terug naar overzicht

terug naar de psalmen

emailadres

 

9  Het Nieuwe Testament algemeen

 

1  Inleiding

2  Overzicht van de geschiedenis

2.1  Tot en met Alexander de Grote

2.2  Na Alexander de Grote 

2.3  Het Romeinse Rijk

3  Het Hellenisme

3.1  De Griekse cultuur

3.2  De Oosterling

3.3  Onder Alexander de Grote

3.4  Op godsdienstig gebied

4  De Joodse godsdienst,

5  De Jezus van Nazareth,

6  De synoptici

6.1  Ontstaan

6.2  Hun (verkondigende) opbouw

6.3  Voorbeeld van synopsis

 

 

1 Inleiding

Met 'Het Nieuwe Testament' bedoelen we de stukken die over Jezus en zijn ideeën zijn geschreven, en die ongeveer vanaf de 3' eeuw geaccepteerd zijn als inspirerend en geïnspireerd, tot de canon behoren (zie 2.1 en 2.2). Het gaat hier dus niet om het heils-element van het Nieuwe Verbond maar om zijn geschriften.

De stukken zijn eerst 'op het gehoor' ontstaan en mondeling doorgegeven en, afgezien van de brieven van Paulus, een generatie na Jezus opgeschreven in een heel andere wereld dan we gewend zijn van het Oude Testament, de stukken van het Eerste Verbond. Er is dus een gat in de schrijftraditie van zo'n 250 jaar, nl. van ca -200 tot ca +65, het evangelie van Marcus. Zie het bijbelpanorama. Ik reken de brieven van Paulus niet zo mee omdat zij door één persoon zijn geschreven/gedicteerd, geen gemeenschapsgoed zijn geweest vòòr een schriftelijke redactie.

Net zo min als het Oude Testament zijn de stukken van het N.T. geschiedenisboeken, het zijn geloofsgeschriften, die natuurlijk wel in de geschiedenis zijn geschreven en over gebeurtenissen gaan: het gaat om heil dat gebeurt aan mensen. Ze hebben ook een eigen ontstaansgeschiedenis: een gegeven moment is iemand begonnen met schrijven zonder dat hij het idee had 'ik ga het N.T. schrijven'. Er is sprake van ontwikkeling: Jezus wist van geen N.T.-geschriften en de eerste christenen ook niet. Pas later komen de 'memoires' van de apostelen in de eredienst ter sprake.

 

Helaas moeten we ons beperken in de stof; ik dacht alleen een evangelie en wel dat van Matteüs door te nemen omdat hij als Jood schrijft en zo de koppeling naar het O.T. wat herkenbaarder is. (Dat later ook Joh op tafel kwam wisten we toen nog niet.) Misschien dankt dit evangelie wel haar eerste plaats in de rij wel daaraan dat het 'joodser' is dan de andere, meer met oorsprong te maken heeft. Dat wil niet zeggen dat het ook als eerste is ontstaan, zie verder. De Romeinenbrief van Paulus staat ook als eerste in de rij waarschijnlijk omdat het qua inhoud 'de' brief van Paulus is; historisch is ze niet de eerste. Net zo min als Petrus historisch de eerste zal geweest zijn aan wie Jezus is verschenen na zijn dood. Vrouwen waren de eersten. De geloofsbelijdenis van Petrus heeft kennelijk wel een doorslag gegeven.

Dit uitstapje moge het verschil illustreren tussen ontstaansgeschiedenis en belangrijkheid.

Als we nog tijd over zouden hebben voor een brief, heeft de Galatenbrief van Paulus mijn voorkeur omdat het de 'vrijheidsbrief' van Paulus is.

We beginnen met het gat in de schrijfgeschiedenis, dan het verschil in leefwereld van O.T. - N.T. en dan leggen we drie evangelies even naast elkaar.

Terug naar begin

2  Overzicht van de geschiedenis

(De kaarten 13 - 16 van de 'Studie-atlas bij de Bijbel' of soortgelijk zijn nuttig.

Tot en met Alexander de Grote 2.1

- Het Assyrische rijk

Ninivé

het Tweestromengebied, Palestina en Egypte

val van Samaria in 721; profeet Jesaja.

 

- Het Babylonische rijk

Babylon

het Tweestromengebied, Palestina

val van Jerusalem in 587; profeet Jeremia (en Ezechiël)

 

- Het Perzische rijk (Cyrus)

Persepolis

Perzië, het Tweestromengebied, Egypte, Klein-Azië en Macedonië;

terugkeer uit ballingschap 538; Deutero-jesaia, Haggaï;

Darius (na Cyrus) verloor de slag bij Marathon van de Grieken in 490; na hem Xerxes

 

- Het Griekse rijk

als het Perzische rijk maar nu incl. Griekenland.

Alexander de Grote steekt in 333 van Macedonië over naar Klein-Azië en verovert het Perzische rijk incl. Egypte (Alexandrië!). Hij brengt de Griekse beschaving naar het Oosten, waar zij weliswaar de boventoon voert maar toch versmelt met de oosterse cultuur zodat een heel andere leefwereld ontstaat, het Hellenisme. Zie verder.

 

 

Na Alexander de Grote  2.2

wordt het rijk verdeeld onder zijn generaalsfamilies. Voor Palestina zijn de Ptolemeeën, die Egypte kregen inclusief Palestina, het belangrijkst van ca 300 - 200. Zij vonden de weg langs de kust belangrijker dan de politiek van dat priesterstaatje Juda. Vervolgens -vanaf ca 200- wordt Palestina overheerst door de Seleuciden vanuit Syrië. Zoals al eerder is het land weer de speelbal tussen Noord en Zuid. Maar ook intern is het verdeeld tussen het vroegere Noordrijk en Zuidrijk, Samaria en Juda. De Samaritanen (het restant van 721) wilden in 525 - na de terugkeer van de Joden uit ballingschap - al niet dat Jerusalem weer stadsmuren en -allures kreeg. Zij erkenden alleen de Tora (in hun versie), terwijl Juda ook de andere boeken erkende waar natuurlijk een en ander stond geschreven over hun koning David enz. ... De Samaritanen hadden een eigen tempel op de berg Gerizim in hun landstreek, in de buurt van de put van Jacob. De bovenlaag van Samaria was na 721 niet teruggekeerd van deportatie, die van Jerusalem wel en dus was Jerusalem echter Joods dan de rest, vonden ze zelf, en dus de baas.

Vanaf 200 verovert Antiochus de Grote (Antiochië!) dus Palestina maar om de rust te herstellen stond hij toe dat Jerusalem leefde naar eigen gewoonten en gebruiken die het sinds de Perzische tijd hanteerde. Er werd een raad van oudsten ingesteld die later de naam 'Sanhedrin' kreeg, en staatkundige, maatschappelijke en godsdienstige bevoegdheid had. Maar de eigenlijke leider bleef de hogepriester, die voor alles verantwoordelijk was, dus staatkundig, sociaal en godsdienstig.

Onder de Seleuciden neemt de hellenisering in Palestina snel toe. Vooral aristocratische families - meest priesterfamilies, de tempelaristocratie, die uitmaakte wie hogepriester werd, de latere de Sadduceeën - zagen daarin een mogelijkheid om meer politieke rust en zekerheid te krijgen, waarvoor ze de (godsdienstige) aparte status opofferden, want ze maakten dan deel uit van een groter rijk. Dat gaf natuurlijk ruzie met de Wetsgetrouwen, die hellenisering goddeloos vonden.

In 175 werd Antiochus Epiphanes (= Zeus-verschijning; Zeus is de Griekse oppergod) koning. Hij dreef de hellenisering snel door omwille van de eenheid in zijn grote rijk en de aparte status van Juda werd opgeheven. In de tempel kwam een Zeus-beeld en Wetsgetrouwen werden onderdrukt. Daartegen kwam men in opstand en onder leiding van Judas de Makkabeeën werd de tempel gezuiverd (Chanoekafeest). Jerusalem werd bevrijd en door handige politiek werd vrijheid van godsdienst en zelfs vrijstelling van belasting verkregen.

In ongeveer 150 was een Makkabeeër zo handig dat hij hogepriester werd in het vrijwel onafhankelijke staatje Juda. Hoewel het doel van godsdienstvrijheid was bereikt, veroverde het Samaria en Galilea (waar later weer Joden gingen wonen - o.a. Jozef - maar waar inmiddels de nodige 'Griekse' steden waren gebouwd, het 'Galilea van de heidenen' zegt Mt 4,15). Vermenging van politieke macht en godsdienstige macht is immers altijd vruchtbaar en zo ontstond het koninkrijk der Hasmoneeën (uit de Makkabeeën) uit een priesterfamilie. Na een goed begin (het hebreeuws werd hersteld, zie de bibliotheek van Qumran, de Dode Zee-rollen) werd een zekere Hyrcanus iets te enthousiast; onder andere activiteiten verwoestte hij de tempel van de Samaritanen op de Gerizim en later ook de stad. Dat ging de Wetsgetrouwen te ver en zij scheidden zich af. Hieruit ontstonden de Essenen (vermoedelijk in Qumran) en de Farizeeën (de IJveraars), zodat de Hasmoneeën alleen steunden op de Sadduceen. Zij 'regeerden' van 142 - 63.

Terug naar begin

Het Romeinse Rijk  2.3

In -64 ging het allemaal zo slecht dat drie (!) partijen naar de Romein Pompeius gingen om een oplossing. Dat was niet zo verwonderlijk want inmiddels was het Romeinse rijk zich aan het ontplooien. Pompeius was toen in het Oosten actief maar het kaartje nr. 19 laat zien hoe - ten tijde van Jezus - de grote eenheidsstaat vanuit het Oosten naar het Westen, naar Rome, is verschoven, in een definitieve vorm onder keizer Augustus. Het eind van het ingewikkelde verhaal (zie desgewenst de Kleine Atlas van de Bijbel) is dat in Jerusalem ene Herodes ('die sluwe vos', uit de streek Idumea - t.Z.v.Juda - waarheen een volksstam uit de woestijn door Arabieren gedreven was en die door de Joden hardhandig bekeerd was) door de Romeinen werd aangesteld tot koning. Hij deed allerlei dingen in het groot, ook het onderdrukken van eigen mensen. Reden voor de Farizeeën om zich uit de politiek terug te trekken en zich geheel te wijden aan de studie van de Wet en het onderricht in de synagogen. Na de dood van Herodes (-4) werd zijn rijk verdeeld onder drie zoons, Herodes Antipas, Filippus en Archelaüs. Deze laatste deed het zo slecht dat de Romeinen er in +6 een landvoogd neerzetten: Pontius Pilatus.

Maar hij was ook geen Jodenvriend en werd met de hogepriester Kajafas afgezet in 36. De nieuwe hogepriester Jonatan eigende zich veel macht toe, het nationalisme kwam weer op en iedereen die anders dacht werd geholpen, o.a. de hellenistische leden van een sekte die een zekere Jezus naliepen, b.v. Stefanus. De sekteleden die originele joden waren werden met rust gelaten. Jonatan werd ook weer afgezet en langzamerhand opgevolgd door Herodes Agrippa 1, die het van zijn grootvader had en zich de gunst van de nationalisten en de Farizeeën wilde winnen door getrouw de Wet te onderhouden en Jacobus (zeer waarschijnlijk ook zijn broer Johannes, beiden apostelen) te vermoorden en de niet-joodse leden van de sekte te vervolgen. Dezen weken uit naar Antiochië, de Romeinse hoofdstad in het Oosten. De van oorsprong joodse leden bleven nog in Jerusalem o.l.v. Jacobus, "broer van de Heer".

Vanaf ca 50 deden de Romeinen het zelf maar met procuratoren. Toen echter nationalisten even de kans schoon zagen, stenigden zij Jacobus in 63, hoewel hij in aanzien stond bij de Farizeeën. De Romeinen werden de Joden en hun nationalisme zat en verwoestten Jerusalem met tempel in 70. De tempelschatten, waaronder de beroemde Menora, werden naar Rome afgevoerd voor de triomftocht. Toen was het ook gedaan met de joodse sekte in Jerusalem: 'de Vrouwe vluchtte naar Pella' volgens de traditie.

Het gevolg  was dat de Joden hun geestelijk centrum verloren; Sadduceeën, priesterschap, Sanhedrin bestonden niet meer. De breuk tussen de Farizeeën en de Jezus-sekte werd compleet. Het z.g. rabbijnse jodendom ontstond dat gebaseerd was op Wet, onderricht en synagogen; het kreeg een centrum in Tiberias. De Jezus-volgers hadden zich in Antiochië gevestigd en omdat ze geen jood en geen heiden waren, kregen ze daar de naam 'Christenen', een derde 'soort', dat Joden en heidenen verenigde in Jezus, de Messias, de Christus, dé Gezalfde volgens hun leer.

In deze tijd is het eerste evangelie geschreven nl. dat van Marcus, misschien in Rome, want de sekte was uitgegroeid tot een zelfstandig geheel en niet stil blijven zitten. Vanuit Jerusalem en omgeving had ze zich genesteld in Antiochië. Het laatste bericht over Jerusalem als centrum van de sekte is uit ca 50 (het concilie van Jerusalem). Vanuit Antiochië waren zij actief over de toen bekende wereld: Klein-Azië, Griekenland, Rome. Over activiteiten in oostelijke richting

zijn alleen sterke vermoedens over Thomas die in Edessa (a.d. Eufraat) is geweest. Zie kaart 28.

Terug naar begin

 

3 Het Hellenisme

De Griekse cultuur 3.1

is heel anders dan de oosterse en de Egyptische; als je alleen al denkt aan de beeldhouwkunst, afbeeldingen, zie je verschil niet alleen in techniek en expressie maar ook in ontwikkeling: de Grieken zijn verder gekomen. Aanvankelijk waren hun beelden even statisch als die van het Oosten maar later - 3e  eeuw - zijn ze beweeglijker, dramatischer. Laten we - simpel gezegd - stellen dat hun cultuur in de 5e  eeuw v.C. er stond en verder is gegaan in eigen land én in de omringende kustgebieden. De Grieken waren een ondernemend en zeebevarend volk, ze hadden veel contact

met Macedonië, de Ionische kust van Klein-Azië, Kreta en ook Sicilië. Democratie was hun basis en filosofie hun trots. Aristoteles gaf les aan Alexander de Grote. Zij dachten in begrippen, hanteerden logica, waren kritisch, hadden visie op persoonlijkheid, waren sterk in bouwen, poëzie en geschiedschrijving, landbouwtechniek, metaalbewerking en techniek. Hun ethiek was vooral gericht op deugden die van nut waren voor de samenleving.

 

De Oosterling 3.2

dacht meer in beelden en hanteerde verhalen om betekenis te duiden. Wijsheid werd meer verpersoonlijkt.

Ma'at was de 'gerechtigheid' die te zien was aan de hemel, waar de kosmos, het schone geheel, zich volgens vaste patronen ontwikkelde (op een aantal vagebonden, planeten, na). Maar die gerechtigheid was ook garantie voor eeuwigheid; de koning moest die hemelse gerechtigheid op aarde waar maken door rechtvaardigheid. Zij maakten niet zo'n onderscheid tussen leer en ethiek. De Oosterling is meer collectief ingesteld, zal eerder de grote koning achterna lopen. Hij zal emotioneler zijn dan de logische Griek.

Gelieve dit te beschouwen als een soort wanhoopspoging om iets aan te geven over onderscheid tussen twee culturen.

 

Onder Alexander de Grote 3.3

kwamen die twee culturen bij elkaar en versmolten. De belangrijkste omstandigheden daartoe waren de gemeenschap­pelijke taal, het 'koinè-grieks', die in het heel het rijk werd gesproken (ook later in het Romeinse rijk!, dus de taal waarin N.T. werd geschreven), het muntgeld als handels(ruil)middel en de democratische zelfstandigheid van de steden (stadstaatjes), waardoor eigen initiatief, eigenbelang, kans kreeg.

 

Op godsdienstig gebied 3.4

waren in het rijk en ook later in het Romeinse rijk vele culten, erediensten, in zwang. Het waren mysterie-culten. Bekend zijn de Eleusische mysteriën ter ere van Artemis en Persephonè (vruchtbaarheid), de cultus ter ere van Dyonisos (Bacchus), de Sybillijnse orakels (Italië), de Egyptische cultus van Isis en Serapis (eeuwig leven), de Artemis van Efese (vruchtbaarheid; Paulus kreeg er ruzie om), de Perzische Mitrascultus (door Romeinse soldaten mee genomen uit Perzië) enz. Desgewenst op te zoeken. Kernzaak bij deze culten was dat men door schouwing of viering deel wilde krijgen aan eeuwigheid terwijl de maatschappelijke relevantie niet ter zake was.

De goden van de Grieken zaten op de Olympus, de godenberg, en wilden wel eens naar de aarde afdalen maar zouden zich nooit met de mens kunnen verenigen want er was een onoverbrugbare afstand tussen hen en de mens. Zij waren eeuwig gelukkig op de godenberg en de mensen leefden op aarde om dood te gaan.

Het godsbeeld in het Oosten was dat er een god van het goede en een god van het kwade was; ze waren niet te verzoenen: men zag goed en kwaad als dualisme. Ook de Gnosis benadert het probleem van goed en kwaad dualistisch: tegenstelling tussen de goede, zuiver geestelijke wereld en de slechte, materiële wereld. Er is een tegenstelling tussen de transcendente goede God en de onwetende demiurg, die de onvolmaakte schepping op zijn geweten heeft. Maar er is redding: er is een goddelijke vonk ingekapseld in sommige (! - niets nieuws onder de zon) spirituele lichamen. God zend zijn verlosser neer op hen die verlost zullen worden door hun geheime kennis (gnosis, inzicht, ook zelfkennis) in te geven. Als die spirituelen sterven, ontsnappen ze aan de kerker van hun lichaam en varen door de planetensferen van vijandige demonen heen naar de hereniging met God. Gevolg: alleen het spirituele telt, dus ga je gang, of duik in je zelf en onthoud je van seks want dat was maar schepping. Niettemin het "gnothie se'auton", "ken je zelf" is nu nog een steekhoudend adagium. De ideeën waren er vermoedelijk al vòòr onze jaartelling maar qua stroming is ze pas vanaf de 2e eeuw bekend. Ze heeft ook een christelijke beïnvloeding gekend zoals blijkt uit o.a. de gnostische evangelies, die van later datum zijn dan de vier erkende en - voor zover bekend - maar een deel van het verhaal van de vier hebben.

Terug naar begin

4  De Joodse godsdienst,

waar dat kleine priesterstaatje Juda voor stond, leerde van een God die hemel én aarde gemaakt heeft. HijZ is één, niet dubbel of dualistisch in zich. Die God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis, man en vrouw schiep Hij hen. Die God wilde aanbeden en gediend worden en ging een verbond met mensen aan ondanks Zijn volmaaktheid en de menselijke tekortkomingen. Of juist vanwege ....? HijZ bemoeide Zich met mensen, schepselen in het verlengde van Zijn Wezen. Er is dus een ander verschil tussen God en mensen dan de Grieken hanteerden. De afstand tussen God en mens was niet onoverbrugbaar. Het kwaad dat de mens beging kon worden bedekt, uitgewist; schuld kon vergeven worden, kwijtgescholden; de heilsrelatie (HijZ's bemoeienis met mensen) kon worden hersteld. Het kwaad kon bestaan in aanbidden van andere goden en in onrechtvaardigheid. De mens diende HIJ-IS-(ER) door eredienst en ethiek: hemel en aarde verbonden. Die God kon jaloers zijn als een minnaar, HijZ wilde niet delen met andere goden: HijZ is de Enige, die mensen bestemt voor het geluk. In tien leefregels werd die leer samengevat.

Gedekt door die zekerheid begon in ca +30 een Jood bij de Jordaan een doop van bekering tot vergeving van zonden toe te dienen in een mengelmoes van opstandigheid tegen Romeinen, corruptie, hellenistische invloeden, verloedering van Joodse zeden, zoeken naar uitkomst. Hij kreeg een volgeling die weldoende rond ging en genas, want God was met hem. Hij had iets speciaals met HIJ-IS-(ER) en werd een groot profeet genoemd. Na een paar jaar met idiote en wonderlijke gebeurtenissen gaf hij zijn leerlingen opdracht dat vanaf nu in zijn naam het goede nieuws van de bekering tot uitwissing (wegdoen) van zonden zou worden verkondigd en ook nog aan alle volken: Gods vergevende liefde voor de hele wereld. En dat lukte wonderwel. De beweging in de mens naar het/De Hoge kreeg door hem historiciteit, was geen 'luchtkasteel' zoals bij de gnostieken.

Dat 'in zijn naam' was on-joods, nieuw.

Tenzij die 'hij' de Messias was en aan 'messias' een nieuw element werd toegevoegd:

die van persoonlijk middelaar.

 

 

5  De Jezus van Nazareth,

zoals die op sandalen in Palestina heeft rondgelopen, kunnen we uit de evangeliën - laat staan de brieven - nauwelijks kennen. Zoals eerder gezegd, de evangeliën zijn geen geschiedenisboeken maar geloofsdocumenten die gecomponeerd zijn. Volgens Matteüs, Marcus en Lucas is Jezus in één keer van Galilea naar Jerusalem getrokken maar uit Johannes blijkt dat hij wel drie keer in Jerusalem is geweest om het Paasfeest te vieren. De synoptici wilden met het eenmalig 'opgaan naar Jerusalem' kennelijk iets zeggen, niet geschiedenis schrijven.

Ook wat Jezus zelf letterlijk heeft gezegd, kun je niet zomaar uit de tekst halen, zelfs niet als er staat 'Jezus zei:"....". Er zijn maar een paar uitdrukkingen die in andere literatuur niet worden gehanteerd en waarvan men dan kan aannemen dat het letterlijke woorden van Jezus zijn zoals b.v.'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u'; 'mensenzoon' ; 'Abba'. Die vraag naar letterlijke woorden is niet nieuw. Ik zelf herinner me dat ik op college N.T. heb vernomen dat Eusebius van Caesarea (bisschop, ca 300) in zijn Kerkgeschiedenis bisschop Papias van Hiërapolis (ca 120) citeert die telkens als hij een leerling van de apostelen ontmoette, hem vroeg haar woorden die de apostelen aan Jezus zelf toeschreven. (Hoeveel overleveringstrappen zitten hierin ? Hoe kun je dat aantal verminderen ?)

Bij het overschrijven zijn fouten gemaakt en goed bedoelde verduidelijkingen, aantekeningen in de kantlijn, zijn later in de tekst terecht gekomen, de z.g. glossen.

Het terugvinden van de originele tekst is een vak apart. Er zijn vele handschriften en het is niet zo dat de versie waarvan de meeste handschriften bestaan ook de originele het meest benadert. Het enige wat je daarvan kunt zeggen dat een bepaalde overschrijf'familie' het meeste actief is geweest. Het meest schreef men in kloosters waar aan een aantal schrijvers de beschikbare tekst werd gedicteerd. Men denkt zo ver gekomen te zijn dat de originele, 'definitieve' tekst wel benaderd is.

