terug naar overzicht; emailadres
10 Het Matteüs-evangelie
|
1
Wie, voor wie, waarom, waar, wanneer en
hoe 2
Opbouw 2.1
een grote lijn 2.2
een 'reden'-indeling |
3 Tekst lezen met commentaar 3.1 hoofdstuk 1 herkomst 3.2 hoofdstuk 2 kindsheidverhalen 3.3 hoofdstuk 3 bij de Jordaan 3.3.1
wat
Johannes deed 3.3.2 de Jesajatekst van Johannes |
3.3.3 verder met Mt 3,4 over Johannes 3.3.4
uitweiding over 'gerechtigheid' 3.4 hoofdstuk 4 begin optreden 3.5 hoofdstuk 5
bergrede en vervolg 3.6 hoofdstuk 6 gebed en ascese 3.7 hoofdstuk 7 wijsheid en goede raad |
1 Wie, voor wie, waarom, waar, wanneer, hoe
Dat zijn zo de vragen die je moet stellen om op een verantwoorde manier bezig te zijn met al dit soort geschriften die meer zijn dan een verhaal, die een bedoeling hebben, dus ook de N.T.-geschriften. Het is bijv. van belang er bedacht op te zijn dat Lucas voor een ander publiek schrijft dan Matteüs. De een vertelt een verhaal om dit te benadrukken, de ander gebruikt hetzelfde verhaal om iets anders naar voren te halen. Conclusies uit het ene kunnen niet zonder meer op het andere gelegd worden. We zullen dat nog zien.
Vooraan beginnen: we danken dit en de andere evangelies aan de gemeenschap die iets op schrift wilde bewaren over Jezus. Zonder die eerste gemeentes geen evangelies. Daar zijn de woorden van Jezus zelf én woorden over Jezus gaan leven en daar deden zich de 'Sitz im Leben'-situaties voor waarin ze terzake waren.
Wie ?
De traditie, wederom die Papias, wijst ene Matteüs aan als de schrijver. Hij moet dan de apostel-tollenaar zijn. Maar behalve dezelfde naam wijst niets daarop. Het kan zijn dat de tollenaar kon schrijven, misschien ook nog in het
Grieks. Maar hij heeft op zijn minst een duidelijk joodse achtergrond als hij al geen Jood was. Redelijk is aan te nemen dat het evangelie is ontstaan in een traditie die getekend werd door de apostel Matteüs. Terugvoering op een van de apostelen verleent een geschrift natuurlijk wel een status.
Voor wie en waarom ?
Eind zeventiger jaren leven er niet zoveel mensen meer die Jezus zelf nog hebben gekend; voor hun nakomelingen in het geloof zijn toen stukken opgeschreven die aanvankelijk mondeling werden doorgegeven, op zijn joods, zoals wij vroeger in de klas de tafels opzegden -dacht ik. We zullen zien dat Jezus vooral als leraar ten tonele wordt gevoerd, het evangelie een duidelijk joods-onderrichtend karakter heeft en dat vaak de band met het O.T. wordt benadrukt door aanhalingen uit het O.T. en door de zin 'opdat de Schrift vervuld werd'. Maar de joden krijgen er ook van langs en de heidenen worden fel bekritiseerd; zie bijv. 7,6; 6,7. Men denkt daarom aan een joods-heidense (lees christelijke) gemeente, die los is van haar joodse oorsprong.
Evenwel, het goede nieuws wordt niet beperkt tot een plaatselijke gemeente maar is duidelijk wereldwijd bedoeld; zie bijv. 28,19: "Ga, en maak alle volken tot leerling …" 'Kerk' wordt dus als een wereldgemeenschap gezien.
Waar en wanneer ?
Daarom denkt men aan Antiochië of een van de vele gemeenten in Klein-Azië omdat Ignatius van Antiochië het het eerst citeert; hij leefde en leed onder keizer Trajanus (98-117).
De tijd waarin het opgeschreven werd zal na de verwoesting van Jerusalem kunnen zijn omdat er een stukje tekst daarop betrekking zou kunnen hebben, dus na 70, maar ook omdat (werkhypothese) het afhankelijk is van Marcus, dat in 65 wordt geschat.
Hoe ?
Er zal best een 'verwoed' schrijver kunnen zijn geweest die, toen hij toch eenmaal zou beginnen, een of meer bestaande geschriften met plaatselijke tradities heeft verrijkt of andersom. Aan de hand van twee mogelijke indelingen kunnen we een gang van zaken vermoeden. Vergeten we niet dat de bijbel niet 'uit de hemel is komen vallen'. Ze is ontstaan temidden van mensen die niet netjes vooraan zijn begonnen en achteraan zijn opgehouden.
Met enig schaamrood moet ik bekennen dat ik niet meer weet welke commentaren ik heb gebruikt.
Een grote lijn 2.1
zoals in Hand 13,31: ".. en hij verscheen gedurende vele dagen aan hen die met hem van Galilea naar Jerusalem waren getrokken en die nu zijn getuigen zijn voor het (hele) volk." Iets dergelijks heeft ook Hand 1, 22:"… vanaf het begin vanaf de doop van Johannes tot waarop hij van ons ten hemel werd opgenomen …". Volgens het Johannes-evangelie is Jezus wel drie keer in Jerusalem geweest om het Paasfeest te vieren. Die grote lijn is kennelijk een verkondigingleidraad, waarmee de boodschap wordt gepropageerd, geen historische lijn. Uitgaande van die lijn kun je de volgende indeling maken:
1 Inleiding 1,1 - 4,16: de 'proloog'-hoofdstukken over de 'wording' van Jezus Christus, het Jordaan-gebeuren en de vestiging van Jezus in Kafarnaüm.
2 1e deel 4,17 - 16,20: verkondiging in Galilea t/m de geloofsbelijdenis van Petrus.
3 2e deel 16,21 - 25,46: opgaan naar Jerusalem en lijdensaankondigingen.
4. Slot 26,1 - 28,20: lijdensverhaal, opstanding en zending.
Als je de verzen nakijkt zul je merken dat midden in een hoofdstuk een nieuw deel kan beginnen. Vergeet niet dat de indeling in verzen en hoofdstukken van later datum is. Vroeger werden de letters gewoon allemaal achter elkaar geschreven, zelfs zonder interpunctie. Men wist toen wel wat de indeling was, als dat voor de lezer al interessant zou zijn. Interpunctie is dus toegevoegd en eventueel, om goede reden, te wijzigen, waarmee ook een betekenis kan worden gewijzigd of benadrukt.
Een 'reden'-indeling 2.2
die men kan hanteren vanuit een aantal verzen met ongeveer de volgende woorden "nadat Jezus deze toespraak/opdracht/gelijkenissen/woorden beëindigd had". Het zijn onderrichtreden en Matteüs zal als Jood een ordening als van de Tora er in herkend hebben of ze zo geordend hebben:
|
redehoofdstuk(ken |
eindvers |
aanvulling |
|
1 bergrede 5 - 7 |
7, 28 |
8 - 9 wonderen grotendeels uit Mc gehaald |
|
2 zendingsrede 10 |
11,1 |
waarna vooral de tegenwerking door Farizeeën en oudsten, het negatieve onthaal |
|
3 parabels 13 |
13, 53 |
nauwelijks systematiek, losse stukken |
|
4 kerkrede 18 |
19, 1 |
stijgt boven de kleine gemeente uit: kerk |
|
5 tegen Fariz.+ Schriftgel. 24 - 25 |
geen |
"wee u, schriftgeleerden en Farizeeën" |
|
over eindtijd |
26, 1 |
|
Het zou best kunnen zijn dat dit een 'nuttigheids'indeling was t.b.v. onderricht, waar dan later bij komt het 'optuigen' met toelichtend, getuigend materiaal, het lijdensverhaal en de inleiding zijn toegevoegd.
Dit dan als benadering van de vraag 'hoe ?'

links de Willibrord '95 - rechts commentaar
hoofdstuk 1 3.1
|
1
Afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham. |
1 Stamboek van Jezus Christus. Jezus wordt meteen driemaal gekenmerkt: Gezalfde : (Christus) beloofd, volgens de Schriften. Meestal wordt naar de 'Beloofde' in Deut 18, 15.18 verwezen. Maar daar is alleen nog sprake van een profeet, iemand die zegt. Messias is meer, iemand die ook nog heil bewerkt. Zoon van David : aan David was door de profeet Natan toegezegd: "uw troon staat vast voor eeuwig" (2Sam 7,16); 'en aan zijn Rijk komt geen einde' zegt het Credo. Zoon van Abraham : het (1e)
verbond is nu ter zake én de belofte over alle geslachten. |
|
2 Abraham was de vader van Isaak, Isaak van Jakob, Jakob
van Juda en zijn broers. 3 Juda
was de vader van Peres en Zerach
en Tamar was hun moeder. Peres
was de vader van Chesron, Chesron
van Aram, 4 Aram van Amminadab, Amminadab
van Nachson, Nachson van Salmon. 5 Salmon was de vader
van Boaz en Rachab was
zijn moeder. Boaz was de vader van Obed en Ruth was zijn moeder. Obed
was de vader van Isaï, 6 Isaï van koning David. David was de vader van Salomo
en de vrouw van Uria was zijn moeder. 7 Salomo was
de vader van Rechabeam, Rechabeam
van Abia, Abia van Asaf,
8 Asaf van Josafat, Josafat
van Joram, Joram van Uzzia, 9 Uzzia
van Jotam, Jotam van
Achaz, Achaz van Hizkia, 10 Hizkia van Manasse, Manasse van Amos, Amos van
Josia. 11 Josia was de vader van Jechonja en zijn
broers, ten tijde van de ballingschap in Babylon. 12 Na de ballingschap in
Babylon: Jechonja was de vader van Sealtiël, Sealtiël van Zerubbabel, 13 Zerubbabel van Abiud, Abiud van Eljakim, Eljakim van Azor, 14 Azor van Sadok, Sadok van Achim, Achim van Eliud, 15 Eliud van Eleazar, Eleazar van Mattan, Mattan van Jakob. 16
Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria; uit haar is Jezus geboren,
die Messias genoemd wordt. |
Tamar, Rachab, Ruth, de vrouw van Uria
zijn allen bekende vrouwen uit het 1e Verbond t/m David |
|
|
17 De lijst wordt ingedeeld naar drie kennelijk karakteristieke periodes: vanaf Abraham, vanaf David, vanaf ballingschap tot Messias, met ieder 14 geslachten. De betekenis is onduidelijk. Het enige dat ik kan bedenken is een toespeling op de oude oosterse 'sjabbat'-periode van de maancyclus (getallensymboliek, 3, 4, 7): 2 x 7 'dagen' opgaande lijn en 2 x 7 'dagen' neergaande lijn. Hier zou dan de opgaande lijn zijn van Abraham naar David, de neergaande van David naar de ballingschap. Dan is er een opgaande van de ballingschap naar de Messias (dus op Davidisch niveau) en dan blijft het zo - de derde 2 x 7, de definitieve (horizontale) lijn - want aan zijn Rijk komt geen eind,dus geen cyclus op - neer. De lijst van Lucas is anders. Verkondigt hij anders ? Ik denk dat je mag laten meetellen dat Lucas
zegt:" ... (stamboom) van Jezus ..." en
Matteüs zegt :"... van Jezus Christus …".
Matteüs zet hem duidelijker in de heilslijn. Zou Lucas een biologische
stamboom willen geven? Hij voegt nl. iets toe van:"... zoals aangenomen
wordt/gewoonte is ..." (Lc 3,23). |
Herkomst en
naamgeving van Jezus
|
18 De herkomst van Jezus Christus was deze. Zijn moeder
Maria was verloofd met Jozef, en voordat ze bij elkaar gingen wonen, bleek
zij zwanger te zijn van de heilige Geest. 19 Jozef, haar man, was een
rechtvaardige. Omdat hij haar niet in opspraak wilde brengen, kwam hij op de
gedachte om in stilte van haar te scheiden. 20 Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een
engel van de Heer, die zei: 'Jozef, zoon van David, wees niet bang uw vrouw
Maria bij u te nemen, want wat bij haar tot leven is gewekt, is van de
heilige Geest. 21 Ze zal een zoon krijgen en u moet Hem de naam Jezus geven,
want Hij is degene die zijn volk zal redden uit hun zonden.' 22 Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat door
de Heer bij monde van de profeet gezegd is: 23 Zie, de maagd zal zwanger
worden en een zoon baren, en ze zullen Hem de naam
Immanuël geven, wat betekent: God
met ons. 24 Toen Jozef uit zijn slaap wakker werd, deed hij zoals de
engel van de Heer hem had opgedragen. Hij nam zijn vrouw bij zich, 25 en hij
had geen gemeenschap met haar voordat zij een zoon baarde. Hij gaf Hem de
naam Jezus. |
18 'Wording' of 'Herkomst' van J.C.; niet 'geboorte' zoals de oude Willibrord vertaalt want het verhaal gaat over Jozef, die een rechtvaardige was want hij had Maria voor het gerecht kunnen dagen (Jezus was kennelijk niet van hem) waardoor zij - bij veroordeling op basis van ontrouw - gestenigd kon worden. Dat wilde hij als rechtvaardige niet, dus besloot hij in stilte te scheiden. 20 Jozef wordt meteen Davidisch geduid. 23 De beruchte tekst. Punt een is de lijn naar het 1e Verbond; het gaat om een O.T.-tekst die (ook) in het N.T. ver-/invulling kent. Punt twee is dat het N.T. in het Grieks is geschreven en dus aanhalingen uit het O.T. in zijn Griekse versie (Septuagint) voor de hand ligt. Maar de hebreeuwse tekst (Jes 7,14) zegt:"Zie de vrouw is zwanger en zij zal een zoon baren …". Maagd noch zwangerschapsverwachting. Die Griekse tekst heeft wel bijgedragen aan de traditie van de biologisch maagdelijke geboorte. 25 Sommige handschriften hebben dit vers niet: "… zijn
vrouw bij zich en zij baarde een zoon… ". In deze vertaling heeft het
weinig zin tenzij een benadrukking. |
Van Betlehem naar Nazareth
|
1Toen Jezus geboren was in Betlehem in Judea, ten tijde van koning
Herodes, kwamen er uit het Oosten magiërs in Jeruzalem aan. 2 Ze vroegen: 'Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Want wij
hebben zijn ster zien opkomen en wij zijn gekomen om Hem te huldigen.' 3 Toen
koning Herodes hiervan hoorde, schrok hij, en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij
riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het
volk samen en wilde van hen weten waar de Messias geboren zou worden. 5 Ze zeiden hem:'In
Betlehem in Judea. Want zo staat het geschreven bij de profeet: 6 Betlehem, land van
Juda, u bent zeker niet de minste onder de leiders
van Juda, want uit u zal een
leider voortkomen, die herder zal zijn van mijn volk Israël.' 7 Toen riep Herodes de magiërs in stilte bij zich en vroeg nauwkeurig
naar de tijd waarop de ster verschenen was. 8 Hij stuurde hen naar Betlehem
met de woorden: `Ga een nauwkeurig onderzoek instellen naar het kind.
Wanneer u het gevonden hebt, laat het mij dan weten; dan kan ook ik het gaan
huldigen.' 9 Toen ze de koning aanhoord hadden, gingen ze weg. Opeens ging de
ster die ze hadden zien opkomen voor hen uit, tot ze bleef staan boven de
plaats waar het kind was. 10 Toen ze de ster zagen, werden ze met
buitengewoon grote vreugde vervuld. 11 Ze gingen het huis binnen en zagen het
kind met zijn moeder Maria. Ze vielen op hun knieën en huldigden het. Ze
haalden hun schatten tevoorschijn en gaven Hem goud, wierook en mirre als
geschenk. 12 En omdat ze in een droom gewaarschuwd waren om niet naar Herodes
terug te keren, namen ze de wijk en gingen ze langs een andere weg naar hun
land terug. 13 Toen ze de wijk genomen hadden, verscheen aan Jozef in een droom een
engel van de Heer, die zei: `Sta op, neem het kind en zijn moeder mee en
vlucht naar Egypte, en blijf daar tot ik u waarschuw. Want Herodes staat het
kind naar het leven.' 14 Hij stond op en nam nog die nacht met het kind en
zijn moeder de wijk naar Egypte, 15 en bleef daar tot de dood van Herodes,
opdat vervuld zou worden wat door de Heer bij monde van de profeet gezegd is:
"Uit Egypte heb Ik mijn Zoon
geroepen." 16 Toen Herodes zag dat hij door
de magiërs misleid was, werd hij woedend. Hij liet in Betlehem en heel de omgeving alle jongetjes van twee jaar en
jonger ombrengen, overeenkomstig de tijd die hij van
de magiërs had gehoord. 17 Toen werd vervuld wat bij monde van de profeet
Jeremia gezegd is: 18 ‘In Rama werd een stem gehoord, een hevig
gejammer en geklaag. Rachel
jammert om haar kinderen, en ze wil
niet getroost worden, want ze zijn er niet meer.’ 19 Toen Herodes gestorven was, verscheen
in een droom aan Jozef in Egypte een engel
van de Heer, die zei: 20 'Sta op, ga met het kind en zijn moeder naar het
land Israël, want zij die het kind naar het leven stonden, zijn dood.' 21 Hij
stond op, nam het kind en zijn moeder mee en ging naar het land Israël. 22
Toen hij hoorde dat Archelaüs zijn vader Herodes was opgevolgd als koning van Judea, was hij bang om
daarheen te gaan. In een droom gewaarschuwd, week hij uit naar het gebied van
Galilea, 23 en vestigde zich in de stad Nazaret, opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeten
gezegd is: Hij zal Nazoreeër genoemd worden. |
1 een voorbeeld van inlegkunde: "Toen Jezus dan in 'Bethlehem ..." vertaalt de oude Willibrord. Maar in de Griekse tekst staat 'dan' niet. Dus dit is een interpretatie om de twee eerste hoofdstukken aan elkaar te plakken; ten onrechte, litterair hebben ze niets met elkaar. Voor het verhaal van de wijzen (en de kindermoord) is geen puur historische bron. Mogelijk is het verkondiging d.m.v. een 'machts'-verhaal: de wijzen machtig door hun kennis/wijsheid, gaan de weg van de nederigheid; Herodes, de machtige door kracht/geweld, slaagt niet in zijn bedoeling; Jezus, de onmachtige koning in zijn kleinheid, wordt behoed door God. 'Dat is mijn; wat is dijn?' kan dan de verkondiging zijn. 6 Verwijzing naar Micha 5,1. Lezen Micha 5,1-7, dan zie je beter de hele inbreng, lading, door de aanhaling van dat ene vers. Micha richt zich tegen de rijkdom en sociaal onrecht. Ook Jerusalem moet het ontgelden maar er komt iets nieuws, uit het nederige, Messiaans: 'Gij zijt volstrekt niet de minste'. De wijzen moesten het nl. niet meer in het oude centrum van het Jodendom zoeken maar in het nieuwe, pure. Zij brachten zoals 'koningen uit Saba goud mee' volgens psalm 72 - een koningspsalm! - en wierook, die in de tempel werd gebrand, maar ook mirre, dat bij de dodenritus werd gebruikt, waarmee ze aangaven dat het om de dood ging en dus ook om een mens. 12 "… langs een andere weg …" dubbelzinnig na hun ontdekkingstocht. 15 'Mijn zoon uit Egypte'. Een kind van God hoort niet thuis in een land van onderdrukking waar het zijn God niet kan eren. Het hoort ook niet thuis in een consumptiemaatschappij, "wier god haar buik is". Lezen Hosea 11, 1-11. Dit lijkt een stuk vol boosheid maar ik zie vooral vs 1.4.8.11. 'Dit is mijn welbeminde'. Ook weer hier: als je meer leest dan het aangehaalde vers, zie je beter waar het om gaat, in welke sfeer je Matteüs moet lezen.
16 Er is geen enkele andere bron die dit verhaal bevestigt. Qua verkondiging ligt de link voor de hand naar wat Farao in Egypte deed, die Joodse jongetjes bij de geboorte liet doden: in een rampzalige bedreiging werd Mozes wonderbaarlijk gered (en opgevoed) tot redding van het volk Israël. Zo ook met Jezus. Herodes was geen fraaie, die zelfs zijn eigen kinderen niet ontzag. Misschien dat dat een aanleiding is geweest om een groot Joods verdriet erbij te betrekken: de moeder van het volk, de vrouw van Israël (Jacob), wil niet getroost worden. Het verdriet over de voortdurende bedreiging van het volk maar wellicht ook te denken aan het verlies van het eerlijk geloof toentertijd: waar is de gerechte koning/gerechtigheid? Daartegenover: de tekst van Jer. 31.15 vv staat in het teken van hoop, de ellende is voorbij. Geldt nu ook. 22 Archelaüs die later werd afgezet. Galilea was een meer internationale omgeving dan bv. Judea vanwege het doorgaande verkeer. 23 Volgens Lucas kwam Jozef uit Nazaret (voordat
Jezus werd geboren). De traditie klopt dus niet helemaal of Matteüs heeft wat
bijgeschaafd om te kunnen verkondigen 'opdat' of men heeft het godvruchtig
toegevoegd. |
3.3.1 Verkondiging
en doop door Johannes
|
3 Want hij is het over wie door de profeet Jesaja is
gesproken: 'Een stem roept in de woestijn: Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht.' |
2 'het koninkrijk der hemelen'. Typisch Matteüs; hij spreekt niet over Het Rijk van God. 'JHWH' gebruikt hij ook niet. Zo ontziet hij de heilige Naam. 3 Woestijn. Een veel voorkomend begrip in de bijbel. Waarheen de zondebok werd verjaagd, een dor gebied, waar die zonden best gedumpt konden worden. Het Griekse woord voor wat met zonden moet gebeuren betekent letterlijk 'wegsturen', in het Latijn heet het ook (credo in) remissionem (peccatorum). Dat past bij het beeld van die zondebok de woestijn in jagen, hetgeen op de verzoendag gebeurde. Als je daar roept, hoort
niemand je. Maar het is ook een gebied van genade:'Hij (God) heeft Jacob
gevonden in de woestijn, de eenzame streek van gehuil en verschrikking.'
(Deut 32,10) Het gebied waar de Joden eerst doorheen moesten. Waarin Jezus zich na zijn doop zich terugtrok. Waar Iemand
roept in de stilte. Kennelijk kun je daar kind van God worden. |
3.3.2 Nu eerst een uitweiding inzake die tekst van Jesaja:
'hij' in vs 7 is Johannes. De evangelist zegt dus dat Jesaja (het optreden van) Johannes heeft voorzegd. Wij zouden nu formuleren dat hetgeen (Deutero)Jesaja toen gezegd heeft voor die situatie, nu weer/zeker van toepassing is; 'als ooit die woorden geldig zijn dan nu'. Wij zitten met het idee in ons hoofd dat de profeet voorspelt. Ten onrechte; het zou toch lullig zijn voor die mensen toen als ze nog zo'n 500 jaar moesten wachten. Dan waren ze vet met die vertroosting. Het is veel meer een doorgaande lijn van hoop, net zo goed als wij nu ook nog bezig zijn t.b.v. het Rijk met het vlak maken van oneffenheden .... nou ja, we doen meestal wel ons best maar we zijn er ook nog niet.
We hebben wel twee streepjes voor op de Joden vóór Jezus omdat wij een voorbeeld hebben hoe de Wet helemaal vervuld, ingevuld, gedaan kan worden, waarbij wij zijn bemiddelende steun kunnen ervaren. Maar die mensen hoopten net zo goed als wij. We lezen dus Jes 40,1-11: Het is de roeping van Deuterojesaja, de profeet die na de ballingschap de hoop aanzegt, het begin van de hersteltijd. Jeruzalem/de tempel zal worden herbouwd. De evangelist kan bedoelen dat nu het einde van die hersteltijd er is of begonnen is; zie boven over Mt 1,17.
Veel latere teksten vallen op deze terug: soort van basistekst!
|
Jes 40, 1 'Troost,
troost mijn volk', zegt uw God. 2 Spreek tot het hart van Jeruzalem en roep het toe dat zijn diensttijd
voorbij is, dat zijn schuld is voldaan, dat het uit de hand van JHWH een dubbele
straf voor al zijn zonden ontvangen heeft.' 3 Luister, iemand roept: 'Bereid JHWH een weg in de woestijn, in het dorre land, een rechte baan voor
onze God. 4 Elk dal moet worden opgehoogd, en elke berg en heuvel moet worden
afgegraven; oneffen plekken moeten vlak gemaakt
worden en ruige gronden worden een vlakte. 5 De heerlijkheid van JHWH zal zich
openbaren, en alle mensen zullen haar zien, want de mond van JHWH heeft gesproken.' 6 Luister, iemand zegt: 'Roep!' En ik zeg: 'Wat zal ik roepen?' 'Alle mensen zijn gras en hun trouw is niets dan een veldbloem. 7 Het gras verdort, de bloem verwelkt wanneer de adem van JHWH erover waait; zeker, dit volk is gras! 8 Het gras verdort, de bloem verwelkt, maar het woord van onze God houdt in
eeuwigheid stand.' 9 Klim op een hoge berg, met uw boodschap
van vreugde, Sion, verhef met kracht uw stem, Jeruzalem, bode van
vreugde, verhef haar, en wees niet bang. Zeg tegen de steden van Juda: `Hier is uw God.' 10 Hier is de Heer JHWH. Hij komt in kracht; de
heerschappij is in zijn hand; kijk, zijn loon draagt Hij met zich mee, en zijn werk
gaat voor Hem uit. 11 Als een herder zal Hij zijn kudde weiden; in zijn arm brengt Hij de lammeren samen en Hij draagt ze aan zijn borst terwijl Hij de ooien leidt. |
2 'dubbele'. De pessimist vindt dat onrechtvaardig; de optimist ziet dat het dubbel en dwars voor elkaar is. 3 'rechte'. In de woestijn loopt de weg nogal eens kronkelig heuvel op heuvel af door de vele zandheuvels, die ook nog door de wind van plaats konden veranderen (Ps 114,4:"heuvels springen als jonge schapen"). Daarom in vs 4: recht maken. Dit recht maken houdt echter meer in dan het citaat in Mt zegt; nl. ook ophogen, afgraven, vlak maken en vrijleggen, zodat in vs 5 de Glorie te zien is: nu dus Jezus. De roepende in de woestijn is niet een profeet maar God zelf. 6 en 7: de profeet maakt bezwaar, net als in de andere roepingsverhalen. Het is geen leuke job. 6 en 8: de trouw van mensen is niet veel maar Gods trouw houdt eeuwig. 9 doet denken aan Jes 2,1-5, hoog de berg, de godsstad Sion, Jerusalem. 10 'Hier is uw God', de Heer: Jezus. 11 geeft het bekende beeld van de zorgzame herder als ter zake voor Jezus. |
|
|
Deze tekst van Jesaja
dus als een soort standpuntbepaling voor de heilsboodschap. Lucas noemt
Johannes de Doper een eindpunt in het 1e verbond of het startpunt
van het nieuwe, in ieder geval een keerpunt als bij Jesaja (Lc 16,16):
"De Wet en de profeten gaan tot (en met?) Johannes; sindsdien wordt het
Koninkrijk van God verkondigd … maar nog eerder vergaan hemel en aarde dan
dat een letter van de Wet vervalt.". Vooral dit
laatste accentueert de voorzetting het 1e Verbond maar dan wel vernieuwd,
opgewaardeerd in Jezus, Gezalfde. |
3.3.3 Verder met de tekst van Matteüs 3,4:
|
4 Deze Johannes had een kleed aan van
kameelhaar en droeg een leren gordel om zijn middel. Zijn voedsel bestond uit
sprinkhanen en wilde honing. 5 Toen liep Jeruzalem en heel Judea
en heel de streek rond de Jordaan naar hem
uit. 6 Ze lieten zich door hem dopen
in de rivier de Jordaan, en beleden hun zonden. 7 Toen hij zag dat velen uit de kringen
van Farizeeën en Sadduceeën op zijn doop afkwamen, zei hij tegen hen:
'Addergebroed, wie heeft u voorgespiegeld dat u de komende toorn
kunt ontlopen? 8 Breng liever vrucht voort waaruit bekering blijkt. 9 En denk
maar niet dat u van uzelf kunt zeggen: "Wij hebben Abraham als vader.''
Want ik zeg u dat God van deze stenen kinderen kan maken voor Abraham. 10 De
bijl ligt al aan de wortel van de bomen. Iedere boom die geen goede vrucht
voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid. 11 Ik doop u in water met het oog op
bekering. Maar Hij die na mij komt, is krachtiger
dan ik. Ik ben te min om Hem zijn sandalen te brengen. Hij zal u dopen in
heilige Geest en vuur. 12 De wan heeft Hij al in zijn hand, en
Hij zal zijn dorsvloer opruimen; zijn graan zal Hij verzamelen in zijn
schuur, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur.' |
4 Kameelhaar: het beeld van Elia wordt opgeroepen. In 11,14 zegt Jezus dat 'hij (Joh.) Elia is die komen zou'. Voedsel: betekenis niet zeker; sprinkhanen waren kosjer en wilde(bijen-)honing was in ieder geval puur. 6 Openlijk zonden belijden. Meer niet. Marcus 1.4 (en vele andere plaatsen in het evangelie) zegt 'een doop van bekering tot vergeving der zonden'. Die vergeving, Gods vergevende liefde, staat centraal in de goede boodschap; daardoor is er hoop. Maar Matteüs gaat niet verder dan belijden; redelijkerwijs houdt dat dan vergeving in. Het woord 'vergeving' is ingeburgerd maar het gaat 'wegsturen' van zonden, laamaarzitten, weg, vergeten. Het element 'geven' past beter bij schuld, die vergeven wordt, gekwijt. 7 'Adderengebroed'. Kennelijk hadden die niet de mentale instelling die Johannes bedoelde. De evangelist laat hiermee meteen zien waar het op aankomt. 'toorn'. Een oordeel, veroordeling, is ter zake. 8 'vrucht'. De brief van Jacobus hamert daar vooral op. 9 Het gelovig zijn is geen automatisch erfgoed. Als het daarom gaat, kan God van sténen nog kinderen voor A. maken. Brandhout genoeg en 10 Het is hoogtijd. 11 'in water': onderdompeling, complete vernieuwing. 'Met water' was een vertaling gebaseerd op onze huidige manier van dopen maar duidt meer op afwassing, weer schoon maken, de biecht. Dopen is nieuw, -niet opnieuw- van boven beginnen. 'Hij is krachtiger dan ik' en doopt in heilige geest en vuur, dus nog meer dan alleen maar bekering, wat ik doe. Twee 'lagen': bekering en dan heiliging. Nu kan ik niet nalaten 1Pe 2,9v aan te halen:"Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat Zijn bijzonder eigendom werd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderlijk licht; U, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd". Dat kwam door mijn enthousiasme voor deze tekst i.v.m. de doop. Er ligt ook een overgang in van de Joodse situatie naar de christelijke. Waar ? 12 'de wan', een bekend oogstwerktuig, niet mis te verstaan. Scheiding tussen vrucht en afval. Een scherpsnijdend zwaard doet dat ook. |
Jezus laat zich
dopen
|
11 Toen kwam
Jezus uit
Galilea naar Johannes bij de Jordaan om zich door hem te laten dopen. 14 Johannes probeerde
Hem tegen te houden. Hij zei:'Ik zou door U gedoopt moeten worden, en U komt
naar mij?' 15 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Laat nu maar, want zo behoren wij
de gerechtigheid volledig te vervullen.' Toen liet hij Hem begaan. 16 Toen Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen uit het water.
En zie, daar opende zich de hemel voor Hem en Hij zag de Geest van God als
een duif neerdalen en op Hem neerkomen. 17 Er kwam een stem uit de hemel, die
zei:'Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.' |
15 'laat nu maar' hetzelfde Griekse woord als bij zonden 'wegdoen'. 16 'meteen'. Mc 1, 10 is duidelijker: "Meteen
toen hij uit het water kwam …" ging de hemel open. Zo horen doop en
Geest bij elkaar: doopsel is 'van boven' geboren worden en vormsel is dat
Leven voortzetten. Voor Jezus waren die twee één
geheel; dat hoorde van zelf bij hem. |
3.3.4 Uitweiding over gerechtigheid
In vs 15: Gerechtigheid. Een centraal begrip in de godsdiensten. Het begint al bij de Egyptenaren, die Ma'at als begrip hanteerden voor hetgeen aan de (sterren)hemel te zien was: de altijddurende harmonie van vaste banen voor de sterren en andere banen voor de 'vagebonden' (planeten); dat was een onverstoord en mooi geheel (COSMOS). Den koning werd die eeuwigheid, eeuwig leven, toegebeden en hij moest -zeker bij de Joden- die hemelsituatie op aarde waar maken. In de joodse godsdienst is hij het voorbeeld van de rechtvaardige, die hemel en aarde verbindt door op aarde rechtvaardig te zijn maar ook zijn vreugde vindt in de Tora, in Gods wil. Kort gezegd: de rechtvaardige doet gerechtigheid vanuit de hemel gedacht, onderhoudt goede betrekkingen met God en de medemensen; houdt de positieve instelling vast (Jozef wilde geen steniging!).
JHWH doet ook gerecht, doet recht aan zijn Naam: Hij geeft de Wet tot heil van zijn mensen, is trouw, liefde-vol, barmhartig en genadig. Zo onderhoudt HijZ zijn relaties. De rechtvaardige laat Gods wil geschieden op aarde opdat zij hemel wordt. (Het geven van aalmoezen hoort daar ook bij.) Zo kun je zeggen dat Jezus niet zozeer doet "alwat (in de hemel) is vastgesteld" -volgens de oude Willibrord- maar dat hij door nederig te zijn, 'gerecht naar Gods wil', bewerkt dat de hemel open gaat (vs 17) en zo hemel en aarde verbindt.
Zie desgewenst voor nog meer gerechtigheid ook Bijbelse Begrippen.
Met dit hoofdstuk 3 begint het openbare leven van Jezus, voor iedereen zichtbaar vanaf de doop tot en met het kruis. Daarvoor en daarna alleen voor gelovigen, 'ingewijden', zichtbaar: Jozef en de koningen bij Matteüs, de herders en Simeon en Hanna bij Lucas, en daarna degenen die met hem mee waren opgetrokken van Galilea naar Jerusalem, aan wie hij verscheen.
Wat heeft dit hoofdstuk ons te zeggen? Mijn vraag/gedachte is: ben ik ondergedompeld in geest en vuur? Is er ook voor mij een (zachte) stem uit de hemel? Ga ik daar mee om ? 'Dat is mijn; wat is dijn ?'
Door
de duivel op de proef gesteld
|
1 Toen werd Jezus door de Geest naar de
woestijn gebracht om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2 Na veertig dagen en veertig nachten
vasten kreeg Hij tenslotte honger. 3 De beproever
kwam naar Hem toe en zei: `Als U de Zoon van God bent, zeg dan
dat deze stenen brood worden.' 4 Hij antwoordde:'Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God
komt.' 5 Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem
op de rand van de tempel, 6 en zei: 'Als U de Zoon van God bent, spring dan
naar beneden. Want er staat geschreven: Zijn engelen zal Hij bevelen U op hun handen te dragen, zodat U aan
geen steen uw voet zult
stoten.' 7 Jezus zei hem: 'Er staat ook geschreven: U zult de Heer uw God niet op de proef
stellen.' 8 Weer nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg.
Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, 9 en
zei: 'Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.' 10 Toen zei Jezus hem:'Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.' 11 Toen liet de duivel Hem met rust, en er kwamen engelen om Hem van dienst te zijn. |
1 'duivel'. Het hebreeuwse woord is 'satan', je aanklager of de advocaat van de tegenpartij in een rechtszaak, die je probeert onderuit te halen. Het Griekse woord is 'diabolos', indewargooier. Ons idee van tot-moreel-kwaad-aanzetter is niet nodig. Satan krijgt van GOD de vrije hand om Job te beproeven; als hij een slechterik was, had GOD dat niet gedaan. Jezus spreekt Petrus ook met 'Satan' aan als hij Jezus wil afhouden van het lijden, Mt 16,23. 'op de proef stellen' kan betekenen pesten maar ook testen in de zin van 'wat kun je ?', proeve van bekwaamheid afleggen, in confrontatie inzicht krijgen. 2 'veertig'. Procesgetal. 3 'Zoon van God'. Nog niet met de 2e persoon van de Drie-eenheid gaan schermen. Die titel is daarvoor niet voldoende; ze werd wel meer gebruikt. Hier bedoeld is wat wij Godskind noemen, van Boven af geboren (zie gesprek met Nicodemus, Joh 3) een gelovig standpunt. Een gedoopte is (via Jezus) niet alleen 'gewoon' kind maar ook Godskind. Zie ook commentaar bij 3,11. De beproeving van Jezus is dus voor iedere gelovige ter zake en ook zijn antwoorden. In de oude én de nieuwe Willibrord staat:"... als gij de Zoon van God zijt…". Vreemd, in het Grieks staat" ... als u Zoon van God bent", een Godskind bent. Dat kan dus voor iedereen gelden. Zo krijg je misverstanden. Toen hij honger had, kwam de verleiding! Nu is Satan verleider/beproever; in vs 5 en 8 weer de duivel. Jezus zegt in vs 10 "Satan". 4Jezus antwoordt:'geen brood en spelen'; we zijn immers uit Egypte geroepen. 5vv Let op hoe Jezus telkens antwoordt met bijbelcitaten; geen jota wordt veranderd. 6 'spring'. Jezus is geen religieus fenomeen, geen goeroe. 8 Ook geen politiek figuur, zelfs geen Messias die (alleen maar) het rijk van David herstelt. Nu hanteert Satan zelf een bijbels gegeven: Ps 2,(7) 8. Kun je het verschil noemen tussen de psalm en wat Satan doet ? 10 Waar leg je het leesaccent in de zin ? 11 'engelen'. Na de moeilijke gedachten dienen de goede. |
Vraag 1: als Jezus al deze mogelijkheden voor zijn doel afwijst, hoe moet hij het dan bereiken ?
Vraag 2: Wie was erbij om die beproevingen te verslaan ? Zou Jezus dat zelf aan de apostelen verteld hebben ? Onwaarschijnlijk. Maar het behoort wel tot de zwaartepunten van de verkondiging want alle synoptici hebben dat verhaal. Marcus vermeldt het kort maar Mt en Lc werken het uit: bron Q ligt voor de hand. Dan kan het een overweging zijn, een verkondigingverhaal, geen feitelijk verhaal, dat in de gemeenschap is gegroeid op basis van Jezus' leer. Zo - met een verhaal - wordt dan duidelijk gemaakt wat principieel is voor de volgeling van Jezus: leven naar God toe; je 'gewone' leven een extra laten geven, ook van boven leven; hemel en aarde verbinden in jou, in eenheid, natuur en wat daarbovenuit gaat. Natuur en genade gaan samen; genade doordrenkt natuur in jou.
|
|
|
|
Begin van Jezus' optreden in Gallilea
|
12 Toen Hij hoorde dat Johannes
overgeleverd was, nam Hij de wijk naar Galilea. 13 Met voorbijgaan
van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm
bij het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali, 14 opdat vervuld zou
worden wat bij monde van de profeet Jesaja gezegd is: 15 Land van Zebulon en land van Naftali, aan de weg
naar zee, aan de overkant
van de Jordaan, Galilea van
de heidenen! 16 Het volk
dat in duisternis zit heeft een
groot licht gezien, en over hen
die in het land en in de
schaduw van de dood zitten, over hen is
een licht opgegaan. 17 Vanaf toen begon Jezus te verkondigen. Hij zei: 'Bekeer u, want het koninkrijk der hemelen is ophanden.' |
14 'opdat vervuld worde'! Matteüs! 15vv Verwijzing naar Jesaja 8,23 - 9,7. Lezen ! We hebben al lezende gezien dat het een Messiaans stuk is dat een beetje verdwaald was. In de Advent/Kerstmis wordt het gelezen. Het citaat geeft aan de Mt-tekst een bijzondere lading. 17 'Van toen af aan'. Dat vers vind je ook in 16,21, waar het duidt op de lijdensweg. Zo kun je het evangelie in twee grote delen zien; zie opbouw 2.1. De term 'het koninkrijk der hemelen' is typisch N.T. Jezus gebruikt dezelfde woorden als Johannes in 3,1 |
Roeping van
enkele vissers
|
18 Toen Hij eens langs het meer van Galilea liep, zag Hij twee broers - Simon, die Petrus genoemd
wordt, en zijn broer Andreas - het net uitwerpen in het meer; want het waren vissers. 19 Hij sprak hen aan:`'Kom achter
Mij aan, en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.' 20 Meteen lieten ze hun netten
achter en volgden Hem. 21 Verderop zag Hij nog twee broers, Jakobus van Zebedeüs
en zijn broer Johannes; ze waren in de boot met hun vader Zebedeüs hun netten
aan het klaren. Hij riep hen. 22 Meteen lieten ze de boot en hun vader achter en volgden
Hem. |
18: vergelijk dit roepingsverhaal eens met Joh 1,35 vv. Heel anders. Lucas geeft de roeping van Petrus na een wonderlijke visvangst. Matteüs plaatst de roeping vóór de bergrede. Ik zie een zekere aanpak: eerst het principe van de organisatie van 'kerk' daarna de leer. 19 'vissers van mensen'. In de oudheid vertelde men dat zeelieden werden gered door een grote vis. Als dat hier meetelt, worden de apostelen redders. Het Griekse woord voor vis is 'ICHTUS'. Met die letters heeft men gemaakt:'Jesous CHristos Theou Uios Sotèr': J. C. Gods Zoon Redder. In voorstellingen van de jonge kerk vind je de vis. Kennelijk functioneerde dat idee reeds. 21 Marcus schrijft (1,20) dat ze vader Zebedeüs en de arbeiders achterlieten. Dat is een trekje waaraan je kunt zien dat Matteüs vaak de verhalen van Marcus inkort. De arbeiders waren voor de verkondiging daar niet zo belangrijk. 22 "… en volgden Hem". Een beroemde zin. |
Een grote
menigte volgt hem
|
23 Hij trok rond in heel Galilea, terwijl Hij in
hun synagogen onderricht gaf, de goede boodschap verkondigde van het
koninkrijk, en elke ziekte en elke kwaal onder het volk genas. 24 Zijn faam
drong door tot in heel Syrië, en ze brachten alle zieken bij Hem, die gekweld
werden door allerlei ziekten en pijnen, mensen die bezeten waren door
demonen, lijders aan vallende ziekte en verlamden, en Hij genas hen. 25 Een
grote menigte volgde Hem vanuit Galilea, de Dekapolis, Jeruzalem, Judea en van de overkant van de Jordaan. |
23 Ik denk dat je 'elke ziekte' en 'alle zieken' niet te letterlijk moet nemen, net zo min als de grote menigte. Dan had hij zijn handen vol gehad en was het een hele optocht geworden. 24 'Syrië', waar dit evangelie misschien is geschreven. 25 Waar ligt Dekapolis ? |
Toespraak
op de berg
Nu volgen de acht zaligsprekingen. Als je in de gaten houdt dat Matteüs een Jood was (of zo), kun je de zaligsprekingen zien als een soort grondwet, proclamatie, net als de Decaloog, de Tien (!) Woorden (Tien Geboden). Deze staan vóór de eigenlijke Wet-/Verbondsteksten, ook als een grondwet. Zo staan ook de acht(!) (vs 11 is een nadere uitwerking van vs 10) zaligsprekingen als een proclamatie, grondwet, vóór de uitgewerkte leertekst.
We zijn er in gedoken; meestal weet men er niet zo goed raad mee. Vraag één is de praktische bruikbaarheid (Pinchas Lapide:'Utopie of program?'); vraag twee is wat moeten we met 'gelukkig'/'zalig'? Over dit laatste hebben we gepraat. We komen verder als we dat eerste woord iets anders zeggen en/of een paar woorden toevoegen: wat een geluk als jij … of je hoeft niet bang te zijn als… Bij het zoeken naar betekenis erop letten dat de zaligsprekingen ook voor Jezus gelden.
'Gelukkig de armen van geest' Van Jezus kun je niet zeggen dat hij simpel was; dus die betekenis is gevoeglijk te verwaarlozen. Hoe wij aan die term zijn gekomen is niet duidelijk. Het Grieks zegt 'arm aan geest'. Dat begrijp ik beter: zodra je merkt dat je arm aan geest bent, ben je behoeftig, zoek je naar geest. Zulke mensen vormen het koninkrijk, op zoek naar spiritualiteit, geestelijk leven met God. Deed Jezus dat ook niet ? Een andere verduidelijking is 'arm aan eigen geest' in de zin van weinig inbeelding, dus nederigheid, instelling om te luisteren, om de Heer te zoeken (Ps 22,27), anders dan de trotsen, spotters, ruziezoekers. Deze woordenreeks sluit meer aan bij het O.T.-isch woordgebruik. Wat zeker niet ter zake is, is het idee van arm zijn en dus je plaats weten t.o.v. je heer of een gezagdrager of de hiërarchie. Met dat idee zijn we nogal opgegroeid. Het maatschappelijke aspect staat bij Matteüs niet voorop, hoewel hij "het land", de gemeenschap van/in vrede, noemt; ik zie meer een spiritualiteit. Lucas is meer sociaal gericht. Zie Lc 6,20vv.
