Enea schrijft aan Prokop van Rabenstein over de Fortuna
 

 

 

 

Fortune is painted blind, with a muffler afore his eyes, to signify to you that Fortune is blind; and she is painted also with a wheel, to signify to you, which is the moral of it, that she is turning, and inconstant, and mutability, and variation; and her foot, look you, is fixed upon a spherical stone, which rolls, and  We schrijven 24 juni (1444): de dag waarop, zo wisten humanisten, de oude Romeinen hun festival vierden van de godin Fors-Fortuna: personificatie van het wisselende lot. De marktkoopman hoopte op die dag goede zaken te doen met het venten van verse groente en bloemen, die werden aangeprezen onder aanroeping van de godin die op die dag haar glimlachend gelaat toonde als aankondigster van geluk (Enea zinspeelt wellicht op dat gebruik aan het einde van zijn brief met zijn ‘sla van Epicurus en groente van Pythagoras’). Ook dat feest werd al in het vroege christendom gekerstend (de invoering wordt toegeschreven aan Clovis): het leefde voort als de dag van St. Johannes de Doper, de ‘voorloper’ (prodromos) en wegbereider van de lichtbrenger Christus, immers 24 juni is de dag van de zomerzonnewende volgens de in de tijd van Enea geldende Juliaanse kalender (later zal Pius’ motto luiden: post tenebras spero lucem, na de duisternis verwacht ik het licht). Last not least, St. Johannes de Doper is de patroonheilige van Florence, waar zijn feest uitbundig en met sportieve wedstrijden gevierd wordt. Kortom een feest dat bij Enea de nodige herinneringen aan zijn vaderland zal wekken. Welke datum had Enea Silvio Piccolomini dus beter kunnen kiezen voor de beschrijving van zijn gang naar het rijk van de machtige Vrouwe Fortuna? Welke vorm voor het vertellen van zijn tocht had hij, door zijn heer Frederik III bekroond als dichter, beter kunnen kiezen dan het in een poëtisch getinte brief van 26 juni vertellen van een droomvisioen, de Droom van het Geluk (Somnium de Fortuna), de naam waaronder zijn brief talloze malen herlezen is door tijdgenoten en latere generaties. Want al gaat het om in wezen een filosofisch onderwerp, dichters en filosofen, aldus Enea, staan elkaar zeer na, dichtkunst vindt zijn basis in de filosofie.
  De verhouding lotsbestemming versus vrije wil, fortuna versus virtus, is een van de meest geliefde thema’s die de Middeleeuwen en de Renaissance bezig houden. Werd in de Middeleeuwen nog geloofd dat ons leven bepaald werd door de goddelijke Voorzienigheid, dat wij hier op aarde beproefd worden met het oog op ons toekomstig leven na de dood, en dat het beoefenen van de deugd (virtus), opgevat als het naleven van christelijke waarden, ons de beste garantie geeft op het hemels paradijs, met de wederontdekking van de geschriften uit de klassieke oudheid, van auteurs als Cicero en Seneca, begon zich een kentering in het christelijke denken af te tekenen. Virtus/Virtù werd door humanisten gezien als de mogelijkheid van de mens om actief vorm te geven aan eigen leven. Wel besefte men dat het leven vaak een speelbal is van de fortuin, maar men kan door het ontwerpen van geëigende strategieën proberen grip te krijgen op de kansen en de omslagen die zich voordoen. Men kan op tegenslagen anticiperen, de schade beperkt houden, een actieve rol spelen. Neem je lot in eigen hand, toon mannelijke daadkracht, voorzie je van de kwaliteiten die je de nodige houvast geven om in het maatschappelijk leven en op politiek terrein overeind te blijven. Dit is des te meer nodig, omdat de wereld groter is geworden en bedreigender. Europa wordt verscheurd, de Kerk is ernstig verdeeld, machtsverhoudingen worden op hun kop gezet, gevaar uit het Oosten komt steeds dichterbij, dodelijke epidemieën en langdurige oorlogen maken talloze slachtoffers en ontwrichten het economisch systeem. Er is behoefte aan een nieuwe gezamenlijke visie van de politieke leiders in Europa.
  Enea is door zijn werk in Bazel en nu aan het hof van Frederik III van dichtbij getuige geweest van dit alles en voelt zich nauw bij de dynamiek van de gebeurtenissen betrokken, maar ziet zijn rol beperkt door zijn dienstbaarheid aan de Duitse keizer, een talmende persoonlijkheid die erg lang wikt en weegt voordat hij tot een standpunt komt. Bovendien voelt Enea zich als Italiaan niet thuis in de zo andere Duitse omgeving van de keizerlijke kanselarij. Hij vindt het zijn opdracht om zijn humanistische idealen te verspreiden in de Duitse gebieden, en vindt een gewillig oor bij mannen als kanselier Kaspar Schlick, Michael Pfullendorf, Prokop van Rabenstein, Wilhelm von Stein. Maar hij beseft steeds meer dat hij op een doodlopend spoor zit, zolang hij zijn lekenstaat niet wil opgeven. De gedachte aan een voortzetting van zijn loopbaan als geestelijke komt vaker in hem op en zijn aanvankelijke afkeer daarvan begint scheuren te vertonen. Verschillende van zijn vertrouwde vrienden zijn hem al voorgegaan: Piero da Noceto en Campisio zijn in zijn geliefde Italië teruggekeerd en hebben een functie bij de romeinse Curie; Piero probeert ook Enea voor zo’n positie te winnen, maar deze wil zijn trouw aan Frederik gestand doen, hij heeft altijd een plichtsgetrouw man willen zijn. Ook Maffeo Vegio, die door Enea vaak als hoogstaand filosoof wordt betiteld, is in Rome en bovendien geestelijke, bekeerd door de Confessiones van Augustinus (een autoriteit op het gebied van Voorzienigheid en vrije wil). Het is niet vreemd dat Enea als gids voor zijn tocht naar het rijk van het Geluk juist Vegio kiest, zoals Dante zich bij zijn tocht door het hiernamaal liet leiden door de dichter/ziener Vergilius. Vegio vertolkt het christelijke standpunt, geïnspireerd door Augustinus en Boethius, dat tegenslagen in dit leven door God gezonden beproevingen zijn die we het hoofd moeten bieden met onze christelijke deugd
(‘Maar als de Fortuin soms deugdzame mensen overslaat, hoeft dat nog geen verontwaardiging te wekken. Want deze meesteres deelt haar gunsten uit aan wie zij wil. De mens komt in deze wereld niet om schatten te vergaren of in weelde te leven, maar om hard te werken. Wij moeten de aarde niet beschouwen als ons huis maar hier vertoeven als vreemdelingen en pelgrims en ons toekomstig vaderland verdienen door goede werken. Deugd gaat niet licht samen met groot geluk’). Dat deze gedachte ook Enea ernst is zou men kunnen afleiden uit zijn verzoek in een brief van enige maanden later aan Johann Tuschek in Praag om daar een exemplaar te kopen van het Oude en Nieuwe Testament:
 
In zijn beschrijving wil Enea ons laten zien hoe de Fortuin zelf vraagt om een actieve benadering van de kant van de gelukszoeker. Hij gaat zelfs zover dat hij een rolmodel schildert in de figuur van koning Alfonso, een man, klein van stuk (zoals Enea Silvio Piccolomini zelf), maar die met mannelijke virtù de machtige vrouw Fortuna op agressieve manier bij de haren grijpt om haar, of zij wil of niet, te dwingen zich aan hem te geven: het beeld van de man die de vrouw met geweld dwingt hem ter wille te zijn, het moet Enea aanspreken, want ook hij heeft in de herberg te Straatsburg zo zijn doel bereikt tegenover de aanvankelijk weigerachtige Engelse (zie de brief aan zijn vader in deze bundel). Maar al enige maanden later, in oktober, zien we een andere Enea, wanneer hij aan Jakob Tuschek in Praag verzoekt een exemplaar te kopen van het Oude en Nieuwe Testament: ‘Je zult mij een grote dienst bewijzen en er bij God goed voorstaan: je zult mijn aandacht afleiden van de wereldse literatuur en mij richten op de Heilige Schrift; ik ben intussen een oud man, en wereldse literatuur past daar niet meer bij en boeit me niet meer...de wereld stelt niets voor en de man die haar volgt is een dwaas; geluk berust op de hoop op het eeuwige leven en zijn vreugde geheel bij Jesus zoeken.’ Hieruit blijkt wel hoe Enea in deze hele periode van zijn leven zich herbezint, heen en weer zwenkt, en tenslotte een nieuwe koers uitzet.

 


 

  

De dichter Enea Silvio groet de heer Prokop van Rabenstein,[1] geletterd en eminent ridder, hartelijk [Wolk.I.1, 343-353 (151)].

De afgelopen nacht, voordat ik mij te ruste legde, heb ik veel aan jou gedacht en me afgevraagd waarom aan jouw talenten niet de ruimte wordt geboden die hen toekomt. Want, al geniet jij de waardering van de keizer, toch zie ik jou niet die carrière maken die bij jou past. Ik zie namelijk niet waarom een man als jij die zich onderscheidt in adel en degelijkheid, geen vooraanstaande positie zou innemen. Ik legde de schuld bij het lot, zij immers geldt als uitdeelster van eer en rijkdom, en verontwaardigd voer ik tegen haar uit als degene die de goeden onderdrukt en de slechten verheft, tot ik tenslotte in een diepe slaap viel. Maar zie, in mijn slaap heb ik heel wonderbaarlijke taferelen aanschouwd, die ik je wil vertellen. Luister dus goed en neem kennis van de bijzondere ervaringen die ik beleefd heb.

