terug naar overzicht

terug naar Matteüs 1 - 7

terug naar Matteüs 7

e-mailadres

verder naar Mt 8

11 Wonderen

 

een uitstapje

 

1 Terug naar Bijbelkoers Inleiding 3

2 Waar praten we over ?

3 Het wonder als een a-natuurlijk gegeven (de eerste vraag)

4 Het wonder als teken  (tweede vraag)

5 Geloofservaring en ervaringsgeloof

6 Te nuanceren

 

1 Terug naar Bijbelkoers Inleiding 3;

daar hebben we - heel lang geleden - gesproken over de taal van de bijbel en dus ook de wonderen ter sprake gebracht en - op zijn minst - geïnsinueerd dat ze als expressie kunnen worden opgevat en ook eerlijk zijn. Nu wordt het tijd om even aan de zijlijn te gaan staan en wat meer daarover na te denken voordat we verder gaan met Mt, waar nu wonderen ter sprake komen. Er wordt al een aanslag gepleegd op ons traditioneel kijken naar de bijbel en nu de wonderen nog!

Als je stelt dat het bericht dat Jezus over het water liep diende om de indruk aan te geven die hij maakte op mensen, kun je daarmee vrede hebben. De kans is groot dat het een oosterse manier van zeggen was zoals we lazen in het verhaal van de man die op het water liep (Ornstein R. Het menselijk bewustzijn). Ik houd het voor reëel dat de genezing van de blinde bedelaar bedoelt te vertellen dat ook 'sufferds' 'het' in de gaten krijgen als ze maar vragen. Zo kun je in een verhaal duidelijk maken dat Jezus door geestelijk overwicht/gezag iemand uit een gedachten-kooi kon halen. Als we als kind wat meer vertrouwd waren gemaakt met het (oosterse) idee dat je in de vorm van een verhaal ook kunt verkondigen en dat de westerse tractaat-manier niet alleen zaligmakend is, was het voor ons veel eenvoudiger om zo'n 'wonder' te verstaan.

Maar als je het verhaal tegenkomt dat Jezus binnenkwam terwijl de deuren en ramen dicht waren, dat hij door iedereen in die zaal werd gezien, dat ze het eerst niet wilden geloven, dat ze hem zagen eten, dat Thomas hem mocht voelen enz. ... ga je dan niet aan iets meer denken dat 'alleen maar' aan een expressie ? Dus toch een wonder?

 

2 Waar praten we over ?

1 Op de eerste plaats over iets dat samenhangt met de mens,

iets dat tot de/zijn geschiedenis behoort. Wonderen gebeuren niet in de natuur op zich, in een hoekje in de tuin maar wel op achter-drie-hoog. En zo kun je niet ontkennen dat de mens mogelijk zelf het moeilijke/kardinale punt inzake wonderen is.

Wonderen in de geest van omgaan met geheimzinnige krachten, toverij of magie is hier niet ter zake: Jezus doet 'heel gewoon', zonder poes-pas of tam-tam; 'het' zit kennelijk ín hem. Hij doet het nooit 'voor de lol', hij springt niet van de rand van de tempel; er zit een gerichte betekenis achter.

We laten nu even liggen een wonder in de zin van een ontroering om iets heel moois (bijv. een geboorte), van dankbaarheid als zich een penibele situatie oplost of van een vervulling die als een geschenk komt. Ook al dank

je OLH op je blote knieën als je tot je verbazing 'eruit' bent, uit een gevaarlijke situatie bent ontsnapt; ook al vind jij dat een bepaalde gebeurtenis niet zomaar kan, geen toeval kan zijn, en je graag Toeval schrijft, als je wakker wordt achter het stuur omdat de automotor in de soep draait. Dan is er nl. geen probleem: het is jouw ervaring en het zal je 'eigen'lijk een zorg zijn wat anderen daarvan denken.

Wonderbaarlijke genezingen of gebedsverhoringen blijven eveneens buiten beschouwing; dat zou te ver voeren omdat dan heel veel onderzocht moet worden, want dan moet er iets worden 'bewezen '. En ik moet dat zelf onderzoeken want afgaan op het gezag van een ander helpt niet.

Het gaat echt om de wonderen in het evangelie, om een gemeenschappelijk goed. Het kan best zijn dat je in een wonder(verhaal) van/over Jezus jouw wonder herkent, maar dan is er geen probleem; je ziet eigen ervaring bevestigd. Daar kun je desgewenst van getuigen maar een ander is vrij om daarin met jou mee te gaan.

2 De vraag begint pas als je zonder 'deelname',

zonder eigen betrokkenheid over een wonder leest als over een 'objectief' gegeven en kijkt naar de bewijsbaarheid van het a-natuurlijke voorval, dat dan (want daar gaat het dan om!) inmenging van Boven moet aantonen, moet bewijzen dat God bestaat. Daarnaast -als je deel hebt aan de bijbel(sfeer)- staat de vraag wat zo'n wonder beduidt, waar het op duidt, wat je eraan hebt. De eerste vraag is die van het verstand dat zich - min of meer - de baas voelt; de tweede is die van het teken. De eerste vraagsituatie eist meestal de meeste aandacht op, de kritische wetenschap is aan het woord (en dat hoeft helemaal niet verkeerd te zijn). De tweede vraagsituatie is die van de gelovige houding, die gehoor wil geven, ruimte kent voor Aanwezigheid. Jezus kan geen wonder doen als de ander niet gelooft, in ieder geval niet mee wil gaan. Let er op dat dit niet mee willen gaan niet hetzelfde is als niet mee kunnen gaan in onmacht, uit angst voor teleurstelling e.d.

Wees dus voorzichtig met een zwart-witbeantwoording van de vraag of het wonder waar is. Het is geen ja of nee. Dan zit je in de gelijkhebberij. Als het nee is, is dan daarmee de kous af? Als het 'nee' is, hoef je het ook niet te geloven. Hallo! Het gaat wel over het geloofsboek, het evangelie. En als het 'ja' is, wat zegt het dan?

 

3 Het wonder als een a-natuurlijk gegeven  (de eerste vraag)

Er is sprake van een wonder als een gebeurtenis a-natuurlijk is voor zover ons de natuur bekend is. Een steen die omhoog valt ('valt'! Dus er zit geen onzichtbaar draadje aan vast dat omhoog getrokken wordt). Een primitieve die voor het eerste een vliegtuig ziet, ziet geen wonder, ook al denkt hij dat. Wonderduiding als gevolg van te-kort aan kennis en ervaring telt niet mee.

De wetenschappelijke houding stelt dat een wonder niet mogelijk is want het heft de natuurwet op. Een te makkelijke verdediging is dan dat God de Schepper is die de natuurwet zelf heeft ingesteld en dus ook weer kan op heffen ('wat je niet begrijpt, moet je geloven'). Ammenooitniet. Dan geldt die natuurwet niet, is zij geen wet. Wat is dan waarheid (waartoe de natuurwet behoort)? Zo'n god, liefst de almachtige, die soeverein in zijn grote wijsheid de waarheid veran­dert, is on-waar, niet betrouwbaar. De ene keer grijpt hij wel in, de andere keer niet. Dat riekt naar machtswellust. Let wel: we zijn nu bezig in het logische, wetenschappelijke vlak waarbinnen ook de verdediging (van de kerk t.o.v de wetenschap) moet antwoorden.

Het enige antwoord dat je aan de kritische wetenschappelijke benadering kunt geven is dat de wetenschap niet alles weet. Wij ervaren (wetenschap is gesystematiseerde ervaring!) binnen een gewoontegebied maar er zijn ook grenssituaties waarin die gewoonten niet meer opgaan; denk maar aan de relativiteitstheorie. Wie zegt dat er zich geen grenssituaties kunnen voordoen als het om wonderen gaat? Die mogelijkheid moet je gewoon open laten. Kan een mens niet 'boven zichzelf' uitstijgen en iets zien of doen wat hij anders niet zag of kon ? Wie weet zijn we met onze wetenschappelijke benadering van de natuur nog niet aan het einde, kan de natuur misschien nog 'voltooid' worden (dus zonder dat zij opgeheven wordt). Iemand die een emmer zand van 10 kilo moet zeulen en het niet kan, kan het plotseling wel als hij een kus krijgt van de liefste vrouw van de hele wereld. Die emmer weegt even veel. Is zo iets binnen het religieuze niet mogelijk?

Van de ander kant moet men/de kerk het wetenschappelijke, objectieve element niet verkeerd gebruiken. Ik denk dat de grootste adder, die wetenschap voor een bepaalde bedoeling hanteert, is dat 'wonder' als logisch waarheidsbewijs werd/wordt gelanceerd. En de beminde gelovige zo gedwongen werd e.e.a. voor waar aan te nemen en dus te geloven. "Jezus bewees door zijn wonderen dat hij God was" staat me nog  bij uit de catechismus. Heel onbijbels, want de nodige Sadduceeën, schriftgeleerden en Farizeeën werden niet overtuigd, ook al waren ze niet dom. We zijn/waren trotser op de wonderen van Jezus dan op zijn lijden.

Zo gauw je merkt dat die sfeer van afdwingende logische bewijsvoering gehanteerd wordt, realiseer je dan dat je in een ander kader dan het wetenschappelijke terecht bent gekomen. Dan gaat het om machtsspel. Geloof en wetenschap zijn verschillende kaders, niet gelijkelijk te hanteren. De kans is levensgroot dat constatieven en expressieven door elkaar worden gegooid, gelardeerd met opdracht (zie Inleiding 3.2). Dit geldt net zo goed voor een wonder uit het evangelie als om een onverklaarde genezing. Het wonderlijke kan alleen maar aanreiken, niet afdwingen. Uiteraard hebben we aan sensatielust niets.

Het gaat om een ervaringswereld, een werkelijkheidsbenadering die meer heeft dan het meetbare. Als de wetenschap beseft niet alles van de natuur te weten, is er ruimte voor meer dan het meetbare. Maar dat wil niet zeggen dat wetenschap geen kritische houding mag aannemen. Het is een menselijk vermogen; ook dat kan inspirerend werken, maar ze kan geen monopoly opeisen, alleenrecht op alles-kennis. Ons leven behelst meer dan het meetbare; ons geloof ook.

 

4 Het wonder als teken  de tweede vraag

De geestelijk houding van de tijd waarin de bijbel werd geschreven is anders dan die vanaf de renaissance, verlichting. Je zou in zekere zin kunnen zeggen dat het toen de tijd van de primitieve was die door de feiten, gebeurtenissen heen kan kijken naar de andere werkelijkheid zonder de realiteit uit het oog te verliezen. Fortmann noemde dat de 'seconde naïveté': door de kritiek van je (puber)verlichting heen toch in het teken/symbool dat Andere zien. De gelovige (Jood) leefde in een wereld van Aanwezigheid van de Onbenoembare; hij zag wellicht God bezig in de natuur (misschien ook wel in mensen) en was zich ervan bewust dat zijn Schepper zich met hem bezig hield, met Zijn Heerlijkheid. God houdt Zich met de schepping bezig, is er Aanwezig zoals Re het dag en nacht laat worden door zijn ogen te openen en te sluiten. Een mechanistische wereld waarin de natuur(lijke gebeurtenissen) afloopt zoals een opgedraaid uurwerk, kende hij niet. Het wonder is dan een buiten gewone ervaring die van Aanwezigheid sprak en dat is een persoonlijke ervaring, ook al is zij collectief, ook al herkennen anderen dat ook. Het teken spreekt een 'Jij' uit naar de mens. Het reikt gemeenschap met de Heilige aan, de Bezorgde, de Levende, laat Gemeenschap van de heiligen groeien. Aan de mens om te horen en te ontvangen.

Dit is duidelijk een andere houding dan de (uitsluitend) wetenschappelijke. In die houding vertelt, verkondigt de bijbel, ook in wonderen. En ook dan is het toch goed om kritisch te zijn, om de grenzen te weten, om je verstand te gebruiken, niet om af te kraken maar om meer te verstaan.

 

5 Geloofservaring en ervaringsgeloof

In een kritische houding zijn we geneigd te zeggen dat alleen datgene waarde heeft wat we - liefst - zintuiglijk als werkelijkheid ervaren. Onze eigen ervaring wordt dan maatstaf, grenslijn, voor ons zicht op de werkelijkheid, op onze mogelijkheden: wat we niet (kunnen) ervaren is niet echt en valt af. We geloven alleen wat we ervaren (ervaringsgeloof) of ... denken te ervaren ...

In een/jouw geloofshouding reikt geloof(sleer) je aan wat je misschien vermoedde maar niet wist, niet helder had (openbaringsgeloof). Dan is eigen ervaring niet het startpunt of wordt haar waarde, haar waar-zijn, getoetst aan geloofsleer (net zo goed gesystematiseerde ervaring!), geloofsleven, aan wat andere gelovenden (hebben) ervaren. Je kunt je 'eigen'heid in een groter kader plaatsen. De vraag 'mag ik dat wel denken?', 'verbeeld ik me niks?' is terecht en vraagt om een antwoord. Als ik iets ineens snap, mag ik dan zeggen dat dat wonder van die blinde bedelaar er weer is? Medegelovenden kunnen dan b.v. zeggen dat als ik bij mijn zoeken, in mijn leven, Jezus v.N. betrek, zij vinden dat ik dat mag zeggen. Zo wordt de waarde, de waarheid ervan bijbels gefundeerd.

Wat in openbaring aangereikt wordt moet wel aan kunnen sluiten op jouw/onze levenservaring, zodat je er mee bezig kunt zijn, het gaat verwerven. Bij geloof komt iets van willen. Zo kun je - in vertrouwen op je geloofsleer - 'dingen' zien die je niet eerder meegemaakt had. Toen de Samaritanen met Jezus hadden gepraat (n.a.v. wat die vrouw bij de put had meegemaakt) zeiden ze:"Nu weten we zélf dat Gij de Messias zit". Als ze nooit van de Messias hadden gehoord, hadden ze Jezus niet zo (kunnen) ervaren.

Het zal best wel mogelijk zijn om goed-gelovigen te indoctrineren, geloofsgegevens als verplicht te doen aanvaarden. Ik dacht dat we het daar niet over hoefden te hebben. Dan is er sprake van 'voor waar houden' maar geen sprake van geloof, dat alleen maar in vrijheid kan ontstaan.

 

6 Te nuanceren

Mijns inziens zijn de wonderen in het evangelie verschillend te benaderen; ik denk aan drie nuances, maar ik weet niet of ze voldoende dekken. Dat je verschillende nuances mag hanteren stoel ik op de (veronder)stelling dat het gaat om menselijke ervaringen, die van intensiteit verschillen:

- het wonderverhaal. 'De mare gaat'. Bijv. de opwekking van de jongeling in Naïm. Een paar regeltjes bij Lucas. Jezus zag, kreeg medelijden en deed. Het hoeft van mij niet historisch gebeurd te zijn maar geeft iets opvallends van/over Jezus aan. "Dit verhaal over hem verbreidde zich in heel het Joodse land en de wijde omtrek." Het bedaren van de storm op het meer en het lopen over het water zie ik ook als wonderverhalen maar er zit nog meer verkondiging in vanwege het verhaal dat van alles uitdrukt, ook het spannende.

- het buiten-gewone: zoals de verheerlijking op Thabor, zijn verschijning na zijn dood. Alleen maar een verhaal erin zien dat iets duidelijk moet maken, vind ik te kaal; daarvoor zijn ze te belangrijk in het heilsgebeuren. Ze ondersteunen, onderbouwen - als verhaal - een bepaald geloofsgegeven. Mij dunkt dat de apostelen de gedaanteverandering van Jezus hebben ervaren. De opwekking van het dochtertje van Jaïrus is m.i. te geladen om het als puur verhaal te zien. De kans is te groot dat Jezus aan de drie apostelen en die ouders toen al een verrijzeniservaring meegaf, een wezenlijk element in zijn leer.

- het 'doorgewerkte gebeuren' zoals de broodvermenigvuldiging. De mensen hebben iets bijzonders meegemaakt en drukken dat uit, bouwen dat uit in een verhaal beladen met betekenis. De grafverhalen gaan ook in die richting.

 

De bedoeling van mijn bescheiden bijdrage is dat we wat gevoeliger worden voor de wonderen van Jezus. Dank aan Romano Guardini 'Wonder en teken' (Paul Brand '59).

Bovenstaande nuancering te toetsen aan de wonderen die we tegenkomen.

Terug naar het begin

 

 

 

 

 


terug naar overzicht

terug naar Matteüs 1 - 7

terug naar Matteüs 7

emailadres

12  We vervolgen Matteüs

 

maar we gaan vooral  vanaf hoofdstuk 10 minder aandacht aan exegese geven en meer ruimte aan grote stukken opdat het continu lezen een beetje aandacht krijgt. Dat is nl. heel goed om het evangelie in haar geheel enigszins te pakken te krijgen. We hebben vanaf 10 voldoende feeling voor het goed verstaan van de 'sfeer' ervan. De hoofdstukken 8 t/m 16 zijn in hun geheel opgenomen.

 

hoofdstukken 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16

overzicht hoofdstukken 16,21 - 25, dus een soort vogelvlucht

opvallende verzen in hoofdstukken 17 - 124

verrijzenisverhalen

 

hoofdstuk 8

 

Reiniging van een melaatse

2 Daar kwam opeens een melaatse naar Hem toe. Hij knielde voor Hem neer en zei: 'Heer, als U wilt, kunt U me rein maken.'

 

 

3 Hij stak zijn hand uit en raakte hem aan. 'Ik wil het, word rein', zei Hij. Meteen werd de melaatse rein.

 

 

 

4 Jezus zei: 'Zorg dat u er met niemand over praat, maar ga u laten zien aan de priester en breng de offergave die Mozes heeft voorgeschreven, om hun het bewijs te leveren.'

2 'opeens': kennelijk een verrassing, misschien riep de man niet "onrein" of zo; hierdoor kun je een 'Sitz im Leben' vermoeden. De man knielde !

Natuurlijk wil Jezus; de vraag van de man was genoeg. Mc (1,40) zegt dat Jezus ontroerd was.

3 Zie je die hand komen? Jezus raakt een onreine aan! Volkomen a-joods.

'werd … rein'. Je kunt dit verhaal als historisch feit nemen maar dan beperk je het tot dat gebeuren, dat wonder aan die man geschied. Maar waarom zouden ze het doorverteld hebben? Om te laten zien wat een wonderdoener, wonderlijke man Jezus was, toen en daar, of zouden ze een voorval 'uitgebouwd' hebben om hun ervaring - hij was kennelijk een fascinerend figuur - te verwoorden hoe Jezus 'rein' maakt. Als je in 15, 10-20 leest wat Jezus daar met reinheid bedoelt, ga je nadenken. Zie eventueel 'reinheid'. Ik vind de verkondiging belangrijker dat je door intens contact met hem (en je eigen goede wil) op God gericht bent, zijn Abba kunt bereiken. Dat gaat de eeuwen door.

4 Jezus plaatst zijn actie binnen de Wet en wil niet dat bekend wordt dat hij de veroorzaker is en dat men hem in een (kwaad?) daglicht zet. Dat komt later pas.

 

 

Genezingen in Kafarnaüm

5 Toen Hij in Kafarnaüm was gekomen, kwam een centurio naar Hem toe die Hem te hulp riep. 6 Hij zei:'Heer, mijn kind ligt verlamd thuis, met vreselijk veel pijn.' 7 Hij zei hem: 'Ik zal het komen genezen.'

 

 

 

 

 

8 De centurio antwoordde daarop: 'Heer, ik ben niet waard dat U onder mijn dak komt, maar spreek een woord en mijn kind zal beter worden. 9  Want ik ben iemand die onder bevel staat en soldaten onder zich heeft. Tegen de een zeg ik: "Ga!'' en hij gaat, en tegen de ander: "Kom!'' en hij komt, en tegen mijn slaaf:"Doe dit!'' en hij doet het.' 10 Toen Jezus dit hoorde, was Hij verbaasd, en Hij zei te­gen degenen die Hem volgden: 'Ik verzeker u, bij niemand in Israël heb Ik zo'n groot vertrouwen aangetroffen. 11 Ik zeg u dat velen uit oost en west zullen komen en aan tafel zullen gaan met Abraham, Isaak en Jakob in het koninkrijk der hemelen. 12 Maar de kinderen van het koninkrijk zullen in de uiterste duisternis geworpen worden. Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.' 13 Jezus zei tegen de centurio: 'Ga maar naar huis; het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.' En op datzelfde uur werd zijn kind beter.

 

 

14 Jezus ging naar het huis van Petrus en zag diens schoonmoeder met koorts op bed liggen. 15 Hij nam haar bij de hand en de koorts verliet haar. Ze stond op en bediende Hem. 16 Toen het avond was geworden, brachten ze velen bij Hem die van demonen te lijden hadden; met zijn woord dreef Hij de geesten uit. En Hij genas alle zieken, 17 opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet Jesaja gesproken is:'Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze kwalen gedragen'.

 

6 'kind' Sommige vertalingen hebben 'knecht'. In het grieks staat 'pais' en dat betekent 'kind', 'jongen', 'boy' 'manusje-van-alles', 'knechie'. Het heeft wat vertrouwelijks maar ook iets daadwerkelijks. De pais luistert naar de vader, doet wat hij zegt. Het O.T.-ische dienaar, dienstknecht (van de Heer) is ook 'pais'. In N.T.-ische liturgische teksten wordt Jezus ook pais (van de Vader) genoemd. Pais is in ieder geval niet 'slaaf'.

8 'waard'. Het Griekse woord is 'geschikt', ik ben geen Jood, niet van uw club.

"Spreek slechts één woord …" baden we vroeger. In het grieks staat "… maar spreek slechts met 'n woord …" Het gaat niet om een toverwoord maar om een handeling.

 

 

 

10 'vertrouwen'. De oude Willibrord zegt 'geloof'. Maak er maar ruzie over. Omdat 'geloof' door de woorden geloof, hoop en liefde onderscheiden klinkt van 'hoop', heb ik een voorkeur voor 'vertrouwen', waar ook 'hoop' in zit. De directe eenvoud van de Romein spreekt Jezus wel aan.

12 'de kinderen van het koninkrijk'. Hier wil dat zeggen: degenen die door hun afkomst, opvoeding, al deel (moesten) hebben aan het Rijk, ervoor bestemd zijn. Denk maar aan de Joden die bij Johannes de Doper zich op hun zoon van Abraham zijn wilden beroepen; dat telt niet.

 

14 De schoonmoeder komt nergens meer ter sprake. Tja.

15 Zij bediende hen op Sjabbat! zie Mc 1,29vv Kennelijk was er iets doorbroken door een 'Sjabbat-actie' van Jezus.

16 'Toen het avond geworden was', durfden de mensen pas te komen vanwege de Sjabbat. Omdat Mt dat niet vermeld, kun je vermoeden dat hij dat niet zo belangrijk vindt. Het gaat hem er om Jezus als de vervuller van een Jesaja-tekst te kwalificeren, een karakteristieke tekst, nl. Jes 53, 4 ! Maar klopt de sfeer van die héle tekst hier wel ?

 

Het volgen van Jezus

18 Toen Jezus een menigte om zich heen zag, gaf Hij opdracht om naar de overkant te gaan. 19 Een schrift­geleerde kwam naar Hem toe en zei: 'Meester, ik zal U volgen, waar U ook gaat.' 20 Jezus zei tegen hem: 'De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen.' 21 Iemand anders, een van zijn leerlingen, zei tegen hem: `Heer, sta me toe om eerst mijn vader te gaan begraven.' 22 Maar Jezus zei hem: 'Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.'

 

 

23 Toen Hij aan boord ging, volgden zijn leerlingen Hem. 24 Opeens werd de zee zo onstuimig dat de golven over de boot heen sloegen. Hij sliep. 25 Ze maakten Hem wakker en riepen: 'Heer, red ons, wij vergaan!' 26 Hij zei:'Waarom zijn jullie bang, kleingelovigen?' Toen stond Hij op en bestrafte wind en zee, en het werd volkomen stil. 27 De mensen stonden verbaasd en zeiden: 'Wat is dat toch voor iemand, dat zelfs de wind en de zee naar Hem luisteren?'

 

 

 

20 'Schriftgeleerde, reken nergens op, zelfs niet eens op je schriftgeleerdheid!' Een hint voor bijbel-exploitanten en heilsridders die daaraan rijk worden.

'Mensenzoon'. Je kunt denken aan 'ik als gewoon mens', ook aan zelfs de 'mensenzoon, de rechter op het eind der tijden', zoals hij later werd genoemd in de verkondiging.

22 Begraven was een joodse plicht; Jezus zal dat niet ver­boden hebben of gebagatelliseerd. Ik zoek een betekenis van 'als je mij volgt, vergeet dan zelfs je vader'.

23 Eerst wordt gesproken over de leerlingen (in de boot) en dan in vs 27 over de mensen, kennelijk niet in de boot. Dus door de leerlingen verteld om psalm 65, 8 en 9 van toepassing te maken?

Ik zoek een betekenis van 'mij volgen is niet gemakkelijk maar ik ben bij jullie, zelfs al denken jullie van niet'.

 

 

Genezing van twee bezetenen

28 Toen Hij aan de overkant kwam, in het land van de Gadarenen, kwamen Hem vanaf de rotsgraven twee bezetenen tegemoet. Ze waren zeer gevaarlijk, zodat niemand over die weg durfde te gaan. 29 Ze brulden: 'Wat wilt U van ons, Zoon van God? Bent U ons hier voortijdig komen kwellen?' 30 Een eind verderop weidde een grote troep varkens. 31 De demonen smeekten Hem: 'Als U ons uitdrijft, stuur ons dan naar die troep varkens.' 32 Hij zei tegen hen: 'Ga maar.' Ze kwamen eruit en gingen de varkens in. Heel de troep stoof de helling af het meer in, en ze kwamen om in het water. 33 De varkenshoeders gingen ervandoor. Ze gingen naar de stad en vertelden alles, ook wat er met de bezetenen was gebeurd. 34 Nu ging heel de stad Jezus tegemoet, en toen ze Hem zagen, vroegen ze Hem om uit hun gebied te vertrekken.

