|
Het hoofd van de
heilige Andreas wordt naar
Rome gebracht en door Pius met het hoogste eerbetoon ontvangen. Korte
geschiedenis van de apostel. (Comm. VIII, 1)
Nadat Andreas, apostel van Jezus Christus en
broer van de heilige Petrus, na het lijden van onze Heer, waarbij hij
aanwezig was, en na Zijn verrijzenis en hemelvaart, waarvan hij getuige was,
samen met de overige leerlingen de Heilige Geest had ontvangen, vertrok hij
uit Azië naar Griekenland en begaf zich naar Achaia, het tegenwoordige Morea,
een provincie van de Peloponnesus, door het lot aan hem toegewezen om het
geloof te verkondigen. En omdat hij gehoor had gegeven aan belofte van de
Heer, dat hij een mensenvisser zou worden, en zijn schip en netten had
achtergelaten om Hem volgen, werd hij niet teleurgesteld. Want hij werd
verkondiger van Gods woord en een uitmuntend leraar van de waarheid; met de
haak van zijn welsprekendheid ving hij ontelbaar veel mensen en won hen voor
Christus. Door hem onderricht, aanvaardde de provincie de heilige geheimen
van onze godsdienst, erkende Christus, Gods Zoon, met de Vader en de Heilige
Geest als één God en omhelsde het geloof in de Heilige Drie-eenheid. De
heilige apostel zelf, afgemat door ouderdom, stierf onder de proconsul
Ægeates in Patras de kruisdood en ontving dezelfde martelaarskroon als zijn
broer Petrus en zijn meester Jezus Christus. Want toen hij tegenover het
kruis stond en het met grote liefde had begroet, sprak hij: “Neem nu de
leerling op van Hem, die aan u gehangen heeft: Jezus Christus.”
Andreas is beroemd om de vele wonderen die
hij tijdens zijn leven en na zijn dood heeft verricht en die in zijn
biografie verhaald worden. Zijn lichaam is door een vrome vrouw Maximilla
met kruiden gebalsemd en begraven. Een hele tijd later is het naar Italië
overgebracht en begraven in Amalfi, dat uit eerbied voor Andreas de titel
van metropolis kreeg en waar hij een graftombe heeft, vermaard om zijn
sublieme uitvoering, die de grote drommen bezoekers trekt. Zijn hoofd echter
bleef in Patras en werd daar met de hoogste eerbied en onder strenge
bewaking tot 1460 bewaard; in dat jaar werd het als volgt naar elders
overgebracht.
Toen de Turken de Peloponnesus binnenvielen,
regeerden daar twee despoten:
Thomasen
Demetrius, broers van de Griekse keizer Constantijn, die kort daarvoor bij
de val van Constantinopel gedood was. Toen Demetrius, de oudste van de twee,
merkte dat de christenen te weinig hulp boden, liep hij over naar de Turken
en ontving elders bezittingen, die hem in staat stelden zijn leven voort te
zetten. Thomas echter, de jongere broer, was op geen enkele wijze bereid om
diegenen te dienen, die zijn broer hadden vermoord, de Grieken van hun rijk
hadden beroofd en alles wat christenen heilig was hadden bezoedeld. Omdat
hij zich niet opgewassen voelde tegen de Turkse macht en geen enkele kans op
hulp zag, besloot hij de Peloponnesus te verlaten, waarvan de Turken al een
groot deel hadden bezet dankzij de overgave van Demetrius. Vóór zijn vertrek
echter ging hij naar Patras, een stad die hij nog in handen had, om het
allerkostbaarst hoofd van de heilige apostel Andreas mee te nemen uit het
heiligdom, waarvan hijzelf de bewaker was. Daarop vertrok hij met vrouw en
kinderen en vergezeld van veel Griekse edelen naar de despoot van Arta, op
het eiland dat de naam van
Santa Maura
draagt, vlak onder de kust van Epirus. Want
hij meende, dat hij zo’n kostbare schat niet aan de vijand mocht
achterlaten, hoewel die hem als een stuk vuil zouden hebben vertrapt. Hij
voorkwam dat Gods heilige aan de honden werd gevoerd en dacht dat zijn reis
voorspoediger zou zijn, wanneer de apostel hem vergezelde. Zo kwam hij
ongedeerd naar de despoot die zijn verwant was en verbleef enige tijd bij
hem, terwijl hij het heilige hoofd even zorgvuldig bewaakte als zijn eigen
vrouw en kinderen.
