Enea schrijft Michael Pfullendorf over het verschil in karakter tussen beiden
en de daaruit voortvloeiende onenigheid. [Wolk.I.1, 439-442, nr. 158].

 

 

 

 

 

Voor vrienden is alles gemeenschappelijk, vriendschap berust op gelijkheid, een vriend is een alter ego: gezegden die humanisten bij Cicero (in zijn de Officiis,[1] en met name in De Amicitia[2]) aantroffen en die door deze aan Pythagoras werden toegeschreven: vanuit die opvatting van ware vriendschap houdt Enea in deze brief de geschonden relatie tussen hem en Michael Pfullendorf tegen het licht. Voor de realist Enea bestonden er meerdere vormen van vriendschap: vrienden die men heeft omwille van het nut, waarbij men zich over en weer bewust is van de betrekkelijkheid en het nut van een relatie. Zo schrijft hij op 1 november 1443 aan Kaspar Schlick: ‘een nuttig vriend is iemand aan wie je meer hebt dan aan een eerlijke vriend; want het soort vriendschap dat tegenwoordig geldt is vriendschap waar voordeel aan vastzit; die vriendschap van de Stoicijnen, die haar vreugde alleen in deugd vindt, heeft allang afgedaan’. En in een andere brief aan Schlick van 28 december 1443 lezen we: ‘We zijn tegenwoordig allemaal schijnvrienden: we doen alsof we om elkaar geven, we geven niet echt om elkaar. En wel hierom: wanneer je bij me bent, sta ik je ten dienste, luister ik naar je, doe ik wat je maar beveelt om de indruk te wekken dat ik van je hou; wanneer je uit het oog bent, ben je uit mijn hart: want óf je keert niet meer terug, óf als je wel komt opdagen zal ik zeggen dat ik mijn uiterste best heb gedaan, maar dat het aan anderen gelegen heeft dat de zaak niet is afgehandeld naar jouw wens. Ja zeker zo is het: we zijn vleiers, geen vrienden, en een vriendschap die geveinsd is stelt niets voor wanneer men elkaar niet ziet. Ik denk dat je me heel goed begrijpt, maar er zit niets anders op dan te veinzen, omdat iedereen veinst. Want ook Jezus veinsde dat hij verder wilde gaan.[3] Laten we ons van de mensen bedienen zoals ze zijn; we moeten ‘honing zuigen uit de keien en olie uit de kiezelsteen van de rots.’[4] Hieruit blijkt dat Enea zich bewust is dat er tussen hem en Kaspar Schlick en andere personen met wie hij zakelijk verkeert een soort vriendschap bestaat die stilzwijgend gebaseerd is op het nut dat zij voor beide partijen meebrengt. Dat echter Enea als buitenlander in een omgeving die hem vreemd is en bij tijden bedreigend en gevaarlijk, en waarvan hij de cultuur ervaart als veel minder verfijnd dan die waarmee hij is opgegroeid in Italië, daarover uit hij zich herhaaldelijk in zijn brieven aan vertrouwde vrienden in zijn vaderland. Tijdens zijn jaren in de conciliestad Bazel kon hij nog rekenen op een groot aantal personen van hoog tot laag met wie hij op cultureel niveau kon communiceren en die het Latijn als beschaafde omgangstaal beheersten. Aan het hof van Frederik III echter – zelf sprak hij nagenoeg geen Duits –voelde hij een pijnlijk gemis aan mensen in wie hij gelijkgestemdheid en een gelijke belangstelling voor de literatuur aantrof. Wenen bezat een universiteit en vele vormen van vermaak, maar Wiener Neustadt, waar de kanselarij gevestigd was, was verstoken van dat alles, en dat gold ook voor de Steiermark en Karinthië, waar hij zich ‘temidden van barbaren en woeste volkeren’[5] waande. Een van de weinigen die hem in cultureel opzicht aansprak was Michael Pfullendorf, afkomstig uit Schwaben, die hij in de kanselarij als zijn beste vriend beschouwde en met wie hij zelfs boeken uitwisselde, naar goed gebruik onder humanisten.[6] Michael bezat bovendien een goedaardig karakter, hield van het uitgaande leven en beschikte over heel wat meer geld dan de arme Enea. Helaas begon ook deze hechte vriendschap scheuren te vertonen waarvan de volgende brief getuigt. Een belangrijke aanleiding voor de bekoelde verhouding was de negatieve reactie van Michael op het blijspel Chrysis dat Enea had geschreven als verstrooiing voor de Rijksdag te Neurenberg in het najaar van 1444. Michael kon de grofheid ervan in het geheel niet waarderen, vond het onder de maat van Enea’s talent en liet dat openlijk blijken. Enea wijt de impasse tussen de vrienden ook aan een zekere onverenigbaarheid van karakter, waarvan hij zich gaandeweg bewust was geworden, en waarbij ook een geldkwestie een rol heeft gespeeld. Hij denkt dan ook aan het advies dat Cicero ontleent aan Cato, wanneer zich een calamiteit in de vriendschap voeen mogelijkheid meer bestaat voor een juist en eervol handelen, als niet aanstonds aan de omgang een einde wordt geEnea koppelt het herstel van de vriendschap aan het terugkrijgen van zijn goede naam en kondigt niet zonder humor aan – hij haalt er Papio bij, een notoire schertsfiguur uit Florence – dat hij de brief ter inzage zal geven aan iedereen die hem vragen stelt over de impasse tussen hem en Michael. Dat het weer goed is gekomen blijkt uit het verdere verloop van de gebeurtenissen: in 1451 waren beiden (Enea was intussen bisschop van Siena) in opdracht van Frederik III in Italië bezig met de voorbereiding van het huwelijk van Frederik met Leonora van Portugal. In Siena werd Michael Pfullendorf ziek en overleed. Enea bezorgde zijn vriend een plechtige begrafenis in de dom van Siena.


[1] Cf. http://www.constitution.org/rom/de_officiis.htm.

[2] Cf. http://penelope.uchicago.edu/Thayer/E/Roman/Texts/Cicero/Laelius_de_Amicitia/text*.html.

[3] Lucas, 24:28 (Emmausgangers).

[4] Deuteronomium, 32:13; misschien citeert Enea hier uit de Summa Liturgica van Guillaume Durand, bisschop van Mende (Rationale divinorum officiorum: liturgisch handboek), dat vanaf 1300 zeer populair was.

[5] In een brief aan Giovanni Peregallo van 16 april 1444 (Wolkan, I, 136) schrijft Enea: ‘jouw oude brieven heb ik bij me; ik heb ze niet beantwoord, omdat ik mij nu eens in de Steiermark, dan weer in Karinthië, dan weer in Carniola ophoud, te midden van barbaren en woeste volkeren.’

[6] ‘Vir litteratus magnaque virtute preditus’ (een geletterd man gezegend met een groot talent) noemt Enea hem in een brief aan Adam des Moulins (26 okt. 1445; Wolkan, I, 191)

 

   


 

  

De dichter Enea Silvio groet Michael Pfullendorf, protonotarius van de koninklijke kanselarij, hartelijk.

 In het gevolg van de kanselier, de edele heer Kaspar, waren wij op terugweg vanuit Neurenberg, toen jij me tijdens de rit verzocht om aan jou, die op het punt stond naar je vaderland terug te gaan, iets te schrijven. Want, zei je, je dacht dat ik mij het liefst op die manier met jou zou verzoenen. Ik heb mij toen plechtig voorgenomen niet te zullen schrijven, als niet eerst een brief van jou gekomen was. Ik heb daar lang op gewacht en omdat ik er inmiddels van overtuigd ben dat blijven wachten tot jij schrijft geen zin heeft, heb ik besloten aan jouw wens te voldoen en als eerste een brief aan jou te laten bezorgen. Maar als je de waarheid wilt horen, en dat zou toch moeten: ik doe dit niet zozeer ter wille van jou, ik doe het voor mijzelf. Want er komen verschillende mensen bij me die graag willen weten, waarom er onenigheid tussen ons is ontstaan. Immers onze vriendschap was algemeen bekend en wij gingen door voor een Pythagoreisch stel vrienden, omdat men zag hoe wij al ons bezit en boeken deelden. Maar toen wij later gescheiden begonnen te leven, informeerde iedereen wat ons uit elkaar had gedreven; sommigen legden de schuld bij jou, anderen bij mij, weer anderen bij ons beiden. Ik van mijn kant, wanneer ik er tenminste over wil spreken, zuiver mijzelf van blaam en verdedig mijn zaak zonder pleitbezorger, zoals ook jij ongetwijfeld doet. Want zelfs Prokop uit Bohemen, een hoogstaand man die ons beiden zeer graag mag, was door jouw woorden zo overtuigd, dat er een grote redevoering aan te pas moest komen voordat ik zijn mening heb kunnen veranderen, zo had jij op hem ingesproken. Hij meende namelijk dat de fout eerder bij mij dan bij jou lag. Maar toen hij mijn argumenten had aangehoord, heeft hij zijn oordeel bijgesteld en nu meent hij dat niet ik de plichten van de vriendschap heb geschonden, maar jij, en zo is het ook. Maar het valt mij erg zwaar tegenover ieder die daarnaar vraagt, rekenschap af te leggen. Want hoe langer onze goede verhouding geduurd heeft, des te meer is zij bij allen bekend geworden. Daar viel mij echter in wat de Florentijn Papio[1] eens gedaan heeft: hij had zijn mantel met een olievlekje besmeurd en wanneer hij door de stad liep kreeg hij telkens te horen: ‘Papio, waarmee heb jij je mantel toch zo vuil gemaakt?’ omdat hij het vervelend vond om iedereen te antwoorden, naaide hij een reepje perkament op zijn mantel waarop geschreven stond: ‘OLIE’. Vanaf dat moment werd hij niet meer lastig gevallen door opmerkingen van wie dan ook, want dat reepje kwam tegemoet aan elke vraag. Dat moet ook ik doen. Ik zal je de beweegredenen schrijven waarom ik mij van jouw vriendschap heb losgemaakt. Als iemand mij dan een verhoor zal afnemen, kan ik hem naar de brief verwijzen; daarin kan ieder de oorzaken lezen die tot ontbinding van onze vriendschap hebben geleid, en dat de schuld niet bij mij, maar bij jou gelegd moet worden. En tegelijk zal ik voldoen aan jouw wens een brief van mij ontvangen. Ik geef namelijk toe dat ik al eerder bezig ben geweest een eind te maken aan de vriendschap, toen ik zag dat ik niet de man had uitgekozen die op de lange duur mijn vriend kon blijven. Niemand hoeft zich te verwonderen dat onze goede verstandhouding twee jaar geduurd heeft, want echte vriendschap blijkt niet in een tijdsbestek van twee jaar, nauwelijks een mensenleven biedt voldoende tijd om vriendschap te testen. Het komt voor dat mensen een zachtaardige en bescheiden indruk op ons maken, maar na verloop van tijd laten ze hun ware aard blijken. Want sommigen zijn in staat de gebreken van hun natuur een tijd lang te verbergen, maar om dat tot het eind toe vol te houden lukt hen niet; eens moeten ze hun ware aard tonen en dat betekent het einde van de vriendschap; immers, wat men liefhad, bestaat niet meer. Ik denk dat je al voelt waar ik heen wil. Ik beschuldig jou niet van enige fout, maar ik bedoel te zeggen: jij bent een ander dan degene voor wie ik je hield. Ik dacht dat jij met mijn karakter overeenstemde en daarom hield ik van je. Jij hebt ook gedaan alsof jouw natuur geheel gelijk was aan de mijne. Omdat jij daarmee nu niet doorgaat en niet meer de man bent die je eerst was, is ook mijn liefde voor jou niet meer die zij was. Ik van mijn kant ben altijd dezelfde man gebleven met wie jij in het begin je leven deelde. Als ik dus nu niet iemand ben om van te houden, ben ik ook in het begin niet iemand geweest die liefde verdiende. Ik zeg dat niet om te bewijzen dat ik goed ben en jij slecht of dat ik een oprecht karakter heb en jij een vals. Misschien ben jij wel goed en ik slecht. Hoe dan ook, liefde kan geen stand houden bij onverenigbaarheid van karakters. Maar om een lang verhaal kort te maken, ik zal je zeggen wat mij belet jouw vriend te zijn, en je uitleggen waardoor je mij gekwetst hebt. Een verschil in ons karakter zit hierin, dat jij een man van veel woorden bent, ik van weinig; jij bent op geld uit, ik hecht er niet aan; jij neemt af en toe tijd voor de literatuur alleen maar om er profijt van te trekken, ik verkeer in haar gezelschap om rust te vinden voor mijn geest; jij bent star en grof, ik buigzaam en zachtaardig; jij geniet meer van eten, ik van de liefde; jij wil nooit gaan slapen wanneer de nacht valt, nooit opstaan wanneer de dag aanbreekt; ik zou het liefst, wanneer ik wat gerust heb na het avondmaal, gaan slapen en voor dag en dauw opstaan. Jij staat in aanzien, mijn positie is bescheiden. Dat zijn de verschillen tussen jou en mij. Als jij het niet wil toegeven, zal ik me verlaten op het oordeel van hen die jou en mij uit de praktijk kennen. Zeker echter is dat, toen wij de fundamenten legden van onze vriendschap, overigens waren dat slechte fundamenten, jij volstrekt niet dat gezicht liet zien; integendeel, je liep zo volkomen met mij in de pas, dat wat mij beviel ook jou ter harte leek te gaan, en met dat slimme spel heb je mij erin laten lopen. Later echter heb jij je houding veranderd en je vroegere natuur weer aangenomen. Welnu, als jij je leven verandert, hoor ook ik mijn liefde te veranderen. Jij vraagt: ‘Wat heeft jou dan zo gehinderd?’ Veel, Michael, wees maar niet bang. Je hebt mij met je woorden geprikkeld, meerdere malen heb je tegenover tafelgenoten gezegd dat ik lichtzinnig ben en mij van veel ondeugden beticht; al heb je misschien gelijk, want ik weet dat ik vaak tot mijn nek in de problemen zit, jij had mij niet op de vingers moeten tikken ten overstaan van anderen maar onder vier ogen; en als ik mijn leven niet had gebeterd, had jij, zoals het evangelie gebiedt, er een of twee mensen bij kunnen halen om het pas in laatste instantie tegen de hele kerk te zeggen. In mijn gezicht heb je me steeds geprezen en mij in alle opzichten gevleid, achter mijn rug echter heb je mij met de vinger nagewezen en mij belachelijk gemaakt. Dat heb ik dikwijls gehoord van mensen die jij en ik kennen. Je kunt niet ontkennen dat je niets hebt heel gelaten van mijn blijspel Chrysis dat ik in Neurenberg heb geschreven.[2] Het gaat er mij niet om dat jij mijn geschriften bekritiseert, hoewel dat veel invloed heeft, ik heb zelfs niet gewild dat mijn dichtkunst door jou wordt geprezen, omdat lof, afkomstig van iemand die er geen verstand van heeft, van generlei waarde is. Maar ik weet hoe jij bent. Bovendien had je, als mijn werk gebreken vertoont, mij moeten waarschuwen, dan had ik het kunnen bijvijlen. Jij echter stak niet zozeer de draak met het dichtwerk maar met de auteur, en schilderde mij af als iemand die men niet serieus kan nemen, omdat ik een blijspel had geschreven; alsof de blijspeldichters Terentius en Plautus niet populair zijn geweest.

    Genoeg hierover. Er zijn andere zaken die mijn naam meer geschaad hebben. Jij hebt mij vijfentwintig goudstukken geleend, een grote dienst een vriend waardig. Iemand die in geldzaken betrouwbaar is gebleken, kun je veilig alles toevertrouwen, geld is het tweede bloed. Jij bent mij, ik kom ervoor uit, in benarde omstandigheden te hulp gekomen, ik zal nooit bestrijden dat je mij daarom aan jou verplicht hebt. Je hebt het te leen gegeven geld opgeëist, ik ben er niet over in discussie gegaan, maar aangezien ik zelf zonder geld zat, heb ik bij iemand anders geleend om jou te kunnen terugbetalen. Tot zover is alles in orde. Een paar dagen later echter, toen je mij iets vroeg waaraan ik niet kon voldoen, heb je gezegd dat ik boos was, omdat jij jouw geld had teruggevraagd. Daar heb je mij werkelijk veel kwaad mee gedaan. Wie zou mij immers voortaan nog geld toevertrouwen, als ik boos word, wanneer men het terugvordert? Jij hebt mij een groot vergrijp aangewreven en mij des te heviger op mijn ziel getrapt, naarmate ik verder afstond van die boze opzet. Meer naar waarheid had je kunnen zeggen: ‘Enea is anders tegen mij, omdat ik hem niet weinig gekleineerd heb, of omdat ik mij niet gevoegd heb bij zijn drinkebroers, of omdat ik mensen die hem kleineerden niet terecht gewezen heb.’ Dat, Michael, heeft mij buitengewoon gestoord. En als je zegt dat ik al vóór die tijd niet meer zo aardig was als anders, zal ik dat niet ontkennen. Want ik voelde me door jouw hatelijkheden gekwetst; maar dat betrof wonden die zonder veel moeite te genezen waren, als er geen andere dingen bij waren gekomen. En zelfs jouw bewering dat ik kwaad was vanwege het terugvorderen van geld kan makkelijk uitgewist worden. Al voordat je namelijk dat geld terugvorderde, voelde ik niet mij niet meer zo verbonden met jou als vroeger, omdat ik ontdekt had wat je achter mijn rug om over mij had gezegd; ik overwoog om geleidelijk afstand van je te nemen en deed, de uitspraak van Cicero indachtig, mijn best om de band van onze verstandhouding niet te verbreken maar losser te laten worden.[3] Dat ik in een later stadium het touw van de liefde heb doorgehakt, lag aan jou. Toen je tegenover anderen volhield dat ik jou de terugvordering van het geld kwalijk nam, heb ik gedaan wat zeelieden doen, als er gevaar dreigt: zij maken het schip niet los maar kappen de touwen. Dat was, meen ik, een voldoende reden om de vriendschap te ontbinden. Want dat je de kist die je mij geleend had, aan onze vriend Jakob[4] hebt verkocht en jouw boeken hebt teruggevraagd, terwijl je die van mij hebt gehouden, reken ik je niet aan, maar schrijf ik toe aan de wrevel die al ontstaan was. Als jij vindt dat ik onwaarheid heb gesproken, kun je mij van repliek dienen en terugschrijven. Ik ga liever af op het oordeel van een ander dan van mijzelf en zal deze brief, als beschermster van mijn eer, aan allen die mij ondervragen over onze scheiding, ter inzage geven. Tussen ons echter zal de eerste liefde en eerste genegenheid niet meer tot leven kunnen komen en de vriendschap die er geweest is niet meer bestaan, als niet ook de vertrouwelijkheid en de intieme omgang terugkeert die er vroeger was, en als ik mijn goede naam niet hersteld zie.

    Ik wens je het beste, en als wat ik schrijf harder aankomt dan je kunt verdragen, denk er dan aan dat ook jij scherper over mij gesproken hebt dan gepast is onder vrienden. Ik zou jou liever onder vier ogen verwijten willen maken dan tegenover anderen iets van jou te zeggen wat jouw eer kan beschadigen of jou benadelen. Want al is de vriendschap voorbij, daarmee is het wederzijds respect dat er tussen mensen moet zijn niet gedoofd. Nogmaals het beste. Wenen, 1 oktober 1444.


 

[1] Papio:  een komische figuur uit de moppentrommel van Florence.

 

[2] Najaar 1444.

[3] Cicero, de Amicitia, XXI, 73; cf. http://www.forumromanum.org/literature/cicero/amic.html#76.

[4] Jakob Widerl

 


Eneas Silvius poeta salutem plurimam dicit Michaeli de Phullendorf, regie cancellarie protonotario.

 Sequebar magnificum virum dominum Gasparem cancellarium ex Nuremberga recedentem, cum inter equitandum rogasti me, ut tibi, patriam tuam revisuro, aliquid rescriberem, nam sic potissime reconciliatum me tibi censeres. ego tunc non spopondi me scripturum, nisi tue ad me littere prius devenissent. nunc cum diu expectarim scripta tua jamque mihi satis persuadeam in vanum me manere, ut scribas, deliberavi tuo desiderio morem gerere prioresque meas litteras ad te dare, quod si verum audire vis, debes autem velle, non tantum tui causa faciam quantum mea. veniunt enim ad me plures queruntque diligenter ex me, cur inter te meque turba fuerit. nota enim omnibus erat amicitia nostra et quasi Pictagoreos amicos nos omnes arbitrabantur, cum et libri et bona omnia inter nos communia viderent. at cum postea seorsum inceperimus vivere, sciscitantur omnes, cur hoc discidium intercesserit et aliqui te, aliqui me incusant, nonnulli utrumque. at ego, cum mihi de re hac verbum fit, expurgo me ipsum et causam meam sine advocato defendo, sicut et te facere non ambigo. nam et Procopius Bohemus, vir prestans nostrique amantissimus, ita tuis verbis persuasus erat, ut oratione magna opus fuerit, antequam ejus opinionem mutare potuerim, quia tu eum imbueras. existimabat enim homo, me potius quam te peccavisse. sed auditis tandem rationibus meis sententiam variavit jamque, ut est, non me amicitie jus violasse sed te, sicut est, putat. sed est mihi permolestum unicuique poscenti reddere rationem, nanque ut diuturnior nostra benivolentia fuit, eo notior omnibus fuit. sed venit in mentem, quod Papius Florentinus fecit. is cum pallium olei pauxillo maculasset, quia se per urbem euntem singuli percontabantur, quidnam esset, quod pallium deturpasset, cum graviter  omnibus responderet, scedulam pergameni pallio consuit, in qua scriptum erat: oleum. nec posthac voce cujusquam vexatus est, occurrebat enim interrogationi cujuslibet scedula. ita et mihi faciendum est. scribam ad te causas, cur ex tua me subtraxerim amicitia. si quis deinde scrutatus me fuerit, ad epistulam hanc remittam, ex qua poterit quisque et causas dissolutionis amicitie nosse et non me culpandum, sed te potius, fuisse. et satisfaciam tibi, qui meas litteras te cupere significasti. fateor enim, me priorem fuisse in amicitia dirimenda, cum viderem, non elegisse me virum, qui posset in amicitia mea esse diuturnus. nec propterea mirari quisquam debet, quod benivolentia nostra biennalis fuerit nec enim anni duo veram amicitiam ostendunt, sed vix etas hominis satis comprobat amicitiam. plures sunt, qui nobis ab initio placidi et humiles viderentur, sed ii successu temporis quales sint apparent. possunt enim aliqui nature vitia ad tempus tegere, in perpetuum tegere non possunt. necesse est enim, ut sese aliquando quales sint demonstrent, quod cum fit, solvitur amicitia, quia perditum est, quod amabatur. jam te arbitror, quo pergam, intelligere. non insimulo te alicujus vitii, sed ajo, te alium esse quam rebar. putaram, te meorum morum esse conformem ideoque te amavi. et certe finxisti te nature mee admodum similem. nunc quia non continuas nec ille es, qui antea fuisti, nec amor meus erga te ille est. ego, ut vixi ab initio tecum, sic perseveravi semper. itaque, si nunc non sum amandus, nec in principio diligendus fui. nec ista dico, quod me bonum, te malum arguam aut mores meos sinceros dicam et tuos impuros. potest esse, ut tu bonus sis, ego malus. utcunque est, non potest amicitia perdurare, ubi mores dissimiles sunt. sed ne sic divagando rem faciamus longiusculam, dicam tibi, quid est, quod me non sinit esse amicum tuum et, quibus in rebus injuriatus sis mihi, exponam. morum diversitas est in hoc, quod tu multorum verborum es, ego paucorum, tu pecuniis studes, ego eas parvifacio, tu litteris ad lucrum aliquando vacas, ego ad quietem animi sequor eas. tu rigidus et atrox, ego lenis et facilis, tu cibis plus quam Venere oblectaris, ego plus Venerem amo quam cibos. tu nocte adveniente nunquam dormire et mane nunquam surgere vis, ego post cenam, paululum postquam quievi, dormire vellem et ante lucis adventum surgere. tu clarus, ego humilis. sunt he inter te meque differentie. quod si fateri nolis, eorum judicio stabo,

 qui te meque diu noscunt. at certe; cum prima inter nos jacta sunt amicitie fundamenta, que certe male jacta fuerunt, tu haud talem te monstrabas, sed eras mihi admodum morigerus ita, ut quicquam mihi placeret, idem et tibi videretur cordi talique arte me inviscasti. sed mutasti postea modum vivendi et ad priorem naturam tuam redisti. quod si tu vitam mutas, decet et me amorem mutare. dicis; quid est, quod tibi obfuerit? multa sunt, Michael, ne vereare. lacessisti me lingua, dixti pluries inter commensales me levem multisque vitiis me insimulasti, que si fortasse vera fuerint, scio enim me miseriis involutum, decebat te, non inter alios sed inter te meque corripere et si me non emendassem, sicut evangelii lex jubet, adhibere unum poteras vel duos ac postmodum ecclesie dicere. at tu me coram semper laudasti blanditusque mihi magnopere fuisti, post tergum vero monstrasti me digito atque subsanasti. sunt noti tui meique, ex quibus sepe audivi hec. nec tu negare potes, quin comediam meam carpseris, quam de Chriside feci Nuremberge. non est mihi cure, quod mea scripta tuo judicio reprobentur, quamvis magnum est, nec ego laudari musam meam ex te volui, quia non est digna laus, que ab homine rei non perito venit, sed noto animum tuum. preterea si quid vitii inerat, decebat te me admonere, ut limassem. at tu nedum carmen sed auctorem quoque irridebas meque perlevem accusahas, qui comediam scripsissem, tanquam non laudi Terentius et Plautus habiti sint, qui comedias scripserunt.

sed mitto hec. alia sunt, que fame mee plus obfuerunt. quinque et viginti aureos mutuo mihi dedisti, magnum officium et amico dignum. nam cujus tu fidem in pecunia cognoveris, tuto illi omnia credas, argentum est alter sanguis. subvenisti mihi, fateor, in re necessaria nec ego unquam inficias ibo, me tibi propterea obligatum fore. repetisti ex me mutuum, non communicavi verbum, sed cum ipse pecunia vacuus essem, ex alio mutuatus sum, quod tibi restituerem. bene hucusque actum est, post dies exinde aliquos, cum ex me nonnichil peteres, quod prestare non poteram, dixti, me tibi suscensere ac propterea succensere, quod tuum es repetisses. magna profecto hec injuria fuit. nam quis posthac mihi nummos credat,

 si repetenti irascar? magno me crimine insimulasti tantoque meum animum offendisti magis, quanto ab ea intentione eoque vitio magis abfueram. verius dicere poteras, ideo erga me alius est Eneas, quia nonnichil sibi detraxi, aut quia non affui sibi in perceptione bibalium, aut quia sibi detrahentes non redargui. hoc me, Michael, mirum in modum turbavit. quod si dicis, antea quoque me tibi fuisse solito graviorem, non negabo. sciebam nanque me tuis morsibus lacessitum, sed erant illa vulnera, que non egre curari poterant, si alia non supervenissent. et quippe, quod tu dicebas, me propter repetitionem pecunie commotum, facile potest confutari. nam et antequam pecuniam repeteres cognitis, que de me dixeras clanculo, non eram tibi ex consuetudine prisca conjunctus paulatimque studebam, me disjungere memorque Ciceronis sententie non rumpere benivolentie vinculum sed solvere nitebar. quod autem postea truncavi amoris funem tua culpa fuit. cum me coram aliis propter pecuniam tibi molestum assereres, feci ergo tunc, ut naute faciunt, qui adveniente periculo non solvunt navem sed retinacula incidunt. hec credo satis fuisse ad amicitiam dirimendam. nam quod cistam mihi commodatam vendideris Jacobo nostro quodque tuos libros repetieris et meos retinueris non vitio do, sed indignationi jam suborte tribuo. si quid me hic mentitum putas, redarguere potes mihique rescribere. ego alienum potius quam meum judicium sequar et hanc epistolam, honoris mei tutricem, omnibus dabo, qui de nostra separatione quesiverint. inter me autem et te primus amor primaque caritas revivere non poterit nec amicitia esse, que fuit, nisi et mores et convictus redeant, qui ante fuerunt famamque meam videam restitutam.


vale et si durius scribo quam ferre queas, memento et te de me locutum fuisse acerbius quam inter amicos deceat. ego te potius solum solus arguere volo, quam inter alios de te aliquid dicere, quod tuo possit honori vel utilitati detrahere. nam etsi soluta est amicitia, non tamen que inter homines esse debet cum honestate societas est extincta. iterum vale. ex Vienna, kalendis octobris 1444.

 

 

 

 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen