|
De dichter Enea Silvio groet Johann Lauterbach,
priester, gedegen man en voortreffelijk vriend, zeer hartelijk.
Ik denk dat jij, nu je hoort dat ik niet in
het gevolg van de koning vertoef, bij iedereen informeert naar waar ik mee bezig ben en
waar ik mij ophoud; niemand echter kan je dat beter beschrijven dan mijn pen, die graag
aan jouw wens gehoor geeft, want ik weet dat je van mij houdt. Luister eerst dus naar wat
ons in Wiener Neustadt overkomen is, dan zul je daarna in het kort vernemen wat ik doe en
waar ik ben. Kort geleden waren wij aan het hof van de keizer te gast bij een weduwe die
Italiaans kende, want zij had als jong meisje gediend in het huis van de familie della
Scala. Hier werd eerst
Mango, die voor de paarden zorgde, ziek; hij stierf na een week. Vlak daarna verklaarde
iemand anders uit het huis, een sterke kerel, dat de epidemie hem getroffen had en de
ziekte sloeg zo hard toe dat zij hem binnen drie dagen velde. Even later begon onze
gastvrouw aan hoofdpijn te lijden en een dienstmeisje kreeg koorts. Ook de broer van de
edele heer, de kanselier Kaspar, kreeg last van duizelingen. Iedereen was bang en dacht
eraan te vluchten. De kanselier wendde zich tot de koning en kreeg toestemming om de
fatale plaag te ontvluchten en zo zijn we sinds een week hier aangeland. Wij zijn bij de
mensen van de eerwaarde vader, de gekozen heer van Freising. De stad is je, denk ik,
bekend: Bruck, gelegen tussen twee rivieren, de Muhr en de Mürz, die zich voor de stad
verenigen en als één rivier in de Save uitmonden. Er is hier een markt die jaarlijks
gehouden wordt gedurende het octaaf van de Heilige Martinus. Ik heb al mijn zorgen opzij gezet en neem nu eens de
koopwaar in ogenschouw, die overal vandaan wordt aangevoerd, dan weer ga ik naar buiten de
velden in en kijk met een bijzonder gevoel van welbehagen naar de door de zon beschenen
bergen, de donkere schaduwen van de bossen en het glinsterende water van de rivier. Nu ben
je op de hoogte van de plaats waar ik mij bevind en met wat voor bezigheden ik mijn dagen
doorbreng. Weet verder dat in mijn ogen die man volkomen gelukkig is, die gekozen heeft
voor een leven ver van zakelijke beslommeringen, zoals de mensen uit de goede oude tijd
gewoon waren. Wie immers zou hem niet gelukkig noemen, die zonder rente- of schuldenlast
met eigen ossen het land bewerkt. Hoor hoe gelukkig hij is. Hij wordt niet opgejaagd door
luid trompetgeschal dat hem beveelt zich op te maken voor de oorlog en zich in het gevecht
te begeven, hij hoeft niet te huiveren voor een woedende zee, hij mijdt het forum en het
krakeel der strijdende partijen, de trotse huizen van de rijken bezoekt hij niet,
hooghartige hovelingen valt hij niet te voet. Niets van dat alles. Hoge populieren paart
hij met de volgroeide ranken van de wijnstok of kijkt vanuit de verte in een afgelegen en
verborgen dal naar het dolend vee en de grazende kudden, soms snijdt hij met het snoeimes
onnutte twijgen terug en ent hij vruchtbaarder loten, soms bergt hij geslingerde honing in
schone kruiken of scheert hij schapen en vergaart de wol. Maar als de herfst haar schone
hoofd getooid met rijpe vruchten boven de akkers heeft uitgestoken, hoe groot is dan zijn
vreugde wanneer hij peren plukt van bomen die hij met eigen hand geplant heeft. Een andere
keer oogst hij purperen druiven en hangt ze te drogen voor de winter of perst ze uit tot
most. Nu eens vlijt hij zich vol genot onder een oude eik, dan weer op een dicht tapijt
van gras; beken storten neer van hoge rotsen, in het bos klagen de vogels, uit ruisende
bronnen welt helder water dat noodt tot lichte slaap. Maar komt de wintertijd en heersen
regen en sneeuw, dan drijft hij met zijn meute de wilde zwijnen in het jachtnet of hangt
wijdmazige netten op aan lichte vork tegen vraatzuchtige lijsters en poogt de schuwe haas
en overtrekkende kraanvogel als buit te strikken. Als hij dan een kuise vrouw bezit, zoals
eens een Sabijnse of een uit de Heilige Schrift, een Sara, Rebekka of Rachel, die,
gebruind door vele dagen zon, waakt over zijn huis en lieve kinderen voedt, zal zijn geluk
nog veel groter zijn, wanneer zij bij thuiskomst van haar vermoeide man droog hout
opstapelt in de heilige haard, het welig vee binnen de gevlochten omheining sluit, de
gezwollen uiers leegt, zoete wijn uit het vat haalt en een kosteloos maal bereidt. Wie zou
zon leven niet prijzen en zich wensen? Lucrijnse oesters, tarbot, scaren zelfs,
welke uitgelezen zee- of riviervis je maar wilt, zouden mij niet zo bevallen als vette
olijven, geplukt van de zwaarst beladen takken of een lam, door boeren ter ere van Pasen
geslacht, of een bokje, ontrukt aan de muil van de wolf. Want wat een genot om tijdens een
landelijk maal van rijpe vruchten en malse kastanjes en ham en kaas te zien hoe het
volgegeten vee huiswaarts keert en toe te kijken hoe vermoeide runderen met trage nek de
omgekeerde ploeg voortslepen. De vreugden van het landleven zijn talrijk, deze een voor
een uit te meten valt buiten het kader van een brief. Daarom vaarwel en maak je, door uit
veel dit weinige in je op te nemen, ook eens de liefde tot het landleven eigen. Nogmaals
vaarwel, blijf, zoals steeds, aan mij denken.
Bruck, 13 november 1444.
|
Eneas Silvius poeta
salutem plurimam dicit Johanni Lauterbach, sacerdoti et viro probissimo amicoque optimo.
Credo te quid agam et ubi sim ex multis percontari, cum me apud regem non esse cognoscis,
sed nemo tibi hoc melius exponet quam calamus meus, qui libenter desiderio tuo morem geret
sciens quia me amas. audi ergo, quid acciderit nobis in Nova civitate prius, deinde, quid
faciam et ubi sim, breviter edoceberis. eramus nuper in curia cesaris apud viduam quandam,
sermonis gnaram Itali, nam et in domo illorum de Scala serviverat, dum virguncula fuit.
hic primum Mango qui ministrabat equis, egrotare cepit ac septima die decessit e vita.
moxque alius ex familia, vir robustus, epidimiam professus est se perpeti, cujus morbi
tanti vis fuit, ut eum triduo interficeret. Exinde mox hospita dolere caput et ancilla
febricitare ceperunt. germanus quoque magnifici domini Gasparis cancellarii vertiginem
patiebatur. pavere omnes ac de fuga cogitare. accessit cancellarius regem licentiamque
fugiendi mortiferam luem suscepit atque sic, hodie sunt octo dies, huc pervenimus. sumus
enim hic in plebe reverendi patris domini electi Frisigensis. Opidum tibi notum arbitror,
Prugk nomine, inter duas aquas Muram atque Murzam, que hic ante opidum copulantur et unum
facientes flumen in Savum feruntur. hic nundine sunt, que per octavam divi Martini solent
perdurare. ego remissis omnibus curis nunc merces, que undique huc afferuntur contemplor,
nunc in agros egredior montesque apricos et silvarum latibula ac lucidas fluminis limphas
non absque singulari mentis oblectatione intueor. habes nunc et ubi locorum degam et quid
rerum agam. Nunc illud te volo scire beatum mihi videri, qui vitam ab negotiis procul
publicis sibi delegit sicut prisca mens mortalium consuevit. Quis enim non felicem illum
dicat, qui nullo fenore aut ere alieno obligatus rura suis bobus exercet. audi quam beatus
sit. nempe neu truci excitatur classico quo bellum petere ac pugnam jubeatur inire, non
horret iratum mare, forum vitat et litigantium jurgia, non visitat superba divitum atria.
Non fastidiosis curialibus est supplex, sed aut altas populos adultis vitium propaginibus
maritat aut in secreta reductaque valle errantes boves et armenta pascentia prospectat,
interdum ramos inutiles falce resecat ac feliciores inserit, interdum mella, que pressit,
puris recondit amphoris aut oves tendet lanasque recipit. at cum autumpnus decorum caput
mitibus pomis per agros extulit magno afficitur gaudio, pira ex arboribus decerpens, quas
sua manu inseruit. interduin et purpureas uvas colligit et aut suspendit in usum hiemis
aut inustum exprimit. libet illi jacere modo sub antiqua ilice modo in tenaci gramine.
Labuntur aque ex altis rupibus, queruntur aves in silvis, obstrepunt fontes manantibus
limphis sompnosque leves invitant. ut vero hibernus advenit annus et imbres nivesque
dominantur aut apros multa cane in obstantes detrudit plagas aut rara retia levi hamite
seu furca contra edaces turdos suspendit aut pavidum leporem et advenam gruem laqueo
captat. quod si pudica mulier illi fuerit, quales olim fuerunt Sabine sive, de quibus
sacra scriptura meminit, Sara, Rebeccha vel Rachel, que solibus perusta domum servet et
dulces nutriat liberos, multo beatior fiet, cum illa in adventu lassi viri vetustis lignis
sacrum extruet focum claudens que textis cratibus letum pecus distenta siccabit ubera et
dulcia vina dolio promens dapes inemptas apparabit. quis hanc non laudet ae desideret
vitam? non me amplius Locrina conchilia aut rombi vel scari nec ex quo vis mari vel
flumine quesiti pisces juverint, quam leta de pinguissimis ramis arborum oliva decerpta
aut agna, quam solis paschalibus festis rustici mactant, vel hedus ab ore preruptus lupi.
nam quantum juvat inter rusticas epulas mitia poma et castaneas molles ac pernas et caseum
pastas oves videre, cum domum properant, intuerique fessos boves. inversum vomerem collo
trahentes languido. multa sunt ruris gaudia, que nune singula prosequi non est epistularis
angustie. ideo vale et hec ex multis pauca notans amorem ruris aliquando indue. iterumque
vale, mei uti soles memor. ex opido Prugk, die 13. novembris 1444.
|
|