|
|
 |
|
(uit
HERMEUS, Tijdschrift voor Antieke Cultuur
LXXVII/V MMV,
pag. 373 ev.)
pag 1
ZWEDER VON MARTELS*
De
memoires van Aeneas Silvius Piccolomini,de eerste
Europese Italiaan
O
p 24
augustus 1405, nu zeshonderd jaar geleden, werd de
Italiaanse humanist Aeneas Silvius Piccolomini in
Corsignano geboren. Zijn naam is in Nederland
overschaduwd door die van Erasmus, maar de oprichters
van de Groningse universiteit citeerden hem in hun
stichtingsoorkonde van 1614, hij was het onderwerp van
de dissertatie waarop Nicolaas Beets in 1839
promoveerde, en in 1860 gaf Jacob Burckhardt zijn 'Liebling',
zoals hij Aeneas (en de schilder Raphaël) wel
noemde, een van de hoofdrollen in zijn beroemde boek
over de cultuur van de Renaissance in Italië.
Het
adellijke geslacht van de Piccolomini had zich, na
verbanning uit Siena, in Corsignano in de zuidelijke
heuvels van Toscane gevestigd. Aeneas zou nadien als
paus Pius II het aanzien van dit kleine marktplaatsje
totaal veranderen. Zijn faam als schrijver berust op
zijn gedichten, brieven, verhandelingen en historische
en geografische studies die wijd en zijd werden gelezen.1
Erasmus prees zijn brieven in één adem met die van
Cicero en Plinius. Aeneas' geschriften droegen sterk bij
tot de verspreiding van de humanistische idealen boven
de Alpen, waar hijzelf decennia lang in dienst was van
kerkelijke prelaten en de Duitse keizer. Hij noemde zich
zoals veel humanisten dichter en redenaar, maar gaf deze
gewoonte rond 1445 op na zijn besluit om een werelds
voor een geestelijk leven te verruilen. Dankzij zijn
welsprekendheid en bekwaamheid als bestuurder effende
hij zich snel een weg naar hoge posities binnen de kerk.
In het (door hemzelf openhartig beschreven) conclaaf van
1458 werd hij tot paus gekozen.
Pius
heeft zijn wereldbeeld in twee grote monumenten
vastgelegd: het ene in steen, het andere op papier.
Tijdens een bezoek aan zijn geboorteplaats in 1459 gaf
hij de architect Bernardo Rosselino opdracht zijn
geboorteplaats te herbouwen als 'duurzaam gedenkteken
van zijn afkomst', en in overeenstemming met zijn
opvattingen over architectuur, die nauw aansloten bij
die van de beroemde bouwmeester en uomo universale
Leon Battista Alberti en bij het humanistisch
wereldbeeld in het algemeen, waarin de relatie tussen de
menselijke cultuur en de natuur centraal staat: behalve
de statige kathedraal (met een renaissance-facade maar
een gotisch, licht-doorlatend schip) zou tegenover een
bisschoppelijk ook een pauselijk paleis verrijzen, dat
eveneens zo gebouwd was dat licht er aan alle kanten
binnenstroomde; het had aan de zuidzijde drie boven
elkaar gebouwde loggia's, uitkijkend op een verfijnde,
hangende tuin,en de overweldigende natuur van de Monte
Amiata. Verder verschenen er huizen voor kardinalen en
leden van zijn pauselijk hof. Het 'nieuwe' stadje kreeg
de naam Pienza.
