Enea schrijft zijn vriend Wilhelm von Stein over dichtkunst (1 juni 1444)
 

De dichter Enea Silvio groet de geletterde en dappere ridder, de heer Wilhelm von Stein, hartelijk.

Vandaag heb ik jouw vriend, neen, mijn vriend of liever onze vriend Michael[1] op bezoek gehad. ‘Moet je horen, Enea,’ zei hij, ‘een uur geleden kwam iemand op mij af die snoefde dat hij voldoende kennis van het recht bezat om geen enkel debat met een Italiaan uit de weg te gaan, en noch de rechtsgeleerde uit Parma noch Ludovico, als hij nog leefde,[2] de zege te gunnen. Van Cino, Bartolo, Baldo, Johannes Andreae, Johannes ab Immola, Butrio, Fulgosius en alle moderne rechtsgeleerden[3] acht hij zich de meerdere, van Scaevola, Ulpianus, Nerva, Pomponius Paulus en Servius de gelijke.[4] Aan woorden geen gebrek, maar hoe gevat hij is, weet ik niet. In zijn gezelschap kun je alleen maar luisteren, niet praten. Meer dan vier uur heb ik met hem verkeerd en hij heeft mij geen moment gelegenheid gegeven iets in het midden te brengen. Hij is een cicade die, eenmaal aangeraakt, nooit meer zwijgt. Jij weet, wat voor een soort cicade. Niet een doorsnee-cicade die op bevel van Hercules stil valt, maar zoals een uit Locri die luider dan de anderen tekeer gaat.[5] Voor de dichtkunst koestert hij minachting en hij zou niet eens dankbaar zijn, als de goden hem met alle Muzen begiftigden. Want hij verkondigt dat er buiten wetskennis geen enkele wetenschap bestaat. Dichtkunst is in zijn ogen volkomen nutteloos, omdat er geen droog brood of kleding mee te verdienen valt. Alleen Justinianus en Hippocrates vullen de geldbuidel,[6] Lucanus zingt met lege maag in de tuinen en Horatius heeft al zijn maag gevuld, wanneer hij spreekt.[7] Mijn woede is gewekt bij zulke woorden, Wilhelm, parel der ridders, ik laat mijn gal vrij stromen, zo niet bij anderen, dan toch bij jou die over een juist oordeel beschikt. Ik geef niet af op de wetten, zoals hij op de Muzen, ook al had ik, om met Ovidius te spreken, de wetten breedsprakig kunnen noemen.[8] Ze zijn namelijk nuttig in zoverre zij het maatschappelijk leven aan banden leggen en omdat niet iedereen wijsgeer kan zijn, zodat hij onderscheidt wat men moet vermijden en wat volgen, zijn wetten uitgevaardigd die mensen voor ogen worden gehouden als een omheining waarbuiten geen enkel mens zich waagt te begeven. Niemand echter zal volmaakt worden door wetten, als hij zich niet heeft toegelegd op de wijsbegeerte, aangezien wetten niet kunnen voorzien in elk geval. Daarom is de vorst behoeder van de wet en houdt hij haar in evenwicht, in die zin dat hij een harde wet verzacht, maar een te slappe verordening aanscherpt. Vorsten zouden hierin nooit op de juiste wijze handelen, als zij geen volgelingen waren van de wijsbegeerte als leidsvrouw van het leven en verjaagster van het kwaad. Maar die koning van ons of liever ezel op twee benen[9], opgeblazen van eigendunk, plaatst de rechtswetenschap boven alles, stelt de moeder achter bij de dochter en de zee bij de rivieren. Hij behoort tot die blinde en stompzinnige mensen die, na vier of tien wetten uit het hoofd geleerd te hebben, zich geen mens, maar een god wanen, en wetten voor goddelijke orakels houden die Apollo of een nog hogere instantie, God zelf, door tussenkomst van Mozes gegeven heeft, of voor het evangelie, zoals wij de uitspraken van Christus noemen. Daarom ook, als zij horen dat de keizer iets gedaan heeft dat in strijd is met het geschreven recht, zwetsen zij dat het ongeldig is en niet telt. Alsof de vorst gehouden is de termen en spreekwijze van het gerechtshof in acht te nemen en gebonden is aan de wetten. De wetten zelf willen dat niet: zij stellen dat kracht van wet heeft wat de vorst behaagt. Maar deze dwaze en waanzinnige lieden weten niet dat billijkheid het bij een vorst wint van strengheid. Indien een vorst zich in bepaalde gevallen niet voegt naar het gecodificeerde recht, dan mag hij dat, omdat hij billijkheid betracht, waarover bij wijsgeren uitvoerig wordt geschreven, maar waar juristen geen oog voor hebben, als zij zich niet begeven tot de bron waaruit de wetten ontspringen, en in het voetspoor treden van die ervaren rechtsgeleerden, wier geschriften de geur dragen van wijsheid en redenaarskunst. Maar onze broodjagers en goudzoekers hebben nauwelijks begrip van de verzorgde spreekstijl van rechtsgeleerden en van wat zij bedoelen. Hoe zouden zij dat ook kunnen weten, als commentatoren de teksten niet regel voor regel uitlegden: ‘deze wet zegt dit, die dat’, waarbij zij hen volgen als blinden hun leider. Ik zou hier meer over kunnen zeggen, de verdediging echter van de poëzie roept mij. Hoewel, ik geloof dat die blaaskaak van ons daar niet op zit te wachten. Zwijnen immers geven niet om parels[10], de haan van Aesopus vond liever voedsel dan een amethist.[11] Jij veracht poëzie, ezel, jij versmaadt retorica, rund, jij gaat op de loop voor literatuur, schaapskop. Dan veracht de poëzie ook jou en zij laat je niet toe tot haar kring. In alles zo stompzinnig, ben je tot mijn verbazing wijs in dit ene: omdat je ziet dat de poëzie voor jou een gesloten en ontoegankelijk gebied is, zeg jij dat je er niets mee van doen wilt hebben. Dat is pas wijsheid. Nu zie ik dat jij een wijsgeer bent, want je begeert niet wat je niet kunt hebben. Het is dwaas te verlangen naar wat men niet kan krijgen. Jij gaat echter te ver en noemt de pracht die uitgaat van alle wetenschappen onzin. Een vos zag eens de ballen van een ezel hangen en geloofde dat ze aanstonds zouden vallen. Hij zag een lekker hapje en ging er achteraan. Na lang tevergeefs op het vallen van de ballen gewacht te hebben zei hij: ‘O wat zijn ze zwart, die ballen, ik had ze nooit kunnen verorberen.’[12] Voor jou, dwaas, is de poëzie zwart, omdat jij met je benevelde blik de glans ervan niet kunt waarnemen. Wijn smaakt een zieke niet, omdat zijn smaak is aangetast. Aan poëzie valt geen brood te verdienen, zeg jij. Voor Vergilius was zij vruchtbaar, voor Horatius die graag de vruchten wilde plukken van zijn werk was zij een rijke bron van inkomsten, Oppianus die de namen en de natuur der vissen heeft beschreven, is tot grote rijkdom gekomen.[13] En natuurlijk Leonardo van Arezzo,[14] Guarino,[15] Aurispa,[16] Panormita,[17] Antonio Loschi[18] en zoveel anderen. Hun bezit is vermeerderd en hun rijkdom steeds maar toegenomen, omdat zij de poëzie en welsprekendheid hebben beoefend. Nooit zal een goudzoeker jou zoveel verschaffen als Quintilianus aan Leonardo Bruni heeft opgeleverd.