Intussen hadden
veel christenvorsten zowel in Italië als ten Noorden van de Alpen gehoord,
dat het hoofd van de apostel was overgebracht; zij zonden gezanten naar
Thomas, die veel geld boden in ruil voor het heilig relikwie. Zodra paus
Pius ervan hoorde, voelde hij zich zeer bedroefd bij de gedachte aan de
ballingschap van zo’n heilig hoofd. Maar nu het, eenmaal verdreven, niet
makkelijk weer thuis gebracht kon worden, wist hij geen waardiger
toevluchtsoord te bedenken dan een plaats naast het gebeente van zijn broer,
de heilige Petrus, prins der apostelen, en bij de Apostolische Stoel,
bolwerk van het Geloof, waar allen die uit hun kerken verdreven worden,
veilig hun toevlucht kunnen zoeken. Dus zond ook hij boodschappers naar
Thomas om te verklaren dat hij godvruchtig hij had gehandeld, toen hij uit
een stad, die op het punt stond ten onder te gaan
en die in handen
zou vallen van ongelovige vijanden, het allerkostbaarste hoofd van de
apostel had meegenomen en niet had toegestaan dat het verloren ging. Maar
hij handelde goddeloos en wreed, als hij het aan iemand anders zou
overdragen dan aan de paus van Rome –
aan wie de beslissing was voorbehouden over
de eer die aan heiligen wordt bewezen – en als hij wilde dat het elders was
dan in Rome samen met zijn broer en diens gebeente. Hij moest het naar Rome
brengen. Eens zou het, indien God wilde, gebeuren, dat hij met de hulp van
zijn broer op zijn eigen troon zou worden hersteld. Hij moest ervoor waken
een heilig voorwerp aan wie dan ook toe te vertrouwen zonder opdracht van de
paus, als hij zich niet de verontwaardiging van de apostelen op de hals
wilde halen. Ook armoede mocht hij niet aanvoeren als excuus, want als hij
naar Rome kwam om daar te wonen, zou hij zo’n staat kunnen voeren als bij
een prins paste.
De despoot gaf zich gewonnen en beloofde
naar Ancona te zullen varen en hem het heilig pand te brengen. Hij hield
woord, want in 1461 landde hij ongedeerd in Ancona, nadat hij met de hulp
van de apostel, naar wij mogen aannemen, ontkomen was aan hevige en
angstaanjagende stormen, die dat jaar meer dan gebruikelijk de Adriatische
Zee teisterden en talloze schepen deden vergaan.
Nadat Pius van zijn aankomst gehoord had,
zond hij Alessandro,
kardinaal-presbyter van Santa Susanna (Alessandro Oliva da
Sassoferrato; opm. vertaler) en beroemd om zijn heilige
levenswandel en geleerdheid, als zijn legatus a latere om na de relikwie van
de heilige apostel herkend te hebben deze uit handen van de despoot te
ontvangen. Hij moest haar daarop met het ceremonieel en de eerbied, die aan
een zo heilig voorwerp verschuldigd waren, naar Narni brengen om haar in de
citadel bij de commandant in bewaring te geven, totdat zij met passend
eerbetoon en ceremonieel naar Rome kon worden overgebracht. Want op dat
moment was dit onmogelijk vanwege de in alle hevigheid woedende oorlog, die
de tirannen rond Rome de paus hadden aangedaan.
Alessandro vertrok naar Ancona en nadat hij
het hoofd zorgvuldig had onderzocht en de merktekens herkend, verklaarde hij
dat dit het ware hoofd van de apostel was en vereerde het. Hij nam het
vervolgens over van de despoot, aan wie hij geld verstrekte voor zijn reis
naar de Curie, en bracht het onder begeleiding van vooraanstaande personen
in een plechtige fakkelprocessie naar de citadel van Narni, waar hij het
verzegelde en aan de hoede van de commandant toevertrouwde. Daar werd het
enige tijd eerbiedig bewaard, terwijl er voortdurend lampen voor hem bleven
branden.
