Een gedwongen maar niet onaangenaam verbijf van Enea in Bruck. In een brief achteraf aan Johannes von Eich (1 juli 1445) vertelt hij hoe het uitbreken van een pestepidemie zijn heer Kaspar Schlick er toe had gebracht Wiener Neustadt te verlaten en met een beperkte groep medewerkers van de kanselarij zijn toevlucht te zoeken in het landelijke Bruck aan de Mur. ‘Niets helpt zo goed tegen die verderfelijke ziekte, beter dan welk medicijn ook, als de vlucht,’ schrijft Enea; hij wilde er zijn tijd ‘niet verdoen met eten en slapen, zoals het luie vee,’ maar wijdde zich aan literaire activiteiten. Hij schreef brieven en was bezig met een traktaat over de ellende van het hofleven, waarmee hij zinspeelde op De curialium miseriis,[1] een brieftraktaat dat hij inderdaad op 30 november 1440 aan von Eich had toegestuurd.[2] Eveneens vanuit Bruck schrijft hij aan zijn vriend Giovanni Campisio op 20 november 1440, of deze hem een exemplaar kan bezorgen van de Politica van Aristoteles.[3]  Kortom Enea maakte van de landelijke omgeving, op afstand van de drukke en afleidende bezigheden in de kanselarij, gebruik zijn naam als dichter te profileren. Daarnaast had hij  nu ook tijd om aan intieme zaken te denken: op 19 november schrijft hij een brief aan zijn vader en vraagt naar zijn zoon, van wie hij vreest dat deze, evenals zijn vroegere zoon uit Schotland, gestorven is.[4] Het lijkt dat Enea in deze omgeving beter tot reflectie in staat is en zich bewust wordt van de vergankelijkheid van het menselijk bestaan en de druk die de jacht naar wereldlijk succes en aanzien met zich meebrengt.

    In dit licht moeten we de brief aan Lauterbach lezen, in samenhang ook met zijn traktaat De curialium miseriis.[5] Immers het was in de Renaissance een geliefd thema om de ellende van het gecompliceerde hofleven tegenover het eenvoudige landleven te stellen, waarbij dat door de stadsmens in hoge mate geïdealiseerd werd. Voor zijn beschrijving van het leven op het platteland kiest Enea de bekende tweede Epode van Horatius, zonder daarbij zijn bron te vermelden. Dat is ook niet nodig, want voor humanisten was die duidelijk. Enea neemt de vrijheid om de Epode nog wat te wijzigen, hij haalt de Bijbelse figuren van Sara, Rebecca en Rachel aan als voorbeelden van deugdzame huisvrouwen, wellicht omdat de geadresseerde priester is. Lauterbach is belezen genoeg om Horatius in Enea’s tekst te herkennen en het zal hem zeker zijn opgevallen dat de laatste strofe van het gedicht van Horatius door Enea wordt weggelaten. In die strofe lag voor Horatius nu juist de pointe: de lofzang op het landleven wordt in de mond gelegd van de woekeraar Alfius, die zijn geld halverwege de maand int om het weer uit te lenen op de eerste dag van de volgende maand. Enea heeft deze regels niet zonder reden weggelaten. Keith Sidwell veronderstelt in een interessant artikel over De curialium miseriis dat Lauterbach de conclusie zal hebben getrokken dat Enea eigenlijk geen woord meent van zijn lyrische beschrijving van de geneugten van het platteland.[6] Eerder blijkt uit deze verheerlijking van het aangename landleven Enea’s liefde voor de natuur en het eenvoudige leven, een leven dat de mens in staat stelt zich te bezinnen op de echte waarden van het bestaan, zoals hij dat in zijn jeugd bij zijn ouders in Corsignano had beleefd en waarvan hij later als paus menigmaal getuigd heeft. Een humanistisch ideaal: vrij van dagelijkse beslommeringen zich kunnen wijden aan de muzen.


 

[1] Zie voor de brief aan Johannes von Eich: http://business.chello.at/franziskaner/Pater%20Olivers%20Publikationen/Piccolomini-Brief.pdf.

[2] Wolkan, 166.

[3] Wolkan, 164.

[4] Wolkan, 162.

[5] Cf. voor de samenhang tussen de thema’s ‘het benauwende leven aan het hof’ en het ‘gelukkige leven van de landman’: http://www.dbnl.org/tekst/smit040samu02_01/smit040samu02_01_0013.htm.

[6] Keith Sidwell, Aeneas Silvius Piccolomini’s De Curialium Miseriis and Peter of Blois: in Pius II, El più expeditivo pontfice, selected Studies on Aeneas Silvius Piccolomini, edited by Zweder von Martels and Arjo vanderjagt, Brill, 2003, pag. 87 e.v.

 

 


 

 

 

De dichter Enea Silvio groet Johann Lauterbach, priester, gedegen man en voortreffelijk vriend, zeer hartelijk.

Ik denk dat jij, nu je hoort dat ik niet in het gevolg van de koning vertoef, bij iedereen informeert naar waar ik mee bezig ben en waar ik mij ophoud; niemand echter kan je dat beter beschrijven dan mijn pen, die graag aan jouw wens gehoor geeft, want ik weet dat je van mij houdt. Luister eerst dus naar wat ons in Wiener Neustadt overkomen is, dan zul je daarna in het kort vernemen wat ik doe en waar ik ben. Kort geleden waren wij aan het hof van de keizer te gast bij een weduwe die Italiaans kende, want zij had als jong meisje gediend in het huis van de familie della Scala. Hier werd eerst Mango, die voor de paarden zorgde, ziek; hij stierf na een week. Vlak daarna verklaarde iemand anders uit het huis, een sterke kerel, dat de epidemie hem getroffen had en de ziekte sloeg zo hard toe dat zij hem binnen drie dagen velde. Even later begon onze gastvrouw aan hoofdpijn te lijden en een dienstmeisje kreeg koorts. Ook de broer van de edele heer, de kanselier Kaspar, kreeg last van duizelingen. Iedereen was bang en dacht eraan te vluchten. De kanselier wendde zich tot de koning en kreeg toestemming om de fatale plaag te ontvluchten en zo zijn we sinds een week hier aangeland. Wij zijn bij de mensen van de eerwaarde vader, de gekozen heer van Freising. De stad is je, denk ik, bekend: Bruck, gelegen tussen twee rivieren, de Muhr en de Mürz, die zich voor de stad verenigen en als één rivier in de Save uitmonden. Er is hier een markt die jaarlijks gehouden wordt gedurende het octaaf van de Heilige Martinus. Ik heb al mijn zorgen opzij gezet en neem nu eens de koopwaar in ogenschouw, die overal vandaan wordt aangevoerd, dan weer ga ik naar buiten de velden in en kijk met een bijzonder gevoel van welbehagen naar de door de zon beschenen bergen, de donkere schaduwen van de bossen en het glinsterende water van de rivier. Nu ben je op de hoogte van de plaats waar ik mij bevind en met wat voor bezigheden ik mijn dagen doorbreng. Weet verder dat in mijn ogen die man volkomen gelukkig is, die gekozen heeft voor een leven ver van zakelijke beslommeringen, zoals de mensen uit de goede oude tijd gewoon waren. Wie immers zou hem niet gelukkig noemen, die zonder rente- of schuldenlast met eigen ossen het land bewerkt. Hoor hoe gelukkig hij is. Hij wordt niet opgejaagd door luid trompetgeschal dat hem beveelt zich op te maken voor de oorlog en zich in het gevecht te begeven, hij hoeft niet te huiveren voor een woedende zee, hij mijdt het forum en het krakeel der strijdende partijen, de trotse huizen van de rijken bezoekt hij niet, hooghartige hovelingen valt hij niet te voet. Niets van dat alles. Hoge populieren paart hij met de volgroeide ranken van de wijnstok of kijkt vanuit de verte in een afgelegen en verborgen dal naar het dolend vee en de grazende kudden, soms snijdt hij met het snoeimes onnutte twijgen terug en ent hij vruchtbaarder loten, soms bergt hij geslingerde honing in schone kruiken of scheert hij schapen en vergaart de wol. Maar als de herfst haar schone hoofd getooid met rijpe vruchten boven de akkers heeft uitgestoken, hoe groot is dan zijn vreugde wanneer hij peren plukt van bomen die hij met eigen hand geplant heeft. Een andere keer oogst hij purperen druiven en hangt ze te drogen voor de winter of perst ze uit tot most. Nu eens vlijt hij zich vol genot onder een oude eik, dan weer op een dicht tapijt van gras; beken storten neer van hoge rotsen, in het bos klagen de vogels, uit ruisende bronnen welt helder water dat noodt tot lichte slaap. Maar komt de wintertijd en heersen regen en sneeuw, dan drijft hij met zijn meute de wilde zwijnen in het jachtnet of hangt wijdmazige netten op aan lichte vork tegen vraatzuchtige lijsters en poogt de schuwe haas en overtrekkende kraanvogel als buit te strikken. Als hij dan een kuise vrouw bezit, zoals eens een Sabijnse of een uit de Heilige Schrift, een Sara, Rebekka of Rachel, die, gebruind door vele dagen zon, waakt over zijn huis en lieve kinderen voedt, zal zijn geluk nog veel groter zijn, wanneer zij bij thuiskomst van haar vermoeide man droog hout opstapelt in de heilige haard, het welig vee binnen de gevlochten omheining sluit, de gezwollen uiers leegt, zoete wijn uit het vat haalt en een kosteloos maal bereidt. Wie zou zo’n leven niet prijzen en zich wensen? Lucrijnse oesters, tarbot, scaren zelfs, welke uitgelezen zee- of riviervis je maar wilt, zouden mij niet zo bevallen als vette olijven, geplukt van de zwaarst beladen takken of een lam, door boeren ter ere van Pasen geslacht, of een bokje, ontrukt aan de muil van de wolf. Want wat een genot om tijdens een landelijk maal van rijpe vruchten en malse kastanjes en ham en kaas te zien hoe het volgegeten vee huiswaarts keert en toe te kijken hoe vermoeide runderen met trage nek de omgekeerde ploeg voortslepen. De vreugden van het landleven zijn talrijk, deze een voor een uit te meten valt buiten het kader van een brief. Daarom vaarwel en maak je, door uit veel dit weinige in je op te nemen, ook eens de liefde tot het landleven eigen. Nogmaals vaarwel, blijf, zoals steeds, aan mij denken.

Bruck, 13 november 1444.

 

Eneas Silvius poeta salutem plurimam dicit Johanni Lauterbach, sacerdoti et viro probissimo amicoque optimo.

Credo te quid agam et ubi sim ex multis percontari, cum me apud regem non esse cognoscis, sed nemo tibi hoc melius exponet quam calamus meus, qui libenter desiderio tuo morem geret sciens quia me amas. audi ergo, quid acciderit nobis in Nova civitate prius, deinde, quid faciam et ubi sim, breviter edoceberis. eramus nuper in curia cesaris apud viduam quandam, sermonis gnaram Itali, nam et in domo illorum de Scala serviverat, dum virguncula fuit. hic primum Mango qui ministrabat equis, egrotare cepit ac septima die decessit e vita. moxque alius ex familia, vir robustus, epidimiam professus est se perpeti, cujus morbi tanti vis fuit, ut eum triduo interficeret. Exinde mox hospita dolere caput et ancilla febricitare ceperunt. germanus quoque magnifici domini Gasparis cancellarii vertiginem patiebatur. pavere omnes ac de fuga cogitare. accessit cancellarius regem licentiamque fugiendi mortiferam luem suscepit atque sic, hodie sunt octo dies, huc pervenimus. sumus enim hic in plebe reverendi patris domini electi Frisigensis. Opidum tibi notum arbitror, Prugk nomine, inter duas aquas Muram atque Murzam, que hic ante opidum copulantur et unum facientes flumen in Savum feruntur. hic nundine sunt, que per octavam divi Martini solent perdurare. ego remissis omnibus curis nunc merces, que undique huc afferuntur contemplor, nunc in agros egredior montesque apricos et silvarum latibula ac lucidas fluminis limphas non absque singulari mentis oblectatione intueor. habes nunc et ubi locorum degam et quid rerum agam. Nunc illud te volo scire beatum mihi videri, qui vitam ab negotiis procul publicis sibi delegit sicut prisca mens mortalium consuevit. Quis enim non felicem illum dicat, qui nullo fenore aut ere alieno obligatus rura suis bobus exercet. audi quam beatus sit. nempe neu truci excitatur classico quo bellum petere ac pugnam jubeatur inire, non horret iratum mare, forum vitat et litigantium jurgia, non visitat superba divitum atria. Non fastidiosis curialibus est supplex, sed aut altas populos adultis vitium propaginibus maritat aut in secreta reductaque valle errantes boves et armenta pascentia prospectat, interdum ramos inutiles falce resecat ac feliciores inserit, interdum mella, que pressit, puris recondit amphoris aut oves tendet lanasque recipit. at cum autumpnus decorum caput mitibus pomis per agros extulit magno afficitur gaudio, pira ex arboribus decerpens, quas sua manu inseruit. interduin et purpureas uvas colligit et aut suspendit in usum hiemis aut inustum exprimit. libet illi jacere modo sub antiqua ilice modo in tenaci gramine. Labuntur aque ex altis rupibus, queruntur aves in silvis, obstrepunt fontes manantibus limphis sompnosque leves invitant. ut vero hibernus advenit annus et imbres nivesque dominantur aut apros multa cane in obstantes detrudit plagas aut rara retia levi hamite seu furca contra edaces turdos suspendit aut pavidum leporem et advenam gruem laqueo captat. quod si pudica mulier illi fuerit, quales olim fuerunt Sabine sive, de quibus sacra scriptura meminit, Sara, Rebeccha vel Rachel, que solibus perusta domum servet et dulces nutriat liberos, multo beatior fiet, cum illa in adventu lassi viri vetustis lignis sacrum extruet focum claudens que textis cratibus letum pecus distenta siccabit ubera et dulcia vina dolio promens dapes inemptas apparabit. quis hanc non laudet ae desideret vitam? non me amplius Locrina conchilia aut rombi vel scari nec ex quo vis mari vel flumine quesiti pisces juverint, quam leta de pinguissimis ramis arborum oliva decerpta aut agna, quam solis paschalibus festis rustici mactant, vel hedus ab ore preruptus lupi. nam quantum juvat inter rusticas epulas mitia poma et castaneas molles ac pernas et caseum pastas oves videre, cum domum properant, intuerique fessos boves. inversum vomerem collo trahentes languido. multa sunt ruris gaudia, que nune singula prosequi non est epistularis angustie. ideo vale et hec ex multis pauca notans amorem ruris aliquando indue. iterumque vale, mei uti soles memor. ex opido Prugk, die 13. novembris 1444.
 
 


 

 
     

 

© michel goldsteen