|
De dichter
Enea Silvio groet de geletterde en dappere ridder, de heer Wilhelm von
Stein, hartelijk.
Vandaag heb ik
jouw vriend, neen, mijn vriend of liever onze vriend Michael
op bezoek gehad. ‘Moet je horen, Enea,’ zei hij, ‘een uur geleden kwam
iemand op mij af die snoefde dat hij voldoende kennis van het recht bezat om
geen enkel debat met een Italiaan uit de weg te gaan, en noch de
rechtsgeleerde uit Parma noch Ludovico, als hij nog leefde,
de zege te gunnen. Van Cino, Bartolo, Baldo, Johannes
Andreae, Johannes ab Immola,
Butrio, Fulgosius en alle moderne rechtsgeleerden
acht hij zich de meerdere, van Scaevola, Ulpianus, Nerva, Pomponius Paulus
en Servius de gelijke.
Aan woorden geen gebrek, maar hoe gevat hij is, weet ik niet. In zijn
gezelschap kun je alleen maar luisteren, niet praten. Meer dan vier uur heb
ik met hem verkeerd en hij heeft mij geen moment gelegenheid gegeven iets in
het midden te brengen. Hij is een cicade die, eenmaal aangeraakt, nooit meer
zwijgt. Jij weet, wat voor een soort cicade. Niet een doorsnee-cicade die op
bevel van Hercules stil valt, maar zoals een uit Locri die luider dan de
anderen tekeer gaat.
Voor de dichtkunst koestert hij minachting en hij zou niet eens dankbaar
zijn, als de goden hem met alle Muzen begiftigden. Want hij verkondigt dat
er buiten wetskennis geen enkele wetenschap bestaat. Dichtkunst is in zijn
ogen volkomen nutteloos, omdat er geen droog brood of kleding mee te
verdienen valt. Alleen Justinianus en Hippocrates vullen de geldbuidel,
Lucanus zingt met lege maag in de tuinen en Horatius heeft al zijn maag
gevuld, wanneer hij spreekt.
Mijn woede is gewekt bij zulke woorden, Wilhelm, parel der ridders, ik laat
mijn gal vrij stromen, zo niet bij anderen, dan toch bij jou die over een
juist oordeel beschikt. Ik geef niet af op de wetten, zoals hij op de Muzen,
ook al had ik, om met Ovidius te spreken, de wetten breedsprakig kunnen
noemen.
Ze zijn namelijk nuttig in zoverre zij het
maatschappelijk leven aan banden leggen en omdat niet iedereen wijsgeer kan
zijn, zodat hij onderscheidt wat men moet vermijden en wat volgen, zijn
wetten uitgevaardigd die mensen voor ogen worden gehouden als een omheining
waarbuiten geen enkel mens zich waagt te begeven. Niemand echter zal
volmaakt worden door wetten, als hij zich niet heeft toegelegd op de
wijsbegeerte, aangezien wetten niet kunnen voorzien in elk geval. Daarom is
de vorst behoeder van de wet en houdt hij haar in evenwicht, in die zin dat
hij een harde wet verzacht, maar een te slappe verordening aanscherpt.
Vorsten zouden hierin nooit op de juiste wijze handelen, als zij geen
volgelingen waren van de wijsbegeerte als leidsvrouw van het leven en
verjaagster van het kwaad. Maar die koning van ons of liever ezel op twee
benen,
opgeblazen van eigendunk, plaatst de rechtswetenschap boven alles, stelt de
moeder achter bij de dochter en de zee bij de rivieren. Hij behoort tot die
blinde en stompzinnige mensen die, na vier of tien wetten uit het hoofd
geleerd te hebben, zich geen mens, maar een god wanen, en wetten voor
goddelijke orakels houden die Apollo of een nog hogere instantie, God zelf,
door tussenkomst van Mozes gegeven heeft, of voor het evangelie, zoals wij
de uitspraken van Christus noemen. Daarom ook, als zij horen dat de keizer
iets gedaan heeft dat in strijd is met het geschreven recht, zwetsen zij dat
het ongeldig is en niet telt. Alsof de vorst gehouden is de termen en
spreekwijze van het gerechtshof in acht te nemen en gebonden is aan de
wetten. De wetten zelf willen dat niet: zij stellen dat kracht van wet heeft
wat de vorst behaagt. Maar deze dwaze en waanzinnige lieden weten niet dat
billijkheid het bij een vorst wint van strengheid. Indien een vorst zich in
bepaalde gevallen niet voegt naar het gecodificeerde recht, dan mag hij dat,
omdat hij billijkheid betracht, waarover bij wijsgeren uitvoerig wordt
geschreven, maar waar juristen geen oog voor hebben, als zij zich niet
begeven tot de bron waaruit de wetten ontspringen, en in het voetspoor
treden van die ervaren rechtsgeleerden, wier geschriften de geur dragen van
wijsheid en redenaarskunst. Maar onze broodjagers en goudzoekers hebben
nauwelijks begrip van de verzorgde spreekstijl van rechtsgeleerden en van
wat zij bedoelen. Hoe zouden zij dat ook kunnen weten, als commentatoren de
teksten niet regel voor regel uitlegden: ‘deze wet zegt dit, die dat’,
waarbij zij hen volgen als blinden hun leider. Ik zou hier meer over kunnen
zeggen, de verdediging echter van de poëzie roept mij. Hoewel, ik geloof dat
die blaaskaak van ons daar niet op zit te wachten. Zwijnen immers geven niet
om parels,
de haan van Aesopus vond liever voedsel dan een amethist.
Jij veracht poëzie, ezel, jij versmaadt retorica, rund, jij gaat op de loop
voor literatuur, schaapskop. Dan veracht de poëzie ook jou en zij laat je
niet toe tot haar kring. In alles zo stompzinnig, ben je tot mijn verbazing
wijs in dit ene: omdat je ziet dat de poëzie voor jou een gesloten en
ontoegankelijk gebied is, zeg jij dat je er niets mee van doen wilt hebben.
Dat is pas wijsheid. Nu zie ik dat jij een wijsgeer bent, want je begeert
niet wat je niet kunt hebben. Het is dwaas te verlangen naar wat men niet
kan krijgen. Jij gaat echter te ver en noemt de pracht die uitgaat van alle
wetenschappen onzin. Een vos zag eens de ballen van een ezel hangen en
geloofde dat ze aanstonds zouden vallen. Hij zag een lekker hapje en ging er
achteraan. Na lang tevergeefs op het vallen van de ballen gewacht te hebben
zei hij: ‘O wat zijn ze zwart, die ballen, ik had ze nooit kunnen
verorberen.’
Voor jou, dwaas, is de poëzie zwart, omdat jij met je benevelde blik de
glans ervan niet kunt waarnemen. Wijn smaakt een zieke niet, omdat zijn
smaak is aangetast. Aan poëzie valt geen brood te verdienen, zeg jij. Voor
Vergilius was zij vruchtbaar, voor Horatius die graag de vruchten wilde
plukken van zijn werk was zij een rijke bron van inkomsten, Oppianus die de
namen en de natuur der vissen heeft beschreven, is tot grote rijkdom
gekomen.
En natuurlijk Leonardo van Arezzo,
Guarino,
Aurispa,
Panormita,
Antonio Loschi
en zoveel anderen. Hun bezit is vermeerderd en hun rijkdom steeds maar
toegenomen, omdat zij de poëzie en welsprekendheid hebben beoefend. Nooit
zal een goudzoeker jou zoveel verschaffen als Quintilianus aan Leonardo
Bruni heeft opgeleverd.
Maar als dichters in jouw Duitsland niet in tel zijn, wijt dat dan niet aan
de poëzie maar eerder aan de vorsten, voor wie futiliteiten meer betekenen
dan literatuur. In Italië echter staan zulke bekwaamheden in aanzien en
vorsten schamen zich niet naar poëzie te luisteren en er mee vertrouwd te
zijn. Dat zal, hoop ik, ook ooit in Duitsland het geval zijn, of jij dat nu
wilt of niet. Immers deze grond heeft in het verleden geleerde mannen
voortgebracht en er leven hier nu velen die bekwaam zijn in de nieuwe stijl
die ondanks jouw verzet en al barst jij van woede, de welsprekendheid onder
de Duitsers zullen verbreiden. Want zij beschouwen de poëzie niet, zoals jij
staande houdt, als iets nutteloos. Zij weten dat het gewin ervan groot is.
Hoe zou immers vrede en vriendschap in landen gesmeed kunnen worden en in
stand gehouden zonder welsprekendheid? En deze wordt door de poëzie gevoed.
Of ken jij soms niet het groot belang van brieven, van geschiedschrijving,
van redevoeringen? Door brieven wint de ene koning de ander, sluiten staten
verdragen, spreekt men op afstand met elkaar. De geschiedschrijving, getuige
van de tijd, licht van de waarheid en leermeesteres van het leven, verhaalt
ons de gebeurtenissen uit het verleden.
Redevoeringen leiden de senaat, wijzen volkeren de weg, adviseren op het
terrein van de wetten. Wie echter kan hier goed mee omgaan als hij niet
bedreven is in poëzie en redekunst. Wat voor dank zijn Grieken en Trojanen
haar niet verschuldigd, die, al tweeduizend jaar gestorven, nog steeds
leven. Alexander de Grote kende het grote nut van dichters. Toen hij door
Azië trok, kwam hij terecht bij de grafheuvel van Hector en sprak: ‘O
gelukkige jongeman over wie zo de loftrompet gestoken is, doelend op de muze
van Homerus. Alexander, de zoon van Amyntas, koning van Macedonië, was
buitengewoon gesteld op de lyrische dichter Pindarus.
Zijn opvolger Archelaus hield zo van dichters dat hij de eerste plaats in
zijn Raad toevertrouwde aan de tragediedichter Euripides. Hij stelde zich
niet tevreden met het dragen van de kosten van zijn begrafenis, maar schoor
zijn haren af als uitwendig teken van zielensmart.
Africanus Maior liet op zijn graf een standbeeld plaatsen van Quintus Ennius.
Toen de Spartaanse veldheer Lysander Athene belegerde, kondigde hij, omdat
het lichaam van Sophocles nog niet ter aarde besteld was, een wapenstilstand
af om de begrafenis van de dichter op passende en waardige wijze te laten
plaatsvinden.
Julius Caesar, die vermaarde stichter van ons Romeinse Rijk, hield niet
alleen van dichters maar wilde zelf dichter zijn en genoemd worden. Zo ook
Octavianus Augustus. Daarom leven zij voort na hun dood, geen tijd zal hen
vergeten. Als er vorsten zijn die liever paarden en honden onderhouden dan
dichters, die leeuwen en beren vetmesten zonder de dichters een hap te
gunnen, dan zal het hen vergaan als hun paarden en honden en zal na de dood
hun naam niet groter zijn dan die van een beer of leeuw, zij zullen geheel
van de aarde verdwijnen en zich geen roem verwerven door de gunst van de
Muzen, om wie zij zich, net als jij, niet hebben bekommerd. De Oudheid heeft
in haar voorzienigheid de dichtkunst zo hoog geschat dat zij, evenals een
veldheer na de overwinning een triomftocht mocht houden en een rit door de
stad in een praalwagen, dit ook voor een dichter wilde na de voltooiing van
een werk, en beiden de lauwerkrans verleende als teken van waardigheid. Want
zoals veldheren de burgers bevrijden van de vijand, behoeden en versterken
de dichters de staat door de ondeugd af te keuren en de deugd te verheffen.