Daarna verstreken meerdere maanden. Toen
echter de oorlog voor de paus voorspoedig was verlopen; toen Jacopo
Piccinino, verbitterd vijand van de Kerk, was verdreven van Romeins
grondgebied en Jacopo Savelli de ene stad na de andere had verloren en met
geknakt gemoed de paus, zoals reeds verteld, vergeving was komen vragen;
toen de overigen, verpletterd door angst, zich hadden overgegeven of ver weg
waren gevlucht; toen de vrede op Romeins grondgebied hersteld was en de
volken in de omtrek weer veiligheid en rust kenden; toen niet langer
gekletter van wapens weerklonk, besloot de paus het vereerde hoofd naar Rome
te roepen. En omdat het onthaal des te grootser zou zijn naarmate meer volk
getuige was van zijn aankomst, beloofde de paus volledige vergeving van
zonden voor allen, die naar Rome zouden komen om zijn binnenkomst bij te
wonen of bij de ontvangst aanwezig te zijn. Een decreet hieromtrent liet hij
uitgaan naar de hoofdsteden van Italië, waarin de dag van de aankomst werd
aangekondigd. Toen die aanstaande was, koos hij drie kardinalen uit:
Bessarion, bisschop van Tusculum, een Griek die in beide talen zeer bedreven
was en een man van grote naam; Alessandro, die wij eerder genoemd hebben; en
Francesco, administrator van
de kerk van Siena (Francesco de’ Todeschini, de latere paus Pius
III, zoon van zijn zuster Laodamia en dus volle neef van Pius; opm. vertaler). Zij kregen de opdracht om in Narni het in bewaring
gegeven heilig pand te gaan halen.
Intussen werden in Rome alle voorbereidselen
getroffen, die gepast leken voor een plechtige en luisterrijke ontvangst van
de heilige apostel. De paus wilde niet de indruk wekken dat hij tekort
schoot in eerbetoon jegens zo groot een apostel en hij achtte niets goed
genoeg. Hij dacht eraan om de roemvolle hoofden van de apostelen Petrus en
Paulus, die begraven liggen in de kerk van
Sint Jan van Lateranen,
mee te nemen en gezamenlijk het heilig hoofd van Andreas buiten de stad
tegemoet te gaan. Maar de grote massa zilver, waarin de hoofden gevat zijn,
verhinderde dat plan. Het gewicht ervan, zegt men, bedraagt meer dan 4000
pond en daarbij is er ook nog een grote hoeveelheid ijzer, die slechts met
veel moeite kan worden verwijderd of meegedragen. Dus werd afgezien van het
plan om de hoofden mee te nemen en verordend dat op de dagen, waarop het
hoofd van de heilige Andreas in de ochtenduren door de stad werd
rondgedragen, de hoofden van de apostelen ’s middags in de Sint Jan van
Lateranen publiekelijk zouden worden getoond, bij welke plechtigheid telkens
een zeer grote menigte aanwezig was.
Toen de kardinalen, die naar Narni waren
gezonden, daar waren aangekomen en de merktekens hadden herkend, vereerden
zij het allerheiligst gebeente; zij namen het met ontzag en diepe eerbied op
en droegen het tot aan de Ponte Milvio, op Palmzondag,
12 april 1462. Langs de hele route kwamen
talloze mensen de stoet tegemoet, die God prezen en zich aan de apostel
Andreas aanbevalen. Op twee mijl afstand van Rome legden zij de
eerbiedwaardige relikwie neer in de toren op de brug om haar ‘s nachts te
bewaren en lieten twee aartsbisschoppen,
Perotti van Siponte en Alessio van Benevento, achter
om de wacht te houden.
Nadat de paus die dag in het apostolisch
paleis naar oude gewoonte in de Sint Pieter de plechtigheden van Palmzondag
had voltrokken, besloot hij in de namiddag met het heilig college van
kardinalen en de hele clerus naar de kerk van
Santa Maria del Popolo
te gaan, waar hij de nacht wilde doorbrengen om de volgende dag van daaruit
het heilig hoofd tegemoet te gaan; deze kerk ligt namelijk naast de Porta
Flaminia, aan de weg naar de Ponte Milvio over de Tiber.