28vv Lc (8) en vooral Mc (5 - lezen! Ik vind het ontroerend) vertellen het verhaal in geuren en kleuren. Mt beperkt het tot de clou. De westerling vraagt zich af wat die varkens eraan konden doen. De oosterling snapt dat de clou is dat die man die door zoveel demonen werd gekweld dat zelfs een hele troep (onreine) beesten op hol sloeg, toch door Jezus werd gered. "Wat is dat toch voor iemand dat zelfs de wind en de zee naar hem luisteren " en die een heel leger onreine … ?

 

 

33 De varkenshoeders waren beslist geen Jood! Maar werden wel bevangen met ontzag en doen onbedoeld mee aan de verkondiging.

terug naar begin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

hoofdstuk 9

 

Weer in Kafarnaüm

1 Hij stak per boot over en kwam in zijn stad. 2 Daar brachten ze een verlamde bij Hem, die op een bed lag. Bij het zien van hun vertrouwen zei Jezus tegen de verlamde: 'Wees maar gerust, vriend, uw zonden worden u vergeven.' 3 Nu zeiden een paar schriftgeleerden onder elkaar: 'Die man lastert God.' 4 Jezus wist wat voor gedachten ze koes­terden. Hij zei: 'Waarom koestert u die boze gedachten? 5 Want wat is eenvoudiger? Zeggen: uw zonden worden vergeven, of zeggen: sta op en loop? 5 Maar opdat u weet dat de Mensenzoon bevoegd is om op aarde zonden te vergeven' - toen zei Hij tegen de verlamde: 'Sta op, pak uw bed op en ga naar huis.'  7 En hij stond op en ging naar huis. 8 Toen de menigte dit zag, kregen ze ontzag, en ze verheerlijkten God, die deze bevoegdheid aan mensen geeft.

9 Toen Jezus vandaar verder ging, zag Hij iemand bij het tolkantoor zitten, die Matteüs heette, en Hij zei tegen hem: 'Volg Mij.' Hij stond op en volgde Hem. 10 Nu kwamen er bij een maaltijd in zijn huis vele tollenaars en zondaars aan tafel, samen met Jezus en zijn leerlingen. 11 Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen zijn leerlingen: 'Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?' 12 Hij hoorde dat en zei: 'Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel.  13 Ga heen, u moet maar eens leren wat dit zeggen wil: Barmhartigheid wil Ik en geen offer. Want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.'

14 Toen kwamen de leerlingen van Johannes naar Hem toe met de vraag:'Waarom vasten wij en de Farizeeën zo vaak, maar doen uw leerlingen dat niet?' 15 Jezus zei hun: 'Kunnen bruiloftsgasten soms rouwen zolang de bruidegom bij hen is? Maar er zullen dagen komen dat de bruidegom van hen is weggenomen, en dan zullen ze vasten. 16 Niemand zet een lap van ongekrompen stof op een oude jas. Want het opgezette stuk trekt aan de jas, en de scheur wordt nog erger. 17 Ook doe je geen jonge wijn in oude zakken. Anders barsten de zakken; de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren. Nee, jonge wijn doe je in nieuwe zakken, en dan blijven beide bewaard.'

1 'zijn': daar woonde hij.

2 Er wordt niets gezegd over het vertrouwen van de verlamde maar van zijn dragers ! Dan valt de aandacht op die ene man. Vervolgens spreekt Jezus over zichzelf. Dan is weer die ene man in beeld en tenslotte prijst men God omdat Hij die bevoegdheid (om zonden te vergeven) aan mensen geeft (niet aan de Mensenzoon!). Zou dat een bepaalde betekenis hebben of is het een litteraire constructie, concentrische opbouw: algemeen, man, Jezus centraal, man, algemeen ?

In ieder geval is vertrouwen/geloof een voorwaarde voor het wondere.

3 Nogal logisch dat die schriftgeleerden dat vonden. Wat Jezus hen aanrekent is dat zij die gedachten kóesterden: ha! We hebben hem; kijk eens hoe fout die is.

 

Matteüs is in 10, 3 de tollenaar die aangesteld wordt tot apostel; in Lc en Mc heet hij Levi.

 

 

 

 

 

13 'Ga heen'. Ik lees: 'schei nou toch uit!'  Barmhartigheid is een centraal heilsbegrip. Een offer zonder hart, een puur cultisch offer, hou je maar.

'rechtvaardigen': op het rechte pad zetten.

14vv Jezus neemt echt afstand van de gewoonten van Johannes de Doper, die extra dagen vastte; je zou zeggen het nieuwe is begonnen en extra vasten hoeft niet meer om genade te verkrijgen, je krijgt haar via mij. Als je mijn leerling bent, ken je vreugde. Maar ook verdriet.

 

16v zullen wel wijsheidsliteratuur zijn, die het nieuwe aangeven.

 

 

18 Terwijl Hij dat tegen hen zei, kwam er een aanzienlijk man die voor Hem neerknielde en zei: 'Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom haar toch de hand opleggen, dan zal ze leven.' 19 Jezus stond op en volgde hem, samen met zijn leerlingen.

20 Toen kwam er een vrouw naar Hem toe die al twaalf jaar aan vloeiingen leed. Ze raakte van achteren de zoom van zijn kleed aan. 21 Want ze zei bij zichzelf: 'Al zou ik zijn kleed maar aanraken, dan ben ik gered.' 22 Jezus draaide zich om, en toen Hij haar zag, zei Hij: 'Wees maar gerust, mijn dochter. Uw vertrouwen is uw redding.' Van die tijd af was de vrouw gered. 23  Jezus kwam bij het huis van de aanzienlijke man, en toen Hij de fluitspelers en de drukte van de mensen zag, 24 zei Hij: 'Eruit jullie, want het meisje is niet gestorven, maar slaapt.' Ze lachten Hem uit. 25  Toen Hij de mensen naar buiten had gestuurd, ging Hij naar binnen, pakte het meisje bij de hand, en ze stond op.

 

 

 

 

 

 

 

 

26 De faam hiervan verspreidde zich in heel die streek.

 

18 Het dubbelverhaal dat Marcus (5,21vv lezen!) breeduit vertelt - volgens Papias schreef hij op wat Petrus preekte en die was er zelf bij - kort Matteüs weer in tot het meest noodzakelijke; 'de schoolmeester' ga je denken.

 

20 'van achteren' omdat zij onrein was door haar vloeiin­gen en dan zou niemand merken wat zij deed. Maar ze had wel een enorm vertrouwen!

22 "Uw vertrouwen is uw redding", de standaardzin bij genezingen. "Wees maar gerust mijn dochter" - je zult het maar horen! MC zegt dat Jezus voelde dat er een kracht van hem uitging toen de vrouw zijn kleed aanraakte!

Wat die twee verhalen bindt, is m.i. het getal 12 maar dan meer in de betekenis van 'we zijn er' en 'niet we zijn er bijna'. Die vrouw had haar weg afgelegd.

Het dochtertje van Jaïrus ook - vind ik. Als het meisje nl. inderdaad sliep heeft Jezus geen wonder gedaan. Als het meisje dood was en weer ten leven gewekt, had zij op haar kamertje moeten blijven het moest geheim blijven volgens Mc. Mij dunkt dat het meisje dood was en bleef, en dat Jezus aan de drie apostelen en de ouders een verrijzeniservaring meegaf -ze moest zelfs eten net als hij later deed- en dat Jezus zo definitief heil liet zien voor het meisje en ook definitieve troost voor de ouders en intieme verkondiging voor die leerlingen.

26 Volgens Mc mochten ze die verrijzeniservaring pas later vertellen - na de zijne. Mt kent die terughoudendheid  niet zo sterk. Denkt hij anders of heeft men het erbij geschreven? Hoe dat zit vraagt om een vergelijkende studie tussen de synoptici.

 

 

Twee blinden zien

27 Toen Jezus vandaar verderging, volgden Hem twee blinden, die schreeuwden: Zoon van David, heb medelijden met ons.' 28 Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus zei tegen hen:'Hebt u er vertrouwen in dat Ik dit kan doen?' Ze zeiden: 'Ja, Heer.' 29 Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: 'Het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.' 30 En hun ogen gingen open. En bars zei Jezus tegen hen: 'Zorg dat niemand het te weten komt.'  31 Maar eenmaal buiten, maakten ze zijn faam bekend in heel die streek.

Een stomme begint te praten

32 Terwijl zij weggingen, kijk, daar bracht men iemand bij Hem die niet kon spreken, omdat hij in de macht van een demon was. 33 Toen de demon uitgedreven was, begon de stomme te praten. De menigte zei vol verbazing: 'Zoiets is in Israël nog nooit vertoond.' 34 Maar de Farizeeën zeiden:'Het is de opperdemon waardoor Hij de demonen uitdrijft.'

Commentaar:

9,27vv en 9,32vv Twee wonderverhalen die het inzien en het zich uiten onderstrepen. De clou van het eerste is m.i. dat Jezus met 'Zoon van David' wordt aangesproken. Het is een Messiaanse titel voor Jezus waar Mt dol op is - hij gebruikt haar zes keer, terwijl Mc op de rem trapt: hoe kon die Messias lijden? Een vraag die bij Mt niet zo speelde. De clou van het tweede dat dat iets nieuws was in Israël. Niettemin hebben de verhalen wel het karakter van een persoonlijke beïnvloeding door Jezus, van aangezicht tot aangezicht, anders dan met een dode of een derde die niet mee doet (i.c. het kind van de honderdman).

In 9, 30 staat 'bars'. Mij lijkt 'ruw' een beter woord; Jezus gebruikte in ieder geval geen parlementaire taal! Dat komt vaker voor als iets van zijn Messias zijn blijkt. Hij wil dat persé niet en gebruikt dan duidelijke woorden. En toch houden die twee hun mond niet - bij Mt.

terug naar begin

 

 

 

 

Aanstelling van de twaalf

 

 

 

 

35 Jezus trok alle steden en dorpen rond, terwijl Hij in hun synagogen onderricht gaf, de goede boodschap van het koninkrijk verkondigde, en elke ziekte en elke kwaal genas. 36 Bij het zien van de mensenmenigte werd Hij diep bewogen door hen, omdat ze geplaagd en gebroken waren als schapen zonder herder. 37 Toen zei Hij tegen zijn leerlingen: 'De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. 38 Vraag dus de eigenaar van de oogst om arbeiders in te zetten voor zijn oogst.'

10, 1 Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en elke ziekte en elke kwaal te genezen. 2 De namen van de twaalf apostelen zijn deze:

 

 

allereerst Simon, die Petrus genoemd wordt, en dan Andreas, zijn broer, Jakobus van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, 3 verder Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus van Alfeüs en Taddeüs, 4 Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die Hem overgeleverd heeft.

9,35 sluit het voorgaande over Jezus als leer-meester (hoofdstukken 5, 6 en 7) en doe-meester (8 en 9) af. Zo hebben we een duidelijke karakterisering van Jezus te pakken.

 

 

 

 

 

hoofdstuk 10  De zendingsrede; zie opbouw 2.2

Jezus zendt de twaalf (getallensymboliek) omdat hij het alleen niet afkan, de oogst is te groot. Eerst is het 'zijn twaalf leerlingen…' en in vs 2 zijn het 'apostelen'. Kennelijk is dit later ingevoegd toen dat woord een meerwaarde had gekregen t.o.v. 'leerling'.

Inderdaad, Simon Petrus voorop (zie ook Joh 21,15vv).

 

 

'Jacobus van Alfeüs': dus niet de broer van de Andreas.

Kananeüs: niet Simon Bar Jona oftewel Petrus/Kefas.

 


Zending van de twaalf

5 Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: 'Sla de weg naar de heidenen niet in, en ga een stad van de Samaritanen niet binnen. 6 Maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël. 7 Verkondig op je tocht: "Het koninkrijk der hemelen is ophanden!'' 8 Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit. Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven. 9 Neem geen goud-, zilver- of kopergeld mee in je beurs, 10 neem geen reistas mee voor onderweg, geen twee stel kleren, geen sandalen en geen stok. Want de arbeider is zijn levensonderhoud waard. 11 Als je een stad of dorp binnenkomt, onderzoek dan wie het waard is jullie daar te ontvangen. Blijf daar tot je verder reist. 12 Als je een huis binnengaat, wens het dan vrede. 13 Als het huis die waard is, moge jullie vrede dan daarop neerdalen, en als het die niet waard is, moge jullie vrede dan naar jullie terugkeren. 14 Als ze je niet ontvangen en niet luisteren naar je woorden, ga dan weg uit dat huis of die stad en stamp het stof van je voeten. 15 Ik verzeker jullie, voor het land van Sodom en Gomorra zal het draaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.

Commentaar:

In vs 5 laat Jezus zijn leerlingen voorzichtig beginnen, stage lopen bij de verloren schapen van Israël die (hopelijk) makkelijker inhaken op de Joodse boodschap, haar eerder herkennen dan ' heidenen' terwijl Samaritanen eerder zullen afweren omdat ze de pest hebben aan Israëlieten.

In vs 8 wordt over opwekken van doden gesproken maar in vs 1 niet en Lc en Mc noemen dat ook niet. Heeft het daar bij Mt een speciale betekenis?