    Reeds was de nacht zover gevorderd dat bij het verflauwend licht der sterren de koude wagen van de trage Ossendrijver zijn kring voltooid had,[2] toen ik het volgend droomgezicht kreeg. Ik zag me beland in een weelderig oord en lieflijk groene velden.[3] Een met gras begroeide vlakte lag midden in een door geluk gezegend woud, door een muur en een rivier omgeven.[4] Twee poorten waren er, een van hoorn, glanzend van wit ivoor de ander,[5] de hoge muren waren opgetrokken uit diamant, een rivier had een peilloze diepte. De poorten waren slechts over bruggen te bereiken. Deze echter werden aan kettingen omhoog gehouden en maar voor enkele bezoekers neergelaten. De oevers rond de poorten werden bevolkt door een onafzienbare schare mannen en vrouwen die de handen uitstrekten en smeekten om te worden overgezet. Dit ongewone schouwspel joeg mij angst aan en terwijl ik her en der rondliep, ontmoette ik verschillende mensen die ik van gezicht kende. Om een mij onbekende reden echter was geen gesprek met hen mogelijk. Ik kwam bij de hoornen poort en zag bovenaan in antieke letters het volgende opschrift: ‘Weinigen laat ik toe, nog minder laat ik blijven.’[6] Verlangend om te weten hoe het er aan gene zijde uitzag, vroeg ik dringend maar vergeefs aan een jongeman die bovenop een toren stond, om de poort voor mij te openen. Op dat moment naderde een jeugdig man, omstuwd door een grote menigte.[7] Aan zijn uiterlijk zag ik dat hij afkomstig was uit de omgeving van de Rijn. ‘Wie zou dat zijn,’ dacht ik. Een man in toga trad op mij toe, een Italiaan die in mij, geloof ik, een Italiaan herkende en hij zei: ‘Dat is keurvorst Ludwig, hertog van Beieren, die ons naar gene zijde van de muur zal leiden. Ik antwoordde: ‘Beste man, verkrijg ook voor mij de doortocht, als ik enig recht mag ontlenen aan ons gemeenschappelijk vaderland.’ ‘Dat zal ik doen,’ sprak hij en dat was nog niet gezegd of de brug werd neergelaten en Ludwig ging naar binnen en met hem verschillende anderen die de poortwachter bij hun naam aanriep. Ik ging als een spion naar binnen, terwijl ik mij verborgen hield onder de mantel van een vorst die zich aan de zijde van Ludwig ophield, een markgraaf van Brandenburg, naar het leek. Weiden vol bloemen lagen daar, rivieren overvloeiend van melk en wijn, koele bronnen, meren boordevol vis, lieflijke plaatsen om te baden, dichte wouden, wijnstokken, bomen die onafgebroken vrucht droegen, als in de legendarische tuin der Hesperiden of het land van de Phaeaken. Appels, waarvan alleen de geur je honger stilt, vogels die bijna tam waren en zo voor het grijpen, geboren om tot voedsel te dienen en het oor te strelen. In het land van de Ethiopiërs ligt een plek, Zonnetafel[8] genaamd, altijd voorzien van een rijke maaltijd, waarvan ieder zonder onderscheid mag eten. Daarnaast ligt een meer met helder vocht, zeer gezond om van te drinken. Zulke plekken bevinden zich hier in overvloed, tafels die klaar zijn gezet onder bomen, voorzien van bekers die bezet zijn met edelstenen, en gouden schalen. Geen Falernische wijn[9] kan de vergelijking doorstaan met de wijn die daar uit de rots vloeit. Honing stroomt er overal, er groeit riet, barstensvol suiker. Elk soort van specerijen hangt daar aan het geboomte. Onuitputtelijke goud- en zilvermijnen, kostbare edelstenen hangen als kersen aan de bomen. Bekoorlijke meisjes en elegante jongens bewegen zich in eindeloze reidans. De lucht is er vervuld van allerlei muziek. Het paradijs dat Mohammed zijn volgelingen beloofde was niet zo weelderig als wat je hier te zien kreeg. Bacchus, Ceres en Venus deelden hun gaven kwistig uit. Een bos van mirte nodigde uit tot minnekozen. Ik was al vanonder de mantel te voorschijn gekomen en op mijn gemak liep ik rond in die menigte feestelingen, terwijl ik mijn ogen de kost gaf. Toen trad de dichter Vegio uit Lodi op mij toe en vroeg:[10] ‘Enea, hoe ben jij hier gekomen?’ Ik omhelsde mijn vriend en legde hem uit wat mij overkomen was. Hij antwoordde: ‘Was jij maar geroepen, want zonder opdracht van de meesteres mag niemand blijven. Als ze jou ziet, zal zij je aanstonds laten verwijderen.’ ‘Wie is dan die gebiedster, op wier oproep met moet wachten?’ ‘De Fortuin,’ antwoordde Vegio, ‘aan haar hebben wij allen die hier leven, ons geluk te danken.[11] Haar gehoorzaamt heel de wereld, wat zij beveelt, gebeurt.’ ‘Jij behoort dus tot die gelukkigen, terwijl je altijd zo ongelukkig was.’ ‘Zo is het,’ sprak Vegio, ‘deze gebiedster heeft mij eindelijk haar genegenheid geschonken, zij heeft de gunst van de paus voor mij gewonnen en mij kanunnik gemaakt van de Sint Pieter.’ ‘Mooi,’ zei ik, ‘ik begin al verering te voelen voor jouw meesteres, als zij goede lieden vooruit helpt. Ik heb haar zo vaak verwijten gemaakt, omdat ik zag dat zij goed was voor de slechten en slecht voor de goeden. Je weet toch wel, hoe goed Socrates is geweest? Nimmer heeft zij hem toegelachen. Plato, de grootste filosoof aller tijden, heeft zij tot slavernij gebracht[12] en Pythagoras gedwongen tot het leven van een zwerveling. Cicero heeft het, dank zij haar, van redenaar tot consul gebracht, maar toch heeft zij hem later aan de handen van zijn vijanden overgeleverd en is hij omgebracht door het zwaard van Antonius,[13] Scipio heeft zij in ballingschap gezonden,[14] Fabricius laten eten uit aarden en houten vaatwerk,[15] Cato de Oude gebukt doen gaan onder armoede, en Cato de Jongere bevolen om zelfmoord te plegen.[16] Je hoeft daarbij niet enkel te denken aan mensen uit het verleden. Welke beloning zie je nu weggelegd voor kardinaal Giuliano van Sant’ Angelo, getooid met zoveel deugden?[17] En voor de kardinalen Juan van San Pietro,[18] Juan van San Callisto[19] en Giovanni van Tarente, die beide behoren tot dezelfde orde (van de Dominicanen)?[20] Welk profijt hebben zij van hun rechtschapenheid en kennis? Wie kan beweren dat kanselier Kaspar, hoewel hij een hertogin als levensgezel[21] aan zich verbonden heeft, voldoende is beloond voor al zijn inspanningen, terwijl hij al kanselier is geweest van drie keizers?[22] Neem Wilhelm von Stein, voortreffelijk ridder, even doorkneed in de wetenschap als in de wapens; de hele wereld heeft hij bereisd om zijn talenten te ontwikkelen en wat heeft hij bereikt dat recht doet aan zijn verdiensten?[23] Onze Campisio, van wijsheid vervuld, die zijn leven in dienst heeft gesteld van de apostolische stoel, is armer dan Codrus:[24] een soldaat is hij die een eenzame strijd voert of, mocht hij gezellen hebben, dan ziet hij er ten hoogste vier aan zijn zijde. Prokop van Bohemen mag zich dan een toegewijde dienaar tonen van de wetenschap, aan het hof van de keizer geeft men voorrang aan ongeletterde en domme lieden. Ik wil het niet hebben over al die ezels die ik hoger heb zien stijgen dan ceders van de Libanon; ook tegenwoordig staan zij nog in aanzien, mannen zonder eruditie, zonder eloquentie, zonder gevoel, die nog niet tot vijf kunnen tellen. Doden hekelen is veiliger dan levenden. Heeft er een afzichtelijker en gruwelijker monster bestaan dan Nero, een groter misdadiger dan Tiberius? Toch duurde hun heerschappij langer dan die van Vespasianus en Titus, twee menslievende keizers. Een schandelijker beest dan Domitianus? Toch ging de wereld vele jaren gebukt onder zijn juk, terwijl zij Jovinianus,[25] die toch een godsdienstig en barmhartig mens is geweest, al na korte tijd heeft moesten missen, nadat hij in kolenwalm gestikt was. Hoeveel villas heeft Crispinus niet laten bouwen, dat monster tegenover wiens ondeugden geen enkele goede eigenschap stond?[26] Pophides, de eunuch van Claudius Nero, verwierf zoveel rijkdom dat zijn huis fraaier en ruimer gebouwd was dan het Kapitool.[27] Gabrino van Cremona bracht zijn zeven meesters om het leven; hij begroef ze in een stinkend riool en eigende zich hun bezit toe.[28] Ook iemand uit deze tijd moet hier worden genoemd: de vader van Filips, de huidige hertog van Bourgondië, werd tot leider aangesteld in aanwezigheid van de koning van Frankrijk en richtte met de bijl een bloedbad aan onder de burgers van Parijs. Nu leidt zijn zoon in de provincie een leven in alle rust, beloond met vette landerijen, terwijl de vader heeft gemoord en zijn woord van trouw gebroken, waaraan die andere ongelukkige zich gehouden had.[29] Dat heeft mij dikwijls een bittere smaak bezorgd. Maar nu ik zie dat jij, een eerlijk en geleerd man, verblijd bent met de strelingen van de Fortuin, voel ik mij milder gestemd jegens haar, en ik denk dat jij niet als enige van alle goede mensen bij deze meesteres geliefd bent.[30] Neem mij dus mee, bid ik je, en laat mij naar haar kijken. ‘Het is waar,’ zei Vegio, ‘dit gezelschap telt meerdere goede mannen, hoewel ik de kenschets van goed man, die je míj geeft, niet zelf voor mij opeis. Ik weet dat ik een zondaar  ben en mijn rang niet waardig, maar dat is nu eenmaal de wil van de Fortuin en mijn paus.[31] Dat ook goede mensen zich mogen verheugen in de gunst van deze meesteres zul je erkennen, als je nog een ogenblik luistert. Ik wil nu niet aanvoeren hoezeer het geluk Constantijn de Grote heeft toegelachen en Nerva, Trajanus en Theodosius I en II en in de eerste plaats keizer Augustus zelf: dat zijn rechtschapen mensen geweest. Ik ga over op mannen van déze tijd. Waarom toont zich de Fortuin nu vriendelijk gezind jegens jouw zeer vrome keizer, waarom jegens mijn allerheiligste paus? Wie anders dan de Fortuin heeft de ster doen rijzen van de koning van Aragon?[32] Wie heeft het hertog van Gloucester groot gemaakt,[33] wie de aartsbisschoppen van Keulen en Trier?[34] Hun eigen verdienste is groot, maar toch zijn ze zo hoog gestegen door de gunstige wind van de Fortuin. Die van Mainz[35] zou zeggen: ‘Mijn afkomst heeft mij omhoog gebracht.’ Dat zouden ook de hertogen van Saksen en van Beieren[36] kunnen zeggen, alsof de Fortuin niet in deze mannen heeft gewerkt. Maar hun hoge geboorte: aan wie anders dan aan de Fortuin hebben zij die te danken? Als zij wilde, kon ze mij op de troon van Spanje of Engeland zetten. Niet aan eigen verdienste maar aan het lot hebben wij een beroemde afkomst te danken. Maar als de Fortuin soms deugdzame mensen overslaat, hoeft dat nog geen verontwaardiging te wekken. Want deze meesteres deelt haar gunsten uit aan wie zij wil. De mens komt in deze wereld niet om schatten te vergaren of in weelde te leven, maar om hard te werken. Wij moeten de aarde niet beschouwen als ons huis maar hier vertoeven als vreemdelingen en pelgrims en ons toekomstig vaderland verdienen door goede werken. Deugd gaat niet licht samen met groot geluk. Dat ontdekte die wijsgeer uit Thebe en hij wierp een grote schat aan goud in zee om zich daardoor open te stellen voor de wijsbegeerte.[37] Christus, onze God en Heiland, heeft ons geleerd rijkdom als doornen en distels te mijden.[38] Zijn leerlingen oefenden zich in armoede, zij stelden zich tevreden met kleding en voeding. Ook Hieronymus legde in al zijn geleerdheid de schuld van zijn pover bezit niet bij de Fortuin, want niet deze meesteres volgde hij, maar Christus en ter wille van de eeuwige zaligheid zag hij af van vergankelijk bezit. De abt Antonius deed vrijwillig afstand van wat de Fortuin hem had gegeven.[39] Als wij verstandig waren, zouden we niet dingen naar de gunst, maar naar de haat van de Fortuin. Haar genegenheid vormt de grootste hinderpaal op onze weg naar het eeuwige leven. Zeldzamer nog dan een witte raaf is hij die in staat is én de Fortuin én de weg naar de hemel te volgen. Genoeg nu, ik hou me in, anders lijkt het of ik deze meesteres kleineer, in wier omarming ik mij nu koester. Toch pas op: denk nu niet dat Prokop en anderen die jij hebt opgesomd als aanhangers van de deugd, door de Fortuin in de steek zijn gelaten. Want zij zouden geen kardinaal of ridder of edelman zijn, als de Fortuin hen niet had geholpen. Campisio is de enige van wie de Fortuin haar aandeel niet kan opeisen.[40] Maar laten we, als je vastbesloten bent, van dichterbij kennis maken met die meesteres van koninkrijken en drijvende kracht van het keizerrijk.’ ‘Goed, laten wij dat doen,’ antwoordde ik, ‘ofschoon ik misschien een niet genode gast ben.’ We waren nauwelijks verder gekomen dan een snelle pijl, gesprongen van de boog, reikt,[41] toen Vegio mijn hand vastpakte en zei: ‘Kijk naar rechts, Enea, daar heb je Nortia, meesteres van het geluk.’[42] Er stonden met parels getooide purperen tenten die een ruimte besloegen van honderd morgen land. In het midden verhief zich een hoge troon, stralend van schitterende smaragden. Ook de ivoren zetel was ingelegd met bijzondere stenen:[43] sagda, een edelsteen waarvan de groene kleur een lust voor het oog is, die zich in de diepte van de Eufraat aan de kiel van een schip pleegt te hechten; myrrhites met de kleur van mirre, dat een nardusgeur verspreidt als het warm wordt gewreven;[44] mithridax dat, getroffen door de stralen van de zon, in bonte kleuren schittert; pyriet dat je niet kunt vasthouden; chalazias dat glanst met een kleur witter dan hagel; echites, gevlekt als een adder; dionysias dat van nature een donkere kleur en als het wordt gewreven in water de gloed van wijn heeft; venushaar dat eruit ziet als rode haren; seleniet met een doorschijnend witte glans; pyropus, op vlammen lijkend; meconiet met de tekening van een papaver en myrmiciet met die van kruipende mieren; chalcophtongos dat galmt als koper als je erop slaat; sideriet dat gelijk is aan ijzer en tweespalt veroorzaakt, wanneer het met magische vervloekingen is geladen; phlogiet dat in zijn binnenste als het ware hete vlammen opgesloten houdt; antraciet, fonkelend als een ster; enhygros dat vocht uitscheidt, hetgeen doet denken aan een opborrelende bron; malachiet uit Arabië dat dieper groen is dan smaragd en kinderen beschermt tegen gevaar; iris dat in de Rode Zee wordt aangetroffen en, door een zonnestraal getroffen, in huis het beeld van de regenboog op de wand werpt; zilver glanzend androdamas dat verhitte gemoederen kalmeert en woedeaanvallen bedaart en een probaat middel is tegen nerveuze stoornissen; ivoorkleurig paederos en agaat dat de drager aantrekkelijk maakt. Wat een onvoorstelbaar aantal edelstenen men daar zag fonkelen! De Fortuin zelf was een rijzige vrouw die een tweevoudige aanblik bood, nu eens met een vriendelijk dan weer een angstaanjagend gelaat; gehuld in een mantel met gouddraad bestikt zat zij op een hoog kussen; haar ogen waren groot maar meestal gesloten. Ik zag dat haar oren gevuld waren met was, afkomstig van het schip waarvan de roeiers, door zich doof te maken, ontkwamen aan het gezang der Sirenen.