|
Aan de doorluchtige vorst, Zijne Excellentie de heer Filippo
Maria Angelo, hertog van Milaan, graaf van Pavia en Angleria
en heer van Genua: Enea Silvio, dichter en secretaris van de keizer
beveelt zich zeer nederig aan bij zijn hooggeëerde heer.
Weliswaar zijn mij tot nu toe niet
veel gunsten bewezen door Uwe Hoogheid die, nadat het bezit van de
kerk van San Lorenzo in Milaan
eerst mij was toebedeeld,
nu hem protegeert, die mij daarvan wederrechtelijk heeft beroofd, in
weerwil van de brieven die de koning meerdere malen ten mijnen
gunste geschreven heeft. Toch ben ik Uw verheven Hoogheid zozeer
toegedaan dat ik in geen geval wil nalaten U te melden welk nieuws
ons heeft bereikt. Ook al is dat niet van zodanige aard dat men het
graag zou willen horen, het heeft zijn voordeel om kennis te nemen
van zowel voorspoed als tegenslag. Verneem dus van uw onderdanige
dienaar die evenwel niet als dienaar bij Uw Verheven Heerschap te
boek staat, welk nieuws ons heeft bereikt.
Vijftien dagen of meer zijn
verstreken sinds het gerucht tot hier is doorgedrongen. Gerucht? Een
onheilstijding noem ik het, sneller dan alle plagen die, zegt
Vergilius, in beweeglijkheid haar kracht vindt, die zij al gaande
vermeerdert.
Welnu, het gerucht doet de ronde dat Wladyslaw,
koning van Polen, die Hongarije had bezet en de verheven prins
Ladislas,
koning van Hongarije en Bohemen, had beroofd van het rijk van zijn
grootvader, met heel zijn leger in de oorlog een verpletterende
nederlaag heeft geleden.
Omdat echter een schriftelijke bevestiging uitbleef en geen enkele
betrouwbare bron voorhanden was, hield men het verhaal voor
verzonnen. Kort daarna werden er brieven uit Hongarije verzonden,
waarin stond dat de koning van Polen de Turken had verslagen en als
overwinnaar huiswaarts keerde, en men was niet weinig beducht dat
hij, zoals nu eenmaal overmoed en trots de natuurlijke metgezellen
van de overwinning zijn, met de Hongaren zou oprukken tegen
Oostenrijk en Styria. En een belangrijk man als Dionysius,
aartsbisschop van Esztergom,
en anderen die de partij van koning Ladislas waren toegedaan,
drongen bij de Roomse koning
aan op gewapende hulp. Want de Hongaren die zich aan de zijde van de
koning van Polen hadden geschaard, deden hun best om zijn nederlaag
te verheimelijken, ofwel omdat zij de koning, wanneer hij uit de
oorlog terugkeerde, ondanks zijn nederlaag wilden helpen, of omdat
ze meenden onderwijl hun eigen positie daardoor te kunnen
versterken. Niets is evenwel zo vluchtig als de leugen, niets
standvastiger dan de waarheid. Vandaag namelijk bereikten ons,
vreemd genoeg vanuit verschillende en uiteengelegen streken, binnen
één uur meerdere berichten, die echter geen tegenstrijdig maar
eensluidend nieuws brachten. De illustere graaf van Cilli
heeft erover geschreven, andere edelen uit Transylvanië en nog
andere baronnen uit Hongarije hebben dat nieuws aan Zijne
Koninklijke Hoogheid geschreven, dat weliswaar treurig en volkomen
rampzalig is voor de christelijke wereld, maar waar men toch niet
over mag zwijgen; dat nieuws behoort met des te meer ijver verspreid
te worden onder de christelijke volkeren naarmate het gevaar voor
het christelijk geloof groter is, wanneer de meest godsvruchtige
vorsten niet bijeenkomen om te overleggen hoe men zich te weer kan
stellen tegen de vijanden van het heilig Kruis en de tegenstanders
van Christus. Welnu dan, dit is het nieuws: alle berichten melden
eenstemmig dat de koning van Polen met de kardinaal van Sant’ Angelo
en veel Hongaren, maar nog meer Walachen
en Bulgaren en Ruthenen
tot in Roemenië waren doorgedrongen en zoveel successen in de oorlog
hadden behaald, dat zij hun kamp niet ver van Adrianopel hadden
opgeslagen. Nadat de Turkse sultan dit gehoord had, bracht hij in
Azië een leger op de been van veertigduizend soldaten, waarmee hij
de zee overstak. De vloot namelijk die afgelopen zomer naar de
Hellespont
was gezonden om de overtocht vanuit Azië naar Europa te verhinderen,
had zich volgens die zegslieden reeds teruggetrokken, omdat de
aanvoerders ervan omgekocht waren met geld en schatten, afkomstig
uit Azië. Dat lijkt mij overigens niet waarschijnlijk, ik kan mij
niet indenken dat zij zich dermate trouweloos hebben gedragen dat
zij in ruil voor goud bloed van christenen aan de Mohammedanen
hebben verkocht. Het ligt meer voor de hand dat het door het stokken
van de aanvoer voor de vloot niet mogelijk was om verder te varen.
Kardinaal Giuliano
had in een brief zijn vrees daarvoor reeds uitgesproken. Hoe dan
ook, de zee lag voor de Turken open, zij staken over naar
Griekenland, verenigden zich met hun mensen die aan deze zijde van
de zee verbleven, en grepen met een grote troepenmacht de christenen
aan. De onzen onttrokken zich niet aan de strijd, maar op de
feestdag zelf van de H. Martinus werd slag geleverd, zo fel en
bloedig als, zover onze herinnering terugreikt, maar zelden op aarde
heeft plaatsgevonden. Het verloop van de strijd bleef lange tijd
onzeker, lang waren de krachten aan elkaar gelijk. De onzen streden
voor Christus, de anderen voor Mohammed, en de gemoederen raakten
over en weer zo verhit dat, hoewel er al ongeveer vijftienduizend
manschappen gewond waren, beide legers van geen wijken wisten zolang
het gevecht gelijk opging; hoe meer bloed er vloeide, des te
grimmiger streden aan beide zijden voetvolk en ruiterij. Toch namen
de krachten bij beide partijen af, de armen waren op den duur zo
vermoeid dat zij niet meer in staat waren het zwaard te hanteren en
de boog te spannen. Dat noopte tot een langdurige gevechtspauze,
waarna zij met herwonnen kracht en verse strijdlust opnieuw de
strijd aanbonden. Uiteindelijk zegevierden de Turken, of door hun
moed of door het lot of vanwege hun grotere getalsterkte. Zij die
wisten te ontvluchten verzekeren dat nergens in Europa sinds
mensenheugenis onze voorvaderen een slag hebben geleverd die zoveel
bloed heeft gekost; er zouden evenveel Turken zijn gesneuveld als
Hongaren, en als het gerucht waar is, zijn in deze slag
tachtigduizend manschappen gesneuveld. Over het lot van de Poolse
koning bestaat onzekerheid. Volgens sommigen is hij omgekomen,
volgens anderen gevangen genomen. Hierover zijn allen het eens: de
Poolse koning is niet teruggekeerd naar de Hongaren. Er is ook een
lezing dat hij tijdens de strijd een wond aan het gezicht heeft
opgelopen. Hierom verdient deze edele en moedige jongeman een groot
medeleven,
die niet door eigen beoordeling van de situatie – want daar had hij
de leeftijd nog niet voor – uit was op andermans rijk, maar die zich
op instigatie van zijn omgeving heeft laten meeslepen vanuit een
rijk dat vrede en rust kende naar een dat hem niet toebehoorde, niet
met vrede maar met oorlog als resultaat, niet om macht en rijkdom te
verwerven maar om gedood of gevangen genomen te worden. Het gerucht
gaat zelfs dat in deze strijd de meest welsprekende en wijze man van
onze tijd, de kardinaal van Sant’ Angelo, Giuliano is gevallen en
dat deze hoogverheven geest die zo wonderbaarlijk begaafd was bij
alles wat hij ondernam, het leven heeft gelaten. Sommigen houden vol
dat hij met Johannes de woiwode van Transylvanië,
een edel, en wanneer hij niet uit angst gevlucht is, zeer dapper
man, met enkelen ontsnapt is, wat ik het liefst zou wensen.
Maar het lijkt mij meer waarschijnlijk dat hij dood is, omdat hij in
oorlogen geen geluk heeft. Want hij had al eens moeten vluchten,
toen hij met een leger tegen Bohemen was uitgerukt; of wij zouden
moeten aannemen dat hem nu hetzelfde is overkomen; maar de fortuin
heeft de gewoonte om hen die zij heeft doen vluchten in de ene
oorlog in een volgende te laten omkomen.
Wat zijn lot ook geweest moge zijn, ik meen dat het hem niet slecht
vergaan is, want hij heeft voor het geloof van Christus gestreden,
en als beloning daarvoor is hij, indien hij werkelijk gestorven is,
zonder twijfel heengegaan tot Hem van wiens zaak hij de
pleitbezorger is geweest. Met hem zijn gevallen de bisschoppen van
Erlau en Grosswardein,
Steffanus van Wader, Johannes van Lasmuz, Nicolaus van Perin,
Henricus van Thamasij, Johannes Orsais, Pankratius van Szleid,
Nicolaus van Salzburg, Mathiocanus, de broer van de ban,
Frencho en veel andere baronnen, wier namen nog niet bekend zijn
gemaakt. Een groot aantal illustere zielen zijn in deze slag naar de
hemel of naar de hel gegaan.
Dit jaar wordt door veel rampen
getekend. Want de Zwitsers zijn bij Bazel verslagen, de dauphin
heeft meerdere steden in de Elzas bezet,
en de koning van Frankrijk
heeft Toul en Verdun ingenomen. Niccolò Piccinino
is van ons heengegaan
en heel wat andere mannen zijn gestorven die aan Uwe doorluchtige
Hoogheid meer bekend zijn dan bij mij. De Hongaren beginnen nu om
Ladislas te vragen als hun koning.
Dit is het laatste nieuws, een
nauwkeuriger verslag kan ik niet geven. Het nieuws zal van dag tot
dag aan zekerheid winnen, ik zal niet nalaten u te schrijven, als ik
weet dat mijn brieven Uwe Hoogheid welkom zijn en dat mijn
tegenstander niet meer dan ik in de kerk van San Lorenzo die mij
toebehoort, op uw gunst mag rekenen. Wiener Neustadt, 13 december
1444.
|
Illustrissimo
principi ac excellentissimo domino domino Philippo Marie Anglo, duci
Mediolanensi, Papie Anglerieque comiti ac Janue domino, domino suo precipuo
Eneas Silvius, poeta imperialisque secretarius, humillime sese commendatum
facit.
Etsi favoris
mihi non multum hactenus vestra celsitudo impenderit, que post traditam mihi
ecclesie sancti Laurentii majoris Mediolanensis possessionem spoliatorem
meum preter jus et contra litteras regias in meum favorem sepius scriptas
tuetur, in tantum tamen illustri celsitudini vestre sum deditus, ut
pretermittere nullatenus possim, quin novitates ad nos delatas eidem significem,
que tametsi non hujusmodi sint, ut audiri libenter debeant, expedit tamen et
secunda et adversa cognoscere. accipite igitur ex servulo vestro, non tamen
apud vestram illustrem dominationem pro servulo reputato, que apud nos nova
feruntur.
quindecim aut eo plures sunt dies, quibus huc fama delata est.
fama? malum inquam, quo non aliud velocius ullum mobilitate viget et que
vires, ut Virgilius inquit, aquirit eundo. hec igitur Wladislaum Polonie
regem, qui regnum Hungarie occupaverat ac serenissimum principem Ladislaum
Hungarie ac Bohemie regem paterno et avico regno spoliaverat, in bello cum
toto exercitu prostratum vulgavit. quia tamen nulle venerant littere
nullusque certus auctor habebatur, ficta res credita est. nec multo post
epistole ex Hungaria misse sunt, regem Polonie superatis conflictisque
Teucris victorem reverti, eratque non parva trepidatio, ne, sicut est
victoria sui natura insolens et superba, rex idem cum Hungaris adversus
Austriam et Stiriam castra moveret. janque vir magni nominis Dyonisius
archiepiscopus Strigoniensis et alii, qui Ladislai regis partibus favent,
auxilia Romanorum regis efflagitabant. studuerant enim, qui regem Polonie
apud Hungaros manu tenebant, conflictum ejus tegere, sive quod redeunti ex
bello regi quamvis fugato consulere volebant, sive quod statum suum eo
melius interim putabant posse dirigere. sed nichil est mendacio instabilius
nichilque veritate constantius. advenerunt enim hodie, mirabile dictu est,
ex diversissimis remotissimisque regionibus una in hora diversi nuntii, non
tamen diversa sed eadem nova portantes. scripsit illustris Cilie comes,
scripserunt ex partibus Transsilvanis alii et rursus alii ex Hungaria
barones novitates istas regie majestati, que licet Christiano populo
lugubres sint et admodum nocive non tamen taceri debent, sed tanto
diligentius inter Christicolas divulgari, quanto Catholice fidei majus
imminet periculum, nisi religiosissimi principes in unum convenientes de
modis resistendi sancte crucis inimicis et hostibus Christi cogitaverint.
nova igitur ista sunt. ajunt omnes nuntii uno ore, regem Polonie cum
cardinali sancti angeli multisque Hungaris sed pluribus Walachis et Bulgaris
atque Ruthenis in Romaniam usque profectos tot bellando successus habuisse,
ut non longe ab
Andrinopoli castra posuerint. quod postquam, Teucrorum imperator accepit,
collecto in Asia exercitu quadraginta milium pugnatorum, mare trajecit.
classis nanque in Elespontum ad prohibendum ex Asia in Europam transitum hac
estate preterita missa, ut isti referunt, jam retrocesserat, patronis ejus
pecunia et Asiatica gaza corruptis, quod mihi non fit verisimile, nec
persuaderi mihi poterit, tanta perfidia usos illos fuisse, ut Christianum
sanguinem Machometiscis auro vendiderint. illud autem credibilius est
deficiente commeatu classem ulterius non potuisse procedere, sicuti jam suis
litteris timere se Julianus cardinalis significaverat. utcunque sit, liberum
mare Teucris patuit, qui transeuntes in Greciam junctique suis cis mare
manentibus cum magno exercitu Christianos aggressi sunt. nec nostri
detractavere certamen, sed in ipsa sancti Martini festivitate bellum
commissum est, quod tam atrox et asperum fuit, ut raro inter mortales tale
fuisse putetur. diu prelium anceps extitit diuque viribus utrinque paribus
est pugnatum. atque dum nostri pro Christo et illi pro Maumeto contendunt,
tam acres utriusque partis animi fuerunt, ut lesis inter utrumque exercitum
circiter quindecim milibus hominum, cum pugna par esset, adhuc cessare
noluerint, sed quo plus sanguinis fundebatur, eo ferociores utrinque acies
turmeque preliabantur. defecerunt tamen utrisque vires fessisque brachiis
nec versare gladios amplius nec archus tendere valebant, que res quiescere
ambas partes ad magnam horam coegit, donec resumptis viribus ac spiritibus
redeuntibus instauratum est prelium, in quo vicit ad extremum Teucrorum sive
virtus fuit sive fatum, sive quod numero plures erant. affirmant, qui ex
bello fugerunt, patrum nostrorum memoria nullum tota Europa tam cruentum
bellum esse commissum. nec pauciores ex Teucris quam ex Hungaris cecidisse
et, si verus est rumor, octoginta milia virorum in hac pugna sunt cesa. de
rege Polonie incerta vox est. quidam occubuisse eum ferunt, quidam captum
putant. illud inter omnes constat, regem Polonie ad Hungaros non esse
reversum, nec desunt, qui eum in facie vulnus suscepisse inter preliandum
asserunt, quo fit, ut adolescenti tam nobili tantique animi admodum
condolendum sit, qui non suo judicio, non enim propter etatem aliena
regna cupiebat, sed suorum suasu ex pacifico regno in alienum, non ad pacem
sed ad bellum, non ad opes possidendas sed ad mortem vel captivitatem est
tractus. murmur etiam est, in hoc prelio virum nostri temporis cum
eloquentissimum tum prudentissimum Julianum, cardinalem sancti angeli,
cecidisse ac suum illum nobilissimum spiritum ad omnia quecunque ageret
divinitus aptum exalasse. quidam astruunt, eum cum Johanne waiwoda
Transsilvano, viro magnifico et nisi timiditate victus aufugerit
animosissimo, cum paucis evasisse, quod magis optaverim. sed mors sua mihi
probabilior est, quia non fuit in bellis fortunatus. nam et adversus Bohemos
cum exercitu profectus fugatus est, nisi forsitan et idem sibi nunc
accidisse arbitrari velimus. sed assuevit fortuna, quos uno ex bello fugatos
fecit in alio interemptos reddere. quecunque sors ejus fuerit, non puto male
actum cum eo, qui pro Christi fide pugnavit, pro qua, si mortuus est, ut
isti ferunt, nulli dubium esse debet, quin ad eum transierit, cujus causam
tutabatur. occisi cum eo sunt Agriensis et Varadiensis episcopi, Steffanus
de Wader, Johannes de Lasmuz, Nicolaus de Perin, Henricus de Thamasii,
Johannes Orsais, Pangratius de Szleid, Nicolaus de Saltzburg et Mathiocanus,
Bani frater, Frencho multique alii barones, quorum nondum nomina sunt
transscripta. plures in hoc prelio illustres anime vel in celum vel ad
inferos transierunt.
insignis est hic annus multis cladibus. nam et
Svicenses apud Basileam cesi sunt et dalphinus complures Almanie civitates
occupavit et rex Francie Tullum Verduniumque cepit, Nicolaus Piceninus vita
functus est et alii quamplures viri mortui sunt, qui vestre illustri
dominationi quam mihi sunt notiores. Hungari jam incipiunt Ladislaum regem
repetere.
res nova est et recens nec magis explicanda quam tradita sit. nova
in dies certiora mittentur, que non omittam scribere, si scivero, meas
litteras in conspectu celsitudinis vestre acceptas esse et non magis
adversarium meum quam me in ecclesia sancti Laurentii, que mea est confoveri.
ex Nova civitate, die 13. decembris 1444. [[491]]
|
|
|