De paus was echter
angstig en bezorgd dat het zou gaan regenen: donkere wolken hadden de hemel
bedekt, overal zag men het weerlichten en bliksemen, aan alle kanten klonken
donderslagen en het leek er niet op dat het zou opklaren. Het was al vele
dagen bewolkt en nat geweest, maar toen eerst recht zag de hemel er dreigend
uit en leek een verschrikkelijk noodweer op komst. Winden uit alle
richtingen dreven wolken naar de stad, zodat iedereen geloofde dat de tocht
onder zware slagregens zou verlopen. Maar oh wonder, de grote Andreas
bewaarde zijn eigen weer voor zichzelf en stond niet toe, dat de tocht van
de clerus, die hem kwam eren, door regen zou worden gehinderd. Alle dagen en
nachten van die maand waren doornat geweest, maar heel de tijd dat het
heilig hoofd werd gedragen en de paus het tegemoet trok, viel er onderweg
geen druppel water; en heel dat leger van regenbuien dat zich verzameld had
en de doortocht van de paus leek te gaan verhinderen, hield zich in tot de
nacht, zodat de paus met droge voeten ging. Een nacht vol regen echter nam
de hoop weg, dat de plechtigheden, die men in petto had voor de volgende
dag, gevierd konden worden en men dacht dat ze naar een later tijdstip
moesten worden verschoven. Maar toen het ochtend was geworden hield het op
met regenen en een stralende zon aan de hemel scheen uit te nodigen om op
weg te gaan. Weldra waren de drie kardinalen, die het heilig hoofd op de Ponte Milvio in bewaring hadden gegeven, daarheen vertrokken om het te halen
en in processie brachten zij het naar de stad.
|
1.
Sancti Andreae caput Romam delatum devotissime a Pio
exceptum. Eius apostoli historia brevis et collecta
Andreas
apostolus Iesu Christi, Beati Petri germanus post passionem Domini, cui
interfuit, et resurrectionem atque ascensionem eius in caelum, quam
vidit, accepto cum reliquis discipulis Spiritu Sancto ex Asia
migravit in Graeciam, et in Achaiam se contulit, Peloponnessi
provinciam, quae sibi in sortem praedicationis obvenit; Moream nostra
aetas vocat. Et quoniam promissionem acceperat a Domino, quando
relicta navi et retibus posthabitis ad eum transiverat, quod fieret piscator
hominum, haudquaquam fraudatus est; praedicator enim effectus et
doctor veritatis eximius infinitos homines linguae suae hamo est piscatus,
quos Christo lucrifecit, atque ab eo instructa provincia
religionis nostrae sacra suscepit, cognovitque Christum Dei Filium
cum Patre et Spiritu Sancto unum esse Deum, ac Sanctae Trinitatis
fidem venerata est. Ipse autem sanctus apostolus iam senio confectus sub
Ægea proconsule in civitate Patracensi cruce suspensus interiit,
eoque martyrio coronatus, quo frater suus Petrus, et quo
magister Iesus Christus. Propterea cum accessisset ad crucem, eamque
suavissimis verbis salutasset: ,,Accipe" - inquit - ,,discipulum
eius, qui pependit in te: Iesus Christus!" -
Claruit
autem multis miraculis et in vita et post obitum, quae in eius historia
referuntur. Corpus eius Maximilla, religiosa mulier conditum aromatibus
sepelivit; longoque deinde post tempore in Italiam translatum et in
Amalphitana urbe reconditum fuit, quae ob reverentiam eius metropolis
effecta sepulchrum habet gloriosum et operis magnificentia et concursu
populi. Caput vero apud Patracenses summa reverentia et grandi custodia
servatum usque ad annum salutis sexagesimum supra mille quadringentos; tunc
autem translatio eius hoc modo facta.
Irrumpentibus in Peloponnessum Turchis duo despoti id regni obtinebant:
Thomas ac Demetrius, fratres Constantini Graecorum imperatoris, qui apud
Constantinopolim paulo ante in eius excidio fuerat interfectus. Horum maior,
Demetrius, postquam parum opis afferri a Christianis animadvertit, acceptis
alibi possessionibus, ex quibus ageret vitam, ad Turchos defecit. Thomas
vero natu minor nullo pacto induci potuit, ut his serviret, qui germanum
suum occiderant, atque imperium Graecis ademerant et Christiana sacra
polluerant. Cumque imparem sese Turchorum viribus, neque spem ullam auxilii
cerneret, migrare ex Peloponnesso statuit, cuius iam partem magnam tradente
Demetrio Turchi occupaverant. Prius tamen, quam inde abiret, Patras
perrexit, quae civitas in eius manu erat, et accepto inde Sancti Andreae
apostoli preciosissimo capite ex sacrario, cuius ipse custodiam
gerebat, cum coniuge et liberis multis Graeciae nobilibus
comitantibus ad Artae despotum se contulit in insulam quam vocant
Sanctae Maurae, Epyrho vicinam. Neque enim tantum thesaurum hostibus
relinquendum existimavit, quamvis illi ut rem sordidam conculcassent;
curavit, ne sanctum Domini canibus relinqueretur, et iter suum
prosperius comitante apostolo iudicavit. Profectus est igitur incolumis ad
cognatum despotum, et cum eo aliquandiu commoratus non minori
diligentia sacrum verticem, quam coniugem ac liberos,
custodivit.