Het
andere grote monument waaraan Pius sinds 1461 in de late
uren na de vervulling van zijn pauselijke plichten
werkte, was van literaire aard. Het gaat om zijn
Gedenkschriften van de vermeldenswaardige,
gebeurtenissen in zijn tijd (Commentarii rerum
memorabilium quae temporibus suis contigerunt). Ze
zijn geschreven in een mooi, hel-
|
pag. 2
der Latijn dat nog het meest nabij komt aan de
stijl van Caesars Gedenkschriften van de
Gallische oorlog. Het eerste boek behandelt
de jaren voorafgaand aan zijn uitverkiezing; de
volgende elf over die van zijn pontificaat tot
31 december 1463. De vrijmoedige stijl doet
modern aan, maar werd na het Concilie van Trente
weinig passend geacht voor een paus. De eerste
druk uit die jaren is dan ook sterk
gecensureerd. In de laatste decennia zijn drie
volledige edities verschenen en een vierde met
Engelse vertaling is onderweg.2
De Gedenkschriften vertellen veel over de
zaken die Pius' aandacht hebben. Hijzelf noemt
de bestrijding van de Turken zijn hoofddoel. Dit
was een urgent probleem, dat Pius sinds de val
van Constantinopel in 1453 had beziggehouden. De
Turken bedreigden niet alleen de Balkan, maar
ook Italië zelf. De omsingeling van het
christelijke Europa door de volgelingen van
Mohammed was een feit; dit was ook een
belangrijk thema van zijn Europa (1458)
en Asia (1462). Pius' vrees dat na de
Griekse nu ook de Latijnse culturele erfenis
gevaar liep te worden weggevaagd, was niet
ongefundeerd: zo'n tachtig jaar later stonden de
Turken voor Wenen!
In 1458 riep hij alle vorsten op hierover in
Mantua te vergaderen. Maar zij bleken verdeeld
over de kruistocht die Pius voor ogen stond, en
nadat zij ook in de jaren daarna hun plicht
hadden verzaakt, kondigde Pius in 1462 aan zelf
op kruistocht te gaan. Hij herinnerde de hertog
van Bourgondië aan zijn oude belofte dat hij de
kruistocht tegen de Turken zou leiden, maar dit
bleek uiteindelijk vergeefs. De vooruitzichten
voor het slagen van zijn kruistocht waren van
meet af aan gering, aangezien de verschillende
koningen en prinsen zich vooral om hun eigen
belangen bekommerden. Toch wilde Pius de
gedachte aan de verdediging van Europa niet
opgeven, waarvoor hij zich in de hogte mate
verantwoordelijk achtte. Hij zette zijn reis
naar Ancona voort, en overleed daar op 15
augustus 1564, niet ver van zijn
kruisvaarderschip.
Leerzaam verhaal van een droevig hondenlot
Dat Pius het zijn plicht vond zijn geweten te
volgen, wordt behalve uit zijn daden ook uit het
slot van de volgende episode duidelijk. De
inherente gedachte dat een mens zijn eigen koers
kan bepalen, staat niettemin op gespannen voet
met de traditionele idee van het voorbeschikt
zijn, hetgeen eveneens duidelijk naar voren komt
in het onderstaande. (Evenals Julius Caesar
spreekt Pius in zijn Commentaren over
zichzelf in de derde persoon:)
'Hier willen we een voorval inlassen, dat op
zichzelf van gering belang is, maar niet geheel
zonder nut: hoewel het immers over alledaagse
dingen gaat, kan het toch een vingerwijzing zijn
voor grote zaken. Pius had een hondje, een
teefje van nog geen negen maanden oud, dat
luisterde naar de naam Musetta. Het had een
witte vacht, maar verder was het niet een erg
mooi hondje, wel grappig en lief en het wist
uitstekend iemands vriendschap te winnen en zich
geliefd te maken.
Terwijl de paus in zijn tuin zat en ambassadeurs
aanhoorde, snuffelde Musetta rond, op zoek naar
iets eetbaars, klom daarbij op de rand van een
kleine cisterne en viel in het water. Niemand
had haar zien vallen. Vermoeid van het
rondzwemmen,
|
|
|
| |
pag. 3
dreigde
ze te verdrinken en probeerde met geblaf de aandacht te
trekken. Maar niemand schoot te hulp; men dacht dat
Musetta, zoals zo vaak, tegen katten blafte. De paus
hoorde haar herhaalde kreten en denkend, dat zijn hondje
iets ergs was overkomen - en zo was het -, beval hij
zijn dienaren vlug te gaan kijken, wat er aan de hand
was.
Men
vond Musetta aan het eind van haar krachten, niet langer
in staat haar kopje boven water te houden; op het
nippertje gered, werd Musetta naar de paus gebracht, bij
wie ze nog een hele tijd bleef jammeren, alsof ze hem
van haar hachelijk avontuur wilde vertellen en zijn
medelijden wilde wekken.