|
1 Bij het zien van deze menigte ging Hij de berg op, en toen Hij was gaan zitten, kwamen zijn leerlingen bij Hem. 2 Hij nam het woord en onderrichtte hen met deze toespraak:
3 `Gelukkig die arm van geest zijn, want hun behoort het koninkrijk der
hemelen. 4 Gelukkig die verdriet hebben,
want zij zullen getroost worden. 5 Gelukkig die zachtmoedig zijn, want zij zullen het land
erven. 6 Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden. 7 Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen
barmhartigheid ondervinden. 8 Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God
zien. 9 Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van
God genoemd worden. 10 Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid,
want hun behoort het koninkrijk der hemelen. 11 Gelukkig zijn jullie, als ze jullie uitschelden en
vervolgen en je van allerlei kwaad betichten vanwege Mij. 12 Wees blij en juich, want in de hemel wacht jullie een
rijke beloning. Zo hebben ze immers de profeten vóór jullie vervolgd. 13 Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout
krachteloos wordt, waar moet je het dan mee zouten? Het deugt alleen nog maar
om weggegooid en door de mensen vertrapt te worden. 14 Jullie zijn het licht
van de wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg
ligt. 15 Je steekt een lamp niet aan om haar onder de korenmaat te zetten,
maar je zet haar op de kandelaar, en dan schijnt ze voor
allen in huis. 16 Laat zo jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze
jullie goede werken zien en jullie Vader in de hemel verheerlijken. |
1 'zien van deze menigte'. Ik begrijp: toen Jezus zag dat zijn optreden aansloeg, begon hij zich duidelijker te profileren. Niet meteen van de toren blazen. 'ging hij de berg op'. Als Mozes: contact met God krijgen, je daarop instellen. 'was gaan zitten': op zijn leerstoel. 3 'arm van geest': zie boven. 4 'Gelukkig die verdriet hebben'. De verdrietigen denken daar anders over; totdat je kunt lezen 'het is naar als je verdriet hebt maar het is niet zó erg want in het koninkrijk is er troost voor jou' of 'wees maar niet bang voor verdriet, beleef het maar, je bent niet alleen, want je wordt daarin opgevangen; er is een klankbord voor, het gaat niet verloren in de ruimte'. Troost gaat in het Rijk even diep als je verdriet; het is meer dan 'kop op'. Zie ook Ps 126. 5 'Gelukkig de zachtmoedigen': "zij zullen het land erven en in overvloed van de vrede genieten" (Ps 37; lezen!). 6 'Gelukkig die hongeren en dorsten naar ...' let op de beeldspraak van eten en drinken, twee primaire levensbehoeften. Lucas hanteert geen beeldspraak. 7 'Gelukkig die barmhartig zijn'. Het hebreeuwse woord heeft inderdaad met baarmoeder te maken. Zo is God. Ons 'wie goed doet, goed ontmoet' klinkt goed maar is een humaan/humanistisch argument om goed te doen. Het Koninkrijk is nog meer want God is zo. 8 'Gelukkig die zuiver van hart zijn'. Ik plak hier het figuurtje van de bijlage over geloof bij inleiding 1 aan vast. Als je je opstelt zo als je graag goed wil zijn, wilt zijn zoals je bedoeld bent, mag je naar God kijken. 9 'Gelukkig die vrede brengen' vind ik heel bemoedigend en concreet. Het Grieks zegt letterlijk 'vrededoeners'. Daar zit ook wat in. '…vrede …' duidt op een bepaald soort vrede, nl. het joodse sjaloom, heelheid, harmonie naar God en elkaar. Wij zeggen 'de vrede van de Heer'. Het gaat om meer dan 'geen ruzie'. 10 'Gelukkig die vervolgd …'. Weer zo'n soort idee als boven: dan weet je zeker dat je goed zit. 11 lijkt mij een uitwerking van de laatste zaligspreking richting leerlingen/apostelen. Kennelijk was er toen al bemoediging nodig i.v.m. vervolging door de Joden, eventueel ook door Romeinen of zo. Nieuw is 'om mij'. Jezus stelt zich persoonlijk garant; hij is middelaar. Ook is het de (echte) profeten zo vergaan. Twee redenen om je zeker te weten. 13vv Een paar wijsheidsverzen richting de leerlingen; zout voor de (héle) aarde en licht voor de (héle) wereld. '.. stad op de berg ..' doet denken aan Jerusalem. Waar leg je in vs 15 de leesaccenten ? In vs 16 staat niet dat de goede-werk-doener verheerlijkt worde. |
|
Drie vragen: welke vind je zelf de mooiste(n); vind je dit inderdaad een soort grond'wet', grond-houding, grond…. ?; hoe vind je dit vergeleken met de decaloog ? |
|
Zalig … welke ik het mooiste vind kunt u wel raden. |
Ook al heeft Jezus een eigen proclamatie, de Wet, het (eerste) Verbond, blijft bestaan:
|
17
Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten op te
heffen. Ik ben niet gekomen om ze op te heffen, maar om ze te vervullen. 18 Want Ik verzeker jullie; eer hemel en aarde vergaan, zal
er niet één punt of komma van de wet afgaan voor het allemaal gebeurd zal
zijn. 19 Wie één van die geringste geboden ontkracht en dat de mensen leert, zal de geringste genoemd worden in het koninkrijk der hemelen. Maar wie ze onderhoudt en leert, zal groot genoemd worden in het koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet méér betekent dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën, zul je het koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan. |
17 'vervullen':'helemaal ten uitvoering brengen', dus niet alsof de Joden -van het O.T.- er niet in slaagden om godvrezend te leven, niet alsof Jezus dat pas deed. 18 Hemel en aarde, de wereldorde, worden tot getuige geroepen om de onomstotelijkheid van de bewering te staven! Dit ook vaker in het O.T., bijv. Jer 31,37. 19 'doet én leert' beide elementen, doen en voordoen, uitvoeren en onderrichten zijn wezenlijk. Jezus leermeester en leefmeester. 20 gerechtigheid heeft met de hemel te maken; Farizeeën en schriftgeleerden waren alleen maar spitsvondig in de tekst van de Wet. |
Maar Ik zeg jullie ...
Nu geeft Jezus waarom hij in gaat tegen de uitleg die Farizeeën en Schriftgeleerden over de wet geven. Jullie hebben gehoord … maar ik zeg jullie. Tot de ouden is gezegd … maar ik zeg jullie. Gerechtigheid (20) kun je hier misschien het beste opvatten als eerlijkheid, positieve instelling, godsdienstig willen zijn.
Hier alvast de 'klap op de rechterwang ...' Met welke hand slaat de tegenstander op je rechterwang ? Met de rug van zijn rechterhand (aangenomen dat hij rechts is). Dus is die klap een belediging. De tweede klap (op de andere wang) kan pijn doen. De tegenstander loopt het risico dat hij je wondt en dan is hij - juridisch - verder van huis. Wellicht bezint hij zich en kalmeert. Dan heb je hem, ondanks de zielenpijn van de eerste klap. Overigens staat er niet dat je eventueel nóg eens een wang moet aanbieden! Jezus vraagt niet alleen om terughoudendheid: vecht zo'n zaak niet uit, maar probeer de ander uit zijn ban van het kwade te trekken door goed te zijn. 'Laat u niet overwinnen door het kwaad, maar overwin het kwaad door het goede' (Rom 12,21).
In Joh(!)18,23 biedt Jezus zijn linkerwang niet aan aan de dienaar die hem een klap (in het gezicht!) gaf. Mij lijkt dat ook een manier hoe je je wang aan kunt bieden ! Jezus liep het risico dat die dienaar hem nog een zou verkopen uit woede, nu om zijn antwoord aan hem. Tevens probeert hij met dat antwoord de dienaar het onredelijke te doen inzien opdat de man zou kalmeren.
Let ook op het 'niveau' van deze aandoeningen. Het gaat niet om lichamelijk letsel, verwondingen. Ook als iemand seksueel is misbruikt, gaat het om een veel zwaarder kader, waar zo'n 'ban-brekend' aanbod vrijwel onmogelijk is, wellicht zinloos. Het is dan nog maar de vraag of je vrij met het goede bezig kunt zijn, het onrecht wordt eerder alleen maar groter. Bovendien zal de emotionele lading ondraaglijk zijn. En denk er aan: vergeving is pas ter zake als de boosdoener erom vraagt.
