|
De paus riep de
volgende dag een geheim consistorie bijeen en sprak de kardinalen als volgt toe:
"Broeders, het is vijf jaar geleden, dat wij de stoel van de heilige Petrus hebben
bestegen. Wie van u heeft intussen niet vaak en met klem gesmeekt en bij ons aangedrongen
op de verdediging van het geloof? Wie heeft niet gezegd dat wij ten strijde moeten trekken
tegen de Turken en alle geldmiddelen van de Kerk moeten aanspreken? Op uw voorstel en
advies zijn wij naar Mantua gegaan om de vorsten van de christelijke wereld op te roepen
tot een gezamenlijke oorlog. Wat wij graag wilden is niet gebeurd, de christenen hebben
niet geluisterd naar de stem van hun herder. Bij terugkeer in onze stad troffen wij een
totale ontreddering aan.
[Hier volgt een uitvoerige beschrijving van de interne en
externe problemen waarmee Piccolomini bij zijn terugkeer te maken kreeg. Zijn doel is het
om aan te tonen dat het onmogelijk was om een oorlog tegen de Turken te beginnen.]
Wij zagen dat u allen, op een enkele uitzondering na, in die
tijd angstig en bevreesd waart en niemand van u keurde onze besluiten goed. U dacht al aan
de ondergang van de Kerk en kon het niet laten om harde woorden over ons te spreken, omdat
wij in uw ogen de Turkse kwestie ter zijde hadden geschoven om een oorlog tegen Frankrijk
te beginnen en de zaak van Ferdinand verdedigden in plaats van die van Christus
..
Wat hadden wij anders kunnen doen? In beslag genomen door een
oorlog op eigen bodem konden wij niet vechten in het buitenland
..
[
'Waartoe,' vraagt u, 'dient zo'n lange uiteenzetting?' Welnu,
opdat u de weldaden van de almachtige God begrijpt, die hij overvloedig heeft uitgestort
over de Kerk van Rome, over u en ons, opdat u samen met ons aan een tegenprestatie denkt
en dankbaarheid tegenover onze weldoener. Er is een einde gekomen aan twee zeer ernstige
oorlogen, die van Napels en die van de Marche en hoewel er nog enkele verzetshaarden in
ons rijk zijn, is het voldoende dat deze geen obstakel kunnen vormen voor onze plannen.
Ferdinand is in staat om op eigen kracht deze zwakke hindernissen uit de weg te ruimen.
Wij hebben eindelijk de handen vrij om de strijd aan te binden met de Turken. Wij kunnen
noch willen langer uitstellen. Nu mogen wij ons verlangen bevredigen, nu is het onze
heilige plicht voor het geloof te strijden, zoals we altijd gewenst hebben. God die onze
plannen kent, heeft eindelijk de weg ervoor vrij gemaakt. U heeft ons bij herhaling
gevraagd dit plan uit te voeren, nu zullen wij het u vragen. Pas op dat wij u niet kunnen
verwijten, wat u in ons gelaakt hebt. Nu zal uw geloof, uw godsdienstijver, uw toewijding
aan het licht treden. Als uw liefde tot God oprecht is, niet gehuicheld, zult u ons
volgen. Wij zullen u een voorbeeld geven, opdat wat u ons ziet doen, ook u zult doen. Wij
echter zullen onze heer en meester navolgen, Jezus Christus, trouwe en heilige herder, die
niet geaarzeld heeft zijn leven te geven voor zijn schapen. Ook wij zullen ons leven geven
voor onze kudde: op geen andere wijze kunnen wij voorkomen dat het christelijk geloof zal
worden vertrapt door de Turkse strijdmacht. Wij zullen een vloot uitrusten, waarvan de
omvang zal afhangen van de middelen die de Kerk heeft. Wij zullen aan boord gaan, oud als
wij zijn en door ziekten gekweld. Wij zullen in zee steken en naar Griekenland en Azië
varen. Men zal zeggen: 'Wat kan iemand als u in de oorlog doen, een oud man, een priester,
door talloze ziekten bezocht, en u wilt de strijd ingaan? Wat zal in het gevecht een groep
mannen in toga uitrichten? Waar zal in het kamp die heilige orde van kardinalen goed voor
zijn? Zij houden nauwelijks het tromgeroffel en trompetgeschal uit, laat staan het
vijandelijk bombardement. Zij hebben hun jeugd doorgebracht in weelde en comfort en u wilt
hun oude dag afmatten met wapens? U gaat onbezonnen te werk. Het is beter dat u thuis
blijft met de kardinalen en geheel uw curie. U kunt een vloot op de been brengen met het
geld dat voorhanden is, bemand met sterke soldaten die aan ontberingen gewend zijn en die
op de vijand afzenden, of u kunt de Hongaren van goud voorzien om een zo sterk mogelijke
troepenmacht tegen de Turken op te stellen.' Mooi gezegd en een nuttig advies, als dat
goud er zou zijn. Maar vanwaar zullen wij het bijeenschrapen? Onze schatkist is door de
langdurige oorlog uitgeput en de inkomsten van de Kerk zijn niet van die aard dat ze
toereikend zijn voor zo'n grote onderneming, hoewel God zij dank een ader is gevonden van
aluin die ons meer en meer bindt aan de liefde Gods en aanspoort tot het vervullen van
onze godsdienstige plicht
..
[Korte uiteenzetting over de veel te geringe financiële
middelelen die de paus ter beschikking staan voor een oorlog tegen de Turken die zeker
drie jaren zal duren]
Wij horen u mompelen: 'Als u de oorlog zo moeilijk acht, met
welke hoop gaat u dan verder zonder dat u voldoende strijdkrachten op de been gebracht
heeft?' Dat is nu juist het punt: de oorlog met de Turken is onvermijdelijk en staat voor
de deur. Als wij ons niet gereedmaken voor de strijd en de confrontatie met de vijand
aangaan, is het naar onze mening gedaan met onze godsdienst. Het zal ons onder de Turken
zo vergaan als het joodse volk onder de christenen, waarvan wij zien dat het veracht
wordt. Wij begeven ons in de oorlog of wij tellen niet meer mee. Maar oorlogvoering zonder
geld is onmogelijk. Hier doet zich de vraag voor: waar halen wij het geld vandaan? 'Van de
gemeenschap der gelovigen', zult u antwoorden. Wij dringen verder aan: Hoe? Op welke
wijze? Alle wegen zijn beproefd, geen enkele heeft aan onze verwachting voldaan. We hebben
een vergadering bijeengeroepen in Mantua: wat heeft dat opgeleverd? We hebben legaten naar
de provincies gestuurd: zij zijn met verachting en hoon bejegend. We hebben de clerus
tienden opgelegd: men heeft zich met een gevaarlijk precedent beroepen op een toekomstig
concilie. Wij hebben bevolen aflaten af te kondigen: men heeft dit een lokmiddel genoemd
om geld af te persen en een uitvinding van de hebzucht der curie. Van alles wat wij
ondernemen, geeft het volk een verkeerde uitleg. Onze situatie is die van bankiers die hun
krediet verloren hebben: men heeft geen vertrouwen meer in ons. Men heeft verachting voor
het priesterdom en alleen al het woord clerus heeft een slechte bijklank. Wat zegt men
niet allemaal van ons: we zijn genotzoekers, zakkenvullers, slaven van onze eerzucht,
rijden op goed doorvoede ezels en raspaarden, dragen mantels met steeds bredere zomen en
lopen door de straten van Rome met opgeblazen wangen onder een rode hoed en een cape die
niet wijder kan; we fokken honden voor de jacht, geven veel geld uit aan toneelspelers en
klaplopers, maar hebben geen cent over voor de verdediging van het geloof. En daarvan is
geen woord gelogen: heel veel kardinalen en overige leden van de curie leven op die manier
en als wij voor de waarheid willen uitkomen: de luxe en hooghartigheid van onze curie is
te groot. Hierdoor zijn wij bij het volk zo gehaat dat men niet meer naar ons luistert,
ook niet als wij de waarheid spreken.
Hoe moet men dan, naar uw oordeel, handelen bij die
weerspannige en afwijzende houding? Of moeten we niet naar een weg zoeken om het verloren
vertrouwen te herstellen? 'Zeer zeker,' zegt u, 'maar welke weg zal daartoe leiden?' In
ieder geval niet een weg die nu begaan wordt. Wij moeten wegen inslaan die reeds lang in
onbruik zijn geraakt. We moeten ons afvragen op welke manier onze voorouders dit
uitgestrekte machtsgebied van de Kerk hebben gegrondvest en die dan benutten. Want
heerschappij valt licht te handhaven met de middelen waarmee hij in het begin verworven
is. Onthouding, kuisheid, onschuld, geloofsijver, religieus vuur, doodsverachting en
verlangen naar het martelaarschap hebben de Kerk van Rome tot de grootste macht op aarde
gemaakt. Als eersten hebben Petrus en Paulus haar gewijd met hun vermaarde marteldood. Hen
volgde een lange reeks opperherders die de een na de ander voor de rechterstoel van de
heidenen gesleept werden en die, terwijl zij de valse goden aan de kaak stelden en met
luide stem Christus als de enige en ware God beleden, onder de meest geraffineerde
folteringen de dood vonden en op die wijze gezorgd hebben voor de jonge aanplant. De
leerlingen geloofden dat hun meesters de waarheid hadden gesproken, omdat zij hun leer met
de dood hadden bezegeld en door geen martelingen daarvan afgebracht konden worden. Ware en
beproefde herders die hun leven hebben gegeven voor hun kuddes in navolging van hun heer
en meester Jezus, eeuwige en beste herder, die door te sterven voor zijn schapen op het
altaar van het kruis het menselijk geslacht heeft verzoend met zijn barmhartige vader.
Nadat vervolgens de Romeinen zich hadden bekeerd tot Christus en de kerken waren
opengegaan en het evangelie zich overal had verbreid, kwam een einde aan de vervolging en
deden de heilige belijders hun intree. Met het licht van hun leer en de glans van een
heilig leven zijn zij niet minder dan de martelaren het volk der christenen van nut
geweest door de menselijke ondeugden aan banden te leggen, die in vredestijd wijder om
zich heen plegen te grijpen. Door de martelaren en belijders is onze Kerk groot geworden.
Zij kan slechts gered worden als wij onze voorgangers navolgen, die het rijk van de Kerk
gesticht hebben. En het is niet voldoende om belijders te zijn, het woord te verkondigen
aan de volkeren, uit te varen tegen ondeugden en deugden op te hemelen: wij moeten terug
naar die eerste martelaren die, om te getuigen voor de Heer, hun lichamen hebben
prijsgegeven.
Wij moeten alles overhebben voor het heil van de kudde die
ons is toevertrouwd, zelfs als wij ons leven moeten offeren.
De Turken verwoesten nu eens deze dan weer die christelijke
streek. Dit jaar hebben ze Bosnië bezet en is de koning van dat volk afgeslacht. De
Hongaren zijn in staat van alarm, alle buurlanden evenzo. Wat zullen we doen? Gewapende
troepen tegen hen uitzenden? Er is geen geld om zo'n legermacht uit te rusten. Wat dan? De
koningen aansporen om ten strijde te trekken en de vijand uit onze gebieden te verdrijven?
Dat hebben wij al geprobeerd, maar vergeefs. 'Gaat!' Dat klinkt niet aardig. Misschien
zullen zij liever horen: 'Komt!'. Wij willen het volgende proberen: ons besluit staat vast
tegen de Turken ten strijde te trekken en de christelijke vorsten met woord en tegelijk
met daad uit te nodigen ons te volgen. Misschien zullen zij, wanneer ze hun meester en
vader, de paus van Rome, plaatsbekleder van Jezus Christus, een oude en zieke man, de
oorlog zien ingaan, zich schamen om thuis te blijven; misschien zullen ze de wapens
grijpen en de verdediging van het heilig geloof met dapper hart omhelzen. Als dit de
christenen niet tot oorlog aanzet, zien wij geen andere weg meer: deze zullen wij inslaan.