De
volgende dag zat de paus in dezelfde tuin te dineren,
toen een grote meerkat, die op een of andere manier was
losgeraakt, het hondje aanviel en met zijn tanden
vasthield. De dienaren die erbij stonden, konden het
arme dier slechts met moeite uit de kaken van de aap
losrukken. Bijna dood van schrik leek Musetta opnieuw
met lang geklaag haar lij densverhaal aan paus Pius te
vertellen.
De paus
zag dit als een voorteken dat het hondje niet lang meer
te leven had, want het was binnen een paar dagen twee
maal ternauwernood aan de dood ontsnapt. En hij kreeg
gelijk. Tien dagen verstreken. Musetta sprong, iets wat
zij vaak deed, op de rand van een hoog gelegen venster
van een kamer die uitkeek op de wijngaard. Plotseling
stak er een hevige en angstaanjagende wervelwind op, die
het hondje vastgreep, naar beneden wierp en met dodelijk
gevolg op de stenen deed belanden. Toen men dat de paus
kwam vertellen, zei hij: 'Het was voorbeschikt, dat dit
hondje een gewelddadige dood zou sterven: het feit dat
zij twee maal aan het gevaar is ontsnapt, heeft dat
voorspeld; een derde maal ontkomen mocht niet. Bij
dieren zien wij voorbeelden waar wij als mensen van
kunnen leren. Als iemand twee maal aan een hachelijk
gevaar ontsnapt en blijft leven, laat hij dan op zijn
hoede zijn. Laat hij weten dat na twee waarschuwingen de
derde met de dood bekocht wordt. Laat hij zijn leven
beteren, voordat hij voor de derde maal wordt geroepen.
Hij die niet gekweld wordt door zijn geweten, kan zonder
vrees de dood onder ogen zien.' (Commentarii, n.
24; vertaling Michel Goldsteen)
Het
herkennen van vingerwijzingen Gods is een gave die paus
Pius graag toont te bezitten. Met regelmaat hebben
dergelijke passages in zijn Gedenkschriften
betrekking op hemzelf, en ze wekken dan bijvoorbeeld de
indruk dat zijn behoud van jongs af aan voorbestemd was
en deel uitmaakte van een hoger, goddelijk plan. Dit is
ook het effect van vermeldingen dat koning Alfonso van
Napels en keizer Frederik III aan Aeneas voorspelden dat
hij paus zou worden. Een vast vertrouwen op Gods
ingrijpen in de gebeurtenissen van het leven past een
paus.
Niettemin moet de lezer van Pius' Gedenkschriften
onwillekeurig ook steeds denken aan Vergilius en andere
heidense auteurs, bij wie belangwekkende gebeurtenissen
vaak begeleid worden door voortekenen. Voor Pius bestond
niet de strikte scheiding die velen aanleggen tussen de
heidense en christelijke literatuur; de laatstgenoemde
had de eerstgenoemde niet vervangen, maar was er naast
getreden. Klassieke schrijvers worden regelmatig
geciteerd om christelijke waarheden te onderstrepen: hun
ouder-
|
pag.
4
dom
verleent het christelijk geloof grotere adeldom en
overtuigingskracht.
De hang
naar oudheid was in de Renaissance zo sterk dat ook Pius
gemakkelijk bezweek voor het verlangen om de geschiedenis
van zijn familie terug te voeren tot de oudheid. Zo laat hij
zijn geslacht uit Rome stammen, of zoals de eerste regels
van de Commentaren luiden: 'De familie van de
Piccolomini is vanuit Rome naar Siena verhuisd en was een
van de oudste en meest aanzienlijke families van de stad.
Zolang de patriciërs de leiding hadden, genoten de
Piccolomini een grote faam op grond van hun literaire en
militaire verdiensten (armis et literis) en bezaten
verschillende forten en kastelen.' Imponerende begrippen als
Rome, ouderdom, adeldom, macht en aanzien zijn hier
samengebracht, maar ook de uitdrukking Armis et Litteris
waarmee Aeneas ooit Julius Caesars optreden had
gekarakteriseerd.3 Deze woorden worden niet
alleen tot kenmerk van zijn familie, maar tevens tot devies
voor zijn eigen optreden als paus.
