Start Teksten.htm navigat.htm Amiata.htm Links.htm

 

 

Enea Silvio, dichter en secretaris van de koning,(1) groet Sigismund,(2) zijn verheven en koninklijke prins en tweede heer, hertog van Oostenrijk, graaf van Tirol enz. enz., hartelijk. llustrissimo principi ex sanguine cesarum sato domino Sigismundo Austrie etc. duci, Tirolisque comiti, domino suo secundario Eneas Silvius poeta regalisque secretarius salutem plurimam dicit.
Friedrich IIINa mijn komst aan het Koninklijk Hof voelde ik al gauw een sterke behoefte jou te schrijven. Ik schrok echter terug voor de zeden van de moderne tijd die alleen maar meegaat met de heersende mode. Bijna ieder die tegenwoordig de pen hanteert, gebruikt, ook als hij zich tot één persoon richt, het meervoud, alsof men door vermeerdering van personen eer toevoegt en eerbiediger lijkt. Deze in Duitsland wijd verbreide gewoonte heerste ook lang in Italië. Francesco Petrarca was de eerste die zich ontdeed van de taalvervuiling van zijn tijd(3) en de klaarheid van de oude welsprekendheid navolgde. Door zijn voorbeeld keerden velen terug tot de zuiverder manier van spreken van de Ouden. Daarna verscheen vanuit Griekenland een man van hoog wetenschappelijk niveau, Manuel Chrysoloras,(4) die in Constanz ligt begraven. Zijn voorouders, uit Rome afkomstig, kwamen met Constantijn de Grote mee, toen hij het keizerschap overbracht naar Byzantium, het huidige Constantinopel. Chrysoloras bracht de Italianen, toen deze ook zelf af wilden van hun verontreinigd en verduisterd taalgebruik, maar nog niet over meer licht beschikten dan wat Francesco gebracht had, terug tot de ware welsprekendheid. Zo evenaren de Italianen van onze tijd de woordkunst uit de periode van Octavianus,(5) als men Leonardo van Arezzo,(6) Guarino van Verona,(7) Poggio van Florence,(8) Aurispa van Sicilië,(9) Antonio van Vicenza(10) en anderen leest, uitstekende en vruchtbare schrijvers uit het huidige Italië, in wie de stroom van Tulliaanse welsprekendheid(11) en de zuivere beek(12) van Titus Livius(13) uit Padua glinsteren. Zij spreken hem tot wie zij zich richten in het enkelvoud aan, want - zo maken zij duidelijk - de Grieken en de Romeinen deden dat ook. Daarbij voeren zij als bewijs de brieven aan, die Socrates en Demosthenes,(14) Cicero en Mecenas(15) aan grote mannen hebben geschreven. Zij volgen, zeggen ze, niet enkel het voorbeeld van heidenen maar ook van heiligen als Hieronymus,(16) Augustinus, Ambrosius(17) en Gregorius,(18) die niet alleen wanneer zij zich tot mensen richten maar zelfs tot de Majesteit Gods, door wiens wil alles wordt bestuurd, woorden gebruiken als: 'Help, geef, maak, sta toe, heb medelijden, schenk!' En dat, terwijl zij zich veel fraaier dan wij in het meervoud wisten uit te drukken. Deze taalkunstenaars zouden hebben geoordeeld dat alle schoonheid en bevalligheid verstoord werd, als zij gesproken hadden zoals nu. Ook ik sluit mij bij hen aan en wanneer ik een persoonlijke brief schrijf, is dit de manier waarop ik mij tot wie dan ook richt. Toch verkeer ik bij een brief die ik voor jou bestem enigszins in twijfel over wat ik moet doen; ik vrees namelijk dat je meer afgaat op het gebruik van jouw omgeving dan op mijn oordeel, en wellicht meent dat men koningen en vorsten niet op andere wijze behoort terug te schrijven dan zoals zijzelf eerst geschreven hebben, en zíj zijn gewoon in het meervoud te spreken: 'Wij dragen op', 'wij willen', 'wij doen'. Wat voortkomt uit nederigheid, mag men niet toeschrijven aan hoogmoed. Want wanneer koningen schrijven, bezitten zij weliswaar macht, zodat alles wat hen behaagt kracht van wet heeft; toch nemen zij daarbij die bescheidenheid in acht, omdat zij bij hun verordeningen niet de indruk willen wekken eigenmachtig op te treden, maar in overleg met hun raadsleden. Dat lagere vorsten, wanneer zij zich richten tot hogere, afzien van het gebruik van meervoud als brandstof voor hun trots, zoals blijkt uit brieven aan de keizer, moge evenmin voor jou een reden zijn. Zo schrijft de hertog van Milaan: 'Ik smeek, ik verzoek, ik vraag, ik beveel mij aan bij Uwe Majesteit.' Dit heeft namelijk een andere grond dan je denkt: omdat lagere vorsten hun macht ontlenen aan hogere, is het voor een lagere vorst niet ongepast om af te zien van meervoud, alsof hij wil zeggen: 'Wanneer ik tot u, mijn meerdere, spreek, kan ik niet in de plaats treden van anderen; want u heeft die personen aan mij toevertrouwd, die ik tegenover anderen vertegenwoordig, maar zeker niet tegenover u, omdat u immers hen én mij vertegenwoordigt. Dat het evenwel gewoonte is om koningen en magistraten meervoud aan te bieden, moet op jou geen indruk maken. Want dat is het nu precies, wat mij ergert. Wie immers zou aan vorsten meervoud aanbieden op grond van het feit dat deze zelf meervoud gebruiken uit bescheidenheid. Dat is geen eer bewijzen maar vernederen en verachten, het is alsof vorsten niets vermogen zonder ondergeschikten. Als wij hun eerbied wilden betonen, zouden wij dat, wat zij zelf uit bescheidenheid doen, omwille van de eer vermijden. Want omdat de paus zichzelf 'dienaar der dienaren' noemt, daarom spreken wíj hem nog niet aan met dezelfde titel, maar in plaats van 'dienaar der dienaren' zeggen wij 'vader der vaderen'. In cesaris curiam quam primum migravi, magna me cupido incessit, tibi ut aliquid scriberem. sed veritus sum moderni seculi morem, cui nichil placet nisi quod est sui simillimum. omnes hodie fere, qui scribunt, quamvis unum alloquantur, numero utuntur plurali, tanquam multiplicando personas plus honoris adjiciant reverentioresque videantur. que consuetudo late in Germania patet et apud Italos aliquandiu viguit. at postquam Franciscus Petrarcha, omisso temporis sui squalore, priscam cepit eloquentiam imitari plerisque sic loqui placuit, ut castior etas locuta est veterum, venit ex Grecia posthec Manuel Chrysoloras, qui Constantie sepultus est, vir plurium litterarum, cujus majores, orti Rome, Constantinum magnum post translationem imperii Bizantium, que nunc Constantinopolis dicitur, secuti fuerunt. hic Italos, jam scabrosi et obvoluti sermonis penitentes, non plus tamen habentes luminis, quam Franciscus attulerat, ad veram eloquentiam reduxit, ita ut similis videatur hodie Italorum facundia illi, que Octaviani temporibus viguit, si quis Leonardum Aretinum, Guarinum Veronensem, Poggium Florentinum, Aurispam Siculum, Antonium Vicentinum et alios legeret, qui nunc vigentes apud Italos florent, in quibus et Tuliane fluvius eloquentie et lacteus Titi Livii Patavini rivus elucet. hi nunc eos, ad quos scribunt, singulari compellant numero, quia tam Grecos quam Latinos sic locutos fuisse commemorant, sicut Socratis et Demosthenis ac Ciceronis et Mecenatis epistole ad maximos viros scripte testantur. nec gentiles solum, sed eos, quos veneramur sanctos viros, imitari se dicunt, Hieronymum, Augustinum, Ambrosium, Gregorium, qui non solum homines sed ipsam divinam, que omnia nutu suo regit, majestatem adorsi sermonibus, preste (!), inquiunt, da, fac, concede, miserere, largire, qui tamen multo ornatius pluralitate uti novissent quam nos. sed visum est illis recte loquendi ducibus ornatum omnem atque leporem confundi, si, ut modo fit, locuti fuissent. his ego quoque consentio, nec meo nomine scribens, aliter quempiam compello ad te tamen daturus litteras quid agam subdubito veritus, ne tuorum hominum plus consuetudini tribuas quam meo judicio, et arbitraris forsitan regibus atque principibus non aliter rescribendum esse, quam ipsi prescripserint, quibus mos est uti pluralitate: mandamus, inquiunt, volumus, facimus, sed hoc quod ab humilitate traxit originem, nefas est ad jactantiam ducere. reges nanque cum scribunt, etsi dominatum habeant, ut quicquid eis placet, legis vigorem habeat ea tamen moderatione utuntur, cum scribunt, ut precipientes aliquid non se solos videri velint fecisse, sed cum aliorum consilio. nec te mereat, quod principes inferiores, scribentes superioribus, pluralem numerum tanquam superbie fomitem abjiciant, sicut ad cesarem imperii principem misse littere manifestant. scribit enim dux Mediolani: supplico, peto, rogo, me vestre majestati commissum facio. nam et hoc rationem habet aliam quam arbitrere, et quia inferiores potestates a superioribus derivantur, non ab re est pluralitatem deponi, cum inferior scribit, tanquam dicat inferior ad te loquens, o superior, aliorum vice uti non possum, quia tu illos mihi commisisti, quos erga alios represento, erga te minime, quia tu illos et me representas. quod vero regibus ac magistratibus consuetudo sit pluralitatem offerre, nichil te urgeat. nam id est, quod stomachabar modo. quis enim idcirco pluralitatem principibus dedat, quod ipsi ea propter moderationem utantur. non honorare hoc est, sed deprimere atque contempnere, tanquam nil ipsi sine subditis queant. quibus, si vellemus reverentiam impartiri, quod ipsi modeste faciunt, nos honorifice fugeremus. nec enim, quia Romanus pontifex servorum dei se servum appellat, idcirco nos sibi scribentes eundem sibi reddimus titulum, sed pro servo servorum patrem dicimus patrum.
Misschien vormen deze herhalingen een al te lange inleiding en hebben zij mij te ver van mijn doel verwijderd. Toch hoop ik ermee bereikt te hebben dat je óf mijn mening deelt óf mij vergeeft wanneer ik grote schrijvers volg en jou in het enkelvoud aanspreek. En als jij het om geen andere reden doet, dan zal althans jouw unieke welwillendheid en aangeboren menslievendheid jou daartoe aansporen. hec fortasse nimium longo sunt repetita principio, que me a proposito remotius abduxerunt. spero tamen his factum esse, ut vel mecum sentias, vel sequenti magnos auctores mihi des veniam, te singulariter alloquenti. quod si alia ratione non facies, tua saltem singularis benignitas et innata te monebit humanitas.
Nu moet mij van het hart wat de eigenlijke reden voor mijn brief is. Toen ik hier kwam aan het Koninklijk Hof van jouw oom, heeft men mij veel verteld over jouw voortreffelijke kwaliteiten. De een had het over jouw bijzondere welwillendheid, een ander over jouw buitengewoon fatsoen en bescheidenheid, een derde was vol lof over de bezonnenheid waarmee jij je leeftijd vooruit was; iemand anders weer benadrukte je vrijgevigheid en grote liefde voor wat rechtvaardig is. En wat men zelden aantreft bij prinsen van jouw leeftijd: men wees op jouw grote toewijding aan de Latijnse taal. Daarom begon ik jou te bewonderen en te waarderen en beschouwde het als iets buitengewoons dat bij een prins op jeugdige leeftijd zich al zoveel kwaliteiten manifesteerden. Toch geloofde ik niet zomaar en vertrouwde niet ieder woord; ik wendde me tot anderen, hoorde iedereen uit en ontdekte dat allen uit één mond spraken. Daarmee nog niet tevreden, kleefde ik aan jouw zijde, begaf mij als een spion onder het gezelschap van edelen en bespiedde, zolang jij me nog niet kende, je gedragingen. Ik lette op je optreden, je manier van spreken, je gelaatsuitdrukking. Niets ontsnapte aan mijn aandacht, ik zag je bescheiden manier van lopen, ik merkte je onberispelijke Latijn op. De werkelijkheid overtrof het gerucht, ik kon niet anders dan mijzelf geloven, ik verliet mij op mijn ogen en oren als getuigen van jouw kwaliteiten, waarvan ik de lofpredikant ben geworden, ik die er eerst de onderzoeksrechter van was geweest. En denk niet dat je een vleier hoort spreken. Vóór alles raad ik je juist aan heel dat volk van vleiers te mijden als de meest afschuwelijke pest en geen mensen méér te verachten dan hen die jou naar de mond praten, die jou in je bijzijn prijzen, die alles goedkeuren wat je doet, die nee zeggen waar jij nee zegt en waar jij ja zegt, ja zeggen. 'Zeggen zíj ja, dan zeg ík ja', zegt Gnato bij Terentius,(19) en bij Iuvenalis luidt het: 'Als hij zegt: "Ik heb het heet", dan zweet hij'.(20) Dat zijn mensen van het laagste soort die als geen ander vorsten ten onder brengen en in het ongeluk storten en voor wie jong en oud beducht moet zijn.

Nunc quid sit, quod maluerim scribere, absolvendum est. nanque eum in hanc patruelis tui cesaris curiam veni, multa mihi de tua prestanti virtute sunt dicta. alius benignitatem precipuam referebat, alius mirificam honestatem atque modestiam, alius prudentem ultra quam etas ferret te predicabat, alius te liberalem et justi amantissimum affirmabat, alius, quod raro inter hujus etatis principes reperitur, te Latini sermonis observantissimum commemorabat. quibus ex rebus et mirari te simul et amare occepi et tanquam monstrum putabam adolescentem principem tot virtutibus elucescere. non tamen statim credulus fui nec omni voci prebui fidem; accessi alios, percunctatus sum universos, reperi omnes uno ore loquentes. nec ista apud me satis, adhesi lateri tuo, et inter coronas nobilium tanquam explorator ingressus mores tuos, dum adhuc me ignorares, sum speculatus. attendi gestus, sermonem, vultum, nichil non perlustravi, vidi modestum incessum, Latinum incorruptum notavi. famam res ipsa vicit, non potui mihi non credere, sed oculos meos et aures, tuarum virtutum testes, admisi et earum factus sum predicator, quarum antea fueram inquisitor. nec me ista in assentatoris modum referre censeas. Ante omnia enim tibi suadeo, ut omne genus adulatorum quasi pestem teterrimam fugias, ut nullos homines magis detesteris, quam eos, qui tibi blandiuntur, qui te coram laudant, qui omnia que facis probant, qui ubi negas negant, et ubi affirmas. affirmant. ajunt, ajo apud Terentium inquit Gnato et Juvenalis, si dixerit estuo sudat. nam hoc est genus hominum pessimum, quod principes maxime dejicit et precipitat, timendum non solum adolescentie sed etiam senectuti.

Waarom ik jou echter zo openlijk heb aangeprezen, zal ik niet verzwijgen. Weliswaar glanzen in jou de deugden die ik heb aangeprezen, maar ik heb ze niet opgesomd, opdat je je erop beroemt, erover pocht, hoogmoedig wordt of opgeblazen. Mijn bedoeling is slechts dat je waakt over dat grote goed, die schat bewaart en vermeerdert, dat je je zo gedraagt dat jouw deugden toenemen met het vorderen van je leeftijd en jij steeds deugdzamer wordt en niet vervalt in de fout van anderen, die goed begonnen zijn, toen zij jong, en slecht geëindigd, toen zij oud waren. Zoals het spreekwoord luidt: een goed kuiken, een slechte hen. Want ík verlang dat je van een goede jongeling een uitstekend man wordt. En dat zal voor jou gemakkelijker te bereiken zijn, naarmate je beter bent opgevoed. Natuurlijk ben je vóór alles dank verschuldigd aan de doorluchtige vorst, jouw vader die meende dat jouw geest ontwikkeld moest worden, die voor jouw wetenschappelijke vorming heeft zorg gedragen, jou heeft voorzien van geleerde onderwijzers. Ontwikkeling vormt namelijk je rijkste bezit en een beter erfdeel dan de troon. Want rijkdom en macht en de eerbewijzen van deze wereld zijn geschenken van de Fortuin, wisselvallig, veranderlijk en onbestendig. Zij komen zoals zij wil, nu hier dan daar terecht. Zij speelt als het ware een spel met de mens, vernedert de een, verheft de ander. Het betekent voor haar niets om iemand van pottenbakker koning en weer van koning pottenbakker te maken. Zie de verzen van Iuvenalis:

 

De wil van de fortuin maakt je van redenaar consul,

dezelfde fortuin van consul weer redenaar.(21)

cur tamen te palam commendaverim, non tacebo. elucent sane in te, quas commendavi, virtutes, sed illas non retuli, ut glorieris, non ut te jactes, superbia vel infleris. solum hec scribo, ut custodias tantum bonum, ut serves et amplifices hunc thesaurum, ut sic te habeas, quod virtutes tue cum etate crescant et fias in dies virtuosior ne in vitium aliquorum incidas, qui boni fuerunt juvenes et pessimi senes, et ut est in proverbio: bonus pullus, mala gallina. ego enim cupio, ut ex bono adolescente fias vir optimus. quod eo tibi facilius erit, quo melius es nutritus. et sane debes ante omnia genitori tuo, clarissimo principi, grates referre, qui tuum animum excolendum putavit, qui te sub disciplina tenuit et preceptores tradidit eruditos. hec enim amplissima est supellex et hereditas quam principatus melior. opes enim et potentatus et hujus honores seculi bona fortune sunt, fluxa, mutabilia, caduca, que ut fortuna vult huc atque illuc feruntur. illa enim mortale genus quasi in ludo habet, et hunc deprimit hominem, hunc exaltat. nec ei magnum est ex figulo regem et rursus ex rege figulum facere. hinc Juvenalis versus: si fortuna volet fies de rhetore consul, si volet hec eadem, fies de consule rhetor.
Toen Alexander de Grote Indië had onderworpen wilde hij zijn macht tonen en verhief een tuinman tot koninklijke waardigheid. Diocletianus(22) echter ontdeed zich als wereldheerser van het purper en de tekenen van zijn macht en wijdde zich aan het besproeien van groente en het planten van bomen in zijn tuinen. Geestelijk bezit evenwel, matigheid, kuisheid, moed, rechtvaardigheid, bescheidenheid, begrip, inzicht en geheugen, is als door een vaste band met de mens verbonden en kan ons slechts mét het leven worden ontnomen. Dat is ons ware bezit, dat maakt, zolang wij van het licht op aarde genieten, ons leven aangenamer en geeft ons, wanneer wij uit deze wereld vertrekken, hoop op eeuwig geluk.

Nu de natuur dus deze gaven aan jou heeft gegund en zij door de zorg van jouw vader tot ontwikkeling zijn gebracht, zou ik je graag willen inprenten het goede in jou te bewaren. Een eerste vereiste daarvoor is, naar mijn oordeel, de studie van de letteren.(23) Een begin daarmee heb je al gemaakt. Het lijkt echter dat jij deze studie nu van je hebt afgeworpen, alsof het een juk is. Daarom is het goed om te proberen je tot haar terug te voeren. Vorsten namelijk leren talen niet, zoals sommigen menen, om door beheersing van het Latijn met buitenlanders te kunnen verkeren. Dat is wel een voordeel, maar er bestaat ook een andere, edeler reden: het ontwerp van een goed leven is geheel gebaseerd op de studie van de letteren. Juist om die reden is het nuttig daar kennis van te hebben. Slechts het begin te proeven zonder verdere voortgang is niet voldoende. Toch laten de vorsten van deze tijd haar meestal over aan filosofen en rechtsgeleerden, alsof het vorsten niet past om goed te leven.

magnus Alexander subacta India ut quantum posset ostenderet, ortulanum quendam ad regni fastigium erexit. Diocletianus vero, cum orbis haberet imperium, deposita purpura et fascibus, rigandis ortorum oleribus et plantandis arboribus operam prebuit. at animi bona, que sunt continentia, castitas, fortitudo, justitia, moderatio, intellectus, ingenium, memoria, stabili quodam nexu adherent homini nec aufferri a nobis nisi cum vita possunt. hec vere nostra sunt bona, hec dum luce inter mortales fruimur, vitam prestant suaviorem, postquam migramus ex hoc seculo, spem dant felicitatis eterne. cum ergo has dotes natura tibi concesserit, et parentis cura in te illas auxerit, monitum te esse volo, ut serves bonum, quod est in te. ad quam rem maxime necessarium censeo litterarum studium quo jam initiatus existis. quia tamen jam illas videris quasi aliquid jugum abjecisse, non erit ab re, si te ad eas coner reducere. non enim, ut aliqui arbitrantur, idcirco principes discunt litteras, ut Latinum scientes participare cum alienigenis queant. nam etsi hoc frugi est, alia tamen nobilior ratio est. quoniam enim omnis bene vivendi norma litterarum studio continetur, ideo illas expedit novas. nec sat est imbibisse principia nisi et ultra progresaus fiat. seculi tamen principes nostri plerumque illas ad philosophos relegant aut juris interpretes, tanquam principes non deceat bene vivere.
Ik bid je dus geen acht op hen te slaan, aangezien niemand een beroemd man of vermaard vorst kan worden, als de gaven van de natuur bij hem niet gepaard gaan met wetenschappelijke kennis. Alle vorsten inderdaad die in voorgaande eeuwen beroemd zijn geworden, hebben zich verdiept in de geesteswetenschappen. Toen Alexander geboren werd, was Philippus van Macedonië verheugd een zoon te hebben in een tijd dat Aristoteles van zich deed spreken. En Alexander keerde de wetenschap niet de rug toe toen hij zo oud was als jij nu, maar hij nam bij zijn vertrek naar Azië Aristoteles en Callisthenes(24) als leermeesters mee en liet niet achterwege om te midden van wapengekletter en strijdgewoel te luisteren naar de filosofie. Voorwaar een gelukkig man, als hij zich tenminste had weten vrij te houden van alcoholmisbruik.(25) Alcibiades(26) en Themistocles,(27) beroemde Grieken, hebben zich verdiept in de filosofie. De Thebaan Epaminondas,(28) die beschouwd werd als de eerste van Griekenland, wijdde zich evenzeer aan de letteren als aan de wapens. Ik ga over op de Romeinen. Wat is eleganter, wat welsprekender geschreven dan de Gedenkschriften van Julius Caesar(29)? Want toen hij oorlog voerde in Gallië, wijdde hij zich overdag aan de strijd, 's nachts aan de letteren. Zijn erfgenaam Augustus was bedreven in het voordragen van vloeiende redevoeringen en gedichten, er zijn nog zeer elegante verzen van hem over waarin hij de Aeneis prijst. Moet ik mensen als Fabius,(30) Cornelius(31) of Cato(32) vermelden? Moet ik Pompeius(33) noemen die de wetenschap zo was toegedaan, dat hij zelfs als consul niet verzuimd heeft de zieke filosoof Posidonius(34) op het eiland Rhodos te bezoeken? Cato was doorkneed in de Latijnse letteren, maar koesterde lange tijd minachting voor het Grieks. Later kreeg hij spijt van zijn vooringenomenheid en begeerde als grijsaard te doen wat hij als jongeman had versmaad. Hij aarzelde niet zijn oude dag onder te dompelen in een vreemde taal en zijn mond te dwingen naar de kronkels van het Grieks. Goed gezien van deze mannen die, hoewel zij machtig waren en over volkeren heersten, toch de wetenschap wilden dienen. Zij kenden die prachtige uitspraak van Plato,(35) die wordt aangehaald bij Cicero en Boethius,(36) dat staten geluk hebben als zij bestuurders treffen die zich toeleggen op wijsheid. En deze put men ongetwijfeld uit de bronnen van de wijsbegeerte. Nu denk jij misschien dat, wat over de Ouden geschreven is, op fantasie berust: zij zouden zich vol ijver in hun vrije tijd op werk en tijdens hun werk op vrije tijd hebben toegelegd. Van die veronderstelling kunnen enkele mannen van deze tijd je genezen, die, ook al staan zij aan het hoofd van de staat en geven leiding aan zeer moeilijke taken, toch de wetenschappen niet verwaarlozen. Markies Leonello d'Este(37) schrijft zo elegant dat je geen verschil ziet tussen zijn geschriften en die van Cicero. Hetzelfde zegt men van de markgraaf van Saluzzo. De zonen van de markies van Mantua(38) hanteren de wapens en wijden zich aan de literatuur. Koning Alfons van Aragon,(39) aan wie Sicilië onderworpen is en dat deel van Italië gehoorzaamt, dat eens Groot-Griekenland genoemd werd, die na dikwijls overwonnen te zijn uiteindelijk overwonnen heeft en tegenslag in succes heeft doen verkeren, deze man is nooit zonder zijn boeken in het legerkamp. Hij heeft zijn bibliotheek altijd bij zich, waarheen hij ook gaat. Of hij nu in een huis vertoeft of in een tent verblijft, iedere dag leest hij wel wat of laat zich voorlezen. Oro igitur te, ne his auscultes, quoniam nemo in clarum virum aut famosum principem potest evadere, nisi cum nature dotibus adjunctam habeat doctrinam. omnes sane, qui superioribus seculis claruerunt, principes studiosi litterarum fuerunt. Philippus Macedo Alexandro nato gavisus est, quod eo tempore filium habuisset, quo florebat Aristotiles. nec Alexander hac, qua tu nunc es, etate litteras a se relegavit, sed profectus in Asiam Aristotelem et Calistenem magistros secum duxit, nec audire philosophiam inter armorum strepitus ac tumultus cessavit. felix nimirum, si vitio vinolentie caruisset. Alcibiades et Themistocles, qui apud Grecos illustres habentur, studiosi fuerunt philosophie. Epaminundas Thebanus, qui Grecie princeps est habitus, non minorem litteris quam armis operam tribuit. transeo ad Romanos. quid limatius, quid eloquentius scribi potest quam ea commentaria, que Julius Cesar de se condidit? is enim, cum in Gallia bellum gereret, diem armis, noctem litteris dabat. heres ejus Augustus et orationem solutam et  carmen optime dictavit extantque adhuc ejus elegantissimi versus in Eneidos laudem. quid Fabios, Cornelios aut Catones referam? quid de Pompejo dicam, qui tam affectus litteris fuit, ut egrotantem Possidonium philosophum, quamvis consul ipse foret, non omiserit in Rhodo visitare. Cato, cum esset Latina plenus doctrina, litteras Grecas diu contempsit, postea propositi penitens, quod juvenis sprevit, senex concupivit nec dubitavit, senium suum litteris peregrinis imbuere et ad Grecam volubilitatem os contorquere. recte hi quidem, qui etsi principatum haberent dominarenturque populis, servire tamen litteris voluerunt. sed norant illi Platonis vocem, que dicta divinitus cum a Cicerone tum a Boetio refertur. beatas scilicet fore res publicas, si rectores earum studere sapientie contigisset, que sapientia haud dubium ex philosophie fontibus hauritur. tu tamen fortasse fabulosa reris, que de antiquis sunt scripta, qui et in otio negotium et in negotio otium diligenter referuntur curasse. sed hanc opinionem possunt tibi aufferre nonnulli viventes, qui etsi rei publice presint, et munera regant arduissima, disciplinas tamen non negligunt. Leonellus, marchio Extensis tam eleganter scribit, ut nichil inter ejus et Ciceronis litteras putes distare. sororia de marchione Salutiarum dicuntur. marchionis Mantue filii et arma tractant et litteras colunt. Alfonsus, Aragonum rex, cui et Sicilia paret et illa Italie para obedit, que olim magna Grecia dicebatur, qui totiens victus tandem vicit et adversam fortunam in favorem sui convertit, nunquam in castris est sine libris. quocunque it et bibliotheca sequitur. sive in tectis est sive in tentoriia manet, singulis diebus aut legit aliquid aut audit.
Ik verlaat Italië en begeef me naar de Britten die volkomen gescheiden leven van de rest van de wereld: daar heb je de hertog van Gloucester, die het koninkrijk dat wij tegenwoordig Engeland noemen, meerdere jaren beheerd heeft. De literatuur ligt hem zo aan het hart dat hij uit Italië leraren heeft laten komen, die gespecialiseerd zijn in de uitleg van dichters en redenaars.(40) Je ziet dus dat ook deze eeuw geletterde vorsten toelaat. Ook jij zult tot hen gerekend kunnen worden, als je de studie waaraan je begonnen bent, voortzet. Immers dat je Latijn spreekt is nog geen reden om je geletterd te noemen. Want al is dat mooi, het is ook aan raven en eksters gegeven. Toen Octavianus na zijn overwinning op Antonius(41) terugkeerde, werd hij door een raaf die men Latijn had geleerd, toegesproken met 'Salve, Caesar Imperator Augustus'. Vandaar die woorden van (42) Persius:

 

 

Wie heeft de papegaai zijn 'chaere'(43) bijgebracht

en leerde eksters onze woorden te proberen?



En hij voegt er de oorzaak bij:

 

De meester van de kunst en schenker van vernuft,

de maag.......

egredior Italiam et penitus toto divisos orbe Britanos petam; ibi dux est Clocestrie, qui regnum, quod modo Anglicum dicimus, pluribus annis gubernavit. huic tanta litterarum est cura, ut ex Italia magistros asciverit, poetarum et oratorum interpretes. videsne, quia et hoc seculum principes litteratos admittit? inter hos et tu poteris nuerari, si quod cepisti studium, fueris prosecutus. nec enim ideo litteratum te dicam, quod Latine pronunties. nam etsi hoc pulcrum est, corvis tamen et picis datur. victo Antonio cum rediret Octavianus, Latinum corvus edoctus, salve, inquit, auguste cesar imperator. hinc Persianum illud: quis expedivit psitaco suum chere picasque docuit nostra verba conari et addit causam, magister artis ingeniique largitor venter.
Wanneer je als jongeman bezoekers uit Hongarije, Italië of Frankrijk die Latijn spreken kunt volgen, terwijl oudere toehoorders er als doven bij staan, maakt dat een zekere indruk. Geletterd evenwel - en dat is pas echt van waarde - zal ik je noemen wanneer je redenaars begrijpt, wanneer je wijsgeren leert kennen en op eigen kracht je weg vindt in dichters. Misschien lijkt dit jou een grote en te moeilijke opgave. Dat is het volstrekt niet. Ik wil niet dat je dag en nacht met boeken in de weer bent, van iedere dag vraag ik maar één uur van je om aan literatuur te besteden. quid tamen tibi videtur, cum venit Hungarus aut Italus aut Gallicus Latineque fatur, cum tu adolescens illos intelligas, alii senes tanquam surdi audiant. pulcrius tamen erit et tunc te litteratum vocitabo, cum oratores intelliges, cum philosophos nosces, cum poetas tuapte percurres. hoc tibi fortasse grande videtur et arduum nimis. haud sic est. nolo te noctes diesque libros volvere sed unam dumtaxat cujusque diei horam exposco, quam litteris prebeas.
Wees er echter op bedacht dat de man, naar wie je luistert, geleerd en de leraar die je kiest, wijs is, en laat je niet misleiden door ijdel vertoon van titels. Want iemand is daarom nog niet geleerder omdat hij een magister titel in Parijs of Athene verworven heeft. Deskundig is hij die krachtens zijn natuurlijk talent met wakkere aandacht de vooraanstaande auteurs uit de Oudheid heeft doorvorst, die veel boeken heeft gezien en gelezen en het meeste ervan in zijn geheugen heeft geprent, iemand die niet alleen de geestelijke maar ook de wereldlijke literatuur in zich heeft opgenomen. Eén van hen zou ik aan jouw zijde willen zien, met wie je naar eigen behoefte kunt praten, die de tijd om je te onderwijzen niet zelf zal kiezen maar van jou laat afhangen, die voorleest als jij dat wil en, als jij niet wil, zwijgt. Het zal aan jou zijn om te bepalen hoeveel per dag je iets in je wilt opnemen. Nadat je je twee jaar lang aan deze levenswijze gehouden hebt, zul je tot je verwondering merken dat je meer winst uit lezen hebt gegaard dan wanneer je er een provincie bij had gekregen. Dat je huis vol is met soldaten, waardeer ik. Zij immers zijn het die het vaderland beschermen en het is eervol dat een vorst van zich doet spreken door wapenfeiten. Dat echter geen enkele geleerde jou terzijde zal staan, kan ik niet waarderen en goedkeuren. Want zoals jij soldaten de kost geeft zou je ook leraren kunnen onderhouden die de klassieke auteurs onderwijzen, om jou het onderscheid tussen recht en onrecht en de grenzen daarvan duidelijk te maken en je te vormen tot een in alle opzichten volmaakt man. Het siert je niet om vorsten na te volgen die uit zuinigheid geleerden buitensluiten, maar wel leeuwen te eten geven. Op hen zijn de woorden van Iuvenalis(44) van toepassing:

De ongelukkige Numitor heeft niets om aan zijn vriend te sturen.

Voor Quintilla heeft hij wel genoeg in kas en

om een getemde leeuw te kopen die veel vlees verslindt.

En ironisch laat hij daarop volgen:

Het beest kost natuurlijk minder

en een dichter heeft de grootste maag.

Illud autem cure tibi esse volo, ut doctus sit, quem audias, et prudens, quem sumas magistrum, nec te vana titulorum ambitio fallat. non enim propterea doctior est aliquis, quod magisterii nomen aut Parisius est aut Athenis sortitus. ille autem peritus est, qui naturali preditus ingenio vigili cura perscrutatus est magistros artium auctores, qui cum multa viderit atque legerit librorum volumina, tum memorie plurima commendaverit, qui non solum divinis litteris sed etiam secularibus sit imbutus. ex his unum apud te vellem degere, quocum pro tuo loquereris arbitrio, qui tempus docendi non ex se sumeret, sed tua ex voluntate, qui cum velis legat, cum nolis taceat. sed tuum erit, quot diebus velle aliquid. nanque postquam biennio hunc modum servaveris, nimirum plus te lucri ex lectione corrasisse putabis, quam si provinciam aliquam vis adeptus. ego quidem laudo edes tuas militibus plenas esse. hi enim sunt, qui tutantur patriam et decorum est armorum gloria principem eminere. sed nullum apud te fore virum doctum nec laudo nec probo. sicut enim milites pascis ita et doctrinarum institutores nutrire posses, qui te justi et injusti differentias et limites edocerent virumque redderent ex omni parte perfectum. non decet te illos sequi, qui, ut sumptus minuant, doctores excludunt, leones tamen pascunt, sicut est illud Juvenalis: e non habet infelix Numitor, quod mittat amico, Quintille quod donet, habet, nec defuit illi, unde emeret multa pascendum carne leonem jam domitum. et ironice subjungit: constat leviore belua sumptu nimirum et capiunt plus intestina poete.
Kies daarom een man van grote eruditie en bezuinig niet op uitgaven waaruit enorm gewin zal voortvloeien. Wat voor winst, vraag je misschien? Ik zal het je in enkele woorden beschrijven, opdat je het nut van de literatuur niet onderschat.
Tot volwassenheid gerijpt zul je er eer mee inleggen en zul jij ermee winnen dat de overigen zwijgen, wanneer jij in de raadszitting het woord voert, omdat jij meer inzicht toont dan allen samen. Niemand zal jou om de tuin kunnen leiden, niemand zal iets durven aanmerken als juist of onjuist zonder zijn bewering waar te maken. Iemand die het waagt iets oneervols te adviseren zul jij terstond met redenen weerleggen. Als je het volk wilt toespreken, zal de literatuur je de juiste woorden in de mond geven; wil je iemand prijzen of berispen, Quintilianus en Cicero zullen je leraren zijn. Moet je een oorlog voeren en gewapend optreden, Vegetius(45) zal je de weg wijzen en Livius, Quintus Curtius(46) en Justinus,(47) Lucius Florus,(48) Suetonius(49) en Sallustius Crispus(50) en een hele schare geschiedschrijvers. Door hen zul je de dapperheid van Alexander de Grote leren kennen, de slimheid van Hannibal, de bedrevenheid van Fabius,(51) de schranderheid van Scipio, de krijgstucht van Julius Caesar, de onverschrokkenheid van Sertorius(52) en Marcellus,(53) de sluwheid van Jugurtha(54) en de eigenschappen van alle andere veldheren. Nooit zul je zoveel door eigen ervaring ontdekken als je zult leren door te lezen. Als je wilt weten hoe men een staat bestuurt, lees het werk van Aristoteles over de politiek,(55) dat door Leonardo van Arezzo(56) in het Latijn is vertaald. Gebruik in geen geval een oude vertaling, omdat die het taalgevoel schaadt en de geest te zeer afmat. Voor het besturen van je huis en als leidraad voor jezelf zullen de economische en ethische geschriften van Aristoteles van nut zijn,(57) evenals het boek Over de Plichten van Cicero(58) en de Brieven van Seneca(59) en al zijn overige werken. Hoe men leiding geeft aan zijn vrouw heeft de Venetiaan Francesco Barbaro(60) beschreven, de opvoeding van kinderen Plutarchus.(61) Over de omgang met vrienden en hoe zich te gedragen op oudere leeftijd, kan men lezen bij Cicero uit Arpinum.(62) Ook heeft hij in zijn Discussies te Tusculum(63) geschreven over de verachting van de dood en andere affecten. Deze schrijvers en later ook Macrobius(64) gaan uitvoerig in op de vraag van de keuze voor morele kwaliteit. Wil je de landbouw leren kennen, Vergilius zal met zijn Georgica(65) je raadsman zijn. Wil je de aarde verkennen met de ogen van de geest en inzicht krijgen in de ligging en zeden van de verschillende landen, wat iedere streek wel en niet opbrengt, laat Plinius je gids zijn met zijn Natuurlijke Historie,(66) en Solinus(67) en Isidorus van Sevilla.(68) Wil je de sterren en de loop der planeten bestuderen, de oorzaak van hagel, regen en bliksem leren kennen, keer terug tot Aristoteles, Seneca en Vergilius. Wil je de gedragingen van vorsten en de hooghartigheid van heersers doorgronden, volg Seneca in zijn tragedies.(69) Wil je met het gewone volk, met snoevende soldaten kennis maken, met de listen van koppelaars en de bedriegerijen van slaven, zodat je die uit de weg kunt gaan, neem dan Plautus en Terentius(70) ter hand. Wil je leren hoe je scherp moet hekelen, Horatius,(71) Iuvenalis(72) en Persius(73) staan voor je klaar. Wil je zien hoe herders leven, neem het Bucolische werk van Vergilius.(74) Wil je volksverhalen, feestkalender, klaagzangen, liefdesbrieven en heelmiddelen tegen de liefde kennen, Naso zal je met zijn verzen onderrichten.(75) Ook Statius(76) is nuttig vanwege zijn Thebais en Achilleis met een overvloed van gewichtige uitspraken. Als volgende stap op weg naar volmaaktheid past het je te bezinnen op een godsdienstig leven en op je zielenheil en de werken van Hieronymus te lezen en Augustinus, Ambrosius, Gregorius, Lactantius, Cyprianus en Leo.(77) De Heilige Schrift zul je altijd in huis hebben en soms in het Oude, soms het Nieuwe Testament lezen. Als iemand van buiten Italië dit las, zou hij het ten zeerste afkeuren dat ik Thomas van Aquino(78) niet noem als verplichte schrijver, of Alexander van Ales(79) en Albertus Magnus,(80) Peter van Blois(81) en Nicolaus de Lyra,(82) Alanus(83) en heel die schare van nieuwe auteurs. Luister vooral niet naar hen, want al zijn ze nog zo geleerd, anderen iets leren kunnen zij niet. Ik raad je dat aan wat ik als juist beschouw en zeg niet zomaar iets, de meest deskundige mannen uit Italië heb ik aan mijn zijde. Geloof me, men moet niet iets leren om dat later weer af te leren, scherp je geest liever aan de hand van beproefde auteurs. Want wij moeten ons steeds op het beste richten als voorbeeld ter navolging. Volg daarom hen die ik hiervoor genoemd heb, lees en luister naar hen, als je wilt dat men je beschouwt als iemand die van veel zaken verstand heeft en een vorst zonder weerga op aarde die bewondering verdient. Toch mag dit geen reden zijn om de omgang met mensen te mijden. Ik wil niet dat je de eenzaamheid verkiest, behalve als je iets wilt overpeinzen en je voor enige tijd geestelijk wilt afzonderen. Integendeel, ik raad je om aanspreekbaar te blijven en voor ieder toegankelijk, je te laten zien, het woord te richten tot menigeen, raadszittingen bij te wonen, openbare bijeenkomsten te bezoeken, je publiekelijk te vertonen en de menigte toe te spreken. Want ik weet dat het nuttig is kennis die men in de wetenschap verworven heeft in de praktijk te testen. Voor mensen die zo gefixeerd zijn op de wetenschap dat zij al het overige geringschatten heb ik geen waardering. Democritus(84) en Diogenes(85) bijvoorbeeld leefden, zoals bekend, uitsluitend voor zichzelf. Alle eer en lof geldt mannen die zich zonder de wetenschap te verwaarlozen hebben ingezet voor het algemeen belang, zoals Plato en Aristoteles, Demosthenes en Julius Caesar, Cicero en Plinius, Mecenas en Augustus. Wat zij uit de wetenschap hadden geput pasten zij toe bij het besturen van de staat. Jij zult hetzelfde doen als je een uitstekend vorst en mens wilt zijn. Je zult aan de wetenschap en aan de staat de tijd besteden die aan beide toekomt. Nu eens zul je recht spreken, dan weer raadszitting houden, gewapend optreden of omzien naar je familiebezit. Bij dat alles zul je de waarde van de wetenschap ervaren en door het nut van vrije tijd te verenigen met het profijt van je bezigheden zul je bij ieder een geweldig vertrouwen wekken en alom bewondering oogsten als de beste of een van de beste vorsten.(86) De indrukwekkende glans van jouw schoonheid, gouden gewaden en een kunstige haartooi, een pronkend stel paarden, dat alles zal jou niet zoveel eer verlenen als het sieraad van de wetenschap en de faam van je deugden waarvan het gelaat, kon men dat zien, schoner straalt, om met Aristoteles te spreken, dan de Morgenster of de Avondster.(87) Het vuur daarvan, schijnt mij, is al vanzelf in jou ontvlamd. Want toen onlangs jouw onderdanen uit Tirol Zijne Koninklijke Hoogheid kwamen smeken jou te benoemen tot regent over hun provincie, heb jij gezegd: "Ik heb nog niet de rijpheid om mijn vaderland te besturen." Een waardige uitspraak uit jouw mond die het verdient bij iedere leeftijd bijval te vinden. Want bij iedere opdracht is het goed om na te gaan wat onze schouders kunnen dragen en waarvoor ze te zwak zijn. Het zal ons pas goed vergaan als de last overeenkomt met onze krachten.(88) De woorden van Bias: "Het ambt toont de man",(89) kunnen wij met het volste recht nazeggen van de heerschappij: een heerser die matiging betracht, is meer aan goden gelijk dan aan mensen. Want in armoe beheersing betrachten valt niet zwaar, maar het is moeilijk, zoals Martialis zegt, zijn gedrag niet op te offeren(90) aan rijkdom. Heerschappij biedt volop gelegenheid tot zondigen: verleiding tot zwelgen is voorhanden:(91) wijn in overvloed, een keur van uitgelezen spijzen overal vandaan en de luister van een goed voorziene dis, om met Lucanus te spreken.(92) Mooie vrouwen die met ogen, met woorden, met kussen en omhelzingen hart en zinnen van jongemannen betoveren. Verleiders, vleiers, grappenmakers, toneelspelers die van alle kanten de vesting der jeugd proberen te veroveren. De een prikkelt de hebzucht en bestempelt rechtvaardigheid als koopwaar. 'Begin eraan', zegt hij, 'en doe er je voordeel mee. Wie geeft is een vrijgevig mens en heeft veel om te geven.' Een ander roept op tot toorn: 'Sempronius heeft jou kwaad gedaan, trek je zwaard en wreek die misdaad. Zul jij als vorst onrecht verdragen dat je niet eens als gewoon mens ongestraft zou laten?' 'Een mooie vrouw',zegt een ander, 'bemint je en sterft van liefde voor jou. Waarom zou jij je niet over haar ontfermen en medelijden hebben met het meisje en samen plezier maken?' 'Laten we op jacht gaan,' zegt een sterke kerel, 'waarom verstijf je? De kudden van herten en wilde zwijnen zijn ingesloten, ik zal je een mooi schouwspel bieden. Kom, laat de ouderen zich bekommeren om de staatszaken, vermaak jij je zolang het daarvoor de tijd is.' En zij die in het paleis leven zeggen: 'Wat staat u daar, vorst, het maal is opgediend en wordt al koud, kom aan tafel nu de steur nog warm is en de haas dampt. De kreeft is voortreffelijk, er is wild zwijn en boleten. Wat staat u daar, waarom afzien van zoveel genot?' Velen verleiden tot ondeugd, weinigen tot deugd. Wat zal een jongeman doen wiens leeftijd nog te weinig houvast geeft en wiens geest van nature geneigd is tot genot? Een volwassen mens is nauwelijks in staat aan zoveel vleierij het hoofd te bieden, laat staan een jongeman. Een vorst, hoor ik zeggen, heeft een Raad, ouderen staan hem bij om juist te handelen. Zij zullen in de eerste plaats het nationaal belang in het oog houden. Dat mag waar zijn, toch zijn allen die een vorst omringen erop uit hem tot vriend te maken en in de Raad zeggen zij niet wat zinvol is, maar wat een aangename indruk maakt. Ieder doet zijn best zich het meest geliefd te maken, niemand laat zijn hart vrijuit spreken.(93) Ook al geeft een deel goede raad, een jongeman staat het vrij te volgen wie hij wil. Omdat hij geen ervaring en nog weinig gevoel voor verantwoordelijkheid heeft, laat hij zich niet leiden door wat nuttig is maar wat hem het meest aanstaat. In mijn ogen dient een vorst of rijp te zijn en vertrouwen te hebben in eigen beslissing, of zo jong dat hij, als iemand die gehandicapt is, niet over eigen vermogens beschikt en het advies van de meerderheid ten uitvoer wordt gebracht. Want wie iets weet maar niet voldoende kundig is, vormt een gevaar voor de staat en veroorzaakt dikwijls de ondergang van heel het rijk, omdat hij niet met verstand maar naar willekeur regeert. Daarom treffen wij in de Boeken der Koningen een achtjarige jongen aan die goed heeft geregeerd of was deze Joas, zoon van Ahazia,(94) zeven jaar oud? Want niet hijzelf regeerde, maar zijn oversten bestuurden het rijk.
sume igitur tibi grandis doctrine virum nec parcas expensis, ubi ingens redundat emolimentum. queris fortasse quod emolimentum? edicam paucis, ne litterarum utilitatem contempnas. postquam enim viriles attigeris annos, hoc tibi honoris et commodi erit, ut te in consilio loquente ceteri sileant, cum tu unus plus omnibus sapias. nemo te decipere poterit, nemo dicere audebit hoc equum et hoc iniquum, nisi verum id esse manifeste cognoverit. si quis presumpserit inhonesti aliquid suadere, presto eris rationibus confutare. si affari volueris populum, quo pacto loquendum sit, littere te instituent; si aut laudare aliquem aut vituperare volueris, et Quintilianus et Cicero te docebit; si bellum suscipiendum erit et armis opera danda, Vegetius modum ostendet et Livius et Quintus Curtius et Justinus et Lucius Florus et Suetonius et Salustius Crispus et historicorum cuneus, in quibus et Alexandri magni fortitudinem et Anibalis caliditatem et Fabii versutias et Scipionis prudentiam et Julii Cesaris disciplinam militarem et Sertorii ac Marcelli audaciam et Jugurte sagacitatem et omnium, qui res bellicaas gesserunt, artes invenies. nunquam tam multa expereundo videbis quam multa legendo perdisces. si quomodo rem publicam gubernes scire volueris, legendi erunt tibi politicorum libri, quos Aristotiles composuit et Leonardus Aretinus Latinos fecit. veterem autem translationem tibi nequaquam assumes, quia et eloquentiam vitiat et intellectum nimis vexat. ad regendam familiam et teipsum utilis erit economica ethicaque Aristotelis, tum de officiis Cicero et epistole Senece omnesque libri ipsius. quomodo regenda sit uxor scripsit Franciscus Barbarus Venetus, quomodo liberi educandi Plutarchus. quomodo te cum amicis habere debeas et quomodo in senectute Arpinas Cicero. idem quoque de mortis contemptu aliarumque passionum scripsit in Tusculanis. morales virtutes quomodo amplectende sint, et hi, quos modo retuli, auctores et post eos Macrobius facunde tradiderunt. vis agriculturam cognoscere, Virgilius Georgicorum te admonebit; vis orbis situm mentis oculis perlustrare et diversarum provinciarum vitas ac mores intueri, et quid queque regio ferat et quid queque recuset, assit Plinius de naturali historia, assit Ptolomeus,Solinus, Isidorus Hispalensis; vis celi sidera et planetarum cursus et grandinis et pluviarum et fulminis causas scire, ad Aristotelem redito, Senecam, Vergilium; vis regum mores et fastidia principantium perscrutari, secundum Senecam in tragediis legito; vis plebeos homines et milites gloriosos et lenonum insidias et servorum deceptiones, ut evitare illas possis, intelligere, Plautum tibi et Terentium assumito; vis quomodo fulminanda sint vitia edoceri, Oratius, Juvenalis et Persius in promptu sint; vis pastorum consuetudinem cernere Bucolicon Virgilianum habeto; vis fabulas gentium et fastos et tristium miserias et amantium epistolas et amoris remedia nosse, Naso te versibus erudiet. nec Statius Thebaidos vel Achileidos inutilis erit, sententiis gravibus ubique refertus. post hec vero, ut fias perfectior, et cum de religione cogites, tum de salute anime Jeronimi libros evolves, Augustini, Ambrosii, Gregorii, Lactantii, Cypriani, Leonis. scripturam sacram semper domi habebis et nunc vetus nunc novum intueberis testamentum. hec que nunc scribo, si quis extra Italiam doctus legeret, me maxime argueret, quod inter auctores legendos non numeraverim Thoman Aquinatem aut Alexandrum de Ales vel magnum Albertum vel Petrum Blesensem et Nicolaum de Lira et Alanum et hanc novorum turbam. sed tu cave, ne istos audias. nam etsi docti sunt docere tamen alios nequeunt. ego tibi id suadeo, quod per me rectum puto nec sompnio, sed viros totius Italie peritissimos in hanc sententiam habeo concurrentes. crede mihi, nichil discendum est, quod dediscere oporteat, sed illis in auctoribus te exerce, qui sunt probatiores. suscipere nanque semper optima debemus ad imitandum. tu ergo hos sequeris, hos audies hosque leges, quos tibi prenominavi, si vis et multarum rerum scius et princeps toto in orbe singularis et mirandus haberi. interveniendum tamen non suadeo, ut conjunctus hominum fugias. nec te solitarium esse volo, nisi cum meditari aliquid volueris et in secessum mentis progredi ad aliquod tempus. imo suadeo, ut sis affabilis, ut communis omnibus, ut te videndum prebeas, ut nunc hos nunc illos alloquaris, ut consilia ingrediaris, ut conciones adeas, ut populo te exhibeas et per te loquaris. scio nanque frugi esse, que homines litteris didicerint, experimento comprobari. nec ego hos homines laudo, qui sic se litteris dedunt, ut res ceteras parvi faciant, qualem fuisse Democritu Diogenemque constat, qui sibi dumtaxat vixerunt. illi sunt omni laude et preconio digni, qui et rei publice servierunt et litterarum studia non omiserunt, ut et Platonem et Aristotelem et Demosthenem et Julium et Ciceronem et Plinium et Mecenatem et Augustum. hi nanque, quod ex litteris hauserant, in administranda re publica exercebant. idem et tu facies, si vir et princeps optimus esse volueris: litteris suum tempus et suum rei publice dabis. nunc judicium facies, nunc tenebis consilium, nunc arma tractabis, nunc rem familiarem conspicies et in his omnibus, quid littere valeant, experieris et otii utilitatem cum negotii commodo conjungens miram omnibus de te spem facies et vel soliis vel cum paucis orbe toto mirandus habeberis princeps. nec tam splendor forme tue, qui est egregius, nec vestes auree aut ornatus crinium et equorum pompa tantum te honestabit quantum ipsarum decor litterarum et virtutum fama, quarum facies, si videri posset, ut Aristoteles inquit, pulcrior est quam Lucifer aut Hesperus. ad hec autem sicuti mihi videtur, jam tuapte incensus es. cum enim subditi tui nuper ex Athesi venientes majestati regie supplicaverunt, ut te ad regendam provinciam mitteret, non sum, dixti, adhuc adeo maturus, ut gubernare patriam possim. digna vox, que tuo progreditur ex ore et quam omnis laudatura sit etas. convenit enim, quid ferre recusent et quid valeant humeri, quemlibet meditari, cum aliquid est gerendum, quia cui lecta potenter erit res hic demum recte se habebit. nam quod Bias ait: magistratus virum ostendit, nos rectissime de principatu dicemus, in quo, qui moderationem servat, diis est quam hominibus similior. nec enim arduum est in paupertate servare continentiam, sed ut Martialis ait, difficile est opibus non tradere mores. magna peccandi facultas sequitur principatum, adest irritamen gule, copia vini et quesitorum undique ciborum et laute gloria mense ut verbis utamur Lucani. sunt mulieres formose, que tum oculis, tum verbis, tum osculis, tum amplexibus adolescentulorum mentes et oculos fascinant. assunt corruptores, adulatores, joculatores, histriones, qui arcem adolescentie undique nituntur expugnare. ille avaritie cultor venalem justitiam facit. suscipe, inquit, hoc et commendatum habe. qui dat perliberalis est homoet habet multum, quod det. alius ad iram provocat; in te, inquit, peccavit Sempronius, suscipe gladium, vindica scelus. tune princeps injuriam feres, quam nec privatus impunitam relinqueret? mulier, alius inquit, formosa te amat et amore tuo moritur. cur non compateris et misereris adolescentule et gaudes cum ea? eamus venatum, ait vir robustus. quid torpes? cervorum greges et aprorum clausi sunt, spectaculum tibi pulcrum prebebo. veni, mitte hos senes res publicas tueri, tu letus esto, dum tempus fert. at hi, quibus in palato vivendi est causa, quid stas inquiunt, princeps? jam epule allate sunt et frigescunt, veni dum accipenser calidus est et antequam fumare lepus desinat. squilla est optima et aper et boletus in mensa. quid stas et voluptatis tantum amittis? multi vitia suadent, pauci virtutes. quid faciet adolescens, cujus etas parumper ac roboris habet, et cujus animus a natura proclivis est in libidinem? vix grandevi homines resistere tot blanditiis poterunt, ne dicam adoledcentes. sed ajunt aliqui: consilium habebit princeps, majores natu astabunt, quid sit agendum. primo res patrie censebunt. scitum est, sed omnes, qui principem coronant, facere illum sibi amicum student, et non que sunt apta, sed que jocunda putant in consilio dicunt et nititur perac quisque ut carior sit, nec est, qui libera proferat animi verba et quamvis pura bene consulet, liberum eat adolescenti, quos vult sequi. et quia inexpertus est parumque pensi habet, non quod expedit sed quod libet plerunque amplectitur. et quippe quemadmodum mea fert opinio, aut maturum esse principem oportet et suo consilio fretum, aut adeo rudem, ut in modum trunchi nichil per ac disponat, sed quod major pars suadet executioni mandetur. nam qui aliquid scit, minus tamen quam satis est, periculosus est rei publice et imperia sepe subvertit, cum non ad rationem sed ad libidinem regat. hinc est, quod in libris regum puellum octo annorum bene rexisse reperimus, sive is septem annorum fuit Ioas filius Ochoczie; non enim is rexit, sed ejus satrape regnum administrarunt.
Door heerschappij vervalt men licht tot fouten en er zijn maar weinigen die niet zouden ontsporen als alle teugels gevierd worden. Vanaf Saul tot Zedekia hebben 39 koningen over Juda en Israël geregeerd. Slechts acht van hen worden tot goede koningen gerekend, de overigen waren onwetend, onbekwaam, ongeletterd, onmatig, hebzuchtig, hoogmoedig, opvliegend, wreed, bandeloos, slaven van vleiers en dwazen. Door ongehoorde eerzucht gedreven, geboren als het ware tot gesel der mensheid en afgoden dienend gaven zij zich voortdurend over aan oorlog en waren vijanden van vrede en rust. Toch waren zij koningen van het volk Gods en de meesten van hen gezalfd door Gods dienaren, de profeten. Zelfs Salomo bezweek, hoewel hij door God gezegend was met kennis en wijsheid; hij vatte een hartstochtelijke liefde op voor andermans vrouwen en sliep met hen. Hij had zevenhonderd koninklijke vrouwen en driehonderd bijvrouwen, die hem van het rechte pad afbrachten en vreemde goden lieten volgen.(95) Ook David die door God was uitverkoren viel in zonde. Immers hij pleegde doodslag en overspel: door de willekeur van het koningschap liet hij zich verleiden tot wat hij niet gedaan had zolang hij nog herder was. Hoe zal iemand handelen die minder sterk is? Hoe een jongeman, een jong volwassene? Zou een weldenkend mens de heerschappij in handen willen leggen van jonge jaren, wanneer een sterkere leeftijd daar vaak niet tegen bestand is? Verstandig van jou om op jouw oom en eigen bloed meer dan op anderen te vertrouwen en eerst ervaring, daarna pas de heerschappij te willen verwerven. Een ander had wellicht anders gehandeld, iemand die, meegesleept door eigendunk, had gezegd: "Wat heb ik met gehoorzaamheid van doen? Vrij wil ik zijn, wat goed en kwaad is weet ik al, wat is beter dan heersen? Ik zeg hem: "doe dit", en hij zal het doen. Nu is het tijd de vleugels uit te slaan." Zie het verhaal van de zoon van Daedalus. Toen de vader voor zich en zijn zoon, om uit het labyrint te ontsnappen, veren met was en pek had samengelijmd tot een roeiwerk van vleugels, vloog hij op naar de heldere hemel: "Icarus, volg mij,"sprak hij, "wijk niet van mijn zijde." Hij luisterde zolang de angst om het onbekende hem weerhield. Maar zodra hij de vliegkunst dacht meester te zijn en meende geen leider meer nodig te hebben, begon hij het vaderlijk bevel ten spijt met wijder vleugelslag uit te zwenken. Hij week af van zijn koers nu hierheen dan daarheen en vloog steeds hoger op tot hij de streek van de vurige sterren bereikte. Daar smolt de lijm van zijn vleugels, de zonnehitte verzengde zijn veren, hij stortte neer en naakt viel hij in zee, die sindsdien zijn naam draagt, Zee van Icarus.(96) est autem principatus irritamentum quoddam vitiorum et admodum pauci reperiuntur, qui non aberrent, cum frenis omnibus sunt soluti. a Saul usque ad Sedechiam novem et triginta reges in Juda et Israhel fuerunt, inter quos solum octoboni connumerantur, reliqui vero ignari, imperiti, indocti, impotentes, avari, superbi, iracundi, crudeles, libidinosi, adulatorum et stultitie servi, qui ambitione nescio qua efferata tanquam ad pestem mortalium nati idolia servientes bellis semper indulserunt, pacis atque otii hostes fuerunt. et hi tamen in populo dei regnabant, et horum plerique per servos domini prophetas fuerunt uncti. nec Salomon, quamvis scientiam et sapientiam a deo fuisset assecutus, perseverare potuit, sed adamavit mulieres alienigenas et his copulatus est ardentissimo amore. fueruntque ei uxores quasi regine septingente et concubine trecente et averterunt mulieres cor ejus, ut sequeretur deos alienos. nec David, quamvis esset electus a deo, vitiis caruit, siquidem et homicidium simul et adulterium perpetravit, quod non fecisset, dum pastor erat, sed cum licentia regni provocavit. quid alius faciat, cui minus sit roboris? quid juvenis, quid adolescens? an est aliquis, qui annis teneris dominium censeat committendum, cum sepe robustior etas sub illo deficiat? prudenter tu quidem, qui patrueli et sanguini tuo potius quam aliis credidisti nec dominatum prius suscipere quam peritiam voluisti. alius fortasse aliter fecisset, qui, opinione inflatus aui, quid ad me, dixisset, obedientia ista? ego jam liber esse volo, jam scio bonum et malum, quid melius est quam imperare? dicam illi, fac, et faciet; jam ut evolem tempus est. sic Dedali filius, ut est in fabulis. nanque cum pater alarum remigium sibi et filio cera et pice coaptasset, ut laberinti carcerem fugeret, liquidum petiit aerem et, sequere me, inquit, Icare, nec a me quoquam recedas. paruit ille tam diu, quoad timor artis mansit ignote. ubi vero jam se volandi scium putavit, nec se amplius rectore credidit indigere, jussum patris egressus percussis amplius alis vagari cepit, et modo huc modo illuc discurrens ac continuo altius evolans, regionem igniferam attigit, ubi dissolutis alarum compagibus et omni penna solis ardore peruata ruinam fecit et nudus in mari cecidit, quod adhuc ex ejus nomine vocatur Icarium.
Het volgende verhaal is van gelijke strekking. Phaëthon vroeg zijn vader Phoebus om zijn verzoek in te willigen. De vader zwoer bij de Styx dat hij niets zou weigeren. De zoon verlangde de zonnewagen te mogen mennen. Phoebus had spijt van zijn belofte, want hij wist dat zijn zoon niet bij machte was de wagen in de koers te houden. Omdat hij had gezworen, kon hij niet weigeren, al is Cicero in zijn werk Over de Plichten van mening dat men zo'n eed beter had kunnen breken.(97) Phaëthon beklom de wagen en nam vol trots de teugels over, hij waande zich koning en aan een god gelijk. Zodra hij het midden van de hemelbaan bereikt had, hield hij de zonnepaarden niet langer in bedwang en sloegen zij op hol. Omdat zij met hun vuur de hele wereld verzengden, trof Jupiter hem met zijn bliksem en stortte hem in de Eridanus.(98) prosequar iterum fabulas. Phaeton, filius Phebi, patrem rogavit, sibi ut, quam peteret, rem concederet. juravit per Stigem pater nichil se negaturum. filius currum solis sibi regendum committi postulavit. penituit Phebum proissi, scientem tanti regiminis impotentem natum. sed quia jurarat, negare non potuit, quamvis Cicero in officiis hoc juramentum potius rescindendum putasset. ascendit currum Phaetom gloriabundusque lora recepit, tumque et se regem et deo similem arbitratus est: ubi vero ad medium celi est ventum, cum solis equos inhibere non posset illique vagarentur et mundum omnem ignibus confragrarent, Jovis fulmine ictus est et in Heridanum precipitatus.
Met dit soort fabels vermanen de dichters ieder die leider en heerser wil zijn vooraf zijn krachten streng te beoordelen, om niet onder het gewicht te bezwijken. Want een last is het, geen genot om over anderen te heersen, als wij die taak tenminste in redelijkheid willen verrichten en regeren met dat doel voor ogen waartoe koningen zijn aangesteld. De Romeinse wetten, afkomstig van de wetten die Lycurgus(99) en Solon(100) aan de Atheners en Spartanen gegeven hebben, bepaalden dat jongens tot veertien jaar onder toezicht van hun ouders stonden, daarna gaven zij aan jongemannen tot hun vierentwintigste jaar verzorgers. Tot die leeftijd vonden zij hen blijkbaar nog niet zelfstandig genoeg. Toen de twee Scipionen door de Carthagers in Spanje waren gedood en het leger van Hannibal Italië bedreigde stelde Scipio Africanus zich kandidaat om met een leger naar Spanje te gaan en zijn vader en oom te wreken. De senaat echter wees hem lange tijd af, enkel omdat hij vierentwintig jaar oud was. Pas op het laatst, toen er niemand anders was die naar deze provincie wilde vertrekken, kreeg hij het mandaat meer uit noodzaak dan met volle instemming van de senaat.(101) De Carthagers weigerden na de dood van hun aanvoerder Hamilcar(102) het opperbevel toe te vertrouwen aan zijn zoon, die nog een jongeman was. Hannibal werd pas tot aanvoerder benoemd nadat Hanno, de opvolger van zijn vader, was gesneuveld. Masinissa, koning van de Numidiërs, vertrouwde op zijn sterfbed zijn beide zonen, omdat zij nog jong waren, toe aan de hoede van het Romeinse volk, in het bijzonder aan de familie van de Cornelii.(103) Waarom feiten opgesomd uit de geschiedenis der heidenen? Het canonieke recht staat niet toe dat iemand priester wordt vóór zijn vier en twintigste jaar en paus vóór zijn dertigste. Laten wij ook wat voorbeelden aanhalen uit het Oude Testament, want ook daar acht men jongeren nog niet rijp om het land met beleid te besturen. Na de dood van Salomo die koning was geweest over de twaalf stammen, kwam zijn zoon Rehabeam naar Sichem waar heel Israël bijeen was gekomen om hem koning te maken. Het volk sprak tot hem: "Uw vader heeft ons een hard juk opgelegd; als u de harde dienst van uw vader en zijn zware juk voor ons nu wat lichter maakt, zullen wij u dienen." Hij zei: "Ga heen en kom over twee dagen terug." Toen het volk was heengegaan, pleegde de koning overleg met de oudsten. En zij zeiden: "Als u nu dit volk zult gehoorzamen en hun verzoek inwilligen en milde woorden tot hen spreekt, zullen zij voor altijd uw dienaren zijn." Hij verliet de raad der oudsten en wendde zich tot de jongeren, die met hem opgegroeid waren. Zij zeiden tot hem: "Zo zult u tot dit volk spreken: Mijn kleinste vinger is dikker dan de rug van mijn vader en als mijn vader u een juk heeft opgelegd, zal ik er nog een bovenop leggen, mijn vader heeft u met gesels gekastijd, ik zal u kastijden met schorpioenen." Zo deed hij en het volk raakte ontstemd, tien stammen scheidden zich van hem af en kozen Jerobeam tot koning, de zoon van Nebat.(104) Israël raakte voor altijd verdeeld, omdat een onervaren koning de raad van jongemannen opvolgde. Was hij nog maar een kind geweest dan had hij gehoor gegeven aan de oudsten. Ahazia, zoon van Joram werd koning over Israël toen hij tweeentwintig jaar oud was, hij berokkende leed aan het volk Gods en deed kwaad voor het aangezicht van de Heer.(105) Evenzo Achaz, zoon van Jotham, die twintig jaar was toen hij koning werd van Juda.(106) Geen koning is slechter geweest dan Manasse, die begon te regeren toen hij twaalf was.(107) Even slecht was zijn zoon Amon, die zijn regering begon toen hij tweeentwintig jaar was.(108) Hij werd door zijn dienaren gedood vanwege de misdaden waarin hij betrokken was.(109) Waartoe Jojachin(110) vermeld en de beide Jojakim,(111) vader en zoon, of Zedekia, die bij de verwoesting van Jeruzalem gevangen werd genomen door de Chaldeeën en zijn zonen voor zijn ogen zag sterven, waarna hij werd blind gemaakt.(112) Zij allen werden koning, terwijl zij jonger waren dan drieentwintig jaar, en omdat zij onervaren waren, deden zij kwaad voor het aangezicht van de Heer en richtten zichzelf en hun volk te gronde. hisce figmentis admonent quemlibet poete, ut, antequam presit et dominetur, vires suas rigide metiatur, ne sub pondere ruat, quoniam onus est non voluptas aliis imperare, si modo id volumus cum ratione efficere et in eum finem regere, propter quem reges sunt instituti. leges Romane, que ab Atheniensibus et Spartanis, quas tradiderunt Ligurgus et Solon, sunt orte, pueros usque in annum quartum decimum sub tutela esse voluerunt, post hanc etatem ad annum 24. curatores adolescentibus dabant. nam ante hoc evum infirmam censebant etatem. eam ob causam, cum duo Scipiones a Carthaginiensibus in Hispania fuissent occisi et Anibal Italiam armis premeret, iturum se cum exercitu in Hispaniam, patrem et patruum ulturum, Scipio Africanus major repromittens diu per senatum rejectus est, quod quartum et vigesimum dumtaxat annum esset natus. tandem cum esset alius nemo, qui se diceret provecturum, provinciam necessitate magis quam voluntate senatus obtinuit. Carthaginenses, eorum imperatore defuncto Amilcare, imperium filio, qui juvenis erat, committere recusarunt. nec Anibal prius dux Penorum creatus est, quam anno esset occisus, qui patri successerat. rex Numidie Massinissa filios suos moriens, quia juvenes erant, Romano populo et presertim Cornelie familie commendavit. quid tibi gentilium gesta connumero? prohibent sacri canones ante vigesimum quartum annum fieri quemquam presbiterum aut pontificem ante trigesimum. referamus aliquid ex veteri testamento, nam et ibi quoque consilia juvenum ad regimen patrie immatura videntur. mortuo Salomone, qui super duodecim tribus regnabat, venit filius ejus Roboan in Sichen, ubi congregatus erat omnis Israhel ad constituendum eum regem. et dixit multitudo, pater tuus durissimum jugum imposuit nobis, tu itaque nunc minue paululum de imperio patris tui et de jugo durissimo et serviemus tibi. qui ait, ite ad tertium diem t revertimini ad me. cumque abiisset populus, iniit consilium rex cum senioribus, qui responderunt: si obedieris hodie populo huic et petitioni eorum cesseris locutusque fueris ad eos verba lenia, erunt tibi servi cunctis diebus. at ille reliquit consilium senum et adhibuit adolescentes, qui nutriti fuerunt cum eo, qui dixerunt ei: sic loqueris populo huic: minimus digitus meus grossior est dorso patris mei et nunc pater meus posuit super vos jugum, ego autem addam super jugum vestrum; pater mens cecidit vos flagellis, ego autem cedam vos scorpionibus. fecitque sic et irritato populo recesserunt ab eo decem tribus, qui constituerunt sibi regem Jeroboham, filium Nabath. scissus est Israhel in perpetuum, quia inexpertus rex consilia juvenum recepit. melius fuerat illum infantem fuisse, nam tunc senibus auscultatum fuisset. Ochozias, filius Joran, duos et viginti natus annos regimen accepit in Israhel et afflixit populum domini et fecit, quod malum erat coram deo. nec aliter se habuit Achas, filius Joatan, qui viginti annorum erat cum regnare cepit in Juda. nemo pejor quam Manases inter reges fuit, qui 12. etatis anno suscepit imperium. similis ei filius Amon fuit, qui regnum 22. etatis anno inchoavit et a servis suis propter scelera, quibus implicitus erat, occisus fuit. quid Joacham referam et duos Joachim, patrem et filium, aut Sedechiam nominem, qui perdita Jerosolima captus a Chaldeis prius ante se natos suos occidi vidit, postea privatus est oculis. hi omnes infra 3. et 20. annum regnare ceperunt et quoniam inexperti erant, malum coram deo gerentes, et se et suos populos pessundarunt.
Welk een contrast met hun dwaasheid vorm jij, die met al het verstand bent bedeeld waartoe jouw jonge leeftijd in staat is en van wiens wijsheid men de grootste verwachtingen mag hebben. Toch wilde jij het bestuur over de provincie pas aanvaarden op het moment dat je sterk genoeg bent en over voldoende kennis van zaken beschikt. Want met jouw helder inzicht zag je dat jij geen meester maar knecht zou zijn. En je schikte je liever naar het gezag van jouw oom, onze zeer wijze vorst, dan naar anderen. Dan kon jij intussen, terwijl je leeftijd vordert, in het gevolg van Zijne Koninklijke Hoogheid deelnemen aan raadszittingen, je bekwamen in de rechtspraak, moeilijke problemen onder ogen zien, naar wijze mannen luisteren en iedere dag je praktische ervaring vergroten. Toch dien je, heb ik boven al gezegd, niet te verzuimen daarnaast ook tijd te besteden aan de wetenschappen om jouw overige kwaliteiten te kruiden en beter te laten uitkomen. Als jij je, zoals ik van je verwacht, volledig daarin bekwaamd hebt, zul jij bij de troonsbestijging niet de gelijke zijn van anderen maar een spiegel voor alle vorsten en al de naburen zullen jou als regelaar en scheidsrechter kiezen van hun geschillen. Zoals de koningin van Scheba en andere vorsten uit het Oosten samenstroomden om de wijsheid van Salomo te zien, zal de hele Westen en Noorden jou vereren en tallozen zullen afkomen op de faam van jouw wijsheid. Als Josia, een tweede zoon van Ammon(113) zul je zijn, die het volk rechtvaardig bestuurt zonder naar rechts of links af te wijken. quorum stultitie contraria est adolescentia tua, que licet quantum in hac etate potest esse prudentie sortita sit spemque maximam de sua sapientia prebeat, non tamen prius ad regendam provinciam mitti voluit, quam et robur etatis et rerum assequeretur experientiam. sciebas nanque tuapte ingenio, quoniam non recturus sed regendus ires, quod sub patruele tuo, cesare nostro sapientissimo, potius quam sub aliis tolerare voluisti, ut interim, dum etas crescit, regiam majestatem secutus intersis consiliis, judicia noscas, res arduas videas, viros sapientes audias dietimque fias rerum experientia doctior. at cum his servandum est, quod supra dixi, ut temporis aliquod spatium concedas litteris, que reliquas virtutes tuas condiant et illustrent, quibus si fueris, ut te spero futurum, rite imbutus, cum ad regendm venies non par aliis, sed omnium principum eris speculum teque vicini omnes suarum litium moderatorem et arbitrum facient. et quemadmodum ad visendam sapientiam Salomonis regina Saba et alii orientales concurrerunt, sic te totus occidens venerabitur et septentrio et ad famam tue prudentie infiniti visuri te venient. eris enim quasi Josias, alius filius Amon, populum tuum recte gubernans nec ad dexteram neque ad sinistram declinans.
Welaan dan beste prins, voortreffelijke jongeman, wijd je, zolang je tijd hebt, aan wetenschappen, verwerf kennis en geef je over aan studie. Wees niet ongerust als zich enige politieke ontwikkelingen hebben voorgedaan in Tirol. Immers jouw oom zal dat regelen en overeenkomstig zijn grote wijsheid en goedheid vrede stichten, en hij zal jou, wanneer de tijd daar is, toegenomen in prestige en talenten, naar je vaderland terugsturen. Intussen is het bewind bij hem in goede handen, want Tirol heeft een koninklijke beschermer nodig vanwege zekere naburen die op jouw land azen en met wijd open gesperde muilen op een kans wachten jouw erfdeel te verslinden. Koninklijke macht en keizerlijke waardigheid is het enige waarvoor zij beducht zijn. Laten dan sommigen voor het ogenblik bepaalde pogingen doen, zij zullen beter in toom worden gehouden door de koninklijke macht dan die van de hertog. Als jij regeerde, zouden ze uit minachting voor jouw jonge leeftijd het land nog feller bestoken. age igitur, princeps optime et adolescens clarissime, dum tempus habes, incumbes litteris, edisce scientiam et studio te prebe. nec sit tibi cure, si res alique in Athesi sunt innovate. illas enim patruelis tuus componet et pro sua eximia tum sapientia tum bonitate pacabit, teque, cum tempus aderit, et dominio et virtutibus auctum remittet in patriam. interea regimen recte illi commisaum est, quia indiget Athesis regio favore propter finitimos plures, qui tuis inhiant terris et apertis faucibus expectant, quomodo tuum possint patrimonium devorare nec aliud verentur quam nomen regium imperialemque dignitatem. et licet nonnulli aliqua in presentiarum temptent, melius tamen regio quam ducali nomine compescentur, qui, si tu regeres, adolescentiam contempnentes tuam, acerbius affligerent terram.
Genoeg hierover, jij weet zelf goed wat te doen en jij hebt je onder de hoede van de koning gesteld. Mijn taak is het je aan te sporen om, het grote nut van de wetenschap en haar voordelen kennend, een paar uur aan studie te wijden. Daarvan ben je, meen ik, al overtuigd, niet door mijn welsprekendheid, die niets betekent, maar door jouw eigen geschiktheid, jij die lijkt te beschikken over een aangeboren dorst naar kennis. Ik sluit nu af, de drukte, het geroep en lawaai om mij heen beletten mij om meer te zeggen. Ik leef immers te midden van een geschreeuw dat Drusus en de zeekoeien uit hun slaap zou halen.(114) De hele kanselarij is in één enkele ruimte gehuisvest, ons hele gezelschap eet en drinkt in één vertrek, mieren leven in hun gangen niet zo dicht opeen geperst als wij in deze hal. Bijen kunnen in hun korven ieder in een eigen cel wegkruipen, wij verdringen elkaar in één kooi als schapen binnen de omheining. Niemand spuwt hier zonder andermans kleding te bevuilen en zo groot is de stilte die wij onderling bewaren dat zij je doet denken aan het lawaai van eksters en kraaien in het bos of kikkers in het moeras. Ik sta verbaasd van mijzelf dat ik je nog zoveel heb kunnen zeggen. Maar misschien is dit al teveel voor jou, die de wetenschap van je af hebt geschud als ware het een juk en eerder tot haar geroepen moet worden dan getrokken. Het stoort me dat ik door al die drukte om mij heen een brief die ik voor jou bestem, niet heb kunnen polijsten. Jij zult echter rekening willen houden met deze plaats en mijn gering talent dat zo zwak is dat het nauwelijks bij machte is in rust, laat staan in lawaai dat wat ik schrijf in een sierlijke vorm te gieten. sed mitto hec, quia tute scisti, quid esset agendum, et te regi commendasti. meum est, te hortari, ut litterarum quanta sit utilitas quantusque fructus noscens, nonnichil horarum studio tribuas, quod jam satis tibi arbitror persuasum non eloquentia mea, que nulla est, sed bonitate tua, qui ab ipsa natura innatum habere videris amorem scientie. sed facio jam finem, quia rumor, vociferatio et strepitus, in quo sum, non fert, ut plura dicam. vivo enim inter clamores, qui rumperent sompnum Druso vitulisque marinis. unicum est toti cancellarie receptaculum, complures sumus unis in edibus commessantes et conbibentes nec formice tam presse in suis antris quam nos in auleola degimus. apes distincte cellulis in alvearibus delitescunt, nos uno in conclavi velut oves in septis alter alterum premimus, nec spuere quisquam potest, nisi alterius commaculet vestem tantumque inter nos servamus silentium, ut picas in nemoribus vel cornices aut in paludibus ranas audire te censeas. miror mei, qui tantum exprimere tibi potuerim. sed hoc forsitan nimis est tibi, qui jam litteras quasi jugum aliquod abjecisti et nunc magis vocandus es a studia quam trahendus. illud mihi molestum est, quod ad te scribens inter vexationes plurimas perpolire non potui, quod te legere speravi. at tu veniam dabis et loco et ingeniolo meo, quod tam hebes est, ut nedum in tumultu sed vix in quiete ornare queat, quod scribit.
Vaarwel dan eindelijk en beschouw mij als jouw dienaar voor zover de keizer dat toestaat.

Graz, 5 december 1443.

 


vale jam tandem et me quantum cesar permittit tuum habeto. ex Gretz, nonis decembris anno 1443.
 

1. Frederik III (1415-1493), koning vanaf 1440, keizer van het Heilig Roomse Rijk vanaf 1452. In 1439 aanvaardde Enea Silvio een betrekking in zijn kanselarij.

2. Sigismund (of Si(e)gmund) was een zoon van Frederiks broer hertog Friedrich IV en Anna von Braunschweig.

3. 'omisso temporis sui squalore', cf. Quint. 2, 5, 23: deterso rudis saeculi squalore.

4. Manuel (Emmanuel) Chrysoloras, geboren in 1353 te Constantinopel was een Grieks geleerde en verspreider van de Griekse literatuur in het Westen. Door de Byzantijnse keizer Manuel II Palaeologus werd hij naar Italië gezonden om hulp te zoeken tegen de Turken. Hierna verbleef hij hoofdzakelijk in het Westen en onderwees Grieks in Florence. Hij stierf op weg naar het Concilie van Constanz op 15 April 1415.

5. Keizer Augustus (63 v. Chr. - 14 na Chr.).

6. Leonardo Bruni Aretino, geboren te Arezzo in 1369 en gestorven te Florence in 1444, schreef een Geschiedenis van Florence (Historiarum Florentini populi libri XII), de eerste geschiedenis van Florence die gebaseerd was op kritisch bronnenonderzoek. Hij schreef een fraai Ciceroniaans Latijn en vervaardigde Latijnse vertalingen van Plato, Aristoteles en Plutarchus.

7. Guarino da Verona, geboren in 1370/74 en gestorven in 1460, geldt als een van de pioniers van de Griekse studies in de Renaissance. Hij studeerde te Constantinopel, was een leerling van Chrysoloras en bracht een collectie Griekse mss. naar Italië. Hij onderwees Grieks in Florence (1402) en Venetië (1415) en vertaalde Strabo en Plutarchus.

8. Poggio Bracciolini, geboren 1380 te Terranuova in Toscane, gestorven 1459 te Florence, beroemd humanist en kalligraaf, groot ontdekker van oude handschriften in kloosterbibliotheken. Uitvinder van het humanistenschrift (gebaseerd op de Karolingische minuskel) dat na polijsting door een generatie schrijvers als Romeins font diende voor de eerste drukkunst. Enige van de antieke werken die hij terugvond: 2 redevoeringen van Cicero in Cluny (1415), in Fulda onder meer Festus' De significatu verborum en Lucretius' De Rerum Natura en van Ammianus Marcellinus de Res Gestae, in Langres Cicero's Pro Caecina. Al deze geschriften kopieerde hij in zijn fraai kalligrafisch handschrift. Daarnaast redigeerde hij in 1416 de eerste editie van Quintilianus' Institutio Oratoria, de Argonautica van Valerius Flaccus en de commentaren op Cicero van Asconius Pedianus. In 1453 werd hij kanselier te Florence. Behalve als auteur van werken als De Avaritia (1428-29), De varietate Fortunae (1431-48), De miseria humanae conditionis (1455), met een soms wat treurige en pessimistische inslag, werd hij bekend door zijn Facetiae (1438-52), een verzameling humoristische en onwelgevoeglijke verhalen, satiren op monniken, de clerus en geleerden.

9. Giovanni Aurispa, geboren te Noto op Sicilië in 1369 en gestorven te Ferrara in 1459. Humanist en bevorderaar van Griekse studies. Reisde in 1418 naar Constantinopel, waar hij 250 mss. (Pindarus, Sophocles, Plato) verwierf. Hij was een beschermeling van Cosimo de' Medici en pauselijk secretaris.

10.Antonio Loschi (gest. 1441), propagandist van de Visconti's, werkte aan het hof van Martinus V (1417-1431) en was een gezien humanist en vriend van Bracciolini.

11 Van Marcus Tullius Cicero, Romeins staatsman en redenaar (106-43 v. Chr.)

12. Voor lacteus Titi Livii ...rivus cf. Quint. 10, 1, 32: Illa Livi lactea ubertas.

13. Titus Livius (59 v. Chr.-15 na Chr.) schreef een geschiedenis van Rome (Ab urbe condita libri).

14. Atheens staatsman en beroemd redenaar (384-322 v. Chr.)

15. Vertrouweling en raadgever van keizer Augustus en beschermheer van schrijvers als Horatius en Vergilius.

16. (340-420). Kerkvader. Verzorgde een revisie van de Latijnse bijbel, de Vulgaat.

17. (340-397). Kerkvader en bisschop van Milaan. Hij schreef o.a. de hymnen Deus Creator omnium en Veni Redemptor gentium.

18. Gregorius I, de Grote, kerkleraar: http://nl.wikipedia.org/wiki/Paus_Gregorius_I

19. Eunuchus II, 2, 21.

20. Sat. III, 103.

21. Sat. VII 197-98.

22. Romeins keizer vanaf 284. In 305 deed hij afstand van de troon en leidde een teruggetrokken leven in een paleis bij Split.

23. Piccolomini heeft hier de studia humanitatis voor ogen, waarbij grammatica, retorica, dichtkunst, geschiedenis en ethiek iemand tot een beschaafd mens maken. Bronnen van de studia humanitatis zijn de werken van de oude Grieken en Romeinen en de kerkvaders.

24. Neef van Aristoteles, filosoof en historicus. Begeleidde Alexander op zijn tocht, verheerlijkte hem, maar viel later in ongenade en werd terecht gesteld, omdat hij zich verzet had tegen goddelijke verering (proskynesis) van Alexander.

25. Verhit door de wijn en razend vanwege een belediging doodde Alexander tijdens een maaltijd zijn vriend Cleitus, die in de slag aan de Granicus zijn leven gered had.

26. Leefde van 450-404 v. Chr., Atheens staatsman en generaal. Hij was leerling en vriend van Socrates.

27. 528-462 v. Chr., Atheens staatsman, beschouwd als grondleger van de radicale democratie.

28. ?-362 voor Chr., leerling van de Pythagoreër Lysis. Wist de macht van Sparta te breken.

29. 102-44 v. Chr., generaal en staatsman. Veroveraar van Gallië. Publiceerde Commentarii De Bello Gallico (de oorlog in Gallië) en De Bello Civili (de burgeroorlog). De stijl van zijn werken was helder, geserreerd en vrij van retoriek.

30. Fabius Maximus Cunctator, Romeins consul (233, 228, 215, 214 en 219 v. Chr. en tot dictator benoemd in de strijd tegen Hannibal, die hij bestreed door zijn tactiek van aarzelen, waaraan hij zijn bijnaam Cunctator (Aarzelaar) te danken had. Als politicus gold hij als zeer welsprekend.

31. Publius Cornelius Scipio (236-184 v. Chr.) versloeg Hannibal definitief bij Zama in 202. In 199 werd hij princeps senatus en stond een philhelleense politiek voor. Was een briljant redenaar.

32. Marcus Porcius Cato (234-149 v. Chr.) was in de senaat de tegenstander van Scipio met zijn pro-helleense politiek. Als censor (189) trad hij streng op tegen het moreel verval en de luxe van zijn tijd. Hij schreef een historisch werk, Origines, over de oudste geschiedenis van Rome tot 149 v. Chr.

33. Gnaeus Pompeius (106-48 v. Chr.), staatsman en generaal, vormde met Caesar en Crassus een Driemanschap (59). Later werden Pompeius en Caesar politieke vijanden (50), wat Pompeius ten slotte het leven kostte. Zij grootste succes behaalde hij met zijn campagnes in de oostelijke provincies.

34. (135-50 v. Chr.). Na een studie in de filosofie te Athene deed hij een aantal jaren wetenschappelijk onderzoek in de westelijke provincies van het Romeinse Rijk en Noord-Afrika, waarna hij zich vestigde op Rhodos. Cicero volgde lessen aan zijn school, evenals Pompeius die hem twee maal bezocht. Posidonius bewonderde Pompeius en wijdde een verhandeling aan diens militaire expedities in de oostelijke provincies.

35. Politeia 473 d.

36. Anicius Severinus Boethius (480-524), hoog in aanzien bij Theodorik de Grote te Ravenna, later van hoogverraad beschuldigd en terecht gesteld. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis schreef hij De Consolatione philosophiae (De troost van de filosofie), dat in de late Middeleeuwen en Renaissance veel gelezen werd.

37. Leonello d'Este maakte Ferrara in de 15de eeuw tot een centrum van kunst en wetenschap.

38. De familie Gonzaga maakte van Mantua een cultureel centrum met kunstenaars als de schilder Andrea Mantegna en de komponist Marenzio Luca.

39. Alfonso V van Aragon en Sicilië (1396-1458).

40. Humphry, hertog van Gloucester, jongere broer van Hendrik V van Engeland. Na diens dood werd hij regent van de jonge koning Hendrik VI. Hij was een van de eerste Engelsen die de klassieke talen bewonderde. Een groot deel van zijn bibliotheek liet hij na aan de universiteit van Oxford. Tito Livio de Frulovisi, een lid van zijn hofhouding dichtte een epos op hem Humfroidos. Zie Kenneth H. Vickers, Humphry duke of Gloucester, Londen 1908.

41. In de zeeslag bij Actium.

42. Persius, Choliamben 8 e.v. Persius (34-62) was een dichter van Satiren. Zijn werk beslaat een libellus van 650 hexameters en een korte choliambische apologia.

43. 'Chaere' is Grieks voor 'gegroet'.

44. Sat. 7, 74-78

45. Flavus Vegetius Renatus, schrijver over militaire zaken uit de vierde eeuw.

46. Quintus Curtius Rufus, historicus en redenaar, die geleefd heeft t.t.v. keizer Claudius. Auteur van een geschiedwerk over Alexander de Grote.

47. Marcus Junianus Justinus, Romeins historicus, waarschijnlijk uit de derde eeuw. Zijn bewerking van de Historiae Philippicae van Pompeius Trogus (eerste eeuw v. Chr.) werd in de Middeleeuwen veel gelezen.

48. Lucius Annaeus Florus (of Julius F.), tijdgenoot van Hadrianus en auteur van een Epitome bellorum omnium annorum DCC, een geschiedenis van Rome met bijzondere aandacht voor de oorlogen tot de tijd van Augustus.

49. C. Suetonius Tranquillus, eerste eeuw, schreef biografieën van Romeinse keizers.

50. C. Sallustius Crispus (86-34 v. Chr.), auteur van Bellum Catilinae, Bellum Iugurthinum en Historiae.

51. Fabius Maximus Cunctator, die door de openlijke strijd met Hannibal te ontwijken een keerpunt in de Punische oorlog wist te bereiken: 'Unus homo nobis cunctando restituit rem' (Ennius).

52. Quintus Sertorius (122-72 v. Chr.), Romeins generaal die vooral in Spanje successen behaalde en in zijn poging de macht te grijpen uiteindelijk faalde en vermoord werd.

53. Marcus Claudius Marcellus, consul in 49 v. Chr., steunde Pompeius in diens strijd tegen Julius Caesar.

54. De Numidier Jugurtha streed in het laatste kwart van de tweede eeuw v. Chr. met succes tegen de Romeinse veldheer Metellus en diens opvolger Marius, maar werd tenslotte door zijn schoonvader Bocchus aan de Romeinen uitgeleverd en in de kerker gewurgd.

55. Bedoeld is de Politica van Aristoteles.

56.Leonardo Bruni Aretino.

57. De Eudemische en Nicomachische Ethiek van Aristoteles.

58. De Officiis.

59. Epistulae morales van Lucius Annaeus Seneca (5 v. Chr. - 65 na Chr.).

60. Bedoeld is diens veel gelezen boek De re uxoria (1415)

61.De liberis educandis, waarschijnlijk ten onrechte aan Plutarchus toegeschreven.

62. De Amicitia en De Senectute.

63. Cicero bezat te Tusculum (ten Zuiden van Rome) een landgoed waar hij in 45 v. Chr. Zijn Tusculanae Disputationes schreef.

64. Macrobius (400) is de auteur van een werk in neoplatonische traditie, Commentarii in Somnium Scipionis, dat in de Middeleeuwen populair was. Een ander werk van hem, Saturnalia, behandelt uiteenlopende onderwerpen als dronkenschap, dansen en indigestie.

65.De Georgica van Vergilius, geschreven tussen 36 en 29 v. Chr., is gewijd aan het boerenbedrijf.

66. Gaius Plinius Secundus (23/24-79), auteur van Naturalis Historia in 102 delen, een encyclopedisch werk over het universum, geografie, etnologie, antropologie, fysiologie, plant- en dierkunde en vele andere onderwerpen.

67. Gaius Julius Solinus ( ong. 200), auteur van Collectanea Rerum Memorabilium, een geografisch werk met gegevens over de oorsprong, geschiedenis en zeden van volkeren en producten van verschillende landen.

68. Isidorus Hispalensis, bisschop van Sevilla (602-632). Auteur van verschillende boeken, waaronder een encyclopedisch werk, Etymologiae of Origenes, handelend over geografie, natuurlijke historie, soorten voedsel en drank en medicijnen.

69. Bijvoorbeeld de Phaedra, de Oedipus, de Agamemnon en de Octavia.

70. Plautus (ong 251-184 v. Chr.) en Terentius (195-159 v. Chr.) Waren populaire auteurs van komedies. In zijn Miles Gloriosus tekent Plautus een snoevende lafaard die soldaat is.

71. Horatius (65-8 v. Chr.) schreef Epodes en Satirae, waarin hij vaak een bijtende en sarcastische toon aansloeg.

72. Iuvenalis (tweede eeuw) geldt als de grootste Romeinse satirische dichter.

73. Persius (34-62) was eveneens een dichter van satiren, waarin hij de spot drijft met allerlei soort mensen en toestanden hekelt.

74. De Eclogae of Bucolica van Vergilius, pastorale poëzie geschreven tussen 42 en 37 v. Chr.

75. Publius Ovidius Naso (43 v. Chr. - 17 na Chr.), auteur van Metamorphoses (Gedaanteveranderingen), Fasti (Feestkalender), Tristia (Klaagzangen), Heroides (ook Epistulae genoemd, Liefdesbrieven) en Remedia amoris (Heelmiddelen tegen de liefde).

76. Publius Papinius Statius (circa 45-96) behandelt in de Thebais het verhaal van de strijd tussen Eteocles en Polynices, in de Achilleis het wedervaren van Achilles tot aan zijn vertrek naar Troje. Statius werd nog in de Middeleeuwen graag gelezen en door Dante als christen in het Purgatorio ondergebracht.

77. Hieronymus (circa 348-420), Augustinus (354-430), Ambrosius (circa 337-397), Gregorius van Nazianza (circa 329-394), Cyprianus (circa 200-258), Lactantius (circa 250-317) en Leo (de Grote, 5de eeuw) veel gelezen kerkvaders.

78. Thomas van Aquino (1225-1274), dominicaner theoloog en filosoof. Belangrijkste vertegenwoordiger van de scholastiek. Hij paste de Aristotelische beginselen toe op de christelijke theologie. Zijn hoofdwerk is de Summa Theologica.

79. Alexander van Ales (Hales) doceerde in het begin van de 13de eeuw theologie aan de universiteit van Parijs en werd later franciscaan. Cf. Abigail Ann Young, The Praefatio to the Postilla in Iohannis Euangelium of Alexander of Hales (1186?-1245), in Mediaeval Studies, v.52 (1990) 1-23.

80. Albertus Magnus (1206?-1280), theoloog en leraar van Thomas van Aquino.

81. Petrus van Blois (1070-1117?), studeerde rechten in Bologna en daarna theologie in Parijs. Van hem zijn o.a. veel brieven en preken bewaard gebleven en een Compendium in Job, een allegorische uitleg van het bijbelboek.

82. Nicolaus de Lyra (1270-1340), franciscaner theoloog, auteur van Postillae (exegesis) en Tractatus de differentia nostrae translationis ab Hebraica littera veteris testamenti.

83. Alanus van Lille (circa 1128-1203), leerling van Bernardus van Clairveaux, auteur van onder meer De arte fidei catholicae en Anti-Claudianus, een model van de goede en volkomen man.

84. Democritus (circa 460-370 v. Chr.) wijdde zich voornamelijk aan studie en stond aan het hoofd van een school te Abdera. Hij werkte een atoomtheorie uit en was beroemd om zijn encyclopedische kennis.

85. Diogenes van Apollonia (circa 440 v. Chr.) was natuurfilosoof en auteur van Over de Natuur.

86. Otium tgov. negotium: Petrarca (1304-1374) verdedigde een solitair leven (otium) waarin men door de klassieke teksten te bestuderen (studia humanitatis) zich innerlijk zuivert. In het voetspoor van humanisten als Coluccio Salutati (1331-1406), Leonardo Bruni (1369-1444) en Poggio Bracciolini (1380-1459) was Piccolomini een voorstander van actieve deelname aan het maatschappelijk leven (negotium) en beschouwde een teruggetrokken leven als asociaal, steriel en ongeletterd. Cf. De Verbeelding van het Denken, Uitg. Contact 1995, pag.216 e.v.

87. Aristoteles, EN1129b28.  Volgens een scholiast zou dit een citaat zijn uit de Melanippe, een verloren tragedie van Euripides.

88. Horatius, Ars Poetica v. 39/40.

89. Bias van Priene was een van de 7 Griekse wijzen uit de 6de eeuw voor Chr. De uitspraak "Het ambt toont de man" wordt aangehaald bij Arist. EN, V, 1129b16

90. Martialis, Epigramm. 11, 5, 3

91. Sallustius, Jug., 89, 7, 4.

92. M. Annaeus Lucanus, Bellum Civile 4, 375/6.

93. Iuvenalis, Sat. 4, 90/91

94. 2 Kon. 11:21.

95. 1 Kon. 11:3/4.

96. Ovidius, Met. 8, 183 e.v

97. Cic., De Officiis, 1, 32, 3 e.v.

98. Mythische naam voor de rivier de Po. Voor het verhaal van Phaëton zie Ovid., Met. 2, 31 e.v.

99. Volgens de overlevering is Lycurgus de ontwerper van de Spartaanse staatsinrichting en militair systeem.

100. Solon (circa 640-560 voor Chr.), Atheens staatsman en dichter, hervormde de staatsinrichting en voerde een nieuwe landverdeling en wetgeving in.

101. Publius Cornelius Scipio Africanus Maior, in de 2de Punische oorlog de overwinnaar van Hannibal in de slag bij Zama (202 voor Chr.), werd in 210 voor Chr. door de volksvergadering aangewezen om naar Spanje te gaan, waar in 211 zijn vader en zijn oom in de strijd tegen de Carthagers gesneuveld waren. Hij was de eerste privatus die het ambt van proconsul bekleed heeft.

102. Hamilcar Barcas vertrok als generaal met zijn jonge zoon Hannibal in 237 voor Chr. naar Spanje, waar hij in 228 stierf tijdens een militaire operatie.

103. Masinissa die aanvankelijk de zijde van de Carthagers gekozen had, werd door de diplomatie en vriendschap van Scipio Africanus Maior in 206 gewonnen voor de Romeinen. Hij stierf in 149 voor Chr. waarna zijn koninkrijk verdeeld werd tussen zijn beide zonen.

104. 1 Kon. 12:1-19.

105. 2 Kon. 8:26-27.

106. 2 Kon. 16:2.

107. 2 Kon. 21:1-2.

108. 2 Kon. 21:19-21.

109. 2 Kon. 21:23.

110. 2 Kon. 24:8.

111. 2 Kon. 23:36.

112. 2 Kon. 24:18-25:7.

113. 2 Kon. 22:1

114. Iuvenalis, Sat 3, 238. Claudius, de zoon van Drusus sliep na zijn overvloedige maaltijden met moeite in, hetgeen de spotlust van zijn omgeving wekte (Suetonius, Claudius, VIII).