere pii parentis humeris, frequenti turba subsequente domum
delatus omnem viciniam laetificavit.
Haec pontifex ex altissima
fenestra cum cardinalibus non sine iocunditate spectavit,
quamvis interea de publicis negotiis consultaret.
|
|
De
la ville idéale à la
cité utopique,
ou le
désenchantement du monde 1
MAFPEN CRÉTEIL
STAGE 13 & 14 OCTOBRE 1997
L’UTOPIE
PHILIPPE CARDINALI
DE
LA CITÉ IDÉALE À LA VILLE
UTOPIQUE
OU
LE
DÉSENCHANTEMENT DU MONDE
|