[45] In haar hand hield zij een staf. Rechts van die machtige gestalte zaten Eer, Gunst, Luister, Vreugde, Ambt, Hoogheid, Lach, echtelijke Liefde, Kracht, Schaamtegevoel, Deugdzaamheid, Zang en Drank. Op een even voorname plaats Faam, Roem, Zege, Adel, Respect, Vrede, Blijdschap, Macht, Schoonheid, Lof, Gratie, Innemendheid, Aantrekkelijkheid, Opgeruimdheid, Waardigheid, Hooggestemdheid, Praal, Voornaamheid, Vriendschap, Aanhang, Roof, Wraak, Tirannie, Wellust, Aanmatiging, Vergevingsgezindheid, Huwelijk en Troost. Aan haar voeten, gelijk aan dienaressen of pages, Rijkdom, Geld, Luxe, Plezier en Genot. Zij stonden daar met gespitste oren gereed om ieder bevel van hun meesteres op te vangen en uit te voeren. Op een met gras begroeide helling was een groot aantal zetels te zien met voornaam gezelschap.[46] Ik zag daar een grote schare schimmen zitten, hun lichamen waren bleek, maar toch waren ze doortrokken van een stralend licht. Ik wendde me tot Vegio en smeekte hem mij te zeggen wie toch die eerbiedwaardige en treurig uitziende mannen waren. ‘Dat zijn zij die deze meesteres vanaf de aanvang der tijden had voorbestemd voor een grote rol. Hun tijd is voorbij, nu zijn ze hier aangekomen; hoe hoger iemand geweest is des te dichter staat hij bij de Fortuin. Niet aan eigen verdiensten maar aan geluk heeft iemand zijn plaats te danken. De eerste hier[47] is keizer Augustus, telg van goddelijk geslacht, stichter van gouden eeuwen, die de grenzen van zijn rijk heeft uitgebreid tot voorbij de Garamanten en Indiërs.[48] De tweede is Alexander, naast hem Julius Caesar, dan de beide Scipio’s, daarna Pompeius. De man met het ene oog die je daar ziet, is Hannibal, na hem komen Fabius Maximus, Aemilius Paulus, Marcellus, Alcibiades, Themistocles, Priamus, Hector, Agamemnon, Odysseus, Darius, Xerxes en Ninus. Naast velen die ik oversla zie je Constantijn steunend op het teken van het Kruis.[49] Constans, Constantinus, Valentinianus en Theodosius zijn de volgende. Er zijn ook mannen bij uit later tijd: Karel de Grote, Pepijn[50] en Arthur.[51] Van de oudere koningen stap ik nu af. Sigismund[52] ken jijzelf en zijn schoonzoon Albrecht die na zijn schoonvader slechts kort geregeerd heeft en zowel voor- als tegenspoed heeft ondervonden.[53] Nadat Albrecht van hertog koning was geworden en het bewind over Hongarije en Bohemen had aanvaard, heeft hij niet lang daarna het koningschap van het Roomse Rijk verworven. Even snel als zijn ster rees, even abrupt is hij weer gevallen: hij had nauwelijks drie jaar geregeerd, toen hij door ziekte werd geveld en zijn ziel aan de Heer heeft teruggegeven.’ Daarop vroeg ik: ‘Op welke wijze valt iemand geluk ten deel? Ik heb immers bij Juvenalis gelezen dat niemand die slecht is gelukkig is,[54] maar van de mannen die jij genoemd hebt zijn er verschillende heel slecht geweest. Je weet hoe wreed, hoe bedrieglijk en begerig Hannibal geweest is, toch heb jij gezegd dat hij gelukkig is.’ Vegio antwoordde: ‘Onder ‘geluk’ versta ik niet wat wijsgeren bedoelen, maar ik volg de algemene opvatting dat die man door het geluk bezocht wordt die in bijna alles zijn zin krijgt, of nu goed of slecht is wat hij wenst.’ Waarop ik: ‘Het gaat mij niet om de doden, Vegio, ik vraag je om mij de levenden te tonen.’ ‘Kijk eens daarheen,’ antwoordde Vegio, ‘zie je die jongeman met een witte en onopgesmukte haardracht? Nog geen dertig jaar oud is hij, op zijn gezicht ligt zelden een glimlach, voor een man heeft hij een ernstige gang, iemand van weinig woorden, introvert, met een lang gelaat, een gestalte die boven anderen uitsteekt en met een brede borst.’ ‘Ja,’ zei ik, ‘maar wie is hij?’ ‘Jouw heer, keizer Frederik.’[55] ‘Inderdaad nu zie ik het ook, maar waarom wendt hij zich af van het gelaat van de Fortuin? Welke woorden spreekt de meesteres tot hem? Haar stem hoor ik, haar woorden versta ik niet.’ ‘Ik zal het je zeggen,’ aldus Vegio. ‘Venus heeft Adonis niet zo liefgehad als mijn meesteres jouw heer. Maar toch wendt hij zich af en gaat niet in op de gunst van de Fortuin. Zij toont hem een gelaat vol welwillendheid, zoals je ziet. Frederik’s ogen staan wild, zij kijken de Fortuin nauwelijks aan. Wat er in zijn geest omgaat, weet ik niet, maar dit zijn de woorden van de Fortuin: ‘Wacht, Frederik, en vertrouw je aan mij toe. Geen koning zal gelukkiger zijn dan jij, als je aan mij gehoor geeft. Maar vlucht jij, dan zal ook ik vluchten.’ Zie je, Silvio, hoe zij haar hand op de schoudermantel van de keizer heeft gelegd en zijn halsketen[56] wil beetpakken? Ik weet niet of de keizer zich laat vangen, de hemel geve het, maar als hij de gunst van de Fortuin versmaadt en vlucht – ik ken de aard van mijn meesteres – zal zij nooit meer zo welwillend zijn. Zij is trots, zij laat zich liever bidden dan dat zij zelf bidt. Nooit heb ik haar zo welwillend gezien jegens iemand als nu jegens jouw heer. Gelukkig zal hij zijn, als hij de Fortuin volgt, ongelukkig als hij vlucht.’ Waarop ik: ‘Wie is de man naast Frederik, een enigszins donkere verschijning die daar gaat met opgeheven hoofd en forse tred?’ ‘Dat is een volle broer van hem,’ zei Vegio, ‘hertog Albrecht, een man met een nobele en onverzadigbare geest.[57] Hem volgt zijn neef Sigismund met kwieke tred, scherpzinnig en slagvaardig.[58] Na hen graaf Ulrich van Cilli, meester in het dodelijke gevecht, niet zozeer een trouw maar wel gelukkig in de liefde.[59] Als je wilt weten wie die man is, rijp van jaren en met een rijzige gestalte, kijk dan naar zijn voeten: daar geeft een schoen van hem te zien: ‘Ik ben de baron van Walsee.[60] ‘Zij worden gevolgd door voorname mannen, de bisschop van Chiemsee[61] en die van Gurk,[62] jouw meester de kanselier Kaspar die zoals jij zegt, minder heeft dan hij verdient,[63] de kamerheer maarschalk Zebingher.[64] Deze mannen zijn uitgekozen om zich naar Neurenberg[65] te begeven. Als zij die stad bereiken, zullen ze in hun eigen vaderland blijven. En dan zie je Leonhard, bisschop van Passau,[66] de graaf van Schaumberg,[67] de hofmeester Neyperg[68] en anderen, allen zonen van de Fortuin, ook al klagen zij ieder over hun lot.’ Nogmaals vroeg ik: ‘Wat is dan het lot van al deze mannen?’ ‘Voorspoedig,’ aldus Vegio, ‘indien jouw meester gehoor zal geven aan de woorden van de Fortuin, wisselend, indien hij niet zal gehoorzamen[69].’ Terwijl wij zo met elkaar praatten, zag ik een man, klein van gestalte met donker gelaat en vrolijke ogen. Hij had zijn handen in het haar van de Fortuin gestoken en terwijl hij haar zo vasthield, zei hij: ‘Blijf toch staan, mevrouw, en schenk mij aandacht. Waartoe ontvlucht je mij al twaalf jaar? Ik heb je te pakken, of je wilt of niet, je móet mij je aandacht geven, lang genoeg heb je je tegen mij verzet. Nu zult je een ander gelaat tonen, denk ik. Je zult mij of ter wille zijn of ik zal al je haren uitrukken. Waarom ontvlucht je mij, een man met een dapper hart, en houd je angsthazen gezelschap?’ Ook hij kreeg van de Fortuin te horen: ‘Je hebt gewonnen, ik geef het toe, je zult niet langer mijn tegenwerking ondervinden.’ ‘Wie is die man,’ vroeg ik, ‘die zo aandringt bij de Fortuin?’ Waarop Vegio: ‘Koning Alfonso van Aragon die met zijn broers gevangen is genomen bij Ponza en uitgeleverd aan Filippo, hertog van Milaan, en die zich na zijn vrijlating opnieuw in gewapende conflicten heeft gemengd. Hij bleef de onwillige Fortuin achtervolgen en heeft met zijn aandrang en volharding bereikt dat zij zich uit ontzag gewonnen heeft gegeven en hem in haar gunst heeft aanvaard. [70] Een ander die je vlak bij de Fortuin ziet staan, is de hertog van Bourgondië en naast hem zijn wijze echtgenote.[71] Die lange man die zich zo traag beweegt vanwege zijn buik en die nauwelijks een woord over de lippen krijgt, is heer over de Insubriërs.[72] De meesteres heeft hem meerdere malen toegelachen, maar hij heeft niet goed genoeg naar haar woord geluisterd. Daarom bezit hij nu minder grond en zou nog minder bezitten als de vrijgevige aard van de Fortuin het niet van haar dreigende houding had gewonnen. Die man daar, gelukkig in de wapens, is János, de woiwode van Transylvanië. Door zijn moed zijn de Turken gebroken en uit Hongarije verdreven.[73] Die zwarte man is Jiskra,[74] wiens wapens de partij van Ladislas hebben verdedigd. Deze kale figuur is Ptácek uit Bohemen, een intelligent man met wisselende gezindheid.[75] Vóór hem zie je Piccinino staan, wiens dapperheid wij meer kunnen bewonderen dan hier beschrijven.[76] Bij hem staat Francesco van Cotignola die tot nu toe meer door de gunst van de Fortuin dan door eigen verdiensten is opgeklommen.[77] Ik merkte onder hen ook een gestalte op met het uiterlijk van een matrone en vroeg: ‘Wie is toch die vrouw die enkele passen voor de anderen uitloopt en er zo trots uitziet?’ ‘Dat is,’ zei Vegio, ‘Venetië, zij heeft de sleutels van de schatkist van de Fortuin en zij houdt Tarpeia in verzekerde bewaring.[78] Een andere stad is Bourges, Keulen is de derde en Neurenberg de volgende. Dan komen Straatsburg en een stad die niet de minste onder de steden is: Wenen. Florence volgt Venetië op de voet, maar voor haar ben ik bezorgd, omdat zij al enkele jaren minder merkt van de gunst van de Fortuin. Jouw Siena verkeert in een periode van welvaart, maar hoor ik daar naderend onheil? Ook Barcelona en Valencia zijn welvarend en Londen schittert zoals je ziet.’ Daarop zei ik: ‘ik zie daar enige mannen in toga, wie zijn dat?’ ‘De eerste is mijn opperherder,’ antwoordde Vegio; ‘je kent Eugenius toch wel?’[79] ‘Wat,’ zei ik, ‘heeft de Fortuin dan ook de hand in kerkelijke aangelegenheden?’ ‘Evenzeer als in aardse,’ aldus Vegio, ‘sinds onze kerkelijke leiders zijn begonnen macht uit te oefenen en zich meer te bekommeren om wereldse dan om geestelijke zaken. Felix zit helemaal beneden, zes treden lager, omdat de vorsten hem niet willen volgen.[80] Die daar zijn kardinalen, jij herkent ze allemaal als je naar hun gezicht kijkt. Drie electors liggen op hoge kussens.[81] De patriarchen[82] zijn arm, de Latijnse zowel als de Griekse, daarom staan ze achteraan. Die weduwen, gehuld in zwarte kleren die achter Alexander en Hercules liggen, zijn steden die eens prachtig waren, maar die je nu met de grond gelijk gemaakt ziet: zo heeft de Fortuin het gewild: ginds in de bergen ligt Carthago, daar aan de Eufraat Babylon, en Troje, de kroon van Azië, ligt verwoest tussen de Xanthos en de Simoeis;[83] dat daar is het Thebe van Amphion[84] en daar ligt de stad van Cecrops,[85] moeder der Muzen, en Sparta, eens machtig in wapens.’[86] Daarna vroeg ik benieuwd: ‘Wie zijn toch die mannen die zich zo duidelijk afzijdig houden?’ ‘De eerste,’ zei Vegio, ‘is de Sultan, aan wie Egypte onderdanig is, de tweede heerst over Azië, de derde over de Parthen, de vierde over Afrika.[87] Die naakte man, slechts gekleed in een broek, met armbanden en een kostbare halsketting om, is de koning van Indië.’ Vervolgens wendde ik me naar links. Daar zaten Armoede, Schande, Hoon, Onrecht, Ziekten, Ouderdom, Folteringen, Kerkers, Honger, Pijn, Gekerm, Angst, Schaamte, Haat, Afgunst, Wanhoop, Duurte, Oorlog, Pest, Eenzaamheid, Geseling, Zorgen en al die ontelbare woorden voor rampspoed; dorstende velden, kaal of met stenen bezaaid.’ ‘Wat beduidt die uitgestrekte woestenij, Vegio’, vroeg ik. ‘Hier wonen zij die vanuit een hoge positie ten val zijn gekomen, nadat ze de gunst van de Fortuin verspeeld hadden’, was zijn antwoord. ‘Zie je die oudere vrouw daar in de hoogte, die als het ware op zeven heuvels staat? Het is Rome, dat eens van goud, nu van leem is; achter haar Capua, daarnaast Syracuse, dan Genua, Luna,[88] Pisa, Lucca, Parijs. Bij de Duitsers zijn de steden nog steeds welvarend, alleen Praag, die prachtige stad, zien we terugvallen. Constantinopel, hoofdstad van Thracië, nadert haar einde. De tijd is heer over alles, niemand vindt de Fortuin voortdurend aan zijn zijde. Die treurige man met gebogen hoofd is René van Anjou, door de Fortuin verdreven uit het grondgebied van Apulië.[89] Die andere man daar is Thomas Fulgosius; hij is van de hertogelijke troon gesleurd en ligt nu in een stinkend cachot.[90] Hier ligt Pancratius met een haak om zijn nek, ieders ergste vijand, vooral van jouw kanselier.[91] Daar heb je de hertog van Bourbon die de hand had in de wetgeving van Frankrijk, maar die nu zijn aandeel in de regering kwijt is en aan wie de toegang tot het hof is ontzegd.[92] Zie je die rijzige grijsaard met lange witte baard? Het is Ludwig, hertog van Beieren die door zijn zoon beroofd is van zijn macht en thuis gevangen wordt gehouden.’[93] Terwijl Vegio zo sprak begaf ik mij opnieuw naar rechts. Ik zag een vlakte, overdekt met een witte waas, en terwijl ik opmerkzaam toekeek, meende ik – of het nu de ware gedaante van Ladislas was of een schijngestalte – een jongen te zien, gekroond met een diadeem en gehuld in koninklijke kledij, en verschillende kinderen die met hem speelden. Ik vroeg: ‘Wie zijn die jongens daar die door een witte wolk zijn omgeven?’ ‘Zij,’ aldus Vegio, ‘aan wie de Fortuin haar gunst toezegt, als ze hun levensloop volbracht hebben.’ Nauwelijks had hij dit gezegd, of de godin richtte haar blik op mij en vroeg met gefronste wenkbrauwen: ‘Wie heeft jou hierheen ontboden, Enea?’ ‘Niemand,’ antwoordde ik, ‘maar ik ben hier binnengekomen uit verlangen u te ontmoeten. Wees niet boos op mij; ik heb uw rijk gezien, ik zal weer weggaan. Nederig verzoek ik u om slechts één gunst, dat u mij op een paar vragen antwoord geeft.’ ‘Goed,’ zei ze, ‘stel je vragen.’ Daarop vroeg ik: ‘Hoelang bent u welwillend jegens mensen?’ ‘Jegens niemand lang,’ was haar antwoord. Mijn tweede vraag: ‘Op welke wijze kan men uw gunst verkrijgen?’ ‘Alleen door middel van onbevreesd gedrag.’ ‘Wie kan u het langst vasthouden?’ ‘Wie het dapperst mijn heerschappij volhoudt.’ ‘Aan wie heeft u de grootste hekel?’ ‘Aan een angsthaas.’ ‘Wie kan u veilig verachten?’ ‘Een wijze.’ ‘Wanneer zult u mij meer ter wille zijn?’ ‘Wanneer ik je zal roepen.’ ‘Maak ik kans om geroepen te worden?’ ‘Naderhand zul je het weten.’ ‘Wie van alle levenden heeft u het liefst?’ ‘Wie mij op de vlucht jaagt, niet wie mij ontvlucht.’ ‘Ik weet voldoende, vaarwel.’ ‘Ook jij vaarwel en loochen niet dat je tot mijn kudde behoort,’ sprak de Fortuin, ‘ook al heb ik je geen gouden bergen geschonken; want dat velen van jou houden en jou weldoen, is mijn werk.’ Ik dankte haar en ging weg. Vegio nam voor de poort afscheid van mij. Daar trof ik een schare mannen die hun handen uitstrekten en in hun midden Peregallo,[94] dierbaarder dan een vriend en een even goede vriend Michael Pfullendorf en ook Wenzel[95] en Jakob,[96] die behoorden tot het personeel van de kanselarij. Toen ze mij zagen, kwamen ze om mij heen staan en hoorden mij uit over wat ik gezien had. Maar terwijl ik vertelde van mijn visioen, ontwaakte ik weldra uit mijn slaap.

    Vaarwel. Wat dit alles voor jou betekent, moet je maar uitzoeken met je schrandere geest en mij uit de doeken doen. Nogmaals vaarwel, mijn honing, sla van Epicurus en groente van Pythagoras. [97] Wenen, 26 juni 1444.

 

 


 

[1] Prokop van Rabenstein trad in 1437 als schrijver in dienst van keizer Sigismund en later van Frederik III, waar hij vriendschap sloot met Enea. In 1446 was hij met Frerik III voor de kroning in Rome en werd daar tot ridder geslagen In 1453 zal hij kanselier worden bij de kroon van Bohemen en vervulde diplomatieke missies voor koning Ladislas Postumus en Georg Podiebrad. In 1462 reist naar Rome in naam van de Boheemse koning. Zijn vroegere vriend Enea, nu paus Pius II weigert in te gaan op het doel van de missie: de kompaktaten van het concilie van Bazel  te erkennen, aangezien in Bohemen de zogenaamde leer van de kelk niet werd gevolgd. De koning liet uit woede Prokop tijdelijk gevangen zetten.

[2] Juvenalis, Saturae 5,22-23.

    [3] Vergilius, Aeneis 6,638 ev.

[4] Enea ontleent deze beschrijving aan het tweede boek van Lucianus’ Historiae verae. ***

[5] Vergilius, Aeneis 6,893 ev.

[6] Vergilius, Aeneis 6,744.

[7] Vergilius, Aeneis 2,40.

[8] De traditionele plaats voor de Ethiopische zonnetafel (heliotrapeza):is Herodotus, 3.17, die evenwel pas door Valla werd vertaald in opdracht van Nicolaas V, en waarvan een handschrift opgedragen aan Enea’s neef Pius III bewaard is gebleven. Enea’s bron is veeleer Pomponius Mela, De chorographia 3, 87, 1 ev., waar ook sprake is van het meer dat hierna genoemd wordt. Zie voor dit meer ook Q. Curtius Rufus, Historiae Alexandri Magni 4,7,16.

[9] Wijn, afkomstig uit Campanië, waarvan Horatius (Carm. 1,27,10) reeds de kwaliteit bezingt.

[10] Maffeo Vegio uit Lodi (1407-1458), die Enea kende en ook met Valla bevriend was. Was hij aanvankelijk voornamelijk geïnteresseerd in de antieke beschaving, lezing van de Confessiones van Augustinus veroorzaakte zijn ‘bekering’. Het is niet zonder betekenis dat Maffeo Vegio Enea’s gids is als een tweede Vergilius (zoals Dante door Vergilius in de onderwereld geleid wordt): Hij heeft een dertiende boek toegevoegd aan de Eneïs van Vergilius ; cf. http://www.newadvent.org/cathen/15320b.htm. Maffeo had het sinds kort (1442/43) tot secretaris van de pauselijke zendbrieven gebracht in Rome (paus Eugenius) en kort daarna tot kannunik van de Sint Pieter ; zo was hij voor Enea een voorbeeld van iemand die als dichter en priester vanwege zijn virtus carrière had weten te maken.    

[11] Vgl. voor deze allegorische beschrijving van Fortuna Dante Inferno VII, 67-69:

 ‘ Maestro’ , dissi lui, ‘ or mi di’ anche: / Questa Fortuna, di che tu mi tocche, / Che è, che i bendel mondo ha sì tra branche?’ Een andere imitatie van Dante in Izb., 295-300 (= brief van 13 okt. 1449; Wolk. II, 88-93, nr. 31.)***.

[12] Op Sicilië veroorloofde Plato zich vrijheden tegenover koning Dionysius die hem daarop als slaaf liet verkopen.

[13] Livius, Per. 120; Florus, 2,16; Valerius Maximus 5,3,4; Plutarchus, Cicero 48-49.

[14] Scipio Africanus Maior (236-184 v. Chr.). Vgl. Livius, 38,53.

[15] Caius Fabricius Luscinus verdreef Pyrrhus, nadat hij in zijn armoede de rijke schatten die Pyrrhus hem aanbood had versmaad; ook dreef hij als censor P. Cornelius Rufinus uit de senaat vanwege zijn luxe levensstijl, blijkend uit de tien pond aan zilveren vaatwerk die hij bezat (Gellius, 10,8 en Augustinus, De civitate Dei 5,18; vgl. ook o.a. Cicero, de oratore 2,66; De officiis 3,86).

[16] M. Porcius Cato de Oudere (gestorven in 149 v. Chr.). Plutarchus, Leven en Cato de Oudere 4; Plutarchus, Vergelijking van Aristeides met Cato 3-4 over het dragen van armoede op oudere leeftijd). M. Porcius Cato de Jongere pleegde zelfmoord na de slag bij Thapsus (46 v. Chr.); vgl. Plutarchus, Leven van Cato de Jongere 68-72 ; cf. http://penelope.uchicago.edu/Thayer/E/Roman/Texts/Plutarch/Lives/Cato_Minor*.html.

[17] Cesarini.

[18] Juan Cervantes.

[19] Juan van Segovia.

[20] Juan de Tagliacozzo.

[21] Kaspar Schlick was gehuwd met een dochter van hertog Konrad von Oels-Kosel; cf. http://de.wikipedia.org/wiki/Kaspar_Schlick.

[22] Kaspar Schlick, kanselier van Sigismund, Albrecht en Frederik.

[23] Wilhelm von Stein was raadsheer van hertog Albrecht Achilles van Brandenburg. Zie Enea’s brief aan hem, waarin Enea de dichtkunst verdedigt. Wilhelm was een onechte zoon, maar heeft zich door eigen verdiensten en een goede ontwikkeling omhoog gewerkt. 

[24] Codrus, koning van Athene, redde zijn land door vermomd als houthakker Doriërs tot een gevecht te verlokken, wat hem het leven kostte. Het orakel van Delphi had namelijk voorspeld dat de Doriërs over Athene zouden zegevieren, als het leven van Codrus gespaard bleef.

[25] Enea noemt Jovinianus maar bedoelt blijkbaar de Romeinse keizer Jovianus (363-364) : Ammianus 25,10,13 (‘Over de oorzaak van zijn dood wordt verschillend gespeculeerd. Hij zou namelijk de ongezonde reuk van zijn pas witgekalkte slaapvertrek niet hebben verdragen of overleden zijn als gevolg van de verbranding van een grote hoeveelheid houtskool, waardoor zijn hoofd was opgezwollen, dan wel doordat hij zich had overeten aan allerlei voedsel door elkaar, waardoor hij een benauwdheid had gekregen.’); Ammianus was in 1417 door Poggio teruggevonden.

[26] Vgl. Juvenalis, Saturae 4,1 ev.

[27] Iuvenalis, Saturae 14 .91 (waar echter sprake is van de eunuch Posides).

[28] In 1404 veroverde Cabrino Fondulo de macht in Cremona, waarbij hij Ubaldo Cavalcabò en de mannelijke leden van zijn familie uitmoordde.

[29] Op 23 november 1407 vermoordde Jan zonder Vrees zijn rivaal Lodewijk, hertog van Orléans, waarna hij de steun kreeg van de Franse koning Karel VI. Als wraak werd deze hertog van Bourgondië zelf met een bijlslag gedood tijdens een conferentie te Montereau op 10 september 1419. Zijn zoon, Filips de Goede (1396-1467) erfde het welvarende Bourgondische rijk.

[30] Maffeo Vegio was een half jaar geleden benoemd tot kanunnik van de St. Pieter.

[31] Eugenius.

[32] Alfonso V (1396-1458), veroverde in 1442 het koninkrijk Napels.

[33] Humphrey Plantagenet, hertog van Gloucester (1391-1447).

[34] Respectievelijk Dietrich II von Mors en Jakob von Sierk.

[35] Dietrich Schenk von Erbach.

[36] Fredrik II van Saxen en Ludwig van Beieren.

[37] De cynische filosoof Crates (rond 330 v. Chr.). Hieronymus, Epistulae 58,2 (brief aan Paulinus van Nola) (ed. Hilberg), o.a. overgenomen in het Decretum Gratiani (ed. Friedberg), p. 711 en op het vloermozaïek van de Dom te Siena ; cf. http://www.associazione.de/pdf/Vortrag-Schuessler.pdf.

[38] Mattheus 13:22.

[39] Zowel de kerkvader Hieronymus (347-419), als de heilige Antonius van Egypte (251-356) verruilden het welgestelde leven van hun jeugd voor het ascetische monniken leven.

[40] Giovanni Campisio, door Enea als een van zijn intieme vrienden beschouwd en in zijn brieven steevast aangesproken met ‘eminent filosoof’, kon geen aanspraak maken op adellijke afkomst, maar dankte zijn aanzien aan eigen verdienste. Campisio is op dit moment in Italië, met Rome als domicilie, waar hij als schrijver in dienst van de Apostolische Stoel een karig bestaan lijdt. Hij zal bisschop worden van Piacenza (de eerste stad in Italië die door een pauselijke bul in 1248 het recht kreeg tot een universiteti (studium generale), die later, in 1398, door Gian Galeazzo Visconti nieuw leven kreeg ingeblazen; Enea was intussen bisschop geworden van Triest.

[41] Vgl. voor dit beeld van een pijl Ovidius, Metamorphosen 8,695.

[42] Nortia of Norcia of Nurtia, godin van de Volsinii, werd gelijkgesteld met Fortuna. Juvenalis, Saturae 10,75; Martianus Capella 1,21. cf. ook de brief over de Venusberg, waar Enea vertelt over Nurcia met zijn grot.

[43] De volgende toelichting is voor een deel ontleend aan The Lapidary of Aeneas Sylvius Piccolomini Cameron Allen, Italica, Vol. 17, No. 1 (Mar., 1940), pp. 1-4. Voor de kostbare stenen en de beschrijvingen ervan put Enea misschien uit een handschrift dat teruggaat op verschillende bronnen. In de eerste plaats  de Etymologiae vam Sint Isidorus; dezelfde stenen worden ook, meer verspreid, vermeld bij Plinius in zijn Naturalis Historia (door Isidorus vaak nauw gevolgd); men kan hierbij denken aan een manuscript dat een soort ‘herziene’ vorm van de Etymologiae bevat en dat Enea tot beschikking stond. Er zijn ook stenen waarvan de beschrijving door Enea niet worden aangetroffen bij Isidorus of Plinius: de melochites en de achates: deze treft men aan bij Marbodus, Liber de Gemmis.

 In de Naturalis Historia van Plinius treft men voor de stenen de volgende plaatsen: 37,181 (sagda); 37,174 (myrrhites; mirre dat wordt verwerkt tot korrels van een roodbruine kleur); 37, 173 (mithridax); 37,189 (pyriet en chalazias); 37,187 (echites); 37,157(dionysias); 37,184 (venushaar of rutiel); 37,181 (seleniet); 34,20 (pyropus); 37,173 (meconiet); 37, 187 (myrmiciet); 37,154 (chalcophtongos); 37,182 (sideriet); 37,189 (phlogiet); 37,190 (enhygros); 37,189 (anthraciet); 37,114 (malachiet); 37,136 (iris, een andere naam voor kwarts); 37,144 (androdamas); 37,84 (paederos, ook opaal genoemd); 37,139 (agaat). Tenslotte komt als zeer waarschijnlijke bron ook de in de Middeleeuwen veel geraadpleegde auteur Solinus met zijn De mirabilibus mundi ( XXXVII, 7-25) in aanmerking als bron; cf. voor de tekst van Solinus http://www.thelatinlibrary.com/solinus4a.html.

[44] De tekst heeft ‘ad colorem (= kleur) arritus’: dit zal een kopieer-fout zijn óf in het ms. dat Enea heeft geraadpleegd of een kopieerfout van Enea zelf: in de tekst van Isidorus staat: ‘compressus autem usque ad calorem (= warmte).’

[45] Vgl. Juvenalis, Saturae 9,148-150. Het voorbeeld is Odysseus die de oren van zijn makkers volstopte met was om aan de Sirenenzang te ontkomen.

[46] Vgl. Juvenalis, Saturae 3,178.

[47] Zie het register voor de volgende opsomming van historische en mythische helden uit de Grieks-Romeinse Oudheid, oosterse koningen, christelijke keizers en middeleeuwse vorsten.

[48] De Garamanten uit Afrika, de Indiërs in het oosten; vgl. Vergilius, Aeneis 6,792.

[49] Toespeling op het kruissymbool dat de soldaten van Constantijn op hun schild droegen na diens visioen van een kruis dat aan de hemel lichtte. Aldus overwon Constantijn zijn rivaal Maxentius in 312 bij de Milvische brug te Rome.

[50] De naam van een reeks Frankische koningen. Zo was Pepijn III, bijgenaamd de Korte, de vader van Karel de Grote (742-814).

[51] De legendarische Arthur, koning der Britten, die gezocht heeft naar de heilige graal.

[52] Sigismund (1368-1437) was keizer van het Roomse Rijk (vanaf 1433).

[53] Albrecht II (1397-1439) van Habsburg, hertog van Oostenrijk, maakte als opvolger van zijn schoonvader Sigismund in 1438 een einde aan de vetes van de vorsten in zijn rijk, maar hij stierf reeds in 1439, tijdens een campagne om Hongarije te verdedigen tegen invallen van de Turken.

[54] Juvenalis, Saturae 4,8.

[55] Frederik III (1415-1493), koning vanaf 1440, keizer van het Roomse Rijk vanaf 1452. In 1439 aanvaardde Enea Silvio een betrekking in zijn kanselarij.

[56] In de tekst staat ‘collirium’ (ogenzalf) wat een kopieerfout zal zijn voor ‘collarium’ (halsketen).

[57] Albrecht VI (gest. 1463), die tijdens de regering van zijn broer Frederik ook aanspraak maakte op de troon.

[58] Sigismund, de zoon van Frederik’s broer Albrecht VI, aan wie Enea zijn brief van 5 december 1443 (Wolkan, 99) richtte.

[59] Ulrich van Cilli (1406-1456) werd in 1438 door Albrecht II tot regent van Bohemen benoemd (tot 1439). Van 1453 tot 1456 was hij als voogd van de jonge zoon van Albrecht, Ladislas Posthumus, de ongekroonde machthebber van Hongarije.

[60] Ruprecht/Reinprecht von Walsee († 1483); cf. http://de.wikipedia.org/wiki/Herren_von_Walsee.  

[61] Bisschop Silvester Pflieger van Chiemsee (1438-1454), die Enea had aanbevolen bij Frederik III, en een vurig pleiter was voor het herstel van de kerkelijke eenheid. Hij leed in ernstige mate aan podagra, zoals Pius later.

[62] Johannes Schallmann van Gurk in Kärnten (Oostenrijk).  

[63] Kaspar Schlick.

[64] Walther Zebingher, maarschalk en raadsheer van Frederik III.

[65] Te Neurenberg werd de Rijksdag gehouden; Enea denkt aan de Rijksdag in augustus/september 1444 waarop het conflict tussen paus Eugenius en het concilie van Bazel, dat als tegenpaus Felix V heeft gekozen, op de agenda staat. Enea had Frederik III ervan overtuigd dat hij voorlopig een neutraal standpunt zou innemen om een dreigend schisma van de Kerk te voorkomen. Enea zal op deze Rijksdag van september 1444 een belangrijke rol spelen (en als vervolg daarop het volgende jaar deelnemen aan een diplomatieke missie van Frederik naar Eugenius) ; cf. http://www.ccel.org/s/schaff/encyc/encyc09/htm/ii.cxiii.htm. Overigens heeft Enea in (sept.) 1444 zijn erotische komedie Chrysis geschreven en deze laten opvoeren – of voorlezen door ‘acteurs’ (misschien deelnemers aan de Rijksdag) – op de genoemde Rijksdag van Neurenberg, zie hiervoor Chrysis, By Enea Silvio Piccolomini; Ed., trans., and com. by J.-L. Charlet. Paris: H. Champion, 2006.

[66] Leonhard van Laiming, kerkvorst te Passau die van het goede leven hield ; Enea zal een bezoek brengen aan zijn kasteel en een levendige beschrijving geven van het lustige leven daar in zijn brief aan Campisio van 22 juli 1444, zie verderop in deze bundel.  

[67] Graf Peter von Schaumberg, bisschop van Augsburg (1424-1469) en dikwijls optredend als gezant van Frederik.

[68] Johann Neyperg, hofmeester (magister curiae) en medewerker van Kaspar Schlick. Neyperg, Zebingher en Johann Ungnad (hier niet genoemd) vormden als driemanschap een invloedrijk groepje adellijken aan het hof van Frederik III. In zijn Historia Friderici Imperatoris beschrijft Enea deze personen en hun invloed (opgenomen in de editie van a. F. Kollar : Analecta monumentorum omnis aevi Vindobonensia, Vol II)

[69] De tekst geeft:’ varia, si obaudiverit’ (‘ wisselend indien hij zal gehoorzamen’); dit heeft geen zin, wellicht een kopieerfout. De tekst is veranderd in ‘ si non obaudiverit’ en overeenkomstig vertaald.

[70] Na het overlijden kort na elkaar van Lodewijk III van Anjou en Johanna II die heersten over de stad Napels eiste koning Alfonso van Aragon (1396-1458) vanwege een oude afspraak de troon van deze stad op ten koste van Lodewijks broer René van Anjou. Tijdens het beleg van Gaeta in 1435 werd hij bij het nabij gelegen eilandje Ponza verslagen door de Genuezen, die hem uitleverden aan hun heer, Filippo Maria Visconti, hertog van Milaan. Weer vrij wist hij in 1442 Napels te veroveren, waar hij verder als koning Alfonso I de Grootmoedige zou heersen. In de wijze waarop Enea hier Alfonso met mannelijke agressiviteit de vrouwelijke godin letterlijk bij de haren laat grijpen om haar te dwingen, aldus de schenkster onderwerpend aan de ontvanger, laat een kentering zien in de beleving van het geluk: men grijpt het en eigent het zich toe als bij de overweldiging van een vrouw (verg. De beschrijving van Enea, evenals Alfonso klein van gestalte, in zijn brief van 20 sept. 1443 aan zijn vader (eerder in deze bundel behandeld) over zijn verovering van een Engelse vrouw die hij in een herberg heeft ontmoet : mannelijke daadkracht leidt tot succes, als een ‘echte’ vrouw wil Fortuna veroverd worden   

[71] Filips de Goede (1396-1469) en Isabella van Portugal, dochter van Johan I van Castilië.

[72] Filippo Maria Visconti (1392-1447), heer van Milaan (het gebied van de oude Insubriërs). Hij bezat een gesloten natuur en werd geplaagd door nerveuze stoornissen en een slechte gezondheid.

[73] In 1443-1444. János Hunyadi (ca. 1387-1456). Hij werd in 1446 regent voor de minderjarige koning Ladislas V en stierf kort na de overwinning op de Turken tijdens het beleg van Belgrado.

[74] De condottiere Jan Jiskra, ‘ Zwarte Jan’ genoemd en van Tsechische afkomst, was een rivaal van János Hunyadi.

[75] Hynek Ptácek van Pirkstejn, Hussiet en leider van de partij der Ultraquisten in Bohemen, na zijn dood opgevolgd door Georg van Podiebrad; cf. http://www.hedgehog-review.com/ttt/HusII.php. Prokop van Rabstein, de adressaat van deze brief, zal kanselier van Bohemen worden

[76] Niccolò Piccinino (1386-1444) stond als generaal in dienst van Filippo Maria Visconti van Milaan. Hij moest paus Eugenius IV bestrijden en uit Rome helpen verdrijven, een avontuur met kwalijke afloop waarbij ook Piccolomini als boodschapper betrokken is geweest en zodoende geen stof voor de auteur om hier aan te halen.

[77] Francesco Sforza (1401-1466) was een zoon van Muzio Attendolo Sforza uit Cotignola, die als condottiere Ladislas V diende. Later trad Francesco in dienst van Filippo Maria Visconti en vocht gedurende twintig jaar afwisselend voor en tegen hem. Na veel avonturen met wisselend succes slaagde hij erin om in 1450 zelf hertog van Milaan te worden.

[78] Tarpeia was in de Romeinse mythologie de dochter van de commandant van Rome. Zij leverde tijdens de Sabijnse oorlog de citadel uit aan de Sabijnen in ruil voor wat deze aan hun linkerarm droegen, d.w.z. hun armbanden.

[79] Eugenius IV (1383-1447, paus vanaf 1431) had Vegio tot kanunik van de St. Pieter benoemd.

[80] Het Concilie van Bazel zette (1439) in aanwezigheid van slechts 6 prelaten Eugenius af als paus en koos Amadeo VIII, hertog van Savoie, als tegenpaus. Hij nam de naam Felix V aan. Na tien jaar legde hij onder druk van de koningen van Frankrijk, Engeland en Sicilië zijn ambt neer.

[81] De aartsbisschoppen van Trier, Mainz en Keulen hadden het recht om als elector (keurvorst) deel te nemen aan de verkiezing van de Duitse keizer.

[82] De eretitel van de bisschoppen van Alexandrië, Antiochië, Constantinopel en Aquileia.

[83] De twee door Homerus genoemde rivieren bij Troje.

[84] Door het gezang van Amphion, zoon van Zeus, voegden reusachtige steenblokken zich vanzelf aaneen tot de muren van Thebe.

[85] Cecrops geldt als de legendarische stichter van Athene.

[86] Troje, Thebe, Athene, Sparta zijn waarschijnlijk niet toevallig ook de steden in een passage bij Ovidius over steden die bloeien en vergaan (Metamorphosen 15,418-430). Maar Ovidius noemt ook nog Mycene, en spreekt niet over Carthago en Babylon.

[87] Bedoeld zijn de kaliefen van Egypte, van Damascus, van Bagdad, Noord Afrika en de sultan der Turken.

[88] Luna/Luni, nabij La Spezia, een oude Romeinse stad die in de Middeleeuwen is verwoest.

[89] De Franse koning René van Anjou (1409-1480) begaf zich in 1438 naar zijn erfdeel Napels, dat zijn echtgenote Isabella verdedigde tegen zijn rivaal Alfonso V van Aragon. Door deze verslagen, verliet hij Napels in 1442 en keerde terug naar de Provence.

[90] Enea had de doge Thomas Fulgosius (ook wel Fregosus) ontmoet toen hij in het gezelschap van Albergati, de kardinaal de Santa Croce, op weg was naar het congres van Arras (1435) ; hij noemt deze ‘negentigjarige’ een ‘man van groot beleid’ (Vir., 43; vgl. ook Eur., 190-192).

[91] Enea omschrijft deze Pancratius de Sancto Nicolao (de St. Miklós) als een soldaat die in het Hongaarse gebied door roof en diefstal zich van een klein tot groot man had opgewerkt. Zo had hij van Gaspar Schlick (Enea’s kanselier) voor een klein bedrag een vesting gekocht, van waar hij sindsdien rooftochten ondernam (Vir., 108-109; vgl. ook Eur., 57).

[92] Karel I, vijfde hertog van Bourbon. Na aanvankelijk Karel VII, de koning van Frankrijk, trouw gediend te hebben bij de hervormingen in Frankrijk sloot hij zich in 1440 aan bij Jan II, hertog van Alençon, in een mislukte opstand van edelen, geleid door de dauphin (de toekomstige Lodewijk XI).

[93] Het betreft de Beierse hertogen Ludwig VII (1365-1447) en VIII (1403-1445) (Eur., 161-162).

[94] Giovanni Peregallo, apostolisch secretaris bij het concilie van Bazel.

[95] Wenzel von Bochow.

[96] Jakob Widerl.

[97] Epicurus en Pythagoras leidden een sober leven vol onthouding om zo aan de greep van de Fortuin te ontkomen. Zie Juvenalis, Saturae 14,315 over de ‘sla van Epicurus’ (‘holus Epicuri’) ; zie Juvenalis, Saturae 15,173-74 over de groente van Pythagoras: Pythagoras, cunctis animalibus abstinuit qui tamquam homine et uentri indulsit non omne legumen (Pythagoras die zich van alle dieren onthield alsof het mensen waren, en zijn maag niet alle groente toestond).

 


Eneas Silvius poeta e salutem plurimam dicit domino Procopio de Rabenstein, militi litterato et prestanti.

Nocte preterita priusquam me quieti committerem, multa mecum de te locutus sum mirabarque tuis virtutibus non dari locum convenientem, quia licet acceptus sis cesari, non tamen, ut par esset, efferri te video. nam cum reluceat in te nobilitas et probitas, non video, cur inter primores poni non debeas. accusavi ergo fortunam, que tum honorum, tum divitiarum creditur dispensatrix, pluraque in eam stomachatus dixi, ut que viros premeret bonos, extolleret malos, nec finem feci, donec altus me sompnus oppressit. inter dormiendum vero mira per quietem sum contemplatus, que tibi nunc referre decrevi. tu arrige aures resque tum miras tum stupendas agnosce. jam noctis decurso spatio, sideribus dubiis, postquam pigri Boeti frigida sarrata circumegerant, visionem hanc habui. in locos letos et amena vireta deveni, gramineus campus in medio fortunati nemoris erat, rivo cinctus et muro, due illic porte, altera cornea, altera candenti nitens elephanto. muri altissimi ex adamante constructi, rivus immense profunditatis. nulli accessus ad portas nisi per pontes, qui tamen catenis elevati paucis advenientibus dimittebantur. in ripis e regione portarum existentibus ingens virorum ac feminarum turba consedebant, tendentesque manus orabant transmitti. territus hac novitate, dum hac et illac circumcurso, plures mihi obvii dantur, quorum agnoscebam facies. nescio tamen, qua re factum sit, ut nemo mihi sermonis copiam faceret. veni ad corneam portam, in cujus summo hec litteris antiquis inscripta conspexi: paucos admitto, servo pauciores. avidus nosse quid foret interius, juvenem, qui supra turrim erat, magnis precibus obsecravi, incassum tamen, mihi ut fores panderet. tum forte adolescens venit magna comitante caterva. cognosco habitum, ex Rheni partibus erat. quisnam hic est, inquam. accedit me vir togatus, credo me Italum. novit Italus, et Ludovicus est, hic ait, dux Bavarie, princeps elector, qui trans illum murum nos ducet. at ego, mi vir, impetra et mihi transitum, si quid juris habet communis inter nos patria. faciam, inquit ille, vixque locuti eramus, cum pontibus dimissis Ludovicus ingressus est et una secum quam plures alii, quos janitor nominatim appellavit. ego ut explorator sub pallio principis, qui Ludovico herebat, unus ex Brandenburgensibus marchionibus visus est, latitans intravi. illic florea prata, rivi tum lacte tum vino currentes, frigidi fontes, lacus piscibus pleni, balnea suavissima, densi luci, vineta semper uvis onusta, arbores perpetui autumpni, quales hortus Hesperidum vel Pheaces habuisse creduntur. poma, quorum solo pascaris odore per silvas, fere mansuete, captu faciles, volucres et esui et cantui nate, unicus est apud Ethiopes locus, Eliotrapeza nuncupatus, opiparis epulis semper refertus, quibus indiscretum omnes vescuntur, apud quem lacus tenuis laticis haustu saluberrimus. hic plurima sunt hujusmodi loca, mense sub arboribus parate, gemmatis vasculis paterisque aureis ornate. nullum Falernum comparari vino potest, quod ex vivo saxo illic manat. mella passim fluunt, arundineta zuccaro plena. omne genus aromatum ex arbore cadit. auri et argenti inexhauste minere. lapilli pretiosi tanquam ceresa in nemoribus pendent, venuste puelle elegantesque juvenes perpetuas ducunt coreas. quicquid musicum est, illic resonat. non tam voluptuosam suis sequacibus paradisum Machometus repromisit quam hic vidisses. dispensatores huc et illuc discurrebant Baccus, Ceres et Venus. silva mirtea concubitus admittebat. jam ego ex pallio prodieram cupidusque videndi per medias letantium turbas ibam securus. tum Vegius poeta Laudensis me aggreditur et, o, inquit, Enea, quo huc pacto venisti? amplexus amicum exposui casum. tum ille: voluissem te vocatum fuisse, nam hic preter jussum here nemo manere potest. illa si te viderit mox jubebit expelli. tum ego: quenam est hec domina, cujus expectatur vocatio? hera Fortuna, respondit Vegius, cujus munere omnes, qui sumus hic, feliciter vivimus. illi totus obedit orbis, quicquid hec jussit factum est. tum ego: ergo tu ex felicibus unus es, qui solebas esse quam miser. sum, inquit Vegius, dilexit me tandem hec domina summique mihi pontificis gratiam conciliavit canonicumque basilice sancti Petri fecit. ha, inquam ego, jam incipiam colere tuam dominam, si quos bonos evehit. ego sepe in eam invectus sum, quod malis bonam et malam bonis eam videbam. scis quam bonus fuerit Socrates? nunquam illi arrisit. Platonem, qui fuit philosophorum maximus, in servitutem redegit, Pythagoram semper vagari compulit. Ciceronem quamvis ex rhetore consulem fecerit, in manus tamen postmodum inimicorum dedit et Antonii gladius interemit, Scipionem in exilium misit, Fabricium in catino terreo seu ligneo comedere fecit, primum Catonem paupertate gravavit, sibi ut manus consciret, alterum jussit. aspice viventes. quid Juliano cardinali sancti angeli tot virtutibus ornato repensum vides? quid Johanni sancti Petri, Johanni sancti Calixti ac Johanni Tarentino ejusdem ordinis viris? quid est his, quod vel probitati vel scientie correspondeat? quis dicere potest, Gasparem cancellarium, quamvis ducem sibi conjugem copularit, dignas laborum retributiones tulisse, qui jam trium cesarum cancellarius fuit. Wilhelmus de Lapide, miles insignis, non minus litterarum quam armorum scius, qui mundum virtutis agnoscende cupidus peragravit, quid suis meritis dignum est assecutus? Campisius noster, philosophia plenus, qui sedis apostolice servitiis etatem suam consecravit, pauperior Codro est. unicus miles est, aut si comites habet, vix quatuor sunt. Procopius Bohemus in curia cesaris qui licet litteras amet colatque, indocti tamen atque ebetes sibi preferuntur. nolo referre, quos asinos viderim exaltatos super cedros Libani, qui etiam hodie florent, homines sine litteris, elingues, sine sensu, vix manus dextra quot habeat digitos norunt. securius est mortuos quam viventes carpere. quid tetrius aut horribilius monstrum Nerone fuit? quid Tiberio sceleratius? his tamen imperia, quam Vespasiano et Tito, piis cesaribus, diuturniora fuerunt. quid Domitiano turpius? bestiam tamen illam mundi cervicibus imminentem pluribus annis pertulit orbis, Jovinianum, quia religiosus clemensque fuit, oppressum fumo carbonum mox amisit. quot Crispinus villas erexit monstrum a vitiis nulla virtute redemptum? spado Claudii Neronis Pophides tot divitias possedit, ut edes suas ornatiores et ampliores Capitolio construeret. Gabrinus Cremonensis septem dominos suos interemit, quibus in fetida sepultis cloaca, dominatum suscepit. non possum viventem aliquem non tangere, patrem Philippi ducis, qui nunc Burgundiam tenet, in presentia regis Francie prepositus Parisiensis securi percussit. is nunc in provincia quietissimam habet vitam, pinguibus agris donatus. hic tamen et homicidium fecit et publicam fidem fregit, quam miser ille secutus fuerat. hec mihi bilem sepe commoverunt. at postquam te virum probum et doctum jam fortune blandimentis video delinitum, fio mitior illi, putoque non te solum ex bonorum numero gratum esse huic matrone, sed duc me, oro, ut illam intuear. ita est, inquit Vegius, plures boui sunt in hoc conventu, quamvis mihi non arrogo, quod tu nomen das. scio me peccati reum esse, indignumque gradu meo, sed ita placitum est tum fortune, tum meo pontifici. atque ut agnoscas, bonos quoque huic domine gratos esse, audi me parumper. nolo Constantino magno, Nerve, Trajano duobusque Theodosiis ipsique primo Augusto quanta felicitas arriserit, quia probi fuerunt, nunc disputare. ad vivos venio. quid tuo cesari religiosissimo, quid meo pontifici sanctissimo nunc se blandam Fortuna ostendit? regem Aragonum quis elevavit nisi Fortuna? quis ducem Clocestrie magnum fecit, quis Colonienses et Treverenses antistites? magna est horum virtus et tamen fortune flatu sunt sublimati. diceret Moguntinus, meum genus erexit me. sic et Saxones et Bavarie duces dicere possent, tanquam nichil in eis Fortuna fuerit operata. sed quis eos tam alte nasci fecit nisi Fortuna? poterat hec, si voluisset, me regis Hispanie vel Anglie loco supponere. nulla virtute nostra sed casu generis nanciscimur claritatem. quod si plures sunt virtuosi, quos Fortuna preterit, nemo irasci debet. potest enim hec domina, que sua sunt bona, cui vult elargiri. homines in mundum non ad opes possidendas aut perfruendas delicias, sed, ad labores nascuntur, vivereque in terris non tanquam incole sed ut advene peregrinique debent futuramque patriam per opera virtutis inquirere. in magna vero fortuna non facile virtus reperitur, quod animadvertens Thebanus ille philosophus ingens auri pondus in mari conjecit, ut expeditiorem se traderet philosophie. Christus salvator deusque noster divitias tanquam spinas et tribulos docuit fugiendas. ejus discipuli paupertatis amatores fuerunt; victum et vestitum habentes, his contenti erant. nec Hieronymus quamvis doctissimus in tenui gaza fortunam accusavit, quia non illam dominam, sed Christum dominum sequebatur, transitoria pro perpetuis spernens. Antonius abbas, quod Fortuna dederat, sponte rejecit. quod si sane mentis essemus, odium potius quam favorem appeteremus Fortune, cujus blanditie maximum prestant impedimentum ad eterne vite consecutionem. rarusque est et corvo rarior albo, qui et Fortunam simul et iter in celum sequi valeat. sed comprimo me, ne huic domine videar detraxisse, cujus amplexibus jam delector. tu tamen cave, ne Procopium vel alios, quos nominasti virtutis amatores dicas, expertes Fortune. nec enim vel cardinales vel milites essent vel generosi, nisi Fortuna juvisset. solus Campisius est, ex quo nichil suum potest Fortuna repetere. sed eamus, si stat sententia, propius videamusque dominam istam regnorum atque imperii motricem. eamus, inquam ego, etsi forsitan hospes invisus ero. vix quantum velox ex arcu sagitta volitans currit, vie confeceramus, cum apprehendens Vegius dexteram meam, respice inquit dextrorsum, Enea, ibi Nursia est domina. tentoria illic purpurea erant, margaritis ornata, que centum jugera cooperiebant. in medio solium erat peraltum, lucens claris smaragdis, miri preterea lapides, ebur solia vestiebant: Sagada gemma, que in profundo Eufratis carine navis se solet adnectere, jocundissime virens; Mirrhites coloris mirre, qui ad colorem attritus nardi odorem spirat; Mitridas, que sole percussa variis emicat coloribus; tum Pirhites, qui se teneri non sinit; vehementius Chalachias grandinis candorem preferens; Echites, vipereas habens maculas; Dionisias, qui sui natura fuscus est et mixtus aqua, si conteratur, vinum flagrat; Veneris crinis, qui ruforum crinium faciem refert; Solenites fulgore candido translucens; Pyropus, qui flammas imitatur; Meconites papavera exprimens; Mirmitites reptantem formicam, Calcoptongos ut era pulsata resonans, Sideritis certis maleficiis incantatus discordias excitans, similis ferro; Flogites, qui intra se quasi flammas estuantes ostentat; Antracias ut stella coruscans; Enhydros exsudans, ut clausam in eo putes fontaneam saturiginem; Melochites Arabicus, crassius smaragdo virens, infantem periculis resistens; Yris in mari rubro reperta, que aeris percussu celestis arcus ex sese speciem jacit; Andradamas nitoris argentei animorum calentum impetus molliens et tumentes refrenans iras et contra molestias nervorum utilis; Pederos aspectu eburneo et gratiarum conciliator Achates. incredibile est gemmarum, que illic perlucent, si quis referat multitudinem. ipsa Fortuna grandis matrona, duplicis aspectus, nunc blando vultu nunc terrifico, vestibus auratis gemmatisque altiorem thorum tenebat, oculis grandioribus sed plerunque clausis. in