|
Pii discessus et eius dissuadentibus amicis constantia
Sic rebus in Urbe dispositis, ad cuius regimen Nicolaus Sancti Petri
cardinalis dimissus est, pontifex maximus ad XIII Kalendas
Februarias, quae dies profectionis dicta est, ex palatio
apostolico, quod est apud Sanctum Petrum in Vaticano, intempesta
nocte ad aedem Sanctae Mariae Maioris in Exquilio monte se contulit;
ibique sequenti die commoratus frequenti populo ac vehementer
lacrimanti lacrimans ipse benedixit, et postridie sole nondum orto
per thermas Diocletiani et collem Suburrae ad portam Flamineam -
nunc Populi vocant - et deinde ad pontem Milvium
descendit. Cardinales eo usque secuti sunt, et optimatum Urbis
plebisque maxima pars.
Ibi equitum in armis expectabant turmae, quae pontificem tutum
deducerent. Tum dimisso populo sex cardinales delecti sunt, qui
papae servirent iter agenti: Vilhelmus Rhotomagensis, e regia
stirpe natus; Alanus Avinionensis, nobilis Brito; Philippus
Bononiensis, Nicolai pontificis quondam frater; Petrus Sancti Marci;
Prosper Columnensis; Rhodericus vicecancellarius - qui
Romanorum pontificum nepotes fuerunt: Eugenii, Martini, Callisti.
Cardinales reliqui, ex quis nonnulli valitudinarii fuerunt,
iussi sunt Romae manere, aut mitius veris tempus expectare, ac tum
pone sequi. Et cum aliorum aegritudinibus pontifex ignosceret, suae
nequaquam pepercit, qui podagrico dolore et pluribus affectus morbis
subire mortis periculum maluit, quam constitutam profectionis diem
negligere. Obstabant amici, multisque artibus remorari praesulem
adnitebantur, horridam hiemem et rigidas Apennini alpes et itineris
mille pericula memorantes. Quae cum frustra obiectarentur, non
defuere, qui dicerent:
,,En, pontifex, si nulla tui corporis te retinet cura, respice
saltem, quae tibi commissa est, Romanam Ecclesiam, et quot ei
insidiae praeparentur, animadverte! Et quis Patrimonium Beati Petri
te absente tuebitur? Quam primum Padum transmiseris, invadent regnum
tuum lupi rapaces. Nam quae terra est tyrannis, ne dicam latronibus
magis fecunda, quam tua? Picenum alii, Umbriam alii, alias alii
provincias dilacerabunt, nudabuntque prorsus tuam Sponsam. Cum
redieris, non invenies locum, ubi reclines caput, quem possis tuum
dicere"
-
Ad haec pontifex:
,,Meliora"
-
inquit - ,,praestabit Deus, cuius acturi causam per aegre
proficiscimur. Quod si permiserit divina miseratio id fieri, quod
timetis, privari his temporalibus bonis Ecclesiam, quam fide
malumus. Nisi servamus, quod promissum est, perit fides nostra; et
quis amplius credet nobis? Religio quoque in discrimine ponitur,
quam Turchi
oppugnant, adversus quos conventus indictus est. Sin pergimus, nutat
temporale regnum Ecclesiae. At hoc saepe amissum est et saepe
recuperatum. Spirituali si semel exciderimus, incertum est, an
vendicari aliquando poterit. Pereant haec fluxa, dum solidiora illa
retineamus!
-
Nec plura locutus iter ingressus est.
|
Het vertrek van Pius; zijn
standvastigheid tegenover de bezwaren van zijn vrienden.
Aldus regelde
de paus de zaken in Rome, waarvan hij het bestuur toevertrouwde aan
Nicolas, kardinaal van San Pietro. Op de 20ste januari,
de dag die voor het vertrek was aangekondigd, begaf Pius zich vanuit
het pauselijk paleis, gelegen bij de Sint Pieter op de Vaticaanse
heuvel, in het holst van de nacht naar de kerk van Santa Maria
Maggiore[1]
op de Esquilijn. Daar bleef hij de volgende dag en zegende, zelf in
tranen, een grote menigte die aan zijn tranen de vrije loop liet. De
dag daarop vertrok hij nog voor zonsopgang en daalde langs de
thermen van Diocletianus en de heuvel van de Suburra af naar de
Porta Flaminia – nu de Porta del Populo – en verder naar de Pons Milvius. De kardinalen vergezelden hem tot daar en ook een groot
deel van de edelen en het volk van Rome.
Hij werd opgewacht door een
gewapende ruiterescorte, die voor een veilige reis van de paus
moest zorgen. Het volk werd teruggestuurd en zes kardinalen werden
uitgekozen om de paus onderweg bij te staan: Guillaume van Rouen,
van koninklijke bloede; Alain van Avignon, een Bretons edelman;[2]
Filippo van Bologna, broer van wijlen paus Nikolaas; Pietro van San Marco,
Prospero Colonna en de vice-kanselier Rodrigo, die neven waren
van pausen, respectievelijk van Eugenius, van Martinus en van
Calixtus. De overige kardinalen, van wie er enige met hun gezondheid
sukkelden, kregen opdracht in Rome te blijven of te wachten op
zachter weer in het voorjaar om de paus achterna te reizen. Ofschoon
hij begrip had voor de klachten van anderen, ontzag hij zijn eigen
zwakke gezondheid volstrekt niet; want gekweld door jicht en
verschillende andere kwalen liep hij liever de kans om te sterven
dan de dag die was vastgesteld voor zijn vertrek voorbij laten gaan.
Zijn vrienden protesteerden en probeerden op allerlei manieren hem
tot uitstel te bewegen, door te herinneren aan het barre jaargetij
van de winter en de besneeuwde toppen van de Apennijnen en de
talloze gevaren van de reis.
Toen al deze bezwaren vergeefs bleken,
waren er mensen die zeiden:
“Heilige Vader, als de zorg om eigen
gezondheid u niet weerhoudt, houd dan tenminste rekening met de Kerk
van Rome, die U is toevertrouwd, en zie toch hoeveel hinderlagen
tegen haar gelegd worden. Wie zal het erfgoed van de heilige Petrus
beschermen zolang U afwezig bent? Zodra U de Po hebt overgestoken,
zullen vraatzuchtige wolven uw rijk binnendringen. Want welk land is
vruchtbaarder grond voor tirannen, wat zeg ik: voor rovers, dan het
uwe. Sommige onverlaten zullen zich storten op Piceno, andere op
Umbrië, weer andere zullen andere gebieden verscheuren en zij zullen
uw bruid volkomen leegroven. Bij uw terugkomst zult u geen plek
vinden om uw hoofd neer te leggen, geen plek die ge de uwe kunt
noemen.”
De paus antwoordde:
“God zal ons
beter belonen, God om wiens zaak te behartigen wij met zoveel moeite
vertrekken. Maar als Gods barmhartigheid zal toelaten dat, wat u
vreest, gebeurt, zien wij liever de Kerk beroofd worden van deze
tijdelijke goederen dan van onze trouw. Als wij niet gestand doen
wat wij hebben beloofd, is het gedaan met onze geloofwaardigheid.
Wie zal ons dan nog vertrouwen? Ook het Geloof staat op het spel,
aangevallen door de Turken, tegen wie het congres is bijeen
geroepen. Als wij gaan, wankelt het tijdelijke koninkrijk van de
Kerk. Maar dat is al vaak verloren gegaan en vaak weer hersteld. Als
wij het koninkrijk van de geest opgeven, is het onzeker of we ooit
de gelegenheid zullen krijgen het terug te winnen. Laten deze
onbestendige dingen verloren gaan, mits we behouden wat solide is.”
En zonder daar nog iets aan toe te voegen ging hij op weg.
[1]
Voor een afbeelding:
http://www.panoramas.dk/fullscreen/fullscreen46.html
[2]
Alain de Coetivy né le 8 novembre1407 en Plounéventer dans
le Léon. Sa mère,
Catherine du Chastel est la soeur du
fameux Tanguy du Chastel.
Il reçut le canonicat du Léon le 5 Juillet 1436 et il le
cède le 30 octobre 1437,
lorsqu'il est nommé évêque
d'Avignon.
Créé Cardinal "in petto"par le pape Eugéne IV, confirmé par
Nicolas V en Janvier 1447.
le 20 décembre 1448, il reçut le titre de St Praxède.
Evèque commendataire de Nîmes le 1er avril 1454,
par
transfert de son cousin Jean du Chastel, à Carcassone.
Evèque administrateur de Dol le 18 juin 1456.
Il devint, comme cardinal, évèque de Palestine le 7 juin
1465,
puis de Sabine le 11 décembre 1472.
Il devint abbé commendataire de l'abbaye de Redon en 1468.
Il meurt à Rome, en son palais du Campo de Fiori le 3 mai
1474.
A noter qu'il a posséder les bénéfices de la paroisse de
Marsac,
qu'il résigna à la prière de Pierre II le 4
septembre 1451.
|
|