Pius'
Gedenkschriften bieden evenmin als die van Caesar
'objectieve' geschiedschrijving. Beide auteurs willen een
overtuigend beeld scheppen van hun daden en visie. Bij Pius
staat de verdediging van Europa tegen de Turken centraal.
Als het (ook toen al) uiterst verdeelde Europa ergens iets
gemeen heeft, dan is het de Griekse, Latijnse en
joods-christelijke erfenis. Pius gaat bij de presentatie van
zichzelf soms erg ver. De eerder aangehaalde voorbeelden van
het goddelijk ingrijpen kan zelfs een moderne lezer
misschien nog begrijpen als hij de betekenis van het
christelijk denken in de Middeleeuwen en Renaissance
verdisconteert, maar wat te zeggen van het volgende?
In een
vroege versie van de Commentaren lezen we dat Aeneas
Silvius geboren was op 24 augustus en dat hij uit eerbied
was vernoemd naar Bartholomeus, die op die dag met het
martelaarschap zou zijn bekroond. Eigenhandig verving Pius
enige tijd later de oude versie door: 'Aeneas ontving als
tweede naam die van zijn vader Silvius en bovendien, uit
eerbied voor de apostel die door de barbaarse Indiërs gevild
is, de naam Bartholomeus. [...] Hij zag het levenslicht toen
het daglicht aanbrak op Sint Lucas, de achttiende oktober
van het jaar 1405' (Editus autem est in lucem ipsa luce
Sancti evangelistae Lucae,...).
Een
fascinerende studie van Jan Pieper over Pius' bouwproject te
Pienza4 geeft een overtuigende verklaring voor
deze ingreep, gezocht in het feit dat de stand van de
hemellichamen op 24 augustus 1405 ongunstig en
onheilspellend was, terwijl voor 18 oktober van dat jaar het
tegendeel gold. Pius toont zich gevoelig voor astrologische
voorspellingen, waarmee echter niet bewezen wordt dat hij er
zelf ook in geloofde. De astrologie speelde in het
intellectuele leven aan de hoven en universiteiten van de
Renaissance een verstrekkende rol, die de latere
geschiedschrijving graag heeft willen bedekken met de mantel
der liefde.
Piepers
verklaring is beter dan de traditionele, die ervan uitgaat
dat 18 oktober de juiste datum moet zijn, omdat Pius die
datum zelf had aangebracht. Pieper wijst bovendien op de
betekenis van Pius' keuze voor de 18de oktober: rekent men
negen maanden terug - de periode van zijn moeders
zwangerschap - dan brengt dit ons op
|
pag.5
18 januari, de kerkelijke feestdag van Sint
Petrus' stoel te Rome, de herinnering aan het
begin van Petrus' pausschap. Met dit vernuftige
kalenderspel legt Pius een verband tussen Petrus'
en zijn eigen pausschap.
Een reizende paus.
Pius was een reizende paus. Er zijn niet alleen
vele kleine, aardige uitjes naar Ostia, Tibur,
Subiaco en andere interessante plaatsen,
waarover we in de Gedenkschriften
opmerkelijke dingen kunnen lezen, maar ook
langdurige expedities, zoals die naar Mantua
voor het congres over de Turken. Deze voerde
langs Siena, Florence, Bologna, maar ook langs
zijn geboorteplaats, waar hij hoopte op
'plezierige gesprekken met mensen, met wie hij
was opgegroeid', maar waar het anders uitpakte:
'.. de meeste van zijn leeftijdgenoten waren
overleden en zij die nog leefden, gingen gebukt
onder hun oude dag en ziekten en waren aan huis
gekluisterd. En als zich al mensen lieten zien,
waren hun trekken zo veranderd dat zij
nauwelijks te herkennen waren, verzwakt en
misvormd en als het ware voorboden van de dood.
Overal werd de paus geconfronteerd met de
tekenen van zijn eigen ouderdom; hij kon er zich
niet aan onttrekken in zichzelf een oude man te
zien, die spoedig zou sterven, nu hij van hen
die hij als kinderen had achtergelaten, de zonen
zag die het gewicht der jaren al voelden.' (Commentarii,
2. 20; vertaling Michel Goldsteen)
Het zijn omineuze woorden van Pius die voelde
dat de tijd om zijn programma uit te voeren
beperkt was. Met veel energie had hij zich
daarom ingespannen om de weerstand van andere
kardinalen te overwinnen, die hun mooie leven in
Rome niet graag wilden inruilen voor de
vermoeiende en gevaarlijke reis naar Mantua. Ook
de bevolking van de stad Rome had de paus
gesmeekt te blijven: met het vertrek van de
hofhouding van de paus zou de stad immers zijn
belangrijkste inkomstenbron verliezen. Een
andere reis die Pius lang uit Rome weghield,
leidde naar de bergen van Amiata niet ver van
Pienza. Pius bracht er de zomermaanden van 1462
door met zijn hofhouding.5 Het was
een plaats 'die hij uitermate geschikt had
gevonden om te schuilen voor de hitte van de
zomer, minnaar van bossen als hij was en
verlangend naar verandering van omgeving'. De
volgende beschrijving roept heimwee op naar
mooie zomerdagen, maar laat tevens iets zien van
een benijdenswaardige optreden als bestuurder,
waarvan zijn Gedenkschriften meer voorbeelden
geven: 'De paus had zijn intrek genomen in het
klooster. Zes kardinalen en veel curialen6
woonden in de stad. De referendarissen
kozen een onderkomen in Piano [...] Op
vastgestelde dagen kwamen ze naar de signatura7,
die de paus in het bos hield onder deze of gene
boom en bij een zacht murmelende bron. Iedere
dag koos hij een andere plaats uit en ontdekte
nieuwe bronnen in de dalen en nieuwe
schaduwplekken, zodat het niet gemakkelijk was
een keus te maken. [...] Soms ook hield de paus
met de kardinalen een consistorie8
onder de kastanjes en ontving gezantschappen in
de weiden. Iedere dag liet hij zich, vergezeld
van de curialen, door de bossen dragen en
handelde
|
pag. 7
'Zodra de vastgestelde dag was
aangebroken, werd in alle vroegte in de
kathedraal de mis opgedragen, in
aanwezigheid van de paus en onder zeer
devote aandacht van het kerkvolk. Na de
dienst verzamelde de menigte zich in de
tenten buiten de stad, waar koks dertig
grote ossen, aan de ploeg ontrokken,
hadden gebraden en een groot aantal
kleinere dieren: dat alles werd in één
maaltijd verslonden. De rest van de tijd
tot aan de avond bracht men door met
koop en verkoop van spullen en het
opdissen van leugenverhalen.' (Commentarii,
9. 26; vertaling Michel Goldsteen)
Hierna volgt de kleurrijke beschrijving
van het rennen tussen paarden en ezels,
en de wedkamp van een flink aantal
sterke en lenige jongemannen, die
getekend was door het bedrog van een
kok, Trippe genaamd, afkomstig uit de
keuken van de paus. Maar de jongensrace
was het meest spectaculair.
'Het merendeel van hen die meededen was
nog heel jong; bij het startsignaal
schoten ze naakt naar voren en het was
prachtig om te zien hoe ze erom streden
elkaar te passeren [,.-.] Er was
ongeveer een stadie afgelegd tot aan de
stadspoort en het was nog altijd
onduidelijk wie zou winnen. Toen vloog
een huisslaaf van Alessandro, erg klein
van stuk, die tot de race was
toegelaten, omdat hij geen baard had en
er heel jong uitzag, naar de eerste
positie en, nadat hij vliegensvlug door
de stad was gerend, raakte hij de
eindpaal aan en eiste als overwinnaar
zijn prijs op.
Vlak achter hem volgde een jongen uit
Pienza, met blond haar en een volmaakt
lichaam, ook al was het door modder
bevuild; omdat hij besefte dat hij
slechts met een lengte van drie of vier
passen was geslagen, huilde hij tranen
van woede om zijn pech dat hij niet
harder had gerend. Zijn moeder, een heel
knappe vrouw, stond bij hem en troostte
haar zoon met zachte woorden en wiste
met een doek het zweet van zijn lijf.
De jury stond al op het punt de gans aan
de eerste loper toe te kennen, toen
Alessandro begreep wat er speelde en
riep: "Wat doen jullie toch? Mijn slaaf
is al achttien jaar en heeft zich door
een list laten inschrijven bij de
jongens. Pas op dat zijn bedrog niet
beloond wordt!" Nu begreep de jury hoe
het gegaan was en koos de jongen uit
Pienza als winnaar. Met de levende gans
werd hij op de schouders van zijn
liefhebbende vader naar huis gedragen,
gevolgd door een grote menigte, en
bracht heel zijn woonwijk in een
vrolijke stemming.
De paus keek vanuit een venster op grote
hoogte met veel plezier naar dat alles,
hoewel hij intussen doorging zijn
kardinalen over staatszaken te
raadplegen.' (Commentarii, 9. 26;
vertaling Michel Goldsteen)
De stijl van Pius
De juiste vermenging van het nuttige en
aangename, die uit de laatste alinea
goed blijkt, is Pius zijn leven lang
trouw gebleven. Al verwierp deze paus
openlijk de momenten van lichtzinnigheid
uit zijn jeugd en de geschriften die
daarbij hoorden, als een constante
herkennen we bij hem de attitude van een
goed leraar. Hij was zichzelf daarvan
scherp bewust zoals een passage in een
brief van 27 oktober 1453 aan kardinaal
|
|
|
pag. 6
onderweg persoonlijke en publieke zaken af.
Wanneer de avond viel, ging hij naar een plaats
op korte afstand van het klooster, van waaruit
de Paglia te zien was; daar zette hij zich dan
neer en onderhield zich op aangename wijze met
de broeders. Verrukkelijke tijd!' (Commentarii,
9.1; vertaling Michel Goldsteen)
Aan dit lange zomerse verblijf in het
Amiatagebergte komt een einde met de volgende
passage, waarin Pius een eenvoudige gebeurtenis
op een hoger plan tilt: 'Toen de paus
terugkeerde midden door weiden met grazende
kudden, stond een herder, die nog nooit in zijn
leven een paus had gezien, vol verbazing te
kijken naar de mantels van de kardinalen en de
uitdossing van de hovelingen; korte tijd
aarzelde hij, wie hij als zijn opperherder zou
huldigen, maar tenslotte zag hij de gouden
stoel, die, omgeven door ruiters, op de
schouders van mannen werd gedragen, en besloot
de man die daarin zat, te vereren. Dus molk hij
een koe die naast hem stond, en bood met een gul
gebaar
de kroes waaruit hij zelf gewoon was te eten en
te drinken, vol melk aan de paus aan, want deze
zou, zo dacht hij, vanwege de hitte wel dorst
hebben.
De paus herinnerde zich de man die ooit aan de
Perzische koning Artaxerxes onderweg water had
aangereikt in de kom van zijn handen; hij
glimlachte en toonde geen afschuw voor de zwarte
en vettige beker en, alsof hij wilde drinken,
zette hij de kroes aan zijn lippen en gaf hem
door aan de kardinalen om ervan te proeven, want
hij wilde geen minachting laten blijken voor de
ijver en eerbied van een arme boer, die hem zijn
kostbaarste bezit aanbood. Wat voor hem telde,
was de intentie van de gever, die vast en zeker
rijkere geschenken had gegeven, als hij had
gekund.' (Commentarii, 9. 4; vertaling
Michel Goldsteen)
Spelen in Vergiliaanse trant
De subtiliteit waarmee deze en soortgelijke
passages zijn samengesteld, maakt het moeilijk
om een antwoord te geven op de vraag naar wat er
zich werkelijk heeft afgespeeld. Het is
duidelijk dat Pius met zijn Gedenkschriften
een verdichting heeft willen geven van de
zaken die in zijn visie gewicht verdienen. Hij
laat ons zien wat hij wilde en kon doen ten
aanzien van de Turken. Hij spreekt over de
historische rol die hij voorbestemd was te
spelen, en hij geeft in talloze voorbeelden zijn
opvatting over de humanistische idealen, waarbij
ook - en dat was voor humanisten vanzelfsprekend
- voor het geloof een betekenisvolle plaats is
ingeruimd.
Dat Pius' Gedenkschriften een verdichting
zijn laat ook het volgende en laatste voorbeeld
zien, dat juist liefhebbers van antieke
schrijvers aan moet spreken. Het lezen van
Vergilius moet bij Pius de wens hebben opgewekt
om naar het voorbeeld van de spelen in het
vijfde boek van de Aeneis iets
soortgelijks te ondernemen. Zo beschrijft hij,
tegen Vergilius aanleunend, in detail de
roeiwedstrijden op het Lago di Bolsena en aan
het eind van het negende boek de paardenraces en
hardloopwedstrijden voor mannen en jongens
tijdens de jaarmarkt te Pienza op het feest van
de heilige apostel Mattheus:
|
pag.
8
Zbigniew Olesnicki laat zien. Deze
kardinaal van Krakow had Aeneas' brieven
geprezen, en in het bijzonder met de
term elegantia gewezen op zijn
aandacht voor de finesses van een goede
stijl. Met het antwoord dat Aeneas (toen
nog bisschop van Siena) hem gaf, vatte
hij een overheersende karaktertrek van
zijn persoonlijkheid en ook van zijn
geschriften bondig samen.
'Ik kom nu op de bundel van mijn
brieven, waarvoor Uwe Eminentie
uitvoerig uw waardering uitspreekt en
die u van groot belang acht. Ik heb er
bij lange na niet zo'n hoge dunk van als
u; ik sta ver achter bij de auteurs
waarmee u mij vergelijkt en op één lijn
stelt; ik ervaar hoe dun mijn
dichterlijke ader is, hoe schamel en
eenvoudig mijn woordenschat. Niemand
vertrouw ik daarin meer dan mijzelf.
Maar toch, ik kom ervoor uit: ik ben
naakt, spreek open taal en bedien mij
niet van opsmuk; ik toon mij onverhuld
en mat me niet af wanneer ik schrijf,
want ik raak geen zaken aan die te hoog
gegrepen zijn en waarvan ik geen
verstand heb; ik geef door wat ik
geleerd heb. Iemand die zichzelf blijft,
zorgt ervoor dat anderen hem makkelijk
begrijpen; wie voor zichzelf duister is,
kan anderen geen licht verschaffen.
Ingewikkelde zinsbouw en lange perioden
vermijd ik. Als elegante woorden
voorhanden zijn, laat ik niet na deze in
te lassen; zo niet, ik zoek niet verder,
maar maak gebruik van wat er is.
Begrepen worden is mijn enige doel. Toch
ben ik mij ervan bewust dat mijn
spreektrant simpel en ongekunsteld is en
niet waardig om geleerde oren te
strelen.' (Vertaling Michel Goldsteen)
Noten
* De auteur van dit artikel en de
vertaler bereiden een bloemlezing voor
met vertalingen
uit de brieven en Gedenkschriften
van Piccolomini.
1 Zijn uiterst populaire
De duobus amantibus historia
(1444) is tot nu toe het enige werk dat
in het Nederlands is vertaald: Een
liefde in Siena, vert. Annie
Ruitenberg-de Wit ('s-Gravenhage 1961).
2 Ik noem slechts PIUS
II Commentarii rerum memorabilium que
temporibus suis contigerunt, ed. A.
van Heek, 2 delen (Citta del Vaticano
1984) en Pii secundi pontificis
maximi Commentarii, eds. I. Bellus
en I. Boronkai, 2 delen (Budapest
1993-1994).
3 A. van Heek, Amator
uetusti ritus et obseruator diligens.
Stile e modelli stilistiche di Pio
II, in: L. Rotondi Sacchi Tarugi (ed.),
Pio II e la cultura del suo tempo.
Atti del I Convegno Internazionale 1989
(Milano 1991) 119-32, met name
125-6.
4 Jan Pieper, Pienza:
der Entwurf einer humanistischen
Weltsicht (Stuttgart 1997), met name
82-3, 87.
5 Zie Claudia Martl,
Alltag an der Kurie: Papst Pius II.
(1458-1464) im Spiegel Zeitgenössischer
Berichte, in: Zweder von Martels, Arjo
Vanderjagt, Pius II. 'El piú
expeditivo Pontifice'. Selected Studies
on Aeneas Silvius Piccolomini
(1405-1464) (Leiden 2003) 107-45.
6 Curialen = leden van de
Romeinse curie.
7 Signatura =
sessie voor het tekenen van officiële
stukken.
8 Consistorie = formele
vergadering van het college van
kardinalen en de paus.
|
|
|
|