Het hoofd van de apostel Andreas wordt naar Italië gebracht

 

Het hoofd van de heilige Andreas wordt naar Rome gebracht en door Pius met het  hoogste eerbetoon ontvangen. Korte geschiedenis van de apostel. (Comm. VIII, 1)

Nadat Andreas, apostel van Jezus Christus en broer van de heilige Petrus, na het lijden van onze Heer, waarbij hij aanwezig was, en na Zijn verrijzenis en hemelvaart, waarvan hij getuige was, samen met de overige leerlingen de Heilige Geest had ontvangen, vertrok hij uit Azië naar Griekenland en begaf zich naar Achaia, het tegenwoordige Morea, een provincie van de Peloponnesus, door het lot aan hem toegewezen om het geloof te verkondigen. En omdat hij gehoor had gegeven aan belofte van de Heer, dat hij een mensenvisser zou worden, en zijn schip en netten had achtergelaten om Hem volgen, werd hij niet teleurgesteld. Want hij werd verkondiger van Gods woord en een uitmuntend leraar van de waarheid; met de haak van zijn welsprekendheid ving hij ontelbaar veel mensen en won hen voor Christus. Door hem onderricht, aanvaardde de provincie de heilige geheimen van onze godsdienst, erkende Christus, Gods Zoon, met de Vader en de Heilige Geest als één God en omhelsde het geloof in de Heilige Drie-eenheid. De heilige apostel zelf, afgemat door ouderdom, stierf onder de proconsul Ægeates in Patras de kruisdood en ontving dezelfde martelaarskroon als zijn broer Petrus en zijn meester Jezus Christus. Want toen hij tegenover het kruis stond en het met grote liefde had begroet, sprak hij: “Neem nu de leerling op van Hem, die aan u gehangen heeft: Jezus Christus.”

Andreas is beroemd om de vele wonderen die hij tijdens zijn leven en na zijn dood heeft verricht en die in zijn biografie verhaald worden. Zijn lichaam is door een vrome vrouw Maximilla met kruiden gebalsemd en begraven. Een hele tijd later is het naar Italië overgebracht en begraven in Amalfi, dat uit eerbied voor Andreas de titel van metropolis kreeg en waar hij een graftombe heeft, vermaard om zijn sublieme uitvoering, die de grote drommen bezoekers trekt. Zijn hoofd echter bleef in Patras en werd daar met de hoogste eerbied en onder strenge bewaking tot 1460 bewaard; in dat jaar werd het als volgt naar elders overgebracht.

Toen de Turken de Peloponnesus binnenvielen, regeerden daar twee despoten: Thomas en Demetrius, broers van de Griekse keizer Constantijn, die kort daarvoor bij de val van Constantinopel gedood was. Toen Demetrius, de oudste van de twee, merkte dat de christenen te weinig hulp boden, liep hij over naar de Turken en ontving elders bezittingen, die hem in staat stelden zijn leven voort te zetten. Thomas echter, de jongere broer, was op geen enkele wijze bereid om diegenen te dienen, die zijn broer hadden vermoord, de Grieken van hun rijk hadden beroofd en alles wat christenen heilig was hadden bezoedeld. Omdat hij zich niet opgewassen voelde tegen de Turkse macht en geen enkele kans op hulp zag, besloot hij de Peloponnesus te verlaten, waarvan de Turken al een groot deel hadden bezet dankzij de overgave van Demetrius. Vóór zijn vertrek echter ging hij naar Patras, een stad die hij nog in handen had, om het allerkostbaarst hoofd van de heilige apostel Andreas mee te nemen uit het heiligdom, waarvan hijzelf de bewaker was. Daarop vertrok hij met vrouw en kinderen en vergezeld van veel Griekse edelen naar de despoot van Arta, op het eiland dat de naam van Santa Maura draagt, vlak onder de kust van Epirus. Want hij meende, dat hij zo’n kostbare schat niet aan de vijand mocht achterlaten, hoewel die hem als een stuk vuil zouden hebben vertrapt. Hij voorkwam dat Gods heilige aan de honden werd gevoerd en dacht dat zijn reis voorspoediger zou zijn, wanneer de apostel hem vergezelde. Zo kwam hij ongedeerd naar de despoot die zijn verwant was en verbleef enige tijd bij hem, terwijl hij het heilige hoofd even zorgvuldig bewaakte als zijn eigen vrouw en kinderen.

Intussen hadden veel christenvorsten zowel in Italië als ten Noorden van de Alpen gehoord, dat het hoofd van de apostel was overgebracht; zij zonden gezanten naar Thomas, die veel geld boden in ruil voor het heilig relikwie. Zodra paus Pius ervan hoorde, voelde hij zich zeer bedroefd bij de gedachte aan de ballingschap van zo’n heilig hoofd. Maar nu het, eenmaal verdreven, niet makkelijk weer thuis gebracht kon worden, wist hij geen waardiger toevluchtsoord te bedenken dan een plaats naast het gebeente van zijn broer, de heilige Petrus, prins der apostelen, en bij de Apostolische Stoel, bolwerk van het Geloof, waar allen die uit hun kerken verdreven worden, veilig hun toevlucht kunnen zoeken. Dus zond ook hij boodschappers naar Thomas om te verklaren dat hij godvruchtig hij had gehandeld, toen hij uit een stad, die op het punt stond ten onder te gaan en die in handen zou vallen van ongelovige vijanden, het allerkostbaarste hoofd van de apostel had meegenomen en niet had toegestaan dat het verloren ging. Maar hij handelde goddeloos en wreed, als hij het aan iemand anders zou overdragen dan aan de paus van Rome – aan  wie de beslissing was voorbehouden over de eer die aan heiligen wordt bewezen – en als hij wilde dat het elders was dan in Rome samen met zijn broer en diens gebeente. Hij moest het naar Rome brengen. Eens zou het, indien God wilde, gebeuren, dat hij met de hulp van zijn broer op zijn eigen troon zou worden hersteld. Hij moest ervoor waken een heilig voorwerp aan wie dan ook toe te vertrouwen zonder opdracht van de paus, als hij zich niet de verontwaardiging van de apostelen op de hals wilde halen. Ook armoede mocht hij niet aanvoeren als excuus, want als hij naar Rome kwam om daar te wonen, zou hij zo’n staat kunnen voeren als bij een prins paste.

De despoot gaf zich gewonnen en beloofde naar Ancona te zullen varen en hem het heilig pand te brengen. Hij hield woord, want in 1461 landde hij ongedeerd in Ancona, nadat hij met de hulp van de apostel, naar wij mogen aannemen, ontkomen was aan hevige en angstaanjagende stormen, die dat jaar meer dan gebruikelijk de Adriatische Zee teisterden en talloze schepen deden vergaan.

Nadat Pius van zijn aankomst gehoord had, zond hij Alessandro, kardinaal-presbyter van Santa Susanna (Alessandro Oliva da Sassoferrato; opm. vertaler) en beroemd om zijn heilige levenswandel en geleerdheid, als zijn legatus a latere om na de relikwie van de heilige apostel herkend te hebben deze uit handen van de despoot te ontvangen. Hij moest haar daarop met het ceremonieel en de eerbied, die aan een zo heilig voorwerp verschuldigd waren, naar Narni brengen om haar in de citadel bij de commandant in bewaring te geven, totdat zij met passend eerbetoon en ceremonieel naar Rome kon worden overgebracht. Want op dat moment was dit onmogelijk vanwege de in alle hevigheid woedende oorlog, die de tirannen rond Rome de paus hadden aangedaan.

 Alessandro vertrok naar Ancona en nadat hij het hoofd zorgvuldig had onderzocht en de merktekens herkend, verklaarde hij dat dit het ware hoofd van de apostel was en vereerde het. Hij nam het vervolgens over van de despoot, aan wie hij geld verstrekte voor zijn reis naar de Curie, en bracht het onder begeleiding van vooraanstaande personen in een plechtige fakkelprocessie naar de citadel van Narni, waar hij het verzegelde en aan de hoede van de commandant toevertrouwde. Daar werd het enige tijd eerbiedig bewaard, terwijl er voortdurend lampen voor hem bleven branden.

Daarna verstreken meerdere maanden. Toen echter de oorlog voor de paus voorspoedig was verlopen; toen Jacopo Piccinino, verbitterd vijand van de Kerk, was verdreven van Romeins grondgebied en Jacopo Savelli de ene stad na de andere had verloren en met geknakt gemoed de paus,  zoals reeds verteld, vergeving was komen vragen; toen de overigen, verpletterd door angst, zich hadden overgegeven of ver weg waren gevlucht; toen de vrede op Romeins grondgebied hersteld was en de volken in de omtrek weer veiligheid en rust kenden; toen niet langer gekletter van wapens weerklonk, besloot de paus het vereerde hoofd naar Rome te roepen. En omdat het onthaal des te grootser zou zijn naarmate meer volk getuige was van zijn aankomst, beloofde de paus volledige vergeving van zonden voor allen, die naar Rome zouden komen om zijn binnenkomst bij te wonen of bij de ontvangst aanwezig te zijn. Een decreet hieromtrent liet hij uitgaan naar de hoofdsteden van Italië, waarin de dag van de aankomst werd aangekondigd. Toen die aanstaande was, koos hij drie kardinalen uit: Bessarion, bisschop van Tusculum, een Griek die in beide talen zeer bedreven was en een man van grote naam; Alessandro, die wij eerder genoemd hebben; en Francesco, administrator van de kerk van Siena (Francesco de’ Todeschini, de latere paus Pius III, zoon van zijn zuster Laodamia en dus volle neef van Pius; opm. vertaler). Zij kregen de opdracht om in Narni het in bewaring gegeven heilig pand te gaan halen.

Intussen werden in Rome alle voorbereidselen getroffen, die gepast leken voor een plechtige en luisterrijke ontvangst van de heilige apostel. De paus wilde niet de indruk wekken dat hij tekort schoot in eerbetoon jegens zo groot een apostel en hij achtte niets goed genoeg. Hij dacht eraan om de roemvolle hoofden van de apostelen Petrus en Paulus, die begraven liggen in de kerk van Sint Jan van Lateranen, mee te nemen en gezamenlijk het heilig hoofd van Andreas buiten de stad tegemoet te gaan. Maar de grote massa zilver, waarin de hoofden gevat zijn, verhinderde dat plan. Het gewicht ervan, zegt men, bedraagt meer dan 4000 pond en daarbij is er ook nog een grote hoeveelheid ijzer, die slechts met veel moeite kan worden verwijderd of meegedragen. Dus werd afgezien van het plan om de hoofden mee te nemen en verordend dat op de dagen, waarop het hoofd van de heilige Andreas in de ochtenduren door de stad werd rondgedragen, de hoofden van de apostelen ’s middags in de Sint Jan van Lateranen publiekelijk zouden worden getoond, bij welke plechtigheid telkens een zeer grote menigte aanwezig was. 

Toen de kardinalen, die naar Narni waren gezonden, daar waren aangekomen en de merktekens hadden herkend, vereerden zij het allerheiligst gebeente; zij namen het met ontzag en diepe eerbied op en droegen het tot aan de Ponte Milvio, op Palmzondag, 12 april 1462. Langs de hele route kwamen talloze mensen de stoet tegemoet, die God prezen en zich aan de apostel Andreas aanbevalen. Op twee mijl afstand van Rome legden zij de eerbiedwaardige relikwie neer in de toren op de brug om haar ‘s nachts te bewaren en lieten twee aartsbisschoppen, Perotti van Siponte en Alessio van Benevento, achter om de wacht te houden. 

Nadat de paus die dag in het apostolisch paleis naar oude gewoonte in de Sint Pieter de plechtigheden van Palmzondag had voltrokken, besloot hij in de namiddag met het heilig college van kardinalen en de hele clerus naar de kerk van Santa Maria del Popolo te gaan, waar hij de nacht wilde doorbrengen om de volgende dag van daaruit het heilig hoofd tegemoet te gaan; deze kerk ligt namelijk naast de Porta Flaminia, aan de weg naar de Ponte Milvio over de Tiber. tempietto van de apostel Andreas bij de Ponte MilvioDe paus was echter angstig en bezorgd dat het zou gaan regenen: donkere wolken hadden de hemel bedekt, overal zag men het weerlichten en bliksemen, aan alle kanten klonken donderslagen en het leek er niet op dat het zou opklaren. Het was al vele dagen bewolkt en nat geweest, maar toen eerst recht zag de hemel er dreigend uit en leek een verschrikkelijk noodweer op komst. Winden uit alle richtingen dreven wolken naar de stad, zodat iedereen geloofde dat de tocht onder zware slagregens zou verlopen. Maar oh wonder, de grote Andreas bewaarde zijn eigen weer voor zichzelf en stond niet toe, dat de tocht van de clerus, die hem kwam eren, door regen zou worden gehinderd. Alle dagen en nachten van die maand waren doornat geweest, maar heel de tijd dat het heilig hoofd werd gedragen en de paus het tegemoet trok, viel er onderweg geen druppel water; en heel dat leger van regenbuien dat zich verzameld had en de doortocht van de paus leek te gaan verhinderen, hield zich in tot de nacht, zodat de paus met droge voeten ging. Een nacht vol regen echter nam de hoop weg, dat de plechtigheden, die men in petto had voor de volgende dag, gevierd konden worden en men dacht dat ze naar een later tijdstip moesten worden verschoven. Maar toen het ochtend was geworden hield het op met regenen en een stralende zon aan de hemel scheen uit te nodigen om op weg te gaan. Weldra waren de drie kardinalen, die het heilig hoofd op de Ponte Milvio in bewaring hadden gegeven, daarheen vertrokken om het te halen en in processie brachten zij het naar de stad.

 

1. Sancti Andreae caput Romam delatum devotissime a Pio exceptum. Eius apostoli historia brevis et collecta

Andreas apostolus Iesu Christi, Beati Petri germanus post passionem Do­mini, cui interfuit, et resurrectionem atque ascensionem eius in caelum, quam vidit, accepto cum reliquis discipulis Spiritu Sancto ex Asia migravit in Grae­ciam, et in Achaiam se contulit, Peloponnessi provinciam, quae sibi in sortem praedicationis obvenit; Moream nostra aetas vocat. Et quoniam promissionem acceperat a Domino, quando relicta navi et retibus posthabitis ad eum transiverat, quod fieret piscator hominum, haudquaquam fraudatus est; praedicator enim effectus et doctor veritatis eximius infinitos homines linguae suae hamo est piscatus, quos Christo lucrifecit, atque ab eo instructa provincia religionis nostrae sacra suscepit, cognovitque Christum Dei Filium cum Patre et Spiritu Sancto unum esse Deum, ac Sanctae Trinitatis fidem venerata est. Ipse autem sanctus apostolus iam senio confectus sub Ægea proconsule in civitate Patracensi cruce suspensus interiit, eoque martyrio coronatus, quo frater suus Petrus, et quo magister Iesus Christus. Propterea cum accessisset ad crucem, eamque suavissimis verbis salutasset: ,,Accipe" - inquit - ,,discipulum eius, qui pependit in te: Iesus Christus!" -

Claruit autem multis miraculis et in vita et post obitum, quae in eius historia referuntur. Corpus eius Maximilla, religiosa mulier conditum aromatibus sepelivit; longoque deinde post tempore in Italiam translatum et in Amalphitana urbe reconditum fuit, quae ob reverentiam eius metropolis effecta sepulchrum habet gloriosum et operis magnificentia et concursu populi. Caput vero apud Patracenses summa reverentia et grandi custodia servatum usque ad annum salutis sexagesimum supra mille quadringentos; tunc autem translatio eius hoc modo facta.

Irrumpentibus in Peloponnessum Turchis duo despoti id regni obtinebant: Thomas ac Demetrius, fratres Constantini Graecorum imperatoris, qui apud Constantinopolim paulo ante in eius excidio fuerat interfectus. Horum maior, Demetrius, postquam parum opis afferri a Christianis animadvertit, acceptis alibi possessionibus, ex quibus ageret vitam, ad Turchos defecit. Thomas vero natu minor nullo pacto induci potuit, ut his serviret, qui germanum suum occiderant, atque imperium Graecis ademerant et Christiana sacra polluerant. Cumque imparem sese Turchorum viribus, neque spem ullam auxilii cerneret, migrare ex Peloponnesso statuit, cuius iam partem magnam tradente Demetrio Turchi occupaverant. Prius tamen, quam inde abiret, Patras perrexit, quae civitas in eius manu erat, et accepto inde Sancti Andreae apostoli preciosissimo capite ex sacrario, cuius ipse custodiam gerebat, cum coniuge et liberis multis Graeciae nobilibus comitantibus ad Artae despotum se contulit in insulam quam vocant Sanctae Maurae, Epyrho vicinam. Neque enim tantum thesaurum hostibus relinquendum existimavit, quamvis illi ut rem sordidam conculcassent; curavit, ne sanctum Domini canibus relinqueretur, et iter suum prosperius comitante apostolo iudicavit. Profectus est igitur incolumis ad cognatum despotum, et cum eo aliquandiu commoratus non minori diligentia sacrum verticem, quam coniugem ac liberos, custodivit.

Interea multi principes Christiani - et qui sunt in Italia, et qui trans Alpes habitant - apostolici capitis audita transvectione legatos ad Thomam misere multum auri promittentes, si sacras reliquias impetrarent. Id ubi cognovit Pius pontifex maximus, exilium tam sacri capitis admodum aegre tulit. At post­quam sua sede expulsum non facile restitui poterat, nusquam dignius sibi refugium censuit, quam Romae apud ossa germani sui, Beati Petri apostolo­rum principis et apud Sedem Apostolicam, arcem fidei, ad quam confugere omnibus tutum est, qui suis ecclesiis eiiciuntur. Misit igitur et ipse suos nun­tios ad Thomam, qui pie factum dicerent, quod ex urbe ruitura et in manus infidelium hostium ventura preciosissimum apostoli caput abduxisset, nec sivisset perire; facturum vero impie atque crudeliter, si alteri quam Romano pontifici traderet, cuius est de sanctorum honoribus iudicare, aut si alibi esse vellet, quam Romae cum fratre suo et cognatis ossibus; adduceret id Romam: futurum aliquando volente Deo, quod in suum solium ope germani restitueretur; caveret, ne rem sacram iniussu papae cuipiam crederet, nisi apostolorum indignationem vellet incurrere, nec inopiam causaretur; venturo enim ad Urbem ibique mansuro hi sumptus fierent, qui principi convenirent.

Victus his despotus navigaturum se Anchonam promisit, sacrumque pignus adducturum; nec mentitus est, siquidem ad annum quadringentesimum sexagesimum primum supra millesimum post Christi Salvatoris ortum Anchonae appulit incolumis - ut credibile est: apostoli auxilio ex validis et horrendis ereptus procellis, quae illo anno Adriaticum pelagus plus solito vexaverant, et innumerabiles naves absorbuerunt.

At Pius adventu cognito Alexandrum Sanctae Susannae praesbyterum cardinalem, vitae sanctimonia et litterarum doctrina celebrem eo legatum de latere misit, qui recognitis sancti apostoli reliquiis eas ex manu despoti assumeret, atque cum apparatu et reverentia, quae tam sacrae rei deberetur, Narniam usque deferret, et ibi collocaret in arce a praefecto servandas, donec vehi ad Urbem possent his honoribus atque cerimoniis, quae convenirent; quod tunc fieri non poterat saeviente bello, quod tyranni circa Romam pontifici intulerant.

Alexander profectus Anchonam diligenter inspecto capite et signis recognitis ubi verum apostoli verticem esse iudicavit, veneratus est eum, et acceptum a despoto, auro ei pro comeatu ad Curiam donato cum egregio comitatu solemnique pompa et multis luminaribus transtulit in arcem Narniensem, et obsignatum commendavit praefecto; atque aliquandiu decenter ardentibus per­petuo coram eo lampadibus servatum est.

Elapsis deinde pluribus mensibus, cum res bellicae pontifici prospere successissent, et Iacobus Picininus infestus Ecclesiae hostis ex agro Romano pulsus abiisset, Iacobusque Sabellus amissis pluribus oppidis fractus animo ad veniam pontificis - ut diximus - recurrisset, ceterique perculsi metu aut sese dedissent, aut procul effugissent, et iam pax in agro Romano restituta esset, et secura per circuitum quiete populi potirentur, nec audiretur amplius fragor armorum: statuit pontifex honoratum caput in Urbem advocare. Utque eo magnificentius exciperetur adveniens, quo maior adesset populus, omnibus, qui in eius introitu Urbem accederent aut receptioni interessent, remissionem omnium peccatorum plenariam est pollicitus, ac decretum in eam rem factum ad praecipuas Italiae urbes transmisit praescripta die adventus. Quae cum prope instaret, tres cardinales elegit - Bessarionem episcopum Tusculanum, natione Graecum, utriusque linguae peritissimum virumque magni nominis, et Alexandrum, cuius ante meminimus, ac Franciscum administratorem ecclesiae Senensis -, atque hos iussit Narniam petere, depositumque inde sanctum pignus afferre.

 

Interea Romae omnia parabantur, quae ad solemnem ac magnificam receptionem sancti apostoli digna videbantur; verebaturque pontifex, ne in honore tanti apostoli diminute agere videretur, nec quicquam satis arbitrabatur; fuitque illi animus apostolorum Petri et Pauli gloriosissima capita, quae in aede Beati Iohannis apud Lateranum condita sunt, obviam ducere, atque cum illis extra Urbem advenienti sacro Andreae vertici occurrere. Quod ne fieret, argenti moles impedivit, quo ipsa capita sunt inclusa; nam supra quattuor milia pondo feruntur, estque praeterea multum ferri, quod neque frangi sine gravi incommodo neque portari poterat. Omissa est igitur ea capitum delatio, mandatumque, ut quibus diebus ante meridiem Beati Andreae caput per Urbem eveheretur, post meridiem apostolorum capita in Laterano publice omnibus ostenderentur; quod non sine maxima populorum frequentia factum est.

Cardinales Narniam missi cum eo venissent, recognitis signis sanctissima venerati sunt ossa, eaque cum tremore et summa reverentia suscipientes ad pontem Milvium detulerunt ipsa die Palmarum, quae fuit pridie idus Aprilis anno salutis secundo et sexagesimo supra millesimum et quadringentesimum, occurrentibus per omnem viam innumerabilibus populis laudantibus Deum et sese apostolo Andreae commendantibus. Secundoque ab Urbe miliario in ipsa pontis turri venerandas reliquias per noctem servandas collocarunt duobus archiepiscopis - Perocto Sipontino et Alexio Beneventano -, qui excubias agerent, ibi relictis.

Pontifex autem ea die celebrata in apostolico palatio apud Sanctum Petrum pro veteri consuetudine Palmarum solemnitate, post meridiem cum Sacro Senatu cardinalium et omni clero statuit ecclesiam Sanctae Mariae in Populo petere, ibique noctem agere, ut sequenti die sacro capiti inde occurreret; haeret enim ea ecclesia portae Flamineae, quae ducit ad pontem Milvium Tyberi in­iectum. Sed angebatur metu pluviae, quae impendere videbatur: nubes caelum obduxerant, fulgora et coruscationes ubique visebantur, exaudiebanturque passim tonitrua, nec spes erat serenitatis; et quamvis multi dies nebulosi humectique praecessissent, tunc tamen praecipue minari videbatur aether, et horrida tempestas instare ventis omnibus Urbem versus nubes impellentibus, ita, ut crederet nemo absque maximo imbre iter fieri posse. Sed - mirabile dictu! - servavit sibi suum tempus magnus Andreas, nec iter cleri sese honoratum euntis intervenere pluviam passus est. Nam etsi dies noctesque mensis eius madidae fuerunt, eo tamen tempore, quo sacrum caput vehebatur, et quo pon­tifex illi obviam perrexit, nunquam aquae gutta cecidit super terram, qua parte eundum fuit; et omnis illa imbrium congregatio, quae transitum pontificis occupatura videbatur, usque in noctem se continuit, ita, ut sicco vestigio iter fieret. Nox vero humida spem ademit posse in crastinum optata solemnia celebrari, et in aliud tempus transferenda existimabantur. At mane exorto cessavit pluvia, et sol splendens super terram invitare ad eundum videbatur. Mox tres cardinales, qui sacrum caput in ponte Milvio reposuerant, eo profecti id acceperunt, et Urbem versus cum pompa eduxerunt.

 

 

 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen