|
De dichter Enea Silvio groet de heer
Prokop van Rabenstein,
geletterd en eminent ridder, hartelijk [Wolk.I.1, 343-353 (151)].
De afgelopen nacht, voordat ik mij te ruste
legde, heb ik veel aan jou gedacht en me afgevraagd waarom aan jouw talenten
niet de ruimte wordt geboden die hen toekomt. Want, al geniet jij de
waardering van de keizer, toch zie ik jou niet die carrière maken die bij
jou past. Ik zie namelijk niet waarom een man als jij die zich onderscheidt
in adel en degelijkheid, geen vooraanstaande positie zou innemen. Ik legde
de schuld bij het lot, zij immers geldt als uitdeelster van eer en rijkdom,
en verontwaardigd voer ik tegen haar uit als degene die de goeden onderdrukt
en de slechten verheft, tot ik tenslotte in een diepe slaap viel. Maar zie,
in mijn slaap heb ik heel wonderbaarlijke taferelen aanschouwd, die ik je
wil vertellen. Luister dus goed en neem kennis van de bijzondere ervaringen
die ik beleefd heb.
Reeds was de nacht zover gevorderd dat bij
het verflauwend licht der sterren de koude wagen van de trage Ossendrijver
zijn kring voltooid had,
toen ik het volgend droomgezicht kreeg. Ik zag me beland in een weelderig
oord en lieflijk groene velden.
Een met gras begroeide vlakte lag midden in een door geluk gezegend woud,
door een muur en een rivier omgeven.
Twee poorten waren er, een van hoorn, glanzend van wit ivoor de ander,
de hoge muren waren opgetrokken uit diamant, een rivier had een peilloze
diepte. De poorten waren slechts over bruggen te bereiken. Deze echter
werden aan kettingen omhoog gehouden en maar voor enkele bezoekers
neergelaten. De oevers rond de poorten werden bevolkt door een onafzienbare
schare mannen en vrouwen die de handen uitstrekten en smeekten om te worden
overgezet. Dit ongewone schouwspel joeg mij angst aan en terwijl ik her en
der rondliep, ontmoette ik verschillende mensen die ik van gezicht kende. Om
een mij onbekende reden echter was geen gesprek met hen mogelijk. Ik kwam
bij de hoornen poort en zag bovenaan in antieke letters het volgende
opschrift: ‘Weinigen laat ik toe, nog minder laat ik blijven.’
Verlangend om te weten hoe het er aan gene zijde uitzag, vroeg ik dringend
maar vergeefs aan een jongeman die bovenop een toren stond, om de poort voor
mij te openen. Op dat moment naderde een jeugdig man, omstuwd door een grote
menigte.
Aan zijn uiterlijk zag ik dat hij afkomstig was uit de omgeving van de Rijn.
‘Wie zou dat zijn,’ dacht ik. Een man in toga trad op mij toe, een Italiaan
die in mij, geloof ik, een Italiaan herkende en hij zei: ‘Dat is keurvorst
Ludwig, hertog van Beieren, die ons naar gene zijde van de muur zal leiden.
Ik antwoordde: ‘Beste man, verkrijg ook voor mij de doortocht, als ik enig
recht mag ontlenen aan ons gemeenschappelijk vaderland.’ ‘Dat zal ik doen,’
sprak hij en dat was nog niet gezegd of de brug werd neergelaten en Ludwig
ging naar binnen en met hem verschillende anderen die de poortwachter bij
hun naam aanriep. Ik ging als een spion naar binnen, terwijl ik mij
verborgen hield onder de mantel van een vorst die zich aan de zijde van
Ludwig ophield, een markgraaf van Brandenburg, naar het leek. Weiden vol
bloemen lagen daar, rivieren overvloeiend van melk en wijn, koele bronnen,
meren boordevol vis, lieflijke plaatsen om te baden, dichte wouden,
wijnstokken, bomen die onafgebroken vrucht droegen, als in de legendarische
tuin der Hesperiden of het land van de Phaeaken. Appels, waarvan alleen de
geur je honger stilt, vogels die bijna tam waren en zo voor het grijpen,
geboren om tot voedsel te dienen en het oor te strelen. In het land van de
Ethiopiërs ligt een plek, Zonnetafel
genaamd, altijd voorzien van een rijke maaltijd, waarvan ieder zonder
onderscheid mag eten. Daarnaast ligt een meer met helder vocht, zeer gezond
om van te drinken. Zulke plekken bevinden zich hier in overvloed, tafels die
klaar zijn gezet onder bomen, voorzien van bekers die bezet zijn met
edelstenen, en gouden schalen. Geen Falernische wijn
kan de vergelijking doorstaan met de wijn die daar uit de rots vloeit.
Honing stroomt er overal, er groeit riet, barstensvol suiker. Elk soort van
specerijen hangt daar aan het geboomte. Onuitputtelijke goud- en
zilvermijnen, kostbare edelstenen hangen als kersen aan de bomen.
Bekoorlijke meisjes en elegante jongens bewegen zich in eindeloze reidans.
De lucht is er vervuld van allerlei muziek. Het paradijs dat Mohammed zijn
volgelingen beloofde was niet zo weelderig als wat je hier te zien kreeg.
Bacchus, Ceres en Venus deelden hun gaven kwistig uit. Een bos van mirte
nodigde uit tot minnekozen. Ik was al vanonder de mantel te voorschijn
gekomen en op mijn gemak liep ik rond in die menigte feestelingen, terwijl
ik mijn ogen de kost gaf. Toen trad de dichter Vegio uit Lodi op mij toe en
vroeg:
‘Enea, hoe ben jij hier gekomen?’ Ik omhelsde mijn vriend en legde hem uit
wat mij overkomen was. Hij antwoordde: ‘Was jij maar geroepen, want zonder
opdracht van de meesteres mag niemand blijven. Als ze jou ziet, zal zij je
aanstonds laten verwijderen.’ ‘Wie is dan die gebiedster, op wier oproep met
moet wachten?’ ‘De Fortuin,’ antwoordde Vegio, ‘aan haar hebben wij allen
die hier leven, ons geluk te danken.
Haar gehoorzaamt heel de wereld, wat zij beveelt, gebeurt.’ ‘Jij behoort dus
tot die gelukkigen, terwijl je altijd zo ongelukkig was.’ ‘Zo is het,’ sprak
Vegio, ‘deze gebiedster heeft mij eindelijk haar genegenheid geschonken, zij
heeft de gunst van de paus voor mij gewonnen en mij kanunnik gemaakt van de
Sint Pieter.’ ‘Mooi,’ zei ik, ‘ik begin al verering te voelen voor jouw
meesteres, als zij goede lieden vooruit helpt. Ik heb haar zo vaak verwijten
gemaakt, omdat ik zag dat zij goed was voor de slechten en slecht voor de
goeden. Je weet toch wel, hoe goed Socrates is geweest? Nimmer heeft zij hem
toegelachen. Plato, de grootste filosoof aller tijden, heeft zij tot
slavernij gebracht
en Pythagoras gedwongen tot het leven van een zwerveling. Cicero heeft het,
dank zij haar, van redenaar tot consul gebracht, maar toch heeft zij hem
later aan de handen van zijn vijanden overgeleverd en is hij omgebracht door
het zwaard van Antonius,
Scipio heeft zij in ballingschap gezonden,
Fabricius laten eten uit aarden en houten vaatwerk,
Cato de Oude gebukt doen gaan onder armoede, en Cato de Jongere bevolen om
zelfmoord te plegen.
Je hoeft daarbij niet enkel te denken aan mensen uit het verleden. Welke
beloning zie je nu weggelegd voor kardinaal Giuliano van Sant’ Angelo,
getooid met zoveel deugden?
En voor de kardinalen Juan van San Pietro,
Juan van San Callisto
en Giovanni van Tarente, die beide behoren tot dezelfde orde (van de
Dominicanen)?