Interea
multi principes Christiani - et qui sunt in Italia, et qui
trans Alpes habitant - apostolici capitis audita transvectione
legatos ad Thomam misere multum auri promittentes, si sacras
reliquias impetrarent. Id ubi cognovit Pius pontifex maximus, exilium
tam sacri capitis admodum aegre tulit. At postquam sua sede expulsum non
facile restitui poterat, nusquam dignius sibi refugium censuit,
quam Romae apud ossa germani sui,
BeatiPetri
apostolorum principis et apud Sedem Apostolicam, arcem fidei,
ad quam confugere omnibus tutum est, qui suis ecclesiis eiiciuntur.
Misit igitur et ipse suos nuntios ad Thomam, qui pie factum dicerent,
quod ex urbe ruitura et in manus infidelium hostium ventura
preciosissimum apostoli caput abduxisset, nec sivisset perire;
facturum vero impie atque crudeliter, si alteri quam Romano pontifici
traderet, cuius est de sanctorum honoribus iudicare, aut si
alibi esse vellet, quam Romae cum fratre suo et cognatis ossibus;
adduceret id Romam: futurum aliquando volente Deo, quod in suum
solium ope germani restitueretur; caveret, ne rem sacram iniussu
papae cuipiam crederet, nisi apostolorum indignationem vellet
incurrere, nec inopiam causaretur; venturo enim ad Urbem ibique
mansuro hi sumptus fierent, qui principi convenirent.
Victus his
despotus navigaturum se Anchonam promisit, sacrumque pignus
adducturum; nec mentitus est, siquidem ad annum quadringentesimum
sexagesimum primum supra millesimum post Christi Salvatoris ortum Anchonae
appulit incolumis - ut credibile est: apostoli auxilio ex validis et
horrendis ereptus procellis, quae illo anno Adriaticum pelagus plus
solito vexaverant, et innumerabiles naves absorbuerunt.
At Pius
adventu cognito Alexandrum Sanctae Susannae praesbyterum cardinalem, vitae
sanctimonia et litterarum doctrina celebrem eo legatum de latere misit, qui
recognitis sancti apostoli reliquiis eas ex manu despoti assumeret, atque
cum apparatu et reverentia, quae tam sacrae rei deberetur, Narniam
usque deferret, et ibi collocaret in arce a praefecto servandas,
donec vehi ad Urbem possent his honoribus atque cerimoniis, quae
convenirent; quod tunc fieri non poterat saeviente bello, quod
tyranni circa Romam pontifici intulerant.
Alexander
profectus Anchonam diligenter inspecto capite et signis recognitis ubi verum
apostoli verticem esse iudicavit, veneratus est eum, et
acceptum a despoto, auro ei pro comeatu ad Curiam donato cum egregio
comitatu solemnique pompa et multis luminaribus transtulit in arcem
Narniensem, et obsignatum commendavit praefecto; atque aliquandiu
decenter ardentibus perpetuo coram eo lampadibus servatum est.