[19] Maar als dichters in jouw Duitsland niet in tel zijn, wijt dat dan niet aan de poëzie maar eerder aan de vorsten, voor wie futiliteiten meer betekenen dan literatuur. In Italië echter staan zulke bekwaamheden in aanzien en vorsten schamen zich niet naar poëzie te luisteren en er mee vertrouwd te zijn. Dat zal, hoop ik, ook ooit in Duitsland het geval zijn, of jij dat nu wilt of niet. Immers deze grond heeft in het verleden geleerde mannen voortgebracht en er leven hier nu velen die bekwaam zijn in de nieuwe stijl die ondanks jouw verzet en al barst jij van woede, de welsprekendheid onder de Duitsers zullen verbreiden. Want zij beschouwen de poëzie niet, zoals jij staande houdt, als iets nutteloos. Zij weten dat het gewin ervan groot is. Hoe zou immers vrede en vriendschap in landen gesmeed kunnen worden en in stand gehouden zonder welsprekendheid? En deze wordt door de poëzie gevoed. Of ken jij soms niet het groot belang van brieven, van geschiedschrijving, van redevoeringen? Door brieven wint de ene koning de ander, sluiten staten verdragen, spreekt men op afstand met elkaar. De geschiedschrijving, getuige van de tijd, licht van de waarheid en leermeesteres van het leven, verhaalt ons de gebeurtenissen uit het verleden.[20] Redevoeringen leiden de senaat, wijzen volkeren de weg, adviseren op het terrein van de wetten. Wie echter kan hier goed mee omgaan als hij niet bedreven is in poëzie en redekunst. Wat voor dank zijn Grieken en Trojanen haar niet verschuldigd, die, al tweeduizend jaar gestorven, nog steeds leven. Alexander de Grote kende het grote nut van dichters. Toen hij door Azië trok, kwam hij terecht bij de grafheuvel van Hector en sprak: ‘O gelukkige jongeman over wie zo de loftrompet gestoken is, doelend op de muze van Homerus. Alexander, de zoon van Amyntas, koning van Macedonië, was buitengewoon gesteld op de lyrische dichter Pindarus.[21] Zijn opvolger Archelaus hield zo van dichters dat hij de eerste plaats in zijn Raad toevertrouwde aan de tragediedichter Euripides. Hij stelde zich niet tevreden met het dragen van de kosten van zijn begrafenis, maar schoor zijn haren af als uitwendig teken van zielensmart.[22] Africanus Maior liet op zijn graf een standbeeld plaatsen van Quintus Ennius.[23] Toen de Spartaanse veldheer Lysander Athene belegerde, kondigde hij, omdat het lichaam van Sophocles nog niet ter aarde besteld was, een wapenstilstand af om de begrafenis van de dichter op passende en waardige wijze te laten plaatsvinden.[24] Julius Caesar, die vermaarde stichter van ons Romeinse Rijk, hield niet alleen van dichters maar wilde zelf dichter zijn en genoemd worden. Zo ook Octavianus Augustus. Daarom leven zij voort na hun dood, geen tijd zal hen vergeten. Als er vorsten zijn die liever paarden en honden onderhouden dan dichters, die leeuwen en beren vetmesten zonder de dichters een hap te gunnen, dan zal het hen vergaan als hun paarden en honden en zal na de dood hun naam niet groter zijn dan die van een beer of leeuw, zij zullen geheel van de aarde verdwijnen en zich geen roem verwerven door de gunst van de Muzen, om wie zij zich, net als jij, niet hebben bekommerd. De Oudheid heeft in haar voorzienigheid de dichtkunst zo hoog geschat dat zij, evenals een veldheer na de overwinning een triomftocht mocht houden en een rit door de stad in een praalwagen, dit ook voor een dichter wilde na de voltooiing van een werk, en beiden de lauwerkrans verleende als teken van waardigheid. Want zoals veldheren de burgers bevrijden van de vijand, behoeden en versterken de dichters de staat door de ondeugd af te keuren en de deugd te verheffen. Maar jij die groter bent dan Alexander de Grote, zegerijker dan Lysander, beter dan Scipio, verstandiger dan Julius Caesar, gelukkiger dan Augustus en wijzer dan heel de Oudheid, verklaart de dichtkunst voor nutteloos, omdat zij geen brood oplevert, geen goud, geen rijkdom? Het zij zoals jij zegt, toch zal dat de dichtkunst