Welk profijt hebben zij van hun rechtschapenheid en kennis? Wie kan beweren
dat kanselier Kaspar, hoewel hij een hertogin als levensgezel
aan zich verbonden heeft, voldoende is beloond voor al zijn inspanningen,
terwijl hij al kanselier is geweest van drie keizers?
Neem Wilhelm von Stein, voortreffelijk ridder, even doorkneed in de
wetenschap als in de wapens; de hele wereld heeft hij bereisd om zijn
talenten te ontwikkelen en wat heeft hij bereikt dat recht doet aan zijn
verdiensten?
Onze Campisio, van wijsheid vervuld, die zijn leven in dienst heeft gesteld
van de apostolische stoel, is armer dan Codrus:
een soldaat is hij die een eenzame strijd voert of, mocht hij gezellen
hebben, dan ziet hij er ten hoogste vier aan zijn zijde. Prokop van Bohemen
mag zich dan een toegewijde dienaar tonen van de wetenschap, aan het hof van
de keizer geeft men voorrang aan ongeletterde en domme lieden. Ik wil het
niet hebben over al die ezels die ik hoger heb zien stijgen dan ceders van
de Libanon; ook tegenwoordig staan zij nog in aanzien, mannen zonder
eruditie, zonder eloquentie, zonder gevoel, die nog niet tot vijf kunnen
tellen. Doden hekelen is veiliger dan levenden. Heeft er een afzichtelijker
en gruwelijker monster bestaan dan Nero, een groter misdadiger dan Tiberius?
Toch duurde hun heerschappij langer dan die van Vespasianus en Titus, twee
menslievende keizers. Een schandelijker beest dan Domitianus? Toch ging de
wereld vele jaren gebukt onder zijn juk, terwijl zij Jovinianus,
die toch een godsdienstig en barmhartig mens is geweest, al na korte tijd
heeft moesten missen, nadat hij in kolenwalm gestikt was. Hoeveel villas
heeft Crispinus niet laten bouwen, dat monster tegenover wiens ondeugden
geen enkele goede eigenschap stond?
Pophides, de eunuch van Claudius Nero, verwierf zoveel rijkdom dat zijn huis
fraaier en ruimer gebouwd was dan het Kapitool.
Gabrino van Cremona bracht zijn zeven meesters om het leven; hij begroef ze
in een stinkend riool en eigende zich hun bezit toe.
Ook iemand uit deze tijd moet hier worden genoemd: de vader van Filips, de
huidige hertog van Bourgondië, werd tot leider aangesteld in aanwezigheid
van de koning van Frankrijk en richtte met de bijl een bloedbad aan onder de
burgers van Parijs. Nu leidt zijn zoon in de provincie een leven in alle
rust, beloond met vette landerijen, terwijl de vader heeft gemoord en zijn
woord van trouw gebroken, waaraan die andere ongelukkige zich gehouden had.
Dat heeft mij dikwijls een bittere smaak bezorgd. Maar nu ik zie dat jij,
een eerlijk en geleerd man, verblijd bent met de strelingen van de Fortuin,
voel ik mij milder gestemd jegens haar, en ik denk dat jij niet als enige
van alle goede mensen bij deze meesteres geliefd bent.
Neem mij dus mee, bid ik je, en laat mij naar haar kijken. ‘Het is waar,’
zei Vegio, ‘dit gezelschap telt meerdere goede mannen, hoewel ik de
kenschets van goed man, die je míj geeft, niet zelf voor mij opeis. Ik weet
dat ik een zondaar ben en mijn rang niet waardig, maar dat is nu eenmaal de
wil van de Fortuin en mijn paus.
Dat ook goede mensen zich mogen verheugen in de gunst van deze meesteres zul
je erkennen, als je nog een ogenblik luistert. Ik wil nu niet aanvoeren
hoezeer het geluk Constantijn de Grote heeft toegelachen en Nerva, Trajanus
en Theodosius I en II en in de eerste plaats keizer Augustus zelf: dat zijn
rechtschapen mensen geweest. Ik ga over op mannen van déze tijd. Waarom
toont zich de Fortuin nu vriendelijk gezind jegens jouw zeer vrome keizer,
waarom jegens mijn allerheiligste paus? Wie anders dan de Fortuin heeft de
ster doen rijzen van de koning van Aragon?
Wie heeft het hertog van Gloucester groot gemaakt,
wie de aartsbisschoppen van Keulen en Trier?
Hun eigen verdienste is groot, maar toch zijn ze zo hoog gestegen door de
gunstige wind van de Fortuin. Die van Mainz
zou zeggen: ‘Mijn afkomst heeft mij omhoog gebracht.’ Dat zouden ook de
hertogen van Saksen en van Beieren
kunnen zeggen, alsof de Fortuin niet in deze mannen heeft gewerkt. Maar hun
hoge geboorte: aan wie anders dan aan de Fortuin hebben zij die te danken?
Als zij wilde, kon ze mij op de troon van Spanje of Engeland zetten. Niet
aan eigen verdienste maar aan het lot hebben wij een beroemde afkomst te
danken. Maar als de Fortuin soms deugdzame mensen
overslaat, hoeft dat nog geen verontwaardiging te wekken. Want deze
meesteres deelt haar gunsten uit aan wie zij wil. De mens komt in deze
wereld niet om schatten te vergaren of in weelde te leven, maar om hard te
werken. Wij moeten de aarde niet beschouwen als ons huis maar hier vertoeven
als vreemdelingen en pelgrims en ons toekomstig vaderland verdienen door
goede werken. Deugd gaat niet licht samen met groot geluk.
Dat ontdekte
die wijsgeer uit Thebe en hij wierp een grote schat aan goud in zee om zich
daardoor open te stellen voor de wijsbegeerte.
Christus, onze God en Heiland, heeft ons geleerd rijkdom als doornen en
distels te mijden.
Zijn leerlingen oefenden zich in armoede, zij stelden zich tevreden met
kleding en voeding. Ook Hieronymus legde in al zijn geleerdheid de schuld
van zijn pover bezit niet bij de Fortuin, want niet deze meesteres volgde
hij, maar Christus en ter wille van de eeuwige zaligheid zag hij af van
vergankelijk bezit. De abt Antonius deed vrijwillig afstand van wat de
Fortuin hem had gegeven.
Als wij verstandig waren, zouden we niet dingen naar de gunst, maar naar de
haat van de Fortuin. Haar genegenheid vormt de grootste hinderpaal op onze
weg naar het eeuwige leven. Zeldzamer nog dan een witte raaf is hij die in
staat is én de Fortuin én de weg naar de hemel te volgen. Genoeg nu, ik hou
me in, anders lijkt het of ik deze meesteres kleineer, in wier omarming ik
mij nu koester. Toch pas op: denk nu niet dat Prokop en anderen die jij hebt
opgesomd als aanhangers van de deugd, door de Fortuin in de steek zijn
gelaten. Want zij zouden geen kardinaal of ridder of edelman zijn, als de
Fortuin hen niet had geholpen. Campisio is de enige van wie de Fortuin haar
aandeel niet kan opeisen.
Maar laten we, als je vastbesloten bent, van dichterbij kennis maken met die
meesteres van koninkrijken en drijvende kracht van het keizerrijk.’ ‘Goed,
laten wij dat doen,’ antwoordde ik, ‘ofschoon ik misschien een niet genode
gast ben.’ We waren nauwelijks verder gekomen dan een snelle pijl,
gesprongen van de boog, reikt,
toen Vegio mijn hand vastpakte en zei: ‘Kijk naar rechts, Enea, daar heb je
Nortia, meesteres van het geluk.’