Maar jij die groter bent dan Alexander de Grote, zegerijker dan Lysander,
beter dan Scipio, verstandiger dan Julius Caesar, gelukkiger dan Augustus en
wijzer dan heel de Oudheid, verklaart de dichtkunst voor nutteloos, omdat
zij geen brood oplevert, geen goud, geen rijkdom? Het zij zoals jij zegt,
toch zal dat de dichtkunst niet doen wijken voor jouw wetten, want terwijl
jij op goud jaagt, jij minnaar van het slijk der aarde, liefhebber van deze
wereld, is de dichter op zoek naar eer en roem en door de lofrijke daden en
deugden van de hemelingen te bezingen wekt hij hun liefde en bereidt zich de
weg naar de hemel. Jij zult met jouw goud en de rijkdom die jij najaagt, in
jouw ogen het enige wat geluk schenkt, op aarde blijven en met het leven ook
je ziel verliezen. Kennis van wetten, geloof mij, is niet voornamer dan
kennis van poëzie. Ik weet dat je mij niet gelooft, maar de lichtgelovigheid
van een dwaas laat de waarheid noch verschijnen noch verdwijnen. Cicero, de
grootste Latijnse schrijver, verklaart dat dichters altijd zeldzaam zijn
geweest, omdat deze begaafdheid een geschenk van God is die niet ieder wordt
gegeven.
De overige kunsten kan men leren door studie, ijver en regels, het
dichterschap bereikt slechts iemand die gezegend is met een goddelijke gave.
Van juristen zie je hele kudden – onder hen een aantal uitblinken die men
beschouwd als rechtsgeleerden en uitleggers van de wetten – die zich in hun
gedrag in niets onderscheiden van de domme massa en wier ontwikkeling minder
voorstelt dan die van een bok. Jij zult dat niet toegeven, want jij bent
misschien nog bokkiger dan een bok. Ik ken een zekere Polino uit Milaan die
als een licht gold in het burgerlijk recht. Hij wilde een gebouw laten
zetten en had bouwlieden aangeworven. De balken die bestemd waren voor het
plafond van de hal, lagen midden in het huis. Het was etenstijd. ‘Ga eten’,
zei Polino, ‘ik heb intussen iets te doen.’ Nadat hij zijn werklieden had
weggestuurd, nam hij de maat van de balken, hoe lang hij ze wilde hebben van
wand tot wand. Na het vaststellen van de maten zaagde hij de balken af
zonder rekening te houden met het deel van het hout dat in de muur moest
zitten en verknoeide zo de bouw. Toch had hij onderwezen in het recht en
vele jaren een leerstoel bekleed. Waarom heb jij toch zoveel waardering voor
deze rechtsleer en stel je haar boven alles, terwijl ezels daarin leraar
kunnen worden. Redenaar en dichter, als wij Cicero meer mogen geloven dan
jou, zal slechts iemand worden die een verstandig en goed man is en die
kennis heeft opgedaan in veel wetenschappen. Daardoor komt het dat dichters
altijd zeldzaam zijn geweest en redenaars zeldzaam. Jij zult wijs handelen,
als je niet verlangt tot hen te behoren, omdat je dat niet kunt, en dwaas,
als je veracht wat grote mannen hebben aangeprezen.
Laat dit tot die ezel van ons gezegd zijn. Maar jij, Wilhelm, minnaar van
de wetenschappen, als je ooit dit soort mensen hoort, kies partij voor de
dichtkunst en toon je een vereerder van deze goddelijke gave. Je ziet hoe
gemakkelijk het is zulke zwamneuzen de mond te snoeren, ze als vlooien
tussen je nagels fijn te knijpen. Sta niet toe dat zij de goddelijke
dichtkunst die, zoals Cicero ons leert, van alle wetenschappen als eerste is
uitgevonden, met bezoedelde lippen in een kwaad daglicht stellen, verdedig
deze schitterende meesteres. Als jij haar beschermer bent, zal jouw naam
onsterfelijk zijn en zal men jou aantreffen niet alleen in mijn brieven, die
toch niet zo spoedig in vergetelheid zullen raken, maar ook in de
geschriften van voornamere dichters.
Vaarwel. Beveel mij aan bij de verheven vorst,
hertog Albrecht,
en omdat jij zijn raadgever bent, spoor hem aan om de studie van de letteren
niet te verwaarlozen. Nogmaals vaarwel. Wenen, 1 juni 1444.
|
Eneas Silvius poeta domino Wilhelmo de
Lapide, militi litterato et strenuo, salutem plurimam dicit.
Venit ad me hodie tuus Michael meusque, imo
noster. et heus tu, inquit, Enea, vir abhinc hora me aggressus est, qui se tantam juris
peritiam jactat habere, ut nullius Italici disputationem formidet, nec Panormitano nec
Ludovico Romano, si viveret, palmam daret. Cinum, Bartholum, Baldum, Johannem Andree,
Imolensem, Butrium, Fulgiosos omnesque novos legum interpretes post se facit, inter
Scevolam, Vulpianum, Nervam, Pomponium, Paulum, Serviumque se locat, multorum verborum
est, sed quantum salis habeat, non scio. qui eum secuntur, audire magis quam loqui
possunt. horis plus quatuor secum fui, nunquam mihi vacuum tempus prebuit, quo aliquid
dicerem. cicada est, que ut tacta fuerit semel, nunquam silet. scis, qualem cicadam. non
ut in greginis sunt, que jussu Herculis tacent, sed ut Locrenses sunt, que ultra ceteras
strepunt. is poeticam contempnit, nec si dii musas ei omnes infunderent, gratias ageret,
quia preter legum peritiam nullam esse scientiam predicat. poeticam vero prorsus inutilem
esse contendit, quia nec panem lucratur nec vestitum. solus Justinianus et Ipocras
marsupium implent, jejunus cantat Lucanus in ortis, et satur est, cum dicit Oratius, ne
stomacatus sum. dum hec audio, Wilhelme militum decus, nec me comprimere possum, quin
bilem expuam, si non cum aliis saltem tecum, qui judicium habes rectum. non vitupero
leges, ut ille musas, quamvis Ovidii verbo usus, verbosas leges dicere potuissem. sunt
enim utiles que constringunt hominum vitas et quia non potest quilibet esse philosophus,
ut quid vitandum quidque sequendum sit agnoscat, edite leges sunt, ante hominum oculos
posite, tanquam cancelli quidam, ultra quos progredi nullus audeat. legibus tamen nemo
perfectus fiet, nisi philosophie studiis incubuerit, quia non possunt omnem casum
complecti leges. ideo princeps moderator est legis epicheiamque habet, ut duram
mollificet, laxam vero sanctionem restringat, quod nunquam recte principes agent, nisi
magistram vite expultricemque vitiorum secuti fuerint philosophiam. sed hic noster
monarcha vel bipes asellus potius, inflatus opinione sui, civilem scientiam omnibus
prefert, matrem filie postponit et fluminibus mare. is est ex illis cecis et obtusis
hominibus, qui postquam leges quatuor aut decem memorie commendarunt, jam non amplius
homines sed deos se putant legesque divina censent oracula, que vel Apollo vel Apolline
major deus ipse per Moysem tradiderit aut qualia sunt Christi responsa, que nos evangelia
nuncupamus. ac propterea, si quid egisse cesarem audiunt, quod juri scripto contrarietur,
id irritum garriunt nulliusque esse momenti, quasi obnoxius sit princeps, terminos curie
et stilum servare ligatusque legibus sit, quod nec ipse leges volunt, que legis vigorem
dicunt habere, quicquid principi placuit. sed nesciunt hii stulti atque dementes,
equitatem plus in principe locum habere quam rigorem. quod si non juri scripto cesar
nonnunquam obtemperet, satis est, quia sequitur equitatem, apud philosophos late
descriptam, quam nulli juriste discernere possunt, nisi ad fontem veniant, unde leges
scaturiunt imitenturque peritissimos illos jurisconsultos, quorum scripta et philosophiam
et oratoriam redolent. sed nostri panis questores et auri corrasores vix intelligunt
ornatum jurisconsultorum sermonem neque, quid illi vellent, quovis pacto scirent, nisi
commentatores sententias textuum exponerent, hoc dicit ista lex, hoc illa, quos isti
secuntur, ut ceci ductorem suum. dicerem plura in hanc partem, sed vocat me defensio
poesis, quam noster rabulus non desiderat. credo equidem, nam nec sues margaritas curant,
gallus Esopi jaspidem contempsit escamque magis quam iacinctum invenire voluisset.
contempnis, asine, poesim, spernis causas, bos, fugis humanitatis studia, caper.
contempnit et poesis te, nec te choros suos intrare permittet. in omnibus cum sis fatuus,
miror in hoc uno te esse sapientem, qui cum videas obseratam tibi atque abditam poesim,
nolle te suum commercium dicis. sapere hoc est. nunc te philosophum video, quia non cupis,
quod non potes habere. stultum est desiderare, quod assequi nequeas. tu tamen ultra
progrederis scientiarumque omnium splendorem vocas ineptias. vidit pendentes aselli
testiculos vulpecula et prope casuros credidit. secuta est predam sperans, at postquam diu
frustrata est, quia non cadebant testes, o quam, inquit, nigri sunt, nunquam illos esse
potuissem. nigra est tibi poesis, stulte, quia candorem ejus obnubilatis oculis non vides.
non sapit egroto vinum, quia lesus est gustus, non est de pane lucrando dicis. tibi
nunquam lucrari panem poesis posset, quia crassis ingeniis nubilosisque mentibus non
potest fructum prestare. Virgilio frugifer fuit, Oratio admodum pinguis, qui frui partis
optabat, Opianus, qui nomina piscium naturasque descripsit, magnas opes est assecutus.
quid novi Leonardus Aretinus, Guarinus, Aurispa, Panormitanus, Antonius Luscus pluresque
alii? hiis et patrimonia sunt ampliata et opes accumulate quam plures, quia poesim et
oratoriam sunt secuti. nec tibi unquam tantum auri speculator prebebit, quantum
Quintilianus Aretino tribuit. quod si apud hanc tuam Germaniam non sunt in pretio, vates,
non poesim sed principes potius argue, quibus levissimarum rerum major est cura, quam
litterarum. apud Italos autem florent hujusmodi facultates nec erubescunt principes audire
et nosse poeticam. idem spero, quamquam tu nolles, et in Germania futurum aliquando, quia
et olim viros doctos hec terra tulit et jam plerosque novi dicendi peritos, qui te invito,
etiam si tibi rumpantur ilia, eloquentiam inter Germanos seminabunt. nec enim inutilem
rentur, ut tu asseris, poesim sciunt ex hac maximum gigni frumentum. quomodo enim pacari
provincie et amicitie vel conflari vel integrari possent, nisi facundia foret, quam poesis
alit? an nescis, quantus est epistolarum usus, quantus historiarum, quantus orationum? rex
regi per litteras conciliatur, civitates federa percutiunt, absentes cum absentibus
fabulant. historia nobis res gestas refert, que testis est temporum, lux veritatis et vite
magistra, orationes senatum regunt, populos ducunt, leges suadent. sed quis hec bene agat,
nisi poeticis et oratoriis imbutus disciplinis? quas preterea grates referre Homero debent
Greci atque Trojani, qui jam duobus annorum milibus mortui adhuc vivunt? novit, quanta sit
utilitas poetarum, Alexander magnus, cui per Asiam iter facienti obviam tumulus Hectori
fieret. o fortunate, inquit, adolescens, quem tanta decantavit tuba, Homeri sed musam
designans. Alexander, Aminthe filius, rex Macedonum, Pindarum poetam liricum apprime
dilexit. Archelaus, ejus successor, in tantum poetas amavit, ut Euripidi tragico
consiliorum summam crederet, cujus suprema non contentus prosequi sumptu funeris crines
tonsus est et merorem, quem animo conceperat, vultu indicavit. Africanus prior Quinti
Ennii statuam sepulchro suo jussit imponi. Lysander, Lacedemoniorum dux, cum obsideret
Athenas, quia Sophoclis inhumatum corpus jacebat, indutias dedit, ut congrue et digne
poete exequie fierent. Julius ille cesar, qui nobis Romanorum imperium peperit, non solum
poetas amavit sed fieri etiam et dici poeta voluit. idem et Augustus Octavianus. ac
propterea mortui vivunt, nec ulla istorum etas immemor erit. quod si nonnulli principes
equos potius et canes alere quam poetas volunt et multa carne leones ursosque pascunt,
intestinis poetarum nichil prebentes, talis erit eorum obitus, qualis equorum et canum,
nec post mortem majus erit istorum nomen, quam ursi atque leonis; integri morientur nec
beneficio musarum famam sibi vendicabunt, quas tuo ex more nichil curaverunt. antiquitas
provida tanti poeticam fecit, ut tam poetas post editum opus quam imperatores post
victoriam triumphare et curru magnifico duci per urbes voluerit communeque illis
dignitatis insigne prebuerit lauram, quoniam sicut ab hostibus imperatores liberant cives,
sic vitia fulminantes et virtutes extollentes poete civitates custodiunt et amplificant.
at tu, major Alexandro magno, Lysandro victoriosior, melior Scipione, prudentior Julio,
Augusto fortunatior et omni antiquitate sapientior, inutilem poeticam dicis, quia nichil
panis affert, nil auri, nichil divitiarum? esto, quod vis, non tamen idcirco legibus tuis
poetica cedet, nanque dum tu aurum petis, avare, fecis amator, mundi cultor, poeta honorem
famamque queritat et cantans superum laudes virtutesque excitans amorem iter sibi facit in
celum. tu cum auro et divitiis quas sequeris, quasque solas dare beatitudinem putas, in
terra manebis et animam simul et vitam perdes. non est, mihi crede, noscere leges quam
poeticam majus. scio, quia non credis, sed stulti credulitas nec dat verum nec aufert.
Cicero, qui fuit lingue latine princeps, semper poetas fuisse raros testatur, quoniam hec
facultas donum dei est, quod non omnibus datur. artes cetere studio, diligentia
preceptionibusque possunt apprehendi, hanc nemo assequitur nisi divino munere preditus.
tute vides juristarum greges, inter quos plures excellunt, habenturue doctores et legum
interpretes, quorum mores nichil a brutis distant, qui res humanas minus quam capre
norunt. tu non fateberis hoc, qui fortasse caprior es capris. ego Polinum novi
Mediolanensem, qui lumen habitus est juris civilis. is facturus edificium magistros
conduxerat. trabes in edium medio erant, quibus laquear aule construi debebat. tempus
cenandi fuit. ite, inquit Polinus, comedite, ego interim aliquid operis faciam. illis
amotis trabes metitur, quam longas vult ex pariete in parietem. mensura recepta, nec quod
intra murum ligni pars esse deberet animadvertit scinditque trabes et perdidit edificium.
is tamen juris preceptor erat multisque annis cathedram regerat. quid tu mihi hanc
disciplinam juris tantopere laudas et omnibus prefers, cujus asini possunt effici
preceptores. orator atque poeta, si Ciceroni plus quam tibi credere volumus, nullus erit
nisi et prudens et bonus multarum scientiarum peritiam fuerit assecutus atque idcirco rari
semper poete rarique oratores fuere, in quorum numero facis sapienter, si non desideras
esse, quia uon potes, stulte, si contempnis, quod tanti viri commendaverunt. hec ad
nostrum asellum sint dicta. tu, Wilhelme, disciplinarum amator, si unquam hosce homines
audiveris, suscipe poetice partes et ostende te hujus divini muneris cultorem. vides, quam
facile sit, has picas convincere, hos tanquam pullices inter ungues comprimere. nec sine,
ut divinam poeticam, que, ut Cicero tradit, omnium doctrinarum est prior inventa, pollutis
arguant labiis, defende hanc pulcerrimam dominam, cui si presidio fueris, nomen habebis
eternum et non solum inter meas epistolas, que tamen non sunt cito casure, sed inter
scripta potiorum vatuum invenieris legendus. vale et illustrissimo principi, domino duci
Alberto, me commendatum facito et quia consiliarius ejus es, admone illum, ne litterarum
studia contempnat. iterum atque iterum vale. ex Vienna, 1. Kalendis junii 1444.
|
|