Wij weten dat het een zeer zware last is voor onze ouderdom en dat het vertrek zo goed als
zeker tot onze dood zal leiden, maar wij aanvaarden die. Wij leggen alles in Gods hand,
Zijn wil geschiede. Sterven moeten we toch eenmaal, waar dat zal zijn is van geen belang,
als we maar waardig sterven. Zalig zij die sterven in dienst van de Heer. Een goede dood
maakt een slecht leven goed. Wij zullen denken dat ons goedgedaan is, als het God behaagt
dat wij onze dagen beëindigen in Zijn dienst. U die ons met zoveel klem heeft aangespoord
een oorlog tegen de Turken te beginnen, past het niet om rustig thuis te blijven; de
ledematen behoren zich te voegen naar het hoofd en dat overal volgen waarheen hij gaat.
Wat wij doen vloeit voort uit noodzaak: wij hebben ons
vertrek beloofd aan hertog Filips van Bourgondië.(1) Hij had de
gelofte gedaan ten oorlog te zullen trekken tegen de Turken, indien of de keizer(2) of de koning van Frankrijk(3) of een andere
vorst, wiens leiding hij kon aanvaarden, zich voornam hetzelfde te doen. Wij begrepen van
hoeveel belang het vertrek van Filips is, bij wie zich een groot deel van het Westen
aansluit. Het was onze wens dat hij op weg ging en, zoals dat heet, de eerste was om het
ijs te breken. Want wij twijfelden er niet aan dat ridders en vooraanstaande mannen hem in
groten getale zouden volgen...
Dat slechts Gods zegen op ons ruste, de overige
omstandigheden werken mee aan de overwinning. Wij echter gaan niet op weg om zelf te
strijden, zwak van lichaam als we zijn en bedienaren van het priesterambt, waarbij het
niet past het zwaard te voeren. Wij zullen doen als Mozes, die heilige aartsvader, die op
de berg bad tijdens de strijd van Israël tegen de Amalekieten.(4) Wij
zullen staan op de hoge achterplecht of de kam van een berg en terwijl we de goddelijke
eucharistie, dat wil zeggen onze Heer Jezus Christus omhooghouden voor onze ogen, zullen
we hem om de redding en de overwinning smeken voor onze strijders. De Heer zal een
vermorzeld en deemoedig hart niet afwijzen. Ook u zult met ons zijn, behalve de ouden
onder u, die wij het niet kwalijk nemen dat zij thuis blijven en u zult samen met ons
bidden en met goede werken de goddelijke genade voor het volk der christenen bewerken.
Terwijl wij zo spreken, denkt u: 'Wat zal er intussen
terechtkomen van het bestuur van de Kerk van Rome? Zij die aan de andere kant van de Alpen
wonen zullen weigeren u te volgen naar de overzijde van de zee en tijdens uw afwezigheid
zal het erfgoed van de Kerk niet voldoende veilig zijn.' Op dit punt willen wij nu ingaan.
Aan alles is gedacht. Luistert: de Romeinse curie en heel haar ambtelijk apparaat zullen
wij in de stad achterlaten en tevens twee legaten, gekozen uit uw orde, waarvan de een zal
gaan over geestelijke zaken, de ander over wereldlijke.
[over verdere maatregelen]
Op deze wijze zullen wij, naar menselijke maatstaven
berekend, alles in veiligheid achterlaten. Maar er is niets waarop wij meer hopen als op
de hulp van de Allerhoogste; want als de Heer niet waakt over de stad, houdt hij die over
haar waakt, vergeefs de wacht. Voor onze God verlaten wij onze eigen zetel en de Kerk van
Rome en bieden dit grijze hoofd en zwakke lichaam aan als offer aan zijn goedheid. Hij zal
ons niet in de steek laten. Als hij ons niet zal gunnen terug te gaan, zal hij ons gunnen
de hemel binnen te gaan en hij zal zijn eerste zetel en bruid ongeschonden bewaren.
