terug naar overzicht

terug naar profeten

emailadres

 

 8  De Psalmen

 

 

1  Inleiding

2  De verschillende soorten liederen

2.1  Gewone liederen

2.2  Hymnische liederen

2.3  Klaag-/boete-/smeekliederen

2.4  Danklied

2.5  Koningsliederen

2.6  Sions-/Bedevaartslieden

2.7  Wijsheidsliederen en Zegeliederen

 

 

3  Toelichting a.d.h.v. voorbeelden

3.1  Ontwikkeling

3.1.1  Naast Egyptische teksten

3.1.2  Ps 1 naast Egyptische teksten

3.1.3  Psalm 14 naast psalm 53

3.1.4  Psalm 40 naast psalm 70

3.1.5  Ps 15  -  Ps 24 - Jes 33, 13-16

3.2  De lofzang

3.2.1  Psalm 113 als principe

3.2.2  Ps 100 afwiss. oproep en reden

3.2.3  Ps 33  met een uitwerking

3.2.4  Een antwoordpsalm

3.3  De klaagzang  psalm 80

3.4  Danklied van de enkeling  Ps 30

3.5  Sionspsalm en koningspsalm

3.5.1  Sionspsalm 48  - Jes 2 - Jes 26 

3.5.2  Koninspsalm 47

4  Het Boek Psalmen

4.1  De vijf psalmboeken

4.2  Andere indelingen

4.3  Een gebruiksindeling 

4.4  Lezen en herlezen en zingen

4.5  Woordgebruik

 

psalm 139  parafrase Dolf Coppes

 

Afsluiting O.T.

 

 

1  Inleiding

 

In hoofdstuk 2, de Boeken, hebben we gezien dat de psalmen thuis horen onder de Geschriften. Deze vormen de reactie, het antwoord van de gelovigen op de Wet en de Profeten. Zij zijn typisch elementen van de cultus, de eredienst, waar gelovigen reageren op verkondiging en hun geloof uiten. Hetgeen natuurlijk niet wil zeggen dat buiten de eredienst geen psalmen gezongen konden worden. Omdat het 'levend' materiaal is, is het ook niet zo gemakkelijk systematisch te benaderen. In het bijbelpanorama kun je zien dat voor het ontstaan van de psalmen een lange streep wordt aangegeven vanaf 960 tot 240: gedurende al die tijd zijn psalmen ontstaan, hebben zij zich ontwikkeld en zijn ze aangepast. Aanvankelijk zullen zij -vanuit de volksmond?- begonnen zijn aan het hof van David, net zoals de wijsheids­literatuur vooral bij Salomon begonnen zal zijn, ook weer vanuit een bestaand bestand, wellicht Egyptisch van oorsprong. Maar na de val van Jerusalem zijn er geen koningen meer, dus geen hof. Psalmen die betrekking hadden op het koningschap, richten zich dan niet meer tot de koning maar tot JHWH en/of tot de Messias die beloofd was. Dat is ontwikkeling.

Kortom het is moeilijk het ontstaan van de psalmen historisch te benaderen omdat het 'levend' materiaal is. Reden te meer om hun betekenis te laten spreken. We zullen nu vaker dan tot nog toe ruimte geven aan persoonlijke aanknopingspunten over de tekst.

De bedoeling is om eerst even een stapje terug te zetten en te beginnen meteen algemeen overzicht van de joodse lyriek, waar de psalmen ook toe behoren. Dit te larderen met voorbeelden. De volgende keer beginnen we met het Boek der Psalmen en kijken dan meer naar wat er in die psalm gebeurt, wat zij ons doen.

 

2  De verschillende soorten liederen

Gewone liederen  2.1

zijn ook in de tekst van het Eerste Verbond te vinden, als je er naar zoekt. Een aantal voorbeelden met verwijzing volgen hier. De bedoeling van die verwijzingen is dat je zelf kunt zien hoe ze in de tekst liggen en dat het zingen in de volksaard lag, redelijkerwijs in de hele oosterse volksaard. De teksten waarnaar verwezen wordt bevatten soms een liedtekst soms een vermelding van zang, een lied. Zingen is een geweldig menselijk uitdrukkingsvermogen: "Wo man singt, da lass dich nieder. Böse Menschen haben keine Lieder" vond Goethe.

Arbeidslied

In Num 21,17-18 staan een paar regels die men zingt bij het maken van een bron.

In Neh 4,4 gaat het om een klagend arbeidslied; stakingslied ?

In Sir 38,25 wordt op een ploeg-lied geduid.

Jes 9,2 insinueert een oogstlied en Ps 65 en 67 zijn een danklied om de oogst.

Jes 21,12 duidt op een lied van de wachter.

Drinklied

wordt niet expliciet genoemd maar Jes 22,13 en 56,12 geven wel teksten.

Spotlied    (indirect kan dat een oproep tot verbetering zijn !)

over een enkeling Jes 23,15-16

over stammen, steden e.d: Num 21,27-30; Re 5,15-17.28-30 en Jes 47, een soort profetisch spotlied.

Liefdes- en bruiloftslied

psalm 45 en het Hooglied. Het Hooglied heet in het Hebreeuws 'Sjir Hasjiriem', gezang der gezangen, dus het mooiste gezang. Daarover gaat een Nederlands boekje met die Hebreeuwse titel; Narratio is de uitgever (ISNB 90 6604 0025). Als je het steelt, kun net niet het hoogste lied zingen.

Strijd- en overwinningslied

Joz 10,12; Num 22 - 24; Jes 51,9-10; veelal door vrouwen gezongen na de overwinning of bij terugkeer van de overwinnaars: Ex 15,20-21; 1Sam 18,6-7; Re 5 (Debora, lezen!).

Dodenklaaglied

werd door familie en/of door beroepsklaagsters gezongen; het hoorde bij het rouwbeklag. Je vindt die klaagsters vaker op sarcofagen. Waarschijnlijk van David zijn: 2Sam 1,19-27 en 3,33-34. De Klaagliederen zijn typisch algemeen.

Het profetische dodenklaaglied vind je in Ezechiël en bijv. in Am 5,1-3. Nah 3,18- 19 geeft een spottend klaaglied tegen Assyrië.

 

Hymnische liederen  2.2

De hymne heeft het karakter van een beschrijvende lofzang: waarom JHWH geprezen wordt, nl. om Zijn grote Heerlijkheid (in de natuur te zien) maar ook om Zijn leiding van volken en mensen in hun geschiedenis; daarin openbaart HijZ zich ook. De beschrijvende lofzang is typisch Joods. Vaak is dit element in andersoortige psalmen verwerkt bijv. in Sionsliederen. Volgt nog.

Deze lofzang heeft een karakteristieke opbouw, waarvan een paar voorbeelden volgen. Ze ligt typisch in de eredienst. 'Halleluia' is haar kenwoord.

 

Klaag-/boete-/smeekliederen  2.3

Klaagzangen werden gezongen in noodsituaties maar functioneerden ook in de eredienst in boetevieringen en krijgen dan het karakter van een boetelied. Ze hebben een inleiding, een oproep, een noodkreet; dan volgt als hoofddeel de vraag om hulp - eventueel gelardeerd met verwensingen en/of goede wensen, waarna argumenten waarom JHWH wel moet helpen - en een be-/gelofte die zal worden ingelost als Zijn hulp geholpen heeft. Het slot is vaker een moed inspreken, vertrouwen uitspreken en alvast danken voor de verhoring. 'Hoelang nog ?' en Waarom toch?' zijn ken­woorden. We zullen psalm 80 als voorbeeld behandelen. Een vervolg van dat vertrouwen is dat een heel gebed/lied/psalm een vertrouwenslied wordt, bijv psalm 23. Zo ook wordt een hele psalm hoofdzakelijk een boetelied als uitgroei van belofte bijv psalm 51. Sir 1-7.13-16 heeft de vorm van een smeking, indirect is het ook beschrijving, inhoud, en zo een 'verborgen' lofzang.

Dit soort lied heeft dus ook iets van beschrijving, uitweiding als de hymne. Het kan een lied zijn van de enkeling of de gemeenschap. Dat van de enkeling behelst meestal een klacht in ziekte, bij vervolging of inzake een aanklacht.

terug naar begin

Danklied  2.4

Dit ligt ook in de cultus, bij het dankoffer. Het is dank na redding uit de nood, die beschreven wordt in een terugblik. Als gemeenschapsgoed komt echter de lofzang vaker voor als dankbetuiging zodat het danklied meer van de enkeling zal zijn, bijv. psalm 30.

Als men psalmen wil karakteriseren, kunnen het beste enkeling versus gemeenschap en lof-/dankelement versus klaagelement als criteria worden gebruikt.

 

Koningsliederen  2.5

Zijn duidelijk betrokken op de koning, zie bijv. psalm 45. Maar vele hebben betrekking (gekregen) op JHWH als koning en psalmen met Messiaanse (heil via die Messiasfiguur) inslag zijn na de ballingschap opgevoerd. Het zijn er een hele rits: psalm 2, 18, 20, 21, 45, 72, 89 (klacht!), 101, 110. JHWH-koningspsalmen zijn 47, 93, 96 - 99.

 

Sions-/Bedevaartslieden  2.6

Als voorbeeld in de Profeten zie Jes 2: het optrekken naar Jerusalem, waar de Wet te vinden is en vrede en heerlijkheid. De Jood ging driemaal per jaar naar Jerusalem: met Pasen, het Wekenfeest (Pinksteren) en het Loofhuttenfeest. Stel je maar eens voor hoe men zich na een lange tocht voelde als De Sion in zicht kwam en tegemoetkomers hem/haar welkom toeriep: 'Gezegend (al)wie komt met de Naam van JHWH', Ps 118, 26; WOUW.

Sionspsalmen: 46, 76, 84, 87. Bedevaartpsalmen: 120 - 134.

 

Wijsheidsliederen en Zegeliederen  2.7

Voorbeelden zijn Ps 1, 119 en 67.

 

3 Toelichting aan de hand van voorbeelden

Ontwikkeling  3.1

3.1.1  Er zijn  tal van Egyptische godsdienstige zin- en leerspreuken die goed in de bijbel passen (Beyerlin W): 

(Pta is een Egyptische scheppings­god; Amun is een zonnegod; Onnofris 'de mooie',

een bijnaam van Osiris, de god van de herleving, opstanding)

1  God bemint hem die hem liefheeft (Spr 8,17a; 1S 2,30; Ps 145,20)

2  Pta heeft allen lief die hem beminnen en tot hem bidden

3  Iedere goede daad wordt door Pta royaal beloond (1S 24,20; Spr 19,17)

4  God is de bescherming van mijn leven (Ps 46,8.12; 59,10.17v; 144,2 e.a.)

5  Amun staat achter mij, ik ben voor niets bevreesd, want Amun is sterk (Ps 3,4-7; 23,4; 27, 1vv; 118,6; Gen 15,1; Gen 26,24; Joz 1,5; Jes 41,10.13)

6  Er is geen ware toevlucht voor mijn hart buiten Amun (2S 22,3.32; Ps 11, 1; 16,1v; 18,32; 62,6-9;Jes 30,1vv; 43,11;  44,8; Hos 13,4)

7  Amun te dienen is de bescherming van mijn leven (Ex 34,10-26; Dt 6; 11; Joz 24; 1S 7,3; Mal 3,13 -21)

8  Mijn roem is het Amun te dienen (Jer 9,22vv; Ps 34,3)

9  Mijn geluk is in de tempel van de levende (Ps 46; 48; 27,4; 65,5; 84,3-6.11; 137; Joz 3,10; 1S 17,26; Jer 10,10)

10  Mijn lievelingsoord is uw tempel, Onnofris

11  Amun is de sterkte van de eenzame (Ps 27,10; 25,16; 38,12.16; 102,2vv; Kl 3,25vv)

12  Het is god die naar de levensweg leidt (Ps 23,2vv)

13  Wie de gerechtigheid liefheeft, is een uitverkorene van god (Ps 15; 24,3-6; 119; Spr 14,34; 21,21)

14  Gelukkig, alwie Amun dagelijks ziet (Ps 27,4; 42,3; 63,3v)

15 Tevredenheid is beter dan toorn (Ps 37, 1 - 11; Spr 29,8; 19,19)

terug naar begin

3.1.2  Psalm 1 naast Egyptische teksten

Hebben de Israëlieten het geleerd in Egypte of is het een algemeen beeld in het Oosten ? Veel bijbelse wijsheids­literatuur is te vergelijken met die van Egyptische. Ook bij de scheppingsverhalen hebben we verbanden gezien met die van de omringende volken, de 'vreemde' volken, de 'heidenen'. (Alle psalmen zijn volgens de Willibrord '95; iets verbeterd t.o.v. KBS '82. Maar we schrijven JHWH en zeggen (de) Heer c.q. 's Heren, zoals de Joden doen.)

 

Psalm 1

De lering van Amenemope  4e hoofdstuk

 

Gelukkig de mens

die niet ingaat op de raad van bozen,

niet op het pad der zondaars staat,

niet in de kring van schampere spotters wil zitten,

maar vreugde beleeft aan de wet van JHWH,

ja, dag en nacht daaruit zacht citeert.

Hij is als een boom,

geworteld aan stromend water,

die vrucht draagt elk seizoen opnieuw;

nooit zullen zijn bladeren verdorren:

alles wat hij doet brengt hij tot een goed einde.

Maar ongelukkig zullen de bozen zijn:

zij lijken op kaf opgejaagd wordt door de wind.

Zo staan er geen bozen op binnen Gods bestel,

geen zondaars

binnen de gemeenschap van de rechtvaardigen.

Met zorg volgt JHWH het pad der vromen;

Het pad van de bozen loopt op niets uit.

 

De heethoofd in de tempel,

hij is als een boom die binnen groeit.

Een ogenblik maar brengt hij jong groen voort.

Hij vindt zijn einde in het kanaal,

hij drijft ver weg van zijn vaderland

of de vlam* wordt zijn begrafenis.

 

De echte zwijger evenwel houdt zich afzijdig.

Hij is als een boom die in het zonlicht groeit,

hij wordt groen en verdubbelt zijn vruchten,

hij staat voor het aangezicht van zijn heer**

zoet zijn zijn vruchten en aangenaam is zijn schaduw,

en hij vindt zijn einde als godenbeeld.

 

* verdrinkingsdood en vuurdood zijn voor de

Egyptenaar een ramp.

** de stralende zonnegod

 

3.1.3  Psalm 14 naast psalm 53

Duidelijk is dat beide gelijk zijn, alleen de godsnaam is anders. Kennelijk heeft de ene stroming geen genoegen genomen met de andere; bijv. de Elohisten met de Jahwisten of v.v., eventueel de P-traditie, of vond men het niet nodig één lijn te trekken. Niettemin was er een gemeenschappelijke basis.

 

Psalm 14

Voor de leider van de muzikanten,

op naam van David.

Psalm 53

Voor de leider van de muzikanten.

In smartelijke omstandigheden.

Een kunstig lied op naam van David.

De dwaas zegt bij zichzelf:

 'Er bestaat geen god.'

Zij doen slechte, schandelijke dingen;

een goed mens vind je niet meer.

JHWH ziet neer vanuit de hemel,

Hij speurt de mensen af

of er ergens een wijze is,

iemand die zoekt naar God.

 

Maar iedereen zit op een dwaalspoor,

het is één verdorven bende,

een goed mens vind je niet meer, niet één.

Beseffen die boosdoeners dat dan niet?

Zij verteren mijn volk alsof het hun brood is

en nooit roepen zij JHWH aan.

Ineens worden zij geslagen met schrik,

want God is in het gezelschap van de rechtvaardigen.

Het complot tegen de armen wordt altijd verijdeld,

want JHWH is hun toevlucht.

Mocht er uit Sion redding dagen voor Israël,

laat Jakob weer blij zijn en Israël juichen,

als JHWH het tij voor zijn volk doet keren.

De dwaas zegt bij zichzelf:

 'Er bestaat geen god.'

Zij doen slechte, schandelijke dingen;

een goed mens vind je niet meer.

God ziet neer vanuit de hemel,

Hij speurt de mensen af

of er ergens een wijze is,

iemand die zoekt naar God.

 

Maar iedereen zit op een dwaalspoor,

het is één verdorven bende,

een goed mens vind je niet meer, niet één.

Beseffen die boosdoeners dat dan niet?

Zij verteren mijn volk alsof het hun brood is,

en nooit roepen zij JHWH aan.

Ineens worden zij geslagen met schrik,

met een schrik die zij vroeger niet kenden:

God verspreidt het gebeente van je belagers;

je kunt hen beschamen omdat God hen verwierp.

Mocht er uit Sion redding dagen voor Israël;

laat Jakob weer blij zijn en Israël juichen,

als God het tij voor zijn volk doet keren.

 

terug naar begin


3.1.4  Psalm 40 naast psalm 70

Duidelijk is dat 70 een onderdeel is van 40. Je gaat denken dat 70 de oudste is en later uitgebreid van smeekgebed naar dankgebed. Of misschien is 70 later herkend als van gelijke aard als 40. Het startpunt is nl. de eenling die zich 'nestelt' in de gemeenschap in psalm 70. Dat wordt in 40 schitterend ontwikkeld. Psalm 70 is 'Ter lofprijzing' terwijl het als smeekgebed begint: "Gij hebt mijn klacht in vreugdedans veranderd". Zo'n indirecte lofprijzing vind je vaker.

 

Psalm 40  Voor de leider van de muzikanten, op naam van David.  Een zangstuk.

 

 

Vurig zag ik uit naar JHWH;

Hij boog zich en hoorde mijn roepen.

Hij trok mij omhoog uit het rampzalige graf,

omhoog uit slijk en moeras;

Hij liet mij weer op rotsvaste grond staan,

gaf mijn stappen weer stevigheid.

Een nieuw lied gaf Hij mij in de mond,

een lofzang voor onze God.

Velen zien wat JHWH heeft gedaan,

en vertrouwen op Hem, vol ontzag.

Gelukkig de mens

die op JHWH vertrouwt,

zich niet inlaat met aanmatigende mensen,

niet met leugenaars of met hun bedrog.

Veel hebt U tot stand gebracht

voor ons, JHWH, mijn God:

in wonderwerken en plannen voor ons

kan niemand zich met U meten.

Al zou ik ervan willen getuigen en spreken,

het zijn er te veel om te tellen.

U wenst geen slachtoffers en geen geschenken;

om te luisteren hebt U mij oren gegeven,

brandoffers en zoenoffers vraagt U niet.

Daarom zeg ik:'Hier ben ik, ik sta klaar';

over mij staat in de boekrol geschreven:

'Uw wil uitvoeren, mijn God, is alles wat ik wens,

uw Wet is voor mij vlees en bloed';

van uw heil ben ik de blijde verkondiger

binnen de grote gemeenschap.

Mijn lippen houd ik niet gesloten,

dat weet U, JHWH:

ik houd uw heil niet geheim

diep in mijn hart:

van uw trouw en redding maak ik melding;

ik verzwijg voor de grote gemeenschap niet

het verhaal van uw liefde en trouw.

En U, JHWH,

zult uw hart niet sluiten voor mij;

uw liefde en trouw

zullen mij altijd beschermen,

nu kwellingen mij omsluiten,

te talrijk om ze te tellen;

nu mijn zonden mij hebben ingehaald

en het voor mijn ogen schemert;

nu ze talrijker zijn dan de haren op mijn hoofd

en mijn hart het begeeft.

Ik bid U, o JHWH, red mij;

kom snel, JHWH, en help mij toch.

Laat iedereen die uit is op mijn dood

voor schut en te schande staan.

Laat iedereen die mijn ondergang wil

beschaamd de aftocht blazen. Schrikken moeten ze van hun eigen schande,

zij die zeggen:'Ha, ze hebben hem.'

Laat iedereen die uitziet naar U

zich verblijden en verheugen in U,

ieder die hecht aan uw heil steeds zeggen:'Groot is JHWH.'

Nu ik arm ben en zo ellendig,

zal JHWH aan mij denken.

Mijn helper en bevrijder bent U,

wacht toch niet langer, mijn God.

 

Psalm 70

Voor de leider van de muzikanten, op naam van David. Ter lofprijzing.

 

O, God, red mij,

kom spoedig, JHWH , en help mij toch.

Laat zij die mijn dood zoeken

voor schut staan;

laat ze beschaamd de aftocht blazen.

Ze moeten schrikken van hun eigen schande,

zij die zeggen:'Ha, het is met hem gedaan.'

Laat allen die U zoeken

zich om U verheugen en zich verblijden;

laat ze steeds zeggen:'Groot is God',

zij die hechten aan uw hulp.

Ik ben zo arm, ik ben zo ellendig,

o God, kom spoedig naar mij toe:

U bent mijn helper en bevrijder,

wacht toch niet langer, JHWH.

 

 

3.1.5  Psalm 15 naast psalm 24 en Jes 33,14-16

De grondgedachte 'gerechtigheid' van beide psalmen vind je in Jes 33,14vv ook. Ps 24 lijkt een beetje raar uitgebreid t.o.v. 15. Dat de macht van JHWH eerst wordt genoemd (in vs 1 en 2 van Ps 24) zie je ook in de Jesaja-tekst. In hun toenmalige visie op de wereld was de aarde op de zee vastgelegd via zuilen die onder de bergen staan; daarvandaan de associatie naar de berg van JHWH d.w.z. Jerusalem, waar Zijn plaats is nl. de tempel. Maar wat moeten de stads­poorten in v 24 erbij ? Zo werkt de psalm zo naar Jerusalem toe als de Hoofdstad van de SuperGerechte, JHWH, niet alleen de sterke koning die zich inzet voor Zijn volk, maar ook de Hoogste Koning. De ontzagwekkende stad! Het hemelse Jeruzalem.

Zie eens hoe in psalm 15 de reden is om de berg te mogen beklimmen nagenoeg alleen in het sociale vlak ligt nl. in rechtvaardigheid, terwijl psalm 24 ook gerechtigheid t.o.v. God duidelijk wordt genoemd.

Je ziet dat een geloofsgegeven nl. gerechtigheid - 'horizontaal' en 'verticaal' -, dat in de profeten te vinden is en waarover werd gelezen in de eredienst als onderricht, bemoediging enz., ook bezongen werd, dus onderwerp van een geloofsgebed werd.

 

Psalm 15

Een zangstuk op naam van David.

Psalm 24

Op naam van David. Een zangstuk.

Heer, wie mag gast zijn in uw tent?

Wie mag op uw heilige berg verblijven?

Degene die vrij is van schuld, en gerechtigheid beoefent

en in zijn hart op trouw bedacht is.

Zo iemand leurt niet met lasterpraat,

hij doet zijn medemens geen onrecht aan;

hij beledigt zijn buren nooit.

Hij veracht degene die verachting verdient,

maar eert degene die JHWH vreest.

Hij wijzigt zelfs een eed in zijn nadeel niet.

Hij leent uit zonder rente te vragen,

hij is onomkoopbaar tegenover onschuldigen.

Wie zo handelt, wankelt in eeuwigheid niet.

 

Jesaja 13, 14-16

In Sion schrikken de zondaars,

degenen die zich van Gods weg vervreemd hebben, sidderen van angst:

 `Wie van ons is tegen dit verterende vuur bestand?

Wie houdt het uit bij een aanhoudende hitte?'

Hij die de wegen van het recht gaat,

die waarheid spreekt,

die een afschuw heeft van gewelddadig gewin,

die zijn handen ervan weerhoudt steekpenningen te aanvaarden,

zijn oren toedrukt om bloeddorstige plannen niet te horen,

en de ogen sluit om geen deel te hebben aan het kwaad.

Zo iemand woont in den hoge, onaantastbaar is zijn vesting op de rotsen.

Brood wordt hem geleverd, van water is hij steeds verzekerd.

Aan JHWH behoort de aarde en al wat zij omvat,

het vaste land en zijn bewoners:

Hijzelf heeft haar op de zeeën vastgelegd

en op de stromen verankerd.

'Wie mag de berg van JHWH bestijgen?

Wie mag op zijn heilige plaats staan?'

'Wie zijn handen schoon en zijn hart zuiver houdt,

wie niet tot afgoden bidt

en wie niet zweert bij vreemde goden.

Hij ontvangt zegen van JHWH,

welvaart van God, zijn helper.'

Ja, zo is de mens die Hem zoekt

en die dingt om uw gunst, o Jakob.

 

'Hef uw hoofden* omhoog, jullie poorten,

aloude poorten, omhoog:

de koning van de glorie komt binnen.'

'Wie is toch die koning van de glorie?'

'JHWH, de dappere held,

JHWH, de held in de strijd.'

 

'Hef uw hoofden omhoog, jullie poorten,

aloude poorten, omhoog:

de koning van de glorie komt binnen.'

'Wie is toch die koning van de glorie?'

'JHWH van de machten,

Hij is de koning van de glorie.'

 

* Ik gok op 'kroonlijsten' over de bovenranden van de deurvleugels

om die te beschermen en te blokkeren.

 

De lofzang  3.2

3.2.1  Psalm 113 als algemeen principe

Zij begint met de oproep om te zingen door een uitroep:

 

looft JHWH ! 'Halleluia"

vs 1-3

oproep aan personen, wat ze moeten doen en hoe lang.

'Jullie, dienaren van JHWH,

prijs de naam van JHWH.

Geprezen is de naam van JHWH

van nu tot in eeuwigheid,

vanaf het rijzen van de zon tot aan haar dalen

moet de naam van JHWH geprezen zijn.'

 

vs 4-9 de reden van lofzang onderverdeeld in tweeën:

vs 4-6 omdat Hij-is  des hemels is

 

 

 

 

én vs 7-9 omdat HijZ ook op aarde actief is,

er-is, Hij-is-er, en wel zodanig

dat de wereld op haar kop gaat.

JHWH staat hoog boven alle volken

zelfs boven de hemel staat zijn glorie.

Wie is als JHWH, onze God?

Hij troont in de hemel daar boven,

Hij zorgt voor de aarde beneden.

Wie is als Hij in hemel en op aarde?

Hij tilt de arme uit het stof,

Hij trekt hem omhoog uit het vuil

en geeft hem een troon bij mensen van aanzien,

mensen van aanzien uit zijn volk.

Zelfs wie gehuwd en onvruchtbaar is

zet Hij hoog op een troon

als een gelukkige moeder van kinderen.

Is dat al geen reden om te loven ? Dus eindigt de psalm met nog eens de uitroep:

 

'Halleluia !'

terug naar begin


3.2.2  Ps 100 wisselt oproep met reden af:

Een zangstuk, bij een dankoffer.

Heel de aarde, juich JHWH toe,

wees de dienaar van JHWH, in blijdschap;

verschijn voor zijn aanschijn met een feestelijk lied.

Erken toch: JHWH is God,

Hij heeft ons gemaakt, wij behoren Hem toe,

wij, zijn volk en de kudde, door Hem geweid.

Ga zijn poorten binnen om Hem te danken,

ga zijn voorhof binnen om Hem te loven;

dank Hem, prijs zijn heilige naam.

Want JHWH is goed,

zijn liefde kent geen grenzen,

zijn trouw gaat van generatie op generatie.

 

3.2.3  Ps 33  met een uitwerking van de reden die een soort beschrijvende lofzang wordt, een hymne.

oproep vs 1-3

Rechtvaardigen, juich om JHWH;

wie oprecht is moet Hem eren.

Speel op de citer een danklied voor JHWH,

maak muziek voor Hem op de harp.

Zing een nieuw lied voor JHWH,

speel met overgave, laat het klinken.

 

reden vs 4 & 5

Oprecht is het woord van JHWH,

alles wat Hij doet getuigt van trouw.

Hij staat voor een rechtvaardig en vast bestel;

de aarde is vervuld van de liefde van JHWH:

JHWH als Schepper vs 7-9

de hemel is gemaakt door het woord van JHWH,

heel het heir van de sterren door de adem van zijn mond;

als in een kruik verzamelt Hij het water van de zee

en in kelders bergt Hij de oceanen.

Laat heel de wereld JHWH vrezen,

laat alle bewoners van de aarde ontzag voor Hem hebben;

wat Hij uitsprak, dat ontstond, Hij beval, en het gebeurde.

JHWH als Bestuurder vs 10 - 12

JHWH doorkruist wat de volken beramen,

verijdelt wat naties ontwerpen.

Wat Hijzelf beraamt, gebeurt altijd,

wat zijn hart bedenkt, geldt voor elke generatie.

Gelukkig het volk waarvan JHWH god is,

de natie die Hij tot zijn erfdeel koos.

JHWH als Redder vs 13 - 17

Vanuit de hemel kijkt JHWH neer,

Hij ziet al de kinderen van de mensen;

vanaf de plaats waar Hij troont

overziet Hij alle bewoners van de aarde.

Alle harten heeft Hij geboetseerd;

Hij begrijpt dan ook al hun daden

en geen koning kan winnen, hoe sterk hij ook is;

hoe krachtig hij ook is, geen krijger kan zich redden;

geen strijdros kan instaan voor de zege:

hoe sterk het ook is, redding brengt het niet.

vertrouwen als reden vs 18 -22

Nee, het oog van JHWH rust op degenen die Hem vrezen

en die op zijn liefde vertrouwen.

Hij zal hen vrijwaren van de dood,

hen bij hongersnood in leven houden.

Vol vertrouwen zien wij uit naar JHWH,

Hij is ons schild, Hij is onze helper.

Ja, om Hem is ons hart verheugd,

op zijn heilige naam stellen wij ons vertrouwen.

 

afsluiting met een liefdesverklaring

Uw liefde, JHWH, zal over ons komen:

wij wachten, wij wachten op U.

 

De hebreeuwse tekst van Ps 33,22 is: 'Uw genade, JHWH, op ons zó als wij hevig op U wachten' - de voorlaatste zin van het Te Deum. "Uw genade, Heer, zij over ons, gelijk wij u hoopvol verbeiden", zeggen Ida Gerhardt en Marie  van der Zeyde. Waarom Willibrord anders vertaalt? Het 'hevig' ligt opgesloten in de hebreeuwse werkwoordsvorm.

terug naar begin

3.2.4 Een antwoordpsalm

is typisch psalm 136. De inhoud is dank maar de vorm is dat de voorganger een zin zegt waarop allen steeds hetzelfde refrein zeggen: "Zijn liefde weet van geen grenzen".

 

De klaagzang  3.3

als voorbeeld psalm 80:

Voor de leider van de muzikanten, op instrumenten uit Susan. Een getuigenis, op naam van Asaph, een zangstuk.

vss 1 - 2

Geen oproep als"Komt laat ons"

maar een aanroep en

Aanhoor ons, U die Israël weidt,

U die Jozef voorgaat als een herder zijn kudde.

U die troont op de kerubs,

verschijn in uw schitterend licht

voor Efraïm, Benjamin en Manasse;

roep al uw kracht wakker,

trek uit voor onze redding.

vs 3 een noodkreet als refrein

(vs 8 en 20) 

Breng ons herstel, o God,

laat uw aanschijn oplichten en wij zijn gered.

 

vss 5 - 7

de klacht met als kenwoord

'Hoe lang nog?'

JHWH, God van de machten,

hoe lang nog de walm van toorn

ondanks het gebed van uw volk?

Hoe lang nog reikt U tranen als brood,

tranen als drank, met volle bekers;

laat U buren twisten om ons bezit,

en de vijand om ons lachen?

vs 8 refrein

God van de machten, breng ons herstel,

laat uw aanschijn oplichten en wij zijn gered.

 

vss 9 - 12

de argumenten waarom HijZ

best wel kan verhoren met

als kenwoord 'Waarom toch?

 

U hebt uit Egypte een wingerd gerooid,

volken naar elders verjaagd

en hem op hun plaats geplant.

U hebt weggehaald wat er voordien stond,

hem daar wortel laten schieten

en laten uitlopen over het land.

Onder zijn schaduw gingen bergen schuil,

reuzenceders onder zijn twijgen.

Zijn takken reikten tot aan de zee,

zijn ranken tot aan de Rivier.

 

vss 13 - 14

argumenten die inhaken op vss 5-8

Waarom hebt U dan nu zijn omheining vernield?

Alle voorbijgangers plukken hem leeg,

wilde zwijnen wroeten hem om,

velddieren knagen hem kaal.

 

vss 15 - 16 bede met argument

God van de machten, ach, kom terug,

zie toch neer vanuit uw hemel,

zorg voor deze wijnstok,

de stek van uw rechterhand,

de zoon wie U uw kracht hebt verleend.

 

vs 17 indirecte bede: verwensing

Dat degene die hem verbrandt als afval in het vuur

mag sterven onder uw dreigend gelaat.

 

vs 18 - 19  bede met belofte

Leg uw hand op uw uitverkorene,

de mensenzoon wie U uw kracht hebt verleend.

Dan zullen wij U nooit meer verlaten:

U laat ons leven, wij vereren uw naam.

vs 20  refrein

JHWH, God van de machten, herstel ons

laat uw aanschijn oplichten en wij zijn gered.

 

Het kenwoord 'Wees mij genadig' staat in deze psalm niet. Het is meer te vinden in smeek- en boetepsalmen.

terug naar begin


Danklied van de enkeling  3.4

Als voorbeeld psalm 30:  

 

Een zangstuk.  Lied bij de inwijding van de tempel, op naam van David.

 

vss 2-4

vallen direct met de deur in huis

Ik prijs U hoog, JHWH,

want U hebt mij uit de put omhooggehaald;

geen vijand kan nog om mij lachen.

JHWH, mijn God, ik riep om U,

en U, U hebt mij genezen.

Uit het dodenrijk hebt U mij opgehaald,

JHWH, U hebt mij opnieuw laten leven

en mij weerhouden van de weg naar het graf.

 

vs 5 nu pas een oproep

 

vs 6 de reden ervoor

Zing voor JHWH, jullie, zijn getrouwen,

loof zijn heilige naam;

al duurt zijn toorn één moment,

daarop volgt zijn liefde, een leven lang;

al duurt het verdriet een avond lang,

daarop volgt een ochtend vol vreugde.

 

vss 7 - 11 terugblik op de nood/fout

Ik dacht in mijn zelfgenoegzaamheid:

'Ik wankel nooit.'

Terwijl toch alleen door uw liefde, JHWH,

ik steviger stond dan stoere bergen;

en nauwelijks had U uw gelaat omhuld,

of alle houvast was ik kwijt.

Daarom riep ik U aan, JHWH,

o JHWH, ik riep U aan om genade:

'Wat is uw winst, als ik zwijgen moet

en neerdaal in het graf?

Zal wat tot stof is vergaan U eren?

Zal dat uw trouw verkondigen?

Luister, JHWH, ontferm u over mij,

laat zien dat U mijn helper bent.'

 

vs 12

antwoord op vroegere bede in vorige vers

En wat hebt U gedaan?

mijn klacht in reidans omgezet,

mijn rouwkleed genomen en een feestkleed gegeven.

 

vs 13

heeft het karakter van inlossing van belofte

Nu zingt mijn hart U voortaan toe,

en nooit, nooit zal ik meer zwijgen.

JHWH, mijn God,

U zal ik voor altijd eren.

 

Vaker begint het danklied met een terugblik op de nood en komen de lofuitingen later. Als je je deze psalm hebt verworven, heb je gewonnen.

 

Sionspsalm en koningspsalm  3.5

3.5.1  Als voorbeeld van de Sionspsalm Ps 48,

waar Jes 2 en Jes 26 naast zijn te leggen. Weer is er het verschil van Geschriften (Ketubiem) in de eredienst met Profeten/Tora over hetzelfde onderwerp. Het gemeenschappelijke element is de stad, Jerusalem, waarvoor vaker de Sion(sberg) wordt gehanteerd, oorspronkelijk de Zuidoost-heuvel, de stad van David, later de hele stad, waar aan de Noordoostkant DE tempel is gebouwd.

De psalm zegt dat beide groot zijn: Hij-is-(er) én de berg (vs 2). De stukken hebben alle drie een bedevaartselement: Jes 2 in vs 2c.3a, Jes 26 in vs 2 en de psalm in vs 13. Bij de bedevaart hoorde dat men rond de stad trok en lof zong.

Ps 48,6 kan slaan op het vergeefse beleg van Jerusalem door Sanherib in 701. Vs 10 + 11 zijn de introïtus van Maria Lichtmis (2 febr.). Ik hoor en zing het nog. Dat Joodse 'Jerusalem' is voortgezet door de Paulus en later na de vernietiging van de tempel in 70  in de Apocalyps.

 

Psalm 48

Een lied.

Een zangstuk op naam van Korachs zonen.

Jesaja 2

Jesaja 26

Groot en onvolprezen is JHWH,

groot in de stad van onze God.

En zijn heilige berg

die zich sierlijk verheft

is een vreugde voor heel de aarde.

De Sionsberg ligt in het verste(?) noorden,

stad van de grote koning.

In de paleizen daar staat God bekend

als hun bolwerk.

Want kijk, de vorsten dromden bijeen

en trokken eensgezind ten strijde tegen haar.

6 Maar zij hadden haar nauwelijks gezien

of panische angst greep hen aan:

zij sloegen verward op de vlucht.

Een siddering voer door hen heen,

als de kramp van een barende vrouw,

als een orkaan uit het oosten

die de schepen van Tarsis verbrijzelt.

Wat we hebben gehoord

dat hebben we gezien

in de stad van JHWH van de machten,

de stad van Hem, onze God:

God houdt haar overeind, voor eeuwig.

10 Wij hebben, o God, uw liefde overdacht,

hier staande binnen uw tempel.

11 Zoals uw naam zo klinkt uw lof,

God, tot over de grenzen van de aarde:

uw rechterhand is vol goede gaven.

Sion, de berg, is verheugd,

de steden van Juda, haar dochters, zingen van blijdschap,

want wat U doet is goed gedaan.

13 Maak een rondgang langs heel de Sion

en tel daar toren voor toren;

bekijk haar muren aandachtig,

laat uw ogen langs haar vesting dwalen,

en vertel aan iedereen die na u komt:

'Zo is onze God,

onze God voor altijd en eeuwig,

de God die ons leidt, tot in eeuwigheid.'

De openbaring over Juda en Jeruzalem, die Jesaja, de zoon van Amos, in een visioen ontving.

Op het einde der dagen zal het gebeuren,

dat de berg van het huis van JHWH gevestigd zal zijn als de hoogste der bergen,

verheven boven de heuvels, en

2c alle volken stromen naar hem toe;

en zij zeggen:

3a 'Kom, laat ons optrekken naar de berg van JHWH, naar het huis van Jakobs God:

dan zal Hij ons zijn wegen wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.

Want uit Sion komt de Wet, uit Jeruzalem het woord van JHWH.'

Hij zal recht doen onder de volken, en machtige naties straffen.

Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen

en hun speerpunten tot sikkels.

Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander

en oorlog leren ze niet meer.

Huis van Jakob, kom,

laat ons wandelen in het licht van JHWH.

 

Op die dag zal men in Juda dit lied zingen:

'Wij hebben een sterke stad,

haar muren en wallen zijn onze redding.

2 Open de poorten:

laat het volk binnen dat rechtvaardig is

en de trouw heeft bewaard.

Met standvastigheid handhaaft U de vrede,

omdat men op U vertrouwt.

Vertrouw voor altijd op JHWH,

want JHWH is een eeuwige rots.

Hij haalt degenen die in de hoogte wonen neer,

Hij sloopt hun steile burcht,

Hij sloopt ze tot aan de grond en smakt ze in het stof.

De voeten van de armen,

de stappen van de geringen lopen eroverheen.'

 

 

Het hoort niet onder psalmen maar kijkt u hier eens hoe een Jood kan smeken om zijn stad, zijn houvast, hoop: Sir 36, 1-7.13-16. Hij bevindt zich in een moeilijke situatie en toch weet hij dat Israël bedoeld is om een priesterlijk volk te zijn ("verheven"). Indirect is het een lofzang:

 

Waak over ons, Heer, God van het heelal,

en boezem alle volken schrik in voor U.

Hef uw hand op tegen de vreemde volken

en toon hun uw macht.

Voor hun ogen hebt U in ons uw heiligheid getoond:

toon zo ook voor onze ogen in hen uw glorie.

Laat hen weten, zoals ook wij het weten,

dat er geen God is buiten U.

Hernieuw de tekens, herhaal de wonderen.

Laat de verhevenheid zien van uw hand en van uw rechterarm.

 

Breng al de stammen van Jakob bijeen

en geef hun het erfdeel, zoals in vroegere tijden.

Heer, waak over het volk

dat met uw naam genoemd wordt,

en over Israël, dat U hebt verheven tot uw eerstgeborene.

Erbarm u over de stad die U is toegeheiligd,

over Jeruzalem, de plaats waar U rust.

Vervul Sion met de roem van uw daden

en uw tempel met uw glorie.