auribus ceras vidi, illa de navi petitas, que Siculos cantus effugit remige surdo. caduceum in manu tenebat. in dextra ejus dominatus sedebat honor, favor, splendor, gaudium, officium, fastus, risus, amor conjugum, vigor, rubor, decus, cantus, potus. nec minori loco fama, gloria, victoria, nobilitas, reverentia, pax, letitia, potentia, forma, laus, gratia, suavitas, jocunditas, hilaritas, dignitas, elatio, pompa, prestantia, familiaritas, clientela, rapina, ultio, superbia, libido, arrogantia, oblivio, nuptie, consolatio. ad pedes ejus quasi ancille sive pedisseque divitie, pecunie, delicie, blanditie voluptatesque stabant arrectis auribus, si quid hera jussisset auditure factureque. in gramine vero locoque declivi selle plurime cernebantur orchestra tecte, ubi plurimas umbras sedere conspexi. perlucebant enim corpora sedentium, quamvis pallida erant, versusque ad Vegium, qui sunt hi, obsecro, sedentes viri, reverentia digni subtristesque? hi sunt, inquit Vegius, quos hec domina ab initio nascentis mundi dignata est magnos facere. sed jam satis functi huc venerunt, et ut quisque major fuit, sic fortune proximior est. nec hic ex virtutibus locus datur, sed ex felicitate. primus hic est Augustus Cesar, divum genus, qui aurea condidit secula, quique super Garamantas et Indos protulit imperium. Alexander secundus est, tum Julius Cesar, post Scipiones duo, inde Pompejus. alius, quem luscum vides, Anibal est, tum Fabius maximus, Emilius Paulus, Marcellus, Alcibiades, Themistocles, Priamus, Hector, Agamenon, Achilles, Ulixes, Darius, Xerxes, Ninus. pretereo multos. ille, quem vides signo crucis munitum, Constantinus est, hunc sequitur Constantius, Constans, Constantinus, Valentinianus, Theodosius. sunt et juniores: Carolus magnus, Pipinus, Arturus. mitto vetustiores. Sigismundum tu ipse nosti et Albertum generum, qui post socerum non diu regnavit fortunamque tum secundam tum adversam expertus est. hic Albertus, ex duce rex factus. Hungariam Bohemiamque recepit, nec diu post imperium est assecutus. ut tamen cito crevit, ita cecidit repente, vix annis tribus regnaverat, cum morbo absumptus spiritum deo reddidit. tum ego, quonam modo, inquam, felicitatem recipis? ego apud Juvenalem legi, neminem malum esse felicem, ex his, quos nominasti, pessimi plures fuerunt. scis quam Anibal sevus, quam fallax, quam cupidus fuerit, tu tamen hunc felicem dixti. ad hec Vegius: non ut sapientes nomen felicitatis suscepi, sed vulgi morem sum secutus, apud quod felix dicitur, cui plurima ex sententia veniunt, sive bonum est sive malum, quod optant. iterum ego: non est mihi, Vegi, de mortuis cura, vivos, rogo, mihi ostende. respice, inquit Vegius, illam plagam. videsne juvenem albis comis planisque? nondum annos triginta natus est, rarus in ore risus, gravis incessus viro, verba pauca, pudor ante faciem, longo vultu, statura plus quam mediocri, lato pectore. video, inquam, sed quis hic est? herus tuus Fridericus cesar, inquit Vegius. tum ego: agnosco dominum, sed cur is fortune refugit vultum? quenam verba loquitur domina? audio vocem, verba non teneo. dicam tibi, Enea, refert Vegius. non tam Venus Adonem dilexit, quam mea domina tuum herum. is tamen refugit nec aspiranti fortune annuit. vultus Fortune, ut cernis, blandus est. Friderici oculi torvi sunt vixque Fortunam intuentur. nescio, quid sibi sit menti, verba fortune hec sunt: mane, Friderice, et te mihi crede. nemo regum te felicior erit, si mihi auscultaveris. quod si tu fugeris, ego etiam fugiam. videsne, Silvi, ut manum ad scapulas cesaris Fortuna posuit colliriumque vult prendere? nescio an se capi sinat cesar, quod superi faxint. si faventem Fortunam spreverit fugeritque, scio morem domine, nunquam sibi blandior erit. superba est, rogari potius vult quam rogare. nunquam vidi hanc heram tam se alicui blandam prestitisse quam nunc est tuo domino. felix ille, si Fortunam sequatur, miser, si fugiat. tum ego: quis ille proximus Friderico, qui elevata cervice graditur passumque majorem facit, paululum fuscus. germanus ejus, inquit Vegius, Albertus dux liberalis vastique animi. eum sequitur patruelis Sigismundus, incessu celer, ingenio promptus et manu. post hos Ulricus Cillaceus comes, mortalis pugne magister, amator non tam fidelis quam felix. ille maturus evo, grandique corpore, si quis sit, queris, vide ad pedes, ibi calceus dicit: dominus de Walsee ego sum. hos sequuntur viri prestantes, Chiemensis et Gurcensis episcopi; cancellarius, herus tuus, Gaspar, qui ut dicis, minus habet quam mereatur; magister camere Zebinger marescallus. hi delecti sunt Nurembergam petere. si petierint in patria remanebunt. Leonardus Pataviensis episcopus, comes de Schaunberg, magister curie Neytperg et alii plures, qui omnes fortune sunt filii, quamvis singuli suam querantur sortem. rursus ego: quenam horum fortuna est omnium? Bona, inquit Vegius, si tuus herus fortune vocibus auscultaverit, varia si obaudiverit. dum famur, video parva statura virum, nigro vultu, letis oculis, qui manus in capillos fortune conjecerat arreptaque coma, sta tandem, domina, meque respice, dicebat. quo me fugis jam annis duodecim? capta es, sive velis sive nolis, ut me respicias oportet, satis mihi adversa fuisti. nunc alium vultum prebebis reor. aut mihi blanda eris, aut omnes tibi crines evellam. cur me fugis magnanimum pusillanimesque sectaris? Fortune quoque in eum vox erat: vicisti fateor, nec me amplius experieris adversam. tum ego, quia hic est, inquam, Vegi, qui Fortune vim facit? Alfonsus, refert ille, rex Aragonum, qui cum fratribus apud Ponzam captus, Philippoque duci Mediolanensium datus, dimissus denique novis se preliis immiscuit, adversamque dominam insecutus, tantum instando perseverandoque fecit, ut victam pudore Fortunam jam in suum favorem revocaverit. alius, quem vix tribus a Fortuna distantem passibus cernis, Burgundionum dux est, et cum eo conjunx cordata. longus ille et abdomine tardus, qui vix vocem exprimit, Insubribus preest, huic hera sepius arrisit, sed non audivit, ut par erat, domine vocem. ideo minus agri possidet minusque possideret nisi minas fortune nature liberalitas confregisset. ille in armis letus Johannes est vaivoda Transsilvanorum, cujus virtute fracti Teucri Hungariam reliquerunt, hic niger Giskras est, cujus armis defense sunt Ladislai partes. hic calvus Bohemus Ptasko est, vir sensatus voluntate varia. ante hunc Piceninum videre potes, cujus virtutem mirari magis quam referre possumus. apud eum Franciscus Cotiniola stat, magis fortune favore, quam suis virtutibus in hanc diem magnificatus. inter hos ego matronalem habitum cernens, et quenam, inquam, illa est femina, que ante alias tribus passibus pergens tam fastuosa videtur? hec, inquit Vegius, Venetia est, que pecuniarum Fortune claves habet Tarpejamque custodit. alia est Burgensis civitas, tertia Colonia, Nuremberga subinde. Argentina sequitur, Vienna quoque inter has non est ultima. Florentia Venetiis proximat, sed timeo illi, quia pluribus jam annis favorem fortune minorem sentit. tua Sena floret nunc, sed minas nescio quas audio. Barchimona et Valentia florent, Lundonie quoque splendide sunt ut videa. tum ego: video togatos quosdam, quinam sunt hi? primus est meus pontifex, inquit Vegius. num Eugenium nosti? proh, inquam ego, etiam res ecclesiasticas Fortuna versat? non minus quam temporales inquit Vegius, ex quo nostri sacerdotes dominari ceperunt et mundalia potius quam spiritualia curare. Felix post eum sex gradibus sedet imus, quia principes non secuntur eum. illi cardinales sunt. tu omnes nosces, si vultum intueberis. tres electores altioribus accumbunt thoria. patriarche pauperes sunt tam Latini quam Greci, ideo retro stant. ille vidue, pullatis indute vestibus, que post Alexandrum Herculemque jacent, urbes sunt, que quondam splendide nunc solo equate sicut jussit Fortuna cernuntur. illa in montibus sita Cartago, altera super Eufratem Babilon, Troja, columen Asie inter Xanetum et Simeontem diruta. ille Amphionia Thebe, tum mater musarum Cecropis et armis quondam potens Lacedemon. post ego, qui nam obsecro, illi sunt, qui se nostris horrent miscere? prior ille Soldanus est, inquit Vegius, cui paret Egiptus, alius Teucris imperat, tertius Parthis, quartus Afris. ille nudus brachiis tantum indutus et armillis cui dives ex collo torques pendet, Indorum habet dominatum. post hec ad sinistram me verti. ibi paupertas sedebat, ignominia, derisus, injurie, morbi, senectus, tormenta, carcerea, fames, dolor, stridor, timor, pudor, odium, invidia, desperatio, caritas, bellum, pestis, solitudo, verbera, cure et mille malorum nomina, campi sitientes, nudi aut lapidibus tecti. et quidnam, rogo, sibi vult hec vastitas, Vegi? hic habitant, inquit ille, qui ex alto gradu ceciderunt, postquam rortune favorem amiserunt. videsne sublimem illam matronam septem collibus quasi pedibus subsistentem? hec aurea quondam Roma, jam lutea. Capus eam sequitur, Syracuse proxime. tum Genua, Lune, Pisa, Luca, Parisius, inter Germanos florent adhuc urbes, sola Praga, splendor terre, declinat. Constantinopolis, Tracum caput, morti propinquat. omnia tempus domat, nec ulli Fortuna perpetuo bona est. hic mestus, submisso capite, Renatus est, quem Fortuna ex Apulie finibus pepulit. ille Thomas Fulgosius est, qui ex ducali solio tractus, in carceris jacet pedore. hic Pancratius unco tenetur, qui solebat cum omnibus tum maxime cancellario tuo, infestissimus esse. Borbonii dux ibi est, qui regno Francie dicebat leges, nunc dominii partes mulctatus extra regiam esse jubetur. videsne senem procerum, cana et dimissa barba? hic Ludovicus est, dux Bavarie, quem filius, dominatu privatum domi clausum servat. dum sic loquitur Vegius rursus in dextram feror. video campum, nube candida tectum, dumque introspicio, seu vera figura fuit, seu ficta Ladislai, puellum diademate et vestibus ornatum regiis visus sum videre pluresque secum infantes alludere petoque Vegium: quinam sunt hi, nube cana circumvoluti? hi sunt, inquit Vegius, quibus Fortuna favorem spondet, si fatorum munere vixerint. vix ista locutus erat Vegius, cum dea in me oculos contorsit contractisque superciliis, quis te huc accersivit, inquit, Enea? nemo, inquam ego, sed avidus te visendi introgressus sum. noli mihi succensere. vidi regnum tuum, jam abibo. unum tantum ex te peto supplex, mihi ut paucis rogatibus respondeas. faciam, inquit illa, propone. tum ego: quamdiu es hominibus blanda? nulli diu, respondit. iterum ego: quibus artibus potest tuus favor acquiri? nullis, inquit illa, nisi solius importunitatis remedio. quis te plus aliis retinet? qui meum imperium majori sustinet animo. quis tibi odiosior? pusillanimis. quis te tute spernere potest? sapiens. quando mihi blandior eris? cum te vocabo. sumne vocandus? scies postea. quis tibi ex omnibus viventibus est acceptior? qui me fugat, non qui fugit. satis habeo, vale. et tu vale nec te mei gregis esse negaveris, inquit Fortuna, quamvis tibi non dederim auri montes. nam quod plerique te amant tibique benefaciunt, meum est. sic retuli gratias atque abii. Vegius ante portam me dimisit. ibi inter porrigentium manus turbam Peregallum inveni, amicitiorem amico et parem sibi Michaelem Suevum, tum Wenceslaum et Jacobum; cancellarie glebis asscriptos, qui ut me viderunt, circumfusi percontabantur, quid vidissem. sed dum illis refero visum, mox sompno solutus aum. tu vale et, quid hec sibi velint, sagaci tuo ingenio discute mihique aperi. iterum vale, mel meum, olus Epicuri ac Pythagore ligumen. ex Vienna, 6. kalendas junii, anno 1444.

 

 

 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen