|
De dichter Enea Silvio groet Michael
Pfullendorf, protonotarius van de koninklijke kanselarij, hartelijk.
In het
gevolg van de kanselier, de edele heer Kaspar, waren wij op terugweg
vanuit Neurenberg, toen jij me tijdens de rit verzocht om aan jou,
die op het punt stond naar je vaderland terug te gaan, iets te
schrijven. Want, zei je, je dacht dat ik mij het liefst op die
manier met jou zou verzoenen. Ik heb mij toen plechtig voorgenomen
niet te zullen schrijven, als niet eerst een brief van jou gekomen
was. Ik heb daar lang op gewacht en omdat ik er inmiddels van
overtuigd ben dat blijven wachten tot jij schrijft geen zin heeft,
heb ik besloten aan jouw wens te voldoen en als eerste een brief aan
jou te laten bezorgen. Maar als je de waarheid wilt horen, en dat
zou toch moeten: ik doe dit niet zozeer ter wille van jou, ik doe
het voor mijzelf. Want er komen verschillende mensen bij me die
graag willen weten, waarom er onenigheid tussen ons is ontstaan.
Immers onze vriendschap was algemeen bekend en wij gingen door voor
een Pythagoreisch stel vrienden, omdat men zag hoe wij al ons bezit
en boeken deelden. Maar toen wij later gescheiden begonnen te leven,
informeerde iedereen wat ons uit elkaar had gedreven; sommigen
legden de schuld bij jou, anderen bij mij, weer anderen bij ons
beiden. Ik van mijn kant, wanneer ik er tenminste over wil spreken,
zuiver mijzelf van blaam en verdedig mijn zaak zonder pleitbezorger,
zoals ook jij ongetwijfeld doet. Want zelfs Prokop uit Bohemen, een
hoogstaand man die ons beiden zeer graag mag, was door jouw woorden
zo overtuigd, dat er een grote redevoering aan te pas moest komen
voordat ik zijn mening heb kunnen veranderen, zo had jij op hem
ingesproken. Hij meende namelijk dat de fout eerder bij mij dan bij
jou lag. Maar toen hij mijn argumenten had aangehoord, heeft hij
zijn oordeel bijgesteld en nu meent hij dat niet ik de plichten van
de vriendschap heb geschonden, maar jij, en zo is het ook. Maar het
valt mij erg zwaar tegenover ieder die daarnaar vraagt, rekenschap
af te leggen. Want hoe langer onze goede verhouding geduurd heeft,
des te meer is zij bij allen bekend geworden. Daar viel mij echter
in wat de Florentijn Papio
eens gedaan heeft: hij had zijn mantel met een olievlekje besmeurd
en wanneer hij door de stad liep kreeg hij telkens te horen: ‘Papio,
waarmee heb jij je mantel toch zo vuil gemaakt?’ omdat hij het
vervelend vond om iedereen te antwoorden, naaide hij een reepje
perkament op zijn mantel waarop geschreven stond: ‘OLIE’. Vanaf dat
moment werd hij niet meer lastig gevallen door opmerkingen van wie
dan ook, want dat reepje kwam tegemoet aan elke vraag. Dat moet ook
ik doen. Ik zal je de beweegredenen schrijven waarom ik mij van jouw
vriendschap heb losgemaakt. Als iemand mij dan een verhoor zal
afnemen, kan ik hem naar de brief verwijzen; daarin kan ieder de
oorzaken lezen die tot ontbinding van onze vriendschap hebben
geleid, en dat de schuld niet bij mij, maar bij jou gelegd moet
worden. En tegelijk zal ik voldoen aan jouw wens een brief van mij
ontvangen. Ik geef namelijk toe dat ik al eerder bezig ben geweest
een eind te maken aan de vriendschap, toen ik zag dat ik niet de man
had uitgekozen die op de lange duur mijn vriend kon blijven. Niemand
hoeft zich te verwonderen dat onze goede verstandhouding twee jaar
geduurd heeft, want echte vriendschap blijkt niet in een tijdsbestek
van twee jaar, nauwelijks een mensenleven biedt voldoende tijd om
vriendschap te testen. Het komt voor dat mensen een zachtaardige en
bescheiden indruk op ons maken, maar na verloop van tijd laten ze
hun ware aard blijken. Want sommigen zijn in staat de gebreken van
hun natuur een tijd lang te verbergen, maar om dat tot het eind toe
vol te houden lukt hen niet; eens moeten ze hun ware aard tonen en
dat betekent het einde van de vriendschap; immers, wat men liefhad,