U heeft ons voornemen puntsgewijs gehoord; nu is het uw beurt
om de gedachten te uiten die leven in uw hart."
Tijdens zijn toespraak weende de paus dikwijls; ook de
kardinalen die een gezonder oordeel hadden, konden hun tranen niet bedwingen.
De eerste in het college die moest antwoorden, was de
kardinaal van Ostia, de bisschop van Rouen, een fransman die zeer afwijzend stond
tegenover het voorstel, iemand die zeer gesteld was op een comfortabel en gemakkelijk
leven.
Toen hij verzocht werd zijn mening te zeggen, had hij niet de
moed ook maar het minste verzet aan te tekenen: de grootsheid van de zaak won het van de
natuur van de man. 'Ik,' zei hij, 'prijs uw plan, heilige vader, en bewonder uw inzet; ik
zal u overal volgen waarheen u mij beveelt; ook al valt mij niets zo zwaar als een reis
over zee, elke last die u mij oplegt zal ik dragen.' De kardinaal van Porto,(5) een Spanjaard en hoogbejaard, liet zijn tranen overvloedig stromen en
zei snikkend: 'Tot nu toe hield ik u voor een mens, heilige vader, nu acht ik u een engel.
U heeft mij volledig overtuigd. Moge God uw onderneming steunen; ik zal altijd als
metgezel aan uw zijde staan, of de weg nu over zee of over land zal gaan; zelfs dwars door
de vlammen zal ik u niet verlaten, aangezien u recht naar de hemel gaat. De volgende
kardinalen tot aan die van Spoleto toe spraken woorden van gelijke strekking en prezen het
voorstel van de paus hemelhoog. (
.)
Maar noch de keizer noch de koning van Frankrijk noch een ander vorst die hoger was dan
hij, kon ertoe besluiten op te trekken tegen de Turken; Filips meende dat hij ontslagen
was van zijn belofte, omdat aan de voorwaarde niet voldaan was.
1. Filips de Goede.
2.
Frederik III.
3.
Lodewijk XI.
4.
Ex. 17:8.
5.
Giovanni Carvajal
|
Pontifex sequenti die secretum consistorium advocat
cardinalesque hoc modo alloquitur: `Sextus agitur annus, viri fratres, postquam beati
Petri cathedram ascendimus. Quis vestrum interea defensionem fidei non multis magnisque
precibus nobis commendavit? Quis non dixit bellum contra Turcum gerendum esse et omnes
Ecclesiae thesauros effundendos? Vestro consilio suasuque Mantuam ivimus, christianos ut
ibi reges in belli societatem accersiremus. Non successit ex sententia, non audiverunt
christiani vocem pastoris. Reuersi domum perturbata omnia reperimus.
[Hier volgt een uitvoerige beschrijving van de interne en
externe problemen waarmee Piccolomini bij zijn terugkeer te maken kreeg. Zijn doel is het
om aan te tonen dat het onmogelijk was om een oorlog tegen de Turken te beginnen.]
Vidimus per id tempus vos ferme omnes trepidare metu nec
quisquam vestrum consilia nostra probabat. Ruturam ecclesiam arbitramini nec poteratis de
nobis non dura loqui qui re Turcorum obmissa bellum gallicum suscepissemus Ferdinandique
magis causam quam Christi defenderemus. ....
Sed quid ageremus? Occupati bello domestico foris pugnare non poteramus ...
[......
