|
De dichter Enea Silvio groet zijn vader Silvio hartelijk.
Vader, jij schrijft niet te weten of je blij moet zijn of het
moet betreuren dat de Heer mij een kind gegeven heeft. Ik echter zie reden tot blijdschap,
niet tot treurnis. Wat immers is zoeter voor de mens dan het verwekken van zijn evenbeeld,
als het ware eigen bloed te vermeerderen en iemand te hebben die men kan achterlaten. Wat
op aarde stemt tot meer geluk dan de kinderen van je kinderen te zien? Voor mij in ieder
geval is het een groot genot dat mijn zaad vrucht heeft gedragen en dat, vóór ik sterf,
iets van mij over is, en ik breng dank aan de Heer, die de vrucht van een vrouw heeft
gevormd tot man, opdat bij jou, vader, en bij mijn moeder een kleine Aeneas speelt.(1) Wanneer jíj, mijn verwekker,
verheugd bent geweest over mijn geboorte, zou ík dan niet blij zijn met mijn zoon? Zal
dat kindergezichtje ook jou niet verblijden, wanneer je ziet hoe hij op mij lijkt? Zal het
je geen goed doen, wanneer een kind dat jouw kleinzoon is om je hals hangt (2)
en je op kinderlijke wijze liefkoost? Misschien zeg je mijn
misstap te betreuren, omdat ik in zonde een zoon heb verwekt. Ik weet niet welke mening
jij je over mij hebt gevormd, in ieder geval je hebt geen zoon van steen of ijzer verwekt,
terwijl jíj van vlees was. Je weet wat voor een haan jíj geweest bent, ík ben evenmin
van mannelijkheid ontdaan of behoor tot de koele naturen, en ook ben ik niet zo'n
huichelaar, dat ik liever goed wil lijken dan zijn. Ik zal eerlijk voor mijn dwaling
uitkomen, want ik ben niet heiliger dan David
(3) of wijzer dan Salomo. Van lang geleden en
oud is deze fout, en ik ken niemand die zonder haar is. Het is een wijd verbreid kwaad,
áls het een kwaad is om de natuur te volgen. Ik zie echter niet in waarom men
geslachtsgemeenschap zozeer zou moeten veroordelen, want de natuur doet niets zonder
bedoeling en zij heeft deze neiging in alle levenden ingeschapen om de menselijke soort te
laten voortbestaan.
Ik hoor je zeggen: 'Er zijn bepaalde grenzen waarbinnen dat is geoorloofd en die neiging
mag zich niet begeven buiten de wettige band van de echtelijke staat.' Zo is het
inderdaad, ja vaak wordt juist binnen de kluisters van het huwelijk een misstap begaan.
Ook aan drinken, eten en spreken zijn bepaalde grenzen gesteld. Wie houdt zich daaraan,
wie is zo rechtschapen dat hij niet zeven maal per dag valt?
(4)
Een huichelaar mag praten
en beweren dat hij zich van geen schuld bewust is; ik voor mij weet dat in mijzelf geen
enkele verdienste ligt. Hoop op barmhartigheid geeft mij alleen de liefde Gods, die onze
zwakheid en geneigdheid tot wellust
(5) kent en voor ons de bron van genade, die voor allen open
staat, niet zal afsluiten. Genoeg daarvan.
Nu zal ik, omdat je naar aanwijzingen vraagt, uit vrees een
vreemd kind te moeten verzorgen in plaats van een kind van mij, in het kort uiteenzetten
hoe de zaak zich heeft toegedragen. Er zijn nog geen twee jaar verstreken sinds ik in
Straatsburg als ambassadeur optrad. Gedurende de zevende week van de Vasten van het vorig
jaar, die eerder viel dan die van dit jaar
(6) - ik had een paar dagen
vrij - bezocht een uit Engeland afkomstige vrouw mijn logement en verbleef met mij onder
één dak. Zij was nog jong en niet onknap. Omdat ze uitstekend Italiaans kende, begroette
ze mij in het Toscaans, wat mij des te meer beviel, omdat het zo weinig in die streek
voorkwam. De humor van de vrouw amuseerde me, in haar woorden lag grote charme en al gauw
dacht ik aan de vlotte tong van Cleopatra, die niet alleen Antonius maar ook Julius Caesar
door welsprekendheid in haar ban had gebracht. Wie zou mij, zei ik tot mijzelf, een
verwijt maken, als ík, nietig mens, dat zou doen wat de grootste mannen niet hebben
afgewezen. Nu eens nam ik Mozes, dan weer Aristoteles,
(7) soms ook christenen als
voorbeeld. Kort en goed, de begeerte won, ik ontvlamde, ik brandde van liefde voor de
vrouw
(8)
en poogde haar met veel strelende woorden te veroveren. Zij bleef ongenaakbaar voor mijn
woorden als een golf op zee die stukslaat tegen ruige rotsen,
(9) en drie dagen hield zij
mij in spanning. Zij had een dochtertje van vijf dat haar vader, die soldaat was, aan de
hoede van onze waard had toevertrouwd en was bang dat hij iets zou merken en het meisje
achteraf zou wegsturen vanwege het gedrag van de moeder. De nacht naderde en de volgende
dag zou de vrouw vertrekken. Ik was bang dat de buit mij zou ontgaan. Ik vroeg haar om bij
het vallen van de nacht de deur van haar kamer niet af te sluiten
(10)
en zei dat ik diep in de nacht zou komen. Zij weigert en geeft mij geen enkele hoop. Ik
dring aan. Steeds hetzelfde antwoord. We begeven ons ter ruste. Wie weet, denk ik,
misschien heeft zij gedaan waartoe ik heb aangedrongen. Ik herinner me Zima uit Florence.
(11) Misschien zal zij doen als
zijn vriendin, ik moet het erop wagen, zeg ik. Toen ik merkte dat het overal stil was,
begaf ik me naar haar kamer. De deur is dicht, maar niet afgesloten. Ik open haar, ga naar
binnen en maak de vrouw tot de mijne. Daaruit is een zoon geboren. De vrouw heet
Elizabeth. Van 13 februari tot 13 November duurt de tijd van haar zwangerschap. Zo heeft
de vrouw mij naderhand verteld, toen zij in Bazel was. Hoewel ik haar niet met geld maar
door mijn hevig aandringen had gewonnen, meende ik dat zij - handig als vrouwen zijn - dit
zei om geld bijeen te schrapen en ik hechtte geen geloof aan haar woorden. Nu ik zie dat
zij haar bewering staande houdt, ga ik ervan uit - zij kan immers niets van mij kan
verwachten en de naam en de tijd kloppen - dat het een kind van mij is. Vader ik vraag je
hem als kleinzoon te aanvaarden en op te voeden totdat hij, wat groter geworden, naar mij
toe kan komen om onderricht te krijgen in mijn vakken. Denk niet dat een rijke vrouw zal
liegen waar het een zoon betreft.
Nu dan de andere punten. Je schrijft dat jij en moeder hoog
bejaard zijn: dat zou voor jou, vader, en voor haar prettig moeten zijn, want je hebt nu
die leeftijd bereikt waarnaar je als jongeman zo vurig verlangde en je kunt vrij en
onbelemmerd God dienen, ontdaan van alle hartstochten die de geest van een jongeman van
God vervreemden. En kom nu niet aan met: 'Leeftijd neemt alles weg, ook geestkracht',
(12) zodat je hieruit zou kunnen
opmaken dat de geest verloren gaat, terwijl die goddelijk en onsterfelijk is. De dichter
echter heeft willen duidelijk maken dat in de loop van het leven die kracht van onze geest
verflauwt, die bij jonge mensen nog vurig is, maar bij hen is hij meer gericht op
ondeugden dan op deugden. Bij oude mensen is de geest gelouterd en verlangt alleen nog
naar wat eervol is, een geest zoals jij die, hoop ik, hebt evenals mijn moeder. Zij heeft
zich overigens nooit aan wereldse verlangens overgegeven, maar met een zekere heroïsche
heldhaftigheid als het hoogste geluk beschouwd om alleen God te dienen. Hierdoor ben ik
niet zo droef gestemd over jullie ouderdom. Want waren jullie jonge mensen, dan zou ik
meer bezorgd om jullie zijn. Wat je mij schrijft over de zonen van mijn zuster Laudomia,
ik heb mijn besluit genomen en ik doe het graag. Jouw taak is het te zorgen dat zij een
goede vorming krijgen, dát alleen verheft mensen boven anderen. Wanneer ik zie dat mijn
positie sterk genoeg is, zal ik een van de twee adopteren. Als mijn broer Jacobus
Tholomeus mij schrijft, zal hij niet zonder antwoord blijven. Hij moet niet verwachten
door een brief van mij te worden uitgedaagd, ik schrijf al zó vaak gedwongen dat ik geen
tijd heb om het voor mijn genoegen te doen. Ik ben blij met zijn vaste aanstelling als
professor en zijn salaris en met blijdschap verneem ik dat zijn reputatie met de dag
groeit. Voor Bartholomeus geef ik hierbij een brief mee, ik vergeet hem nooit om alles wat
hij doet voor jou en moeder en omdat hij zoveel houdt van Katherina, zijn vrouw en mijn
zuster. Zorg goed voor moeder en bescherm haar, ik vraag aan God om jullie allen bij mijn
terugkeer naar huis in leven aan te treffen. Want ons weerzien zullen wij in blijdschap
vieren en de tijd die ons rest doorbrengen naar jouw inzicht, en tussen ons zal geen
verschil van mening zijn. Breng mijn goede wensen over aan Johannes en zijn vrouw
Laudomia, neem mijn zoontje onder je hoede en schrijf mij terug over al je wedervaren.
Vaarwel. Graz, 20 September 1443.
|
Eneas Silvius poeta genitori suo Silvio
salutem plurimam dicit.
Leteris an doleas, quod mihi sobolem dominus
dederit, incertum te scribis pater. at ego letitie causam video, doloris non video. quid
enim dulcius in humanis est, quam gignere sibi similem, tanquam suum extendere sanguinem
et habere quem post te relinquas? quid in terris beatius quam natos videre natorum? mihi
equidem ingens voluptas est, quod semen meum fructificaverit, quodque antequam moriar
aliquid de me supersit gratiasque domino refero, qui partum femine figuravit in marem, ut
apud te patrem meamque matrem aliquis parvulus ludat Eneas et solatia prestet avis, que
debebat pater impendere. quod si tibi, genitor, gaudio fuit meus ortus, cur filius meus
mihi non sit letitie? an ne te quoque letificabit infantuli vultus, cum meam videbis in
illo effigiem? nunquid tibi jocundum erit, cum parvulus pendebit ex collo nepos
puerilesque blanditias agitabit? sed ais fortasse dolere meum crimen, quod ex peccato
genuerim filium? nescio, quam de me finxeris tibi opinionem. certe nec lapideum nec
ferreum genuisti filium, cum esses tu carneus. scis, qualis gallus tu fueris at nec ego
castratus sum neque ex frigidorum numero nec sum ypocrita, ut videri bonus quam esse
velim. fatebor ingenue meum erratum, quia nec sanctior sum Davide rege nec Salomone
sapientior. antiquum et vetus est hoc delictum nec scio, quis hoc careat. late patet hec
pestis, si pestis est naturalibus uti, quanquam non video, cur tantopere dampnari coitus
debeat, cum natura, que nichil perperam operatur, omnibus ingenuerit animantibus hunc
appetitum, ut genus continuaretur humanum. sed dicis, ut arbitror, certos esse limites,
intra quos hoc liceat nec extra legitimas matrimonii faces progredi debet hic appetitus.
ita est sane et sepe inter ipsa nuptiarum claustra scelus admittitur. et bibendi quoque,
comedendi et loquendi certi sunt termini. sed quis servat illos, quis tam justus, ut
septies in die non cadat? loquatur ypocrita seque nullius culpe scium dicat. ego nullum
meritum in me scio, solaque mihi divina pietas spem facit misericordie, que nos labiles
scit et ad lasciviam proclives, nec nobis, qui patet omnibus, fontem venie claudet. sed de
hoc satis. nunc, quia conjecturas petis, ne alienum pro meo nutrias, quomodo res se
habuerit, paucis exponam. nondum anni duo effluxi sunt ex eo tempore, quo Argentine
gerebam oratoris munus. quinquagesima tunc currebat, que ante proximam preteritam fluxit.
ibi cum otiosus diebus essem pluribus, mulier ex Britannia veniens diversorium meum petens
in unis edibus mecum fuit nec invenusta nec etate confecta. hec quia sermonem Italicum
egregie norat, me verbis salutavit Etruscis, quod illa in regione tanto magis placuit,
quanto rarius erat. oblectatus sum facetiis femine, cujus in ore maximus lepor erat moxque
in mentem venit Cleopatre facundia, que non solum Antonium sed Julium quoque Cesarem
eloquentia inescavit, mecumque quis reprehendet inquam, si ego homuncio id faciam, quod
maximi viri non sunt aspernati. interdum Moysen, interdum Aristotilem, nonnunquam
Christianos in exemplum sumebam. quid plura? vicit cupido, incalui, mulierem arsi
multisque blandimentis adorsus sum. sed ut asperis cantibus unda repellitur freti, sic
verba hec mea contempsit triduoque suspendit. erat illi filiola annorum quinque, quam
Melincus pater hospiti nostro commendaverat verebaturque mulier, ne quid hospes
presentiret filiamque post hac quasi moris materni abdicaret. instabat nox sequentique die
recessura mulier erat. timeo, ne abeat preda. rogo, in noctem ne ostio camere pesulum
obdet. dico me intempesta nocte venturum. negat nec spem ullam facit. insto. semper idem
responsum est. itur dormitum. mecum ego: quid scio, an illa ut jussi fecerit. recordor
Zime Florentini. forsitan illius amicam hec imitabitur, temptandum est, inquam. postquam
silentium undique sentio, thalamum mulieris accedo. clausum ostium est, sed non firmatum.
aperio, ingredior, muliere potior. hinc natus est filius, mulier Elizabeth vocatur. ex
idibus februarii ad alias idus novembris menses currunt, qui partui dantur. hoc mihi
dixerat mulier, dum Basilee postea fuisset. ego, quamvis ipsam non pecunia ulla sed
maximis emissem precibus, ut est ars feminarum, credebam hec auri corrodendi causa diei
nec verbis prebui fidem. nunc quia video, eam hoc asserere, quando nichil sperare ex me
potest, quando nomen convenit tempusque, puerum meum puto teque, mi pater, rogo, ut
nepotem suscipias alasque, donec gandiusculus factus ad me valeat proficisci, meisque
imbui disciplinis, nec puta feminam divitem mentiri velle in filio. nunc alia prosequar.
quod scribis te senio cum matre confectum, hoc, mi pater, tibi sibique jocundum esse
debet, quod eos annos attigisti, quos optabas juvenis, jamque libere et expedite potes deo
servire, omnibus spoliatus passionibus, que mentes juvenum a deo alienant. nec mihi
dixeris, omnia fert etas animumque, ut ex hoc perire animum putes, qui divinus est atque
immortalis. sed voluit poeta significare, etatis cursu vigorem illum animi tepescere, qui
est in juvenibus ardens. sed ille magis ad vitia, quam ad virtutes inclinatur. in senibus
purgatus est animus, nichil preter honestum cupiens, qualem tibi et matri mee spero esse,
quamvis illa nunquam mundanis desideriis inheserit, sed heroica quadam virtute soli deo
servire beatum duxerit. hoc fit, ut senio vestro minus trister. si enim juvenes essetis,
timerem de vobis magis. quod de filiis sororis Laudomie scribis, certum est apud me
gratumque. tuum est curare, ut litteras discant, que sole homines tollunt super alios. ego
cum statum meum firmiorem videro, alterum mihi asciscam. Jacobus Tholomeus frater, si ad
me scripserit, responso non carebit. provocari litteris non expectet, totiens enim
necessario scribo, ut nichil ad libitum vacet. lectura ejus ordinaria salarioque letatus
sum, famamque suam in dies crescere cum letitia percipio. Bartholomeo cum presentibus
litteras do, nec ejus obliviscor unquam pro suis erga te matremque meritis et quia
Katherinam sororem conjugem suam unice amat. matrem tibi commendo tueque fidei, deumque
rogo, ut patriam petens superstites omnes inveniam. conventum nanque cum letitia
celebrabimus et quomodo id quod restat, vivamus spatium ex tuo transigemus arbitrio, nec
mihi in te ulla erit controversia. Johannem et Laudomiam uxorem jube ex me salvos esse,
filiolum suscipe, et quicquid egeris, mihi rescribe. vale. ex Gretz, 20. septembris 1443. |
|