bestaat niet meer. Ik denk dat je al voelt waar ik heen wil. Ik
beschuldig jou niet van enige fout, maar ik bedoel te zeggen: jij
bent een ander dan degene voor wie ik je hield. Ik dacht dat jij met
mijn karakter overeenstemde en daarom hield ik van je. Jij hebt ook
gedaan alsof jouw natuur geheel gelijk was aan de mijne. Omdat jij
daarmee nu niet doorgaat en niet meer de man bent die je eerst was,
is ook mijn liefde voor jou niet meer die zij was. Ik van mijn kant
ben altijd dezelfde man gebleven met wie jij in het begin je leven
deelde. Als ik dus nu niet iemand ben om van te houden, ben ik ook
in het begin niet iemand geweest die liefde verdiende. Ik zeg dat
niet om te bewijzen dat ik goed ben en jij slecht of dat ik een
oprecht karakter heb en jij een vals. Misschien ben jij wel goed en
ik slecht. Hoe dan ook, liefde kan geen stand houden bij
onverenigbaarheid van karakters. Maar om een lang verhaal kort te
maken, ik zal je zeggen wat mij belet jouw vriend te zijn, en je
uitleggen waardoor je mij gekwetst hebt. Een verschil in ons
karakter zit hierin, dat jij een man van veel woorden bent, ik van
weinig; jij bent op geld uit, ik hecht er niet aan; jij neemt af en
toe tijd voor de literatuur alleen maar om er profijt van te
trekken, ik verkeer in haar gezelschap om rust te vinden voor mijn
geest; jij bent star en grof, ik buigzaam en zachtaardig; jij geniet
meer van eten, ik van de liefde; jij wil nooit gaan slapen wanneer
de nacht valt, nooit opstaan wanneer de dag aanbreekt; ik zou het
liefst, wanneer ik wat gerust heb na het avondmaal, gaan slapen en
voor dag en dauw opstaan. Jij staat in aanzien, mijn positie is
bescheiden. Dat zijn de verschillen tussen jou en mij. Als jij het
niet wil toegeven, zal ik me verlaten op het oordeel van hen die jou
en mij uit de praktijk kennen. Zeker echter is dat, toen wij de
fundamenten legden van onze vriendschap, overigens waren dat slechte
fundamenten, jij volstrekt niet dat gezicht liet zien; integendeel,
je liep zo volkomen met mij in de pas, dat wat mij beviel ook jou
ter harte leek te gaan, en met dat slimme spel heb je mij erin laten
lopen. Later echter heb jij je houding veranderd en je vroegere
natuur weer aangenomen. Welnu, als jij je leven verandert, hoor ook
ik mijn liefde te veranderen. Jij vraagt: ‘Wat heeft jou dan zo
gehinderd?’ Veel, Michael, wees maar niet bang. Je hebt mij met je
woorden geprikkeld, meerdere malen heb je tegenover tafelgenoten
gezegd dat ik lichtzinnig ben en mij van veel ondeugden beticht; al
heb je misschien gelijk, want ik weet dat ik vaak tot mijn nek in de
problemen zit, jij had mij niet op de vingers moeten tikken ten
overstaan van anderen maar onder vier ogen; en als ik mijn leven
niet had gebeterd, had jij, zoals het evangelie gebiedt, er een of
twee mensen bij kunnen halen om het pas in laatste instantie tegen
de hele kerk te zeggen. In mijn gezicht heb je me steeds geprezen en
mij in alle opzichten gevleid, achter mijn rug echter heb je mij met
de vinger nagewezen en mij belachelijk gemaakt. Dat heb ik dikwijls
gehoord van mensen die jij en ik kennen. Je kunt niet ontkennen dat
je niets hebt heel gelaten van mijn blijspel Chrysis dat ik in
Neurenberg heb geschreven.
Het gaat er mij niet om dat jij mijn geschriften bekritiseert,
hoewel dat veel invloed heeft, ik heb zelfs niet gewild dat mijn
dichtkunst door jou wordt geprezen, omdat lof, afkomstig van iemand
die er geen verstand van heeft, van generlei waarde is. Maar ik weet
hoe jij bent. Bovendien had je, als mijn werk gebreken vertoont, mij
moeten waarschuwen, dan had ik het kunnen bijvijlen. Jij echter stak
niet zozeer de draak met het dichtwerk maar met de auteur, en
schilderde mij af als iemand die men niet serieus kan nemen, omdat
ik een blijspel had geschreven; alsof de blijspeldichters Terentius
en Plautus niet populair zijn geweest.
Genoeg
hierover. Er zijn andere zaken die mijn naam meer geschaad hebben.
Jij hebt mij vijfentwintig goudstukken geleend, een grote dienst een
vriend waardig. Iemand die in geldzaken betrouwbaar is gebleken, kun
je veilig alles toevertrouwen, geld is het tweede bloed. Jij bent
mij, ik kom ervoor uit, in benarde omstandigheden te hulp gekomen,
ik zal nooit bestrijden dat je mij daarom aan jou verplicht hebt. Je
hebt het te leen gegeven geld opgeëist, ik ben er niet over in
discussie gegaan, maar aangezien ik zelf zonder geld zat, heb ik bij
iemand anders geleend om jou te kunnen terugbetalen. Tot zover is
alles in orde. Een paar dagen later echter, toen je mij iets vroeg
waaraan ik niet kon voldoen, heb je gezegd dat ik boos was, omdat
jij jouw geld had teruggevraagd. Daar heb je mij werkelijk veel
kwaad mee gedaan. Wie zou mij immers voortaan nog geld
toevertrouwen, als ik boos word, wanneer men het terugvordert? Jij
hebt mij een groot vergrijp aangewreven en mij des te heviger op
mijn ziel getrapt, naarmate ik verder afstond van die boze opzet.
Meer naar waarheid had je kunnen zeggen: ‘Enea is anders tegen mij,
omdat ik hem niet weinig gekleineerd heb, of omdat ik mij niet
gevoegd heb bij zijn drinkebroers, of omdat ik mensen die hem
kleineerden niet terecht gewezen heb.’ Dat, Michael, heeft mij
buitengewoon gestoord. En als je zegt dat ik al vóór die tijd niet
meer zo aardig was als anders, zal ik dat niet ontkennen. Want ik
voelde me door jouw hatelijkheden gekwetst; maar dat betrof wonden
die zonder veel moeite te genezen waren, als er geen andere dingen
bij waren gekomen. En zelfs jouw bewering dat ik kwaad was vanwege
het terugvorderen van geld kan makkelijk uitgewist worden. Al
voordat je namelijk dat geld terugvorderde, voelde ik niet mij niet
meer zo verbonden met jou als vroeger, omdat ik ontdekt had wat je
achter mijn rug om over mij had gezegd; ik overwoog om geleidelijk
afstand van je te nemen en deed, de uitspraak van Cicero indachtig,
mijn best om de band van onze verstandhouding niet te verbreken maar
losser te laten worden.
Dat ik in een later stadium het touw van de liefde heb doorgehakt,
lag aan jou. Toen je tegenover anderen volhield dat ik jou de
terugvordering van het geld kwalijk nam, heb ik gedaan wat zeelieden
doen, als er gevaar dreigt: zij maken het schip niet los maar kappen
de touwen. Dat was, meen ik, een voldoende reden om de vriendschap
te ontbinden. Want dat je de kist die je mij geleend had, aan onze
vriend Jakob
hebt verkocht en jouw boeken hebt teruggevraagd, terwijl je die van
mij hebt gehouden, reken ik je niet aan, maar schrijf ik toe aan de
wrevel die al ontstaan was. Als jij vindt dat ik onwaarheid heb
gesproken, kun je mij van repliek dienen en terugschrijven. Ik ga
liever af op het oordeel van een ander dan van mijzelf en zal deze
brief, als beschermster van mijn eer, aan allen die mij ondervragen
over onze scheiding, ter inzage geven. Tussen ons echter zal de
eerste liefde en eerste genegenheid niet meer tot leven kunnen komen
en de vriendschap die er geweest is niet meer bestaan, als niet ook
de vertrouwelijkheid en de intieme omgang terugkeert die er vroeger
was, en als ik mijn goede naam niet hersteld zie.
Ik wens je
het beste, en als wat ik schrijf harder aankomt dan je kunt
verdragen, denk er dan aan dat ook jij scherper over mij gesproken
hebt dan gepast is onder vrienden. Ik zou jou liever onder vier ogen
verwijten willen maken dan tegenover anderen iets van jou te zeggen
wat jouw eer kan beschadigen of jou benadelen. Want al is de
vriendschap voorbij, daarmee is het wederzijds respect dat er tussen
mensen moet zijn niet gedoofd. Nogmaals het beste. Wenen, 1 oktober
1444.
|
Eneas Silvius poeta
salutem plurimam dicit Michaeli de Phullendorf, regie cancellarie
protonotario.