 

16 Bedenk wel: Ik stuur jullie als schapen tussen de wolven. Wees dus slim als slangen en eenvoudig als duiven. 17 Pas op voor de mensen, want ze zullen je uitleveren aan rechtbanken, en in hun synagogen zullen ze je geselen. 18 Men zal jullie voor landvoogden en koningen brengen omwille van Mij, als een getuigenis voor hen en de heidenen. 19 Wanneer ze jullie uitleveren, maak je dan geen zorgen over hoe je zult spreken en wat je zult zeggen. Want op dat uur zal jullie ingegeven worden wat je moet zeggen. 20 Want jullie zijn het niet die spreken, maar het is de Geest van je Vader die in jullie spreekt.

Commentaar:

Het hoofdstuk waarschuwt de twaalf voor tegenslag en tegenwerking; net als de verovering van Kanaän zal het geen makkie zijn. Kennelijk zag men in de tijd waarin de tekst werd opgeschreven in dat Jezus' woorden en leer op dit punt ter zake was, anders had men zich zijn woorden niet herinnerd en/of die ervaring niet opgedaan. "… omwille van mij"  (vs 18) en " … het is de Geest van jullie vader die in je spreekt" ! (vs 20).

 

21 De ene broer zal de andere aan de dood uitleveren, en een vader zijn kind, en kinderen zullen tegen hun ouders in verzet komen en hen ter dood brengen. 22 Jullie zullen door iedereen gehaat worden vanwege mijn naam. Wie volhardt tot het einde, die zal gered worden.  23 Wanneer ze jullie vervolgen in deze stad, vlucht dan naar de volgende. Want Ik verzeker je, jullie zullen de steden van Israël nog niet rond zijn voordat de Mensenzoon komt.

Commentaar:

Vs 23: 'nog' staat er niet in het Grieks: op je vluchttocht langs de steden ben je de komst van de  Mensen­zoon niet voor; wees niet bang, zo gauw komt hij. Zo leefde men toen in de verwachting van de komst.  Die verwachting vind je heel vaak in het N.T. Het is de vraag of het wederkomst betekent. Die komst van de Mensenzoon is wel de basis voor het onder weg zijn, het uitzien naar Jerusalem, het Rijk dat komen moet, bezig is te komen: de eschatologie.

 

24 Een leerling staat niet boven zijn meester en een slaaf niet boven zijn heer. 25 Voor de leerling is het voldoende dat hij wordt als zijn meester, en voor de slaaf dat hij wordt als zijn heer. Als men de heer des huizes al Beëlzebul genoemd heeft, hoeveel te meer dan zijn huisgenoten. 26 Word dus niet bang voor hen. Want niets is verhuld dat niet onthuld zal worden, en niets is verborgen dat niet bekend zal worden. 27 Wat Ik jullie zeg in het donker, zeg dat in het licht. Wat jullie in het oor gefluisterd krijgen, verkondig dat vanaf de daken. 28 Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden. Wees eerder bang voor hem die en ziel én lichaam kan ombrengen in de hel. 29 Twee mussen kosten toch maar een stuiver? En daarvan zal er niet één op de grond vallen buiten jullie Vader om. 30 Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld. 31 Wees dus niet bang. Jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. 32 Als iemand partij kiest voor Mij bij de mensen, zal ook Ik partij kiezen voor hem bij mijn Vader in de hemel.  33 Wie Mij verloochent tegenover de mensen, die zal Ik ook verloochenen tegenover mijn Vader in de hemel.

Commentaar:

Vs 25 'men': als de tegenstander van Jezus hem al als doelwit markeert, dan blijft de leerling/slaaf ook niet gespaard. Niettemin: 'ik ben bij jullie'; je hoeft geen blad voor de mond te nemen.

 

34 Denk niet dat Ik op aarde vrede ben komen brengen. Ik ben geen vrede komen brengen, maar een zwaard. 35 Want Ik ben gekomen om een wig te drijven tussen zoon en vader, tussen dochter en moeder, tussen schoondochter en schoonmoe­der; 36 ja, huisgenoten worden vijanden. 37 Wie meer houdt van zijn vader of moeder dan van Mij, is Mij niet waard. Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is Mij niet waard. 38 Wie zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mij niet waard. 39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden. 40 Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. 41 Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is, krijgt het loon van een profeet, en wie een rechtvaardige opneemt omdat het een rechtvaardige is, krijgt het loon van een rechtvaardige. 42 Wie één van deze kleinen een beker koud water geeft omdat het een leerling is, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem niet ontgaan.'

Commentaar:

Vs 34 het zwaard is geen strijdwapen maar scheidingsgereedschap, een midden is er niet, het is links of rechts. Zelfs de band ouder - kind staat niet boven de band tussen mij en mijn leerling.

Als mijn kind niet meer naar de kerk gaat, drijft Jezus dan een wig tussen mij en mijn kind ? Let op dat je de zaak niet omdraait. Toen het goede nieuws ontstond, ook toen het werd geschreven, kon een lid van het gezin overgaan naar de Jezus-groep. Zijn roep was zo sterk dat zelfs bloed-/gezins-/familiebanden werden doorbroken; er was geen vredig gladstrijken: voor hem kun je alles over gaan hebben. Dat zegt ook vs 35. Het Griekse woord betekent 'on-eigenen', (die) binding los maken, zodat men een eigen keus moet/kan maken. Het gaat niet om tweedracht te zaaien hoewel maar het wel de consequentie kan worden. 'Eert uw vader en moeder' gold toen ook.

Vs 35 en 36 zijn grotendeels citaten uit de profeet Micha. Typisch Mt; O.T.

Vs 42: het gaat niet om dorst lessen of medelijden maar om het leerling van Jezus zijn van zelfs die kleine.

terug naar begin

Hoofdstuk 11

 

De vraag van Johannes en Jezus' antwoord

1 Toen Jezus zijn opdrachten aan de twaalf leerlingen beëindigd had, ging Hij daar weg om in hun steden te onderrich­ten en te verkondigen. 2 Toen Johannes in de gevangenis hoorde over de daden van de Messias, liet hij Hem bij monde van zijn leerlingen vragen: 3 'Bent U het die komen zou, of hebben we een ander te verwachten?' 4 Jezus gaf hun ten antwoord: 'Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet: 5 Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd. 6 Gelukkig degene die geen aanstoot aan Mij neemt.'

Commentaar:

Na de afsluiting van de zendingsrede nu een soort Johannes de Doper intermezzo. Jezus geeft op de vraag over de Komende een Jesaja-antwoord, nl. dat van de verwachting, die dan in hem ("Messias"!) in vervulling gaat. In Jes 35, 5v worden de blinden en doven en kreupelen genoemd; in Jes 29, 18 v de doven, blinden, onderdrukten en amen; Jes 26, 19vv gaat alleen over doden waar - m.i. - niet wordt gevraagd dat overledenen weer gewoon levend zullen worden maar dat hun toekomst, uitzicht bij het oordeel heilzaam is.

Gelukkig mag Johannes zijn want zijn voorbodewerk wordt bekroond.

 

Johannes, meer dan een profeet

7 Toen ze vertrokken, begon Jezus tegen de mensen over Johannes te spreken: 'Waarom bent u naar de woestijn gegaan? Om naar riet te kijken dat beweegt met de wind? 8  Waarom ging u dan? Om iemand in verfijnde kleren te zien? Mensen die verfijnde kleren dragen, vind je in de paleizen van de koningen. 9 Maar waarom ging u dan? Om een profeet te zien? Ja, zeg Ik u, zelfs meer dan een profeet. 10 Hij is het over wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor U uit, om voor U de weg te banen. 11 Ik verzeker u, onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Maar de kleinste in het koninkrijk der hemelen is groter dan hij. 12 Vanaf de dagen van Johannes de Doper tot nu toe lijdt het koninkrijk der hemelen geweld en geweldenaars lopen het onder de voet. 13 Want tot aan Johannes hebben alle profeten en de Wet het voorzegd, 14 en als u het wilt aanvaarden: hij is Elia die komen zou. 15 Wie oren heeft, moet horen.

Commentaar:

Jezus geeft hoog op van Johannes, die hem gedoopt heeft, maar die in zijn voorloperfunctie nog niet bij het Rijk hoorde. Vervolgens is er het troostwoord van Jezus voor hem en zijn 'promotie': Elia.

16 Waarmee zal Ik deze generatie vergelijken? Het is ermee als met kinderen die op de marktpleinen zitten en de anderen toeroepen:  17 "Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst. We hebben een treurlied gezongen en jullie hebben niet gejammerd.'' 18 Want Johannes is gekomen, hij at niet en dronk niet, en ze zeggen: "Hij is in de macht van een demon.'' 19 De Mensenzoon is gekomen, Hij at en dronk, en ze zeggen: "Kijk die veelvraat, die slemper, die vriend van tollenaars en zondaars.'' De wijsheid wordt gerechtvaardigd door haar daden!'

Commentaar:

 Het lijkt wel of Jezus het moe wordt - dat gezeur en gedraai van mensen die niet willen horen. Het is ook nooit goed. Maar dat zal wel komen, want de wijsheid blijkt uit daden.

 

Wee u, steden van Galilea!

20 Toen begon Hij de steden waar de meeste van zijn machtige daden waren verricht te verwijten, dat ze zich niet bekeerd hadden: 21 'Wee u, Chorazin! Wee u, Betsaïda! Als in Tyrus en Sidon de machtige daden verricht waren die bij u verricht zijn, zouden ze zich allang in zak en as bekeerd hebben. 22 Maar Ik zeg u: voor Tyrus en Sidon zal het op de dag van het oordeel draaglijker zijn dan voor u. 23 En Kafarnaüm, zult u hemelhoog verheven worden? Tot in het dodenrijk zult u neerdalen. Als in Sodom de machtige daden verricht waren die bij u verricht zijn, zou het tot op de dag van vandaag nog bestaan. 24 Maar Ik zeg u: voor het land van Sodom zal het draaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor u.'

Commentaar:

Het algemene van de vorige pericoop wordt nu op Galilea toegespitst, waar hij woonde. Zelfs de heidensteden Tyrus en Sidon zal het beter vergaan! Om van Sodom nog maar te zwijgen.

 

Dankgebed van Jezus

25 In die tijd nam Jezus het woord: 'Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen. 26 Ja, Vader, zo hebt U het goedgevonden. 27 Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon, en ieder aan wie de Zoon Hem heeft willen onthullen. 28 Kom allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven. 29 Neem mijn juk op en kom bij Mij in de leer, omdat Ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart, en u zult rust vinden voor uw ziel. 30 Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.'

Commentaar:

Jezus 'wapent' zich tegen de tegenwerking door gebed tot zijn Abba. Daarin spreekt hij die intense eenheid met zijn Abba uit; ze kennen elkaar helemaal, een Messiaans gegeven, het wezen van de Gezalfde. Het lijkt wel of het Johannesevangelie, dat bol staat van zijn eenheid met zijn Abba, een uitwerking van vs 27 is. Hij voelt hij zich daarin zo sterk dat hij iedereen die 'het moe is' aanbiedt om zich tot hem te wenden, bij wie rust en levenslust is te vinden.

De eenvoudigen: zie het Kerstverhaal. Die vonden iets. Eénvoudig van hart: enkelvoudig, niet dubbelhartig.

terug naar begin

Hoofdstuk 12

 

Men mag op sabbat goeddoen

1 In die tijd liep Jezus op sabbat door de korenvelden. Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren te plukken en aten die op. 2 De Farizeeën zagen het en zeiden Hem: 'Kijk eens, uw leerlingen doen iets dat op sabbat niet mag.' 3 Maar hij zei: 'Hebt u niet gelezen wat David deed, toen Hij en zijn metgezellen honger kregen? 4 Hoe hij het huis van God binnenging en hoe ze de offerbroden aten, die hij niet mocht eten en ook zijn metgezellen niet, maar alleen de priesters? 5 Of hebt u niet gelezen in de wet dat op sabbat de priesters in de tempel de sabbat ontheiligen en toch onschuldig zijn? 6 Ik zeg u, hier is meer dan de tempel. 7 Als u begrepen had wat dit zeggen wil: Barmhartigheid wil Ik en geen offer, zou u geen onschuldigen veroordeeld hebben. 8 Want de Mensenzoon is Heer van de sabbat.'

Commentaar:

Weer die tegenwerking van betweters en zieligen, terwijl nota bene om een Schriftvervulling gaat: "Barmhar­tigheid wil Ik, (geen offers)". Er is sprake van nood (honger) en nood breekt wet want de mens is er niet voor de Sjabbat. Let op de gedachtegang. Eerst honger dan voorbeeld van David in de tempel, dan priestertaak in de tempel en dan: "hier is meer (aan de hand) dan de tempel"(-riten) nl. barmhartigheid: "Dan hadden jullie geen onschuldigen veroordeeld - lelijk woord -"!! Er staat dus niet dat Jezus meer is dan de tempel!

Vs 8 lijkt me later toegevoegd of een verklaring van Matteüs zelf, want Jezus zou dat niet zelf zeggen. Zie commentaar voorbeeld synopsis.