 

terug naar begin


3.5.2  Een voorbeeld van God-is-Koning-lied

is psalm 47. Het spreekt voor zichzelf. Opvallend is dat 'Hij-is-(er)' slechts één keer wordt geschreven, terwijl er wel acht keer 'God' staat. Wellicht is 'Hij-is-(er)' later toegevoegd.

 

Voor de leider van de muzikanten, op naam van Korachs zonen.

Een zangstuk.

Klap in de handen, alle volken,

juich voor God, laat je stem horen,

want JHWH, de Hoogste, is ontzagwekkend,

machtige koning van heel de aarde.

Volken wierp Hij voor ons neer,

naties legde Hij aan onze voeten.

Hij heeft ons land voor ons uitgezocht,

het heerlijke land van Jakob, zijn vriend.

 

God trekt op, de strijdkreet klinkt,

de Heer verschijnt, de ramshoorn schalt.

Zing en speel voor onze God,

zing en speel voor onze koning,

want God is koning van heel de aarde;

zing en speel een passend lied voor Hem,

want God is koning over de volken,

onze God op zijn heilige troon.

De vorsten van de volken sluiten zich aan

bij het volk van Abrahams God:

aan God behoren de schilden van de aarde,

zo hoog is Hij verheven.

 

De koningsliederen hebben vaker een Messiaans karakter gekregen toen er geen koningen meer waren in Israël. Voor de volledigheid: de Messias moest als rechtvaardige (Tsaddiek) koning op de troon van David regeren als politicus. De Geest van Hij-is-(er) vervult hem met kracht om zijn volk te verdedigen, vrede veilig te stellen zodat in veiligheid en ordening en saamhorigheid het volk het goed gaat en zo het Heil van Hij-is-(er) bewaard blijft. Hij is dus geen heiland maar wachter over het aanwezige heil (volgens G.Poher). Geen wonder dat de Joden Jezus niet als Messias (konden) zien, want -volgens hen- hij sneefde ook in politiek opzicht. Maar Jezus is wel Heiland, heilbrenger voor zijn volgelingen. De inhoud van 'Messias' is dus uitgebreid. Jezus zelf is als persoon keerpunt in de heilsgeschiedenis. Hij is wezenlijk voor het Christendom.

 

4  Het Boek Psalmen

 

is wel het voornaamste Geschrift waarmee de Joden antwoordden op de Tora en de Profeten, zie 2.1. Het is moeilijk systematisch te benaderen omdat het 'levend materiaal', viva voce, is. Niettemin is er wel iets van te zeggen.

 

De vijf psalmboeken  4.1

Als je Ps 41,14 en 72,18 en 89,53 en 106,48 en de hele psalm 150 naast elkaar legt, zie je dat ze dezelfde inhoud hebben, een lofprijzing. Ze sluiten een 'boek' af. Wat de reden of aanleiding is voor die indeling, weet ik niet. Misschien werd de papierrol te dik.

 

Andere indelingen  4.2

Verscheidene psalmen hebben een bovenschrift waarin een naam staat: David, Korach of Asaph. Asaph was een zangersfamilie na de ballingschap, Korach was een Levitenfamilie onder koning Josia, die dus tempeldienst had, en van David hebben we vaker gehoord. Het hoeft niet zo te zijn dat hij de maker is van die betreffende psalm. Hij heeft zeker psalmzang gestimuleerd en vast wel geschreven maar het is ook mogelijk dat een lied van hem zich heeft ontwikkeld tot psalm of dat latere auteurs van een psalm verwezen naar wat hem overkomen was; dan is die psalm voor iedereen die zich voelde als David zich toen heeft gevoeld. KBS vertaalt 'op naam van David'.

De psalmen op naam van David zijn voornamelijk klaag-/smeekliederen van de enkeling; die van Korach en Asaph voornamelijk van een groep. De bedevaartspsalmen zijn natuurlijk ook van een groep mensen. Tegenover de klacht/smeking van de enkeling en die van een groep staan natuurlijk de lofpsalmen van de enkeling en de groep. Het klagen, smeken en prijzen komen voor ook bij de profeten, Job, Wijsheidsliteratuur, in de Tora e.d.

Er zijn een aantal psalmen waar JHWH als godsnaam wordt gehanteerd en een aantal met GOD, de Elohistische psalmen.

Een deelschema ziet er als volgt uit: een grote groep wordt omvat door twee wijsheidspsalmen, nl. 1 en 119, waarbinnen een groep door twee koningspsalmen wordt omvat, nl. 2 en 89, en een niet zo systematisch te plaatsen verzameling als restant:

1 wijsheidspsalm

2 koningspsalm

3 - 41    Davidspsalmen

42 - 49  Korachpsalmen  \

51 - 72  Davidspsalmen   |  Elohistische

73 - 83  Asaphpsalmen   /

84 - 88  Korachpsalmen

89 koningspsalm

 

93 - 99 God is koning

100 doxologie als afsluiting van de God is koningspsalmen

 

103 - 107 lofpsalm

111 - 118 lofpsalm

119 wijsheidspsalm

 

De overgeslagen psalmen zijn niet goed in dat kader te plaatsen.

De psalmen na 119 zijn nauwelijks in een geheel in te delen. Zij zijn bedevaartpsalmen, nr. 120 - 134; lofpsalmen van een groep, nr. 135 en 136, en lofpsalmen van de enkeling, nr. 138 en139; klaagzangen van de enkeling, nr. 140 - 143; nr. 145 is een lofpsalm als doxologie en de vier laatste zijn lofpsalmen als afsluiting. (Westermann. C)

terug naar begin

Een indeling voor het gebruik  4.3

In 'Wet, Profeten, Geschriften' (KBS) hanteert J.Tromp vijf gebruiksingangen:

 

levenswijsheid: 1, 112, 127, 49, 15, 128

onze Schepper: 104, 29, 8, 148

Zijn Woord en Wet: 50, 119, 19, 94

de Koning komt: 93, 96, 24, 98, 9

uitverkoren volk: 78, 114, 132

in ballingschap: 137, 74, 80, 126 (Jeremia 31, Tobit 13)

de Makkabeese strijd: 79, 44, (Jezus Sirach 36)

de Messias: 85, 2, 72, 45, (Lc 1, 68-80; Getijdenboek!)

de stad waar God woont: 122, 48, 87, 100

om Gods zegen: 63, 5, 139, 27, 3, 143, 67

in zorgen en beproeving: 90, 102, 73, 42-43, 39, 31

als mensen mij vertrappen: 56, 10, 55, 109

door God verlaten: 22, 123, 38, 77, 13, 69

in ziekte en ouderdom: 88, 41, 71 (Jesaja 38)

dank: 107, 138, 18, 118, 65, 111, (1 Kronieken 29, Jesaja 12, Jona 2, Lucas 2,29)

berouw: 51, 6, 130, 103, 32

vertrouwen: 121, 23, 91, 62, 46, 131, 146, 115, 84

aanbidding: 134, 92, 113, 150, (Judit 16, 1Samuel 2 - vergelijk met Lucas 1,46-56!)

 


Lezen en herlezen en zingen  4. 4

Een psalm gaat zelden alleen maar over een van de genoemde thema's. Meestal gebeurt in een psalm iets. Het is goed dat te ontdekken, daarin mee te gaan, ook al zal dat best een poosje kunnen duren. Je bent niet de eerste die zo iets meemaakt. Als je uiteindelijk een psalm kunt be-amen, is hij van jou. Het kan best zijn dat een paar verzen je aanspreken; die zijn dan jouw inhaakpunt en wie weet groeit er nog wat.

Als je ze hardop leest, doet u het dan ritmisch en rustig met twee tellen rust halverwege het vers en twee tellen voordat je met het volgende vers begint. Probeert u het maar. In die 'deining' ligt een bepaald … zeg het maar.

Het Griekse woord 'psalmos' betekent snaren tokkelen, hier dus lofzangen bij een instrument. Een psalm moet je eigenlijk zingen; niet alleen omdat het zingen de tekst onderstreept maar ook omdat je al zingend tijd neemt om de betekenis te beleven en je hart er voorzichtig in te leggen. Er zijn twee manieren om psalmen te zingen nl. recitatief zoals in de getijden (bijv. vespers) waarin de hele psalm wordt genomen, en meditatief zoals bijv. in een Woorddienst met lezingen waarin tussen de lezingen een paar verzen worden uitgesponnen.

 

 

Woordgebruik  4.5

Zoals eerder gezegd, je vindt heel vaak -wat wij zouden noemen- 'zwart - wit denken' in de psalmen: God wordt hemelhoog opgehemeld en degenen die tegen Hem zijn - die moeten maar de grond ingestampt worden of zo. Dat is -dacht ik- een beetje oosters-in-tegen-stellingen-denken met een vleugje enthousiasme zoals nu nog Hamas 'met de schedels van zijn tegenstanders hun poorten zal inrammen'. Wij zouden het anders zeggen. Niettemin, indirect is het een lofprijzing: de tegenstanders van de Algoede doen Zijn Naam oneer aan en dus verdraagt Zijn Eer niet dat … Doorgaans valt dat wel mee. In psalm 2 mag de Zoon de volken (niet-Joden) verpletteren met ijzeren (toen nogal kostbaar!)  knots en stuk slaan als waren het aarden potten, waarop dan volgt: "Dus koningen opgelet". Kennelijk leven ze nog.

Dat het vervloeken van je tegenstander de kreet is van de machteloze, lijkt mij ook een goed argument.

Tenslotte niet vergeten dat een oosterling geen gezichtsverlies kan lijden: als mijn vijanden mij uitlachen moeten ze maar … of zo iets. 'En allen die tegen mij zijn moeten het aanzien dat GIJ mij bedient    Ha Ha ! Psalm 58 en 83 zijn duidelijke voorbeelden van zo'n (ver)geldingsdrang (gauw opzoeken), of machteloosheid. Psalm 109 is dat ook maar de laatste tien verzen klinken ons bekend in de oren.

Het woord 'haten' klinkt ons heel zwaar in de oren. 'Esau heb Ik gehaat en Jacob heb Ik lief'. Als je leest 'Esau heb Ik op de tweede plaats gezet, niet bevoorrecht' (zonder hem onrecht te doen), en voor Jacob gekozen', is de tekst begrijpelijk. 'Ik haat wat mij van U afleidt' kun je vertalen met 'ik wil niet wat mij van U afleidt', 'daar kies ik niet voor'. Je mag je vijand niet haten; maar hem beminnen is een zwarte schimmel. Je kunt verstaan dat je goed voor hem moet zijn (ondanks dat hij je vijand is). Dan klopt het; dan doe meer dan je vrienden beminnen, hetgeen de 'heidenen' immers ook doen.

Een ander voorbeeld van goed verstaan biedt psalm 95: vanaf vs 8 wordt het volk aangespoord goed te luisteren en 'niet halsstarrig te zijn zoals bij Massa en Merida, toen Ik gezworen heb dat het met hen afgelopen zou zijn'. Dus: a.u.b. luister ! Als je die herhaling, waarschuwing er niet bij denkt, lees je akelige dingen met 'Eer aan de Vader ... ' enz. als bezegeling.

terug naar begin

 

Psalm 139  (parafrase van Dolf Coppes)

 

God,

 

Je kent mij helemaal

mijn zitten en mijn opstaan

mijn diepste gedachten

waar ik ga

waar ik ben

het doet er niet toe je bent er

je kent elk woord dat ik zeg en elke gedachte er voor

je bent helemaal om me heen en in mij

en je houdt me vast

ik vind het zo geweldig

 

al zou ik de ruimte bevaren

of diep de aarde in gaan

of langs morgenrood en zee-kim vliegen

ook daar zou je me vasthouden

en me leiden

 

al zou ik wegkruipen

in het diepste donker

diep diep duister

dan ben je er toch

je ziet me zo goed

als in het lichtste licht

 

want je hebt mij

helemaal gemaakt

ook het diepste van mezelf

ik raak in vervoering als daaraan denk

 

nog sterker

je hebt me ook bedacht

voordat er nog iets van mij bestond

 

en je wist

wanneer ik komen zou

ik vind het zo fantastisch

 

 

en van jou weet ik niks

dan wat ik zelf ben

je hebt nog

oneindig meer gedachten

dan de korrels van het zand

je bent onmogelijk

onbegrijpelijk

en toch van mij

want je maakte

mij bedacht mij

mij heel alleen

 

wat zou ik anders willen

dan wat jij wilt God

ik mag door jou gemaakt

jou beminnen

 

beproef mij God

doorgrond mijn hart

peil mij

ken mijn denken

 

want jou beminnen is zonder einde

ik wil niet wat mij daarvan afhoudt

ik wil

jouw

eeuwige

weg op

 

o God

je kent me helemaal

ik vind het eindeloos

 

(gekregen van Dolf Coppes)

 

 

verder naar N.T. algemeen

terug naar begin

 

Hiermee besluiten we de koers door de Boeken van het Eerste Testament.

 

Misschien is voor mij wel het meest significante dat die Grote Oneindige God,

die hemel en aarde gemaakt heeft,

die hemelhoog op de cherubs troont, die Hij-is/Hij-is-er die nabij is,

die wel eens zoek is, de Verborgen God,

die soms vage, voorzichtig aangeduide stamgod van Abram, Isaak en Jacob,

die God in lange verhalen,

die God die wel eens de pest krijgt aan mensen,

die hun toch nog profeten op hun dak stuurt,

die gewild heeft en nog wil dat ik ben en er ben, enzovoorts -

dat Jezus van Nazareth Hem 'Abba' noemde, Vadertje, Paps

 

Je gelooft het niet maar nu is het Maria Lichtmis 2002.

Alweer. Of wil ik het zelf?

© 2000 -2003 P.Goris Epe