Sequebar magnificum virum dominum
Gasparem cancellarium ex Nuremberga recedentem, cum inter equitandum rogasti
me, ut tibi, patriam tuam revisuro, aliquid rescriberem, nam sic potissime
reconciliatum me tibi censeres. ego tunc non spopondi me scripturum, nisi
tue ad me littere prius devenissent. nunc cum diu expectarim scripta tua
jamque mihi satis persuadeam in vanum me manere, ut scribas, deliberavi tuo
desiderio morem gerere prioresque meas litteras ad te dare, quod si verum
audire vis, debes autem velle, non tantum tui causa faciam quantum mea.
veniunt enim ad me plures queruntque diligenter ex me, cur inter te meque
turba fuerit. nota enim omnibus erat amicitia nostra et quasi Pictagoreos
amicos nos omnes arbitrabantur, cum et libri et bona omnia inter nos
communia viderent. at cum postea seorsum inceperimus vivere, sciscitantur
omnes, cur hoc discidium intercesserit et aliqui te, aliqui me incusant,
nonnulli utrumque. at ego, cum mihi de re hac verbum fit, expurgo me ipsum
et causam meam sine advocato defendo, sicut et te facere non ambigo. nam et
Procopius Bohemus, vir prestans nostrique amantissimus, ita tuis verbis
persuasus erat, ut oratione magna opus fuerit, antequam ejus opinionem
mutare potuerim, quia tu eum imbueras. existimabat enim homo, me potius quam
te peccavisse. sed auditis tandem rationibus meis sententiam variavit jamque,
ut est, non me amicitie jus violasse sed te, sicut est, putat. sed est mihi
permolestum unicuique poscenti reddere rationem, nanque ut diuturnior nostra
benivolentia fuit, eo notior omnibus fuit. sed venit in mentem, quod Papius
Florentinus fecit. is cum pallium olei pauxillo maculasset, quia se per
urbem euntem singuli percontabantur, quidnam esset, quod pallium deturpasset,
cum graviter omnibus responderet, scedulam pergameni pallio consuit, in qua
scriptum erat: oleum. nec posthac voce cujusquam vexatus est, occurrebat
enim interrogationi cujuslibet scedula. ita et mihi faciendum est. scribam
ad te causas, cur ex tua me subtraxerim amicitia. si quis deinde scrutatus
me fuerit, ad epistulam hanc remittam, ex qua poterit quisque et causas
dissolutionis amicitie nosse et non me culpandum, sed te potius, fuisse. et
satisfaciam tibi, qui meas litteras te cupere significasti. fateor enim, me
priorem fuisse in amicitia dirimenda, cum viderem, non elegisse me virum,
qui posset in amicitia mea esse diuturnus. nec propterea mirari quisquam
debet, quod benivolentia nostra biennalis fuerit nec enim anni duo veram
amicitiam ostendunt, sed vix etas hominis satis comprobat amicitiam. plures
sunt, qui nobis ab initio placidi et humiles viderentur, sed ii successu
temporis quales sint apparent. possunt enim aliqui nature vitia ad tempus
tegere, in perpetuum tegere non possunt. necesse est enim, ut sese aliquando
quales sint demonstrent, quod cum fit, solvitur amicitia, quia perditum est,
quod amabatur. jam te arbitror, quo pergam, intelligere. non insimulo te
alicujus vitii, sed ajo, te alium esse quam rebar. putaram, te meorum morum
esse conformem ideoque te amavi. et certe finxisti te nature mee admodum
similem. nunc quia non continuas nec ille es, qui antea fuisti, nec amor
meus erga te ille est. ego, ut vixi ab initio tecum, sic perseveravi semper.
itaque, si nunc non sum amandus, nec in principio diligendus fui. nec ista
dico, quod me bonum, te malum arguam aut mores meos sinceros dicam et tuos
impuros. potest esse, ut tu bonus sis, ego malus. utcunque est, non potest
amicitia perdurare, ubi mores dissimiles sunt. sed ne sic divagando rem
faciamus longiusculam, dicam tibi, quid est, quod me non sinit esse amicum
tuum et, quibus in rebus injuriatus sis mihi, exponam. morum diversitas est
in hoc, quod tu multorum verborum es, ego paucorum, tu pecuniis studes, ego
eas parvifacio, tu litteris ad lucrum aliquando vacas, ego ad quietem animi
sequor eas. tu rigidus et atrox, ego lenis et facilis, tu cibis plus quam
Venere oblectaris, ego plus Venerem amo quam cibos. tu nocte adveniente
nunquam dormire et mane nunquam surgere vis, ego post cenam, paululum
postquam quievi, dormire vellem et ante lucis adventum surgere. tu clarus,
ego humilis. sunt he inter te meque differentie. quod si fateri nolis, eorum
judicio stabo,
qui te meque diu noscunt. at certe; cum
prima inter nos jacta sunt amicitie fundamenta, que certe male jacta fuerunt,
tu haud talem te monstrabas, sed eras mihi admodum morigerus ita, ut
quicquam mihi placeret, idem et tibi videretur cordi talique arte me
inviscasti. sed mutasti postea modum vivendi et ad priorem naturam tuam
redisti. quod si tu vitam mutas, decet et me amorem mutare. dicis; quid est,
quod tibi obfuerit? multa sunt, Michael, ne vereare. lacessisti me lingua,
dixti pluries inter commensales me levem multisque vitiis me insimulasti,
que si fortasse vera fuerint, scio enim me miseriis involutum, decebat te,
non inter alios sed inter te meque corripere et si me non emendassem, sicut
evangelii lex jubet, adhibere unum poteras vel duos ac postmodum ecclesie
dicere. at tu me coram semper laudasti blanditusque mihi magnopere fuisti,
post tergum vero monstrasti me digito atque subsanasti. sunt noti tui meique,
ex quibus sepe audivi hec. nec tu negare potes, quin comediam meam carpseris,
quam de Chriside feci Nuremberge. non est mihi cure, quod mea scripta tuo
judicio reprobentur, quamvis magnum est, nec ego laudari musam meam ex te
volui, quia non est digna laus, que ab homine rei non perito venit, sed noto
animum tuum. preterea si quid vitii inerat, decebat te me admonere, ut
limassem. at tu nedum carmen sed auctorem quoque irridebas meque perlevem
accusahas, qui comediam scripsissem, tanquam non laudi Terentius et Plautus
habiti sint, qui comedias scripserunt.
sed mitto hec. alia sunt, que fame mee
plus obfuerunt. quinque et viginti aureos mutuo mihi dedisti, magnum
officium et amico dignum. nam cujus tu fidem in pecunia cognoveris, tuto
illi omnia credas, argentum est alter sanguis. subvenisti mihi, fateor, in
re necessaria nec ego unquam inficias ibo, me tibi propterea obligatum fore.
repetisti ex me mutuum, non communicavi verbum, sed cum ipse pecunia vacuus
essem, ex alio mutuatus sum, quod tibi restituerem. bene hucusque actum est,
post dies exinde aliquos, cum ex me nonnichil peteres, quod prestare non
poteram, dixti, me tibi suscensere ac propterea succensere, quod tuum es
repetisses. magna profecto hec injuria fuit. nam quis posthac mihi nummos
credat,
si repetenti irascar? magno me crimine
insimulasti tantoque meum animum offendisti magis, quanto ab ea intentione
eoque vitio magis abfueram. verius dicere poteras, ideo erga me alius est
Eneas, quia nonnichil sibi detraxi, aut quia non affui sibi in perceptione
bibalium, aut quia sibi detrahentes non redargui. hoc me, Michael, mirum in
modum turbavit. quod si dicis, antea quoque me tibi fuisse solito graviorem,
non negabo. sciebam nanque me tuis morsibus lacessitum, sed erant illa
vulnera, que non egre curari poterant, si alia non supervenissent. et quippe,
quod tu dicebas, me propter repetitionem pecunie commotum, facile potest
confutari. nam et antequam pecuniam repeteres cognitis, que de me dixeras
clanculo, non eram tibi ex consuetudine prisca conjunctus paulatimque
studebam, me disjungere memorque Ciceronis sententie non rumpere
benivolentie vinculum sed solvere nitebar. quod autem postea truncavi amoris
funem tua culpa fuit. cum me coram aliis propter pecuniam tibi molestum
assereres, feci ergo tunc, ut naute faciunt, qui adveniente periculo non
solvunt navem sed retinacula incidunt. hec credo satis fuisse ad amicitiam
dirimendam. nam quod cistam mihi commodatam vendideris Jacobo nostro quodque
tuos libros repetieris et meos retinueris non vitio do, sed indignationi jam
suborte tribuo. si quid me hic mentitum putas, redarguere potes mihique
rescribere. ego alienum potius quam meum judicium sequar et hanc epistolam,
honoris mei tutricem, omnibus dabo, qui de nostra separatione quesiverint.
inter me autem et te primus amor primaque caritas revivere non poterit nec
amicitia esse, que fuit, nisi et mores et convictus redeant, qui ante
fuerunt famamque meam videam restitutam.
vale et si durius scribo quam ferre queas, memento et te de me locutum
fuisse acerbius quam inter amicos deceat. ego te potius solum solus arguere
volo, quam inter alios de te aliquid dicere, quod tuo possit honori vel
utilitati detrahere. nam etsi soluta est amicitia, non tamen que inter
homines esse debet cum honestate societas est extincta. iterum vale. ex
Vienna, kalendis octobris 1444.
|
|
|