Een droevig maar leerzaam hondenlot
 

Catellae fati narratio non contemnenda

Leviusculam rem subiiciemus, at non prorsus inutilem, quippe quae parva referens magnis consulere potest.

Catella fuit Pio pontifici virguncula, nondum menses nata undecim. Mussettam vocavere, quamvis candidam, haud equidem valde pulchram, verum scitulam et blandam, et quae se optime nosset insinuare gratamque reddere. Haec in horto sedente pontifice ac legationes audiente dum quaerit escam huc atque illuc ducente olfatu, cisternulae labrum conscendit, indeque prolapsa in aquam cecidit. Nemo cadentem vidit. Summergebatur fessa natando, latratu quaerebat opem; nec quisquam erat auxilio, allatrare cattis pro suo more credebatur. Audiit pontifex crebras voces, ratusque - quod erat - sinistri aliquid accessisse catellae, iussit accurrere famulos ac videre, quid esset. Inventa est in extremo labore, cum se amplius sustinere non posset, ereptaque de periculo ad pontificem delata est, apud quem diu lamentationem congeminavit, tanquam suum vellet enarrare periculum, sibique praesulem misereri.

Postridie in eodem horto cenante pontifice catellam cercopitecus aggressus ingens, tum casu solutus, morsu prehendit. Astantes vix eius ab ore subripuere famuli. Territa ac propemodum exanimata iterum suas querelas Pio praesuli diu gemens commemorare visa est.

Inditia haec pontifici videbantur catellam diu non posse vivere, quae paucos intra dies bis aegre mortis periculum evasisset; neque deceptus est. Bis quinque secuti sunt dies. Ascendit catella - ut erat saepe solita - fenestram cubiculi, quae in vineam respicit et altissima est. Exoritur violentus subito atque horribilis turbo; ventus raptam deorsum praecipitat, allisamque saxo exanimat. Quod cum pontifex accepisset: ,,Decretum erat" - inquit - ,,violenta morte gerire caniculam. Hoc ipsum praedixere bis evitata pericula; non licuit evadere tertio. Habemus in animalibus, quae doceant homines, exempla. Si quis bis salvus discrimen evasit, tertium caveat: post duas monitiones peremptoriam esse tertiam sciat. Corrigat vitam, prius­quam tertio citetur! Impavidus expectat mortem, cuius non habet conscientia, quod remordeat."

 

 

Leerzaam verhaal van een droevig hondenlot.

 Hier willen we een voorval inlassen, dat op zich van gering belang is, maar niet geheel zonder nut: hoewel het immers over alledaagse dingen gaat, kan het toch een vingerwijzing zijn voor grote zaken. Pius had een hondje, een teefje van nog geen negen maanden oud, dat luisterde naar de naam Musetta.[1] Het had een witte vacht, maar verder was het niet een erg mooi hondje, wel grappig en lief en het wist uitstekend iemands vriendschap te winnen en zich geliefd te maken. Terwijl de paus in zijn tuin zat en ambassadeurs aanhoorde, snuffelde Musetta rond, op zoek naar iets eetbaars, klom daarbij op de rand van een kleine cisterne en viel in het water. Niemand had haar zien vallen. Vermoeid van het rondzwemmen, dreigde ze te verdrinken en probeerde met geblaf de aandacht te trekken. Maar niemand schoot te hulp, men dacht dat Musetta, zoals zo vaak, tegen katten blafte. De paus hoorde haar herhaalde kreten en denkend dat zijn hondje iets ergs was overkomen – en zo was het –, beval hij zijn dienaren vlug te gaan kijken, wat er aan de hand was. Men vond het hondje aan het eind van haar krachten, niet langer in staat haar kopje boven water te houden; op het nippertje gered werd Musetta naar de paus gebracht, bij wie ze nog een hele tijd bleef jammeren, alsof ze hem van haar hachelijk avontuur wilde vertellen en zijn medelijden wilde wekken.

De volgende dag zat de paus in dezelfde tuin te dineren, toen een grote meerkat,[2] die op een of andere manier was losgeraakt, het hondje aanviel en met zijn tanden vasthield. De dienaren, die erbij stonden, konden het arme dier nauwelijks uit de kaken van de aap losrukken. Bijna dood van schrik leek Musetta opnieuw met lang geklaag haar lijdensverhaal aan paus Pius te vertellen. De paus zag dit als voorteken, dat het hondje niet lang meer te leven had, want het was binnen een paar dagen twee maal ternauwernood aan de dood ontsnapt. En hij kreeg gelijk. Tien dagen verstreken. Musetta sprong, iets wat zij vaak deed, op de rand van een hoog gelegen venster van een kamer, die uitkeek op de wijngaard. Plotseling stak er een hevige en angstaanjagende wervelwind op, die het hondje vastgreep, naar beneden wierp en met dodelijk gevolg op de stenen deed belanden. Toen men het de paus kwam vertellen, zei hij: “Het was voorbeschikt, dat dit hondje een gewelddadige dood zou sterven; het feit dat zij twee maal aan het gevaar is ontsnapt, heeft dat voorspeld: een derde maal ontkomen mocht niet. Bij dieren zien wij voorbeelden, waar wij als mensen van kunnen leren. Als iemand twee maal aan een hachelijk gevaar ontsnapt en blijft leven, laat hij dan op zijn hoede zijn. Laat hij weten, dat na twee waarschuwingen de derde met de dood bekocht wordt. Laat hij zijn leven beteren, voordat hij voor de derde maal wordt geroepen. Hij, die niet gekweld wordt door zijn geweten, kan zonder vrees de dood onder ogen zien.”       

 

 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen