00026_RT16
CRW_7046_cs2
CRW_7047_cs2
CRW_7049
CRW_7085
CRW_7365-01
CRW_7377-01_S
DSC_2183
DSC_2185
DSC_2191_c-01
DSC_2194-01
DSC_2200-01
DSC_2201
DSC_2203-01_S
DSC_2239_c-01
page 1 of 2
 

"Monte Amiata ligt op Sienees grondgebied. In hoogte evenaart hij de Apennijnen en in Italië, zegt men, moet hij alleen aan de Alpen van Pistoia en nog twee andere bergen de voorrang geven. Tot boven aan de top is hij bedekt met bossen. Het hoogste gedeelte, dat dikwijls in wolken gehuld ligt, is met beuken begroeid, daaronder volgen kastanjes, nog lager groeien eiken of kurkeiken; het gebied aan de voet is door mensenhand in cultuur gebracht en met wijnstokken en bomen beplant; daar liggen ook akkers en weiden. In een afgelegen dal van het gebergte groeien hoge dennen, die voor de bouwwerken van Siena en van Rome voortreffelijk timmerhout leveren. Hier komen de boomstammen vandaan, die Pius heeft gekocht voor de bouw van zijn paleis in Pienza. Tussen de dennen en de kastanjes bevindt zich de enige kale strook van de berg, maar ook die is begroeid met gras en geschikt voor kleinvee. In westelijke richting daalt de berg af naar de zeekust van Siena, naar het Zuiden kijkt hij uit over Santa Fiora, waarover wij straks zullen spreken; in het Noorden ziet men Pienza liggen, veel Sienese vestingen, Siena zelf en de rivier de Orcia; in oostelijke richting heeft men uitzicht op de hoge citadel van Radicofani en de rivier de Paglia, die zich verenigt met de Chiana om gezamenlijk in de Tiber uit te monden. Op de Amiata liggen veel dichtbevolkte steden. Een daarvan, Abbadia, is een van de mooiste qua ligging, in het oostelijk gedeelte van de berg, op gelijke afstand ongeveer van de top en van de Paglia. In het midden daarvan heeft de natuur een vlakte gevormd van ongeveer acht stadiën, die overal dicht begroeid is met kastanjes; aan de rand wordt hij door ruige rotsen omgeven. In vroeger tijden is daar een stad gebouwd, die aan de ene zijde beschermd wordt door steile rotsen, aan de andere kant door een hoge muur en een gracht, die altijd vol staat met water dat naar binnen stroomt. Binnen de stadsmuur zijn tamelijk gerieflijke huizen gebouwd van vierkante steenblokken en waarvan de daken zijn vervaardigd van materiaal dat tegen sneeuw bestand is. Vóór de stad is het bos tot ongeveer een stadie omgehakt om plaats te bieden aan tuinen en enkele akkers....Het was al juli, maar de kersen waren er nog niet rijp. Vlakbij gutst een overvloedige bron uit de rotsen. Na op deze plek het middagmaal te hebben gebruikt verleende Pius audiëntie aan gezanten en aan mensen die een verzoekschrift wilden indienen. Na afloop lieten meerdere mannen de paus daar achter en gingen op weg om de top van de berg te beklimmen langs een halsbrekend en moeilijk pad, waarlangs niemand omhoog zou durven gaan, als niet talrijke beuken de blik op de afgrond wegnamen en iemands val beloofden op te vangen. Op de top aangekomen, troffen zij een open terrein met in het midden een opeenstapeling van twee reusachtige, bijna even grote rotsblokken. Ze klommen daar bovenop en keerden terug met de boodschap de bergen van Sicilië en Corsica te hebben gezien. Een van hen, die de top hadden beklommen, was Niccolò Sagundino, ambassadeur van Venetië.

De kastanjes, die in het gedeelte groeien beneden de beuken, zijn heel   hoog en lijken naar de hemel reiken; velen ervan hebben zulke dikke stammen, dat ze nauwelijks door vier mannen te omvatten zijn; sommigen zijn hol en boden onderdak aan vijfentwintig stuks kleinvee. Onder de kastanjes breiden zich velden vol gras uit, die altijd in de schaduw liggen, behalve wanneer na de herfstkou het blad is gevallen en de zonnestralen door het geboomte heendringen. Meer dan elders worden hier dichters gelokt door weldadige schaduw, sprankelende bronnen, het groene gras en lachende weiden: hier zullen zij blijven de hele zomer door. De bergkammen van de Cirra en de Nisa zijn volgens ons daar niet mee te vergelijken, ook al worden zij dikwijls in de literatuur naar vermeld. Zelfs aan de Peneische Tempe zouden wij niet de voorkeur geven. Deze streek kent geen slangen, geen schadelijk wild, geen zwermen vliegen; geen steekvliegen of dazen steken in je gezicht; geen luizen met hun vunzige stank maken je bed smerig; geen muggen zoemen je om de oren. In heel het woud heerst kalme rust, geen doorns en bramen prikken je voeten. De bomen staan zo dicht bij elkaar, dat ze de ruimte ertussen met hun hoge takken en loof overschaduwen. De bodem is begroeid met gras en wilde aardbeien, waar doorheen met zacht gemurmel heldere beekjes eindeloos voortkabbelen." (Enea Silvio Piccolomini, Commentarii ix, 1)