Start Teksten.htm navigat.htm Amiata.htm Links.htm    
     

Bezoek aan Subiaco en andere plaatsen (Comm. VI, 20, 21, 23)
 

Pius vertrekt uit Tivoli; beschrijving van veel plaatsen onderweg.[1]

Intussen was de zomer voorbij en Pius begaf zich om zijn geest te verzetten met vier kardinalen op reis[2] om op uitnodiging van Giovanni, kardinaal van San Sisto,[3] een bezoek te brengen aan het klooster van Subiaco, waarvan de kardinaal de bestuurder was. Bij Tivoli stak hij de Anio over en de linkeroever volgend kwam hij in Vicovaro aan, waar hij de eerste nacht doorbracht. Sommigen menen dat de naam moet worden verklaard als stad van Varro, anderen als stad van Varus. De stad ligt op een hoge rots en heeft de vorm van een driehoek. Twee zijden worden beschermd door steile rotsen, aan de ene kant gedeeld door een eeuwig stromende rivier, aan de andere kant zich uitstrekkend tot aan de loop van de Anio. De derde zijde wordt verdedigd door een zeer hoge toren, een machtig versterkte burcht en een gracht. Er zijn nog resten te zien van een roemvol verleden: een groot deel van de muur is opgetrokken uit reusachtige vierkante steenblokken, zoals men bij oude bouwwerken ziet. Brokstukken van standbeelden, zelfs nu nog het talent van de maker verradend, en talrijke zuilen liggen overal verspreid. Francesco Orsini begon, toen hij prefect van de stad was, met de bouw van een voorname kapel[4] van stralend wit marmer en hij verfraaide haar met voortreffelijke beelden en florale kapitelen, die voor onze tijd opmerkelijk zijn. Zijn dood verhinderde de voltooiing van het werk en de opvolgers waren zo in een onderlinge gewapende strijd om de erfenis verwikkeld, dat ook zij tot op heden niet de laatste hand aan het bouwwerk hebben gelegd. Pius verleende de plaats een aflaat, zodat de kapel kan worden voltooid.

Het vertrek in het huis, waarin hij logeerde, stak boven de Anio uit en bood een heerlijk uitzicht, evenals men dat heeft aan de overzijde van de rivier vanaf de nabijgelegen berg, die met nog groene loofwouden bedekt was. Onderaan, rond de rivier zelf, liggen weiden en wijngaarden; de hellingen zijn tot halverwege met wijnstokken beplant, voor de rest groeien er eiken, beladen met eikels. Van hieruit ging het verder naar San Clemente[5] op ongeveer twee mijl afstand. Deze plaats wordt door de omwonenden met bijzondere godsvrucht vereerd en de kluizenaars daar gelden als heilige mannen. Het klooster zelf staat op vlak terrein, maar erachter bij de Anio vallen de rotsen zo diep omlaag, dat het water van de rivier nauwelijks te zien is. De paus betrad de kapel om te bidden. Nadat hij de kluizenaars zijn zegen had gegeven, zette hij zijn tocht voort, terwijl hij steeds de loop van de Anio bleef volgen.

Aan weerszijden van de rivier liggen veel kastelen op de toppen van de heuvels, vanwaar overal mannen en vrouwen, jongens en meisjes in drommen naar beneden kwamen rennen om de zegen van de paus te ontvangen; sommigen boden hem wijn aan, anderen voedsel. De paus liet onderweg het middagmaal bereiden op een plek waar een klare bron opborrelde. Het is ongelofelijk hoeveel heldere beken in de Anio uitstromen, hoeveel nooit opdrogende bronnen op beide oevers ontspringen; onderaan de stad Agosta echter gutst het water uit de levende rots[6] met zo’n kracht tevoorschijn, dat deze voldoende was om vier of meer molens onafgebroken te laten draaien. De bron beslaat tussen de rotsen een oppervlak als van de binnenplaats van een kasteel, maar de diepte reikt niet verder dan mensenhoogte. De bodem is bedekt met glanzende kiezels, die uit het op meerdere plaatsen opborrelde bronwater omhoogspringen met een welluidend getinkel. Het kristalheldere water zelf is koud en zoet en tot op de bodem doorzichtig. Bij deze bron lunchte de paus met zijn kardinalen, terwijl hij om zijn dorst te lessen telkens teugen vers water nam. De kardinalen volgden zijn voorbeeld en het koude water smaakte hen beter dan zoete wijn. Het volk dat zich verzameld had in de weiden aan de overkant van de bron kreeg ook te eten, hoewel er heel veel mensen uit de naburige kastelen waren toegestroomd om de paus te zien. Na het middagmaal gingen boeren uit de streek de rivier in en begonnen, om de paus te vermaken, tegen de stroom in te vissen. Langs de oever liep de paus mee – want  het terrein bestond uit weiden en akkers – en intussen bleef hij naar de vissers kijken. Wanneer zij een vis ophaalden, riepen ze de paus een heilwens toe en de forellen zelf – vrijwel de enige soort vis die in die rivier voorkomt – overhandigden ze aan zijn dienaren. Zo genoot hij onderweg volop van deze tocht. Aangekomen bij de wijngaarden van de stad Subiaco,  kwam de kardinaal hen tegemoet, even later gevolgd door een processie van priesters en monniken. 

De stad Subiaco; de ruige woonplaats van de heilige Benedictus en de godsvruchtige levenswandel van de monniken.

De bevolking ontving de paus met groot enthousiasme, want sinds mensenheugenis hadden zij nooit een andere  paus op bezoek gehad. De mensen wonen er dicht opeen en de huizen liggen, de een boven de ander, tegen de rots gebouwd. Op de top staat de burcht, die nagenoeg onneembaar zou zijn, als er niet een nog hogere rots aan de overzijde van de vallei boven uitstak. Een groot deel van de stad wordt omstroomd door de Anio.
Om het klooster van Subiaco te bereiken loopt vanuit de stad een weg van twee mijl over steile rotsen en moeilijke doorgangen, die men makkelijk voor een vijand kan afsluiten. Bij het klooster aangekomen, troffen ze een vlak terrein aan, ruim genoeg voor de bouw van een kerk, een klooster en de voor de kloostergemeenschap benodigde werkplaatsen. Dat alles is met veel kosten en moeiten door vroegere monniken gebouwd. De paus merkte een nieuwe wijngaard op, rijk beladen met purperen druiven, die met moeizaam hakwerk in de rots was aangeplant; hij was met een muur omgeven en rondom lag een groene olijfgaard; in het midden stond een wijnpers en een wit woonhuis. Toen hij informeerde wie de bedenker was van dit nieuwe project, vertelde men dat het een zekere bisschop van Silves was, een Spanjaard uit Lusitanië, die uit afkeer van kerkelijke praal en de zorg voor wereldse zaken moe, had afgezien van zijn kerk. Hij had een jaarlijks pensioen apart gehouden, waarmee hij fatsoenlijk kon bestaan en was hierheen gekomen om te midden van de broeders te leven in zijn gewone kledij en de heilige mis bij te wonen of te celebreren, wanneer hij daartoe lust had. Afgezien van zijn vrijheid en kleding verschilde hij in niets van een monnik. Hij was degene die het huis had gebouwd en de wijngaard had aangelegd, die de monniken hoge inkomsten zou schenken. Aldus het verhaal.

De paus liet de bisschop bij zich komen en toen hij van hem hoorde, waarom hij zijn kerk had opgegeven, en zijn keuze om van een eenzaam leven te genieten, prees hij de man die zo wijs was geweest aardse zaken in te ruilen voor hemelse. Spoedig hierna overleed de bisschop, een gezegend man voorwaar, als hij, zoals men mag geloven, een oprecht verachter is geweest van deze wereld en niet een hoge waardigheid in de wereld heeft afgewezen, omdat hij een nog hogere zocht.

Een deel van de monniken zingt dag en nacht in dít klooster (dat zoals gezegd Subiaco heet) zeer welgevallige lofzangen voor de Heer, een ander deel doet hetzelfde in een klooster, dat Il Speco (Grot) genoemd wordt. Hierheen stijgt men langs een in de rots uitgehouwen moeilijk pad omhoog, dat zo steil is dat men ervoor terugschrikt het te betreden, met aan de ene kant een rotswand, die zeer diep naar de Anio omlaag valt, aan de andere kant een dreigende rots, die torenhoog oprijst. Het pad zou geheel onbegaanbaar zijn geweest, als het niet vanaf beneden tot boven als een slang afwisselend rechtsom en linksom kronkelde en op veel plaatsen door een muur was afgeschermd. Het klooster is gebouwd onderaan een zeer hoge rots en wel zo, dat die voor een groot deel de overkapping vormt; de rest van het klooster is aan de buitenzijde van de rots gebouwd. De gewijde ruimte zelf en veel cellen van de monniken liggen binnenin de rots.

 Benedictus, de grote vader der monniken, vol van Gods genade, in wie Nursia alle goedheid die zij bezat heeft uitgestort, koos, voordat hier enig huis stond of iemand er woonde, deze plek om in de eenzaamheid van het kluizenaarsbestaan boete te doen, ver van de bewoonde wereld vandaan, alleen aan God bekend. Op harde steen spreidde hij zijn bed; hier matte hij zich af met waken en vasten; hier was hij Gods welgevallige dienstknecht. Leerlingen sloten zich bij hem aan en men begon de grot te bewonen. Zoals op hoge klippen wij soms nesten zien van zwaluwen aan de randen van de rotsen, zo ziet men dit klooster aan de hoge rotswand kleven; dikwijls laten stukken rots los, die monniken dodelijk treffen of een deel van het gebouw doen instorten. Men verhaalt er van de vele wonderen, die de heilige hier heeft verricht, en men toont er de bel waarmee de duivel geprobeerd heeft zijn goede werken te bespotten.[7] Ongeveer 20 monniken leven hier, aan God welgevallige mannen, mag men aannemen. Ze eten nooit vlees, de wijn lengen ze met veel water aan, ze vasten langdurig; twee eieren eten is een luxe, rauwkost en brood is hun voedsel, waarbij ook groenten: met dit soort feestmaal sieren ze hun tafel. Aan eten besteden ze zeer weinig tijd, aan slaap niet veel meer; de rest van hun tijd brengen ze door in gebed. Zij vieren de liturgie met zeer grote devotie en zingen vol vertrouwen Gods lof. Het merendeel va hen is oud en de meesten hebben in goede gezondheid de leeftijd van tachtig bereikt. Het zijn vrolijke en beleefde mensen. Het enige waar zij naar uitzien is ontbonden te worden en met Christus te zijn.[8]

Pius liet zowel in het boven- als het benedenklooster de heilige mis in zijn aanwezigheid opdragen en kuste alle plaatsen, die volgens de overlevering door Benedictus zijn aangeraakt. Nadat hij alle geestelijke gunsten, waarom de monniken hadden gevraagd, had ingewilligd en hij het geweten van allen ten volle had gerustgesteld, daalde hij af naar de stad om daar te de nacht door te brengen. Na volgende dag de brug over de Anio te zijn overgestoken besteeg hij een zeer hoge en moeilijke berg en daalde vervolgens af naar een beboste vallei, waar de waterlopen, die van boven komen en geen uitweg vinden, een meertje vormen en drassige gronden, uitstekend terrein voor wilde zwijnen. Dichtbij liggen weiden en overal heuvels, met hoge wouden overdekt. Hier werd voor de paus het middagmaal bereid, waaraan ook de kardinaal van Teano[9] aanschoof. Federigo van Urbino was in aantocht, om tegen de hertog van Sora te gaan vechten en de acties te ondernemen, die we hiervoor al hebben beschreven – want ons verhaal is niet opgebouwd in chronologische volgorde: wij proberen de actuele gebeurtenissen in het jaar of de maand waarin ze zich voordoen te beschrijven, tenzij iets zorgvuldig door ons is opgetekend. Misschien zal iemand anders zich met de taak belasten om iedere gebeurtenis op de juiste plaats te zetten; ons ontbreekt daarvoor de tijd.

Na het middagmaal met de paus keerde de kardinaal van Teano terug naar zijn leger. De paus zelf, nadat hij het vele volk, dat zich op de weiden bevond, had gezegend, daalde over ruige en beboste bergen af naar Campanië, in de buurt van de stad Paliano; daarover gaat het verhaal dat Calixtus de stad aan kardinaal Prospero Colonna heeft gegeven in ruil voor zijn stem bij de pauskeuze. Nicolaas V had de stad van de Conti’s afgenomen als straf voor een misdaad…

Terugkeer naar Tivoli en vandaar naar Rome; ontmoeting met gezantschappen van verschillende volkeren.

De paus liet Praeneste achter zich en bereikte omstreeks het middaguur Passarano. Onderaan de stad welt een rijke en zeer heldere bron op, waarvan het water, naar men zegt, hetzelfde is als wat door de prefect van de stad door middel van touwen uit een zeer diepe put wordt opgehaald. Bij deze bron werd voor de paus en de kardinalen een avondmaal klaargemaakt onder afdaken die haastig van takken waren gevlochten. Vis uit de naburige meren was voldoende om de honger van de menigte te stillen (het was namelijk een vastendag). Van hieruit werd teruggekeerd naar Tivoli en vervolgens op 6 oktober naar Rome. De mannen uit Tivoli, die het meest opstandig schenen, werden als gijzelaars meegenomen, met name Giovanni, Tozio en Clemente.[10]

Bij zijn terugkeer kwam het college van kardinalen de paus tegemoet en ook Thomas, de despoot van Morea, en een grote groep ambassadeurs van verschillende volkeren en koningen, die een bijzondere aanblik boden door hun exotisch uiterlijk en kleding. Het meest nog trok ieders aandacht het gezantschap van de Poolse koning: voorop reed op hoge zware paarden gezeten, een grote groep elegante jongemannen in groene kledij gestoken, hun lange blonde haren wapperend in de wind; naar de gewoonte van hun volk droegen ze aan hun ene zijde een katapult, aan de andere een zwaard en een met pijlen gevulde pijlkoker, gemaakt van het leer van de Libische beer;[11] op hun hoofd droegen ze een lichte groene muts van pluimen of een bloemenkrans. Deze jongens van een bijna bovenaardse schoonheid sprongen bij de nadering van de paus van hun paarden en wierpen zich met de leiders van het gezantschap ter aarde uit eerbied voor de plaatsbekleder van onze Verlosser, die zij nog nooit hadden gezien.

De paus werd bij zijn intrede in de stad buitengewoon hartelijk door de burgers ontvangen. Nadat hij in de basiliek van Sint Pieter de heilige apostelen had begroet, trok hij zich terug in het apostolisch paleis na een afwezigheid van nog geen drie volle maanden.[12]


[2] Op 14 september 1461

[3] Juan de Torquemada, Dominicaan van Spaanse afkomst zie http://www.op.org/domcentral/study/ashley/ds04espa.htm

[4] Tempietto di San Giacomo

[5] Convento di San Cosimato

[6] vivo saxo: cf. Verg., 1, 167

[7] http://www.bildindex.de/bilder/fmlac10618_37b.jpg

“When Benedict fled from Rome he took refuge in a solitary
gorge formed by the Anio, in its picturesque course, about 40 miles
from the city. There, in a dark inaccessible grotto near Subiaco,
he found seclusion and shelter. A neighbouring monk supplied
him with food let down by a rope, with a small bell attached,
which gave notice of the approach of the food.
Once the devil broke the rope, but his malice was foiled
by the pious ingenuity of the monk. Other and graver dangers assailed him.
The Evil One took the shape of a beautiful woman, with whose image t
he youthful recluse had been familiar in Rome, and so worked upon his senses
that he was on the point of abandoning his solitude in search
of the beauty which haunted him. But summoning all his fortitude
he stripped himself of the vestment of skins, which was his only covering,
rushed naked amongst the thorns and briars which grew around his retreat,
and rolled himself amongst them till he had extinguished the impure flame
which devoured him. No impulses of sensual passion ever revisited him.
But trials of a different kind assailed him. After spending about three years
in retirement a neighbouring convent of monks insisted upon
choosing him as their head. He warned them of the severity of the rule
he would be bound to exercise, but they would not be dissuaded
from their purpose. He had hardly commenced his office,
however, when they broke out into fierce resentment against him,
and attempted to poison him. The cup containing the poison was
no sooner taken into the hands of Benedict than it burst asunder;
and, calmly reproving them for their ingratitude, he left them
and withdrew once more into his solitude.”

[8] Cupio dissolvi: Filippensen 1:23

[9] Niccolo Forteguerri

[10] Leiders van het verzet in Tivoli

[11] Cf. Verg. V, 37

[12] Pius was vertrokken uit Rome op 21 juli 1461

 

 

 

20. Secessus Pii ex Tybure, et multorum locorum accomodata descriptio

Pius interea aestate iam exacta invitatus a Iohanne Sancti Sixti cardinali, ut monasterium Sublacense, cuius esset administrator, inviseret, transmisso apud Tybur Aniene sinistram eius ripam secutus laxandi animi gratia cum quattuor cardinalibus peregre proficiscitur; primaque illi nox peracta est in Vico Varo. (Quidam Varronis Vicum, quidam Vari appellandum censent.) Oppidum est in alta rupe situm, trianguli formam gerens. Duo latera praerupta tuentur saxa, hinc rivo scissa perenni, inde ad Anienis cursum usque protensa, tertium latus altissima turris et arx munitissima defendit et fossa manu facta. Adsunt vestigia priscae nobilitatis: magna pars muri ex quadratis ingentis molis lapidibus, quales in antiquis operibus cernimus; iacent statuae in frusta disiectae nondum posito artificis ingenio et columnae plures. Franciscus Ursinus, urbis praefectus nobile sacellum inchoavit ex marmore candidissimo, adornavitque statuis egregiis et floribus - ut nostra sunt tempora - non contemnendis. Morte praeventus non absolvit opus, nec successores inter se armis pro hereditate contendentes manum adhuc extremam apposuere. Pius indulgentias loco ascripsit, ut perfici aliquan­do posset.

Cubiculum ei in aedibus fuit, quae Anieni supereminent, ex quo gratissimus reddebatur aspectus, et simul ex propinquo monte trans flumen adhuc viridi et frondoso nemore cooperto. Ima circa fluvium loca aut prata fuerunt aut vineae; colles usque ad medium Bacchus occupavit, caetera glandifera quercus.

Ex hoc loco ad Sanctum Clementem perventum est quasi ad passuum duo milia. Accolae mira religione colunt, et viri opinione sancti inhabitant heremitae. Plana loci est facies, verum retro in Anienem adeo profundae rupes incumbunt, ut vix pateat in aquam aspectus. Pontifex sacellum ingressus oratione facta et benedictis heremitis iter prosecutus nusquam procul ab Aniene recessit. Multa videbantur hinc atque inde castella in summis aedita iugis, ex quibus viri passim ac mulieres, senes, pueri ac puellae catervatim descendentes pontifici occurrebant benedictionem excepturi, et alii vinum, alii cibaria offerebant.

Pontifex apparari sibi in via prandium iussit, quo in loco limpidissimus aliquis scaturiret fons. Incredibile dictu est, quot lucidi in Anienem rivi decurrant, quot scaturiant in utraque ripa perennes aquae. Verum sub oppido Hausta tantus aquarum ex vivo saxo emergit impetus, quantum molae quatuor aut plures requirant pulsu perpetuo agitandae. Fons est inter saxa quasi ad areae magnitudinem patens, non altior homine; in fundo glarea nitens, quae pluribus in locis pro venarum scaturigine non sine dulci murmure salit; aqua ipsa cristal­lina ad fundum usque perspicua, gelida et dulcis. Super hunc fontem pontifex cum cardinalibus pransus est ad potus singulos lymphas recentes exhauriens. Idem et cardinales fecere, quibus non tanta in vini suavitate, quanta in aquae frigiditate voluptas fuit. Plebs omnis in pratis ultra fontem cibo excepta est, quamvis essent turbae multae, quae ad visendum pontificem ex castellis propin­quis accurrerant. Peracto prandio agrestes locorum, ut pontifici adularentur, ingressi flumen adversus aquae cursum piscari coeperunt. Pontifex iuxta ripam - erant enim prata et agri - iter habens piscantes intuebatur. Illi ad omnem piscis capturam sublato clamore pontificem salutabant, trutasque ipsas - neque enim alium fere piscem producit amnis - ad ministros pontificis deferebant. Atque ita non sine ingenti voluptate magnam itineris partem peregit.

Cum ventum esset inter vineas oppidi Sublacensis, ibi cardinalis occurrit et paulo post sacerdotum monachorumque pompa.

21. Oppidum Sublacense et Divi Benedicti asperrima habitatio monachorumque sanctimonia

Exceptus est pontifex summo populi desiderio, neque enim memoria homi­num Romanus pontifex illic alius fuerat.
Oppidum est multa plebe referctum. Rupem domus obsedere altera super alteram sitae; in summo cacumine arx est propemodum inexpugnabilis, nisi valle interiecta rupes altior immineret. Anio magnam oppidi partem ambit. - Ex oppido ad monasterium Sublacense est via duorum miliarium per abruptas petras et difficiles aditus, quos facile liceat hosti precludere. Ubi ad monaste­rium ventum est, ibi tantum in plano spatii repertum, quantum ad ecclesiam, claustrum et officinas coenobio necessarias construendas opus fuit; quae omnia magno sumptu construxere priores.

Hic pontifex cum vineam novam magna vi ferri in saxo plantatam vidisset rubentibus uvis uberem, undique muro septam et oliveto cinctam virenti, et in medio torcular ac domum ad habitandum candidam, perconctatus, quis novi operis auctor esset, responsum accepit episcopum quendam Silvensem, homi­nem Hispanum ex Lusitania natum, ecclesiasticarum pomparum taedio et mundialis curae odio fatigatum ecclesiae suae renunciasse, reservataque sibi annua pensione, ex qua posset honeste vitam traducere, huc profectum inter fratres non mutato habitu degere, divinis officiis interesse, celebrare, quando sibi ex animo detur; praeter libertatem et vestem nihil a monacho distare: ab hoc domum et vineam constructam, cuius magna sint monachis proventura emolumenta. - Pontifex episcopum ad se vocavit, et cognita causa renuntiationis ecclesiae ac delectae solitudinis propositum laudavit, qui noverit pro caelestibus terrena commutare. Ille paulo post ex hac vita decessit - beatus profecto, si (ut credibile est) verus fuit mundi contemptus, et non spreta magna saeculi dignitate quaesita est maior.

Pars monachorum in hoc monasterio - quod Sublacense diximus appellari - dies ac noctes gratissimas Deo laudes canit, pars in altero - quod Specus voci­tant; ad quod mille passibus ascenditur via difficili et ferro facta adeoque praeci­piti, ut absque horrore adiri nequeat, hinc profundissima in Anienem descen­dente rupe, inde altissimo imminente saxo; nec accessibilis ullo pacto, nisi modo ad dexteram, modo ad sinistram varios agens flexus in anguis morem ab imo usque ad summum ducta et plerisque in locis muro defensa fuisset. Monasterium sub altissimo saxo aedificatum est, ita, ut magna pars eius vicem tecti gerat; partem exterius construxere; aedes ipsa sacra et officinae mona­chorum multae intra saxum patent.

Benedictus, magnus ille monachorum pater et Deo plenus, in quo Nursia totum, quod habuit, bonitatis effudit, priusquam domus aliqua hoc in loco constructa esset, aut homo quispiam habitaret, solus in hac heremo penitentiae sibi locum delegit procul ab humano cultu, nulli cognitus nisi Deo. In durissimo sibi lapide lectum stravit; hic se vigiliis ac ieiuniis maceravit, hic Deo gratissimum praebuit famulatum; secuti sunt eum discipuli, et coepta est habitari spelunca. Sicut in altis scopulis nidos videmus hirundinum in crepidine lapidum, ita est hoc monasterium cernere affixum sublimi saxo, ex quo saepe frusta concidunt, quae aut monachos perimunt, aut aedificii ruinam faciunt. Multa hic sancti viri miracula referuntur, et tintinabulum ostenditur, quo diabolus illusisse bonis operibus conatus est. Monachi circiter XXti hic degunt - ut par est credere: Deo cari; nunquam carnes aedunt, vinum multa domant aqua, ieiunia longa producunt. Luxuria est duo ova commedisse, oleribus et pane vescuntur, adsunt et legumina: his epulis mensam onerant. Brevissimum tempus cibo datur, nec multo maius somno; reliquum in oratione consumunt. Rem divinam peragunt summa devotione et psallunt Deo confidenter. Maior pars senum est, quorum plerique inoffensa valitudine ad octuagesimum annum pervenere, vultu alacres et adloquio venerabiles; quorum unica cura est dissolvi tandem et esse cum Christo.

Pius, cum superius atque inferius in utroque monasterio rem divinam coram se caelebrari iussisset, et omnia loca exobsculatus esset, quae fama vulgaret Benedicti corpus tetigisse, spirituales gratias elargitus, quas monachi petivere, et omnium conscientiis abunde saturatis ad oppidum pernoctaturus descendit, indeque die sequenti transmisso per pontem Aniene montem praealtum ac difficilem superavit, et in vallem nemorosam descendit, in quam defluentes aquae non invenientes exitum stagnum quoddam efficiunt et palustria loca silvestribus idonea porcis; prope adsunt prata et undique colles altissimis vestiti nemoribus. Hic pontifici prandium apparatum est, ad quod cardinalis Theanen­sis se contulit; Federicus Urbinas cum exercitu sequebatur adversus ducem Sorae profecturus atque ea facturus, quae iam supra facta descripsimus. (Neque enim ex tempore suo nobis historia texitur; rem gestam tradere ex vero conamur, quocunque tandem occurrerit vel anno vel mense, nisi hoc fuerit diligenter a nobis notatum. Fortasse hoc laboris alius assumet, ut suis quaeque temporibus reddat; nobis non tantum ocii fuit.) Cardinalis Theanensis facto cum pontifice prandio ad exercitum rediit. Pontifex benedicto populo, qui multus erat in pratis, per asperrimos ac nemorosos montes in Campaniam descendit e regione oppidi Palliani - quod Callistum fama est Prospero cardinali Columnensi tradidisse, ut in summi pontificatus petitione sibi suffragaretur; Nicolaus Quintus id oppidum familiae Comitum eripuit in poenam commissi criminis.

23. Reditus in Tybur et deinde in Urbem, ac variarum legationum gentiumque occursus

Dimisso Praeneste pontifex Passaranum circa meridiem venit. Sub oppido largus et limpidissimus fons emanat, cuius aquam eam esse ferunt, quam prae­fectus arcis ex altissimo puteo per funes exhaurit. Ad hunc fontem papae et cardinalibus in tabernaculis, quae de ramalibus raptim composita fuerant, cenam paravere. Erat enim ieiunium: pisces e proximis lacubus multitudini satisfecere.

Exhinc Tybur reventum est, atque inde paulo post, pridie Nonas Octobris Romam reditum - ductis in obsidum numero, quicunque magis seditiosi vide­bantur; inter quos praecipui fuere Iohannes Toccius et Clemens.

Redeunti pontifici cardinalium ordo obviam factus est et Thomas Amoreae despotus et legatorum diversarum gentium ac regum ingens caterva, externis moribus ac vestibus admirabiles. Praecipue vero in se omnium convertit oculos regis Poloniae legatio, quam proceri iuvenes eleganti facie ac flavis crinibus post tergum vento dimissis in veste viridi non pauci praecedebant, altis ac praepinguibus insedentes equis, manubalistas more gentis uno ex latere, et alio gla­dium et pharetram ex pelle Libystidis ursae sagittis plenam gestantes; super crines aut levem pileum viridi colore pennarum, aut ex floribus serta tulere. Supra humanam speciem visa iuvenum forma, qui appropinquante pontifice ab equis desilientes proni in terram cum legationis principibus Salvatoris vicarium adoraverunt, quem antea nunquam viderant. Ipse Urbem ingressus summo civium favore exceptus salutatis in basilica Sancti Petri beatis apostolis in Palatium Apostolicum sese recepit, cum non tres menses integros abfuisset.

 

 

 

 

 

Start Teksten.htm navigat.htm Amiata.htm Links.htm