niet doen wijken voor jouw wetten, want terwijl jij op goud jaagt, jij minnaar van het slijk der aarde, liefhebber van deze wereld, is de dichter op zoek naar eer en roem en door de lofrijke daden en deugden van de hemelingen te bezingen wekt hij hun liefde en bereidt zich de weg naar de hemel. Jij zult met jouw goud en de rijkdom die jij najaagt, in jouw ogen het enige wat geluk schenkt, op aarde blijven en met het leven ook je ziel verliezen. Kennis van wetten, geloof mij, is niet voornamer dan kennis van poëzie. Ik weet dat je mij niet gelooft, maar de lichtgelovigheid van een dwaas laat de waarheid noch verschijnen noch verdwijnen. Cicero, de grootste Latijnse schrijver, verklaart dat dichters altijd zeldzaam zijn geweest, omdat deze begaafdheid een geschenk van God is die niet ieder wordt gegeven.[25] De overige kunsten kan men leren door studie, ijver en regels, het dichterschap bereikt slechts iemand die gezegend is met een goddelijke gave. Van juristen zie je hele kudden – onder hen een aantal uitblinken die men beschouwd als rechtsgeleerden en uitleggers van de wetten – die zich in hun gedrag in niets onderscheiden van de domme massa en wier ontwikkeling minder voorstelt dan die van een bok. Jij zult dat niet toegeven, want jij bent misschien nog bokkiger dan een bok. Ik ken een zekere Polino uit Milaan die als een licht gold in het burgerlijk recht. Hij wilde een gebouw laten zetten en had bouwlieden aangeworven. De balken die bestemd waren voor het plafond van de hal, lagen midden in het huis. Het was etenstijd. ‘Ga eten’, zei Polino, ‘ik heb intussen iets te doen.’ Nadat hij zijn werklieden had weggestuurd, nam hij de maat van de balken, hoe lang hij ze wilde hebben van wand tot wand. Na het vaststellen van de maten zaagde hij de balken af zonder rekening te houden met het deel van het hout dat in de muur moest zitten en verknoeide zo de bouw. Toch had hij onderwezen in het recht en vele jaren een leerstoel bekleed. Waarom heb jij toch zoveel waardering voor deze rechtsleer en stel je haar boven alles, terwijl ezels daarin leraar kunnen worden. Redenaar en dichter, als wij Cicero meer mogen geloven dan jou, zal slechts iemand worden die een verstandig en goed man is en die kennis heeft opgedaan in veel wetenschappen. Daardoor komt het dat dichters altijd zeldzaam zijn geweest en redenaars zeldzaam. Jij zult wijs handelen, als je niet verlangt tot hen te behoren, omdat je dat niet kunt, en dwaas, als je veracht wat grote mannen hebben aangeprezen.
 Laat dit tot die ezel van ons gezegd zijn. Maar jij, Wilhelm, minnaar van de wetenschappen, als je ooit dit soort mensen hoort, kies partij voor de dichtkunst en toon je een vereerder van deze goddelijke gave. Je ziet hoe gemakkelijk het is zulke zwamneuzen de mond te snoeren, ze als vlooien tussen je nagels fijn te knijpen. Sta niet toe dat zij de goddelijke dichtkunst die, zoals Cicero ons leert, van alle wetenschappen als eerste is uitgevonden, met bezoedelde lippen in een kwaad daglicht stellen, verdedig deze schitterende meesteres. Als jij haar beschermer bent, zal jouw naam onsterfelijk zijn en zal men jou aantreffen niet alleen in mijn brieven, die toch niet zo spoedig in vergetelheid zullen raken, maar ook in de geschriften van voornamere dichters.
Vaarwel. Beveel mij aan bij de verheven vorst, hertog Albrecht,
[26] en omdat jij zijn raadgever bent, spoor hem aan om de studie van de letteren niet te verwaarlozen. Nogmaals vaarwel. Wenen, 1 juni 1444.


 

[1] Bedoeld is Michael Pfullendorf. Enea was met Michael goed bevriend, ook vanwege diens humanistische belangstelling, hoewel er een verwijdering ontstond, toen na Enea’s publicatie van de pikante komedie Chrysis in oktober 1444 de serieuze Michael zich kritisch uitliet de inhoud. Het kwam weer goed en in 1450 – inmiddels was Tommaso Parentucelli paus geworden onder de naam Nicolaas V – werd Enea samen met Michael Pfullendorf door Frederik III naar Italië gezonden om een huwelijk van de keizer met Eleonora van Portugal, nicht van koning Alfonso van Aragon en Sicilië, voor te bereiden. Op terugweg van Napels via Rome, waar Enea door zijn oude vriend Nicolaas V tot bisschop van Siena werd benoemd, deden ze Siena aan (januari 1451), dat zijn landgenoot en nieuwe bisschop hartelijk welkom heette. Bij een volgend bezoek echter (oktober 1451) werd Enea veel minder enthousiast ontvangen. Michael Pfullendorf kreeg koorts en stierf, waarop Enea voor zijn vriend een luisterrijke begrafenis en bijzetting in de dom van Siena verzorgde ; zie ook Comm. I,22.

[2] Respectievelijk: Niccolo dei Tudeschi († 1445), in 1418 professor te Parma en van 1419 tot 1430 te Siena; Ludovico Romano (1407-1439), vanaf 1433 professor te Siena.

[3] Bedoeld zijn Cino dei Singibuldi uit Pistoia († 1336), vriend van Petrarca en Boccacio, professor te Perugia en Bologna. Bartolo uit Sassoferrato († 1357), leerling van Cino en professor te Pisa. Baldo uit Perugia, geb. 1319, leerling van Bartolo en Petrucci te Siena, professor te Perugia en Padua. Johannes Andreae († 1348) geleerde in het kanoniek recht, professor in Pisa en Bologna. Johannes ab Imola († 1436), professor te Ferrara in 1402, later te Bologna. Antonio Butrio, professor in kanoniek recht te Bologna vanaf 1387 tot zijn dood in 1408. Raphael Fulgosius uit Piacenza († 1431) nam deel aan Concilie van Konstanz en was professor te Padua.

[5] Plinius, Naturalis Historia 11, 95.

[6] Enea doelt op de juristen (die zich baseren op het Romeinse recht van Justinianus) en de artsen die in het voetspoor treden van de Griekse arts Hippocrates.

[7] Zie voor deze discrepantie Juvenalis, Saturae 7,62 (Horatius) en 79 (Lucanus).

[8] Ovidius, Amores 1,15,5.

[9] Cf. het middeleeuwse spreekwoord (toegeschreven aan Helinandus van Froidmont, 12de/13de eeuw): rex illiteratus est quasi asinus coronatus (een ongeletterde koning is als een gekroonde ezel).

[10] Mattheüs 7:6.

[11] De fabels van de Griekse dichter Aesopus werden in de Middeleeuwen gelezen in de Latijnse bewerking door Phaedrus, de Fabulae Aesopiae.

[12] Cf. Erasmus Libri antibarbarorum, 78, 435 : ‘zij begon de ballen van de ezel pas te verafschuwen, toen ze haar hoop liet varen’ (Illa enim asini testiculos tum demum coepit abominari, posteaquam sperare desiit).

[13] Oppianus (eind tweed eeuw), auteur van een leerdicht in verzen: Halieutica. Caracalla zou hem voor ieder vers met een goudstuk beloond hebben.

[14] Leonardo Bruni (1370-1444) ; cf. http://en.wikipedia.org/wiki/Leonardo_Bruni.

[15] Guarino da Verona (1370-1460), leerling van Manuel Chrysoloras, was een van de pioniers van Griekse studies in West-Europa. Hij werd leermeester van Leonello d’Este, heer van Ferrara ; cf. http://en.wikipedia.org/wiki/Guarino_da_Verona.

[16] Giovanni Aurispa (1376-1459), Italiaans historicus en geleerde ; vooral bekend als propagator van Griekse studies in Italië ; cf. http://en.wikipedia.org/wiki/Giovanni_Aurispa.

[17] Antonio Beccadelli, bijgenaamd Il Panormita (1394-1471), dichter, rechtsgeleerde in het canoniek recht, diplomaat en kroniekschrijver; vanaf 1434 verbleef hij aan het hof van koning Alfonso van Aragon in Napels; cf. http://en.wikipedia.org/wiki/Antonio_Beccadelli.

[18] Antonio Loschi uit Vicenza (1368-1441) ; cf. http://www.italica.rai.it/rinascimento/parole_chiave/schede/loschiantonio.htm.

[19] Leonardo Bruni is, mede dank zij zijn retorisch talent twee maal (1410-1411 en 1427-1444) kanselier van Florence geweest.

[20] Cicero, De oratore 2,9,36.

[21] Solinus 9,13-14. Alexander I, Philhellenos, koning van Macedonië (498 tot 454 v. Chr.).

[22] Solinus 9,15.

[23] Solinus 1,122; Plinius, Naturalis historia 7,114. Publius Cornelius Scipio Africanus Maior, de overwinnaar van Hannibal bij Zama in 202 v. Chr. Ennius: Romeins dichter (239-169 v. Chr.), vriend van Africanus.

[24] In 404 v. Chr. Solinus 1,118-119; Plinius, Naturalis Historia 7,109.

[25] Enea haalt Cicero aan die in zijn Pro Archia, de in de Renaissance zeer veel gelezen verdedigingsrede voor de dichter Archias, in feite een verdediging van de dichtkunst voert; zie voor de tekst (en vertaling) van deze rede http://www.forumromanum.org/literature/cicero/arche.html#30. 

[26] Albrecht III Achilles (1414-1486), zoon van Frederick van Hohenzollern; cf. http://nl.wikipedia.org/wiki/Albrecht_Achilles_van_Brandenburg.

 

 

Eneas Silvius poeta domino Wilhelmo de Lapide, militi litterato et strenuo, salutem plurimam dicit.

Venit ad me hodie tuus Michael meusque, imo noster. et heus tu, inquit, Enea, vir abhinc hora me aggressus est, qui se tantam juris peritiam jactat habere, ut nullius Italici disputationem formidet, nec Panormitano nec Ludovico Romano, si viveret, palmam daret. Cinum, Bartholum, Baldum, Johannem Andree, Imolensem, Butrium, Fulgiosos omnesque novos legum interpretes post se facit, inter Scevolam, Vulpianum, Nervam, Pomponium, Paulum, Serviumque se locat, multorum verborum est, sed quantum salis habeat, non scio. qui eum secuntur, audire magis quam loqui possunt. horis plus quatuor secum fui, nunquam mihi vacuum tempus prebuit, quo aliquid dicerem. cicada est, que ut tacta fuerit semel, nunquam silet. scis, qualem cicadam. non ut in greginis sunt, que jussu Herculis tacent, sed ut Locrenses sunt, que ultra ceteras strepunt. is poeticam contempnit, nec si dii musas ei omnes infunderent, gratias ageret, quia preter legum peritiam nullam esse scientiam predicat. poeticam vero prorsus inutilem esse contendit, quia nec panem lucratur nec vestitum. solus Justinianus et Ipocras marsupium implent, jejunus cantat Lucanus in ortis, et satur est, cum dicit Oratius, ne stomacatus sum. dum hec audio, Wilhelme militum decus, nec me comprimere possum, quin bilem expuam, si non cum aliis saltem tecum, qui judicium habes rectum. non vitupero leges, ut ille musas, quamvis Ovidii verbo usus, verbosas leges dicere potuissem. sunt enim utiles que constringunt hominum vitas et quia non potest quilibet esse philosophus, ut quid vitandum quidque sequendum sit agnoscat, edite leges sunt, ante hominum oculos posite, tanquam cancelli quidam, ultra quos progredi nullus audeat. legibus tamen nemo perfectus fiet, nisi philosophie studiis incubuerit, quia non possunt omnem casum complecti leges. ideo princeps moderator est legis epicheiamque habet, ut duram mollificet, laxam vero sanctionem restringat, quod nunquam recte principes agent, nisi magistram vite expultricemque vitiorum secuti fuerint philosophiam. sed hic noster monarcha vel bipes asellus potius, inflatus opinione sui, civilem scientiam omnibus prefert, matrem filie postponit et fluminibus mare. is est ex illis cecis et obtusis hominibus, qui postquam leges quatuor aut decem memorie commendarunt, jam non amplius homines sed deos se putant legesque divina censent oracula, que vel Apollo vel Apolline major deus ipse per Moysem tradiderit aut qualia sunt Christi responsa, que nos evangelia nuncupamus. ac propterea, si quid egisse cesarem audiunt, quod juri scripto contrarietur, id irritum garriunt nulliusque esse momenti, quasi obnoxius sit princeps, terminos curie et stilum servare ligatusque legibus sit, quod nec ipse leges volunt, que legis vigorem dicunt habere, quicquid principi placuit. sed nesciunt hii stulti atque dementes, equitatem plus in principe locum habere quam rigorem. quod si non juri scripto cesar nonnunquam obtemperet, satis est, quia sequitur equitatem, apud philosophos late descriptam, quam nulli juriste discernere possunt, nisi ad fontem veniant, unde leges scaturiunt imitenturque peritissimos illos jurisconsultos, quorum scripta et philosophiam et oratoriam redolent. sed nostri panis questores et auri corrasores vix intelligunt ornatum jurisconsultorum sermonem neque, quid illi vellent, quovis pacto scirent, nisi commentatores sententias textuum exponerent, hoc dicit ista lex, hoc illa, quos isti secuntur, ut ceci ductorem suum. dicerem plura in hanc partem, sed vocat me defensio poesis, quam noster rabulus non desiderat. credo equidem, nam nec sues margaritas curant, gallus Esopi jaspidem contempsit escamque magis quam iacinctum invenire voluisset. contempnis, asine, poesim, spernis causas, bos, fugis humanitatis studia, caper. contempnit et poesis te, nec te choros suos intrare permittet. in omnibus cum sis fatuus, miror in hoc uno te esse sapientem, qui cum videas obseratam tibi atque abditam poesim, nolle te suum commercium dicis. sapere hoc est. nunc te philosophum video, quia non cupis, quod non potes habere. stultum est desiderare, quod assequi nequeas. tu tamen ultra progrederis scientiarumque omnium splendorem vocas ineptias. vidit pendentes aselli testiculos vulpecula et prope casuros credidit. secuta est predam sperans, at postquam diu frustrata est, quia non cadebant testes, o quam, inquit, nigri sunt, nunquam illos esse potuissem. nigra est tibi poesis, stulte, quia candorem ejus obnubilatis oculis non vides. non sapit egroto vinum, quia lesus est gustus, non est de pane lucrando dicis. tibi nunquam lucrari panem poesis posset, quia crassis ingeniis nubilosisque mentibus non potest fructum prestare. Virgilio frugifer fuit, Oratio admodum pinguis, qui frui partis optabat, Opianus, qui nomina piscium naturasque descripsit, magnas opes est assecutus. quid novi Leonardus Aretinus, Guarinus, Aurispa, Panormitanus, Antonius Luscus pluresque alii? hiis et patrimonia sunt ampliata et opes accumulate quam plures, quia poesim et oratoriam sunt secuti. nec tibi unquam tantum auri speculator prebebit, quantum Quintilianus Aretino tribuit. quod si apud hanc tuam Germaniam non sunt in pretio, vates, non poesim sed principes potius argue, quibus levissimarum rerum major est cura, quam litterarum. apud Italos autem florent hujusmodi facultates nec erubescunt principes audire et nosse poeticam. idem spero, quamquam tu nolles, et in Germania futurum aliquando, quia et olim viros doctos hec terra tulit et jam plerosque novi dicendi peritos, qui te invito, etiam si tibi rumpantur ilia, eloquentiam inter Germanos seminabunt. nec enim inutilem rentur, ut tu asseris, poesim sciunt ex hac maximum gigni frumentum. quomodo enim pacari provincie et amicitie vel conflari vel integrari possent, nisi facundia foret, quam poesis alit? an nescis, quantus est epistolarum usus, quantus historiarum, quantus orationum? rex regi per litteras conciliatur, civitates federa percutiunt, absentes cum absentibus fabulant. historia nobis res gestas refert, que testis est temporum, lux veritatis et vite magistra, orationes senatum regunt, populos ducunt, leges suadent. sed quis hec bene agat, nisi poeticis et oratoriis imbutus disciplinis? quas preterea grates referre Homero debent Greci atque Trojani, qui jam duobus annorum milibus mortui adhuc vivunt? novit, quanta sit utilitas poetarum, Alexander magnus, cui per Asiam iter facienti obviam tumulus Hectori fieret. o fortunate, inquit, adolescens, quem tanta decantavit tuba, Homeri sed musam designans. Alexander, Aminthe filius, rex Macedonum, Pindarum poetam liricum apprime dilexit. Archelaus, ejus successor, in tantum poetas amavit, ut Euripidi tragico consiliorum summam crederet, cujus suprema non contentus prosequi sumptu funeris crines tonsus est et merorem, quem animo conceperat, vultu indicavit. Africanus prior Quinti Ennii statuam sepulchro suo jussit imponi. Lysander, Lacedemoniorum dux, cum obsideret Athenas, quia Sophoclis inhumatum corpus jacebat, indutias dedit, ut congrue et digne poete exequie fierent. Julius ille cesar, qui nobis Romanorum imperium peperit, non solum poetas amavit sed fieri etiam et dici poeta voluit. idem et Augustus Octavianus. ac propterea mortui vivunt, nec ulla istorum etas immemor erit. quod si nonnulli principes equos potius et canes alere quam poetas volunt et multa carne leones ursosque pascunt, intestinis poetarum nichil prebentes, talis erit eorum obitus, qualis equorum et canum, nec post mortem majus erit istorum nomen, quam ursi atque leonis; integri morientur nec beneficio musarum famam sibi vendicabunt, quas tuo ex more nichil curaverunt. antiquitas provida tanti poeticam fecit, ut tam poetas post editum opus quam imperatores post victoriam triumphare et curru magnifico duci per urbes voluerit communeque illis dignitatis insigne prebuerit lauram, quoniam sicut ab hostibus imperatores liberant cives, sic vitia fulminantes et virtutes extollentes poete civitates custodiunt et amplificant. at tu, major Alexandro magno, Lysandro victoriosior, melior Scipione, prudentior Julio, Augusto fortunatior et omni antiquitate sapientior, inutilem poeticam dicis, quia nichil panis affert, nil auri, nichil divitiarum? esto, quod vis, non tamen idcirco legibus tuis poetica cedet, nanque dum tu aurum petis, avare, fecis amator, mundi cultor, poeta honorem famamque queritat et cantans superum laudes virtutesque excitans amorem iter sibi facit in celum. tu cum auro et divitiis quas sequeris, quasque solas dare beatitudinem putas, in terra manebis et animam simul et vitam perdes. non est, mihi crede, noscere leges quam poeticam majus. scio, quia non credis, sed stulti credulitas nec dat verum nec aufert. Cicero, qui fuit lingue latine princeps, semper poetas fuisse raros testatur, quoniam hec facultas donum dei est, quod non omnibus datur. artes cetere studio, diligentia preceptionibusque possunt apprehendi, hanc nemo assequitur nisi divino munere preditus. tute vides juristarum greges, inter quos plures excellunt, habenturue doctores et legum interpretes, quorum mores nichil a brutis distant, qui res humanas minus quam capre norunt. tu non fateberis hoc, qui fortasse caprior es capris. ego Polinum novi Mediolanensem, qui lumen habitus est juris civilis. is facturus edificium magistros conduxerat. trabes in edium medio erant, quibus laquear aule construi debebat. tempus cenandi fuit. ite, inquit Polinus, comedite, ego interim aliquid operis faciam. illis amotis trabes metitur, quam longas vult ex pariete in parietem. mensura recepta, nec quod intra murum ligni pars esse deberet animadvertit scinditque trabes et perdidit edificium. is tamen juris preceptor erat multisque annis cathedram regerat. quid tu mihi hanc disciplinam juris tantopere laudas et omnibus prefers, cujus asini possunt effici preceptores. orator atque poeta, si Ciceroni plus quam tibi credere volumus, nullus erit nisi et prudens et bonus multarum scientiarum peritiam fuerit assecutus atque idcirco rari semper poete rarique oratores fuere, in quorum numero facis sapienter, si non desideras esse, quia uon potes, stulte, si contempnis, quod tanti viri commendaverunt. hec ad nostrum asellum sint dicta. tu, Wilhelme, disciplinarum amator, si unquam hosce homines audiveris, suscipe poetice partes et ostende te hujus divini muneris cultorem. vides, quam facile sit, has picas convincere, hos tanquam pullices inter ungues comprimere. nec sine, ut divinam poeticam, que, ut Cicero tradit, omnium doctrinarum est prior inventa, pollutis arguant labiis, defende hanc pulcerrimam dominam, cui si presidio fueris, nomen habebis eternum et non solum inter meas epistolas, que tamen non sunt cito casure, sed inter scripta potiorum vatuum invenieris legendus. vale et illustrissimo principi, domino duci Alberto, me commendatum facito et quia consiliarius ejus es, admone illum, ne litterarum studia contempnat. iterum atque iterum vale. ex Vienna, 1. Kalendis junii 1444.

 

 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen