| |
"Monte Amiata ligt op Sienees grondgebied. In hoogte evenaart hij
de Apennijnen en in Italië, zegt men, moet hij alleen aan de Alpen van
Pistoia en nog twee andere bergen de voorrang geven. Tot boven aan de
top is hij bedekt met bossen. Het hoogste gedeelte, dat dikwijls in
wolken gehuld ligt, is met beuken begroeid, daaronder volgen kastanjes,
nog lager groeien eiken of kurkeiken; het gebied aan de voet is door
mensenhand in cultuur gebracht en met wijnstokken en bomen beplant; daar
liggen ook akkers en weiden. In een afgelegen dal van het gebergte
groeien hoge dennen, die voor de bouwwerken van Siena en van Rome
voortreffelijk timmerhout leveren. Hier komen de boomstammen vandaan,
die Pius heeft gekocht voor de bouw van zijn paleis in Pienza. Tussen de
dennen en de kastanjes bevindt zich de enige kale strook van de berg,
maar ook die is begroeid met gras en geschikt voor kleinvee. In
westelijke richting daalt de berg af naar de zeekust van Siena, naar het
Zuiden kijkt hij uit over Santa Fiora, waarover wij straks zullen
spreken; in het Noorden ziet men Pienza liggen, veel Sienese vestingen,
Siena zelf en de rivier de Orcia; in oostelijke richting heeft men
uitzicht op de hoge citadel van Radicofani en de rivier de Paglia, die
zich verenigt met de Chiana om gezamenlijk in de Tiber uit te monden. Op
de Amiata liggen veel dichtbevolkte steden. Een daarvan, Abbadia, is een
van de mooiste qua ligging, in het oostelijk gedeelte van de berg, op
gelijke afstand ongeveer van de top en van de Paglia. In het midden
daarvan heeft de natuur een vlakte gevormd van ongeveer acht stadiën,
die overal dicht begroeid is met kastanjes; aan de rand wordt hij door
ruige rotsen omgeven. In vroeger tijden is daar een stad gebouwd, die
aan de ene zijde beschermd wordt door steile rotsen, aan de andere kant
door een hoge muur en een gracht, die altijd vol staat met water dat
naar binnen stroomt. Binnen de stadsmuur zijn tamelijk gerieflijke
huizen gebouwd van vierkante steenblokken en waarvan de daken zijn
vervaardigd van materiaal dat tegen sneeuw bestand is. Vóór de stad is
het bos tot ongeveer een stadie omgehakt om plaats te bieden aan tuinen
en enkele akkers....Het was al
juli, maar de kersen waren er nog niet rijp. Vlakbij gutst een
overvloedige bron uit de rotsen. Na op deze plek het middagmaal te
hebben gebruikt verleende Pius audiëntie aan gezanten en aan mensen die
een verzoekschrift wilden indienen. Na afloop lieten meerdere mannen de
paus daar achter en gingen op weg om de top van de berg te beklimmen
langs een halsbrekend en moeilijk pad, waarlangs niemand omhoog zou
durven gaan, als niet talrijke beuken de blik op de afgrond wegnamen en
iemands val beloofden op te vangen. Op de top aangekomen, troffen zij
een open terrein met in het midden een opeenstapeling van twee
reusachtige, bijna even grote rotsblokken. Ze klommen daar bovenop en
keerden terug met de boodschap de bergen van Sicilië en Corsica te
hebben gezien. Een van hen, die de top hadden beklommen, was Niccolò
Sagundino, ambassadeur van Venetië.
De kastanjes, die in het gedeelte groeien beneden de beuken, zijn heel
hoog en lijken naar de hemel reiken; velen ervan hebben zulke dikke
stammen, dat ze nauwelijks door vier mannen te omvatten zijn; sommigen
zijn hol en boden onderdak aan vijfentwintig stuks kleinvee. Onder de
kastanjes breiden zich velden vol gras uit, die altijd in de schaduw
liggen, behalve wanneer na de herfstkou het blad is gevallen en de
zonnestralen door het geboomte heendringen. Meer dan elders worden hier
dichters gelokt door weldadige schaduw, sprankelende bronnen, het groene
gras en lachende weiden: hier zullen zij blijven de hele zomer door. De
bergkammen van de Cirra en de Nisa zijn volgens ons daar niet mee te
vergelijken, ook al worden zij dikwijls in de literatuur naar vermeld.
Zelfs aan de Peneische Tempe zouden wij niet de voorkeur geven.
Deze streek kent geen slangen, geen
schadelijk wild, geen zwermen vliegen; geen steekvliegen of dazen steken
in je gezicht; geen luizen met hun vunzige stank maken je bed smerig;
geen muggen zoemen je om de oren. In heel het woud heerst kalme rust,
geen doorns en bramen prikken je voeten. De bomen staan zo dicht bij
elkaar, dat ze de ruimte ertussen met hun hoge takken en loof
overschaduwen. De bodem is begroeid met gras en wilde aardbeien, waar
doorheen met zacht gemurmel heldere beekjes eindeloos voortkabbelen."
(Enea
Silvio Piccolomini, Commentarii ix, 1)
|
|