|
Enea
Silvio groet zijn vriend Piero.[i]
Niet alleen geloof
ik ernstig tekort geschoten te zijn jegens mijn heer, de hoogeerwaarde
kardinaal van Santa Croce[ii]
en magister Thomas,[iii]
maar ook tegenover jou, dat ik uitgerekend nu mijn vaste gewoonte om te
schrijven heb onderbroken, nu zich zaken in het concilie hebben afgespeeld
die echt het weten waard en bijzonder belangrijk zijn. Want ik moet toegeven
dat tot op heden uit bijna heel de wereld nieuws is binnengestroomd bij het
concilie, maar dat nu, als handelt het om de aflossing van een deposito,
nieuws vanuit het concilie naar buiten komt. Het kan verkeren, luidt het
gezegde. Ik heb echter gehandeld als velen, die de gewoonte hebben om geld,
dat zij per maand schuldig zijn, om te zetten in een jaarbedrag en die
in
één som aflossen wat zij in gedeelten hadden te voldoen. Ik heb namelijk
niet gezwegen om niet te hoeven schrijven, maar om in één keer alles te
schrijven, er hing namelijk steeds iets in de lucht dat het noteren ten
volle waard was. Nu echter is de zaak, naar ik meen, niet in het slop
geraakt, maar voor een aantal dagen ingeslapen. Ik aarzelde dat alles te
schrijven aan mijn heer, uit vrees dat hij mij lastig zou noemen, omdat ik
niet met een brief maar met hele boeken aankom, wat bij een man die het zo
druk heeft ondenkbaar zou zijn, een vrees die ook magister Thomas betreft.
Maar wat dan? Had ik moeten zwijgen of maar liever jou alles vertellen,
iemand van wie ik nooit heb gemerkt dat jij het te druk hebt voor mijn
brieven; ze zijn bij jou meer welkom dan ze het verdienen, jij die zo
ontwikkeld bent dat ik ervoor terugschrik je iets te sturen dat in klad is
geschreven en waaraan nog niet de laatste hand is gelegd. Lees het toch maar
om onze heer erover te laten beschikken zodra hij even vrij is, al komt dat
hoogst zelden voor bij deze belangrijke man. Als dat er niet inzit, wees jij
dan mijn Orestes
en doe naar bevind van zaken aan onze meester
beknopt verslag van deze brief.[iv]
Je zult dan nu van
mij een overzicht krijgen van de loop der gebeurtenissen en het geharrewar
van alle partijen. Want even graag als jij leest, schrijf ik over de
gebeurtenissen van het concilie. Wel was het mij liever dat het er rustiger
en vrediger aan toeging en alles meer naar wens verliep. Hoe dan ook, men
dient de feiten onder ogen te zien, ook al stemmen ze niet tot blijdschap en
zijn ze niet geweldig, en omdat het mij liever is dat je ze van mij hoort
dan van iemand anders, die of geen volledig of geen waar beeld zou geven,
zal ik je volledig opening van zaken geven. Geen verdere omhaal dan van
woorden en aan de slag nu.
Toen omwille van
de Grieken het concilie moest verhuizen en men een andere plaats diende uit
te kiezen, kwam Avignon in aanmerking in die zin dat, indien de Grieken,
daarnaar gevraagd, Bazel zouden afwijzen, zij naar Avignon werden
uitgenodigd; als daar evenwel geen concilie kon plaats vinden, zou men hen
naar Savoye leiden. Daarbij werd als voorwaarde gesteld de levering van vier
galeien, het aanwerven van driehonderd boogschutters of zogeheten
kruisboogschutters en een lening van zeventigduizend goudstukken, binnen
een maand te verstrekken, of door de stad Avignon of wie maar haar plaats
zou innemen. Binnen een maand echter werd geen betaling gedaan noch werd
enige voorbereiding getroffen. Daarop was naar de opvatting van velen de
keuze verlopen en moest er opnieuw gekozen worden; dat idee haalde het niet
en kon niet bij de deputaties worden ingediend, omdat zowel de Fransen als
verschillende anderen bij hun standpunt bleven en niet van Avignon konden
worden afgebracht; de burgers van Avignon werden dag in dag uit met
boodschappers en brieven onder druk gezet om te betalen; toen zij moeilijk
bleven doen of althans te traag met betalen, dacht men dat het zou helpen,
wanneer men gezanten zond om hen uit hun sloomheid wakker te schudden en tot
betaling te bewegen. Voor Griekenland waren vier bisschoppen uitgekozen uit
vier naties:[v]
als gezant van de keizer de bisschop van Lübeck,[vi]
al gezant van de koning van Frankrijk de bisschop van Viseu,[vii]
die van Parma[viii]
en Lausanne[ix]
louter als vertegenwoordigers van het concilie. Deze nu moest men naar
Avignon zenden, werd gezegd, om daar het geld te innen en vervolgens zee te
kiezen naar Griekenland. Er ontstond al direct onenigheid bij de
concilievaders over de instructies van de gezanten, vooral echter over het
decreet, dat de Fransen wilden uitvaardigen over de verkiezing, over de
tiend die aan de clerus was opgelegd en over de haven waar de Grieken
moesten landen. Nu kon je zien hoe twee partijen binnen het concilie
opereerden: aan de ene kant de Fransen met een klein aantal Duitsers en
Spanjaarden, aan de andere kant de overigen. Intussen arriveerde de Griekse
gezant Johannes Disypatos,[x]
hetgeen ‘tweemaal consul’ betekent; zijn woorden voegden een belangrijke
hinderpaal toe: Avignon wees hij namelijk uitdrukkelijk van de hand, omdat
het niet voorkwam in het decreet dat samen met de Grieken was uitgevaardigd,
noch de goedkeuring droeg van de paus, en hij wees erop dat de Grieken niet
gehouden waren aan Savoye dat ten Noorden van de Alpen ligt, maar Savoye aan
de overzijde van de Alpen in Italië, omdat zij, toen zij instemden met het
decreet, ervan uitgingen dat met Savoye bedoeld werd het grondgebied van de
hertog van Savoye dat in Italië ligt. De Fransen zeiden dat hij in Venetië
was omgekocht, omdat hij geen instructies had kunnen krijgen over iets dat
nog niet bekend was; want het stond vast dat hij uit Constantinopel was
vertrokken, voordat men voor Avignon had gekozen. En zo bleef men bij het
ingenomen standpunt en vond de ene partij dat men onverwijld gezanten moest
zenden en wilde de andere voorzichtiger zijn en hen nog vasthouden. De
onenigheden werden met de dag groter. De splijting zou openlijk aan de dag
zijn getreden, als de Spanjaarden en enige anderen niet bemiddeld hadden om
de eendracht te bewaren; door hun tussenkomst sprak men tenslotte af dat er
gezanten naar Avignon zouden gaan; als zij binnen dertig dagen vanaf hun
vertrek uit Bazel in bezit zouden zijn van het geld en dit binnen twaalf
dagen hierop volgend volgens de regels zouden bekend maken aan het heilig
concilie, moest er onmiddellijk een decreet tot stand komen over de keuze
van de plaats, de tiend en de gelegenheid die aan de gezanten was gegeven om
een haven te noemen en konden de gezanten rechtstreeks doorreizen naar de
Grieken. In het andere geval zou het heilig concilie vrij zijn om te kiezen
voor een andere plaats. Dit werd zonder tegenstem goedgekeurd op gezag van
de deputaties. Dus zond men de gezanten terstond op pad en zij hebben
ongetwijfeld oprecht en naar eer en geweten gehandeld; toch kan ik niet
ontkennen dat hun mandaat verstreken is. Maar de ongeregelde massa heeft
gemakkelijk spotten, die iets onnozel vindt, wat in goede staten van het
hoogste belang wordt geacht. Bij hun vertrek uit de stad moedigden zij de
Griekse gezant aan om mee te gaan; hij weigerde waarop zij met bekwame spoed
naar Avignon reisden; ze werden echter onderweg een paar dagen opgehouden
bij de
hertog van Savoye.[xi]
Voor de burgers van Avignon was hun komst welkom, maar het was moeilijk om
het geld bijeen te krijgen en zij, die het zouden geven, verlangden een
garantie wat betreft de teruggave; men achtte het van het hoogste belang dat
de koning van Frankrijk bereid was het opleggen van een tiend in geheel
Frankrijk toe te zeggen. Aldus begaf men zich naar de koning die zich op dat
moment te Montpellier
ophield; hij willigde inderdaad het verzoek in.
Intussen waarschuwden pauselijke boodschappers de burgers van Avignon tegen
het geven van geld. Zij hielden hen voor dat noch de Grieken noch de paus
instemden met Avignon en maanden hen om zich niet, de ene keer van hun stuk
gebracht door de slechte raad van één kardinaal, dan weer door de suggesties
van een andere, op een dwaalspoor te laten brengen. Sommigen zagen in de
eerstgenoemde de kardinaal van St. Eustachius,[xii]
in de tweede de kardinaal van Arles.[xiii]
Onder de burgerij heerste, naar ik heb gehoord, een geweldige tweedracht:
sommigen wilden de paus ontzien, anderen vonden dat men het heilig concilie
moest steunen. Maar zoals meestal gebeurt, de meerderheid won het van het
betere deel en men besloot hoe dan ook een lening te verstrekken. Intussen
was de algemene verwachting dat Avignon niet zou voldoen aan de voorwaarden
en men vond een nieuwe keuze nodig en de verschillende partijen keken uit
naar uiteenlopende hulp. Galeazzo
van Mantua ging zover dat hij zich
wendde tot de keurvorsten om afgevaardigden te zenden die de paus in het
concilie zouden steunen, anderen benaderden weer andere vorsten. De hertog
van Milaan zond met spoed een groot aantal geestelijken, maar die kwamen wat
te laat. Er verscheen een tweede Griekse gezant die geheel op één lijn zat
met genoemde Disypatus. Vlak voor het einde van de termijn was de
aartsbisschop van Tarente[xiv]
aanwezig, die ook door onze heer was gezonden met het oog op de keuze van de
plaats, een man van een niet alledaagse welsprekendheid en daarbij iemand
met een vastberaden en onverschrokken gemoed.
Toen de termijn al
verstreken was, kwamen de inwoners van Avignon alsnog tot een bepaalde
afspraak met de gezanten van het concilie en droegen hen op om het concilie
in deze trant te schrijven: zij konden erop vertrouwen dat de burgers hen al
het geld zouden geven zodra het concilie een decreet liet uitgaan aangaande
de keuze en de tiend. Het tijdstip om het concilie op de hoogte te brengen
viel na de dertig dagen die bepaald waren voor de betaling. Zo kwam er een
brief binnen van de gezanten die op elf april gedateerd was, de laatste dag
van de termijn; zij werd de volgende dag in een algemene vergadering
voorgelezen. De hele vergadering raakte in opwinding en begon, alsof de
betaling al een feit was, te juichen en te roepen dat nu het decreet moest
worden uitgevaardigd. Bijna alle pauselijke gezanten gingen daar tegenin:
men moest Avignon dat al die tijd niets had ondernomen, niet nog meer
respijt geven; in de brief van de gezanten werd niet aangegeven dat de
inwoners van Avignon betaald hadden, maar het geld slechts toe hadden
gezegd; de concilievaders, luidde hun advies, moesten dus tot een nieuwe
keuze overgaan. De kardinaal van Santa Sabina[xv]
hield tegen zijn gewoonte in niet een kalme rede maar sprak in tomeloze
vaart, zonder zijn woorden te onderbreken. Want hij was voortdurend bevreesd
voor interrupties, waaraan hij inderdaad niet kon ontkomen. Want toen hij
iets te berde wilde brengen in naam van de Apostolische Stoel, werd hem door
een luid roepende menigte het spreken onmogelijk gemaakt en velen vroegen
zich af of er niet gesproken ging worden van de ontbinding van het concilie.
Die dag hadden de concilievaders op velerlei punten verschil van mening. De
aartsbisschop van Lyon[xvi]
had een aanvaring met zijn collega de bisschop van Digne[xvii]
en hoewel zij niet handgemeen werden, bespaarden ze elkaar geen enkel
scheldwoord. Ook onder de gezanten uit Aragon brak onenigheid uit, van wie
sommigen neigden tot de aartsbisschop van Palermo,[xviii]
anderen tot de protonotarius[xix]
Lodovico.[xx]
Ik wil niet iedereen met name noemen, maar het geschreeuw bij de
minderbroeders was zo groot dat, vergeleken daarmee, dronkaards in de kroeg
zich ingetogener gedragen. De deputaties die volgden waren vol beroering. De
aanbevelingen waren niet eensluidend; immers de vraag werd aan de
orde gesteld of een decreet moest worden uitgevaardigd of dat opnieuw
gekozen moest worden. De deputatie van de vrede, waar de Fransen het
meest voor het zeggen hadden, was reeds tot de conclusie gekomen dat er een
decreet moest worden uitgevaardigd, terwijl de andere deputaties nog aan het
beraadslagen waren. Bovendien hadden de pauselijke legaten documenten van de
volgende strekking laten aanreiken en voorlezen in de afzonderlijke
deputaties: omdat Avignon niet op tijd aan de voorwaarden had voldaan, moest
een volledig nieuwe keuze worden gemaakt, waarbij zij opteerden voor
Florence of Udine of een ander, in het decreet genoemd grondgebied, dat voor
de paus en de Grieken acceptabel was; van deze moest die stad gekozen
worden, die als eerste met een lening over de brug kwam en schepen had klaar
liggen. Als haven noemden zij Venetië, Ravenna of Ancona, of een van de
havens die de voorkeur had van de Grieken. Ongeveer vijftig leden schaarden
zich achter de voorstellen van de legaten, enkele twijfelden en sloten zich
bij geen van de partijen aan, de rest vond dat het decreet moest worden
uitgevaardigd. Het toeval wilde dat de voorzitters van drie deputaties het
voorstel van de legaten steunden. Johannes van Palomar, gezant van de koning
van Aragon, was voorzitter van de deputatie van het geloof, een bijzonder
kundig en wijs man. Toen hem werd verzocht om naar goed gebruik bij zijn
conclusie de meerderheid te volgen, volgde hij het schrijven van de legaten,
waarbij hij aanvoerde dat die partij de meerderheid bezat die zich achter de
legaten had opgesteld, want van hen die niet hadden gekozen, telde die dag
de stem niet mee. Hetzelfde deed de abt van
Maulbronn, die de
deputatie van de algemene zaken voorzat. De bisschop van
Pressburg
was voorzitter van de deputatie van de hervorming
en wilde niet
stemmen voor enige partij, maar de bisschop van Tarente stemde voor de
legaten. Voor de anderen stemde de bisschop van Albenga[xxi]
in de deputatie van het geloof, voor het decreet stemde de kardinaal van
Arles[xxii]
en eveneens de patriarch van Aquileia[xxiii]
in de deputatie van de algemene zaken. Kort daarop werden de voorzitters,
hoewel zij niet wilden wijken en volhielden dat zij niet afzetbaar waren,
aan de kant gezet en anderen in hun plaats gekozen. Zodoende waren er nu
zeven voorzitters: in de deputatie van de vrede slechts één, in de andere
deputaties telkens twee. Hiermee lijkt een schisma geboren en als de eenheid
niet herstelt, zal men dit aanmerken als het begin van de verdeeldheid. In
de ogen van de Duitsers vormde de verdeeldheid een ernstige gevaar, zij
waren van mening dat men zich moest inspannen om de vrede te bewaren, anders
bestond de kans dat, terwijl het concilie naar hereniging met de Grieken
streefde, tweespalt zou ontstaan in de Latijnse wereld zelf. Zij wierpen
zich daarom op als bemiddelaars voor de eenheid, maar na meerdere dagen
vergeefs onderhandelen hebben zij hun acties tenslotte opgegeven.
Dus keerde men
terug tot de deputaties. Daar waren de Fransen met hun aanhang voor het
opstellen van een decreet; zij riepen op voor een algemene vergadering op de
volgende dag en een zitting voor de dag daarna. De legaten met hun
volgelingen kwamen tot dezelfde conclusie, van plan om met een eigen decreet
te komen. In iedere deputatie heerste opperste wanorde: aan de ene kant
hekelden de Fransen de legaten dat zij de regels van het concilie schonden,
van hun kant klaagden de legaten dat de Fransen hun woord braken. In de
deputatie van het geloof was de strijd het hevigst. Want hoe geleerder de
mannen daar zijn, des te feller de meningsverschillen. Maar de
woordenwisseling tussen de kardinaal van San Pietro[xxiv]
en die van St. Caecilia[xxv]
spande de kroon. De kardinaal van San Pietro, redelijk en vredelievend mens
als hij is, verklaarde zich bereid om de hele kwestie te onderwerpen aan de
arbitrage van enkele godsvruchtige mannen en zich bij hun uitspraak neer te
leggen. Dit werd door de tegenpartij volledig verworpen, of uit angst voor
vals spel of omdat men erop vertrouwde sterk genoeg te staan. De deputaties
werden ontbonden waarop de partijen in de namiddag afzonderlijk bijeenkwamen
en gescheiden conciliezittingen hielden. Ook de algemene vergadering daarna
was volstrekt aanstootgevend en een droevige vertoning: hoe daar twee
besluiten werden genomen die volledig met elkaar in strijd waren. De
kardinaal van Santa Sabina[xxvi]
werd verboden om een toespraak te houden, maar als een van de meest
scherpzinnige mannen van onze tijd maakte hij slim gebruik van zijn kans om
te spreken. Snel en behendig ging hij uitgebreid in op zijn rechten. Hoe
veranderlijk is het menselijk bestel en hoe onbestendig met name de gunst
van de massa. Eens placht hij door zijn toespraken met dezelfde vaardigheid
het concilie naar zijn hand te zetten als Cicero in zijn tijd de senaat, en
men had voor zijn welsprekendheid evenveel bewondering als de Atheners voor
een redevoering van Demosthenes. Nu werd hij door allen overstemd, wanneer
hij sprak, en stond buiten spel, wanneer hij zweeg. Zijn verdienste echter
is er niet minder om. Want ook Christus werd met de hoogste eer ontvangen
door hen die kort daarop om zijn dood riepen. Ik zwijg over de protesten
tegen de tiend die op die dag klonken. Nadat de algemene vergadering
ontbonden was, werden afzonderlijke conciliebijeenkomsten gehouden over de
vraag in welke vorm de zitting gehouden moest worden, waarbij elk van beide
partijen zich beraadde hoe zij haar recht kon doen gelden. Ieder dat zij
recht had op het altaar en dat de mis door haar leden moest worden
gecelebreerd, alsof een zitting aan die partij werd toegeschreven aan wie
het altaar had toebehoord. De Fransen waren er met het oog op de snelle
afwikkeling van de onderhandelingen voor, dat de deputaties vroeg in de
morgen bijeen kwamen om aan het decreet de bepaling toe te voegen dat, als
Avignon niet binnen een bepaald aantal dagen betaald had, vanaf dat moment
de keuze op Parma of Wenen zou vallen, al naar gelang een van beide steden
het eerst aan de voorwaarden had voldaan. De kardinaal van Arles[xxvii]
kreeg de opdracht dat ook hij de mis zou doen. Beide partijen werkten aan
een wangedrocht en een barbaarse daad zoals men die nooit eerder gezien of
gehoord had: de publicatie van twee decreten die volslagen met elkaar in
strijd waren. Maar wat klaag ik over decreten? Bij één altaar maakten zich
twee priesters op om de mis te celebreren en ieder van beide maakte
aanspraak op de zetel. De goddeloze dag brak aan, meer naar waarheid zou ik
moeten zeggen de heilige, want zij verdroeg niet dat een misdaad begaan
werd. De Fransen begaven zich terstond naar de deputaties, onmiddellijk erna
ging men terug naar de zitting. Intussen namen de legaten hun plaats in en
de bisschop van Tarente had zich reeds aangekleed voor de mis.
Dit is een goed
moment om je de aanvoerders van de partijen te beschrijven, dan weet je
tenminste achter welke rechter ieder zich verschanst. De kardinaal van San
Pietro in Vincoli,[xxviii]
de meest rechtvaardige man die ik ooit gekend heb, geldt als leider van de
pauselijke legaten. Na hem komt de kardinaal van Santa Sabina,[xxix]
een even onverdroten als standvastig man. Na hem de bisschop van Tarente,[xxx]
dan die van Digne,[xxxi]
iemand met meer moed dan welsprekendheid. Vervolgens behoren de bisschop van
Portugal,[xxxii]
woordvoerder van zijn koning, verder nog Lodovico, protonotarius van de
Apostolische Stoel,[xxxiii]
een zeer beroemd rechtsgeleerde, tot dezelfde partij. Daarbij komen de
bisschop van Tivoli en die van Pressburg en enige, niet nader te noemen
Duitsers, van wie ik één naam wil noemen, namelijk die van
Nicolaus
van Cusa
die bekend staat als iemand met een enorme inzet, doorkneed in alle
wetenschappen.[xxxiv]
Ook de ambassadeurs van de keurvorsten delen hetzelfde standpunt; die van
Keulen echter behoort tot geen van de partijen. Ook de Duitse abten behoren
tot de partij van de legaten. De andere partij
heeft de kardinaal van Arles[xxxv]
als leider; geen mens is zo bestand als hij tegen honger en beproevingen en
vooral deze lof verdient hij dat niemand zo goed als hij onheuse
bejegeningen naast zich neer kan leggen. Verder twee patriarchen, die van
Antiochië en van Aquileia, beide door ouderdom versleten. Dan de
aartsbisschop van Lyon, die weinig ziet maar veel begrijpt. Voorts de
aartsbisschop van Palermo,[xxxvi]
niet meer gematigd en zonder moeite leider van zijn partij. Vooral de
Fransen heeft hij achter zich; want thuis als hij is in het kerkelijke en
wereldlijk recht, is zijn advies het meest onderbouwd. Bijna net zo slim is
de bisschop van Albenga,[xxxvii]
die door zijn ervaring op velerlei gebied zeer wijs is.
Waarom jou echter
al deze personen opsommen? Ik wil je er alleen maar van doordringen dat hier
verreweg de meeste prelaten te vinden zijn; waar je echter de grootste
rechtschapenheid aantreft is een ander verhaal. Het merendeel van de
theologen heeft de kant gekozen van de legaten. Toch is dat nog geen reden
voor mij om te denken dat daar meer rechtgelovigheid is. Want de meesten
leven in armoede en voor velen geldt: liever een volle maag dan een holle.
Als je mijn persoonlijke mening wilt horen: in beide kampen tel ik maar heel
weinig mensen van wie ik geloof, dat zij zich louter door rechtvaardigheid
laten leiden. Groot gezag evenwel niet alleen bij mij maar bij heel het
concilie geniet Juan van Segovia, die weliswaar de legaten trouw blijft maar
geen enkel standpunt geheel overneemt. De woordvoerders van de
koning van
Castilië,[xxxviii]
eveneens zeer bedachtzame mannen, nemen een neutraal standpunt in en hebben
zich steeds met grote ijver ingezet voor de eenheid. De aartsbisschop van
Milaan[xxxix]
heeft zich intussen wegens ziekte moeten terugtrekken, hetgeen ook voor zijn
partij een groot verlies betekent, want waakzaam en oplettend als een ware
vader zou hij zijn mensen met raad en daad van nut zijn geweest. Ook de
bisschop van Pavia[xl]
zou verstek hebben laten gaan, omdat enerzijds angst, anderzijds zijn
geweten hem kwelden. Het lagere volk buiten beschouwing gelaten, begaven
beide partijen zich ongeveer met deze helpers in de strijd.
De legaten hadden
hun plaatsen al ingenomen in de kathedraal, de Fransen waren samengestroomd
in de deputaties; zodra hen was gemeld dat de bisschop van Tarente zich
klaarmaakte voor de mis, werden de deputaties ontbonden en stormde men naar
de kathedraal. Geschreeuw steeg ten hemel en het waren niet meer de woorden
van prelaten die men hoorde maar het gejoel van gepeupel, mannen drongen
zich tegen elkaar aan en omdat men in het gedrang zijn handen niet kon
gebruiken, drong men zich met de borst naar voren. Om het hardst werd
gescholden, niemand nam een blad voor de mond. Beide partijen gaven elkaar
de schuld van de splijting. De strijd en die vertrokken gezichten hadden
alles weg van oorlog en het was zeker tot bloedvergieten gekomen, als de
burgers niet tussen beide waren gekomen en de partijen onder bedreiging uit
elkaar hadden gehaald. Het is toch volkomen belachelijk dat zij die bijeen
gekomen waren om aan de wereld vrede te schenken, deze nu zelf nodig hadden,
en dat zij die verkondigden dat zij aan de leken eenheid gaven, die nu zelf
van hen moesten verwachten. Zo voerde men de leiders van de partijen naar
het huis van de bisschop van Cuenca,[xli]
dat vlak bij de kathedraal ligt. De bisschop van Tarente bleef op zijn
plaats, even onverschrokken als onbeweeglijk, alsof hij dacht dat dat rumoer
afkomstig was van een stel kwajongens en niet van volwassenen. Het kan zijn
dat hij zich verliet op zijn grote en bewonderenswaardige geestkracht of
vast vertrouwde op zijn recht en hij was degenen die hem verwijten, ja bijna
dreigementen toevoegden, meer door onverstoorbaarheid de baas dan door tegen
hen in te gaan. Maar uiteindelijk zwichtte ook hij voor de aansporingen van
de burgers en de raad van de legaten en was aanwezig in het huis van de
bisschop van Cuenca. Daar werd met grote bitterheid gesproken, sommigen
gingen zover dat zij zelfs over de afwezige paus smaad en niet te
beschrijven laster uitstortten. Geen oord van vrede was dat, maar meer een
om de tweespalt nog groter te maken. Men achtte het daarom een betere weg om
enkele mannen te kiezen uit beide partijen die bij zowel de Spaanse als
Duitse dominicanen moesten nagaan of dezen een oplossing wisten voor de
vrede. De indruk bestond dat bij de dominicanen gemakkelijker eenheid te
vinden was, hetzij omdat vanaf het begin van de generale synode bij deze
congregatie altijd rust had geheerst, hetzij dat tot nu toe geen kwesties
die de naties raken aan de orde waren geweest, hetzij dat in deze orde van
Godswege een geest van vrede en bewaakster van de eenheid huisde. Nadat dus
bij de Minderbroeders[xlii]
in het verleden dikwijls zonder resultaat over vrede was gesproken, zochten
de partijen nu de verblijfplaats van de dominicanen op, om te zien of men
misschien hier de vrede in ballingschap kon aantreffen. Maar evenmin als bij
de heilige Franciscus kon men haar bij de heilige Dominicus verkrijgen. Want
gedurende zes dagen heeft men er naar vrede gezocht, maar deze nooit
gevonden, omdat beide partijen misschien te zeer aan hun mening vasthielden.
Je vind het
misschien vreemd dat de legaten afzonderlijk met slechts weinigen
vergaderden tegenover de hele rest van het concilie. Luister dan kort naar
de argumenten waarmee ieder zijn standpunt verdedigt. De legaten zeggen: Er
zijn in het concilie twee partijen geweest, die het oneens waren en die het
beiden eens zijn geworden dat er, als Avignon niet betaalde, een volledig
nieuwe keuze moest worden gedaan (zoals wij hierboven al hebben geschetst).
‘Avignon heeft niet betaald, de partijen zijn opgeroepen om te kiezen en
wel overeenkomstig de afspraak. De anderen hebben geweigerd. Dan berust
het recht om te kiezen bij de legaten, ook al zijn zij met weinigen, omdat
zonder hun instemming een overeenkomst die met hen is aangegaan, niet
eenzijdig ontbonden kan worden. Zij willen trouwens niet voor een minderheid
worden aangezien, hoewel zij met minder zijn. Immers minderheid en
meerderheid worden niet vastgesteld naar het aantal personen, maar naar
verdiensten en waardigheid. Zij voeren aan dat zij kardinalen en gezanten
van vorsten in hun midden hebben en nog belangrijker, de paus, en het zou
volstrekt geen pas hebben hetzelfde gewicht toe te kennen aan de stem van
zomaar een privé-persoon als aan hun stemmen, want alleen al van de paus met
de curie tellen de conclusies even zwaar als die van het hele concilie.
Bovendien, de Grieken willen niet naar Avignon komen en de paus kan zich
niet buiten Italië begeven.
De Fransen en de
anderen brachten daar tegenin dat zij de meerderheid vormden en dat men in
iedere staat naar goed gebruik de besluiten van de meerderheid respecteerde,
en hoewel zij veel gewone mannen onder hun leden telden, beschikten zij over
de meeste prelaten van iedere rang, afgezien van de kardinalen, waarvan de
anderen er twee hadden en zij slechts een. Maar als de zaken alleen onder de
prelaten werden afgehandeld, waren zij toch ver in de meerderheid en had er
geen noodzaak bestaan dat het concilie een keuze maakte, omdat buiten kijf
was dat, wat door het concilie besloten was, ook weer door het concilie kon
worden herroepen. Ook waren zij van oordeel dat de overeenkomst geen
blokkade vormde, omdat niet alleen de ene partij tot een tegengesteld
standpunt was gekomen maar ook de meerderheid van de andere partij. Immers,
zeiden ze, toen de overeenkomst werd gesloten, hadden en de Lombarden en de
meeste anderen nog aan de kant gestaan van de legaten, terwijl zij nu de
mening deelden van de Fransen en zich van de overeenkomst distantieerden.
Voorts, dat de Griekse gezanten Avignon afwezen, betekende niet dat de
keizer en de patriarch van de Grieken dat deden. Want dat had niet tot hun
opdracht kunnen behoren, omdat zij, zoals boven is aangegeven, al uit
Constantinopel vertrokken waren voordat Avignon gekozen was. Wanneer de paus
echter afwijst, om naar Avignon te gaan, staat hem niet helder voor de geest
dat ook die stad van hem is en dat het niet moeilijker is daarheen te reizen
dan naar elders in heel Italië.
Nu echter deins ik
terug en krijg spijt dat ik begonnen ben aan een uiteenzetting van de
argumenten van de partijen. Dat zou namelijk een schier eindeloos werk zijn
en er is heel wat bij waarvan tekst en uitleg zeer veel mensen voor het
hoofd zou stoten. Het is ook alleen maar nodig het standpunt van een van
beide partijen te verdedigen, omdat niet meer dan één waar kan zijn. Wie
van beiden de waarheid aan haar kant heeft, moge God zien, ik zie het niet
en als ik het zie, zou ik het niet durven opschrijven. Beiden evenwel hebben
zoveel vertrouwen in hun eigen gelijk dat geen partij wil wijken. Hoezo
wijken, er was nauwelijks bereidheid ook maar een duimbreed opzij te gaan.
Dus toen men geen vrede kon bereiken, is opnieuw een poging gedaan om over
de zitting te praten; beide partijen beraadslaagden afzonderlijk, de legaten
vergaderden bij de minderbroeders, de Fransen met de kardinaal van Arles.
Van de kant van de Duitsers liepen iedere dag meer mensen over naar de
gezanten. Beide partijen waren druk bezig een manier te vinden om in de
zitting de ander voor te zijn. De legaten hadden een Duitse abt uitgekozen
om de mis te doen en de bisschop van Portugal zou het decreet voorlezen; de
Fransen hadden de kardinaal van Arles aangewezen voor de mis en de bisschop
van Albenga voor het decreet. Maar de Duitse abt trof bij zijn komst de
kardinaal van Arles al in zijn zetel naast het altaar, en al was hij omringd
door de nodige edelen en kon hij zijn plaats opeisen, hij gaf er de voorkeur
aan de waardigheid van het kardinaalsambt te eerbiedigen. Ook de bisschop
van Portugal kreeg, toen hij het spreekgestoelte wilde bestijgen, daartoe
geen kans, want de andere partij had zich daar al verschanst. Toch lieten de
kardinalen zich hierdoor niet afschrikken, zij verschenen ter plekke om een
eigen decreet af te kondigen. De burgers van hun kant hadden hiervan gehoord
en hielden een aanzienlijke schare gewapenden gereed. Hun raadslieden
verdeelden hun troepen over de verschillende wachtposten en traden samen met
hun bisschop
in de vergadering naar voren. De bisschop smeekte de
vaders om de wederzijdse vrede te bewaren en niet hun stad en haar heiligdom
te bezoedelen met de misdaad van een schisma. De toespraak van de stadsraad
echter geschiedde in het Duits; vertaald in het Latijn luidde zij ongeveer
als volgt: Op het concilie van Siena was Bazel gekozen, en wel zonder
verzoek daartoe van de inwoners van Bazel; vervolgens hadden de vaders zich
naar het concilie begeven en vaste afspraken gemaakt met de burgers, die,
meenden zij, tot op de huidige dag in acht waren genomen. Zij hadden hen
vrijgeleide verleend, waaraan zij zich, wisten zij, tot nu toe ook steeds
hadden gehouden. Het concilie was nu lange tijd bezig in hun stad, in ruime
mate van voedsel voorzien en altijd door de burgerij vreedzaam tegemoet
getreden. In het concilie waren zeer heilige resultaten geboekt: Bohemen was
teruggebracht tot het geloof, in het koninkrijk Frankrijk vrede gesticht, in
provincies zou voortaan rust heersen, heilzame decreten waren gepubliceerd
en op tal van plaatsen de zeden hervormd. Zij verzochten daarom de glans van
zoveel goeds niet te laten verduisteren door de schande van een schisma en
niet, in hun streven naar hereniging met de Grieken, een splijting onder de
Latijnen te veroorzaken, wat zij nu tot groot verdriet in hun stad zagen
gebeuren, en niet toe te laten dat een schisma hen zoveel schande zou
brengen als de eenheid aan de inwoners van Konstanz roem had bezorgd. Dus
smeekten zij om het niet te laten komen tot publicatie van twee decreten en
de keizerlijke majesteit te laten bemiddelen in alle geschillen. Indien zij
echter voornemens waren in ieder geval de decreten te publiceren, dienden
zij zich van onrecht te onthouden; niemand mocht geweld gebruiken, ieder
diende zijn handen thuis te houden. Zij moesten weten dat de vrijheid van
ieder persoonlijk gegarandeerd werd door de stadsraad die, hoewel zij door
beide zijden was aangezocht, besloten had om geen partij te kiezen, omdat te
midden van zoveel hooggeleerde heren zij niet de competentie had om
uitspraak te doen. Wel zouden zij volledig instaan voor de uitvoering van
een vrije geleide en van geen enkele kant geweld toestaan. Zij gaven hen
echter in overweging om dienaren uit de vergadering te weren: die zouden,
verhit door de woorden van hun heren, naar mate zij minder verstandig waren,
des te meer geneigd zijn tot geweld.
De aartsbisschop
van Lyon[xliii]
stond al klaar om hen te antwoorden, maar terechtgewezen door de legaat, die
zei dat hem het recht was voorbehouden om te antwoorden, verstomde hij.
Daarop dankte de legaat de burgers, dat zij de vrijheid beschermden en
instonden voor een vrije geleide; hij zei dat zij dankbaar gebruik zouden
maken van de uitweg die de burgers hadden aangeboden en hij voegde eraan toe
dat zij hun geschil graag aan de arbitrage van de keurvorsten zouden
onderwerpen. Zijn woorden waren vol verzoening en omdat hij als geen ander
de kunst verstond de mensen te roeren, bracht hij bij velen de tranen te
voorschijn. Toen hij klaar was, nam de aartsbisschop van Lyon aanstonds het
woord, hij hamerde op het standpunt van de meerderheid en kwam heel tactisch
op voor zijn rechten, terwijl hij zich zijn woorden nu eens tot de
kardinalen, dan weer tot de burgers richtte. Ook de kardinaal van San Pietro[xliv]
meende niet te moeten zwijgen. Hij in de eerste plaats was een voorstander
van vrede, zei hij; het leek hem dat hij het recht aan zijn zijde zou
hebben, desondanks was hij bereid ter wille van de vrede voor een deel
afstand te doen van zijn recht. Wat echter gezegd werd over de meerderheid,
maakte geen indruk op hem; want voor hem telde niet de meerderheid van het
concilie maar het gehele concilie, bij de conclusie waarvan hij zich
aansloot. Hij wilde daar nog meer aan toevoegen, maar hij voelde daar niets
voor bij die luidruchtige menigte. De Spaanse gezanten gaven daarna hun
standpunt op schrift, dat zij met geen enkele splitsing instemden maar dat
zij naar elke plaats wilden gaan, waarheen de Grieken zouden komen.
Allen verkeerden
in angstige spanning, niemand kon met blijde blik toekijken bij zo’n
zitting. Toen werden de stembiljetten voorgelezen, die een compromis lieten
zien dat niet geheel en al ongunstig was voor de eenheid: er zou een decreet
komen in overeenstemming met de oude keuze en er zouden gezanten naar
Griekenland gaan om de Grieken, indien bereid, te leiden naar de plaats van
hun keuze. Als de Grieken evenwel geen van de gekozen plaatsen accepteerden,
zouden de gezanten dit aan het concilie schrijven en daar verdere
instructies afwachten. Het concilie zou een van de volgende plaatsen
uitkiezen: Wenen, Boeda,[xlv]
Bologna, Parma of Vercelli,[xlvi]
aangezien de Grieken waarschijnlijk tegen geen van deze steden bezwaar
zouden hebben. Deze gang van zaken dreef de leiders in de hoek en betekende
vervolgens na het celebreren van de mis het einde de zitting. Dus is er
wederom over vrede onderhandeld, maar alle pogingen bleken vruchteloos:
misschien schuilt er iets goeds in deze tweedracht of vragen onze zonden
hierom. Zo zijn bij een vergadering die de Fransen op zes mei belegden
hebben ten huize van de kardinaal van Arles burgers aanwezig geweest die
opnieuw om vrede smeekten. Zij kregen als antwoord dat de volgende dag in de
kerk een mis zou plaatsvinden en dat burgers en anderen vrije gelegenheid
zouden krijgen tijdens de celebratie verzoeningspogingen in het werk te
stellen, meer tijd moest men echter niet verdoen met nutteloos gepraat. De
Grieken waren al weg, Galeazzo van Mantua was naar Bologna en Simon de Valle
naar Venetië gegaan om de keuze van de legaten uit te voeren; de Fransen
voelden zich hierdoor nog meer gedrongen tot het houden van een zitting,
want zonder decreet konden zij niets uitvoeren. Beide partijen zochten naar
een manier om de ander voor te zijn. De aartsbisschop van Tarente zond een
van zijn mensen, een monnik, om de plaats in te nemen waar volgens gebruik
de decreten werden voorgelezen, maar hij trof haar reeds door tegenstanders
in beslag genomen. Toen hij met geweld opdrong, werd hij gewapenderhand
teruggedreven en zou ernstig zijn toegetakeld, als het zwaard niet was
tegengehouden door zijn kuras. Een andere lezing is dat de monnik zijn
plaats al had ingenomen en met geweld door tegenstanders is verdreven. De
ware toedracht is mij onbekend, maar hij heeft er van langs gehad, zoveel is
zeker. Gewapende burgers waren intussen in groten getale op het plein
aanwezig om in te grijpen bij een eventuele schermutseling. Tegen zes uur in
de ochtend verschenen allen in de kathedraal. De kardinaal van Arles echter
was ongeveer twee uur eerder gekomen en had zich aangekleed voor de mis, hij
had die nacht niet geslapen. Ik heb namelijk gehoord dat hij om twee uur ‘s
nachts naar bed is gegaan en om drie uur weer is opgestaan; het lijkt mij
inderdaad niet waarschijnlijk dat hij bij zoveel opwinding echt heeft kunnen
slapen maar eerder heeft gesluimerd. Des te meer verbaas ik me over zijn
grote uithoudingsvermogen, dat hij meer dan acht uur lang een mijter, zwaar
beladen met edelstenen en goud, op zijn hoofd heeft kunnen torsen. Alleen al
vanwege dat feit mag men hem tot de helden rekenen; maar ja, het gezegde
‘liefde vermag alles’ spreekt de waarheid.[xlvii]
Want hij verlangde vurig dat hoe dan ook een decreet tot stand kwam. Beide
partijen waren dus aanwezig en tijdens de viering liet men vredespogingen
niet achterwege. Toen men echter zag dat zij zonder resultaat bleven, namen
de leden van beide partijen hun mijters en andere versierselen op als om een
zitting te gaan houden: maar het was meer alsof je twee legers hun
wapenrusting zag aandoen om met elkaar te gaan vechten en, eenmaal
opgesteld, de strijd ongetwijfeld zou losbarsten. Er waren echter in beide
kampen ook mensen die bittere tranen vergoten. Wie die dag geen verdriet
heeft gevoeld, verdient in mijn ogen de naam Christen niet. Een dodelijke
bleekheid verscheen echter op ieders gelaat, omdat men tegen zijn wil
getuige was van zulk een misdaad. En zo besloot men het vredesoverleg voor
korte tijd te hervatten om te zien of iets hen van gedachten had doen
veranderen. Nadat de leiders vlakbij het altaar waren geroepen, in het
ornaat dat zij aanhadden, is daar tot één uur in de middag over de eenheid
onderhandeld. Al die tijd wachtte de menigte met lege maag in de zitting,
heen en weer geslingerd tussen hoop op vrede en grote angst. Reeds had men
op één punt overeenstemming bereikt, dat het decreet ten gunste van Avignon
gepubliceerd werd. Zou er door omstandigheden een nieuwe keuze nodig zijn,
dan was de keuze voor Bologna; twee personen dienden zich hiermee te
belasten, van wie de een benoemd zou worden door de paus, de ander door het
concilie; aan het inzicht van twee mannen werd overgelaten om te verklaren
op welk tijdstip een nieuwe keuze nodig was, de kardinaal van San Pietro in
Vincoli voor de partij der legaten, voor de andere partij de kardinaal van
Arles. Nu resteerde alleen nog de publicatie, toen plotseling een nieuwe
hinderpaal opdook. De Fransen konden namelijk niet berusten in de keus van
deze twee kardinalen, maar zij noemden in plaats van de kardinaal van San
Pietro de deken van Lübeck
en in plaats van de kardinaal van Arles de
aartsdeken van Metz.[xlviii]
Dit gooide heel de eenheid weer omver en sloot de deur voor vrede die als
het ware binnen handbereik lag, waarop de concilievaders opnieuw naar de
zitting terugkeerden. Heel de verzamelde menigte schrok op, geen mens kon
met blijde blik deze heiligschennis aanzien. De tranen vloeiden spontaan,
niemand kon zijn zuchten bedwingen. Vreemd inderdaad, hoe tegen de wil van
de initiatiefnemers in zo’n groot kwaad kon geschieden. Twee zaken die dag
kwamen mij bijna als een mirakel voor: ik heb een gewapende menigte gezien,
waaronder zich niemand bevond wiens vingers niet jeukten om zich te
bezoedelen met het bloed van priesters, maar wat ieder voor zich wilde,
behaagde niet aan de gezamenlijke groep; anderzijds was er niemand onder de
prelaten die het afkondigen van decreten die elkaar tegenspraken,
goedkeurde; maar wat aan ieder afzonderlijk mishaagde, hebben allen
gezamenlijk gedaan. Wie zou dit niet een mirakel noemen, dat die eersten wel
wilden maar het niet deden, deze laatsten niet wilden maar het toch deden,
hoewel bij beiden de mogelijkheid de wil niet in de weg stond. Dus riepen
beide partijen de Heilige Geest aan meer met geweeklaag dan met gezang; maar
aan zijn komst werd door velen, die menen dat de Goddelijke Geest en
Verheven Majesteit alleen in eenheid behagen vindt, in twijfel getrokken.
Nadat de gebeden op de gebruikelijke wijze waren afgesloten, ging men over
tot afkondiging van de decreten. Hier begon de bisschop van Albenga vanaf
een hoge en voor allen zichtbare plaats, die bestemd was voor het voorlezen,
aan zijn decreet, daar de bisschop van Portugal aan het zijne, de een
stoorde de ander, alles klonk door elkaar, geen woord was te verstaan. Als
eerste eindigde de bisschop van Portugal, hij had dan ook veruit het kortste
decreet; zijn mensen keurden het goed en zongen naar gebruik de hymne. Kort
daarna was ook de bisschop van Albenga klaar; ook zijn lezing werd
goedgekeurd en onder gezang aangenomen; de hymne ‘God, wij loven U’ klonk
uit aller kelen, alsof men een aan God zeer welgevallig offer had gebracht.
Eén ding kwam mij bij dit alles bijzonder vreemd voor: ik heb namelijk veel
anderen in hun onwetendheid zien lachen om hun ongeluk, en het verhaal wil
dat zwanen zingen als zij sterven; maar iemand zien zingen terwijl hij
daarbij aan zijn tranen de vrije loop laat, was voor mij iets volkomen
nieuws, en dat schouwspel toonde die zitting; want ik zag daar het gezang
van hen, die de splijting van de Kerk vanuit het diepst van hun hart
betreurden, gepaard gaan met tranen en snikken. Maar waartoe dient het om
zich tegen onheil te verzetten. Groot is de invloed van de sterren op het
menselijk handelen en ik ken geen wijzen aan wie gesternten onderdanig zijn.
Veeleer overtreffen juist de wijzen, wanneer zij hun verstand verliezen,
alle dwazen bij elkaar, zoals zuivere wijn, wanneer hij bederft, omslaat in
pure azijn. Dit alles is van bovenaf geregeld en een geheime kracht van de
sterren laat haar invloed gelden. Wie zou zich daar niet over verwonderen?
Een zitting die tweemaal op één dag is aangevangen, pogingen die tweemaal
zijn gestrand. Wie zou dit niet toeschrijven aan de glorierijke en
allerheiligste maagd, wie haar niet dankzeggen dat zij het
naadloze kleed
van haar zoon[xlix]
niet heeft laten delen op de dagen die aan haar gewijd zijn.[l]
Maar de wrede vader van de tweedracht, Gradivus,[li]
heeft op zijn dag deze misdaad graag toegelaten en alle eendracht verstoord;
hij heeft dit, denk ik, niet zozeer gedaan omwille van de tweedracht, maar
meer om zijn geliefd Florence
ter wille te zijn, een stad, zoals
algemeen bekend, door de Ouden gesticht onder bescherming van Mars. Om te
verhinderen dat Florence door een vredesverdrag werd uitgesloten heeft Mars
de tweedracht omhelsd. Want op de zevende mei, de dag van Mars, heeft dit
alles plaatsgevonden. Voeg daarbij dat de constellatie van alle sterren
gunstig is voor een splijting; want als waar is wat sommige astrologen
volhouden, regeert nu die planeet, onder wie het begin viel van dat schisma,
dat door het concilie van Konstanz is uitgeroeid, en onder wie ook de
dwaalleer van Mohammed is begonnen, namelijk
toen Jupiter in de
staart van de schorpioen stond. Waren dat maar fabels en liever dromen dan
voorspellingen van een waarachtig ziener. Toch mogen wij niet ontkennen dat
in één zitting twee decreten zijn gepubliceerd, waarvan het ene het andere
ongeldig maakt; en daarmee is aan de waanzin nog geen einde gekomen. Want er
is een nog grotere strijd ontbrand rond het zegel van het decreet en er zijn
nog smadelijker bijeenkomsten gehouden van de deputaties, waarin men gepoogd
heeft om de pauselijke voorzitters aan de kant te zetten, het verlenen van
beneficiën voor te behouden aan de kerkelijke overheid, en uit de vier
naties telkens vier prelaten te kiezen met volledige bevoegdheid om te waken
over de autoriteit en de vrijheid van het concilie. Over de eerste punten is
enkel een aanbeveling gedaan, over het laatste ook een conclusie
geformuleerd. Ook de legaten hielden zich niet stil in deze belangrijke
zaak, zij bedachten hun eigen conclusies. Tijdens de algemene vergadering
echter was de eenheid groter dan men verwachtte. Daar koos men namelijk de
kardinaal van San Pietro, de aartsbisschop van Palermo en de bisschop van
Burgos,[lii]
aan wie werd toevertrouwd om een beslissing te nemen in de controverse over
het zegel zonder voorafgaand besluit wat betreft de algehele zaak. Zij
besloten het decreet van de Fransen te verzegelen en toe te vertrouwen aan
de aartsdeken van Metz en de auditor van de Apostolische Kamer[liii]
om het over te brengen naar Avignon; indien de burgers van Avignon binnen de
vastgestelde termijn met geld over de brug kwamen, zouden zij het decreet
vrij geven, zo niet, dan zouden zij het terstond mee terugnemen. Zij zijn op
17 mei aan hun reis begonnen, wij zijn achtergebleven in afwachting van het
verdere verloop, terwijl we niet van vrede maar van een wapenstilstand
getuige zijn. Al schijnt dat wat mager te zijn, het betekent al heel wat
voor een zieke op een aanhoudende koorts een uurtje gewonnen te hebben.
Laat dit genoeg
zijn, verlang niet meer van mij, ook al is dit niet al te veel. Verzoek de
goden in het vervolg aangenamer stof tot schrijven te geven.
Het ga je goed.
Bazel, 21 mei 1437.
[iii]
Tommaso da Sarzana (Parentucelli), de latere paus Nicolaas V,
was de majordomo van kardinaal Albergati.
[iv]
Orestes en Pylades waren boezemvrienden,
die bereid waren voor elkaar te sterven.
[v]
Onder de ‘4 naties’ worden verstaan: Frankrijk,
Italië, Spanje en Duitsland.
[vii]
Louis d’Amaral, bisschop van Viseu (Portugal).
[viii]
Dalphinus della Pergola.
[ix]
Ludovicus de la Palu.
[x]
Δισυπατος
(disupatos) is Griekse term voor ‘tweemaal
consul’, vgl. Plut.2.777b.
[xi]
Amadeo, Amadeus VIII (regeerde 1391-1440)
had zich in 1434 teruggetrokken in een klooster te Ripaille,
vanwaar hij bleef regeren. In 1439 riep het opstandige concilie hem
uit
tot tegenpaus tegenover Eugenius IV, onder de naam van Felix V.
[xii]
Alphonsus de Carillo (…1434).
[xiv]
Johannes Tagliacozzo
[xv]
Giuliano Caesarini. Hij woonde als vertegenwoordiger van paus
Martinus V
en later van Eugenius het concilie bij.
[xix]
Eerste notaris van de pauselijke kanselarij.
[xxi]
Mattheus del Caretto.
[xxxii]
Louis d’Amaral, bisschop van Viseu.
[xxxiii]
Lodovico Pontano, beroemd canonist.
[xxxiv]
Nicolaus van Cusa (geb. in Trier 1401, gest.
Todi 1464), mathematicus, geleerde en invloedrijk
filosoof.
Hij benadrukte de onvolledige kennis van de mens over God en het
universum.
[xxxix]
Francesco de’ Pizzolpassi.
Aan zijn
bemiddeling had Enea een proosdij te Milaan te danken.
[xli]
Alvaro Nuñez de Isorna.
[xlii]
Minderbroeders zijn een tak van de orde der Franciscanen.
[xlv]
Boeda is een deel van Boedapest.
[xlvi]
Vercelli ligt (in het Italiaanse deel van) Savoye.
[xlvii]
Cf. Nil nequit amor: niets is onmogelijk voor de liefde
[l]
In de christelijke traditie is vanaf de Middeleeuwen de meimaand
gewijd aan de heilige maagd.
[li]
Mars Gradivus, de Romeinse god van (het begin van) de oorlog.
[lii]
Alfonso van Cartagena.
[liii]
Johann von Bachenstein (aartsdeken van Zagreb).
|
Eneas Silvius Petro suo salutem.
Credo, me non solum heri mei reverendissimi
cardinalis sancte crucis ac magistri Thome, sed tuis etiam accusationibus
reum esse, quod tunc maxime scribendi consuetudinem interruperim, cum esset
precipue necessaria cumque scitu digniora et apprime gravia in concilio
gererentur. fateor enim antehac ex toto pene orbe ad concilium defluxisse
novitates, nunc eas, quasi depositum reddat, ex concilio in universum
decurrere. sic est, ut ajunt, omnium rerum vicissitudo. sed feci, ut
plerisque mos est, qui menstruas debentes pecunias in annuam convertant et
quod divisim debuerunt, summatim exsolvunt. neque enim, ut non scriberem,
tacui, sed ut totum scriberem, quia semper pendebat aliquid notione
dignissimum. nunc vero, quia res est non, ut puto, extincta, sed in dies
aliquos sopita fuit, que omnia hero scribere timui, tamen, ne molestum me
diceret, qui non epistolis sed codicibus agerem, quod est apud hominem
occupatissimum ridiculum reputare idem mihi cum magistro Thoma erat metus.
quid ergo? tacuissemne an potius omnia tibi enarrassem, quem virum nunquam
inveni meis litteris negotiosum; sic sunt tibi plus quam sat est
acceptissime, cujus facit humanitas, ut horrescam et in tergo scriptum et
nondum finitum ad te mittam. ea tamen lege, ut heri copiam sibi facias, quam
primum vacatio fuerit etsi in tanto viro rarissima. quod si hec non detur,
tu meus Orestes esto, ut quod ex lectione illius tibi compertum fuerit,
communi domino exponas succincte.
habebis enim ex me rerum seriem et molestias omnium
partium cognosces. de rebus namque conciliaribus non minus libenter scribo
quam tu legis. vellem tamen, ut quietiores forent et magis ex voto.
qualescunque tamen noscende sunt, quia, etsi non lete ac magne sunt, easque
malo ex me tibi notas fieri quam ex alio, qui vel non totum vel non verum
scriberet. ego rem omnem aperiam et ne te verbis teneam, jam incipio.
Cum transferendum esset Grecorum causa concilium,
aliumque oporteret locum eligere, Avinio hoc modo optinuit, ut si rogati
Greci Basileam renuerent ad Avinionem invitarentur rursus, si ibi non posset
esse concilium, in Sabaudiam ducerentur. fuit et adjecta conditio, si
triremes parassent quatuor, si trecentos conduxissent arcitenentes sive ut
ajunt balistarios, si 70 aureorum milia infra mensem mutuo concessissent aut
Avinionenses aut eorum loco quicunque forent. sed neque infra mensem solutio
facta est ulla neque preparatio. dixere igitur plurimi, electionem expirasse
esseque iterum eligendum, quod neque optineri potuit neque ad deputationes
deduci, quoniam tam Gallici quam alii plures in sententia perseverabant
neque divelli ab Avinione poterant, vexantes in dies et nuntiis et litteris
Avinionenses ut solverent, quibus animo duris aut certe nimis ad solutionem
tardis utile visum est oratores mitti, qui sopitos animos excitarent et ad
solvendum inducerent. erant electi ad Greciam quatuor episcopi ex nationibus
quatuor: Lubicensis orator imperatorius, Visensis regius, Parmensis et
Lausanensis solum conciliares. hos mittendos Avinionem dicebant, ut ibi
pecunias reciperent et ingressi mare ad Grecos navigarent. orta est subito
inter patres de instructionibus discordia tum maxime super decreto, quod
Gallici publicare volebant, de facta electione, de imposita clero decima
deque portu, ad quem applicare Greci deberent. vidisses duas in concilio
partes hinc Gallicos cum paucis Germanis Hispanisque, inde alios omnes.
interim Johannes Dyssipatus, id est bis consul, Grecorum orator venit, cujus
oratio majorem adjecit scrupulum: repudiavit enim expresse Avinionem, quod
neque in decreto cum Grecis edito contineretur neque pape placeret neque ad
Sabaudiam teneri Grecos dicebat, que citra montes, sed que ultra Alpes est
in Italia, quod territorium ducis Sabaudie in Italia situm dici Sabaudiam
crediderunt, cum in decreto consenserunt. hunc corruptum apud Venetias
dicebant Gallici quod de re ignota non potuisset instructiones habere; ante
enim ex Constantinopoli constabat illum recessisse, quam Avinio esset electa.
ideoque nihil a proposito partes declinarunt, sed isti celerius mittendos,
illi diligentius retinendos oratores putabant, augebanturque dietim
discordie. fuisset tunc aperta divisio, nisi medios sese Hispani et nonnulli
alii ad concordiam obtulissent, quorum cura in hoc denique conventum est, ut
irent oratores Avinionem et si infra dies 30 pecunias haberent intimarentque
legitime infra 12 sacro concilio a die recessus eorum ex Basilea, tum subito
decretum fieri super electione loci, super decimis superque facultate
nominandi portum oratoribus datae deberet continuarentque oratores ad Grecos
iter. si minus liberum esset sacrum concilium tenereturque alterius loci
electionem facere hocque auctoritate deputationum et nullo unquam
dissentiente probatum est. missi igitur extemplo oratores, quos licet ex
fide gessisse non dubitem, mandatum tamen preteriisse non negaverim. sed
inordinate multitudini facile est illudere, apud quam ridiculum est, quod in
bonis civitatibus capitale censetur. in egressu civitatis hujus Grecum
oratorem, ut secum iret, sunt hortati, quo negante Avinionem celeri cursu
petiverunt, consumptis tamen apud Sabaudiensem principem nonnullis diebus.
gratus fuit Avinionensibus eorum accessus, difficile tamen erat aurum
invenire et, qui daturi erant, securitatem de restitutione volebant
maximumque rei monimentum est creditum, si decimarum exactionem per totam
Galliam rex Francie promitteret. itum est ergo ad eum in Montepesulano tunc
existentem tantumque impetratum quantum petitum. interea et apostolici
nuntii Avinionem applicant, ne pecunia tradatur. precipiunt, quod neque
Greci neque papa in Avinionem consentiant monent ne unius cardinalis quodam
suasu male percussi, modo alterius suggestionibus desolentur. nec defuerunt,
qui primum illum cardinalem sancti Eustachii, secundum esse Arelatensem
interpretarentur. ingens, ut accepi, inter cives discordia fuit, quod
parcere aliqui summo pontifici volebant, aliis subveniendum esse sacro
concilio videbatur. sed quod plerumque assolet, major pars meliorem vicit
fierique omnino mutuum deliberatum est. ert interim omnium fere opinio,
Avinionenses non esse satis facturos iterumque e eligendum omnes
arbitrabantur parabantque diverse partes diversa undique auxilia. Galeacius
Mantuanus ad electores usque imperii descendit, ut mitterent, qui pape in
concilio faverent, alii ad alios principes. duxque Mediolanensis magnum huc
clericorum numerum festinabat mittere, sed tardiuscule advenerunt. venit et
alius Grecus orator, primo illo Dyssipato per omnia consentiens. cumque jam
finis instaret termini, Tarentinus archiepiscopus affuit missus etiam ipse a
domino nostro propter loci electionem, homo, ut eloquentie non vulgaris, sic
animi constantis atque intrepidi. Avinionenses autem
lapso jam termino cum
oratoribus concilii certo modo convenerunt eosque in hanc fere sententiam ad
concilium jusserunt scribere: securos se fore, pecuniam omnem sibi dari a
civibus, quamprimum per concilium mitteretur decretum electionis et
decimarum. erat terminus certificandi concilium dierum post 30, qui ad
solutionem dati erant. venerunt igitur oratorum littere 11. aprilis, que
dies ultima erat terminorum sequentique luce in generali concione: sunt
lecte. fremere igitur tota cepit congregatio et tanquam integra esset facta
solutio, gestire fiendumque decretum acclamare. quasi omnes legati contra,
nihil amplius Avinionensibus concedendum, qui tanto temporis spatio nihil
egissent; litteris oratorum non solutionem sed ostentationem pecuniarum ab
Avinionensibus factam significari, monere igitur, ad novam electionem patres
veniant. habuit orationem cardinalis sancte Sabine non ex sua consuetudine
pacatam sed torrentem festinantemque. interruptionem namque continuo
verebatur, quam nom potuit effugere. nam cum aliqua verba nomine sedis
apostolice vellet exprimere acclamante multitudine prepeditus est
dubitatumque a multis est, ne dissolutionis concilii mentio fieret. varie hac die inter patres
dissensiones fuere. archiepiscopus Lugdunensis in collegam suum episcopum
Dignensem amare invectus est et quamvis manus uterque continuit, nullum
tamen opprobrii genus est omissum. inter oratores quoque Aragonenses
contentio fuit, in unam partem archiepiscopo Panormitano, in aliam Ludovico
protonotario declinantes. nolo per singulos discurrere, sed tanta inter
minores vociferatio erat, ut modestiores in taberna vinaria cernas bibulos.
in sequentibus vero deputationibus multa tumultuose gesta sunt. avisamenta
ambigua erant. ponebant enim in deliberatione, an fiendum decretum esset an
iterum eligendum. deputatio pacis, quia plurimum ibi Gallici possunt,
fiendum decretum jam censuerat, alie inter deliberandum erant. tum et legati
quasdam cedulas hujus fere tenoris in singulis deputationibus aperiri
legique iusserant, quod, quia Avinionenses in tempore non satisfecerant,:
nova omnino fienda esset electio eligebantque Florentiam vel Utinum aut
aliam quamcunque terram in decreto comprehensam, pape et Grecis accomodam,
ut earum illa esset electa, que prior mutuum fecisset et navigia preparasset.
portum vero nominabant Venetias, Ravennam aut Anchonam vel eorum qui gratior
esset Grecis. quinquaginta fere in hac sententia cum legatis convenerunt,
pauci dubii nulli partium adhesere, reliqui omnes decretum fieri malebant.
forte fortuna evenit, ut presidentes trium deputationum cum legatis
sentirent. presidebat in fide Johannes Polomar, regis Aragonum orator, homo
et scientia et prudentia memorabilis, qui rogatus, ut de more secundum
majorem partem concluderet, secundum cedulam legatorum conclusit dixitque,
majorem esse partem, que cum legatis convenisset, nam qui non elegissent non
haberent illa die vocem. idem fecit abbas de Malumbrono, qui presidebat in
deputatione communi; Bosanus vero episcopus in reformatorio presidens erat
neque pro aliqua parte concludere voluit sed Tarentinus ibi pro legatis
conclusit. pro aliis Albinganensis in fide, cardinalis Arelatensis pro
decreto, de communibus patriarcha Aquilegiensis conclusere. moxque privati
sunt presidentes alii loco eorum suffecti, illis tamen neque locum
cedentibus nec se potuisse privari asserentibus. sicque septem presidebant:
in pace unus tantum, in singulis aliis deputationibus bini. visa est statim
facies scismatis et nisi melior concordia fiet, illud initium divisionis
dicetur. gravior Teutonibus visa divisio est agendumque de pace opinati sunt
ne dum unire Grecos concilio esset studium, Latini ipsi dividerentur.
obtulerunt igitur se concordie medios, de qua pluribus diebus incassum
agentes rem tandem infectam dimiserunt.
rursus ergo ad deputationes venitur.
ibi Gallici cum adherentibus formam decreti approbant, generalem
congregationem in crastinum edicunt et sequenti luce sessionem. idem legati
cum suis statuunt, aliud et ipsi promulgaturi decretum. tumultuosa omnis
deputatio est. hinc Gallici legatos increpant, conciliorum infringentes
ritum, hinc legati queruntur frangere Gallos fidem. maxime in deputatione
fidei contentio erat. quantum enim doctiores ibi sunt viri tantum etiam
dissensiones acriores. sed precipue inter cardinales sancti Petri sancteque
Cecilie altercatio fuit. verum, ut est cardinalis sancti Petri vir ratione
ducibilis et amator pacis, compromissurum se in duos tresve religiosos viros
optulit staturumque se de tota lite ipsorum judicio, quod est omnino ab
adversa parte repudiatum sivel timore fraudis sive fiducia virium. solutis
deputationibus post meridiem partes seorsum congregati sunt, habitaque hinc
inde concilia separata. congregatio quoque generalis tunc precipue
fastidiosa fuit eratque triste spectaculum, duas videre conclusiones fieri
sibi invicem repugnantes. erat cardinali sancte Sabine preclusa oratio. sed
ut est homo inter sapientes nostri temporis prudentissimus dicendi locum
callide occupavit. multa raptim et furtive de suo jure disseruit. tanta est
humanarum mutatio rerum vanusque ipse multitudinis favor. non aliter olim
sua oratione moderare hic concilium solebat, quam Cicero quondam senatum,
nec minus isti suam eloquentiam quam Athenienses Demosthenis mirabantur
orationem. nunc loquenti omnes perstrepunt contempnuntque tacentem. sed non
idcirco minor virtus. nam et honorificentissime ab his receptus est
Christus, qui eum mox necandum conclamarunt. taceo de protestationibus ea
die adversus decimam factis. soluta congregatione particularia concilia sunt
habita de modo sessionis, utraque parte deliberante utile pro suo jure.
cuique videbatur altare ab se teneri missamque a suis celebrari, quasi ejus
partis sessio diceretur, cujus fuisset altare. Galli pro maturando negotio
tenendas summo mane deputationes arbitrabantur, addituras decreto, ut si
infra certos dies Avinionenses non solverent, ex tunc Parma aut Vienna esset
electa, que prior satisfecisset. et nichilominus dicendam missam cardinali
Arelatensi mandarunt. parabatur utrinque horribile monstrum facinusque neque
visum ante neque auditum unquam, promulgatio duorum decretorum, inter se
penitus diversorum. quid de decretis ploro? accingebantur unum ad altare duo
sacerdotes celebraturi cathedramque sibi uterque parabat. venit infanda
dies, verius dicam sancta, neque enim scelus admitti sustinuit. petunt Galli
statim deputationes, ad sessionem e vestigio redditur. occupavere interim
legati locum jamque Tarentinus misse accinctus erat.
Tempus admonet, ut
principes partium tibi describam, ne, quo se judice quisquis tueatur,
ignores. cardinalis sancti Petri, hominum quos unquam novi rectissimus,
primus in parte legatorum habetur. post cardinalis sancte Sabine, quem vulgo
sancti angeli appellant, vir non minus industrius, quam constans. huic
succedit Tarentinus, post Dignensis, plus animi habens quam eloquentie ; mox
Portugalensis regis sui orator, Ludovicus quoque, Romanus protonotarius,
juris consultorum memoriosissimus cum iisdem sentit. huc etiam et Tiburtiuus
episcopus et Bosanus et nescio qui Theutones accedunt, precipue tamen
industrie inter Alemannos Nicolaus de Cusa censetur, homo in omni genere
litterarum tritus. ambasiatores etiam electorum imperii eadem sapiunt.
Coloniensis tamen nullarum partium. Theutonici quoque abbates in parte sunt
legatorum. in alia arte princeps est Arelatensis cardinalis, homo famis et
laboris patientissimus et illa preserto, laude commendandus, quod nemo minus
eo injurias sentiat. duo patriarche Antiochenus alter, Aquilegiensis alter,
extremo senio uterque confectus; archiepiscopus deinde Lugdunensis sequitur,
qui ut parum videt sic multum intelligit. mox archiepiscopus Panormitanus
jam non modicus sed partis sue facile princeps et quem potissimum Galli
secuti sunt. namque ut est utriusque juris scientia preditus, sic etiam
consilio plurimum eruditus est. callere inde Albinganensis episcopus,
multarum rerum exercitatione prudentissimus.
sed quid tibi omnes enumerem
illud tibi persuasum volo, longe plus hic prelatorum esse; probitatis vero
unde sit plurimum alia ratio est. theologorum maior pars ad legatos deficit.
non tamen ideo plus illic crediderim esse fidei. sunt enim plerique
mendicantes vellentque aliqui manducantes fieri. at si meam petis sententiam,
paucissimos ex utraque parte numerarem, quos credam sola moveri iustitia.
multum tamen non apud me solum sed apud totum concilium auctoritatis habet
Johannes de Sagobia, qui quamvis adheret legatis, nullam tamen ex toto
probat opinionem. oratores regis Castelle et ipsi quoque viri consultissimi
nullarum partium sunt habiti enixeque pro concordia semper laboravere.
archiepiscopum Mediolanensem dum ista geruntur, valetudo retraxit, quod et
parti sue non parum nocuit namque ut est oculatus et vigilantissimus pater
sic suis et re et consiliis profuisset. Papiensem quoque episcoum ideo
dicunt defuisse, quod hinc metus inde urgeret conscoemtia; sed ut
pretereamus plebem, iis fere adjunctis utraque pars in prelium descendebat.
jamque legati sacram edem tenebant, Galli in deputationibus confluxerant,
quibus ut relatum est Tarentinum ad missam parari, solute sunt deputatines
factusque ad templa concursus. clamores ad celum elati sermonesque jam non
prelatorum sed vilissime plebis vociferationes audiebantur pressusque erat
viro vir et quia manus pressura impediebat pectoribus sese urgebant.
maledictis undique certamen erat neque digitum ori suo quisquam imposuit.
objiciebantur utrinque scissure, certamen vultusque illi horrendi belli
videbantur neque transacta sine sanguine res fuisset, nisi cives in medium
defluxissent partesque comminationibus retraxissent. ridiculum prorsus, ut,
qui daturi orbi pacem convenerunt, iis ea opus sit, et qui dare concordiam
laicis sese jactant, a laicis illam expectent. ducti ergo primores partium
in domum Concensis episcopi, est enim edi maxime valde propinqua. stabat
Tarentinus sua in sede, non intrepidus modo, sed immobilis, tanquam non
virorum sed puerorum illum esse tumultum existimaret, sive quod magno esset
et admirando animo fretus, sive quod jure suo maxime confideret
objurgationesque et minas quodammodo inferentes patientia magis vicit quam
contentione. sed hortantibus denique civibus et legatis suadentibus ipse
quoque cessit et cum aliis apud Concensem fuit. ibi multa ex iracundia dicta,
ut in absentem quoque papam nonnulli invecti sint et indigna relatu
expuerint, neque locus ibi erati pacis, sed augende magis discordie. satius
igitur visum est quam paucos ex ambabus eligi partibus, qui apud
predicatores tam Hispanos quam Theutones audirent, si quid haberent ad pacem
inventi. creditum est apud predicatores facilius inveniri concordiam, sive
quod ibi ab initio concilii generalis congregatio semper quieta fuerat, sive
quod nondum tangentia nationes tractata sunt negotia, sive quod ignotum
aliquid inhabitavit numen pacis et concordie custos. cum igitur apud minores
sepe antea frustra de pace actum esset, domicilium modo predicatorum partes
repetebant, si exulanem forsitan ibidem reperirent pacem. sed neque plus a
beato Dominico quam a divo Francisco est impetratum. sex namque diebus
quesita ibi pax est, inventa nunquam, opinioni sue utrisque nimium forsitan
inherentibus.
durum fortasse tibi videtur solos legatos cum paucis adversus
reliquam concilii partem congredi. sed audi breviter, qua se quisque ratione
tuetur. dicunt legati, partes in concilio duas fuisse dissidentes
convenisseque ambas ut, nisi Avinionenses solvissent, nova esset, prout
supra tetigimus, omnino fienda electio, ut non solvisse Avinionenses,
requisitas partes eligere sed juxta conventionem elegisse. noluisse alios.
remansisse in eis, quamvis paucis, jus eligendi, quod sine consensu suo
conventio cum eis facta dissolvi non potuerit. nec se partem minorem videri
volunt, tametsi pauciores fuerint. minoritatem enim ac majoritatem non ex
numero personarum censeri sed ex meritis et dignitate. contendunt secum esse
cardinales oratoresque principum et quod magis est papam, quorum voces
nequaquam fas sit cum privati cujusque hominis suffragio ex equo pensare,
nam et papam cum curia toti concilio equalem argumentantur. Grecos preterea
nolle Avinionem venire nec papam egredi posse Italiam. Galli contra atque
alii majorem se fore partem consuetumque in omni re publica id servari, quod
majori parti collibuisset, secumque, licet vulgares sint multi, plures tamen
ex omni gradu prelatorum fore, preterquam ex cardinalibus, quod alii duos,
ipsi unicum habeant. quod si inter solos prelatos res transigatur, se tamen
esse longe superiores neque obligatum fuisse concilium eligere, quod,
quidquid a concilio fiat, a concilio quoque posse dissolvi non sit
ambigendum. nec obstare conventionem judicant, quod non solum ab una parte
sit contraventum sed ab alterius quoque partis parte majori. ajunt enim cum
conventio fuerit, et Lombardos et plerosque alios in parte fuisse legatorum,
qui nunc et cum Gallis sentiant et a conventione discedant. preterea non
ideo Avinionem ab imperatore Grecorum et patriarcha repudiari dicunt, quod
oatores Greci id fecerunt, neque enim habere id potuerant in mandatis, cum,
sicut supra relatum est, ante recessissent ex Constantinopoli, quam electa
esset Avinio. cum autem papa Avinionem se neget iturum, ajunt, sibi non bene
persuaderi, quod et sua sit urbs: nec difficilius eo sit quam per totam
Italiam proficisci.
Sed retraho pedem penitetque de rationibus partium
incepisse tractatum. nam et opus pene infinitum esset et multa sunt, que
sine indignatione plurimorum nequeant explicari. necessarium tamen est
alterutram partem solum defendere, cum plus uno verum esse non possit. apud
quem tamen sit veritas, deus viderit, ego non video neque si video scribere
ausim. tanta est autem utrique parti in suo jure fiducia, ut neutra velit
cedere. quid cedere, vix flectere sese aliqua tantillum voluit. ideoque
infecta pace rursus de sessione temptatum est legatique apud minores,
Gallici apud Arelatensem congregati sue parti seorsum consulebant. ex
Theutonibus cotidie plures ad legatos dificiebant. agitatio erat utriusque
partis, quonam pacto in sessione preveniret. dicturus missam Theutonicus
quidam abbas ab legatis erat electus, lecturus decretum episcopus
Portugalensis. ab Gallicis misse Arelatensis, decreto Albiganensis
destinatus erat. sed cum abbas Theutonicus venit jam sedentem in cathedra
Arelatensem altarique proximum comperit. et licet esset nobilibus
necessariis circumseptus possetque locum petere, dignitatem tamen
cardinalatus maluit venerari. Portugalensis quoque, cum vellet ambonem
ascendere prohibitus est. erat enim ab altera parte premunitus jam locus.
nichil tamen ex his exterriti cardinales sed publicaturi et ipsi decretum
affuere. cives autem, qui hec cognoverant, non parvam populi manum in armis
habebant, quorum consules, distributis per stationes armatis in contionem
cum antistite suo prodiere. supplicavit antistes, ut pacem inter se patres
haberent neve urbem suam templumque suum scissionis crimine macularent.
consulatus autem sermo Theutonicus fuit, cujus verba in latinum conversa
hujusmodi pene fuerunt: quod im Senensi concilio Basilea fuisset electa,
nullo tamen Basiliensium interveniente rogatu venissentque deinde ad
concilium patres certaque cum civibus federa percussissent, que usque in
hanc diem servata esse arbitrarentur. datum a se salvum conductum, quam
hactenus etiam custoditum scirent. stetisse in urbe sua diu concilium
eduliumque copiam et quietam semper civitatem habuisse. facta esse in
concilio sanctissima opera: reductos ad fidem Bohemos, regnum Francie
pacificatum, pacatas fore provincias, edita salubria decreta, reformatos
plerisque in locis mores. orare igitur, ne tot bonorum splendorem infamia
scismatis obscuraret, ne Grecorum querentes unionem Latinorum facerent
scissionem, quod egerrime in urbe sua fieri viderent, ne tantam eis
ignominiam afferret scisma, quantam Constantiensibus gloriam unio attulisset.
supplicare ergo, ne duorum decretorum publicatio fieret, sed quicquid esset
litis in cesarea majestate compromitterent, quod si omnino publicare esset
animo, caverent omnes ab injuria. nemo vim faceret, continerent singuli
manus. consulatam unicuique libertatem prestare scirent, qui, licet utrinque
requisiti fuissent, non tamen uni adherere magis quam alteri parti
statuissent, quod inter tot doctissimos viros non ipsi essent, qui decernere
possent. se tamen salvi conductus formam custodituros ad unguem, nullamque
aliunde violentiam permissuros. suadere tamen ex congregatione dimoveri
familiares, ne dominorum verbis calefacti, ut minus sunt prudentes, magis
essent injurii.
iis responsurus statim Lugdunensis surrexerat, sed
increpatus a legato responsum ad se spectare dicente subticuit. tum legatus
gratias egit civibus: quod libertatem tuerentur salvumque conductum
custodirent, dixitque libenter se accepturos quam ipsi viam optulissent
addiditque, libenter se in electores imperii compromissurum. fuit ejus
oratio plena pacis, et ut est hmo ad movendum miseriam gnarus, sic pluribus
excussit lacrimas. at eo finienteLugdunensis statim incepit multaque de
majore parte predicavit neque incaute jus suum defendit, nunc cardinales,
nunc cives oratione sua compellens. nec cardinalis sancti Petri tacendum
duxit; placere sibi in primis pacem ait, videri sibi jus pro se fore. velle
tamen a jure suo pro pace in parte cedere. nichil tamen se movere, quod de
majori parte diceretur; secum enim non majorem partem concilii sed totum
concilium esse, cujus conclusionem ipse sequeretur. volebat etiam plus
subdere, sed vociferante multitudine minime voluit. oratores deinde Hispanie
suam in scriptis sententiam dederunt, nulli se dissidio consentire,sed
quocunque Greci venirent, se ituros.
suspensa erant omnium corda nec talem
sessionem letis quisquam oculis intuebatur. tum porrecte in medium cedule, non
omnino ingratum concordie medium ostendebant, ut fieret decretum pro veteri
electione irentque in Greciam oratores volentesque Grecos secundum
electionem ducerent. quod si nullum ex locis electis Greci acceptarent,
scriberent oratores ad concilium ibique expectarent. concilium vero unum ex iis locis eligeret, Viennam,
Budam, Bononiam, Parmam, Versellas, quoniam nullum istorum verisimile esset
Grecos fugere. hec causa fuit, ut traherentur in angulum primores, deinde ut
celebrata missa consessus dissolveretur. iterum igitur de pace agitatum est,
sed vani omnes conatus inventi, sive bonum aliquod in hac discordia latet
sive peccata nostra id exigunt. pridie itaque nonas maii apud Arelatensem
congregatis Gallis cives interfuere, iterum de pace supplicantes. his
responsum est, sequenti die futuram in ecclesia missam liberumque fore et
civibus et aliis inter celebrandum de reconciliatione tractare, plus
temporis inutiliter non esse absumendum. recesserant jam Greci Galeatiusque
Mantuanus Bononiam et Simon de Valle Venetias ierant, electionem legatorum
executuri, que res Gallos ad sessionem fiendam magis sollicitabat; neque
enim sine decreto exequi quidquam poterant. studium erat utrique, quo pacto
reveniendum esset. misit archiepiscopus Tarentinus exsuis quendam monachum,
qui locum occuparet, ubi legi decreta consueverunt, sed invenit jam ab
adversariis premunitum. cumque moleste instaret ferro repulsus est
fuissetque graviter confossus, nisi gladium lorica exclusisset. aliis
persuasum est, monachum in possessione loci fuisse vique ab adversariis
expulsum. mihi veritas ignota est, eum tamen vapulasse non est ambigendum.
armati cives interim ad magnum numerum in platea adfuere, tumultum, si quis
fieret, oppressuri. ad sextam horam omnes in templo comparuerunt.
Arelatensis vero duabus fere horis prevenerat misseque sese accinxerat
insompnisque illa sibi effluxit nox. compertum enim habeo, secunda ipsum
post medium noctis hora isse cubatum, assurexisse tertia, nec mihi est
verisimile in tanta rerum agitatione sompnum fuisse suum sed quandam sompni
nebulam. quo magis magisque miror tanta eum fuisse patientia, ut horis non
minus octo onustam gemmis atque auro mitram insertam cervice gestare
potuerit ut inter viros heroicos hoc precipue facto sit numerandus. sed
verum est, quod vulgo dicitur, nichil est amanti difficile. cupiebat enim
fieri omnino decretum. aderant igitur ambe partes nec inter celebrandum de
pace omissum est. sed ubi vani tractatus visi sunt, utraque pars mitras et
alia ornamenta tanquam sessionem factura suscepit, quasi videres duos
exercitus invicem pugnnaturos arma induere, quibus instructis nichil dubites
prelium esse futurum. nec defuerunt qui ex utraque parte amare flerent.
mihique non videtur Christiano censendus nomine, qui ea die non indoluit.
multus tamen in ore singulorum pallor apparuit, quod tantum inviti homines
spectabant scelus. ideoque placitum est aliquantulum de pace repetere, si
qua res animos immutasset, is vocatisque primoribus prope altare, sicuti
erant ornati, usque ad horam post meridiem primam de concordia agitatum est
expectante jejunia in sessione multitudine, interdum sperante pacem,
interdum plurimum expavescente. jamque in unam sententiam consonatum erat,
ut publicaretur pro Avinione decretum; si quo tamen casu nova opus esset
electione, extunc Bononia electa esset, in manu duorum ponenda, quorum
alterum papa alterum concilium nominaret. quando autem nova opus electione
intelligendum esset, duorum declarationi commissum erat, pro parte legatorum
cardinali sancti Petri, pro alia parte cardinali Arelatensi. nec restabat
nisi publicatio, cum subito alius injectus est scrupulus. neque enim duobus
his cardinalibus voluere Galli acquiescere, sed loco cardinalis sancti Petri
decanum Lubicensem, loco Arelatensis archidiaconum Metensem nominabant, que
res omnem concordiam vertit vicinamque quasi pacem, nec plus duobus tribusve
remotam digitis exclusit rursusque ad consessus patres rediere. expavit tota
contio nec tantum facinus letis quisquam oculis intuebatur. fluebant sponte
lacrime et a suspiriis abstinuit nemo. mira profecto res, ut invitis
auctoribus tantum mali perpetratum sit. duo illa die mihi monstri similia
visa sunt: vidi enim armatam multitudinem, in qua nemo fuit, qui commaculare
sacerdotali sanguine manus non cuperet, sed quod voluerunt singuli non
placuit universis. inter prelatos rursus nemo erat, qui contraria approbaret
decretationes. quod tamen displicuit singulis, fecere universi. quis non hoc
monstrum dicat ut volentes illi non faciant, isti vero nolentes faciant, cum
esset utrisque voluntati non adversa potestas? implorarunt igitur utrique
spiritum sanctum majoribus fletibus quam cantibus, de cujus adventu est a
pluribus dubitatum, qui divinam illam mentem excellentissimamque majestatem
sola existimant concordia gaudere. finitis vero de more orationibus ad
decretorum ventum est promulgationem. inde Albiganensis loco alto atque
eminenti et legentibus destinato decretum dum inchoavit, hinc Portugalensis
suum impediebatque alter alterum neque ullus erat concurrentium inter se
vocum intellectus. prius tamen Portugalensis finivit, qui longe brevius
decretum habuit, quod et sui approbarunt et hympnum ex consuetudine
cecinerunt. paulo post et Albiganensis peregit, cujus et approbata est
lectio et cantibuss acceptata hympnusque ille te deum laudamus per ora
omnium insonabat tanquam sacrificium deo aliquod acceptissimum
consumavissent. verum illud pre ceteris mea sententia admiratu videtur
dignum: vidi enim alios plures de malo suo ignorante ridere. et olores fama
est in morte concinere, sed uberibus cantare aliquem lacrimis mihi antehac
penitus erat invisum, quod ista sessio nunc ostendit. hic enim cantus aspexi
eorum lacrimis et singultibus mixtus, qui scissuram ecclesie tenerrime
deplorabant. sed quid opus est in adversum niti? humanorum actuum magna est
in sideribus vis neque sapientes agnosco, quibus famulari astra debeant.
immo et sapientes ipsi cum insaniunt, omne genus superant fatuorum, sicut ex
mero corrupto fit acetum perfectum. data sunt hec desuper et occulta vis
influit siderum. illudque quis non miretur? bis in die inchoatam sessionem,
bis conatus cecidisse. quis non gloriose illi ac sanctissime virgini hoc
attribuat, quis non illi referat gratias, quod inconsutilem nati tunicam in
dicatis sibi diebus nequaquam dividi tulerit ac ferus ille discordiarumque
pater gradivus libenter in sua die admisit scelus concordiamque omnem
disripuit, quod non tantum ab eo discordie causa factum puto, quantum ut
Florentie prodesset sue, quam sub tutela Martis a veteribus fuisse conditam
non est obscurum. ne igitur tractatus pacis Florentiam excluderet, amplexa
est a Marti discordiam. nonisque enim maii Martisque die acta sunt hec. adde
quod omnia in scissuram astra consentiunt. namque si verum est, quod
astrologorum quidam asseverant, is modo planeta regnat, sub quo illud
exordium habuit scisma, quod Constantiense concilium exstirpavit, sub quo et
Magumeti secta incepit, Jove scilicet in cauda scorpionis agente. que utinam
fabule sunt et sompnia potius quam veri alicujus vati presagia, nobis tamen
negare non licet, duo esse in una sessione publicata decreta, quorum alterum
ab altero irritetur neque in hoc extinctus furor. nam et major circa plumbum
exorta concertatio est contumeliosioresque habite deputationes sunt, quibus
temptatum est presidentes pape deponere, collationes beneficiorum ad
ordinarios redigere, ex quatuor nationibus prelatos super auctoritate et
libertate concilii conservanda cum plena potestate eligere. super primis
solum avisatum, super ultimo etiam conclusum. nec legati in tanta re
dormiebant, sed suas et ipsi conclusiones moliebantur. cum tamen generalis
congregatio est habita, plus est inventum concordie quam speratum. electi
sunt enim cardinales sancti Petri, archiepiscopus Panormitanus episcopusque
Burgensis, quibus omnibus de plumbo commissa est controversia sine
prejudicio rei principalis. his visum est decretum Gallorum cum plumbo
archidiacono Metensi et auditori camere Avinionensibus portandum committere,
qui, civibus illis infra certos dies pecunias dantibus decretum libere
dimittant, si minus statim reportent. illi kalendis junii aggressi sunt iter,
nos in expectatione remansimus, non pacem sed belli observantes indutias,
quod licet modicum videatur non nichil tamen est egrotanti, continue febris
horam detraxisse.
sitque jam satis nec plura ex me require, quamquam
ne ista sint nimis. deinceps superos rogato, ut gratior detur scribendi
materies. vale. ex Basilea, 12. kalendis
|