Quorsum haec, quaeritis, tam longa narratio? Nempe ut intelligatis beneficia magni dei,
quibus et Romanam Ecclesiam et vos nosque cumulavit, ut cogitetis una nobiscum vicem
rependere atque habere gratias largitori. Peracta sunt duo gravissima bella, Siculum ac
Picense, et quamvis reliquiae in Regno nonnullae remanserint, satis est quod nostris
cogitationibus impedimento esse non possunt; ipse per se Ferdinandus minuta haec quae
restant evellere offendicula sufficit. Nobis iam liberum est adversus Turcas arma
capessere. Non possumus amplius nec volumus differre. Nunc desiderium nostrum implere
licet, nunc pro fide pugnare fas est, quod semper optavimus. Novit deus cogitationes
nostras hisque viam iam tandem expeditam reddidit. Rogastis nos saepius ut hoc ipsum
ageremus; nunc vos rogabimus. Cavete ne, quod in nobis reprehendistis, increpare possimus
in vobis. Nunc vestra fides, vestra religio, vestra devotio in lucem veniet. Si vera erit,
non ficta caritas vestra, nos sequemini. Exemplum dabimus vobis ut, quemadmodum nos ipsi
facturi sumus, ita et vos faciatis. Nos autem magistrum et dominum nostrum Iesum Christum,
pium et sanctum pastorem, imitabimur qui pro suis ovibus animam ponere non dubitavit.
Ponemus et nos vitam nostram pro grege nostro, quando aliter christianae religioni, ne
Turcorum viribus conculcetur, subvenire non possumus. Armabimus classem quantam pro
facultatibus Ecclesiae instruere poterimus. Ascendemus navem, quamvis senes morbisque
conquassati. Dabimus vela ventis atque in Graeciam et Asiam navigabimus. Et: 'Quid ages',
dicet quispiam 'in bello, senex? sacerdos, mille morbis oppressus, et in proelium ibis?
Quid togata valebit in pugna cohors? Quid sacer ordo cardinalium praestabit in castris?
Vix tympana tubasque ferent, ne dicam bombardas hostium. In delitiis egere iuventam, et tu
senium macerabis armis? Inconsulte agis. Melius domi cum cardinalibus atque omni curia
remanebis. Classem vero argento paratam fortique et assueto malis milite instructam mittes
in hostem aut Hungaris aurum suggeres qui copias quam validissimas in Turcos agant.'
Pulchre dictum et utile, si assit aurum. Sed unde id corrademus? Aerarium nostrum diutino
bello exhaustum est nec proventus Ecclesiae ii sunt qui tantae rei sufficiant, quamvis
divino munere aluminis vena reperta est quae magis ac magis divinae pietati nos obligat et
ad tuendam religionem invitat. ...
[Korte uiteenzetting over de veel te geringe financiële middelelen die de paus ter
beschikking staan voor een oorlog tegen de Turken die zeker drie jaren zal duren]
Audimus insusurrationes vestras: 'Si adeo difficile bellum
censes, qua spe pergis non apparatis viribus quae sufficiant?' Istuc venimus. Bellum
necessarium cum Turcis imminet. Nisi sumimus arma atque occurrimus hosti, actum de
religione censemus. Tales inter Turcos erimus, qualem inter christianos Iudeorum despectam
cernimus gentem. Nisi bellum sumimus, infames sumus. At bellum sine pecunia geri non
potest. Quaerere occurrit hoc loco: ubi pecuniam perquiremus? 'A fidelibus christianis',
respondebitis. Urgemus amplius: `Quo pacto?' Quonam modo? Omnes tentatae viae sunt, nulla
voto respondit. Indiximus Mantuae conventum: quis inde fructus emersit? Misimus in
provincias legatos: spreti atque irrisi fuere. Imposuimus clero decimas: appellatum est
pernicioso exemplo ad futurum concilium. Iussimus indulgentias praedicari: aucupium id
esse ad extorquendas pecunias dixere et inventum curialis avaritiae. Omnia quaecunque
agimus in partem deteriorem populus accipit. Ea conditio nostra est quae mensariorum perdita
fide: nihil creditur nobis; despectui sacerdotium est et infame nomen cleri. aiunt nos in
delitiis agere, cumulare pecunias, ambitioni servire, mulabus insedere pinguioribus ac
nobilioribus equis, extendere fimbrias paludamentorum, et inflatis buccis sub rubente
pilleo et ampliori cucullo per Urbem vadere, canes ad venandum alere, histrionibus et
parasitis multa largiri, in defensionem fidei nihil. Nec omnino mentiuntur: sunt plerique
inter cardinales et reliquos curiales qui haec agunt et, si verum fateri volumus, nimius
est curiae nostrae vel luxus vel fastus. Hinc odiosi populo sumus adeo, ut nec vera
dicentes audiamur.