Er stonden met parels getooide purperen tenten die een ruimte besloegen van
honderd morgen land. In het midden verhief zich een hoge troon, stralend van
schitterende smaragden. Ook de ivoren zetel was ingelegd met bijzondere
stenen:
sagda, een edelsteen waarvan de groene kleur een lust voor het oog is, die
zich in de diepte van de Eufraat aan de kiel van een schip pleegt te
hechten; myrrhites met de kleur van mirre, dat een nardusgeur verspreidt als
het warm wordt gewreven;
mithridax dat, getroffen door de stralen van de zon, in bonte kleuren
schittert; pyriet dat je niet kunt vasthouden; chalazias dat glanst met een
kleur witter dan hagel; echites, gevlekt als een adder; dionysias dat van
nature een donkere kleur en als het wordt gewreven in water de gloed van
wijn heeft; venushaar dat eruit ziet als rode haren; seleniet met een
doorschijnend witte glans; pyropus, op vlammen lijkend; meconiet met de
tekening van een papaver en myrmiciet met die van kruipende mieren;
chalcophtongos dat galmt als koper als je erop slaat; sideriet dat gelijk is
aan ijzer en tweespalt veroorzaakt, wanneer het met magische vervloekingen
is geladen; phlogiet dat in zijn binnenste als het ware hete vlammen
opgesloten houdt; antraciet, fonkelend als een ster; enhygros dat vocht
uitscheidt, hetgeen doet denken aan een opborrelende bron; malachiet uit
Arabië dat dieper groen is dan smaragd en kinderen beschermt tegen gevaar;
iris dat in de Rode Zee wordt aangetroffen en, door een zonnestraal
getroffen, in huis het beeld van de regenboog op de wand werpt; zilver
glanzend androdamas dat verhitte gemoederen kalmeert en woedeaanvallen
bedaart en een probaat middel is tegen nerveuze stoornissen; ivoorkleurig
paederos en agaat dat de drager aantrekkelijk maakt. Wat een onvoorstelbaar
aantal edelstenen men daar zag fonkelen! De Fortuin zelf was een rijzige
vrouw die een tweevoudige aanblik bood, nu eens met een vriendelijk dan weer
een angstaanjagend gelaat; gehuld in een mantel met gouddraad bestikt zat
zij op een hoog kussen; haar ogen waren groot maar meestal gesloten. Ik zag
dat haar oren gevuld waren met was, afkomstig van het schip waarvan de
roeiers, door zich doof te maken, ontkwamen aan het gezang der Sirenen.
In haar hand hield zij een staf. Rechts van die machtige gestalte zaten Eer,
Gunst, Luister, Vreugde, Ambt, Hoogheid, Lach, echtelijke Liefde, Kracht,
Schaamtegevoel, Deugdzaamheid, Zang en Drank. Op een even voorname plaats
Faam, Roem, Zege, Adel, Respect, Vrede, Blijdschap, Macht, Schoonheid, Lof,
Gratie, Innemendheid, Aantrekkelijkheid, Opgeruimdheid, Waardigheid,
Hooggestemdheid, Praal, Voornaamheid, Vriendschap, Aanhang, Roof, Wraak,
Tirannie, Wellust, Aanmatiging, Vergevingsgezindheid, Huwelijk en Troost.
Aan haar voeten, gelijk aan dienaressen of pages, Rijkdom, Geld, Luxe,
Plezier en Genot. Zij stonden daar met gespitste oren gereed om ieder bevel
van hun meesteres op te vangen en uit te voeren. Op een met gras begroeide
helling was een groot aantal zetels te zien met voornaam gezelschap.
Ik zag daar een grote schare schimmen zitten, hun lichamen waren bleek, maar
toch waren ze doortrokken van een stralend licht. Ik wendde me tot Vegio en
smeekte hem mij te zeggen wie toch die eerbiedwaardige en treurig uitziende
mannen waren. ‘Dat zijn zij die deze meesteres vanaf de aanvang der tijden
had voorbestemd voor een grote rol. Hun tijd is voorbij, nu zijn ze hier
aangekomen; hoe hoger iemand geweest is des te dichter staat hij bij de
Fortuin. Niet aan eigen verdiensten maar aan geluk heeft iemand zijn plaats
te danken. De eerste hier
is keizer Augustus, telg van goddelijk geslacht, stichter van gouden eeuwen,
die de grenzen van zijn rijk heeft uitgebreid tot voorbij de Garamanten en
Indiërs.
De tweede is Alexander, naast hem Julius Caesar, dan de beide Scipio’s,
daarna Pompeius. De man met het ene oog die je daar ziet, is Hannibal, na
hem komen Fabius Maximus, Aemilius Paulus, Marcellus, Alcibiades,
Themistocles, Priamus, Hector, Agamemnon, Odysseus, Darius, Xerxes en Ninus.
Naast velen die ik oversla zie je Constantijn steunend op het teken van het
Kruis.
Constans, Constantinus, Valentinianus en Theodosius zijn de volgende. Er
zijn ook mannen bij uit later tijd: Karel de Grote, Pepijn
en Arthur.
Van de oudere koningen stap ik nu af. Sigismund
ken jijzelf en zijn schoonzoon Albrecht die na zijn schoonvader slechts kort
geregeerd heeft en zowel voor- als tegenspoed heeft ondervonden.
Nadat Albrecht van hertog koning was geworden en het bewind over Hongarije
en Bohemen had aanvaard, heeft hij niet lang daarna het koningschap van het
Roomse Rijk verworven. Even snel als zijn ster rees, even abrupt is hij weer
gevallen: hij had nauwelijks drie jaar geregeerd, toen hij door ziekte werd
geveld en zijn ziel aan de Heer heeft teruggegeven.’ Daarop vroeg ik: ‘Op
welke wijze valt iemand geluk ten deel? Ik heb immers bij Juvenalis gelezen
dat niemand die slecht is gelukkig is,
maar van de mannen die jij genoemd hebt zijn er verschillende heel slecht
geweest. Je weet hoe wreed, hoe bedrieglijk en begerig Hannibal geweest is,
toch heb jij gezegd dat hij gelukkig is.’ Vegio antwoordde: ‘Onder ‘geluk’
versta ik niet wat wijsgeren bedoelen, maar ik volg de algemene opvatting
dat die man door het geluk bezocht wordt die in bijna alles zijn zin krijgt,
of nu goed of slecht is wat hij wenst.’ Waarop ik: ‘Het gaat mij niet om de
doden, Vegio, ik vraag je om mij de levenden te tonen.’ ‘Kijk eens
daarheen,’ antwoordde Vegio, ‘zie je die jongeman met een witte en
onopgesmukte haardracht? Nog geen dertig jaar oud is hij, op zijn gezicht
ligt zelden een glimlach, voor een man heeft hij een ernstige gang, iemand
van weinig woorden, introvert, met een lang gelaat, een gestalte die boven
anderen uitsteekt en met een brede borst.’ ‘Ja,’ zei ik, ‘maar wie is hij?’
‘Jouw heer, keizer Frederik.’
‘Inderdaad nu zie ik het ook, maar waarom wendt hij zich af van het gelaat
van de Fortuin? Welke woorden spreekt de meesteres tot hem? Haar stem hoor
ik, haar woorden versta ik niet.’ ‘Ik zal het je zeggen,’ aldus Vegio.
‘Venus heeft Adonis niet zo liefgehad als mijn meesteres jouw heer. Maar
toch wendt hij zich af en gaat niet in op de gunst van de Fortuin. Zij toont
hem een gelaat vol welwillendheid, zoals je ziet. Frederik’s ogen staan
wild, zij kijken de Fortuin nauwelijks aan. Wat er in zijn geest omgaat,
weet ik niet, maar dit zijn de woorden van de Fortuin: ‘Wacht, Frederik, en
vertrouw je aan mij toe. Geen koning zal gelukkiger zijn dan jij, als je aan
mij gehoor geeft. Maar vlucht jij, dan zal ook ik vluchten.’ Zie je, Silvio,
hoe zij haar hand op de schoudermantel van de keizer heeft gelegd en zijn
halsketen
wil beetpakken? Ik weet niet of de keizer zich laat vangen, de hemel geve
het, maar als hij de gunst van de Fortuin versmaadt en vlucht – ik ken de
aard van mijn meesteres – zal zij nooit meer zo welwillend zijn. Zij is
trots, zij laat zich liever bidden dan dat zij zelf bidt. Nooit heb ik haar
zo welwillend gezien jegens iemand als nu jegens jouw heer. Gelukkig zal hij
zijn, als hij de Fortuin volgt, ongelukkig als hij vlucht.’ Waarop ik: ‘Wie
is de man naast Frederik, een enigszins donkere verschijning die daar gaat
met opgeheven hoofd en forse tred?’ ‘Dat is een volle broer van hem,’ zei
Vegio, ‘hertog Albrecht, een man met een nobele en onverzadigbare geest.
Hem volgt zijn neef Sigismund met kwieke tred, scherpzinnig en slagvaardig.
Na hen graaf Ulrich van Cilli, meester in het dodelijke gevecht, niet zozeer
een trouw maar wel gelukkig in de liefde.
Als je wilt weten wie die man is, rijp van jaren en met een rijzige
gestalte, kijk dan naar zijn voeten: daar geeft een schoen van hem te zien:
‘Ik ben de baron van Walsee.
‘Zij worden gevolgd door voorname mannen, de bisschop van Chiemsee
en die van Gurk,
jouw meester de kanselier Kaspar die zoals jij zegt, minder heeft dan hij
verdient,
de kamerheer maarschalk Zebingher.
Deze mannen zijn uitgekozen om zich naar Neurenberg
te begeven. Als zij die stad bereiken, zullen ze in hun eigen vaderland
blijven. En dan zie je Leonhard, bisschop van Passau,
de graaf van Schaumberg,
de hofmeester Neyperg
en anderen, allen zonen van de Fortuin, ook al klagen zij ieder over hun
lot.’ Nogmaals vroeg ik: ‘Wat is dan het lot van al deze mannen?’
‘Voorspoedig,’ aldus Vegio, ‘indien jouw meester gehoor zal geven aan de
woorden van de Fortuin, wisselend, indien hij niet zal gehoorzamen.’
Terwijl wij zo met elkaar praatten, zag ik een man, klein van gestalte met
donker gelaat en vrolijke ogen. Hij had zijn handen in het haar van de
Fortuin gestoken en terwijl hij haar zo vasthield, zei hij: ‘Blijf toch
staan, mevrouw, en schenk mij aandacht. Waartoe ontvlucht je mij al twaalf
jaar? Ik heb je te pakken, of je wilt of niet, je móet mij je aandacht
geven, lang genoeg heb je je tegen mij verzet. Nu zult je een ander gelaat
tonen, denk ik. Je zult mij of ter wille zijn of ik zal al je haren
uitrukken. Waarom ontvlucht je mij, een man met een dapper hart, en houd je
angsthazen gezelschap?’ Ook hij kreeg van de Fortuin te horen: ‘Je hebt
gewonnen, ik geef het toe, je zult niet langer mijn tegenwerking
ondervinden.’ ‘Wie is die man,’ vroeg ik, ‘die zo aandringt bij de Fortuin?’
Waarop Vegio: ‘Koning Alfonso van Aragon die met zijn broers gevangen is
genomen bij Ponza en uitgeleverd aan Filippo, hertog van Milaan, en die zich
na zijn vrijlating opnieuw in gewapende conflicten heeft gemengd. Hij bleef
de onwillige Fortuin achtervolgen en heeft met zijn aandrang en volharding
bereikt dat zij zich uit ontzag gewonnen heeft gegeven en hem in haar gunst
heeft aanvaard. Een ander
die je vlak bij de Fortuin ziet staan, is de hertog van Bourgondië en naast
hem zijn wijze echtgenote.
Die lange man die zich zo traag beweegt vanwege zijn buik en die nauwelijks
een woord over de lippen krijgt, is heer over de Insubriërs.
De meesteres heeft hem meerdere malen toegelachen, maar hij heeft niet goed
genoeg naar haar woord geluisterd. Daarom bezit hij nu minder grond en zou
nog minder bezitten als de vrijgevige aard van de Fortuin het niet van haar
dreigende houding had gewonnen. Die man daar, gelukkig in de wapens, is
János, de woiwode van Transylvanië. Door zijn moed zijn de Turken gebroken
en uit Hongarije verdreven.
Die zwarte man is Jiskra,
wiens wapens de partij van Ladislas hebben verdedigd. Deze kale figuur is
Ptácek uit Bohemen, een intelligent man met wisselende gezindheid.
Vóór hem zie je Piccinino staan, wiens dapperheid wij meer kunnen bewonderen
dan hier beschrijven.
Bij hem staat Francesco van Cotignola die tot nu toe meer door de gunst van
de Fortuin dan door eigen verdiensten is opgeklommen.
Ik merkte onder hen ook een gestalte op met het uiterlijk van een matrone en
vroeg: ‘Wie is toch die vrouw die enkele passen voor de anderen uitloopt en
er zo trots uitziet?’ ‘Dat is,’ zei Vegio, ‘Venetië, zij heeft de sleutels
van de schatkist van de Fortuin en zij houdt Tarpeia in verzekerde bewaring.
Een andere stad is Bourges, Keulen is de derde en Neurenberg de volgende.
Dan komen Straatsburg en een stad die niet de minste onder de steden is:
Wenen. Florence volgt Venetië op de voet, maar voor haar ben ik bezorgd,
omdat zij al enkele jaren minder merkt van de gunst van de Fortuin. Jouw
Siena verkeert in een periode van welvaart, maar hoor ik daar naderend
onheil? Ook Barcelona en Valencia zijn welvarend en Londen schittert zoals
je ziet.’ Daarop zei ik: ‘ik zie daar enige mannen in toga, wie zijn dat?’
‘De eerste is mijn opperherder,’ antwoordde Vegio; ‘je kent Eugenius toch
wel?’
‘Wat,’ zei ik, ‘heeft de Fortuin dan ook de hand in kerkelijke
aangelegenheden?’ ‘Evenzeer als in aardse,’ aldus Vegio, ‘sinds onze
kerkelijke leiders zijn begonnen macht uit te oefenen en zich meer te
bekommeren om wereldse dan om geestelijke zaken. Felix zit helemaal beneden,
zes treden lager, omdat de vorsten hem niet willen volgen.
Die daar zijn kardinalen, jij herkent ze allemaal als je naar hun gezicht
kijkt. Drie electors liggen op hoge kussens.
De patriarchen
zijn arm, de Latijnse zowel als de Griekse, daarom staan ze achteraan. Die
weduwen, gehuld in zwarte kleren die achter Alexander en Hercules liggen,
zijn steden die eens prachtig waren, maar die je nu met de grond gelijk
gemaakt ziet: zo heeft de Fortuin het gewild: ginds in de bergen ligt
Carthago, daar aan de Eufraat Babylon, en Troje, de kroon van Azië, ligt
verwoest tussen de Xanthos en de Simoeis;
dat daar is het Thebe van Amphion
en daar ligt de stad van Cecrops,
moeder der Muzen, en Sparta, eens machtig in wapens.’
Daarna vroeg ik benieuwd: ‘Wie zijn toch die mannen die zich zo duidelijk
afzijdig houden?’ ‘De eerste,’ zei Vegio, ‘is de Sultan, aan wie Egypte
onderdanig is, de tweede heerst over Azië, de derde over de Parthen, de
vierde over Afrika.
Die naakte man, slechts gekleed in een broek, met armbanden en een kostbare
halsketting om, is de koning van Indië.’ Vervolgens wendde ik me naar links.
Daar zaten Armoede, Schande, Hoon, Onrecht, Ziekten, Ouderdom, Folteringen,
Kerkers, Honger, Pijn, Gekerm, Angst, Schaamte, Haat, Afgunst, Wanhoop,
Duurte, Oorlog, Pest, Eenzaamheid, Geseling, Zorgen en al die ontelbare
woorden voor rampspoed; dorstende velden, kaal of met stenen bezaaid.’ ‘Wat
beduidt die uitgestrekte woestenij, Vegio’, vroeg ik. ‘Hier wonen zij die
vanuit een hoge positie ten val zijn gekomen, nadat ze de gunst van de
Fortuin verspeeld hadden’, was zijn antwoord. ‘Zie je die oudere vrouw daar
in de hoogte, die als het ware op zeven heuvels staat? Het is Rome, dat eens
van goud, nu van leem is; achter haar Capua, daarnaast Syracuse, dan Genua,
Luna,
Pisa, Lucca, Parijs. Bij de Duitsers zijn de steden nog steeds welvarend,
alleen Praag, die prachtige stad, zien we terugvallen. Constantinopel,
hoofdstad van Thracië, nadert haar einde. De tijd is heer over alles,
niemand vindt de Fortuin voortdurend aan zijn zijde. Die treurige man met
gebogen hoofd is René van Anjou, door de Fortuin verdreven uit het
grondgebied van Apulië.
Die andere man daar is Thomas Fulgosius; hij is van de hertogelijke troon
gesleurd en ligt nu in een stinkend cachot.
Hier ligt Pancratius met een haak om zijn nek, ieders ergste vijand, vooral
van jouw kanselier.
Daar heb je de hertog van Bourbon die de hand had in de wetgeving van
Frankrijk, maar die nu zijn aandeel in de regering kwijt is en aan wie de
toegang tot het hof is ontzegd.
Zie je die rijzige grijsaard met lange witte baard? Het is Ludwig, hertog
van Beieren die door zijn zoon beroofd is van zijn macht en thuis gevangen
wordt gehouden.’
Terwijl Vegio zo sprak begaf ik mij opnieuw naar rechts. Ik zag een vlakte,
overdekt met een witte waas, en terwijl ik opmerkzaam toekeek, meende ik –
of het nu de ware gedaante van Ladislas was of een schijngestalte – een
jongen te zien, gekroond met een diadeem en gehuld in koninklijke kledij, en
verschillende kinderen die met hem speelden. Ik vroeg: ‘Wie zijn die jongens
daar die door een witte wolk zijn omgeven?’ ‘Zij,’ aldus Vegio, ‘aan wie de
Fortuin haar gunst toezegt, als ze hun levensloop volbracht hebben.’
Nauwelijks had hij dit gezegd, of de godin richtte haar blik op mij en vroeg
met gefronste wenkbrauwen: ‘Wie heeft jou hierheen ontboden, Enea?’
‘Niemand,’ antwoordde ik, ‘maar ik ben hier binnengekomen uit verlangen u te
ontmoeten. Wees niet boos op mij; ik heb uw rijk gezien, ik zal weer
weggaan. Nederig verzoek ik u om slechts één gunst, dat u mij op een paar
vragen antwoord geeft.’ ‘Goed,’ zei ze, ‘stel je vragen.’ Daarop vroeg ik:
‘Hoelang bent u welwillend jegens mensen?’ ‘Jegens niemand lang,’ was haar
antwoord. Mijn tweede vraag: ‘Op welke wijze kan men uw gunst verkrijgen?’
‘Alleen door middel van onbevreesd gedrag.’ ‘Wie kan u het langst
vasthouden?’ ‘Wie het dapperst mijn heerschappij volhoudt.’ ‘Aan wie heeft u
de grootste hekel?’ ‘Aan een angsthaas.’ ‘Wie kan u veilig verachten?’ ‘Een
wijze.’ ‘Wanneer zult u mij meer ter wille zijn?’ ‘Wanneer ik je zal
roepen.’ ‘Maak ik kans om geroepen te worden?’ ‘Naderhand zul je het weten.’
‘Wie van alle levenden heeft u het liefst?’ ‘Wie mij op de vlucht jaagt,
niet wie mij ontvlucht.’ ‘Ik weet voldoende, vaarwel.’ ‘Ook jij vaarwel en
loochen niet dat je tot mijn kudde behoort,’ sprak de Fortuin, ‘ook al heb
ik je geen gouden bergen geschonken; want dat velen van jou houden en jou
weldoen, is mijn werk.’ Ik dankte haar en ging weg. Vegio nam voor de poort
afscheid van mij. Daar trof ik een schare mannen die hun handen uitstrekten
en in hun midden Peregallo,
dierbaarder dan een vriend en een even goede vriend Michael Pfullendorf en
ook Wenzel
en Jakob,
die behoorden tot het personeel van de kanselarij. Toen ze mij zagen, kwamen
ze om mij heen staan en hoorden mij uit over wat ik gezien had. Maar terwijl
ik vertelde van mijn visioen, ontwaakte ik weldra uit mijn slaap.
Vaarwel. Wat dit alles voor jou betekent,
moet je maar uitzoeken met je schrandere geest en mij uit de doeken doen.
Nogmaals vaarwel, mijn honing, sla van Epicurus en groente van Pythagoras. Wenen, 26
juni 1444.
Te Neurenberg werd de Rijksdag gehouden; Enea denkt aan de Rijksdag
in augustus/september 1444 waarop het conflict tussen paus Eugenius
en het concilie van Bazel, dat als tegenpaus Felix V heeft gekozen,
op de agenda staat. Enea had Frederik III ervan overtuigd dat hij
voorlopig een neutraal standpunt zou innemen om een dreigend schisma
van de Kerk te voorkomen. Enea zal op deze Rijksdag van september
1444 een belangrijke rol spelen (en als vervolg daarop het volgende
jaar deelnemen aan een diplomatieke missie van Frederik naar
Eugenius) ; cf.
http://www.ccel.org/s/schaff/encyc/encyc09/htm/ii.cxiii.htm.
Overigens heeft Enea in (sept.) 1444 zijn erotische komedie
Chrysis geschreven en deze laten opvoeren – of voorlezen door
‘acteurs’ (misschien deelnemers aan de Rijksdag) – op de genoemde
Rijksdag van Neurenberg, zie hiervoor Chrysis, By Enea
Silvio Piccolomini; Ed., trans., and com. by J.-L. Charlet.
Paris: H. Champion, 2006.
|
Eneas Silvius poeta e salutem plurimam dicit domino Procopio de Rabenstein, militi
litterato et prestanti.
Nocte preterita priusquam me quieti committerem, multa mecum de te locutus sum mirabarque
tuis virtutibus non dari locum convenientem, quia licet acceptus sis cesari, non tamen, ut
par esset, efferri te video. nam cum reluceat in te nobilitas et probitas, non video, cur
inter primores poni non debeas. accusavi ergo fortunam, que tum honorum, tum divitiarum
creditur dispensatrix, pluraque in eam stomachatus dixi, ut que viros premeret bonos,
extolleret malos, nec finem feci, donec altus me sompnus oppressit. inter dormiendum vero
mira per quietem sum contemplatus, que tibi nunc referre decrevi. tu arrige aures resque
tum miras tum stupendas agnosce. jam noctis decurso spatio, sideribus dubiis, postquam
pigri Boeti frigida sarrata circumegerant, visionem hanc habui. in locos letos et amena
vireta deveni, gramineus campus in medio fortunati nemoris erat, rivo cinctus et muro, due
illic porte, altera cornea, altera candenti nitens elephanto. muri altissimi ex adamante
constructi, rivus immense profunditatis. nulli accessus ad portas nisi per pontes, qui
tamen catenis elevati paucis advenientibus dimittebantur. in ripis e regione portarum
existentibus ingens virorum ac feminarum turba consedebant, tendentesque manus orabant
transmitti. territus hac novitate, dum hac et illac
circumcurso, plures mihi obvii dantur, quorum agnoscebam facies. nescio tamen, qua re
factum sit, ut nemo mihi sermonis copiam faceret. veni ad corneam portam, in cujus summo
hec litteris antiquis inscripta conspexi: paucos admitto, servo pauciores. avidus nosse
quid foret interius, juvenem, qui supra turrim erat, magnis precibus obsecravi, incassum
tamen, mihi ut fores panderet. tum forte adolescens venit magna comitante caterva.
cognosco habitum, ex Rheni partibus erat. quisnam hic est, inquam. accedit me vir togatus,
credo me Italum. novit Italus, et Ludovicus est, hic ait, dux Bavarie, princeps elector,
qui trans illum murum nos ducet. at ego, mi vir, impetra et mihi transitum, si quid juris
habet communis inter nos patria. faciam, inquit ille, vixque locuti eramus, cum pontibus
dimissis Ludovicus ingressus est et una secum quam plures alii, quos janitor nominatim
appellavit. ego ut explorator sub pallio principis, qui Ludovico herebat, unus ex
Brandenburgensibus marchionibus visus est, latitans intravi. illic florea prata, rivi tum
lacte tum vino currentes, frigidi fontes, lacus piscibus pleni, balnea suavissima, densi
luci, vineta semper uvis onusta, arbores perpetui autumpni, quales hortus Hesperidum vel
Pheaces habuisse creduntur. poma, quorum solo pascaris odore per silvas, fere mansuete,
captu faciles, volucres et esui et cantui nate, unicus est apud Ethiopes locus,
Eliotrapeza nuncupatus, opiparis epulis semper refertus, quibus indiscretum omnes
vescuntur, apud quem lacus tenuis laticis haustu saluberrimus. hic plurima sunt hujusmodi
loca, mense sub arboribus parate, gemmatis vasculis paterisque aureis ornate. nullum
Falernum comparari vino potest, quod ex vivo saxo illic manat. mella passim fluunt,
arundineta zuccaro plena. omne genus aromatum ex arbore cadit. auri et argenti inexhauste
minere. lapilli pretiosi tanquam ceresa in nemoribus pendent, venuste puelle elegantesque
juvenes perpetuas ducunt coreas. quicquid musicum est, illic resonat. non tam voluptuosam
suis sequacibus paradisum Machometus repromisit quam hic vidisses. dispensatores huc et
illuc discurrebant Baccus, Ceres et Venus. silva mirtea concubitus admittebat. jam ego ex
pallio prodieram cupidusque videndi per medias letantium turbas ibam securus. tum Vegius
poeta Laudensis me aggreditur et, o, inquit, Enea, quo huc pacto venisti? amplexus amicum
exposui casum. tum ille: voluissem te vocatum fuisse, nam hic preter jussum here nemo
manere potest. illa si te viderit mox jubebit expelli. tum ego: quenam est hec domina,
cujus expectatur vocatio? hera Fortuna, respondit Vegius, cujus munere omnes, qui sumus
hic, feliciter vivimus. illi totus obedit orbis, quicquid hec jussit factum est. tum ego:
ergo tu ex felicibus unus es, qui solebas esse quam miser. sum, inquit Vegius, dilexit me
tandem hec domina summique mihi pontificis gratiam conciliavit canonicumque basilice
sancti Petri fecit. ha, inquam ego, jam incipiam colere tuam dominam, si quos bonos
evehit. ego sepe in eam invectus sum, quod malis bonam et malam bonis eam videbam. scis
quam bonus fuerit Socrates? nunquam illi arrisit. Platonem, qui fuit philosophorum
maximus, in servitutem redegit, Pythagoram semper vagari compulit. Ciceronem quamvis ex
rhetore consulem fecerit, in manus tamen postmodum inimicorum dedit et Antonii gladius
interemit, Scipionem in exilium misit, Fabricium in catino terreo seu ligneo comedere
fecit, primum Catonem paupertate gravavit, sibi ut manus consciret, alterum jussit. aspice
viventes. quid Juliano cardinali sancti angeli tot virtutibus ornato repensum vides? quid
Johanni sancti Petri, Johanni sancti Calixti ac Johanni Tarentino ejusdem ordinis viris?
quid est his, quod vel probitati vel scientie correspondeat? quis dicere potest, Gasparem
cancellarium, quamvis ducem sibi conjugem copularit, dignas laborum retributiones tulisse,
qui jam trium cesarum cancellarius fuit. Wilhelmus de Lapide, miles insignis, non minus
litterarum quam armorum scius, qui mundum virtutis agnoscende cupidus peragravit, quid
suis meritis dignum est assecutus? Campisius noster, philosophia plenus, qui sedis
apostolice servitiis etatem suam consecravit, pauperior Codro est. unicus miles est, aut
si comites habet, vix quatuor sunt. Procopius Bohemus in curia cesaris qui licet litteras
amet colatque, indocti tamen atque ebetes sibi preferuntur. nolo referre, quos asinos
viderim exaltatos super cedros Libani, qui etiam hodie florent, homines sine litteris,
elingues, sine sensu, vix manus dextra quot habeat digitos norunt. securius est mortuos
quam viventes carpere. quid tetrius aut horribilius monstrum Nerone fuit? quid Tiberio
sceleratius? his tamen imperia, quam Vespasiano et Tito, piis cesaribus, diuturniora
fuerunt. quid Domitiano turpius? bestiam tamen illam mundi cervicibus imminentem pluribus
annis pertulit orbis, Jovinianum, quia religiosus clemensque fuit, oppressum fumo carbonum
mox amisit. quot Crispinus villas erexit monstrum a vitiis nulla virtute redemptum? spado
Claudii Neronis Pophides tot divitias possedit, ut edes suas ornatiores et ampliores
Capitolio construeret. Gabrinus Cremonensis septem dominos suos interemit, quibus in
fetida sepultis cloaca, dominatum suscepit. non possum viventem aliquem non tangere,
patrem Philippi ducis, qui nunc Burgundiam tenet, in presentia regis Francie prepositus
Parisiensis securi percussit. is nunc in provincia quietissimam habet vitam, pinguibus
agris donatus. hic tamen et homicidium fecit et publicam fidem fregit, quam miser ille
secutus fuerat. hec mihi bilem sepe commoverunt. at postquam te virum probum et doctum jam
fortune blandimentis video delinitum, fio mitior illi, putoque non te solum ex bonorum
numero gratum esse huic matrone, sed duc me, oro, ut illam intuear. ita est, inquit
Vegius, plures boui sunt in hoc conventu, quamvis mihi non arrogo, quod tu nomen das. scio
me peccati reum esse, indignumque gradu meo, sed ita placitum est tum fortune, tum meo
pontifici. atque ut agnoscas, bonos quoque huic domine gratos esse, audi me parumper. nolo
Constantino magno, Nerve, Trajano duobusque Theodosiis ipsique primo Augusto quanta
felicitas arriserit, quia probi fuerunt, nunc disputare. ad vivos venio. quid tuo cesari
religiosissimo, quid meo pontifici sanctissimo nunc se blandam Fortuna ostendit? regem
Aragonum quis elevavit nisi Fortuna? quis ducem Clocestrie magnum fecit, quis Colonienses
et Treverenses antistites? magna est horum virtus et tamen fortune flatu sunt sublimati.
diceret Moguntinus, meum genus erexit me. sic et Saxones et Bavarie duces dicere possent,
tanquam nichil in eis Fortuna fuerit operata. sed quis eos tam alte nasci fecit nisi
Fortuna? poterat hec, si voluisset, me regis Hispanie vel Anglie loco supponere. nulla
virtute nostra sed casu generis nanciscimur claritatem. quod si plures sunt virtuosi, quos
Fortuna preterit, nemo irasci debet. potest enim hec domina, que sua sunt bona, cui vult
elargiri. homines in mundum non ad opes possidendas aut perfruendas delicias, sed, ad
labores nascuntur, vivereque in terris non tanquam incole sed ut advene peregrinique
debent futuramque patriam per opera virtutis inquirere. in magna vero fortuna non facile
virtus reperitur, quod animadvertens Thebanus ille philosophus ingens auri pondus in mari
conjecit, ut expeditiorem se traderet philosophie. Christus salvator deusque noster
divitias tanquam spinas et tribulos docuit fugiendas. ejus discipuli paupertatis amatores
fuerunt; victum et vestitum habentes, his contenti erant. nec Hieronymus quamvis
doctissimus in tenui gaza fortunam accusavit, quia non illam dominam, sed Christum dominum
sequebatur, transitoria pro perpetuis spernens. Antonius abbas, quod Fortuna dederat,
sponte rejecit. quod si sane mentis essemus, odium potius quam favorem appeteremus
Fortune, cujus blanditie maximum prestant impedimentum ad eterne vite consecutionem.
rarusque est et corvo rarior albo, qui et Fortunam simul et iter in celum sequi valeat.
sed comprimo me, ne huic domine videar detraxisse, cujus amplexibus jam delector. tu tamen
cave, ne Procopium vel alios, quos nominasti virtutis amatores dicas, expertes Fortune.
nec enim vel cardinales vel milites essent vel generosi, nisi Fortuna juvisset. solus
Campisius est, ex quo nichil suum potest Fortuna repetere. sed eamus, si stat sententia,
propius videamusque dominam istam regnorum atque imperii motricem. eamus, inquam ego, etsi
forsitan hospes invisus ero. vix quantum velox ex arcu sagitta volitans currit, vie
confeceramus, cum apprehendens Vegius dexteram meam, respice inquit dextrorsum, Enea, ibi
Nursia est domina. tentoria illic purpurea erant, margaritis ornata, que centum jugera
cooperiebant. in medio solium erat peraltum, lucens claris smaragdis, miri preterea
lapides, ebur solia vestiebant: Sagada gemma, que in profundo Eufratis carine navis se
solet adnectere, jocundissime virens; Mirrhites coloris mirre, qui ad colorem attritus
nardi odorem spirat; Mitridas, que sole percussa variis emicat coloribus; tum Pirhites,
qui se teneri non sinit; vehementius Chalachias grandinis candorem preferens; Echites,
vipereas habens maculas; Dionisias, qui sui natura fuscus est et mixtus aqua, si
conteratur, vinum flagrat; Veneris crinis, qui ruforum crinium faciem refert; Solenites
fulgore candido translucens; Pyropus, qui flammas imitatur; Meconites papavera exprimens;
Mirmitites reptantem formicam, Calcoptongos ut era pulsata resonans, Sideritis certis
maleficiis incantatus discordias excitans, similis ferro; Flogites, qui intra se quasi
flammas estuantes ostentat; Antracias ut stella coruscans; Enhydros exsudans, ut clausam
in eo putes fontaneam saturiginem; Melochites Arabicus, crassius smaragdo virens, infantem
periculis resistens; Yris in mari rubro reperta, que aeris percussu celestis arcus ex sese
speciem jacit; Andradamas nitoris argentei animorum calentum impetus molliens et tumentes
refrenans iras et contra molestias nervorum utilis; Pederos aspectu eburneo et gratiarum
conciliator Achates. incredibile est gemmarum, que illic perlucent, si quis referat
multitudinem. ipsa Fortuna grandis matrona, duplicis aspectus, nunc blando vultu nunc
terrifico, vestibus auratis gemmatisque altiorem thorum tenebat, oculis grandioribus sed
plerunque clausis. in auribus ceras vidi, illa de navi petitas, que Siculos cantus effugit
remige surdo. caduceum in manu tenebat. in dextra ejus dominatus sedebat honor, favor,
splendor, gaudium, officium, fastus, risus, amor conjugum, vigor, rubor, decus, cantus,
potus. nec minori loco fama, gloria, victoria, nobilitas, reverentia, pax, letitia,
potentia, forma, laus, gratia, suavitas, jocunditas, hilaritas, dignitas, elatio, pompa,
prestantia, familiaritas, clientela, rapina, ultio, superbia, libido, arrogantia, oblivio,
nuptie, consolatio. ad pedes ejus quasi ancille sive pedisseque divitie, pecunie, delicie,
blanditie voluptatesque stabant arrectis auribus, si quid hera jussisset auditure
factureque. in gramine vero locoque declivi selle plurime cernebantur orchestra tecte, ubi
plurimas umbras sedere conspexi. perlucebant enim corpora sedentium, quamvis pallida
erant, versusque ad Vegium, qui sunt hi, obsecro, sedentes viri, reverentia digni
subtristesque? hi sunt, inquit Vegius, quos hec domina ab initio nascentis mundi dignata
est magnos facere. sed jam satis functi huc venerunt, et ut quisque major fuit, sic
fortune proximior est. nec hic ex virtutibus locus datur, sed ex felicitate. primus hic
est Augustus Cesar, divum genus, qui aurea condidit secula, quique super Garamantas et
Indos protulit imperium. Alexander secundus est, tum Julius Cesar, post Scipiones duo,
inde Pompejus. alius, quem luscum vides, Anibal est, tum Fabius maximus, Emilius Paulus,
Marcellus, Alcibiades, Themistocles, Priamus, Hector, Agamenon, Achilles, Ulixes, Darius,
Xerxes, Ninus. pretereo multos. ille, quem vides signo crucis munitum, Constantinus est,
hunc sequitur Constantius, Constans, Constantinus, Valentinianus, Theodosius. sunt et
juniores: Carolus magnus, Pipinus, Arturus. mitto vetustiores. Sigismundum tu ipse nosti
et Albertum generum, qui post socerum non diu regnavit fortunamque tum secundam tum
adversam expertus est. hic Albertus, ex duce rex factus. Hungariam Bohemiamque recepit,
nec diu post imperium est assecutus. ut tamen cito crevit, ita cecidit repente, vix annis
tribus regnaverat, cum morbo absumptus spiritum deo reddidit. tum ego, quonam modo,
inquam, felicitatem recipis? ego apud Juvenalem legi, neminem malum esse felicem, ex his,
quos nominasti, pessimi plures fuerunt. scis quam Anibal sevus, quam fallax, quam cupidus
fuerit, tu tamen hunc felicem dixti. ad hec Vegius: non ut sapientes nomen felicitatis
suscepi, sed vulgi morem sum secutus, apud quod felix dicitur, cui plurima ex sententia
veniunt, sive bonum est sive malum, quod optant. iterum ego: non est mihi, Vegi, de
mortuis cura, vivos, rogo, mihi ostende. respice, inquit Vegius, illam plagam. videsne
juvenem albis comis planisque? nondum annos triginta natus est, rarus in ore risus, gravis
incessus viro, verba pauca, pudor ante faciem, longo vultu, statura plus quam mediocri,
lato pectore. video, inquam, sed quis hic est? herus tuus Fridericus cesar, inquit Vegius.
tum ego: agnosco dominum, sed cur is fortune refugit vultum? quenam verba loquitur domina?
audio vocem, verba non teneo. dicam tibi, Enea, refert Vegius. non tam Venus Adonem
dilexit, quam mea domina tuum herum. is tamen refugit nec aspiranti fortune annuit. vultus
Fortune, ut cernis, blandus est. Friderici oculi torvi sunt vixque Fortunam intuentur.
nescio, quid sibi sit menti, verba fortune hec sunt: mane, Friderice, et te mihi crede.
nemo regum te felicior erit, si mihi auscultaveris. quod si tu fugeris, ego etiam fugiam.
videsne, Silvi, ut manum ad scapulas cesaris Fortuna posuit colliriumque vult prendere?
nescio an se capi sinat cesar, quod superi faxint. si faventem Fortunam spreverit
fugeritque, scio morem domine, nunquam sibi blandior erit. superba est, rogari potius vult
quam rogare. nunquam vidi hanc heram tam se alicui blandam prestitisse quam nunc est tuo
domino. felix ille, si Fortunam sequatur, miser, si fugiat. tum ego: quis ille proximus
Friderico, qui elevata cervice graditur passumque majorem facit, paululum fuscus. germanus
ejus, inquit Vegius, Albertus dux liberalis vastique animi. eum sequitur patruelis
Sigismundus, incessu celer, ingenio promptus et manu. post hos Ulricus Cillaceus comes,
mortalis pugne magister, amator non tam fidelis quam felix. ille maturus evo, grandique
corpore, si quis sit, queris, vide ad pedes, ibi calceus dicit: dominus de Walsee ego sum.
hos sequuntur viri prestantes, Chiemensis et Gurcensis episcopi; cancellarius, herus tuus,
Gaspar, qui ut dicis, minus habet quam mereatur; magister camere Zebinger marescallus. hi
delecti sunt Nurembergam petere. si petierint in patria remanebunt. Leonardus Pataviensis
episcopus, comes de Schaunberg, magister curie Neytperg et alii plures, qui omnes fortune
sunt filii, quamvis singuli suam querantur sortem. rursus ego: quenam horum fortuna est
omnium? Bona, inquit Vegius, si tuus herus fortune vocibus auscultaverit, varia si
obaudiverit. dum famur, video parva statura virum, nigro vultu, letis oculis, qui manus in
capillos fortune conjecerat arreptaque coma, sta tandem, domina, meque respice, dicebat.
quo me fugis jam annis duodecim? capta es, sive velis sive nolis, ut me respicias oportet,
satis mihi adversa fuisti. nunc alium vultum prebebis reor. aut mihi blanda eris, aut
omnes tibi crines evellam. cur me fugis magnanimum pusillanimesque sectaris? Fortune
quoque in eum vox erat: vicisti fateor, nec me amplius experieris adversam. tum ego, quia
hic est, inquam, Vegi, qui Fortune vim facit? Alfonsus, refert ille, rex Aragonum, qui cum
fratribus apud Ponzam captus, Philippoque duci Mediolanensium datus, dimissus denique
novis se preliis immiscuit, adversamque dominam insecutus, tantum instando perseverandoque
fecit, ut victam pudore Fortunam jam in suum favorem revocaverit. alius, quem vix tribus a
Fortuna distantem passibus cernis, Burgundionum dux est, et cum eo conjunx cordata. longus
ille et abdomine tardus, qui vix vocem exprimit, Insubribus preest, huic hera sepius
arrisit, sed non audivit, ut par erat, domine vocem. ideo minus agri possidet minusque
possideret nisi minas fortune nature liberalitas confregisset. ille in armis letus
Johannes est vaivoda Transsilvanorum, cujus virtute fracti Teucri Hungariam reliquerunt,
hic niger Giskras est, cujus armis defense sunt Ladislai partes. hic calvus Bohemus Ptasko
est, vir sensatus voluntate varia. ante hunc Piceninum videre potes, cujus virtutem mirari
magis quam referre possumus. apud eum Franciscus Cotiniola stat, magis fortune favore,
quam suis virtutibus in hanc diem magnificatus. inter hos ego matronalem habitum cernens,
et quenam, inquam, illa est femina, que ante alias tribus passibus pergens tam fastuosa
videtur? hec, inquit Vegius, Venetia est, que pecuniarum Fortune claves habet Tarpejamque
custodit. alia est Burgensis civitas, tertia Colonia, Nuremberga subinde. Argentina
sequitur, Vienna quoque inter has non est ultima. Florentia Venetiis proximat, sed timeo
illi, quia pluribus jam annis favorem fortune minorem sentit. tua Sena floret nunc, sed
minas nescio quas audio. Barchimona et Valentia florent, Lundonie quoque splendide sunt ut
videa. tum ego: video togatos quosdam, quinam sunt hi? primus est meus pontifex, inquit
Vegius. num Eugenium nosti? proh, inquam ego, etiam res ecclesiasticas Fortuna versat? non
minus quam temporales inquit Vegius, ex quo nostri sacerdotes dominari ceperunt et
mundalia potius quam spiritualia curare. Felix post eum sex gradibus sedet imus, quia
principes non secuntur eum. illi cardinales sunt. tu omnes nosces, si vultum intueberis.
tres electores altioribus accumbunt thoria. patriarche pauperes sunt tam Latini quam
Greci, ideo retro stant. ille vidue, pullatis indute vestibus, que post Alexandrum
Herculemque jacent, urbes sunt, que quondam splendide nunc solo equate sicut jussit
Fortuna cernuntur. illa in montibus sita Cartago, altera super Eufratem Babilon, Troja,
columen Asie inter Xanetum et Simeontem diruta. ille Amphionia Thebe, tum mater musarum
Cecropis et armis quondam potens Lacedemon. post ego, qui nam obsecro, illi sunt, qui se
nostris horrent miscere? prior ille Soldanus est, inquit Vegius, cui paret Egiptus, alius
Teucris imperat, tertius Parthis, quartus Afris. ille nudus brachiis tantum indutus et
armillis cui dives ex collo torques pendet, Indorum habet dominatum. post hec ad sinistram
me verti. ibi paupertas sedebat, ignominia, derisus, injurie, morbi, senectus, tormenta,
carcerea, fames, dolor, stridor, timor, pudor, odium, invidia, desperatio, caritas,
bellum, pestis, solitudo, verbera, cure et mille malorum nomina, campi sitientes, nudi aut
lapidibus tecti. et quidnam, rogo, sibi vult hec vastitas, Vegi? hic habitant, inquit
ille, qui ex alto gradu ceciderunt, postquam rortune favorem amiserunt. videsne sublimem
illam matronam septem collibus quasi pedibus subsistentem? hec aurea quondam Roma, jam
lutea. Capus eam sequitur, Syracuse proxime. tum Genua, Lune, Pisa, Luca, Parisius, inter
Germanos florent adhuc urbes, sola Praga, splendor terre, declinat. Constantinopolis,
Tracum caput, morti propinquat. omnia tempus domat, nec ulli Fortuna perpetuo bona est.
hic mestus, submisso capite, Renatus est, quem Fortuna ex Apulie finibus pepulit. ille
Thomas Fulgosius est, qui ex ducali solio tractus, in carceris jacet pedore. hic
Pancratius unco tenetur, qui solebat cum omnibus tum maxime cancellario tuo, infestissimus
esse. Borbonii dux ibi est, qui regno Francie dicebat leges, nunc dominii partes mulctatus
extra regiam esse jubetur. videsne senem procerum, cana et dimissa barba? hic Ludovicus
est, dux Bavarie, quem filius, dominatu privatum domi clausum servat. dum sic loquitur
Vegius rursus in dextram feror. video campum, nube candida tectum, dumque introspicio, seu
vera figura fuit, seu ficta Ladislai, puellum diademate et vestibus ornatum regiis visus
sum videre pluresque secum infantes alludere petoque Vegium: quinam sunt hi, nube cana
circumvoluti? hi sunt, inquit Vegius, quibus Fortuna favorem spondet, si fatorum munere
vixerint. vix ista locutus erat Vegius, cum dea in me oculos contorsit contractisque
superciliis, quis te huc accersivit, inquit, Enea? nemo, inquam ego, sed avidus te visendi
introgressus sum. noli mihi succensere. vidi regnum tuum, jam abibo. unum tantum ex te
peto supplex, mihi ut paucis rogatibus respondeas. faciam, inquit illa, propone. tum ego:
quamdiu es hominibus blanda? nulli diu, respondit. iterum ego: quibus artibus potest tuus
favor acquiri? nullis, inquit illa, nisi solius importunitatis remedio. quis te plus aliis
retinet? qui meum imperium majori sustinet animo. quis tibi odiosior? pusillanimis. quis
te tute spernere potest? sapiens. quando mihi blandior eris? cum te vocabo. sumne
vocandus? scies postea. quis tibi ex omnibus viventibus est acceptior? qui me fugat, non
qui fugit. satis habeo, vale. et tu vale nec te mei gregis esse negaveris, inquit Fortuna,
quamvis tibi non dederim auri montes. nam quod plerique te amant tibique benefaciunt, meum
est. sic retuli gratias atque abii. Vegius ante portam me dimisit. ibi inter porrigentium
manus turbam Peregallum inveni, amicitiorem amico et parem sibi Michaelem Suevum, tum
Wenceslaum et Jacobum; cancellarie glebis asscriptos, qui ut me viderunt, circumfusi
percontabantur, quid vidissem. sed dum illis refero visum, mox sompno solutus aum. tu vale
et, quid hec sibi velint, sagaci tuo ingenio discute mihique aperi. iterum vale, mel meum,
olus Epicuri ac Pythagore ligumen. ex Vienna, 6. kalendas junii, anno 1444.
|
|
|