|
Aeneae promotio ad cardinalatum, et omnium gentium congratulatio.
Cum adessent Adventus Christi Salvatoris tempora, quae cardinalium
propemodum comitia dici possunt, summa contentione in Senatu
Apostolico certatum est, cum pontifex creare cardinales vellet,
Collegium resisteret; et modo numerum cardinalium esse nimium
dicerent aliqui, modo in personas, quae nominabantur, probra
maledictaque iactarent, atque in eos more suo magis ac magis
inveherentur, qui meliores iudicabantur et summo pontificio
digniores. Vicit tamen Callistus tribus, quos iam assumpserat,
cardinalibus summopere adnitentibus, seque - ut par erat - et caput
et dominum ostendit, cardinalesque novos sex creavit: Raynaldum
Piscicellum archiepiscopum Neapolitanum, Lucretiae
patruum, quem - ut illi morem gereret - enixissime
petebat Alfonsus; Iohannem episcopum Zamorensem, natione Hispanum,
scientia iuris excellenti, qui annis uno de XL in muneribus Curie
prudenter casteque fuerat obversatus; Iohannem Papiensis ecclesie
praesulem, Castilionensi nobili domo apud Mediolanenses natum;
Aeneam pontificem Senensem, quem non imperator solum, sed Hungarie
quoque rex, Ladislaus et cuncti ferme Germaniae principes
efflagitabant; Iacobum Feretranum episcopum, natione Romanum,
Simonis medici fratrem et Ricchardum Constantiae Normanicae
sacerdotem, quem Karolus Francorum rex expetebat. Laudata est horum
creatio, Neapolitano et Feretrano exceptis, quos non suis meritis
assumptos aiebant, nec dignis intercessionibus, sed alterum
mulierculae impudicae, alterum medico traditum asseverabant. Aeneam
vero ubi donatum pileo rubeo audivit populus, mox fama exorta est
successorem sibi creasse Callistum, et ingens tota Urbe laetitia
fuit.
Sena quoque, ut accepit, suo praesuli
ornamenta quae accesserant, festos dies celebravit, fuitque publice
gaudium, privatim apud eos, qui urbem gubernabant, ingens in mente
dolor: verentes - quod secutum est -, ne pontificatum adeptus Eneas
aliquando maximum nobiles eius urbis ad munia civitatis conaretur
asciscere, quos illi oderant, et iam pridem a regimine procul
amoverant. At Federicus imperator mirum in modum exultavit, cum
accepisset legatum et consiliarium suum in ordinem cardinalatus
assumptum. Nec Alfonsus Aragonum et Siciliae rex mediocri gaudio
affectus est, quod ad suam prophetiam iam videret aditum patefactum.
Sed et Germani omnes principes Aeneae per epistolas congratulati
sunt, tanquam in eo et Germania ipsa decorata fuisset. Nec decepti,
nam Aeneas Germanorum semper et laudator et defensor extitit non
modo in cardinalatu, verum etiam in pontificatu maximo, et Callistus
eum prae ceteris cardinalibus in rebus Germanicis audivit. |
Enea tot
kardinaal bevorderd. Alle volkeren wensen hem geluk.
De adventstijd brak aan, de periode
die men praktisch gesproken kan beschouwen als tijd om kardinalen te
kiezen, en er ontbrandde in de apostolische senaat een hevige
strijd, omdat de paus kardinalen wilde benoemen, maar het college
daartegen gekant was. Sommigen voerden aan dat er al te veel
kardinalen waren, sommigen ook wierpen de personen, die genoemd
werden, van alles voor de voeten en maakten hen zwart; vooral zij
die men beter vond en die als kanshebbers voor het pausschap golden,
vormden het gebruikelijke mikpunt van aantijgingen. Toch won
Calixtus het pleit met de krachtige steun van drie kardinalen die
hij al had gekozen, en hij toonde zich, zoals dat betaamt, heer en
meester van de Kerk; hij benoemde zes nieuwe kardinalen: Rinaldo
de’ Piscicelli, de aartsbisschop van Napels en een oom van
Lucrezia;
voor zijn benoeming had zich Alfonso, als een persoonlijke gunst
jegens hem, sterk gemaakt; Juan, bisschop van Zamorra, een Spanjaard
die uitblonk in rechtsgeleerdheid en negenendertig jaar lang wijs en
integer de curie had gediend; Giovanni, de bisschop van Pavia, uit
de edele familie van Castiglione te Milaan; Enea, bisschop van
Siena; op zijn benoeming had niet alleen de keizer aangedrongen,
maar ook Ladislas, de koning van Hongarije en bijna alle Duitse
vorsten; Giacomo, bisschop van Montefeltro,[1]
die uit Rome stamde en een broer was van de geneesheer Simone; en
Richard, een priester uit Coutances in Normandië, om wiens benoeming
gevraagd was door koning
Charles van Frankrijk. Hun benoeming werd
met instemming begroet, behalve die van de bisschoppen van Napels en
Montefeltro. Men zei, dat zij niet benoemd waren op grond van
verdiensten of op voorspraak van waardige bemiddelaars; de een,
beweerde men, had zijn benoeming te danken aan een vrouw van lichte
zeden, de ander aan een geneesheer. Toen het volk echter hoorde dat
Enea de rode hoed had ontvangen, deed aanstonds het gerucht de
ronde dat Calixtus zich een opvolger had gekozen en er heerste een
geweldige blijdschap in heel Rome. Ook de Sienezen vierden dagenlang
feest, toen zij gehoord hadden van de hoge onderscheiding van hun
bisschop. Officieel heerste vreugde, maar binnenshuis waren de
bestuurders van de stad zeer misnoegd, omdat zij bang waren dat
Enea op een dag paus zou worden – hetgeen ook gebeurd is - en zou
proberen de publieke ambten open te stellen voor de adel, die bij
hen gehaat was en reeds lang uitgesloten van deelname aan het
stadsbestuur. Maar keizer Frederik toonde grote blijdschap, toen hij
hoorde dat zijn ambassadeur en raadgever was opgenomen in het
college van kardinalen. Ook
Alfonso, koning van Aragon en Sicilië,
was niet weinig verheugd, omdat hij de deur geopend zag voor het in
vervulling gaan van zijn profetie. Ook alle Duitse vorsten wensten Enea schriftelijk geluk, alsof
aan Duitsland in zijn persoon geëerd was. En daarin hebben zij zich niet vergist, want
Enea
heeft zich altijd doen kennen als voorvechter en verdediger van de
Duitsers, niet alleen toen hij kardinaal maar ook toen hij paus was,
en Calixtus luisterde in Duitse aangelegenheden naar hem boven alle
andere kardinalen.
|
|