Elapsis
deinde pluribus mensibus, cum res bellicae pontifici prospere successissent,
et Iacobus Picininus infestus Ecclesiae hostis ex agro Romano pulsus
abiisset, Iacobusque Sabellus amissis pluribus oppidis fractus animo ad
veniam pontificis - ut diximus - recurrisset, ceterique
perculsi metu aut sese dedissent, aut procul effugissent, et iam pax in agro
Romano restituta esset, et secura per circuitum quiete populi potirentur,
nec audiretur amplius fragor armorum: statuit pontifex honoratum caput
in Urbem advocare. Utque eo magnificentius exciperetur adveniens, quo
maior adesset populus, omnibus, qui in eius introitu Urbem
accederent aut receptioni interessent, remissionem omnium peccatorum
plenariam est pollicitus, ac decretum in eam rem factum ad praecipuas
Italiae urbes transmisit praescripta die adventus. Quae cum prope instaret,
tres cardinales elegit - Bessarionem episcopum Tusculanum,
natione Graecum, utriusque linguae peritissimum virumque magni
nominis, et Alexandrum, cuius ante meminimus, ac
Franciscum administratorem ecclesiae Senensis -, atque hos iussit
Narniam petere, depositumque inde sanctum pignus afferre.
Interea
Romae omnia parabantur, quae ad solemnem ac magnificam receptionem
sancti apostoli digna videbantur; verebaturque pontifex, ne in honore
tanti apostoli diminute agere videretur, nec quicquam satis arbitrabatur;
fuitque illi animus apostolorum Petri et Pauli gloriosissima capita, quae in
aede Beati Iohannis apud Lateranum condita sunt, obviam ducere, atque cum
illis extra Urbem advenienti sacro Andreae vertici occurrere. Quod ne
fieret, argenti moles impedivit, quo ipsa capita sunt inclusa; nam supra
quattuor milia pondo feruntur, estque praeterea multum ferri, quod neque
frangi sine gravi incommodo neque portari poterat. Omissa est igitur ea
capitum delatio, mandatumque, ut quibus diebus ante meridiem Beati
Andreae caput per Urbem eveheretur, post meridiem apostolorum capita
in Laterano publice omnibus ostenderentur; quod non sine maxima populorum
frequentia factum est.
Cardinales
Narniam missi cum eo venissent, recognitis signis sanctissima
venerati sunt ossa, eaque cum tremore et summa reverentia
suscipientes ad pontem Milvium detulerunt ipsa die Palmarum, quae
fuit pridie idus Aprilis anno salutis secundo et sexagesimo supra millesimum
et quadringentesimum, occurrentibus per omnem viam innumerabilibus
populis laudantibus Deum et sese apostolo Andreae commendantibus. Secundoque
ab Urbe miliario in ipsa pontis turri venerandas reliquias per noctem
servandas collocarunt duobus archiepiscopis - Perocto Sipontino et
Alexio Beneventano -, qui excubias agerent, ibi relictis.
Pontifex
autem ea die celebrata in apostolico palatio apud Sanctum Petrum pro veteri
consuetudine Palmarum solemnitate, post meridiem cum Sacro Senatu
cardinalium et omni clero statuit ecclesiam Sanctae Mariae in Populo petere,
ibique noctem agere, ut sequenti die sacro capiti inde
occurreret; haeret enim ea ecclesia portae Flamineae, quae ducit ad
pontem Milvium Tyberi iniectum. Sed angebatur metu pluviae, quae
impendere videbatur: nubes caelum obduxerant, fulgora et
coruscationes ubique visebantur, exaudiebanturque passim tonitrua,
nec spes erat serenitatis; et quamvis multi dies nebulosi humectique
praecessissent, tunc tamen praecipue minari videbatur aether, et horrida
tempestas instare ventis omnibus Urbem versus nubes impellentibus,
ita, ut crederet nemo absque maximo imbre iter fieri posse. Sed -
mirabile dictu! - servavit sibi suum tempus magnus Andreas,
nec iter cleri sese honoratum euntis intervenere pluviam passus est. Nam
etsi dies noctesque mensis eius madidae fuerunt, eo tamen tempore,
quo sacrum caput vehebatur, et quo pontifex illi obviam perrexit,
nunquam aquae gutta cecidit super terram, qua parte eundum fuit;
et omnis illa imbrium congregatio, quae transitum pontificis
occupatura videbatur, usque in noctem se continuit, ita,
ut sicco vestigio iter fieret. Nox vero humida spem ademit posse in
crastinum optata solemnia celebrari, et in aliud tempus transferenda
existimabantur. At mane exorto cessavit pluvia, et sol splendens
super terram invitare ad eundum videbatur. Mox tres cardinales, qui
sacrum caput in ponte Milvio reposuerant, eo profecti id acceperunt,
et Urbem versus cum pompa eduxerunt.
|
|