 

9 Hij ging daar weg en kwam in hun synagoge. 10 Daar was iemand met een verschrompelde hand. Ze stelden Hem de vraag: 'Mag men op sabbat genezen?', met de bedoeling om Hem te kunnen aanbrengen. 11 Maar Hij zei hun: 'Als iemand van u een schaap heeft, en het is op sabbat in een kuil gevallen, zal hij het er dan niet uithalen? 12 Hoeveel meer is een mens niet waard dan een schaap? Daarom mag men op sabbat goeddoen.' 13 Toen zei Hij tegen de man: 'Strek uw hand.' Dat deed hij, en ze werd weer even gezond als de andere. 14 Eenmaal buiten, beraamden de Farizeeën plannen tegen Hem om Hem uit de weg te ruimen. 15 Toen Jezus dat merkte, week Hij uit naar elders. En een grote menigte volgde Hem en Hij genas allen, 16 en Hij verbood hun om zijn verblijfplaats bekend te maken. 17 Zo werd vervuld wat gezegd is bij monde van de profeet Jesaja: (Jes 42)

18 Zie mijn knecht, die Ik gekozen heb, van wie Ik houd en in wie Ik vreugde vind.

Ik zal mijn Geest op Hem leggen en het recht zal Hij verkondigen aan de volkeren.

19 Hij zal niet twisten, niet schreeuwen, en niemand zal op straat zijn stem horen.

20 Het geknakte riet zal Hij niet breken en een smeulende pit zal Hij niet doven,

tot Hij het recht laat zegevieren.

21 En op zijn naam zullen de volkeren hun hoop stellen.

 

Hoe kan de satan de satan uitdrijven?

22 Toen werd een bezetene bij Hem gebracht die blind was en niet kon spreken. Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag. 23 Heel de menigte was buiten zichzelf en zei: 'Is dat niet de zoon van David?' 24 Toen de Farizeeën dat hoorden, zeiden ze: 'Alleen door Beëlzebub, de opperdemon, drijft Hij de demonen uit.' 25 Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen hen: 'Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld raakt, wordt een woestenij, en geen stad of huisgezin kan standhouden wanneer ze innerlijk verdeeld raken. 26 Als de satan de satan uitdrijft, raakt hij in zichzelf verdeeld. Hoe zal zijn rijk dan standhouden? 27 Als Ik met hulp van Beëlzebub de demonen uitdrijf, hoe doen uw eigen mensen het dan? Dus die zullen over u oordelen. 28 Maar als Ik met de hulp van de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is kennelijk het koninkrijk van God onder u gekomen. 29 Of hoe kan iemand het huis van een sterke binnendringen en de inboedel weghalen als hij niet eerst de sterke vastbindt? Pas dan kan hij zijn huis leeghalen. 30 Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, verstrooit. 31 Daarom zeg Ik u: elke zonde en elke godslastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering tegen de Geest zal niet vergeven worden. 32 Als iemand de Mensenzoon weerspreekt, zal het hem vergeven worden. Maar als iemand de heilige Geest weerspreekt, zal het hem niet vergeven worden, niet in deze tijd en niet in de komende.

33 Stel dat de boom goed is, dan is ook zijn vrucht goed; stel dat de boom ziek is, dan is ook zijn vrucht rot. Want aan de vrucht kent men de boom. 34 Addergebroed, hoe kunt u iets goeds zeggen terwijl u slecht bent? Want waar het hart vol van is, loopt de mond van over. 35 Een goed mens haalt uit zijn goede voorraad goede dingen tevoorschijn, en een slecht mens haalt uit zijn slechte voorraad slechte dingen tevoorschijn. 36 Ik zeg u: over ieder zinloos woord dat de mensen spreken, zullen ze verantwoording moeten afleggen op de dag van het oordeel. 37 Want op grond van uw woorden zult u rechtvaardig bevonden worden en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden.'

38 Toen gaven enkelen uit de kring van schriftgeleerden en Farizeeën Hem ten antwoord: 'Meester, we willen een teken van U zien.' 39 Maar daarop gaf Hij hun als antwoord: 'Een slechte en overspelige generatie verlangt een teken, en geen ander teken zal hun gegeven worden dan het teken van de profeet Jona. 40 Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in de schoot van de aarde zijn. 41 De mensen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan met deze generatie en haar veroordelen. Want zij bekeerden zich tot de verkondiging van Jona; maar hier is meer dan Jona. 42 De koningin van het zuiden zal bij het oordeel opstaan met deze generatie en haar veroordelen. Want zij kwam van het uiteinde van de aarde om Salomo's wijsheid te horen; maar hier is meer dan Salomo. 43 Wanneer een onreine geest iemand verlaten heeft, doolt hij rond door dorre streken op zoek naar rust, zonder die te vinden. 44 Dan zegt hij:"Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik vandaan kom.'' Bij zijn terugkomst vindt hij het leeg, schoon en opgeruimd. 45 Dan gaat hij zeven andere geesten halen die nog slechter zijn dan hijzelf; ze gaan naar binnen en blijven daar wonen. Zo iemand is er uiteindelijk erger aan toe dan van tevoren. Zo zal het ook gaan met deze slechte generatie.'

Commentaar:

In de hele perikoop gaat het om de goede wil, de goede Geest. Jezus toont aan dat hij met Hem werkt. Het Rijk Gods is gekomen. Zij krijgen nu de kans de/hun demon uit te bannen en de Goede Geest binnen te laten. Dan komt er geen demon meer binnen. Jezus zegt het heel duidelijk en de verkondiging na hem is dat niet vergeten.

Vs 29 Die 'sterke', 'kracht' in het Grieks, kan alleen door een tegenstander, nl. de Geest Gods, worden gebonden. Dus

Vs 31 zonde tegen de heilige Geest, tegen de goede wil, is vernietigend.

Vs 40 De vergelijking gaat niet verder dan die drie dagen. Dan komt (de dag van) het oordeel, die beter uitvalt voor Nineve en de koningin van het zuiden. Dat Jezus de eindtijdelijke Rechter is speelt hier mee.

Vs 43vv  Als je (nu) de goede Geest in huis haalt/toelaat, kan een onreine niet binnenkomen. Zo niet, ben je er nog slechter aan toe dan eerst. Zeven: het hele leven, voortdurend, zodat dat uitzichtloos wordt, geen redding mogelijk is.

 

De echte verwanten

46 Terwijl Hij nog tot de menigte sprak, stonden daar opeens zijn moeder en zijn broers buiten. Zij wilden Hem spreken. 47 Iemand zei tegen Hem: 'Kijk, uw moeder en uw broers staan buiten en willen U spreken.' 48 Hij gaf degene die Hem dat zei het antwoord: 'Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broers?' 49 Met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: 'Kijk, hier zijn mijn moeder en mijn broers. 50 Want wie de wil doet van mijn Vader in de hemel, die is mijn broer en zuster en moeder.'

Commentaar:

Nog weer eens dat niet de afstamming voldoende is; dat het aankomt op het doen van de Wil van zijn Vader. Jezus vraagt echt om een ommekeer, geloofsverwantschap.

Een vraag: zou Maria niet de wil van zijn Vader doen/gedaan hebben? Daarom is zij bevoorrecht. Niet om haar moederschap op zich. "Mij geschiede naar Uw woord".

terug naar begin

hoofdstuk 13  De gelijkenissen

 

Gelijkenis van een zaaier

1 Op die dag was Jezus het huis uitgegaan en Hij zat aan het meer. 2 Er stroomden zoveel mensen bij Hem samen, dat Hij in een boot ging zitten, terwijl het volk allemaal op de oever stond. 3 Hij vertelde hun veel door middel van gelijkenissen: 'Een zaaier ging het land op om te zaaien. 4 En bij het zaaien viel er een deel op het pad, en de vogels kwamen het opeten. 5 Een ander deel viel op de rotsgrond, waar het niet veel aarde had, en het kwam meteen op, doordat het geen diepe grond had. 5 Toen de zon opkwam, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het. 8 Weer een ander deel viel in goede aarde en leverde vrucht op: honderdvoudig, zestigvoudig, of dertigvoudig. 9 Wie oren heeft, moet horen.'

10 De leerlingen kwamen Hem vragen: 'Waarom spreekt U tot hen in gelijkenissen?' 11 Hij gaf hun ten antwoord: 'Jullie is het gegeven de geheimen van het koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun niet. 12 Want aan degene die heeft, zal gegeven worden, en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft. 13 Hierom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat ze kijken en niet zien, luisteren en niet horen en begrijpen. 14 In hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: (Jes 6)

Met uw oren zult u horen en niet begrijpen,

met uw ogen zult u kijken en niet zien.

15 Want het hart van dit volk is verhard;

met hun oren luisteren ze slecht

en hun ogen houden ze dicht,

opdat ze met hun ogen niet zien,

en met hun oren niet horen,

opdat ze met hun hart niet verstaan

en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.

16 Gelukkig zijn jullie, omdat jullie ogen zien en omdat jullie oren horen. 17 Want Ik verzeker jullie, veel profeten en rechtvaardigen hadden willen zien wat jullie zien en zij hebben het niet gezien, en hadden willen horen wat jullie horen, maar zij hebben het niet gehoord.

18 Luisteren jullie dan naar de gelijkenis van de zaaier. 19 Telkens wanneer iemand het woord van het koninkrijk hoort en het niet begrijpt, komt de boze en rooft weg wat in zijn hart is gezaaid. Dat is degene die op het pad is gezaaid. 20 Die op de rotsgrond is gezaaid, dat is degene die het woord hoort en meteen met vreugde aanneemt. 21 Hij is niet echt geworteld, hij is iemand van het ogenblik; als er dan onderdrukking of vervolging ontstaat vanwege het woord, komt hij meteen ten val. 22 Die tussen de distels is gezaaid, dat is degene die het woord hoort; maar de zorgen om het bestaan en de begoocheling van de rijkdom verstikken het woord, en hij blijft zonder vrucht. 23 Die in goede aarde is gezaaid, dat is degene die het woord hoort en begrijpt en die draagt dan vrucht: de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig, weer een ander dertigvoudig.'

Commentaar:

Vs 1 het leek nu net een gewone dag te worden maar dat ging niet op. "Op die dag… " geeft een zeker accent van belangrijkheid. Jezus benadert de mensen voorzichtig, net als bij het uitzenden van de twaalf in Mt 10. Hij geeft die grote massa enthousiastelingen niet direct de inhoud van zijn leer maar vraagt eerst om een openheid, een 'geschikt­heid' om te ontvangen, zonder welke niets mogelijk is. Als hij meteen 'van wal was gestoken', in een niet direct, persoonlijk contact op die grote afstand, zou men afhaken - denk ik. Daarom eerst 'formatteren', later invullen. De boom kan beter als een klein zaadje beginnen.

De leerlingen is het wel (reeds) gegeven de geheimen te kennen want zij hebben hun hart en oor al op hem gericht.

Vs 12 Zie ook 25,29, waar het beter past. Dus tussengevoegd? Kennelijk is het een gevleugeld woord om aan te geven hoe weldadig overvloed is en dat de tegenstelling accentueert. Concludeer s.v.p. niet dat de arme nog armer moet/mag zijn. Dat is rechtstreeks in tegenspraak met 'het geknakte riet niet (helemaal) breken en de kwijnende vlaspit niet doven'.

Vs 14vv kan best een inlassing van Matteüs of een overschrijver zijn. Het past wel bij Mt, want die verharding komt in zijn tekst vaker voor. Het is kennelijk het probleem waar de verkondigers - ook Paulus -later tegenaan lopen. De voorzichtigheid van Jezus is dan aanleiding om dat probleem O.T.-isch  te accentueren in de verkondiging. Zo'n inlassing is dan een soort commentaar of toelichting van de evangelist of de verkondigers; Jezus hoeft dat niet zelf te hebben gezegd. Of die verharding zo Jezus eigen is? In 11, 29 noemt hij zichzelf zachtmoedig in ieder geval voor de rust zoekenden, die kennelijk op zoek zijn en open staan.

Vs 23. In het licht van getallensymboliek kan aan de dalende reeks wel een stijgende betekenis worden gegeven: 10 maakt helemaal vol voor hen die al alles/veel hebben, 6 plaatst voor de zoeker alles in een significant nieuw betekeniskader, 3 maakt alles definitief voor de aarzelende. Of de reeks dalen of stijgend is ligt er aan waaraan je zelf de meeste waarde hecht, aan het definitieve of aan het alles, de volheid. Je kunt het ook zien als een persoonlijke ontwikkeling: 10 duidt dan op de grote vreugde, 6 op het nieuwe inzicht, die door die vreugde opgeroepen wordt en 3 op het definitieve karakter van de invulling die men krijgt. De tien in 100, 60 en 30 geeft telkens de volheid, het ter zake zijn, goede invulling aan.

 

Gelijkenissen van het koninkrijk

24 Nog een gelijkenis hield Hij hun voor: 'Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met iemand die goed zaad op zijn akker had gezaaid. 25 Toen iedereen sliep, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tussen de tarwe en ging weer weg. 26 Toen het gewas opschoot en vrucht zette, kwam ook het onkruid tevoorschijn. 27 De knechten van de eigenaar kwamen hem zeggen: "Heer, hebt u geen goed zaad op uw akker gezaaid? Waar komt dat onkruid dan vandaan?'' 28 Hij zei hun: "Een vijandig mens heeft dat gedaan.'' De knechten vroegen hem: "Zullen we het er dan maar uit gaan halen?'' 29 Maar hij zei: "Nee, want als jullie het onkruid eruit halen, trek je tegelijk de tarwe eruit. 30 Laat ze samen opgroeien tot de oogst, en in de oogsttijd zal ik tegen de maaiers zeggen: "Haal eerst het onkruid bijeen en bind het in bussels om het te verbranden, maar verzamel de tarwe in mijn schuur.'' '

31 Nog een gelijkenis hield Hij hun voor: 'Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide. 32 Dat is wel het kleinste van alle zaden, maar als het is opgeschoten, is het groter dan de struiken en wordt het een boom, zodat de vogels van de hemel in zijn takken komen nestelen.'

33 Nog een gelijkenis vertelde Hij hun: 'Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met zuurdesem, die door een vrouw in drie maten meel werd verwerkt, totdat het er helemaal van doortrokken was.'

34 Dat alles vertelde Jezus in gelijkenissen aan de menigte en zonder gelijkenis vertelde Hij hun niets. 35 Zo werd vervuld wat gezegd is bij monde van de profeet:

Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen,

Ik zal uitspreken wat verborgen was

vanaf de grondvesting van de wereld.

Uitleg en andere gelijkenissen

36 Toen stuurde Hij de menigte weg en ging naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij Hem en zeiden: 'Leg ons het beeld uit van het onkruid op de akker.' 37 Hij antwoordde: 'De zaaier van het goede zaad is de Mensenzoon. 38 De akker is de wereld. Het goede zaad, dat zijn de kinderen van het koninkrijk. Het onkruid, dat zijn de kinderen van de boze. 39 De vijand die het zaaide, is de duivel. De oogst is de voleinding van de tijd en de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals nu het onkruid bijeen wordt gehaald en in het vuur verbrand wordt, zo zal het zijn bij de voleinding van de tijd. 41 De Mensenzoon zal zijn engelen uitsturen en die zullen uit zijn koninkrijk allen bijeenbrengen die anderen ten val brengen en onrecht bedrijven, 42 en ze zullen hen in de vuuroven gooien. Het zal daar een gejammer zijn en een tanden­ge­knars. 43 Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft, moet horen.

 

Commentaar:

Vs 24 Nu een andere parabel. Verwar die twee niet ook al is het grondbeeld hetzelfde nl. de akker.

Vs 34 Dit keer een psalm nl. 78, 2

Vs 39 Je ontkomt er niet aan dat hier het kwaad, de boze, als persoon wordt aangeduid. Hoe het ook zij, ik vind niet dat ik inwendig word beheerst/belaagd door een goede en een slechte persoon; dat zou schizofreen zijn. Maar het kwaad als een buiten de mens staande, aparte persoon, macht of wat ook, zie ik ook niet zo zitten; ofschoon, als je een goede gees(telijke macht) accepteert, is een kwade geest ook mogelijk. Misschien moet je meer denken aan het 'mysterie' van het kwade; Paulus heeft er ook last van 'Ik wil het goede doen maar doe toch het kwade'. Hoe kan dat? (Voordat je met de val van engelen begint: dat verhaal staat niet in de bijbel.)

Deze parabel kan best een antwoord zijn op de vraag van de goeden die zich afvragen waarom het kwaad niet meteen wordt uitgeroeid. Kenne­lijk heeft God geduld; HijZ wil immers niet de dood van de zondaar maar dat hij zich bekere en leve.

Het laatste oordeel, een totaal eindoordeel, is een joods beeld; wij zijn eerder geneigd te denken dat je, als je dood bent, je meteen wordt geoordeeld; tijd bestaat dan immers niet meer.

 

Vervolg hoofdstuk 13
44 Het gaat met het koninkrijk der hemelen als met een schat, in de akker verborgen. Toen iemand hem vond, verborg hij hem, en van blijdschap ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht hij die akker.

45 Ook gaat het met het koninkrijk der hemelen als met een koopman op zoek naar mooie parels. 46 Toen hij één kostbare parel gevonden had, ging hij alles verkopen wat hij had en kocht hij haar.

47 Ook gaat het met het koninkrijk der hemelen als met een sleepnet, dat in zee werd gegooid en vissen van allerlei soort bij elkaar bracht. 48 Toen het vol was, trokken ze het op de oever. Ze gingen zitten en verzamelden de goede vissen in manden; de slechte gooiden ze weg. 49 Zo zal het zijn bij de voleinding van de tijd. De engelen zullen uitgaan en de kwaden tussen de rechtvaardigen uithalen 50 en hen in de vuuroven gooien. Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.

51 Hebben jullie dat allemaal begrepen?' Ze zeiden Hem: 'Ja.' 52 Hij zei hun: Daarom gaat het met iedere schriftgeleerde die leerling is geworden in het koninkrijk der hemelen als met een huisvader, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.'

Commentaar:

Behalve de enigszins dreigende eind-oordeel-parabels zijn er ook parel-parabels. Die zijn wat inspirerender. Die schat en die parel zijn de dertigvoudige opbrengst.

Gebrek aan vertrouwen

53 Toen Jezus deze gelijkenissen beëindigd had, ging Hij daar weg. 54 Hij kwam in zijn vaderstad en onderrichtte hen in hun synagoge op een manier die hen verbaasde, en ze zeiden: 'Waar heeft Hij die wijsheid en machtige daden vandaan? 55 Dat is toch de zoon van de timmerman? Zijn moeder heet toch Maria, en Jakobus, Jozef, Simon en Juda zijn toch zijn broers? 56 Zijn zusters wonen toch allemaal bij ons? Waar heeft Hij dat dan allemaal vandaan?' 57 En ze namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei hun: 'Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn vaderstad en in zijn eigen huis.' 58 Hij verrichtte daar niet veel machtige daden vanwege hun gebrek aan vertrouwen.

Commentaar:

Vs 53vv Weer 'gebrek aan vertrouwen, geloof'. Maar ook aan ontvankelijkheid; ze vinden Jezus maar heel gewoon: 'Wat meent hij zich wel?'.

Lc vertelt een uitgebreider verhaal en vult vs 57 anders in. Hij zegt "Geen profeet is welgevallig aan zijn vaderstad" m.a.w. jullie ontlenen geen (voor)recht (inzake machtige daden) aan het feit dat ik van hier afkomstig ben - het thema dat afstamming e.d. niets zeggen maar je inzet, je geloof. Zie Lc 4,16vv.

"Toen Jezus deze gelijkenissen had beëindigd … " zie de 'reden-indeling' 2.2 van hoofdstuk 2 Opbouw.

terug naar begin

 

hoofdstuk 14

 

Het levenseinde van Johannes de Doper

1 In die tijd hoorde de tetrarch Herodes over Jezus' faam, 2 en hij zei tegen zijn dienaren: 'Dat is Johannes de Doper. Hij is uit de doden opgewekt, en daarom zijn die krachten werkzaam in hem.' 3 Want Herodes had Johannes gearres­teerd en hem in de boeien geslagen en in de gevangenis opgesloten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filip­pus. 4 Want Johannes had tegen Herodes gezegd: 'Het is u niet geoorloofd om haar te bezitten.' 5 Hij wilde hem uit de weg ruimen, maar hij was bang voor de mensen, omdat die hem voor een profeet hielden. 6 Toen echter de verjaardag van Herodes gevierd werd, trad de dochter van Herodias op als danseres, tot groot genoegen van Herodes. 7 Daarom beloofde hij onder ede haar te geven wat ze maar zou vragen. 8 Door haar moeder opgestookt, zei ze: 'Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.' 9 De koning werd bedroefd, maar vanwege zijn eed en omwille van zijn gasten gaf hij het bevel om het haar te geven. 10 En hij liet Johannes in de gevangenis onthoofden. 11 Zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder. 12 Zijn leerlingen kwamen het lijk halen en ze begroeven het, en ze gingen Jezus op de hoogte stellen.

Jezus geeft vijfduizend mensen te eten

13 Toen Jezus dat hoorde, week Hij met een boot uit naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Toen de mensen dat hoorden, volgden ze Hem te voet vanuit de steden. 14 Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote menigte. Hij had zeer met hen te doen en genas hun zieken. 15 Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen Hem zeggen: 'Dit is een eenzame plaats en het is al laat geworden. Stuur de mensen weg, dan kunnen ze zelf in de dorpen eten gaan kopen.' 16 Maar Jezus zei: 'Ze hoeven niet weg te gaan. Jullie moeten hun te eten geven.' 17 Zij zeiden Hem: 'Wij hebben hier niets anders dan vijf broden en twee vissen.' 18 Hij zei: 'Breng die hier.' 19 Hij verzocht de mensen op het gras te gaan zitten, nam die vijf broden en twee vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit, Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen. 20 Allemaal hadden ze volop te eten. Ze haalden de brokken op die over waren, twaalf korven vol. 21 Afgezien van vrouwen en kinderen waren het zo'n vijfduizend man die gegeten hadden.

Tegenwind op het meer

22 Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen. 23 Toen Hij de mensen had weggestuurd, ging Hij de berg op om te bidden, Hij alleen. Toen het avond geworden was, was Hij daar nog alleen. 24 Toen de boot al veel stadiën uit de kust was, had die het zwaar te verduren van de golven, omdat de wind tegenzat. 25 Op het einde van de nacht ging Hij lopend over het meer naar hen toe. 26 Toen de leerlingen Hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. 'Een spook!', riepen ze, en ze schreeuwden van angst. 27 Meteen zei Jezus: 'Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.' 27 Petrus gaf Hem ten antwoord: 'Heer, als U het bent, laat me dan over het water naar U toekomen.' 29 Hij zei: 'Kom.' En Petrus stapte overboord, liep over het water en kwam naar Jezus toe. 30 Toen hij lette op de kracht van de wind, werd hij bang, en toen hij begon te zinken, schreeuwde hij: 'Heer, red me.' 31 Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei: 'Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?' 32 Toen ze in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. 33 De mensen in de boot vielen voor Hem op de knieën en zeiden: 'Werkelijk, U bent de Zoon van God.' 34 Ze staken over en kwamen aan land in Gennesaret. 35 Toen de mensen uit die plaats Hem herkenden, brachten ze de hele omgeving op de hoogte en bracht men alle zieken bij Hem. 36 Die vroegen of ze Hem mochten aanraken, al was het maar de zoom van zijn kleed. En wie Hem aanraakte, werd gered.

 

Commentaar:

De grote lijn van het Mt-verhaal is dat Jezus een mentale opdonder krijgt vanwege zijn vriend/voorloper Johannes, die hij in eenzaamheid wil verwerken. Maar dan laat hij zich toch claimen door mensen met wie "hij het zeer te doen heeft". Direct daarna moeten zijn leerlingen oplazeren (en de mensen) en is hij eindelijk alleen, om te bidden. Als hij dat heeft verwerkt, doorgemaakt, is hij tot iets groots in staat, kan hij Petrus bemoedigen en gaat hij weer verder met mensen.

Als je dit Herodus/Johannes-verhaal vergelijkt met dat in Mc 6 (en Lc 9), zie je dat Matteüs gecomponeerd heeft. Hij koppelt dat verhaal bewust aan de broodvermenigvuldiging. Hij begint nl. met de nieuwsgierigheid van Herodes, die denkt 'dit klopt niet, want Johannes is dood', maar hij verliest dan die opzet uit het oog en gaat verder alsof Johannes' leerlingen dan het slechte nieuws aan Jezus vertellen, die vervolgens alleen wil zijn. Doordat de opzet verandert loopt het verhaal scheef. Mc vertelt in 6 over de uitzending van de twaalf, dan apart - als gevolg van het rondtrekken van de twaalf ? - over Herodes/Johannes en vervolgens over de terugkeer van de twaalf, die verslag uitbrengen. De broodvermenigvul­diging staat in een ander scenario.

Misschien is 'gecomponeerd' wat sterk gezegd; het kan ook zijn dat het traditieblok van Mt die versie al kende en dat men - de volksmond - de terugkeer van de twaalf en hun verslag gekoppeld heeft aan / verward heeft met de mededeling van de leerlingen van Johannes aan Jezus. Hoe het ook zij Mt verkondigt op die manier de zelfopoffering van Jezus t.b.v. de mensen. Als het verhaal van Mc historisch juist is, is dat van Mt wel waarachtig in zijn verkondiging. (Zie taal van de bijbel)

Op de broodvermenigvuldiging komen we nog terug bij het 15e hoofdstuk. Maar zou het in werkelijkheid zo zijn gegaan? Ik denk van niet maar ik wil wel aannemen dat er iets is gebeurd (Sitz im Leben) dat aanleiding is geworden tot dit verhaal om van Jezus' weldaad, overvloed, te getuigen. Je kunt niet zomaar concluderen dat als we delen wat we hebben (gekregen), er genoeg is voor iedereen. Het brood gaat wel via Jezus' handen! Dan is er genoeg.

Stel je het lopen van Petrus over het water niet te plastisch voor. Toen hij zonk - ging dat langzaam, stond hij toen niet al vlak bij Jezus of had Jezus misschien een heel lange arm ? Er klopt iets niet met het werkelijkheidselement. De betekenis is wel duidelijk. Het zal je maar gezegd worden: "Kom!" Je zult in nood Zijn hand maar te pakken hebben!

Ik zie hierin het verhaal, het gezegde, dat Jezus zó groot was dat hij over het water kon lopen en ... dat hij anderen inspireerde. De kans is levensgroot dat dit een belijdenisverhaal is van de jonge Kerk in 'tegenwind'!

terug naar begin

hoofdstuk 15

 

Wat uit de mond komt, maakt onrein

1 Toen kwamen uit Jeruzalem Farizeeën en schriftgeleerden naar Jezus toe met de vraag: 2 'Waarom overtreden uw leerlingen de traditie van de oudsten? Want ze wassen hun handen niet als ze brood gaan eten.' 3 Maar Hij gaf hun ten antwoord: 'Waarom overtreedt zelfs u het gebod van God door uw traditie? 4 Want God heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en ook: Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden. 5 Maar u zegt: "Wie tegen zijn vader of moeder zegt: Ik geef als offergave datgene waarmee ik u had kunnen ondersteunen, 6  die hoeft zijn vader niet meer te eren.'' Zo ontkracht u het woord van God door die traditie van u. 7 Huichelaars, treffend heeft Jesaja over u geprofeteerd: 8 Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. 9 Hun verering stelt niets voor; wat ze als ware leer brengen zijn voorschriften van mensen.'

10 Hij riep de mensen bij zich en zei tegen hen: 'Luister, en begrijp Me toch. 11 Niet wat de mond binnenkomt, maakt de mens onrein, maar wat uit de mond komt, dat maakt de mens onrein.' 12 Toen kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: 'Weet U dat de Farizeeën, toen ze hoorden wat U zei, daarover gevallen zijn?' 13 Maar Hij gaf hun ten antwoord: 'Elke aanplant die mijn hemelse Vader niet heeft geplant, zal uitgetrokken worden. 14 Laat ze dus maar. Het zijn blinden die blinden de weg wijzen. Als de ene blinde de andere leidt, vallen ze allebei in een kuil.' 15 Petrus zei daarop: 'Leg ons dat beeld eens uit.' 15 Hij zei: 'Zijn ook jullie nog altijd vol onbegrip? 17 Weet je niet dat alles wat de mond binnenkomt naar de buik gaat en er weer uitgaat op het gemak? 18 Wat uit de mond komt, komt uit het hart, en dat verontreinigt de mens. 19 Want uit het hart komen slechte gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. 20 Dat zijn de dingen die de mens onrein maken; met ongewassen handen eten maakt de mens niet onrein.'

 

Commentaar:

Farizeeën en schriftgeleerden komen pietlutten en krijgen van Jezus een fundamentele draai om hun oren: zij overtreden de Wet en dan ook nog met een smoes of spitsvondigheid die geestloos is. Jezus vraagt om Geest, reinheid, op God gericht zijn en niet om eigengereidheid.

Vs 19 Zo'n lijst van ondeugden wordt wel vaker gehanteerd. Arm hart ! Kennelijk wordt niet bedoeld wat we bij 'Een kijk op jouw zelf'  voor ogen hadden. Voor wie niet kan nuanceren, is dit natuurlijk een onheilsvers.

 

Jezus en een Kananese vrouw

21 Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: 'Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.' 23 Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: 'Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.' 24 Hij antwoordde: 'Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.' 25 Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: 'Heer, help me.' 26 Hij gaf haar ten antwoord: 'Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.' 27 Maar zij zei: Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.' 28 Toen gaf Jezus haar ten antwoord: 'Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.' En haar dochter was vanaf dat moment genezen.

 

Commentaar:

'Jezus nam de wijk', een crisis in zijn verkondiging?

Waarvan hij en de leerlingen leefden, is niet interessant. Er wordt niet gezegd dat Jezus daar verkondigde, ofschoon zijn leerlingen bij hem waren. Het is natuurlijk mogelijk dat Jezus zich niet geroepen voelde om bij 'heidenen' zijn onderricht te geven. Wij vinden het nu heel gewoon als hij dat wel had gedaan. Maar Jezus was een Jood, hij had er wellicht geen idee van hoe het allemaal zou/moest lopen. Gaf hij haar niet eens antwoord omdat zij, een niet-Joodse, een Joods begrip hanteerde, nl. 'Zoon van David'? Of wilde hij 'schone' handen houden t.o.v de Farizeeën en schriftgeleerden en laten zien hoe het hart werkt, Gods barmhartigheid, boven wet uit? Dat er reeds geloof in hem is buiten het Joodse gebied? Hij stuurt haar in ieder geval niet weg zoals de leerlingen vroegen en zijn antwoord is geen antwoord op hun vraag. Suddert er wat? "En kijk"!

Hoe het ook zij, toen die vrouw hem aansprak als Zoon van David (ze weet hem te raken) en volhield, kon hij haar niet weigeren. Let op hoe creatief die vrouw inspeelt op het gedachtekader dat Jezus bewust hanteert. Al is het maar een kruimeltje, het is brood en het resultaat is hetzelfde: haar dochter is beter. De moeder heeft vernedering doorstaan en gewonnen.

Het is best mogelijk dat dit verhaal later is verteld om aan te geven dat ook voor heidenen (volken buiten Israël) het heil van Jezus geldt. Een verblijf van Jezus in het huidige Libanon was daarvoor op zijn minst een goede aanleiding.

 

Vervolg hoofdstuk 15

29 Jezus ging daar weg en kwam bij het meer van Galilea, en Hij ging de berg op en nam daar plaats. 30 Er kwamen veel mensen naar Hem toe met kreupelen, blinden, verminkten, stommen, en nog veel anderen bij zich; ze legden die aan zijn voeten neer, en Hij genas hen. 31 Het volk stond verbaasd, toen ze zagen dat stommen spraken, verminkten beter waren, kreupelen liepen en blinden zagen. En ze verheerlijkten de God van Israël.

 

Jezus geeft vierduizend mensen te eten

32 Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei: 'Ik heb te doen met deze mensen, want ze zijn al drie dagen bij Me en hebben niets te eten. Ik wil ze niet met een lege maag wegsturen; ze zouden onderweg wel eens kunnen bezwijken.' 33 De leerlingen zeiden Hem: 'Waar halen we in deze eenzame streek genoeg brood vandaan om zoveel mensen te eten te geven?' 34 Jezus zei hun: 'Hoeveel broden hebben jullie?' Ze zeiden: 'Zeven, en wat visjes.' 35 Toen Hij de mensen had gezegd op de grond te gaan zitten, 36 nam Hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen. 37 Allemaal hadden ze volop te eten. Ze haalden de brokken op die over waren, zeven manden vol. 38 Afgezien van vrouwen en kinderen waren het vierduizend man die gegeten hadden. 39 Toen Hij de mensen had weggestuurd, ging Hij aan boord, en Hij ging naar het gebied van Magadan.

Commentaar:

Vs 29vv De berg weer op, neemt plaats (preekstoel!): hij vervolgde zijn verkondiging in Galilea en verrichtte weer wonderlijke dingen en de mensen loofden hém niet. Waarom? Hij was in hoofdstuk 5 toch al de berg opgegaan?

Vs 32vv In het 1e  verhaal spreekt Jezus de zegenbede (14,19) en in het 2e  het dankgebed. Is dit gewoon een (over)schrijffout? En waarom een herhaling van de broodvermenigvuldiging terwijl eerst vijfduizend en nu vierduizend man genoeg eten? Waarom eerst 5 broden en 2 vissen en de 2e keer 7 broden en wat visjes? Eerst 12 manden met brokken en nu 7? Die vijf broden kunnen heel goed staan voor de vijf boeken van de Wet en de twee vissen voor de Schriften en de profeten. De tweede keer gaat het meer om de zeven broden.

Let eens op de tekst. In het 1e verhaal zegt Jezus het zegengebed, dat bij de joodse broodbrekingsrite voor de maaltijd hoort. In het 2e is het geen zegenbede, nu heet het dankgebed; dit is een christelijke/kerkelijke term voor de hele Eucharistie, dus brood rite plus bekerrite en dus van later datum dan de (puur) Joodse belevingssfeer. Conclusie: het 2e verhaal is een latere 'verkondigings'aanvulling op het 1e . De Kananese heeft een opening gemaakt: het heil wordt niet beperkt tot Israël. Daarom ging Jezus weer de berg op, om zijn leer voor álle mensen te bestemmen. In de Bergrede sprak hij tegen zijn leerlingen.

Getallensymboliek: het Joodse heil (5 broden + 2 vissen) voor heel Israël (5000 met 5 voor organieke eenheid) wordt als basis-levens-heil (7 broden) uitgebreid naar de hele (4000 met 4 voor alles omvattend) schepping: het geldt ook voor heidenen! Een cruciale (3, de dagen, het was genoeg) beslissing en kerk-visie, waarover Hand 10 en 11 vertelt.

Voor de brood- en bekerrite zie Volw.Cat. Eucharistie.

Vraag: wat is binnen het 1e verhaal de functie van die twaalf korven die ze over hadden?

terug naar begin

hoofdstuk 16

 

Onbegrip

1 De Farizeeën en Sadduceeën kwamen naar Hem toe om Hem op de proef te stellen, en ze vroegen Hem om hun een teken uit de hemel te laten zien. 2 Daarop gaf Hij hun ten antwoord: 's Avonds zegt u: "Het wordt goed weer, want de hemel is vuurrood.'' 3 En 's morgens: "Vandaag komt er storm, want de hemel is donkerrood.'' De verschijnselen van de hemel weet u te beoordelen, maar met de tekenen der tijden kunt u dat niet. 4 Een verdorven en overspelige generatie verlangt een teken. Maar geen ander teken zal haar gegeven worden dan het teken van Jona.' Hij liet hen staan en ging weg.

5 De leerlingen gingen naar de overkant, maar ze hadden vergeten brood mee te nemen. 6 Jezus zei: 'Kijk uit en pas op voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën.' 7 Ze zeiden onder elkaar: 'We hebben geen brood meegenomen.' 8 Toen Jezus dat merkte, zei Hij: 'Waarom, kleingelovigen, praten jullie er met elkaar over dat je geen brood hebt? 9 Besef je het nóg niet? En herinneren jullie je niet de vijf broden voor de vijfduizend en hoeveel korven je hebt opgehaald? 10 En de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel manden je hebt opgehaald? 11 Hoe is het mogelijk? Beseffen jullie niet dat Ik niet over brood praatte met jullie? Maar pas wel op voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën.' 12 Toen begrepen ze dat Hij niet bedoelde dat ze moesten oppassen voor de zuurdesem in het brood, maar voor het onderricht van de Farizeeën en Sadduceeën.

 

Commentaar:

Farizeeën en Sadduceeën hadden weer wat bedacht maar worden door Jezus afgewim­peld. Dan waarschuwt hij zijn leerlingen niet voor hun zuurdesem maar voor hun leven­loos onderricht. De context betekent evenwel dat het onderricht van Jezus het goede brood is, dat Leven geeft; hij is het ware brood, zoals Johannes dat later zegt in zijn evangelie, 6, 27.33.35.48.50.51. Matteüs zegt het niet expliciet, Johannes wel. Zo bezien worden de twee verhalen van de broodvermenigvuldiging een geladen getui­genis van het inspirerende, het vruchtbare van de woorden van Jezus. Het bij uitstek dragende beeld van het brood doelt op  Leven, en op voedsel in 12 manden mee onderweg naar Huis. Er zal best wel iets gebeurd zijn dat dat beeld heeft opgeroepen en het verhaal heeft ontwikkeld  maar het betekende is eeuwig, goddelijk Leven.

 

Jezus, Zoon van de levende God

13 Jezus kwam in de streek van Caesarea van Filippus en vroeg zijn leerlingen: 'Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?' 14 Ze zeiden: 'Volgens sommigen Johannes de Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de profeten.' 15 Hij zei hun: 'En jullie, wie ben Ik volgens jullie?' 16 Simon Petrus antwoordde hem: 'U bent de Messias, de Zoon van de levende God.' 17 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Gelukkig ben jij, Simon Barjona; niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader in de hemel. 18 Ik zeg jou: jij bent Petrus; op die steenrots zal Ik mijn kerk bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. 19 Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.' 20 Toen verbood Hij de leerlingen om iemand te zeggen dat Hij de Messias was.

 

Commentaar:

Het is mogelijk dat met de geloofsbelijdenis van Petrus een oorspronkelijk deel van de -later- geschreven verkondi­ging werd afgesloten, dat dit een traditie-blok is; hierna lopen de synoptici nl. minder parallel.

Deze geloofsbelijdenis van Petrus en de reactie van Jezus zijn belangrijk en opvallend. Petrus neemt het voortouw, alsof de jonge kerk daarmee zijn voormanschap fundeert. Het Johannes-evangelie heeft een extra hoofdstuk nl. 21 over het voormanschap van Petrus.

Let op: Petrus' geloof komt 'van boven', het is geen puur menselijke mogelijkheid.

'Petrus' betekent 'steen', een naam die hij later krijgt; bij Paulus heet hij al 'Kefas', aramees voor steen. Het centrum van de tempel van Jerusalem, het heilige der Heilige, was gefundeerd op een rots en stond dus sterk. Niettemin zou zij worden verwoest (in 70) maar de Kerk van Jezus werd gebouwd op de rots van (persoonlijke) geloof(sovertuiging) en dat zou nooit verwoest worden. In vs 18 kun je dus het accent op 'ik' of op 'mijn' leggen.

Deze pericoop is in deze vorm zeer waarschijnlijk van later datum. Jezus had geen idee over/van Kerk. Zijn grote vraag was hoe het verder moest als hij er niet meer zou zijn. De kans is groot dat dit een geloofsbelijdenis van de wordende Kerk is gebaseerd op Jezus' uitspraken en/of houding.

'Ik zal jou de sleutels van het koninkrijk der hemelen geven' duidt op éénhoofdige besluitname: als puntje bij paaltje komt, moet jij het zeggen en dat heeft eeuwigheidswaarde. Dat wil niet zeggen dat de besluitvorming eenhoofdig moet zijn. Zie Hand 15,28 "De Heilige Geest en wij hebben besloten", na ampel overleg: meerhoofdige besluit­vorming. Zo'n structuur is dus door Jezus bedoeld - het Joods model: hogepriester en de oudsten.

Vs 20vv De Messias, de Gezalfde, zou met groot vertoon komen volgens de joodse verwachting en het was dus voor een Jood onmogelijk dat hij zou sneven, zeker niet aan een kruis. Maar de grote heerlijkheid komt later. Die waarschuwing wordt er meteen bij gezegd. Het is anders dan men zou denken.

 

Het lijden van de Mensenzoon en zijn volgelingen

21 Vanaf toen begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel moest lijden van de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden, dat Hij ter dood gebracht zou worden en op de derde dag zou worden opgewekt. 22 Petrus nam Hem apart en begon Hem de les te lezen: 'God beware U, Heer! Dat mag U niet overkomen.' 23 Maar Hij van zijn kant zei tegen Petrus: 'Weg daar, achter Mij, satan. Je bent een struikelblok voor Mij, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.' 24 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: 'Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen. 25 Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij, zal het vinden. 26 Want wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt? Of wat kan een mens geven in ruil voor zichzelf? 27 Want de Mensenzoon zal komen, bekleed met de heerlijkheid van zijn Vader, samen met zijn engelen, en dan zal Hij iedereen loon naar werken geven. 28 Ik verzeker jullie, er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze gezien hebben dat de Mensenzoon als koning komt.'

Commentaar:

Vs 23 Petrus denkt als tegenstander (satan) van wat Jezus wil, niet als duivel.

Vs 24 De overgang naar dit vers zal wel in 'achter mij' liggen: als je achter hem aan wil, in zijn voetsporen, moet je jouw (!) kruis opnemen. Je kunt ook zeggen dat je achter Jezus moet gaan staan om achter hem aan te kunnen, dus zijn voorbeeld moet volgen en niet je eigen gedachten.

Vs 25vv kunnen een overweging zijn, een toevoeging aan de woorden van Jezus in vs 24.

Vs 28. Mc en Lc schrijven:" … voordat ze het koninkrijk met kracht hebben zien komen". Dat is wat duidelijker. Bij Mt denk je meer aan de eindtijdelijke Rechter; bedoeld is de groei van de 'Jezus-sekte' tot in het 'heiden'dom, het gevestigd worden van het Koninkrijk, waar Jezus Christus heerst.

terug naar begin

 

Overzicht hoofdstukken 16,21 - 25   (althans - een poging daartoe)

 

16,21

lijdensaankondiging - opgaan naar Jerusalem - vs 27 eindgebeuren

Ik meen dat vooral dit eindgebeuren de rode draad is die vanaf hier door deze hoofdstukken heen loopt en orde/eenheid schept. De er achterliggende gedachte kan best zijn dat de Messias wel lijdt en ondergaat, maar op het eind -der tijden- zal voor iedereen duidelijk worden dat Jezus goed zat. Voor wie het ziet, gelooft, is dat duidelijk (vanaf de verrijzenis).

 

17

verheerlijking - lijdensaankondiging - mogelijkheden voor de leerlingen - lijdensaankondiging - intermezzo met de tempelbelasting

een allegaartje

18

 

de kerkrede: ontvankelijkheid en hoedzaamheid, vergeving zijn de basis­houding voor het Rijk/de Kerk om het Gezicht van God te (laten) zien

flink stuk

 

19

'vanaf begin' (vs 4) 'in beginne', beginsel-lijk

moet je voor het Rijk trouw zijn, harmonieus -je kunt daarin een hoog geloofsniveau halen- zijn als een kind en 

niet-gehecht-zijn  en

volgen.

Dit alles onderweg naar het eindgebeuren 

flink stuk

 

 

20

parabel van de arbeiders; voor-eindelijk (11e uur), hoort inhoudelijk bij 19 lijdensaankondiging - dienstigheid - blinden zien

allegaartje

21

Intocht in Jerusalem: zowel geëerd als profeet en als ook bekritiseerd parabel zeggen en doen

parabel wijngaard: vruchten

flink stuk

 

22

parabel bruiloft - tegenwerking

flink stuk

23

"Wee jullie !" - klacht/spijt

flink stuk

24

eindgebeuren

flink stuk

25

eindgebeuren:

parabel 5 dwaze en 5 verstandige meisjes

parabel 5, 2 en 1 talent

eindoordeel

flink stuk

             

Als ik dat een beetje probeer te overzien, krijg ik gezien de flinke stukken het gevoel dat Matteüs er weer is voor gaan zitten, net als bij hoofdstuk 5 - 7. Vanaf 11,1 tot 16,21 is het een verzameling van losse stukken, allegaartjes. 'Marcus schreef wel nauwkeurig maar niet systematisch op wat de Heer had gezegd en gedaan' schreef Papias in ca 130. En volgens onze theorie heeft Matteüs de tekst van Marcus -in het grieks- voor zich gehad bij zijn schrijven.

Dat 'er voor gaan zitten' gaat dan verder dan alleen maar het noteren van wat onder de gemeenten aan mondelinge traditie aanwezig is of in de tekst van Mc voor je ligt. Als je het eindgebeuren inderdaad als leidraad mag hanteren vanaf hoofdstuk 17 - mijn stelling -, dan lijkt het er op dat Matteüs vraagt aan de lezers om over/door het lijden heen de verrijzenis te zien en om de laatste zin van zijn evangelie te lezen: "Weet wel, ik ben met jullie alle dagen tot aan de voleinding van de wereld".

Vergelijk daartoe ook eens de 'toneelscène' van 17 met die van de kruisiging vanaf 27,38: wie zijn er links en rechts van hem, wie spreekt de woorden 'dit'/'deze is', hoe ziet Jezus er uit, hoe is de wolk, hoe is de aarde? Het is net alsof Matteüs zoiets zegt als:'wees maar niet bang'; hij waarschuwt ook zo zijn lezers.

terug naar begin

Een paar opvallende verzen in 17 - 24

 

17, 3  Op de hoge (!) berg (!) verschijnen Mozes en Elia, de twee coryfeeën van de Joodse godsdienst: de Wet en de Profeten. Jezus staat dus in het bestaande Joodse geloof, de oude geloofsleer en geloofsbeleving/-belofte. Maar er is meer. Volgens Lc spreken zij met hem over zijn dood. "Wet en profeten" nodigt uit naar het derde element van de joodse godsdienst: de Geschriften, die in de eredienst werden gebruikt. Jezus wordt hét element in de nieuwe eredienst, een groter offer dan dat van Isaak, het volmaakte Lam, hét dankoffer.

Elia en Mozes waren ook 'berg'figuren: 1Kon 19.8vv ("… treed voor de Heer op de berg") resp. Ex 19, 24 en eind 34.

17, 9vv De terugkeer van Elia zou voorafgaan aan de komst van de Messias. Daarom verwachten de Joden nog steeds Elia; voor hem staat altijd een stoel klaar. Elia is dus voorloper, net als Johannes. Ook martelaar, net als Jezus.

17, 22 'in Galilea' doet mij denken aan een herinnering als 'Weten jullie/we nog, toen in Galilea ? Toen zei hij het al.'

17, 27 'voor mij en voor jou'. Voor de anderen niet? Of waren die er niet? Ik vind het een typisch (vrienden)trekje tussen Jezus en Petrus.

18, 10 'hun engelen zien voortdurend het gelaat van mijn vader in de hemel'  vind ik een mystiek doordenkertje.

18, 21vv Je "broeder" staat er, niet je "belager". Jezus vraagt niet iets onredelijks. Zie vergeving, "Jaamaaar 5". De heer vergeeft 10.000 talenten en de dienaar moet 100 denariën vergeven, niet andersom. Dus als ik mijn Heer om 100 denariën vergeving vraag en krijg, wil dat niet zeggen dat ik dus voor 10.000 talenten moet (kunnen) vergeven.

19, 15  Waarom staat er bij dat hij daarna vertrok. Insinueert dat iets?

19, 18v Nagenoeg het tweede gedeelte van de tien geboden.

19, 30 heeft iemand er nog gauw bij gepropt.

21, 9 Zie psalm 118,25.26. 'Hosanna' = red toch; die betekenis vind je in vs 25. Vs 25 en 26 was de welkomstgroet waarmee de pelgrims in de buurt op het eind van hun tocht bij Jerusalem werden begroet door andere Joden.

De betekenis '(iedereen) die komt met de naam' werd door de verkondiging veranderd in 'die komt in de naam' om zo aan te geven dat Jezus 'de komende' was, die in Zijn Naam zou komen. Wat wil 'naam' ook al weer zeggen?

21, 33 'Ik wil zingen voor mijn dierbare vriend, het lied van dierbare mijn vriend en zijn wijngaard'. Eerder gelezen!

21, 42 zie psalm 118,22.

21, 44 De beschouwer die dit erbij zette, dacht vast aan dat zwaard van 10,34.

22, 12 Als die man een arme donder was die (nog) niet kon feesten, had de koning hem wel dansen of zo geleerd. Vermoedelijk was die man een profiteur, die dacht dat het vanzelf ging. Nee, ook al ben je geroepen, je moet je inzetten. Je bent geroepen om je in te zetten voor het feest van het Rijk. Er zijn maar weinigen die (zo) uitverkoren zijn zodat het vanzelf gaat (vs 14) - dus niemand. Bij Mt geldt velen = allen, en weinigen = niemand. Misschien m.u.v. kinderen. Dit verhaal is misbruikbaar. Zie Bijbelse begrippen onder 'Uitverkiezing'.

23, 34 Kennelijk hadden de christenen er toen al/nog last van, anders hadden ze/had Matteüs er geen behoefte aan gehad dit op te schrijven.

24, 2 Een aanwijzing dat (een deel van) het evangelie na 70 werd geschreven.

24, 13.46 en 25, 31 passen in de rode draad.

 

Tenslotte de verrijzenisverhalen

 

Matteüs is met 28,1-10 en 16-20 heel kernachtig maar nogal kort gezien de rest van zijn evangelie. Je gaat denken dat de mensen toen zeiden: "Dat weten we wel, we zijn er druk mee bezig". Marcus is erg karig; om de zelfde reden ?

Uit Volwassenencatechese 'Verrijzenis':  Mt 28

 

Verhaal

duiding

Ze gaan naar het graf toe

de aardbeving  

de engel daalde uit de hemel 

komt naderbij  

rolt de zware steen weg 

gaat er zelfs  op zitten 

als een bliksemschicht       

witter dan wit    

ze staan nog in (heils)relatie met hem

alles gaat onderste boven door de schokkende gedachte, inzicht, waar ze zelf niet op wamen

ze beginnen het door te krijgen

een barrière wordt geslecht
overwinning

onhoudbaar doordringend   

helder en zeker

 

m.a.w. binnen hun relatie met Jezus (geloof) merken ze, krijgen ze het inzicht dat het Joodse geloof dat iemand die goed heeft geleefd, die God kent, niet door Hem in de steek wordt gelaten, en dat dat geloof zeker/dubbel en dwars op Jezus van toepassing is ondanks zijn nederlaag en verkettering. Dat heet geloofsgenade, gave van het geloof, van God afkomstig. Dan verschijnt Jezus hun, direct, verrezen. Dat is hun ervaring. M.a.w. het verrijzenisverhaal  hoeft niet historisch te zijn, waar gebeurd. Het is een verhaal waarmee zij hun geloofsinhoud en ervaring weergeven.

 

Lucas heeft een soortgelijk opstandingverhaal als Matteüs maar geeft er nog getuigende ervaringen bij en een kort stukje (24,47.48) over de zending. Johannes vertelt twee persoonlijke ervaringen over de verrijzenis, heel indringend, maar geeft in hoofdstuk 20 geen zendingsopdracht voor de leerlingen.

 

Je ziet dat Matteüs een eigen evangelie-verhaal heeft in eigen stijl.

 

Van wie we nu afscheid nemen en voor wie onze hoed af.

 

 

 

terug naar begin

verder naar De Brieven

© 2000 -2003 P.Goris Epe