Terug naar begin

6 De synoptici

Ontstaan 6.1

Wanneer we Matteüs, Marcus en Lucas naast elkaar leggen, blijkt dat ze heel veel gemeen hebben. Je kunt ze in één oogopslag (synopsis) -nou, ja- overzien als ze naast elkaar liggen. Johannes is heel anders. Hebben ze bij elkaar gespiekt? Die onverklaarde overeenkomst heet het synoptische vraagstuk.

Bezien we eens hoeveel verzen ze al of niet -vaak letterlijk- gemeenschappelijk hebben:

Marcus

661

 

 

Matteüs

235

600

eigen  350

Lucas

eigen 548

235

350

 

 

Opm. de aantalen kloppen niet helemaal maar het principe wel. Ik tel nu bij Mt 1068, bij Mc minstens 666 en bij Lc 1151 verzen.

Als ze bij elkaar hebben gespiekt, waarom hebben ze dan niet alles overgeschreven? Vermoedelijk omdat ze verschillende personen waren in verschillende verkondigings-omstandigheden en vanuit/met verschillende bronnen. Marcus heeft vermoedelijk opgeschreven wat Petrus verkondigde (dat kun je inderdaad hier en daar uit de tekst al vermoeden) en Matteüs ordende als Jood de tekst naar de Tora. E.e.a. volgens die Papias. Matteüs had denkelijk contact met joodse gemeenten (350 eigen verzen). Lucas heeft wellicht meer bronnen gehad/gezocht (Lc 1, 2) dan de anderen. Misschien waren dat kringen rond Maria en in Jerusalem (548 eigen verzen).

Het valt bij nader inzien op dat Mt en Lc nooit samen tegen de volgorde van Mc ingaan; als één van beiden van Mc afwijkt (om verklaarbare redenen) doet de ander het niet. Vervolgens valt het (aan deskundigen) op dat de afwijkingen in de verzen die ze gemeenschappelijk hebben, qua stijl en inhoud alleen te verklaren zijn als men aanneemt dat zij de tekst van Mc (in het Grieks) vóór zich gehad hebben. Het gemeengoed dat Mt en Lc hebben (235 verzen) duidt op een gemeenschappelijke bron, die niet bekend is en de naam 'Q' (van het Duits Quelle, bron) heeft gekregen. Het zou een verzameling 'uitspraken van Jezus' kunnen zijn. Hoe groot die 'Q' was, is niet bekend en dus ook niet of Matteüs en Lucas alles ervan hebben gebruikt.

De meest eenvoudige en daarom meest waarschijnlijke werkhypothese over het ontstaan is dan als volgt:

 

 

 

 

 

 

 

 

Een stuk onderricht hebben ze allebei in nagenoeg dezelfde volgorde overgenomen:   

Lucas

Matteüs

Inhoud

6, 20-23

5, 3.6.5.11.12 

de zaligsprekingen

6, 27-30 

5, 39-42

wees goed voor uw vijand

6, 31

7, 12

behandel zoals je zelf behandeld wil worden

6, 32-36 

5, 44-48

vrije weldaad

6, 37.38

7, 1.2   

oordeelt niet opdat ...

6, 41.42

7, 3-5   

splinter - balk in je oog

6, 43-45 

7, 16-20

vruchten van de boom

6, 46

7, 21    

Je noemt me 'heer': doen wat ik zeg

6, 47-49

7, 24-27     

bouwen van huis op goede grond

 

Zo'n volgordeovereenkomst leidt tot de conclusie dat beiden eenzelfde (spreuken)bron - als geschrift ?- ter beschikking hadden: die 'Q'. Als je apocriefe evangelies leest b.v. dat van Thomas, krijg je een idee van traditieblokken die onder de mensen of groepen mensen geleefd zullen hebben.

Terug naar begin

Hun (verkondigende) opbouw  6.2

is onderling nagenoeg gelijk:

- Johannes de Doper, doop van Jezus in de Jordaan, Jezus in de woestijn

- optreden van Jezus in Galilea, roeping van de apostelen, veel wonderen, geloofsbelijdenis van Petrus, gedaanteverandering op de Thabor, 1e lijdensaankondiging

- Jezus trekt op naar Jerusalem, gesprekken onderweg, genezing blinde bedelaar

- Jezus' intocht in Jerusalem, tempelreiniging, twistgesprekken met joodse (Jerusalem!) leiding, avondmaal, Getsemane, proces, dood, opstanding, verschijningen.

E.e.a. te vinden in bijv. Klein, A. De wordingsgeschiedenis van het NT.

 

Hamvraag: wat is nu het belangrijkste gedeelte in deze indeling qua verkondiging? M.i. is dat het tweede. Het eerste is stand-/startpuntbepaling. Het derde is het opgaan van de waarachtige profeet naar Jerusalem, want die hoort daar thuis (aanspraak op het echt Jood zijn; Jezus was geen dissident !) en het vierde is uiteindelijke bevestiging dat het wel goed zat met hem en zijn verkondiging, het tweede gedeelte. Daar ging het eerst om. Er is ook een tekstkritisch gegeven dat het tweede deel het oudste blok is nl. dat de synoptici in dat deel meer parallel lopen dan er na.

In Handelingen 13,31 zegt Paulus " ... verscheen Hij aan degenen die Hem van Galilea naar Jerusalem hadden vergezeld". Kennelijk een criterium. Enig idee waarvan?

 

Marcus is de enige die geen inleidende hoofdstukken heeft; hij begint direct bij de 'Doper; ook een reden om te veronderstellen dat dat het oudste evangelie is. De andere hebben wel een inleiding -Johannes ook- maar die hoofdstukken hebben geen logisch vervolg in het verhaal dat daar na komt: ze zijn er later tegen aan geplakt. Toen men 'alles' op schrift had, kwam de vraag hoe dat wonderlijk gegeven verkondigd moest worden. Want er was tussendoor wel wat gebeurd: Incarnatie !

Dat is wat ze alle drie eigenlijk zeggen; Johannes wel het duidelijkst: 'Punt van uitgang is het Woord. Het Woord was bij God en het Woord was goddelijk. Dat Woord is vlees geworden (tastbaar, hoorbaar, zichtbaar !) en heeft onder ons zijn tent opgeslagen.' Dan gaat het niet meer om feiten maar om betekenis, om het onzegbare, via een verhaal aangereikt. Waaraan ik -niet de enige!- koppel dat je aan het geloofsgegeven van de maagdelijke geboorte niets afdoet als je aanneemt dat Jezus gewoon de zoon van Jozef en Maria was. Daar hebben we het al eerder over gehad.


Voorbeeld van Synopsis   6.3    Het onderhouden van de Sjabbat

 

Matteüs 12, 1 - 14

Marcus  2, 23 - 3, 6

Lucas 6, 1 - 11

In die tijd liep Jezus op sabbat door de korenvelden.

Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren te plukken en aten die op.

De Farizeeën zagen het en zeiden Hem: 'Kijk eens, uw leerlingen doen iets dat op sabbat niet mag.'

Maar hij zei:'Hebt u niet gelezen wat David deed, toen Hij en zijn metgezellen honger kregen? 

 

Hoe hij het huis van God binnenging en hoe ze de offerbroden aten, die hij niet mocht eten en ook zijn metgezellen niet, maar alleen de priesters?

Of hebt u niet gelezen in de wet dat op sabbat de priesters in de tempel de sabbat ontheiligen en toch onschuldig zijn?  Ik zeg u, hier is meer dan de tempel. Als u begrepen had wat dit zeggen wil: Barmhartig­heid wil Ik en geen offer, zou u geen onschuldigen veroordeeld hebben.

 

 

Want de Mensenzoon is Heer van de sabbat.'

 

Hij ging daar weg en kwam in hun synagoge.

Daar was iemand met een verschrompelde hand.

Ze stelden Hem de vraag: 'Mag men op sabbat genezen?', met de bedoeling om Hem te kunnen aanbrengen.

 

 

 

 

 

 

Maar Hij zei hun:

'Als iemand van u een schaap heeft, en het is op sabbat in een kuil gevallen, zal hij het er dan niet uithalen? Hoeveel meer is een mens niet waard dan een schaap?

 

Daarom mag men op sabbat goeddoen.'

 

 

 

 

Toen zei Hij tegen de man:'Strek uw hand.' Dat deed hij, en ze werd weer even gezond als de andere.

Eenmaal buiten, beraamden de Farizeeën plannen tegen Hem om Hem uit de weg te ruimen.

Toen hij op een sabbat door de korenvelden liep,

begonnen zijn leerlingen onderweg aren te plukken. 

 

De Farizeeën zeiden Hem: 'Kijk eens, ze doen iets dat op sabbat niet mag!'

 

Hij zei hun: Hebt u nooit gelezen wat David deed toen hij niets te eten had en hij en zijn metgezellen honger kregen?

Hoe hij het huis van God binnenging, onder de hogepriester Abjatar, en de offerbroden at, die alleen de priesters mogen eten, en hoe hij ze ook aan zijn metgezellen gaf?'

 

 

 

 

 

 

 

En hij zei hun:

'De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.

Dus is de Mensenzoon ook heer van de sabbat.'

 

Hij kwam weer in de synagoge.

 

Daar was iemand met een verschrompelde hand.

Ze letten op Hem om te zien of Hij hem op sabbat zou genezen, om Hem te kunnen aanbrengen.

 

 

Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: Kom eens naar voren.'

 

 

Hij zei hun:

 

 

 

 

 

 

Mag men op sabbat goed doen of kwaad, een leven redden of doden?' Maar ze hulden zich in zwijgen. Hij keek hen stuk voor stuk aan, kwaad, en verdrietig om hun versteende hart,

en tegen de man zei Hij: Strek uw hand.' Dat deed hij, en zijn hand herstelde zich.

En eenmaal buiten beraamden de Farizeeën samen met de Herodianen meteen plannen tegen Hem om Hem uit de weg te ruimen.

Terwijl Hij op een sabbat door de korenvelden liep,

plukten zijn leerlingen aren. Ze wreven die tussen hun handen en aten ervan.

Enkele Farizeeën zeiden toen: 'Waarom doen jullie iets dat op sabbat niet mag?'

Jezus antwoordde hun: Hebt u dan niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger kregen.

Dat hij het huis van God binnenging en de offerbroden meenam, ervan at en ze ook aan zijn metgezellen gaf, hoewel alleen priesters die mogen eten?'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'De Mensenzoon is ook Heer van de sabbat', zei Hij.

 

Op een andere sabbat ging Hij naar de synagoge en gaf er onderricht.

Daar was iemand wiens rechterhand verschrompeld was. De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem, om te zien of Hij op sabbat genezingen verrichtte; dan zouden ze Hem kunnen aanklagen.

Maar Hij wist wat ze dachten en zei tegen de man met de verschrompelde hand: Sta op en kom naar voren.' En hij stond op en kwam.

Daarop zei Jezus tegen hen:

 

 

 

 

 

 

'Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, een leven mag redden of verloren laten gaan.' Hij keek hen allemaal aan,

 

 

en zei tegen hem: `Strek uw hand.' Hij deed het en zijn hand herstelde zich.

Maar zij werden razend en spraken er met elkaar over wat ze met Jezus zouden doen.

 

Ik vind het 'leuk' om te zien hoe Matteüs het voorbeeld over de offerbroden typisch Joods uitwerkt en vooral hoe hij 'barmhartigheid' hanteert: niet zo zeuren, jullie schriftpeuteraars - om een net woord te gebruiken. Wij zouden zeggen 'ruim'hartigheid. De offerbroden waren kennelijk niet zo heilig dat niemand ervan mocht eten. Ze waren ook voedsel voor de priesters. Jezus zegt dus 'nood breekt wet'.

Een tweede punt is dat vers van Marcus: 'De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat. Dus is de Mensenzoon ook heer van de sabbat.' Zoals de tekst het nu leest, zijn dat allemaal gesproken woorden van Jezus. Maar de laatste zin "Dus is de Mensenzoon …" kan net zo goed, zo niet beter een glosse zijn, toegevoegd aan de kantlijn, een conclusie van een overschrijver, of de verteller. En dan zie je hoe die zin door Mt en Lc een beetje 'onhandig' wordt overgenomen: "Want " - de logica in de tekst ontgaat me,  en "… ook …" - o ja, dat is waar ook!

Dat zinnetje "De Mensenzoon is (ook) Heer van de sabbat" ("ook" staat er niet in het Grieks bij Lucas!) zal dus zeer waarschijnlijk geen direct woord van Jezus zijn maar een glosse of beter een element van verkondiging. Na de verrijzenis wordt het geloof in Hem verkondigd en is dit een goede plek om Jezus' "Heer zijn, ook van de sabbat" (Mc) te benadrukken. Bij Mt ligt het verwijt aan de Farizeeën dat zij, als ze eerlijk waren (geweest), zij geen onschuldige, nl. Jezus, hadden veroordeeld. De combinatie met het eerlijk/ruimhartig denken over de sabbat levert dan indirect het "want" van Mt op. Indirect omdat je die geloofsbelijdenis over Jezus na zijn verrijzenis erbij moet denken. Misschien was Mt wel zo boos dat hij vergat dat zinnetje van Mc "de sabbat is er voor de mens en niet de mens voor de sabbat"  er nog bij te zetten; Lc doet het ook niet. De stelling dat Jezus Heer is, is genoeg.

En nu even op de strepen staan:  ze schrijven nl. niet "Jezus" maar "de Mensenzoon". Zo noemde hij zichzelf als hij (impliciet) aanspraak maakte op zijn hemelschap en zijn Zoonschap, Zoon zijn van de Vader. Hij vermijdt in het openbaar altijd het woord "Messias", dat na de verrijzenis wordt gebruikt.

Alleen Mc schrijft over het verdrietig zijn van Jezus bij die genezing op sabbat. De twee anderen hebben dat element niet overgenomen (aangenomen dat zij Mc kenden). Zo zie je dat iedere evangelist toch weer een eigen stijl hanteert.

Dit tweede punt dus om te laten zien hoe de synoptici samenhangen en verschillen en dat in de verkondiging elementen van na de verrijzenis kunnen zijn vermengd met elementen van voor zijn dood.

 

Terug naar begin

Verder naar Matteüs

© 2000 -2003 P.Goris Epe