Quid agendum in tanta contumacia censetis? An non quaerenda via est qua perditam fidem
recuperemus? Utique dicitis: `Et quae via huc nos ducet?' Nulla certe nostris temporibus
usitata. Ad insueta iam pridem itinera transeundum. Quaerendum est quibus artibus maiores
nostri hoc nobis imperium Ecclesiae latissimum pepererunt atque illis utendum; principatus
enim facile his modis retinetur, quibus ab initio partus est. Abstinentia, castitas,
innocentia, zelus fidei. religionis fervor, contemptus mortis martyriique cupido romanam
ecclesiam toti orbi prefecerunt, primi Petrus et Paulus inclyto martyrio dicauerunt.
Secuti deinde pontifices alter post alterum longa serie ad gentilium tribunalia rapti, dum
falsos deos accusant Christumque verum et singularem deum manifesta voce fatentur,
exquisitis suppliciis mortem obiere eoque pacto novellae plantationi consuluerunt.
Credidere discipuli magistros vera locutos, qui suam doctrinam morte firmassent nec ullis
potuerint ab ea tormentis avelli, veri et probati pastores qui pro gregibus suis animam
posuerunt magistrum et dominum imitati Iesum, aeternum et optimum pastorem, qui pro suis
ovibus in ara crucis occisus humanum genus pio Patri reconciliavit.
Conversis deinde ad Christum Romanis, apertis ecclesiis et evangelio passim disseminato,
cessavere martyria et sancti confessores introiere, qui doctrinae lumine sanctiorisque
vitae fulgore non minus christianis plebibus profuerunt quam martyres, vitiis hominum
frena ponentes quae solent in pace latius evagari. Ab his et ab illis ecclesia nostra
magna effecta est. Servari non potest, nisi predecessores nostros imitemur qui regnum
ecclesiae condidere. Nec satis est confessores esse, praedicare populis, fulminare vitia,
virtutes in caelum tollere: ad priores illos accedendum est, qui pro testamento domini sua
corpora tradiderunt.
Nihil est quod pro salute gregis nobis commissi perpeti non debeamus, etiam si anima
ponenda sit.
Turci modo istam, modo illam christianorum provinciam vastant. Bosna hoc anno capta est et
rex gentis obtruncatus. Trepidant Hungari, trepidant vicini omnes. Quid agemus? Armatas
illi copias mittemus obviam? Non es aurum unde parentur. Quid ergo? Reges hortabimur illi
occurrant qtque hostes e nostris finibus propulsent? At hoc frustra temptatum est. Non
belle dicitur: ite! Fortasse melius audient: venite! Hoc temptare libet. Stat sententia in
bellum contra Turcas pergere christianosque principes, ut nos sequantur, facto simul et
verbis invitare. Fortasse cum viderint magistrum et patrem suum, Romanum pontificem, Jesu
Christi vicarium, sentem et aegrotum in bella vadentem, pudebit eos manere domi; arma
capient defensionemque sacrae religionis fortibus animis amplectentur. Haec nisi via
christianos in bellum excitat, nescimus aliam; hanc ingredi placet. Scimus rem senio
nostro pergravem esse nosque ad certam quodammodo mortem profecturos. Neque hanc
recusamus. Cuncta deo committimus. Fiat voluntas eius. Moriendum nobis aliquando est,
neque interest quo in loco, dum bene moriamur. Beati qui moriuntur in obsequio domini.
Mors bona malam vitam redimit. Nobiscum bene actum putabimus, si deo placuerit in eius
servitio nostros finiri dies. Vos qui tantopere nos adhortati estis in Turcos movere
bellum, domi in otio remanere non decet: oportet membra suo coaptari capiti et illud sequi
quocunque ierit.
Quod agimus necessitatis est: promissa est profectio nostra
Philippo Burgundie duci; votum is voverat profecturum se contra Turcos in bellum, si aut
imperator aut rex Franciae aut alius princeps, quem se sequi non dedeceret, idem agere
proponeret. Intelligebamus qanti momenti esse profectio Philippi quem magna pars
Occidentis sequitur. Cupiebamus hunc iter incipere atque, ut aiunt, glaciem perfringere
primum, haud dubitantes quin eum maxima nobilium ac procerum multitudo sectaretur. .......
Adsit tantum divinus favor; ad victoriam cetera succurrrunt.
Nec nos pugnaturi pergimus corpore debiles et sacerdotio fungentes, cuius non est proprium
versare ferrum. Moysen illum sanctum patrem imitabimur qui pugnante adversus Amalechitas
Israhele orabat in monte. Stabimus in alta puppe aut in aliquo montis supercilio
habentesque ante oculos divinam eucharistiam, id est dominum nostrum Iesum Christum, ab eo
salutem et victoriam pugnantibus nostris militibus implorabimus. Cor contritum et
humiliatum non despiciet dominus. Eritis et vos nobiscum exceptis senibus quibus, ut
remaneant, ignoscimus; orabitisque pariter et operibus bonis christiano populo divinitatem
reddetis propitiam.
Cogitatis dum ista dicimus: 'Quod erit interea romanae
regimen Ecclesiae? Recusabunt ultramontani ultra mare te sequi nec in absentia tua satis
tutum erit Ecclesiae patrimonium.' Istuc pergimus; omnia provisa sunt. Audite. Romanam
curiam et omnia eius officia et duos pariter legatos ex ordine vestro apud urbem
relinquemus: alter spiritualibus negotiis praeerit, temporalibus alter.
[over verdere maatregelen].
Hoc pacto, quantum humana possumus ratione prospicere, in
tuto dimittemus omnia. Sed nihil est in quo magis speremus quam in adiutorio Altissimi;
nisi enim dominus custodierit civitatem, frustra vigilat qui custodit eam. Pro deo nostro
propriam sedem et romanam Ecclesiam relinquimus et hanc canitiem atque hoc debile corpus
suae pietati devovemus. Non erit immemor nostri. Si non dabit reditum, dabit in cealum aditum,
et primam sedem sponsamque suam conservabit indemnem.
Audistis propositi nostri seriem. Vos nunc vicissim animi
vestri sententias promitte'.
Inter loquendum saepe lacrymatus est pontifex, neque fletum
continere cardinales, neque fletum continere cardinales potuerunt, quibus erat mens
sanior.
Prior in collegio qui responsurus esset cardinalis ostiensis fuit, rhotomagensis ecclesiae
pontifex, homo gallicus et a re proposito longe alienus, delitiarum sectator et otii; qui
iussus sententiam dicere minime adversari ausus est: naturam hominis rei pervicit
honestas. 'Ego', inquit, ' et consilium tuum, pontifex, laudo et animum admiror. Te sequar
quocunque iusseris; etsi nihil mihi navigatione difficilius est, onus quodcunque
imposueris feram'. Cardinalis portuensis, natione Hispanus atque grandaevus, cadentibus
ubertim lacrymis nec singultus retinere valens 'Hominem te', inquit, 'hactenus existimavi,
pontifex: nunc angelum iudico. Vicisti opinionem meam. Deus adsit tuis coeptis; ego lateri
tuo semper comes adero sive aqua sive terra sit iter habendum, nec te per flammas euntem
deseram quando recta in caelum vadis.' Similia fere locuti sequentes ad Spoletanum usque
pontificis propositum summis in caelum laudibus extulere. (...)
Verum neque imperator neque rex Franciae neque princeps alius eo superior in Turcos
poferre arma apposuit animum: solutum se voto Philippus existimabat, cuius non esset
impleta conditio.
|
|