|
21 Jullie hebben gehoord dat tot de ouden gezegd is: U zult niet doden. Wie doodt, zal
uitgeleverd worden aan het gerecht. 22 Maar Ik zeg jullie: ieder die zijn broeder een kwaad
hart toedraagt, zal uitgeleverd worden aan het gerecht. Wie 'leeghoofd'' zegt
tegen zijn broeder, zal uitgeleverd worden aan het Sanhedrin. En wie 'domkop'
zegt, zal uitgeleverd worden aan het hellevuur. 23 Dus als je je offergave naar
het altaar brengt, en je herinnert je daar dat je broeder iets tegen je heeft, 24 laat dan je offergave daar voor het altaar
achter, en ga je eerst verzoenen met je broeder, en kom dan terug om je
offergave te brengen. 25 Wees je tegenpartij welgezind zolang het nog kan en
zolang je met hem onderweg bent, opdat je tegenpartij jou niet uitlevert aan
de rechter, en de rechter aan de gerechtsdienaar,
die je in de gevangenis zet. 26 Ik verzeker je, je zult daar niet uitkomen
voor je de laatste cent hebt betaald. 27 Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: U zult geen echtbreuk plegen. 28
Maar Ik zeg jullie: ieder die begerig naar een vrouw kijkt, heeft in zijn
hart al echtbreuk met haar gepleegd. 29 Maar als je
rechteroog je doet struikelen, ruk het dan uit en gooi het
weg. Want het is beter voor je dat een van je ledematen verloren gaat, dan
dat heel je lichaam in de hel wordt gegooid. 30 En als je rechterhand je doet
struikelen, hak haar dan af en gooi haar weg. Want het is beter voor je dat
een van je ledematen verloren gaat, dan dat heel je lichaam naar de hel gaat. 31 Ook is er gezegd: Wie zijn vrouw
verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven. 32 Maar Ik zeg
jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, behalve in geval van ontucht, brengt haar
tot echtbreuk, en wie trouwt met een vrouw die is verstoten, pleegt
echtbreuk. 33
Verder hebben jullie gehoord dat tot de ouden gezegd is: U zult
uw eed niet breken, maar u houden aan uw eed voor de Heer. 34 Maar Ik zeg
jullie helemaal niet te zweren. Niet bij de hemel, omdat die de troon van God
is. 35 Niet bij de aarde, omdat die zijn voetbank is. Niet bij Jeruzalem, omdat dat de stad is van de grote koning. 36 Zweer ook
niet bij je eigen hoofd, omdat je niet één haar wit of zwart kunt maken. 37
Maar je ja zij ja en je nee zij nee. Wat daar nog bij komt, is uit den boze. 38 Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. 39 Maar Ik zeg jullie
een zaak niet uit te vechten met iemand die je kwaad heeft gedaan. Maar als
iemand jou een klap op je rechterwang geeft, houd hem dan ook de andere voor.
40 Als iemand een geding tegen je aanspant om je hemd te
krijgen, geef hem dan ook je jas. 41 Als iemand je dwingt hem een mijl te begeleiden, ga er
dan twee met hem mee. 42 Geef aan wie jou iets vraagt, en wend je niet af als
iemand van je wil lenen. 43
Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: U zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. 44 Maar Ik zeg
jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen, 45 dan zullen jullie
kinderen worden van je Vader in de hemel, want die laat zijn zon opgaan over
slechten en goeden, en Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Want als je liefhebt
wie jou liefheeft, welk loon verdien je dan? Doen de tollenaars dat ook niet?
47 Als je alleen je broeders groet, wat voor bijzonders doe je dan? Doen de
heidenen dat ook niet? 48 Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals
jullie hemelse Vader onverdeeld goed is.
|
21 'doden' betekent wederrechtelijk doden, moord. De Joden kenden de doodstraf als gevolg van een gerechtelijke veroordeling. 22 'Maar ik zeg jullie' (antithese) is een discussie-wending die door rabbi's (iets anders dan de huidige rabbijnen) werd gebruikt; men kwam dan met een andere mening die niet tegen de Wet in hoefde te gaan. Jezus gaat verder dan de daad op zich. Hij vraagt om een mentale instelling: een goed hart. Zo maakt hij de Wet 'voller', vervult hij. Ik zie een climax in gerecht - Sanhedrin - hellevuur; zo iets als kantongerecht, arrondissementsrechtbank, de hel. 23 'dus' ! een praktische invulling van 'zuiver van hart'. Je broer moet terecht iets tegen je hebben. Je hoeft niet geblokkeerd te worden als jij er niets aan kunt doen. Als wij ons dankoffer brengen en we realiseren ons ineens dat onze broeder terecht iets belangrijks tegen ons heeft, kunnen we vragen om kracht en wijsheid om dat -op een goed moment- op te lossen en verzoening aan te bieden. Je hoeft van mij niet de kerk uit te lopen. 25v lijken als een tang op een varken te slaan. Het zal wel een ingelaste wijsheidstekst zijn. Ze staat binnen het kader van terecht schuldig zijn in de vss 21-24. 'Welgezind' staat tegenover 'kwaad hart' etc., waarbinnen je niet meer met elkaar praat, hetgeen ook nog onwijs is. 27 inhoudelijk ligt het accent op 'plegen', het staat nl. tegenover 'in zijn hart', daad tegenover mentaliteit. Het gaat om een gehuwde vrouw, die aan haar kleding als zodanig herkenbaar was. Let op 'begerig': eigenlijk wíllen hebben, een gedachte (blijven) koesteren. 29v m.i. eveneens wijsheidsspreuken. Ze hebben hier wel de functie dat ze aangeven hoe zwaar e.e.a. weegt. Seksualiteit kan heel sterk zijn. 31 Vergelijk met 19,3-9. Daar past het in een gebeurtenis (nl. Farizeeën die hem uit willen lokken) maar hier staat het onder zijn leerstof gerangschikt. Als je goede mentale instelling hebt van het Rijk, scheid je niet en breng je háár niet tot echtbreuk. Ze moest kennelijk weer trouwen om niet om te komen. Als een relatie kapot gaat en niet meer hersteld kan worden, heeft het geen zin dat partners bij elkaar blijven. Als een huwelijk kerkelijk niet ongeldig blijkt, is scheiding van tafel en bed kerkelijk mogelijk maar een tweede sacramenteel huwelijk niet. Alles bij elkaar een onderwerp waar veel verdriet aan vast kan zitten. 33 Als je mentaliteit klopt, hebt je er geen behoefte aan om te zweren. Wie ben je overigens om hemel en aarde tot getuige te roepen ? 38 'Oog om oog, tand om tand' is een rechtsregel die moet verhinderen dat een benadeelde misbruik maakt van een situatie door meer terug te nemen of te eisen: niet meer dan waar je recht op hebt. Het betekent niet dat Joden recht hebben op wraak. In de bijbel wordt dat aan God toegekend 'Mij komt de wraak toe' (Deut 32,35) en 'Gij zult niet wraakzuchtig zijn ... maar uw naaste lief hebben als uzelf' (Ley 19,18). Dus niets nieuws. Voor de klap zie boven. 40 Het hemd was dan een onderpand voor de opgelegde of geaccepteerde genoegdoening. 41 Een Romein kon van een Jood herendienst eisen, zijn pukkel te dragen, maar niet meer dan een mijl (Simon van Cyrene !). Gedurende die tweede mijl moeten ze toch in gesprek kunnen raken. Ook hier staat er niet bij wat te doen als dat niet lukt. Psychisch nogal van betekenis: ook de bijbel vraagt niet te (blijven) doen tegen je mogelijkheid in, tegen redelijkheid in. 44 Je vijand lief hebben kan niet, dan is hij je vijand niet (meer). Een beter woordgebruik is 'goed zijn voor je vijand'. In het Rijk stap je 'vanzelf' over de barrière heen wanneer het echt nodig is; zie de barmhartige Samaritaan: 'geschokt door medelijden'. Wij zouden op zijn minst de ambulance bellen. Zalig/- gelukkig/wonderlijk ben je als je dan ook nog op bezoek kunt gaan. 48 'volmaakt/onverdeeld goed'. Zoek het goede woord maar. Ik houd het op 'harmonieus'. 'Weest ... zoals … is'. De Vader is volmaakt, een constatering. Voor ons geldt een opdracht: weest. We zijn het dus niet en nooit helemaal maar we kunnen het proberen om kinderen van onze Vader in de hemel te zijn. |
hoofdstuk 6 3.6
Als je 6,1-19 overziet is 'het verborgene' het thema. Vasten zo dat niemand het ziet en bidden in je binnenkamer. Je kunt ook zeggen 'je hart' -dacht ik. Daar hoef je zelfs geen woorden te gebruiken. Als je je goede daad doet in het verborgene, blijft zij zo zuiver mogelijk en jij op God gericht
Het Onze Vader is hier als gebedsinstructie ingelast in het kader van vasten en bidden. Bij Lucas staat het naar aanleiding van een vraag van de leerlingen: 'Heer, leer ons bidden zoals Johannes de Doper dat deed', de asceet; ook daar dus een vasten en bidden.
"Het nodige brood" staat i.p.v. 'ons dagelijks brood'; de Griekse tekst luidt letterlijk "Ons brood het toekomende geef ons het dagelijkse". Het 'toekomende' is een lastig woord met twee mogelijke betekenissen: wat we nodig hebben en wat we nog zullen krijgen.
De Vader ziet in
het verborgene
1 Pas op dat jullie je gerechtigheid niet doen voor het oog
van de mensen, om door hen gezien te worden. Anders wacht je geen loon bij
jullie Vader in de hemel. 2 Dus wanneer je barmhartig bent, loop er dan niet
mee te koop, zoals de schijnheiligen dat doen in de synagogen en op straat, om
door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. 3
Maar als jij barmhartig bent, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechter
doet, 4 opdat je barmhartigheid in het verborgene gebeurt; en je Vader, die in het
verborgene ziet, zal het je lonen.
5 En wanneer je bidt, wees dan niet als de schijnheiligen;
zij staan graag in de synagogen en op de hoeken van de straten te bidden, om op
te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. 6 Maar als
je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in
het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.
7 Gebruik bij het bidden geen omhaal van woorden zoals de
heidenen, want die menen dat ze vanwege hun talrijke woorden verhoord zullen
worden. 8 Neem daar geen voorbeeld aan, want jullie Vader weet wat je nodig hebt,
voordat je het Hem vraagt.
9 Jullie moeten
zo bidden:
Onze Vader in de hemel,
uw naam worde geheiligd,
10 uw koninkrijk kome,
uw wil geschiede,
op aarde zoals in de hemel.
11 Geef ons vandaag het nodige brood,
12 en vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij hebben vergeven wie schulden
heeft bij ons.
13 En breng ons niet in beproeving,
maar red ons van het kwaad.
14 Want als jullie de mensen hun overtredingen vergeven, zal
je hemelse Vader ook jullie vergeven. 15 Maar als jullie de mensen niet vergeven,
zal je Vader jullie overtredingen ook niet vergeven.
16 Wanneer je vast, zet dan geen somber gezicht zoals de
schijnheiligen, want zij vertrekken hun gezicht om met hun vasten op te vallen
bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. 17 Maar als jij vast,
zalf dan je hoofd en was je gezicht, 18 opdat het bij de mensen niet opvalt dat
je vast, maar wel bij je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in
het verborgene ziet, zal het je lonen.
Maak je geen zorgen
6,19-34 vraagt om je hart, waarschuwt tegen te grote zorg, die je overheerst. Eeuwig leven is al begonnen, daar deel je nu al in door gebed en goede werken. "Ik draag U al mijn goede werken op; ik wil ze verrichten tot Uw eer en tot zaligheid van zijn ziel". Weten we nog ? Als je het Koninkrijk hebt gevonden, is de rest niet meer doorslaggevend. Dat inzicht, dat oog, verlicht heel je leven.
In vs 23 staat een typisch zinnetje: "" Als nu binnen in je het licht duisternis is, …. Dat doet denken aan gnostiek, het 'Ken u zelve'. Het gaat om je eigenheid, je centrum, je diepste, jouw zelf. Zie het figuurtje dat al bij de zaligsprekingen is genoemd. Als het daar zelfs donker is, …. Maar, als het daar licht is, … . Licht dient als hét teken van verlossing.
In vs 24 vertaalt de Willibrord 'de geldduivel', terwijl er staat de 'onrechtvaardige Mammon'. Maar 'onrechtvaardig' deugt ook niet; zie Bijbelse begrippen, gerechtigheid. Wij zeggen dus: het a-hemelse, het aardse goed. Als je te veel op het aardse, vergankelijke uit bent, kun je niet (voldoende) godsdienstig zijn. Het gaat niet om immoraliteit, zondedaad.
19 Verzamel geen schatten op aarde, waar mot of houtworm ze
aantast, en waar dieven inbreken om ze te stelen. 20 Maar verzamel schatten in
de hemel, waar mot noch houtworm ze aantasten, en waar geen dieven inbreken om
ze te stelen. 21 Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
22 De lamp van het lichaam is het oog. Dus als je oog helder
is, zal heel je lichaam verlicht zijn. 23 Maar als je oog slecht is, zal heel
je lichaam duister zijn. Als nu binnenin je het licht duisternis is, hoe erg
zal dan de duisternis zijn!
24 Niemand kan twee heren dienen. Want hij zal de een
verfoeien en van de ander houden, of zich hechten aan
de eerste en de ander verachten. Je kunt God en de aardse mammon niet tegelijk
dienen. 25 Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten of
drinken om in leven te blijven, en ook niet over de kleding voor je lichaam. Is
het leven niet meer dan het eten, en het lichaam niet meer dan de kleding? 26 Kijk naar de vogels van de hemel: ze zaaien niet en maaien niet
en oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze. Zijn jullie niet meer waard
dan vogels? 27 Wie van jullie kan met al zijn zorgen een el toevoegen aan zijn
leven? 28 En wat maak je je bezorgd over je kleren?
Leer van de lelies op het veld hoe ze groeien. Ze werken niet, ze spinnen niet.
29 Maar Ik zeg jullie: zelfs Salomo met al zijn pracht en praal ging niet
gekleed als een van hen. 30 Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag
staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo kleedt, hoeveel te meer kleedt Hij
dan jullie, kleingelovigen? 31 Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we
eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? 32 Want naar dat alles
zijn de heidenen op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat je dat allemaal
nodig hebt. 33 Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan
krijg je dat alles erbij. 34 Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen,
want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag
heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
heeft het karakter van wijsheidsliteratuur maar er zit
duidelijk een godsdienstige component in; zie bijv. vs 11 (als jullie dan,
armzaligen, nog goed kunnen zijn, hoe veel te meer … ) en vs 21vv. Zo zie je
dat ook wijsheid niet vreemd is aan zijn leer. Daarmee kreeg hij kennelijk ook
gezag. Ook met wijsheid kun je naar God toe leven.
In de pericoop 'oordeel niet' is de vertaling wellicht heel goed: je ópwerpen als rechter is misschien niet zo wijs. Maar als je rechter bent, wees dan wel wijs, vergooi het 'heilige' recht niet. Overigens is de Joodse rechtspraak geen zaak van een eenling.
Het boven genoemde 'zelf' speelt voortdurend mee, zeker in 'zoekt en gij zult vinden'.
In de pericoop 'horen en doen' wordt duidelijk aangegeven dat geloof zich uit, anders is het alleen maar een gedachte, geen ervaren. De mens heeft een geest en een lichaam.
De leerstof eindigt in de stijl waarmee ze begon: Jezus daalt van de berg af.
Oordeel niet!
1 Werp je niet
op als rechter, opdat je niet onder het oordeel valt. 2 Want onder het oordeel
dat jullie vellen, zul je vallen, en met de maat waarmee jullie meten, zul je
gemeten worden. 3 Wat kijk je naar de splinter in het oog van een ander,
terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 4 Of hoe kun je tegen een
ander zeggen: Laat me de splinter uit je oog halen, en kijk, de balk zit in je
eigen oog? 5 Schijnheilige, haal eerst de balk uit je eigen oog, en pas dan zie
je scherp genoeg om de splinter uit het oog van de ander te halen. 6 Geef het heilige niet aan de honden, en gooi jullie parels niet
voor de varkens, opdat zij die niet met hun poten vertrappen, zich tegen je
keren en je verscheuren.
Zoek, en je zult
vinden
7 Vraag, en
jullie zal gegeven worden. Zoek, en je zult vinden. Klop, en er zal voor je
worden opengedaan. 8 Want ieder die vraagt, krijgt, en wie
zoekt, vindt, en voor wie klopt, zal worden opengedaan. 9 Of is er soms
iemand onder jullie die zijn zoon een steen geeft als hij om brood vraagt? 10 Of een slang als hij om vis vraagt? 11 Als
jullie dan, slecht als je bent, goede gaven weten te geven aan je kinderen,
hoeveel te meer dan zal jullie Vader in de hemel het goede geven aan wie het
Hem vragen. 12 Welnu, behandel de mensen in alles zoals je wilt dat ze jullie
behandelen. Want dat is de Wet en de Profeten.
Twee wegen
13 Ga binnen
door de nauwe poort. Want wijd is de poort en breed is de weg die naar de
ondergang leidt; er zijn vele mensen die daarlangs gaan. 14 Hoe nauw is de
poort en hoe smal de weg die naar het leven leidt; er zijn maar weinig mensen
die hem vinden.
Valse profeten
15 Pas op voor de valse profeten, die naar jullie toe komen
in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. 16 Aan hun vruchten
zul je ze kennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken en geen vijgen
van distels? 17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de zieke
boom brengt slechte vruchten voort. 18 Een goede boom kan geen slechte vruchten
voortbrengen en een zieke boom geen goede. 19 Iedere boom die geen goede vrucht
voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid. 20 Aan hun vruchten zul je ze
dus kennen.
21 Niet ieder die Heer! Heer! tegen
Mij zegt, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar alleen hij die de wil
doet van mijn Vader in de hemel. 22 Velen zullen Mij op die dag zeggen:
"Heer! Heer! Hebben we niet in uw naam geprofeteerd,
hebben we niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben we niet in uw naam
veel machtige daden gedaan?'' 23 Maar dan zal Ik hun openlijk zeggen:
"Nooit heb Ik u gekend. Verdwijn
uit mijn ogen, overtreders van Gods wet!''
Horen en doen
24 Ieder die Mij hoort en doet wat Ik zeg, zal het vergaan
als een verstandig man die zijn huis bouwde op de rots. 25 De regen viel neer,
de bergstromen kwamen omlaag, de wind stak op en ze stortten zich op dat huis,
en het stortte niet in, want het was op de rots gegrondvest. 26 Ieder die deze
woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal het vergaan als een domme man die
zijn huis bouwde op zand. 27 De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag,
de wind stak op en ze sloegen tegen dat huis, en het stortte in: het werd één grote
ruïne.'
Reactie op
Jezus' toespraak
28 Toen Jezus deze woorden beëindigd had, was
de menigte geestdriftig over zijn onderricht. 29 Want Hij onderrichtte hen als
iemand met gezag en niet zoals hun schriftgeleerden.
8,1 Hij daalde van de berg af en een grote menigte
volgde Hem.
Het zou natuurlijk wel leuk zijn om na te gaan welke wijsheidselementen uit de Joodse wijsheidsliteratuur
in Mt staan en welke niet. Dan kun je bevroeden wat toen belangrijk werd gevonden.
Maar dat laten we maar aan de wijsgierigen.

© 2000 -2003 P.Goris Epe