terug naar overzicht

terug naar Galaten

e-mailadres

naar Johannesevangelie

15  De brief aan de Romeinen

 

Inleiding:

       1 Waarom deze brief

      2 Situatie rondom de brief

                       

                       

3 Schema

  van de 3 delen

met detaillinks

   uitstapjes:

             homoseksualiteit

             gerechtigheid

4 Tekst:

          inleiding  1,1 - 17

          rechtvaardiging door geloof 1,18 - 4,25

          zekerheid op grond van hoop 5,1 - 11,36

          Christelijke vervulling v.d. Wet 12,1 - 15,13

          slot  15,14 -16,27

 

 

1 Waarom deze brief ?

De aanleiding is dat ik ooit het commentaar op deze brief van mijn leermeester, prof. Th. De Kruijf, heb gekocht en dit graag wilde lezen. Dat kan natuurlijk het beste in een groep. Zodoende werden de deelnemenden geroepen tot het lezen van een van de moeilijke brieven. Zijn commentaar volg ik maar alleen die punten die voor ons te behappen zijn. Ook nu geef ik door wat ik heb geleerd.

De reden is dat deze brief wordt beschouwd als dé brief en daarom staat ze vooraan in het rijtje van de brieven, hetgeen wellicht ook de reden is dat het evangelie van Matteüs vooraan staat in het evangelie-rijtje. Historisch gezien is deze brief zeker niet de eerste brief van Paulus, waarover je inzake Mt nog ruzie kunt maken. Dat de brief moeilijk is, heeft ook zijn voordeel: als we haar doorgenomen hebben, kun je andere brieven beter aan, hoewel het niet de bedoeling is hem exegetisch uit te pluizen. Daarvoor heb je de griekse tekst nodig en het zou voor ons doel beslist te ver voeren, (hoewel - ook exegese is bezig zijn met het Woord) m.a.w. het zal wel meevallen. Leuke stijlfiguren laat ik rusten omdat die niet iedereen interesseren.

Het belangrijkste zij ook nu weer 'het ermee bezig zijn', samen Gods woord laten weerklinken. Dat is tenslotte de reden  nog een jaar door te gaan met de bijbelkoers. Voor de lezer(es) - liefst ook in een groep - zij deze brief nog meer dan Mt en Gal een bezig zijn, lezen en herle­zen, laten bezinken, kijken wat Paulus bezielt, ervan meekrijgen. Ik vind hem vaak meer mysticus dan verkondiger. Praktisch voordeel zie ik niet zo direct, wel kreeg ik al doende meer zicht hoe het heil kwam/komt via J.v.N./J.C., wat/hoe Paulus denkt.  

 

2 De situatie rondom de brief

Bovendien vind ik het inspirerend om je in te leven in de situatie van de kerk. Paulus is 'klaar' in Klein-Azië. Hij zal naar Jeruzalem gaan om de collecteopbrengst daar af te leveren en hoopt dan naar Rome te gaan om vandaar uit in Spanje te missioneren. Rome is een goede springplank en het is logisch dat hij zich daar 'presenteert', want hij hoopt dat die gemeente hem zal uitrusten voor de reis. Bovendien wil hij -ook voor zichzelf- de zaken op een rijtje hebben. Wij vinden misschien dat Paulus een beetje zeurt, het loopt toch allemaal goed. Dat zeggen wij nu, nu we weten hoe goed alles is gegaan maar dat wist Paulus toen niet; hij kon alleen maar hopen. De wereld was toen slecht, zie de brief, er waren alleen een aantal kleine vlammetjes van hoop, de christengemeenten, en er was de nodige tegenwer­king van geloofsgenoten, de Joden. Daartegen in schrijft Paulus zichzelf moed in door zich en zijn 'leer' te verantwoor­den t.o.v. anderen maar ook om voor zichzelf e.e.a. op een rijtje te hebben.

Volgens De Kruijf is die hoop het hoofdthema van de brief. Hij begint met rechtvaardiging door geloof: we hebben een goed startpunt door onze verbondenheid met J.C. door de doop. Maar hoe zal het verder gaan met ons en met de wereld? Dat is onze(!) hoop die we door J.C. hebben. En ook al is de wereld niet in een keer gered: als wij christelijk leven, vullen we in ieder geval in. Ik denk dat het woord 'rechtvaardiging' in het algemeen het beste kan worden begre­pen als 'met fatsoen voor God kunnen staan'. "kunnen": enerzijds dat wij - met een beroep op Barmhartigheid - voor Gods Aanschijn mogen staan en anderzijds dat God Zijn Welbehagen stelt in ons als volgelingen van Zijn Zoon.

Rechtvaardiging door geloof was een van de drie thema's van Luther. Hij verzette zich terecht tegen de aflatenpraktijk, waardoor men zijn zaligheid kon kopen: sola fide, alleen door geloof word je gered. Zonder verdere nuancering is dat natuurlijk niet voldoende. Maar de reformatie heeft aan die wijze van rechtvaardiging wel veel aandacht gegeven waardoor deze brief toch  anders werd benaderd dan wij nu doen - ik vind zelf en hoop ook voor anderen inspirerend.

 

3  Het schema van de brief 

(zonder de inleiding 4.1 en het slot 4.5)

 

Rechtvaardiging door geloof  4.2

1,18 – 4,25

 

Zekerheid op grond van hoop  4.3

5,1 – 11,36

 

Christelijke Wetvervulling  4.4

12,1 – 15,13

 

1 De samenleving is zondig

a de hele samenleving  1,18

b de leidende personen  2,1

c de (vooraanst.) Joden  2,17

   intermezzo: voorrecht v.d. Jood? 3,1

 

2 Conclusie: allen onder de zonde  3,9

(dus: rechtvaardiging is ter zake)

 

3 Rechtvaardiging door geloof  3,21

 

4 Schriftbewijs: Abrahams geloof  4,1

 

1 Argument 1  (on-)liefde

a ervaring: Gods liefde in J.C. 5,1

b Schrift: 'hoeveel te meer'   5,12

c de obstakels:

- de zonde 6,1

- de wet 7,1

2 Argument 2   Geest

a leven naar Geest, niet naar vlees  8,1

b onze verwachting: de kracht van Gods    Geest  8,18

c voorlopige conclusie en doxologie  8,31

3 Argument 3  Schriftbewijs

a God - Israël: trouw van God  9,1

b    ,,      ,,   :  ontrouw van Israël  10,1

c    ,,      ,,   :  het geheim   11,1

4 Conclusie van het 2e deel: doxologie  11,33

1 Liefde in de gemeente

      a broederliefde  12,1

   interm.: naar buiten? 2,17

      b liefde vervult wet 13,8

 

2 Aanvaard elkaar  14,1

      samenvatting brief  15,7

     

4  De tekst met commentaar

Links de tekst van de Willibrord '95 - rechts het commentaar, ook kritiek op vertaling. De perikoop-opschriften staan cursief. Cursieve druk in de tekst duidt op andere vertaling.

 

4.1 De inleiding   1,1 – 17

bevat het standaardrijtje: geadresseerde, groet/wens, dankzegging en thema. Misschien weten we nog dat Paulus in de Galatenbrief de dankzegging weg liet en meteen uit zijn slof schoot.

Schrijver, lezers, groet  1,1 - 8

Van Paulus, dienstknecht van Christus Jezus,

 

 

 

 

 

door God geroepen tot apostel en bestemd voor de dienst van het evangelie,

 

 

2 dat God eertijds door zijn profeten in de heilige ge­schrif­ten heeft aangekondigd. 3 Dat evangelie spreekt over zijn Zoon, die naar het vlees is geboren uit het geslacht van David, 4 en die naar de heilige Geest is aangewezen als Zoon van God in kracht, door zijn opstanding uit de doden, Jezus Christus onze Heer.

5 Door Hem heb ik de genade van het apostelschap ontvangen, om ter wille van zijn naam onder alle volken mensen tot de gehoorzaamheid van het geloof te brengen.

 

 

6 Ook u hoort bij hen, geroepenen van Jezus Christus!

 

7 Aan u allen in Rome die God liefheeft en tot zijn heilige gemeente heeft geroepen: Genade en vrede zij u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus!

'dienstknecht': die van de Heer; O.T.-isch ! In het grieks staat 'slaaf' d.w.z. in dienst van de Heer maar ook zijn bezit; Paulus is 'bezeten' door/van C.J. met eigen instemming.

'Christus' voorop: waarschijnlijk ouder dan 'Jezus Christus' als aan­duiding van het Messias-zijn van Jezus, dat vooral in het begin van de verkondiging cruciaal was, het inhaakpunt.

a) geroepen  b) bestemd  Het geroepen-zijn raakt zijn persoon, zijn 'wezen'; het bestemd-zijn bepaalt zijn rol.

'evangelie': het goede nieuws dat toen in de harten van  mensen leefde; het was nog geen boek ! Jezus zag zichzelf als de vreugdebode van het Rijk Gods.

2 'eertijds': voortkomend uit het 1e Verbond, continuïteit !

3 + 4: kijk eens hoe sterk dat evangelie is !

'naar het vlees geboren' staat parallel aan 'naar de Geest aangewezen': hemel én aarde.

'opstanding' houdt belofte in voor zijn volgelingen.

5 'door hem': meestal in de betekenis van 'via hem'. Via Jezus tot de Vader.

'apostelschap': in Gal meer het ambt, gezag (vanwege de polemiek); hier meer de inhoud.

a) 'ontvangen' b) 'brengen'  parallel aan geroepen en  bestemd; gehoor'zaam' als spaar'zaam': gehoor geven.

6 voor de duidelijkheid: ik heb het jullie niet gebracht, jullie hadden het al gekregen.

7 'lief heeft' en 'geroepen': meteen ter zake !

'genade en vrede …' gebruiken we nog.

'onze Vader': die in de hemel.

 

Dankzegging en reisplannen  1,8 -15

In de Galatenbrief bleef de dankzegging weg.

 

8 In de eerste plaats breng ik door Jezus Christus dank aan mijn God voor u allen, want in de hele wereld spreekt men van uw geloof. 9 God, die ik van harte dien door het evangelie van zijn Zoon te verkondigen, is mijn getuige dat ik u zonder ophouden gedenk. 10 Telkens weer smeek ik Hem in mijn gebeden dat zijn wil het mij eindelijk mogelijk mag maken bij u te komen. 11 Want ik verlang er vurig naar u te leren kennen, in de hoop u een of andere geestelijke gave te kunnen meedelen om u te sterken, 12 of eigenlijk, om bij u en met u de vertroosting te genieten van ons gemeenschappelijk geloof, het uwe zowel als het mijne. 13 U moet wel weten, broeders en zusters, dat ik dikwijls van plan ben geweest u te bezoeken, om ook onder u, evenals onder de overige heidenvolken, enige vrucht te oogsten; maar tot nu toe was ik telkens verhinderd.

 

14 Ik sta in de schuld bij Grieken en niet-Grieken, bij ontwikkelden en ongeletterden; 15 vandaar mijn gretigheid om ook u, Romeinen, het evangelie te brengen.

 

8 'door J.C.' aan God, dus geen Jezu-ologie, die niet verder gaat dan Jezus.

 

9 even slijmen; dat heet 'captatio benevolentiae', aanspraak maken op welwillendheid.

 

 

 

 

12 Paulus corrigeert een beetje, zij geloofden immers al en hij legt uit wat hij bedoelt nl. samen 'genieten'. Doen wij nu ook, nietwaar?

 

 

13 'heiden'-  heeft niet onze ongunstige betekenis maar doelt op de andere, niet-Israëlische volken misschien wel de andere dan de Romeinse volken.

14 'in de schuld staan'  letterlijk 'verplichtingen'.

15 De betekenis zij dat hij zo verknocht is aan dat goede nieuws, dat in hem leeft, dat hij het overal wil brengen (zijn rol, zie boven, v 1) en verkondigen, samen vieren.

Eigenlijk rijst hier een probleem: het grieks zegt echt 'evangeliseren' maar wat wil Paulus brengen of verkondigen (in de gewone betekenis) als zij al geloven? Niettemin blijkt dat Paulus toch wel een paar 'tips' heeft voor de Romeinen.

 

Het onderwerp van de brief  1, 16-17 

Het goede nieuws (evangelie) is dat God een (ger)echte is, een goede, die doet wat Hij zegt, heil brengt, zo dus Zijn gerechtigheid toont.

16 Want voor dit evangelie schaam ik me niet. Immers, het is een goddelijke kracht tot redding van ieder die erin gelooft,

 

 

de Joden allereerst, maar ook de Grieken,

 

 

 

17 want daarin openbaart zich

 

Gods

gerechtigheid op grond van

een steeds groeiend geloof,

 

 

zoals geschre­ven staat: "de rechtvaardige zal door het geloof leven".

16 'want': de reden waarom hij zo graag wil.

'evangelie' dus (het feest van) het goede nieuws.

'immers' staat er wel in het grieks. Beter "… Gods kracht immers is het tot redding …".  Die kracht in hem zelf, die voor  iedere evangelie-drager mag gelden - ook nu nog.

'aller eerst' insinueert dat de Joden meer recht hebben (of zo iets) dan de volken en dat staat er niet in het grieks; beter "… de Jood wel het eerst maar ook de Griek"; het is immers begonnen bij de Joden.

17 'openbaart': dynamisch, het gaat door in dat goede nieuws, in de harten van de mensen.

'Gods' heeft accent: de betrouwbare.

'gerechtigheid' heeft ook accent, hier het thema.

'groeiend geloof' en 'geschreven': schrift + ervaring !  Paulus combineert die twee vaak.

'steeds groeiend …' lett. "… vanuit geloof tot geloof": persoonlijk 'groeiend'; ook 'zich uitbreidend'? Gods gerechtigheid is immers voor de hele wereld. 

 

Een stijlfiguur; vv 16 en 17 corresponderen:

het evangelie

is

goddelijke kracht

tot redding

ieder die er n gelooft

daarin

openbaart zich

gerechtigheid Gods

tot geloof

vanuit geloof

 

Het commentaar van de Willibrord bij v 16&17 over 'geloof' a - b - c is de moeite waard maar meer catechetisch dan exegetisch.

 

4.2  Het eerste deel                Rechtvaardiging door geloof  1,18 - 4,25                Desgewenst zie schema

onderdelen: 4.2.1 de samenleving is zondig, 4.2.2 conclusie: allen onder de zonde, 4.2.3 rechtvaardiging door geloof, 4.2.4 Schriftbewijs

 

Paulus beschrijft hoe slecht de wereld is gezien de 'goddeloosheid en ongerechtigheid' van de mensen. Daartegen richt zich het goede nieuws, die zo sterk is dat ze die wereld aan kan. De 'toorn' van God is zij laat zien hoe ongeluk­kig die mensen zijn. 'Toorn" is voor ons een beladen woord; 'misnoegen' lijkt wat beter. Hoe het ook zij, het gaat erom dat God de mensen niet voor ongerecht heeft bestemd. Uit die toorn blijkt Gods gerechtigheid, want HijZ wil het anders, nl. het goede, het 'te recht', en HijZ laat - vooral in Jezus - zien dat HijZ 'ge recht' is, op het goede uit is.

Paulus heeft het eerst over de degenen die God niet willen erkennen en dan over degenen die dat wel doen maar de wereld bekritiseren zonder zelfkritiek, vooral de Joden. Conclusie: 1) allen staan onder de zonde, onder Gods toorn 2) door Wetswerken alleen wordt niemand gerechtvaardigd. Dan als het sterke punt: nu is buiten de Wet om (die het niet voor elkaar kreeg)  Gods gerechtigheid, zorg, trouw, openbaar geworden in Christus (Messias) Jezus.

 

4.2.1 Onderdeel 1: de samenleving is zondig  a)  de hele samenleving 1,18 - 32    Desgewenst zie schema

onderdelen: 4.2.1 de samenleving is zondig; 4.2.2 conclusie: allen onder de zonde; 4.2.3 rechtvaardiging door geloof; 4.2.4  Schriftbewijs

 

De heidenen zijn dus de niet-joodse volken misschien wel de niet-Romeinse volken, die natuurlijk ook tot de samen­leving behoren. De stijl van dit stuk is retorisch; het is dus meer een 'stuwende taalvorm' dan een redenering.

De heidenen zondigen

18 Want van de hemel uit openbaart zich Gods toorn over de goddeloosheid en ongerechtigheid van allen die door hun ongerechtigheid de waarheid onderdrukken.

19 Want wat een mens van God kan weten, is hen bekend; God heeft het hun geopenbaard.

20 Vanaf de schepping van de wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken

 

 

aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid. Daarom zijn zij niet te verontschuldigen.

 

 

 

21 Want ofschoon zij God kenden, hebben zij God niet de Hem toekomende eer en dank gebracht. Al hun denken is op niets uitgelopen en hun Geest, die het inzicht verwierp, werd verduisterd. 22 Zij beweerden wijzen te zijn, maar werden dwazen. 23 De majesteit van de onvergankelijke God hebben zij verruild voor de afbeelding van de gestalte van een vergankelijk mens, en van vogels en van viervoetig en kruipend gedierte.

 

24 Daarom heeft God hen prijsgegeven aan hun onreine begeerten, zodat zij hun eigen lichaam onteren.

25 Zij hebben de goddelijke waarheid verruild voor de leugen, en de schepping geëerd en aanbeden in plaats van de schepper; Hij is gezegend in eeuwigheid! Amen. 26 Daarom heeft God hen prijsgegeven aan onterende hartstochten. Hun vrouwen hebben de natuurlijke om­gang verruild voor de tegennatuurlijke. 27 Eveneens hebben de mannen de natuurlijke gemeenschap met vrouwen opgegeven en zijn ze in lust voor elkaar ont­brand: mannen plegen ontucht met mannen. Zo ontvan­gen zij aan den lijve het verdiende loon voor hun afdwaling.

28 En omdat zij zich niet verwaardigd hebben God te erkennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun nietswaardigheid, zodat zij alles doen wat niet te pas komt. 29 Vervuld zijn zij van allerlei ongerechtigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid; vol nijd, bloeddorst, ruzie, bedrog en kwaadaardigheid. Roddelaars zijn het, 30 lasteraars, haters van God, vermetel, verwaand, protserig, vindingrijk in het kwaad, ongehoorzaam aan hun ouders, 31 onverstandig, onbestendig, zonder liefde en zonder mededogen. 32 En geheel en al bekend met Gods vonnis,

dat wie zulke dingen doet de dood verdient, bedrijven zij deze misdaden niet alleen, maar juichen die ze die ook toe bij hen die ze begaan.

18 'want'  niet "maar" omdat Gods toorn/gerechtigheid aangegeven moet worden in het verlengde van v 17.

19 + 20 werken het 'onderdrukken' van 18b uit. Paulus denkt aan de (Griekse) 'wijzen' die volgens hem 'de waarheid' menen te kennen.

20 De Onzichtbare openbaart zich in de schepping, Joods geloof. Paulus meent dat ieder mens, die immers naar de hemel kan kijken, zo iets moet kunnen zien en laten meetellen.

'… aanschouwd …': als je wil zien. Het griekse woord voor 'rede' (nous) geldt ook voor het Hebreeuwse 'gehoor', 'hart', 'geest'. Daarmee kan men redelijkerwijs Zijn eeuwige macht en zijn godheid 'zien' en 'leren kennen', dus met meer dan verstand alleen, hetgeen die wijzen niet kunnen.

21 'kenden': beter 'hebben leren kennen', een proces.

'Al hun denken …' hoort ook bij de reden van 'niet te verontschuldigen'; dus 'al hun denken is nl. op niets …

 

 

'verruild' !

'gestalte van …' verwijst naar afgodsbeelden en het gouden kalf. Ps 106, 20: "Zij verruilden hun heerlijke God voor een beeld, voor het beeld van een rund dat gras vreet".

'prijsgegeven'!  'onrein': niet op God gericht

'onteren': hun (lichamelijk) beeld van God zijn, en gras vreten.

'verruild' !

Een joodse zegenspreuk -  om even adem te happen?

'prijsgegeven'! Aan ontering.

De natuur laat nl. zien hoe je je lichaam als Godbeeld eert.

'verruild' ! Voor de derde keer; Paulus walgt.

V 26 + 27 gaan meer over persoonlijk gedrag.

Zo heel wijs zijn ze dus nou ook weer niet.

 

 

 

V 28 - 32 gaan meer over maatschappelijk gedrag.

'prijsgegeven' Voor de derde keer: "Stommelingen!"

'nietswaardigheid' is erger dan 'nietswaardige gezindheid'.

29vv de z.g. zondencataloog. Had die maar in de biechtstoel gehangen.

 

 

 

 

32 'vonnis': 'rechtsvordering' is qua begrip meer terzake want zo moet God wel oordelen gezien Zijn gerechtigheid.

'dood': niet zo zeer lichamelijk dood als wel aan geestelijk dood, dood voor Gods Aanschijn (toch doodzónde!). 

Met v 32 stapt Paulus over naar de vooraanstaande kringen in het volgende hoofdstuk.

terug naar begin

 

Een uitstapje over homosexualiteit en nog iets anders

Vaak wordt homosexualiteit afgewezen op grond van bijbelteksten. Dit is er zo een. Maar wie dat wil, moet aantonen dat homofielen hun aard hebben verruild en zijn afgedwaald. Andere teksten waarop men zich beroept zijn Gen 19,1-29. Als je nu eens niet op seksualiteit bent gefocust, wat is dan de moraal ? Ik zie schending van gastvrijheid, het recht van de vreemdeling, als de zonde. Hetzelfde bij Re 19,1-30. Zie ook Gen 34,7; Deut 22,21; Joz 7,15; 2Sam 13,12 om te zien wat en hoe zwaar dat een schanddaad is, waarop zo'n grote straf staat.

Als je Lev 18,19 - 30 leest, Lev 20,13.14 (eventueel t/m 27) en Deut 21,18 - 21, wat is dan gemeenschappelijk aan die teksten; wat is de zorg ? Vind je van die Lev-teksten nog iets terug in Deut 22 of 27, of elders, of in het N.T.?

Ik reken bij de categorie mensen die Paulus boven in v 29v beschrijft niet gewone en fatsoenlijke mensen. Ook bij het rijtje van 1Kor 6,8vv horen homofielen niet thuis. Het gaat daar letterlijk om onrechtplegers, a-maatschappelijken.

Iets heel anders: ik meen dat je aids, voor zover sprake is van menselijke schuld (!), -naar Paulus- als Gods toorn kunt aanmerken. Maar ook in de slachtoffers spreekt Gods toorn. Die ellende wil God zeker niet. Als wij maar onze beschuldigende vinger met Gods straffende hand er omheen gedraaid thuis houden. HijZ oordeelt en aan Hem is de wrake, niet aan ons. Van de andere kant: de gezonden kunnen ook Gods gerechtigheid laten zien door hen te verzorgen. Ik meen dat dit een eerlijke benadering is.

 

Onderdeel  1:  de samenleving is zondig  b) De leidende personen 2,1 - 17        Desgewenst zie schema     

Paulus spreekt nu rechtstreeks mensen (niet alleen Joden) aan die kritiek op en een oordeel over anderen hebben, de leidinggevenden, hoewel het ook om loslopende lastpakken kan gaan. De clou is dat zij anderen oordelen en zelf misdoen maar ook dat zij zich een oordeel aanmatigen: alleen God oordeelt en alleen zijn oordeel is terecht.

Ook de Joden zondigen   (Zijn hier inderdaad Joden bedoeld? "leidinggevende personen" lijkt me beter)

2, 1 Maar dan ben jij, mens die oordeelt, wie je ook mag zijn, evenmin te verontschuldigen. Want met je oordeel over anderen veroordeel jij jezelf. Jij die je tot rechter opwerpt, doet immers precies hetzelfde. 2 Wij zijn het erover eens dat God terecht hen veroordeelt die zulke dingen doen. 3 En jij die een oordeel velt over hen die zulke dingen doen, en ze zelf ook doet, reken jij erop dat je aan Gods oordeel zult ontsnappen? 4 Of misken je zijn rijkdom aan goedheid en geduld en lankmoedigheid, en besef je niet dat Gods goedheid je tot inkeer wil brengen? 5 Met je botte en onboetvaar­dige gezindheid stapel je voor jezelf een kapitaal van toorn op tegen de dag van de toorn, wanneer Gods rechtvaardig oordeel openbaar zal worden. 6 Hij zal iedereen loon naar werken geven: 7 het eeuwige leven aan hen die door standvastig het goede te doen, streven naar onvergankelijke heerlijkheid en eer; 8 maar toorn en gramschap wacht hen die weerspannig de waarheid verwerpen en de ongerechtigheid omhelzen. 9 Kwelling en benauwdheid wacht elke mens die het kwade bedrijft, de Jood in de eerste plaats, maar ook de Griek; 10 heerlijkheid, eer en vrede wacht een ieder die het goede doet, de Jood in de eerste plaats, maar ook de Griek. 11 Want God kent geen aanzien des persoons.

 

 

 

 

1 God is de rechter, niet de mens.

 

3 - 4 God oordeelt wel maar Hij is ook rijk aan goeder­tierenheid enz. I.p.v dat de mens zich daaraan overgeeft, veracht de mens God en denkt dat HijZ toch niets kan doen en hij Hem kan ontvluchten. Maar Gods goedheid is geen teken van zwakte; HijZ wil dat de mens zich bekeert. Wie dat miskent, laadt de toorn op zich voor de dag van Gods oordeel.

 

6 - 8 zijn criteria voor Gods oordeel 

 

 

 

 

9 'elke mens'!

 

 

11 'Geen aanzien des persoons' maar er is een verschil tussen Jood en Griek nl. de Tora en besnijdenis.

Eerst behandelt Paulus dit verschil en dan richt hij zich tot de Jood.

 

Wet en besnijdenis

12 Zij die zonder de wet hebben gezondigd, zullen ook zonder de wet omkomen; en zij die met de wet hebben gezondigd, zullen door de wet worden veroordeeld. 13 Want niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig in Gods oog; alleen de onderhouders van de wet zullen worden gerechtvaardigd. 14 Wanneer heidenen, die de wet niet hebben, uit zichzelf doen wat de wet verlangt, zijn zij zichzelf tot wet, ook al bezitten zij de wet niet. 15 Zij tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt daarvan, en hun gedachten, die hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken

 

16 op de dag dat God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus.

12 De zondaar komt om met of zonder Wet.

 

 

13 'onderhouders' is hier wel duidelijk maar elders gaat het erom dat je niet alleen maar de wérken van de Wet doet; je hart hoort erbij.

 

15 Jer 31, 33: "Ik grif die (nl. de Wet) in hun hart". Dat is kennelijk ook bij 'heidenen' mogelijk.

Het geweten functioneert juist wanneer het moet kiezen tussen tegenstrijdige gedachten. Samen met de Wet is het dan getuige (2 getuigen !) voor het juiste, voor gerechtigheid.

16 'mijn evangelie' niet het boek maar .....

Alweer 'C.J'. Je gaat je afvragen of J. C. niet uit de liturgie stamt. Zie 1, 4b.6.7b.  C.J. lijkt dan meer heilshistorisch.

 

terug naar begin

Onderdeel 1:   de samenleving is zondig  c) de -vooraanstaande- Joden   2, 17  -  2, 29    Desgewenst zie schema

De Tora noch besnijdenis garanderen de Jood dat hij onder het oordeel uitkomt. Hij zal ook verantwoording van daden moeten afleggen. In Mt zegt Johannes de Doper tegen de Joden (uit Jerusalem) dat God nog uit stenen zonen van Abraham kan maken. Ook als zoon van Abraham ontkom je niet aan bekering.

Je kunt je afvragen tegen welke Joden Paulus het heeft. Vermoedelijk die in de diaspora.

17 Jij die je Jood noemt en steunt op de wet en roemt op God, 18 zijn wil kent en, onderwezen door de wet, de dingen onderscheidt waar het op aankomt; 19 jij die je opwerpt als gids van de blinden, als licht voor hen die in het duister zijn, 20 als opvoeder van de onverstandigen en leraar van de onmondigen; jij die in de wet de belichaming bezit van kennis en waarheid; 21 jij, leraar van anderen, bent niet in staat jezelf te onderrichten? Je verkondigt dat men niet mag stelen, en zelf steel je? 22 Je verbiedt echtbreuk en pleegt zelf overspel? Je veraf­schuwt afgodsbeelden en plundert zelf tempels? 23 Je bent trots op de wet, maar onteert God door diezelfde wet te overtreden! 24 Want staat er geschreven: "Door uw toedoen wordt Gods naam gelasterd onder de heidenen".

25 De besnijdenis heeft zeker waarde, maar alleen als je de wet onderhoudt; ben je echter een overtreder van de wet, dan geldt je besnijdenis als onbesnedenheid. 26 En omgekeerd, als een heiden de voorschriften van de wet onderhoudt, zal zijn onbesnedenheid dan voor God niet gelden als besnijdenis? 27 En hij die zonder lichamelijk besneden te zijn de wet volbrengt, zal het oordeel uitspreken over jou die mét wetboek en besnijdenis de wet overtreedt. 28 Want Jood zijn is niet iets uiterlijks, en de besnijdenis is niet iets uiterlijks en lichamelijks. 29 Jood ben je van binnen, en de werkelijke besnijdenis is er een van het hart, een geestelijke en niet een naar de wet. Zo iemand wordt geprezen, niet door de mensen maar door God.

17 'roemt': later roemt Paulus op J.C. "ik schaam me niet voor dit evangelie" is ook een soort van roemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

22 'plundert zelfs tempels': een acceptabele verklaring is dat 'echte' Joden handelen in heidense tempelvoorwerpen.

24 'Want' is past beter in de redenering dan 'daarom'.

De reden van de ontering ligt in de Wet !

 

25 - 29  Nu - na de Wet - het tweede pluspunt voor de Jood nl. de besnijdenis

 

26 Dat is nogal wat voor een Jood. Paulus stelt zich radicaal op t.o.v. zijn geloofsgenoten.

 

 

27 'Dit nooit!' moet een Jood dan denken.

 

28 ! 't Is maar dat je het weet.

 

 

29 ' … naar de wet'. Wij zeggen "naar de letter".

 

 

Onderdeel 1:   De samenleving is zondig  intermezzo: Wat is dan het voorrecht van de Jood ?   3, 1 - 8 

Paulus stelt nu zichzelf als Jood een moeilijke vraag. Hij gebruikt de 1e  persoonsvorm en heeft het over God. Als God niet trouw is aan zijn eerste verbond, hoeven we niet te hopen.                                 Desgewenst zie schema

3,1 Wat heeft de Jood dan voor op de anderen? Wat voor nut heeft het om besneden te zijn? 2 Heel wat, in ieder opzicht. En wel in de eerste plaats dit, dat hun de godsspraken werden toevertrouwd. 3 U zegt dat sommi­

1 - 8 Een aantal bestaande vragen met als verborgen vraag: wat is de zin van mijn roeping ? Naar ons vertaald: wat is het nut van Christen zijn ?

2 '… godsspraken' nl. die in het O.T.

 

gen van hen ontrouw zijn geworden? Dan vraag ik u: kan hun ontrouw Gods trouw tenietdoen? 4 Volstrekt niet! Ook al is elk mens een leugenaar, God is waar­achtig, want er staat geschreven: "U wordt gerechtvaar­digd  in uw uitspraken en U overwint, als men U wil oordelen".

5 Indien echter onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid in het licht stelt, volgt daaruit dan niet - ik spreek nu erg menselijk - dat God onrechtvaardig is als Hij straf oplegt? 6 Volstrekt niet! Hoe zou God anders de wereld kunnen oordelen? 7 Als het waar was dat menselijke leugens de waarachtigheid van God deden toenemen en zijn glorie vermeerderden, waarom zou ik dan nog als zondaar veroordeeld worden? 8 Of geldt soms het woord - dat sommige mensen mij lasterlijk toeschrijven - Laat ons het kwade doen vanwege het goede dat eruit volgt? Zij hebben hun vonnis wél verdiend.

3 Op Gods trouw is het tweede deel van de brief gebaseerd nl. de hoop.

4 Gods trouw wordt bijbels gefundeerd, beleden, m.b.v. Ps 51,6

 

 

 

5 'menselijk': dat zou ons, mensen, wel goed uitkomen.

'… straf' beter zij 'de toorn'. Straf is interpretatie, nl. een stap verder dan toorn want daartussen kan barmhartigheid zitten.

7 Dan hoef ik me zelf ook geen dikke te maken.

8 O ja ! even een tussendoortje: tegen zulke flauwe, onwaarachtige gezegden moet Paulus zich verweren.

 

'wél', lett. in recht, sluit aan bij 'gerechtigheid'. (hij is boos)

 

 

4.2.2 Onderdeel 2   Conclusie: Joden en Grieken, allen onder de (macht van de) zonde  3, 9 - 20. Desgewenst schema

onderdelen: 4.2.1 de samenleving is zondig, 4.2.2 conclusie: allen onder de zonde, 4.2.3 rechtvaardiging door geloof, 4.2.4 Schriftbewijs

 

De Kruijf vat als volgt samen:"Volgens Paulus' stelling (1,16-17) openbaart Gods gerechtigheid zich in de kracht van het evangelie, dat voor allen die geloven, Joden en Grieken, bestemd is. Hoe groot die kracht is, laat Paulus in eerste instantie zien door een beschrijving van de mensen-wereld, die terecht aan de toorn van God onderhevig is: het morele verval van de samenleving, van leidinggevende personen, en in het bijzonder van leiders van het joodse gemenebest (1,18 - 2,29). De aanklacht tegen 'de Jood' brengt Paulus tot de overweging van een moeilijke vraag, de vraag naar de onderlinge verhouding van de getrouwe God en degenen die Hij had bevoorrecht. Deze overweging leidt tenslotte tot de vraag: hoe moet ik Gods oordeel, dat Hem zijn recht geeft, in overeenstemming brengen met zijn heilbrengende gerechtigheid ? …"  Die vraag ligt indirect in v 3,7 en wordt hier enigszins a.d.h.v. bijbelteksten beantwoord (maar komt pas volledig in het derde onderdeel te voorschijn). Het stuk sluit het negatieve deel af en leidt het positieve deel in.

Allen zondigen 

9 Hoe dan? Hebben wij dan toch iets voor op de anderen? Helemaal niet. Ik heb immers reeds vastgesteld dat allen, Joden zowel als Grieken, zich in de macht van de zonde bevinden; 10 of met de woorden van de Schrift:

 

 

 

 

"Er is geen rechtvaardige, zelfs niet één,

11 niemand die verstandig is, niemand die God zoekt.

12 Allen zijn afgedwaald, allen verdorven;

niemand is er die het goede doet, zelfs niet één.

13 Een open graf is hun keel, met hun tong plegen zij bedrog, achter hun lippen vind je addergif.

14 Hun mond is vol vervloeking en bitterheid,

15 gezwind zijn hun voeten om bloed te vergieten.

16 Vernietiging en onheil tekenen hun weg,

17 maar de weg van de vrede kennen zij niet.

18 Ontzag voor God staat hun niet voor ogen."

19 Welnu, wij weten dat de wet al wat zij zegt, tegen hen zegt die onder de wet staan. Zo wordt ieder de mond gesnoerd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20

 

 

Want geen mens zal in zijn ogen als rechtvaardig gelden omdat hij de wet onderhield; de wet doet alleen maar de zonde kennen.

9v vervolg op v 8: Het gaat niet om een tegenoverstelling Jood – Griek maar om Paulus zelf, die hier -en vaker- in het grieks tweemaal 'wij' hanteert: verschuil ik me zelf achter spitsvondige redeneringen ? Helemaal niet !

9 'vastgesteld': in het grieks staat ' heb allen ervan beschuldigd onder de zonde te zijn', hetgeen niet zo afdwingend is. Het gaat immers om geloof en dat is niet absoluut; ménsen zeggen dat ze  .... Anderen kunnen anders denken.

10 - 18 zijn uit psalm 14 en 53.

'verdorven'; 'onnut' is een betere vertaling klinkt minder desperaat.

De opbouw van dit stukje is kunstig maar dat is alleen via de griekse tekst en de betreffende psalmen te zien.

 

 

 

 

19 Ook Joden, allen onder het oordeel.

Dat er niet één rechtvaardige is naar de normen van de Tora gaat in tegen de opvat­ting binnen de Joodse gemeen­schap die een uitzondering maakt voor de 'tsaddiek', de rechtvaardige, zoals bijv. Abraham, Jozef, Jozef van Maria, die niet met stenen gooit. Het is niettemin nogal hard wat Paulus zegt. Misschien komt dat doordat hij een enorme, radicale omkeer naar J.C. heeft mee- en doorgemaakt .

20 '… alleen de zonde kennen'; zij brengt geen verlossing.

 

Een uitstapje over Gerechtigheid

Niet op de eerste plaats aan recht en rechtvaardigheid denken. Gerechtigheid omvat meer. Het Egyptische begrip 'Ma'at', dat ook met gerechtigheid wordt vertaald, zet ons op een spoor.

De oude volken hadden meer oog voor de sterrenhemel dan wij. Wie al eens op een ongewone, gunstige plaats onder(!) de sterrenhemel heeft gestaan, kan erdoor 'geraakt' worden - zoals de Noordeling van het Poollicht gaat houden. De oude volken zagen echter ook de regelmaat, het in stand blijven, het eeuwigdurend doorgaan, de 'recht'heid in de bewegingen van de sterren, zon en maan, (op een paar vagebonden -planeten- na). De begrippen schoonheid, rust, regel, verheven, eeuwig zijn hier ter zake. Zou de mens die herkennen, zou het geheel zo'n indruk op hem maken, als die mogelijkheid niet in hem was gelegd ?

Het leven op aarde moet ook in stand blijven, iets dat heel kortbij ons ligt, want het gaat om ons eigen hagje. De eerste praktische manier om te overleven is rechtvaardigheid, ieder voldoende en het zijne en niet meer dan dat ten koste van een ander. Als dat lukt, zou men dan daarin niet iets van die hemelse continuïteit herkennen, iets van dat hemelse op aarde waar willen maken als een soort ideaal, een leefpatroon, een sociaal programma? Dan kunnen hemel en aarde worden verbonden. Dan komen er wel ideeën omhoog die verder reiken dan praktisch recht, bijv. vrijgevigheid, aalmoes, naastenliefde, iemand bevestigen, eeuwig leven, De Rechter, alles wat die rechtheid dient, alles wat in dienst staat van het Rijk dat komen moet (in christelijke termen). Aan de Egyptische koning werd niet voor niets Ma'at toegewenst voor hem zelf; hij moest haar ook voor anderen waar maken. Ik meen dat dit begrip in de hele oude wereld gold.

Rechtvaardigheid is dan de aardse uitvoering van hemelse gerechtigheid. Onrechtvaardigheid, ongerechtigheid staat niet in hemelse dienst. In de parabel van de onrechtvaardige rentmeester (Lc 16) wordt ongerechtigheid in twee verschillende betekenis­nuances gebruikt: het onrechtvaardig zijn van de rentmeester want hij belazert de boel en het on-hemels zijn van geld e.d., dat je niet mee kunt nemen. Je moet dan Lc 16,9 niet vertalen met 'de onrechtvaardige Mammon' maar met 'het aardse bezit' (Mammon). Dan is er geen tegenstrijdigheid in wat Jezus zegt.

Wij hebben van God gehoord via onze ouders, op school, in de kerk enz. En zij weer van hun ouders enz. enz. Maar hoe is het met de oervolken gegaan ? Het idee 'G-0-D' is niet per parachute gedropt, het heeft zich ontwikkeld. De praktische basis daarvoor zou best eens het zo goed mogelijk willen leven kunnen zijn: de overlevingstactiek van de samenleving, het recht (op de aarde) dat zich aan de hemel blijkt te spiegelen. De Joden noemen hun God o.a. 'Hij die alles op aarde rechtvaardig bestuurt'. Uiteraard is dit niet enige aanleiding om over 'G-0-D' te gaan denken; de natuur is dit ook: geschapen schepping, eveneens Joods.

En nu wil Paulus Gods gerechtigheid aantonen in een slechte wereld, die HijZ juist voor het goede heeft bestemd; conclusie: die Gods kan niets ? Hoogstens een puinzooi laten bestaan. Jawel, zegt Paulus, door jullie/hun verdorven­heid, ongeluk, verdriet en ellende laat God zijn toorn merken omdat HijZ het zo niet heeft bedoeld. Een tweede aspect is Gods goedertierenheid tegenover het oordeel. Kan Gods e.e.a. zomaar uitwissen ? Nee, alleen na bekering, verzoe­ning. De Joden hebben van hun God via Mozes een hulpmiddel meegekregen: de Tora. De ver-binding van hemel en aarde (een oergegeven, weten we nog ?  Zie scheppingsverhalen) wordt gelegd door mensen die recht doen omwille van de gerechtigheid, dat zijn degenen die 'tsaddiek' zijn, die 'Gods wil" doen. Voor een Jood is zeker degene die de Wet vervult, helemaal in praktijk brengt, geen jota erin verandert, een 'tsaddiek'. Maar de beleving van de Wet was verlopen naar het onderhouden van regels, naar muggenzifterij: hun hart was er niet bij. Zo is de Wet, bedoeld voor gerechtigheid, levenloos geworden maar nu blijkt Gods gerechtigheid ook buiten de Wet om door de Christus Jezus, op de eerste plaats voor Paulus zelf door zijn bekering maar ook voor niet-Joden. Dat is een t.o.v. de Wet nieuw geluid, dat is toekomstmuziek, dynamiek, geen statische wetsregelbeleving.

terug naar begin

4.2.3 Onderdeel 3   Rechtvaardiging door geloof  3,21 - 31.       Desgewenst zie schema

onderdelen: 4.2.1 de samenleving is zondig, 4.2.2 conclusie: allen onder de zonde, 4.2.3 rechtvaardiging door geloof, 4.2.4 Schriftbewijs

 

Paulus heeft de kracht van het evangelie zelf ervaren, hij schaamt zich niet voor het evangelie, Gods kracht immers tot heil van ieder die gelooft, Jood en niet-Jood, want de gerechtigheid Gods komt daarin tot uiting vanuit geloof tot geloof (1,16v). Die kracht is tegen de slechte wereld in zichtbaar in de gemeenten van J.C., zelfs nog sterker dan in de Tora, besnijdenis en schepping.

Allen worden gerechtvaardigd door het geloof

21 Thans is echter, buiten de wet om, Gods gerech­tigheid openbaar geworden, waarvan de Wet en de Profeten getuigenis afleggen: 22 Gods gerechtigheid, die zich door het geloof in Jezus Christus meedeelt aan allen die geloven, zonder enig onderscheid. 23 Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid. 24 Allen worden gratis door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is.

 

 

 

25 Voor wie gelooft heeft God Hem aangewezen als middel van verzoening door zijn bloed. God wilde zo zijn gerechtigheid tonen, door in zijn verdraagzaam­heid de zonden van het verleden te laten passeren.

 

 

 

 

26 Hij heeft zijn gerechtigheid nu willen tonen, in onze tijd, opdat zou blijken dat Hijzelf rechtvaardig is door ieder rechtvaardig te maken die leeft vanuit het geloof in Jezus.

 

 

 

 

 

 

27 Waar blijft dan de eigen roem? Die is onmogelijk geworden! Door welke wet? Door die van de werken? Nee, door de wet van het geloof. 28 Ik beweer juist dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden. 29 Is God soms alleen de God van de Joden en niet van de heidenen? Nee, óók van de heidenen, 30 want er is slechts één God, die besnedenen en onbesnedenen op grond van het geloof zal rechtvaardigen. 31 Bedien ik mij nu van het geloof om de wet buiten werking te stellen? Integendeel, ik laat de wet juist tot haar recht komen.

21 'buiten de Wet om' en dat voor een Jood!

 

Denk aan 1,16v: Ik ben trost op het evangelie dat nog sterker is dan de Wet, dat mij heeft bekeerd en alle mensen in- en uitzicht biedt. Het is niet alleen een geloofszekerheid maar ook Gods mysterie.

24 'gratis': ons geloof in, heilsrelatie met hem waarbinnen je je geloof beleeft als zijn volgeling, als een weten én als een beleven, overkomen je; kun je ook over je laten komen als een bui over de dorstige akker. Je hoeft het niet te verantwoorden, ook niet te zoeken. Je herkent het op een of andere manier wel.

v 25 is waarschijnlijk een tussenvoegsel uit de liturgie. Voor het verloop kun je het nl. overslaan.

'door zijn bloed': bloed als teken van leven; hier dan levensinzet. In joodse termen was Jezus een brandoffer, dat helemaal opgebrand werd als zoenoffer. Zo is voor ons als zijn volgelingen verzoening vastgelegd bij de Vader, die het aanbod van zijn Zoon niet kan weigeren. Zo openbaart zich Gods gerechtigheid nieuw.

26 'nu in onze tijd': schone lei en nu geen Wet meer maar J.C.

Onder het kruis staat vaak een doodskop afgebeeld. Ik meen te weten dat dat duidt op de toen reeds overledenen en dat zo wordt aangegeven dat ook zij verlost zijn.

V 27 - 31: Paulus komt nog eens terug op de aanklacht tegen 'de Jood' die in 2,17 - 29 staat. Het gaat steeds om de twee punten waarmee Paulus bezig is: rechtvaardiging bedoeld voor allen en de betekenis van de Tora, die immers Gods gerechtigheid betuigt.

27  We kunnen ons alleen maar op J.C. en de Vader beroemen.

 

28 dé tekst voor de reformatorisch leer van 'sola fide'.

We worden niet gerechtvaardigd door alleen maar de wet te onderhouden, zonder 'van binnen Jood' te zijn.

 

30 Besnedenen worden op grond van en vanuit hun eigen heilshistorische situatie tot gerechtigheid geroepen, onbesnedenen via het geloof in de God van Israël. Het heil is uit de Joden.

 

 

4.2.4 Onderdeel 4   Schriftbewijs: Abrahams geloof  4,1- 25.                             Desgewenst zie schema

onderdelen: 4.2.1 de samenleving is zondig, 4.2.2 conclusie: allen onder de zonde, 4.2.3 rechtvaardiging door geloof, 4.2.4 Schriftbewijs

 

Hoofdstuk 4 is opgebouwd rond Gen 15,6 met de thema's geloof, gerechtigheid. Een psalmtekst komt daarbij te hulp. Dan komt de vraag of die tekst ook voor onbesnedenen bestemd is v 9 - 12, vervolgens wordt het thema ontplooid in v 13 - 25. Nu komen nieuwe woorden aan de orde: Tora, belofte, zaad/erfgenamen, genade, doden levend maken, hoop, die in het vervolg een grote rol spelen.

Abraham als de vader van alle gelovigen

4, 1 Wat moeten wij bijvoorbeeld denken van Abraham, onze stamvader? Wat heeft hij ondervonden?

 

 

2 Als hij op grond van zijn daden gerechtvaardigd is, heeft hij reden zich te beroemen; maar voor God heeft hij die niet! 3 Immers, wat zegt de Schrift? Abraham heeft God geloofd en dat is hem aangerekend als gerechtigheid. 4 Welnu, hij die werkt, krijgt zijn loon niet aangerekend als gunst, maar als zijn verschuldigd recht. 5 Aan degene echter die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof als gerechtigheid aangerekend. 6 Hetzelfde geldt voor de mens die door David gelukkig wordt geprezen en aan wie God de gerechtigheid aanrekent, zonder dat er sprake is van daden:

7 "Gelukkig zij van wie de ongerechtigheden zijn vergeven en van wie de zonden zijn toegedekt.

8 Gelukkig de man wiens zonde de Heer niet aanrekent."

 

9 Heeft deze zaligspreking nu enkel betrekking op de besnedenen of ook op de onbesnedenen? Wij zagen dat Abrahams geloof hem als gerechtigheid werd aangere­kend. 10 Onder welke omstandigheden gebeurde dit? Was hij al besneden of nog niet? Hij was toen nog niet besneden. 11 Het teken van de besnijdenis heeft hij juist ontvangen als bezegeling voor de gerechtigheid van het geloof, die hij reeds als onbesnedene bezat. Zo kon hij de vader worden van alle onbesneden gelovigen, zodat ook hun de gerechtigheid wordt aangerekend. 12 Maar tegelijk ook werd hij vader van de Joden, van hen namelijk die niet enkel steunen op de besnijdenis, maar ook in de voetstappen treden van het geloof dat onze vader Abraham reeds had toen hij nog niet was besneden.

13 Ook de belofte aan Abraham en zijn nakomelingen dat zij de wereld zouden erven, steunt niet op de wet maar op de gerechtigheid van het geloof. 14 Als alleen zij die zich op de wet verlaten de erfgenamen zijn, heeft het geloof geen zin en blijft de belofte zonder uitwerking.

 

15 Want het resultaat van de wet is alleen maar straf, en waar geen wet is, is ook geen overtreding.

16 Daarom hangt het af van het geloof, opdat het genade is en de belofte verzekerd is voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de wet hebben ontvangen, maar voor allen die het geloof navolgen van Abraham, ons aller vader. 17 Over hem staat immers geschreven: Ik heb u vader gemaakt van vele volken. Hij is dit ten overstaan van God in wie Hij heeft geloofd, die de doden levend maakt en die wat niet bestaat in het aanzijn roept.

 

 

18 Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt, en hij heeft geloofd dat hij vader zou worden van vele volken, zoals hem gezegd was: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn. 19 Zijn geloof verflauwde niet, toen hij, de honderdjarige, dacht aan zijn eigen afgeleefd lichaam en aan de dorre schoot van Sara. 20 Hij twijfelde geen ogenblik aan Gods belofte. Integendeel, hij heeft God geëerd door de kracht van zijn geloof, 21 door zijn vaste overtuiging dat Hij bij machte is te volbrengen wat Hij heeft toegezegd. 22 Daarom werd het hem als gerechtigheid aangerekend.

23 De woorden 'het werd hem aangerekend' werden niet alleen neergeschreven in verband met hem, 24 maar ook in verband met ons, wie het geloven eveneens zal worden aangerekend, omdat wij geloven in Hem die Jezus onze Heer uit de doden heeft opgewekt: 25 Jezus, die is overgeleverd vanwege onze overtredingen en is opgewekt ter wille van onze rechtvaardiging.

a) Abraham heeft gevonden, niets gedaan

b) het is genade, geen beloning

'stamvader': lett. 'naar het vlees': dadelijk gaat het over erfgenamen.

2 Als hij al geprezen wordt, dan door Israël; niet door God want hij vond, deed niets. Roem vinden bij God doe je door daden.

 

4 Loon is geen genade.

 

 

5 'goddeloze': 'god-loze' : het gaat niet om een boef.

Het woord 'aanrekenen' koppelt de teksten van Genesis en psalm 32,2 aan elkaar; een psalm van David dus, zondaar. 

 

 

7 Als de ongerechtigheden zijn vergeven, is men gerecht. Ook zonder werken. Dus genade.

8 De psalm vervolgt: 'en wiens geweten tot rust is gekomen'. Wel zo plezierig.

 

9 Het schriftbewijs  moet ook kloppen voor onbesnedenen!

 

 

10 Dus is rechtvaardiging niet afhankelijk van besnijdenis.

 

 

 

11 Zodat ook voor hen de bijbelse gerechtigheid telt.

 

 

 

 

 

13 Wij, besnedenen en onbesnedenen, zijn gerechtvaar­digd door het geloof. Maar Paulus heeft het begin van zijn brief nog in zijn hoofd, waarin 'het evangelie van God', 'dat tevoren was aangekondigd', 'omtrent zijn Zoon die gebo­ren is uit het zaad van David'. Dat zijn nieuwe woorden die nu naar voren komen. Genesis (O.T.) wordt gekoppeld aan dat nieuwe nieuws.

Zet v 15 maar tussen haakjes, een toevoeging.

 

16 Genade en belofte zijn toch meer dan Wet,

 

 

16 Accent op 'allen' en 17 vele'.

 

 

17 '… heeft geloofd': het grieks geeft aan:'gaan geloven'. Dit duidt op een proces.

'die doden levend maakt': zie het z.g. 18-gebed: "Hij die ten leven wekt, Hij die roept, Hij die rechtvaardig is, Hij die trouw is, Hij die bemint."

18 Abraham geloofde bijzonder: hij geloofde letterlijk  'voorbij hoop in hoop'.

 

 

 

20 '… geen ogenblik' ? Dat staat er niet in het grieks. Alsof het makkelijk was. "Hij twijfelde niet … in ongeloof." Twijfel en 'geloof' tegenover elkaar.

21 Hij die volvoert, Hij die niet varen laat het werk zijner handen.

 

 

 

24 Paulus verbindt het geloof in God met het heil in J.C. door twee vroege formuleringen te combineren: 'God heeft Jezus uit de doden opgewekt' en 'Jezus is de Heer'.

 

Ziezo, nu zijn we uitgekomen waar we wilden zijn: heil via J.C., onze hoop.

 

 

4.3 Het tweede deel        Zekerheid op grond van hoop  5,1 - 11,36         Desgewenst zie schema

onderdelen: 4.3.1 argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest; 4.3.3 argument 3, Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie 2e deel.

 

In het eerste deel heeft Paulus gesproken vanuit zijn ervaring als apostel van de volken. De openbaring van Gods toorn over de mensen heeft plaats gemaakt voor de openbaring van Gods reddingbrengende gerechtigheid buiten de Wet om door het geloof in het evangelie van J.C. We zitten goed, gerechtvaardigd door het geloof als Abraham maar hoe nu verder ? Hoe verwachten wij de volle definitieve 'vrede', sjaloom, met God via J.C. ? Paulus start met 'hoop voorbij hoop', net als Abraham.

In die hoop hanteert Paulus argumenten, praat hij zichzelf moed in, door de redeneertrant: als dit al zo is, hoeveel te meer zal dat (a fortiori), een hoopformule. Paulus argumenteert vanuit ervaring en koppelt die aan de Schrift. Onderweg moet hij een paar lastige begrippen als zonde en dood doornemen maar in hoofdstuk 8 neemt hij de hoofdgedachte weer op: "Er is dus geen veroordeling meer voor hen die in C.J. zijn". Maar het leven wordt geleefd in het vlees. Dus dan argumenteren niet vanuit het verleden of de Schrift maar vanuit de realiteit.

En dan komen toch weer in hoofdstuk 11 zijn broeders naar het vlees, het volk van God,op het toneel. Heeft God dan zijn volk verstoten ?  Als dat zo is, blijft God dan wel trouw en is ónze toekomst dan zeker ?

 

Leven in vrede met God

Het thema van het tweede deel  (tekst zonder commentaar, ter overweging):

5,1 Gerechtvaardigd door het geloof leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. 2 Hij is het die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid van God.

 

4.3.1 Onderdeel 1:   argument 1  a) de ervaring: de liefde van God in Jezus Christus          Desgewenst zie schema

onderdelen: 4.3.1 argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest; 4.3.3 argument 3, Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie 2e deel.

 

3 Meer nog, wij zijn zelfs trots op onze beproevingen, in het besef dat verdrukking leidt tot volharding, 4 volharding tot beproefde deugd en die weer tot hoop. 5 En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken.

6 Want Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren.

 

 

7 Je zult je leven niet snel geven voor een rechtvaar­dige, al zou misschien iemand de moed hebben te sterven voor een goed mens. 8 God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor dat Christus voor ons is gestorven toen wij nog zondaars waren.

 

9 Des te zekerder is het dat wij, eenmaal gerechtvaar­digd door zijn bloed, dankzij Hem gered zullen worden van de toorn. 10 Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder is het dat wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven.

11 En dat niet alleen: nu reeds roemen wij op God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen.

3 Onze hoop wordt niet beschaamd !

''wij zijn zelfs … beproevingen': letterlijk "wij roemen ook in de verdrukkingen". Ondanks verdrukking. Waarom zou je trots zijn op je beproeving ?

v 3, 4 en 5 bevatten de stelling die wat betreft de liefde in 6 - 8 wordt bewezen, wat betreft de hoop in 9 en 10.

6 'god-lozen', als boven

'de gestelde tijd': God heeft beoogd! Je kunt natuurkijk vragen waarom niet eerder (of later), maar ook dat HijZ Zich bemoeit met de wereld, een Messiaans tijdperk geeft.

7 Je leven geven voor iemand die het niet nodig heeft, doe je niet, je zult misschien wel nog uit liefde met iemand meegaan in de dood om bij hem te zijn. Maar, als je dat al doet als mens, hoeveel houdt God dan niet van ons, hoeveel hoopt HijZ niet, als HijZ voor ons, a-gerechten, a-goeden, de levensinzet van Jezus er voor over heeft.

9 A fortiori: nu, als gerechten, zijn we in ieder geval de moeite waard dat HijZ bij ons blijft: onze hoop kan niet worden beschaamd.

 

10 'gered worden': lett. "gered zullen worden": hoop!

verzoend door zijn dood - gered voor ons leven. We zijn verzoenden en roemenden!

11 'roemen' sluit aan bij roemen in v 3, hoewel het nu meer 'juichen' inhoudt.

terug naar begin

 

Onderdeel  1  argument 1b)  De Schrift: hoeveel te meer is de genade van God overvloedig. Desgewenst zie schema.

De ervaring moet overeenstemmen met de Openbaring vanuit de Schriften en het evangelie. De verzoening via de dood van Jezus is hierboven behandeld, nu nog eens vanuit de bijbelse openbaring, vanaf Genesis 3. Onze vraag nu kan zijn in of/hoe Paulus Adam als historisch persoon ziet, of/hoe als onderwerp van reflectie. Hij gebruikt hem om Christus te belichten: Adam Û Christus. Hij wil benadrukken dat/hoe de heilsgeschiedenis uitmondt in Jezus Christus.

Adam en Christus 

12 Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en met de zonde de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, aangezien allen gezondigd hebben ...

 

 

13 Er was heus wel zonde in de wereld al voordat de wet er was; maar zonde wordt niet aangerekend waar geen wet is. 14 Toch heeft de dood als koning geheerst in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hen *die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod. Adam nu is het beeld van Hem die komen moest.

*lett.: die niet gezondigd hebben op gelijke wijze als de overtreding van Adam, die een beeld is van de toekom­stige.

12 'aangezien' is ooit verkeerd vertaald met 'door wie', dus: door Adam hebben allen gezondigd. Aanleiding - vooral Au­gustinus(!) - om te stellen dat de oerzonde van Adam (ge­volg van de begeerlijkheid) door de voortplanting (lees ge­slachtsgemeenschap) werd doorgegeven … Tja. Ja ja

Paulus breekt de zin af. Mij lijkt dat hij via 'zonde' tegen 'de Wet' aan hikt, die er eerst niet was en niet voor allen, terwijl wél de dood regeerde vanaf Adam tot Mozes. Stelt hij - in onze ogen - de biologische dood gelijk met een spirituele?

14 Denkt hij aan een toestand van zonde, uitzichtloos­heid, onmacht, die geen Leven inhoudt? Een zondedaad is niet ter zake, omdat er nog geen wet was.

'Hem' ?? De zondende Adam beeld van Jezus Christus?

'de toekomstige' vanaf Adam! dus iedere mens. Nu klopt het beter: Adam staat voor ieder, 'de ene' is 'allen' en nu gaat Pau­lus Adam tegenover Christus stellen: hoeveel te meer …

 

15 Maar niet: gelijk de overtreding zo ook de genadega­ve: als immers door de overtreding van de ene allen zijn gestorven, (hoe)veel (te) meer is de genade van God en de genadegave van de ene mens Jezus Christus voor allen overvloedig geworden. 16 En (ook) niet: zoals door de éne die gezondigd heeft (is) de gift: enerzijds (is) het oordeel immers uit éen tot veroordeling, anderzijds is de genadegave (zo groot dat zij) uit de vele overtredingen tot rechtvaardiging (dient).

 

17 Door de overtreding van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van zijn val. Hoeveel heerlijker zullen zij die de overvloed van de genade en de gave van de gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dankzij de ene mens Jezus Christus!

15 nu is het Adam/allen versus Jezus Christus/allen én daagt zoals 'allen in Adam' zo ook 'allen in Jezus Christus'!

 

Als je 'Adam' opvat als staande voor ieder mens, dan is dit een troost voor ieder persoonlijk: Gods genade hangt niet af van een misstap van jou. Dan manifesteert zij zich juist.

16: de betoogtrant is van 'dat/die ene' naar 'alles/allen'; van 'fout' naar 'genade'. Weer een 'hoeveel te meer …'

'zoveel overtredingen' door al die mensen na Adam/Mozes.

 

17 'als gevolg van zijn val' staat helemaal niet. De Kruijf: "Als  immers door de overtreding van de ene de dood geheerst heeft door de ene, hoeveel te meer zullen zij die de over­vloed van de genade en de gave der gerechtigheid ontvan­gen, in leven heersen door de ene Jezus Christus."

Paulus is er uit: hij stelt duidelijk zijn  'AdamÛJ.C.' !

Hij levert geen 'bewijs'. Zijn 'hoeveel te meer' stijl is meer een overtuigende schriftuitleg: het klopt toch.

 

18 Dus, zoals één fout leidde tot veroordeling van allen, zo ook leidde één goede daad tot vrijspraak en leven voor allen. 19 Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens allen zondaars werden, zo worden door de gehoor­zaamheid van één allen gerechtvaardigd. 20 Weliswaar is de wet er bijgekomen, waardoor de overtredingen zich hebben vermeerderd. Maar waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos.

21 Zoals de zonde haar heerschappij heeft uitgeoefend door de dood, zo zal de genade heersen door de gerechtigheid en leiden tot eeuwig leven, dankzij Jezus Christus onze Heer.

V 18-21 zijn een soort samenvatting: de ene ene versus de ene Andere, en de plek van de ontbrekende wet: de genade was er toch.

18 'één goede daad' lett.'wetvervulling'; dat is nu precies wat Jezus heeft gedaan, de Wet vervuld.

 

20 Bij de zonde en dood kwam ook nog eens de wet van Mozes, waardoor ongehoorzaamheid nog eens duidelijker werd: nog ongelukkiger. Maar a fortiori: hoe meer zonde, des te meer genade.

21 lett. "opdat, zoals de zonde …  de genade zou heersen … ". "opdat" geeft een bedoeling aan, nl. het heil.

 

Onderdeel 1   argument 1  c) de obstakels tegen de hoop;  eerst: de zonde      Desgewenst zie schema

Paulus verbindt vaak christelijke ervaring met argumenten uit de Schrift. Hij heeft nu "de boog gespannen" via de Schrift en het evangelie van die ene Adam naar die ene Jezus. Als ervaringselement haalt hij de beleving van het doopsel aan en de vergelijking met het leven van een slaaf. De doop moet voor de bekeerling wel een enorme veranderingservaring zijn geweest.

Nu wil hij aangeven dat zonde en (verkeerde) wetbeleving obstakels zijn voor onze  hoop op een blijvende vrede met God. Jezus was - vanwege zijn Gods-Zoon zijn - dood voor de  zonde, en dat zijn wij als zijn volgelingen ook via de doop, dus levend. Paulus verbindt de kruisdood van Jezus met 'dood voor de zonde' voor ons, want zijn dood en de daaropvol­gende verrijzenis biedt ons uitzicht op onze verrijzenis, eeuwig leven na onze (lichamelijke) dood.

Misschien kent Paulus ook het woord:"(Kunnen jullie) gedoopt worden met de doop waarmee ik word gedoopt ?", dat op zijn kruisdood duidt. (Mc 10,38)

Bevrijd van de zonde

6, 1 Volgt hieruit dat wij moeten blijven zondigen om de genade te laten toenemen? 2 Natuurlijk niet! Hoe zou­den wij nog in zonde leven, wij die dood zijn voor de zonde? 3 Weet u niet dat wij door de doop, die ons één heeft gemaakt met Christus Jezus, delen in zijn dood?

 

4 Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zou­den gaan leiden. 5 Want indien wij als het ware ver­groeid zijn met zijn dood, moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding, 6 in de overtuiging dat onze oude mens met Hem gekruisigd is. Daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer dienstbaar zijn aan de zonde. 7 Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

 

8 Indien wij met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. 9 Want wij weten dat Christus, eenmaal uit de doden opgewekt, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. 10 Door de dood die Hij is gestorven, heeft Hij afgerekend met de zonde, eens en voorgoed; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. 11 Zo moet u ook uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.

12 Laat dus de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam, gehoorzaam zijn begeerten niet, 13 stel uw ledematen niet als werktuigen van ongerechtigheid in dienst van de zonde. Bied uzelf aan God aan, als mensen die uit de dood ten leven zijn opgestaan. Offer Hem uw ledematen als werktuigen in dienst van de gerechtigheid. 14 De zonde mag niet over u heersen, want u staat niet onder de wet, maar onder de genade.

1 Lett."Wat zullen we dus zeggen? " Een paulus-zin die vaak terugkomt en door de vertaling verdonkeremaand wordt. Meestal volgt hierop: "Dat nooit!"

3 'Weet': beroep op ervaring opgedaan bij het doopsel, dat wij nu krijgen - dus na de dood (en verrijzenis) van Jezus. Jezus' doop was zijn kruisdood (Mc 10,38); in onze doop delen wij dus in zijn dood naar het nieuwe leven.

4  helemaal met/in J.C. meegaan, onder-gedompeld in water, wij zeggen 'totter-dood':  Paulus' mystiek.

'opgewekt' wijst naar  opstaan uit het (doop)-water, nieuw leven.

6 lett:"… gekruisigd is opdat het lichaam van de zonde zijn kracht ontnomen zou worden …". 'Lichaam' is dus niet zonder meer ons lijf.

7  Een Joodse rechtsregel: als de mens gestorven is, is hij vrij van de verplichting de geboden te vervullen. Nogal praktisch. De zonde(toestand) heeft geen macht meer over de mens.

 

9 Door zijn opwekking uit de doden ('doden' is mv. dus dode personen!) heeft de eeuwige dood (zonde-dood, de 2e  dood) geen macht over hem.

Hij heeft afgerekend  met die zonde-dood en reikt die 'verzoenings'mogelijkheid met de Vader aan ons omdat we zijn volgelingen zijn.

 

12 Lett. "… in uw sterfelijk lichaam om gehoorzaam te zijn aan …".  'Om' geeft een doel aan: Je begeerten heb je, maar laat die niet door de zonde geleid worden.

13 Die 2e dood(stoestand) is nu reeds ter zake.

 

'werktuigen': 'wapens' staat er letterlijk, dus een strijdbeeld en geen offer-idee: "Stel uw ledematen niet ter beschikking … stel uzelf ter beschikking als wapens van gerechtigheid, aan God". 'Offer' is dus hineininterpretiert!

 

Let eens op de parallel tussen 5-7 en 8-10:  (vertaling van de Kruijf)                                       

als wij vergroeid zijn

met de gelijkenis van zijn dood

zullen wij het ook met die

van zijn opstanding zijn

want dit weten wij

dat onze oude mens

mede gekruisigd  is

opdat wij niet meer slaaf zouden 

zijn van de zonde

wie immers gestorven is,

is gerechtvaardigd van de zonde

als wij gestorven zijn

met Christus

geloven wij dat wij

zullen wij ook met hem leven

wetende

dat Christus

is opgewekt uit de doden

… niet meer sterft …

 

…is hij voor de zonde gestorven …..

… leeft hij voor God

 

Je ziet dat Paulus niet zomaar dicteert, hij heeft een redenaarstalent.  Soms merk je aan afgebroken zinnen dat hij plotseling opkomende gedachten-associaties niet weerstaat. Hoe Paulus dicteerde, blootshoofds of vanuit een kladje of zo weten we niet.

terug naar begin

Vervolg argument 1 c  eerst de zonde

In de volgende pericoop (6,15 – 23) gaat Paulus verder met het ervaringselement  van 'slaaf' zijn: nu niet meer in dienst van de zonde maar in dienst van Gods gerechtigheid, een overstap naar een andere heer. Een slaaf kon er voor kiezen in dienst van zijn heer te blijven. De gelovige wordt zo meer een 'dienaar' van de Heer dan slaafse slaaf.

In dienst van de gerechtigheid 

15 Betekent dit dat het ons vrij staat te zondigen, om­dat wij niet meer onder de wet leven, maar onder de genade? Dat verhoede God! 16 Het is immers duidelijk dat men díé meester als slaaf moet gehoorzamen in wiens dienst men zich stelt: ofwel u dient de zonde - en dit loopt uit op de dood - ofwel de gehoorzaamheid - en die leidt tot gerechtigheid. 17 Maar u bent, God zij dank, geen slaven meer van de zonde: u hebt zich van harte onderworpen aan de beginselen van de leer die u is overgeleverd. 18 U bent bevrijd van de zonde en dienaren geworden van de gerechtigheid. 19 - Sprekend tot zwakke mensen, druk ik mij erg menselijk uit. -

 

Zoals u eertijds uw ledematen in dienst hebt gesteld van onreinheid en steeds grotere bandeloosheid, zo moet u ze nu in dienst stellen van de gerechtigheid, tot uw heiliging. 20 Toen u slaaf was van de zonde, was u vrij ten opzichte van de gerechtigheid. 21 Welke vruchten hebben uw daden toen opgeleverd? Alleen dingen waarover u zich nu schaamt, want ze liepen uit op de dood. 22 Maar nu, bevrijd van de zonde en dienstknecht geworden van God, oogst u heilig­heid en tenslotte eeuwig leven. 23 Want het loon van de zonde is de dood, maar de gave van God is het eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.

16 'u': jullie, Romeinen.

 

 

 

17 'onderworpen' ?: het griekse woord betekent 'onderdaan zijn', 'luisteren naar'.

Nog liever dan de vertaling in de voetnoot ( "… van de leer waaraan u werd toevertrouwd")  zie ik "… van de leer waaraan u zich hebt overgegeven" of "… u zich toever­trouwde". Geloven is immers actief, je doet zelf. Het beeld van de slaaf die in dienst blijft klopt dan ook.

19 'zwakke': nog niet onderlegd in de leer; zie 14 en 15. (Paulus heeft dus toch een paar leertips voor de Romeinen.)

'menselijk': eigenlijk corresponderen (v18) het griekse 'slaaf van de zonde' niet 'met slaaf van de gerechtigheid', dat in het Hebreeuws zou zijn 'Dienaar van de gerechtig­heid'. Dat slaaf voor het ene maar ook slaaf voor het andere klinkt gek voor de Romein en dus zegt Paulus dat hij even kort door de bocht gaat. De vertaling 'slaaf voor de zonde' en 'dienaar voor de gerechtigheid' ondervangt dat maar dan is '- Sprekend tot zwakke mensen …' niet meer te begrijpen.

23 'loon' vs 'genade'.

 

Onderdeel 1  argument 1  c) de obstakels tegen de hoop;  nu de Wet  7.1 – 25.

"Ontbonden van de Wet, want gestorven voor de zonde".    Desgewenst zie schema.

Bevrijd van de wet

7, 1 Broeders en zusters, weet u niet - ik richt mij immers tot mensen die de wet kennen - dat de wet over een mens slechts zolang gezag heeft als hij leeft? 2 Zo is een getrouwde vrouw door de wet aan haar man gebonden, zolang die leeft; sterft hij, dan is zij ontslagen van de wet die haar bond aan haar man. 3 Men zal haar terecht als een overspelige beschouwen als zij bij het leven van haar man de vrouw wordt van een ander; is haar man echter gestorven, dan is zij van die band ontslagen, en pleegt zij geen echtbreuk als zij zich aan een ander geeft.

4 Broeders en zusters, zo bent ook u door het lichaam van Christus gestorven met betrekking tot de wet, en u behoort nu aan een ander, aan Hem die uit de doden is opgewekt, opdat wij vrucht dragen voor God. 5 Toen wij een zondig leven leid­den, werden onze daden beheerst door zondige begeerten die de wet in ons opwekte en die slechts vrucht afwierpen voor de dood. 6 Nu echter zijn wij dood voor de wet en ontslagen van haar boeien, zodat wij niet langer onderworpen zijn aan een verouderd wetboek, maar God dienen in het nieuwe leven van de Geest.

1 'wet' kan betekenen de Romeinse wet maar ook de Joodse Wet. Kennelijk denkt Paulus nu speciaal aan Christenen uit de Joden.

Dat hebben we al eerder gelezen, maar nu trekt Paulus de vergelijking door: zoals een vrouw via de dood van  haar man vrij van die wets­verplichting, zo zijn wij via (de dood van) Jezus ontslagen van de Joodse Wet(sbeleving), zie v 4.

Paulus hanteert de situatie van de vrouw vanwege het vergelijkingspunt: via. De man kon wel scheiden volgens de Joodse Wet maar dat is nu secundair.

4 'vrucht dragen' parallel met 'oogst' in 6,22

 

 

5 lett. "Toen wij in het vlees waren… " toen we nog gewone, niet gelovende, mensen waren.

 

 

 

 

 

 

Nu wordt het moeilijk: de hoofdvraag waarmee Paulus worstelt: "Paulus zoekt naar de zin en de functie van de Tora in het licht van Christus en zijn evangelie waartoe hij zich als apostel van de volken geroepen weet". Paulus verzet zich niet tegen de Wet, zijn vraag "… betreft in wezen de Tora als openbaring van Gods verbondenheid met zijn volk en uiteindelijk met 'de mens'. In het kader van deze brief kan de vraag ook anders worden gesteld: Paulus zoekt de zekerheid van onze hoop (5,1-11) in de liefde van God. Maar is de gave van de Tora niet ook en in de eerste plaats een blijk van Gods liefde?"  Hij heeft het probleem dat hij in hfdst. 9 - 11 behandelt al in zijn hoofd.

 

7 Betekent dit dat wet en zonde een en hetzelfde zijn? Volstrekt niet! Maar wel is het waar dat ik de zonde alleen heb leren kennen door de wet. Ik zou van de begeerte geen weet hebben als de wet niet zei: U zult niet begeren.

 

 

 

 

8 Het is de zonde die gebruik heeft gemaakt van het gebod, om allerlei begeerte in mij op te wekken. Zon­der de wet is de zonde dood. 9 Ooit leefde ik zonder de wet. Maar toen het gebod kwam, begon de zonde te leven 10 en zelf stierf ik. Zo bleek het gebod, dat bedoeld was om leven te brengen, voor mij juist de dood te betekenen. 11 De zonde heeft van het gebod gebruik gemaakt om mij te verleiden en ter dood te brengen. 12 De wet is dus heilig, en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed.

13 Heeft dan iets dat goed is mij de dood gebracht? Dat niet, maar de zonde - en daarmee toonde ze haar ware aard - heeft door iets goeds mijn dood bewerkt! Zo blijkt door het gebod hoe bovenmate zondig de zonde is! 14  Wij weten dat de wet geestelijk is. Maar ik, ik leid een zondig leven, verkocht als ik ben aan de zonde. 15 Ik begrijp mijn eigen daden niet. Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik verafschuw. 16 Maar als ik doe wat ik eigenlijk niet wil, betekent dit dat ik met de wet instem en haar goed acht. 17 In feite echter ben ík het niet meer die handelt, maar de zonde die in mij huist.

 

18 Ik ben mij ervan bewust dat er in mij, dat wil zeggen in mijn zondige natuur, niets goeds huist. De goede wil ligt binnen mijn bereik, maar niet de goede daad. 19 Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil. 20 Als ik doe wat ik eigenlijk niet wil, ben ik niet meer de handelende persoon, maar de zonde die in mij huist. 21 Ik ontdek in mij dus deze wet: als ik het goede wil doen, dringt het kwade zich aan mij op. 22 Mijn innerlijk schept behagen in Gods wet, 23 maar in mijn handelen ontwaar ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn rede, en mij als gevangene uitlevert aan de wet van de zonde die in mij leeft. 24 Rampzalige mens die ik ben! Wie zal mij redden van dit bestaan ten dode? 25 God zij gedankt door Jezus Christus onze Heer! - Aan mijzelf overgelaten dien ik dus met mijn rede de wet van God, maar in mijn doen en laten de wet van de zonde.

7 In het grieks: Wat zullen we dus zeggen?

Paulus schrijft weer: 'ik', nu niet 'wij'; kennelijk wordt hij weer persoonlijk, het lijkt wel een persoon­lijke en gelovige/theologische verwerking van zijn ervaringen Wellicht is de betekenis duidelijker als we als volgt formu­leren (de Kruijf): Ik heb de zonde (juist als zonde, haar zondige wezen) leren kennen door de Wet: ik heb de begeerte (juist als begeerte nl. als instrument van de zonde) ervaren door de Wet, die zegt: "Gij zult niet begeren".

8 begeerte is drijfveer voor alles, niet alleen des vleesches.

9 'zonder de Wet': in zijn kinderjaren ?

 

 

10 'zelf stierf ik': verloor ik mijn onschuld, sponta­neïteit?

 

11 de zonde is dus de fout, niet de wet of het gebod.

 

 

 

13 'Dat niet!': 'Volstrekt niet!' Zie v 1. Hij vervolgt de verdediging van de Wet.

Het is als een gif dat ook de goede bedoeling machteloos maakt.

 

14 'verkocht': zoals een slaaf, aan de macht van de zonde.

15vv. Het lijkt op schizofrenie maar een gespeten geest is on-bijbels. Enkelheid, éénvoudigheid  is een bijbels ideaal. Wat bedoelt Paulus dan ? In het grieks staan twee woor­den: 'inwonen' (v 17) en 'wonen'/'huizen' (v 18). Inwoning kennen we: gedeeltelijke bewoning. Dat is een soort onderverhuur, niet totale bewoning, ook lastig.

18 'natuur':  lett. "Ik weet immers dat in mij - dat is in mijn vlees - niet iets goeds woont". "Vlees" is dus mijn niet-gelovig leven, niet mijn 'aanleg' of zo.

'huist': zij woont niet meer slechts in maar speelt de baas.

 

 

21 'déze wet' dus een andere dan de Tora.

 

 

 

23 'uitlevert' lett: gevangen houdt. Niet hetzelfde.

24 lett: Wie zal mij redden van het lichaam van deze dood?

 

25 De ontknoping! Als ik aan me zelf wordt overgelaten, zie ik het niet zitten.

Deze laatste zin is een samenvatting van het voorafgaande en een hervatting van hoofdstuk 5, dus

 

we kunnen weer verder; de obstakels staan op hun plaats.

 

 

4.3.2 Onderdeel 2   argument 2   a) leven naar de Geest, niet naar het vlees  8,1.                Desgewenst zie schema

onderdelen: 4.3.1 argument, 1 (on-)liefde;  4.3.2 argument 2, Geest;  4.3.3 argument 3, Schriftbewijs;  4.3.4 conclusie 2e deel.

 

Leven volgens de Geest

8,1 Voor hen dus die in Christus Jezus zijn, bestaat er nu geen vonnis meer. 2 De wet van de Geest die in Christus Jezus het leven schenkt, heeft u vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood. 3 Wat de wet niet vermocht, machteloos als ze was door ons zondige bestaan, dat heeft God bewerkt: wegens de zonde heeft Hij zijn Zoon gezonden in datzelfde zondige bestaan en heeft Hij in dat bestaan zelf de zonde gevonnist. 4 Zo moest de eis van de wet vervuld worden door ons die geen zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest.

 

1 'geen vonnis': hoera !

De Wetsinvulling door Jezus heeft u vrij gemaakt van de Wetsinvulling door wetgeleerden e.d. en zijn Geest geeft leven, wat de Wet niet kon.

3 'wegens de zonde': formulering uit het verzoeningsritueel, zie Lev 4,3.14.28. Met stropers stropers vangen! Zie voetnoot Willibrord.
4 de Kruijf: "Zo moest de rechtmatige aanspraak van de Wet vervuld worden in ons, die niet meer naar het vlees wandelen maar …" Op zich was de Wet goed, dus 'rechtmatig' i.p.v. 'eis'.

 

Noach wandelde met God       

Abraham wandelde voor God

Rabbijnen zeggen:"Ge zult achter de Heer uw God aan wandelen."   

Paulus heeft het over wandelen naar de Geest

5 Zij die een zondig leven leiden, streven naar wat de zonde wil. Maar zij die leven volgens de Geest, streven naar wat de Geest wil. 6 Het streven van de zondige natuur loopt uit op de dood, het streven van de Geest op leven en vrede. 7 Want het streven van de zondige natuur staat vijandig tegenover God. Het onderwerpt zich niet aan Gods wet, dat kan het niet eens; 8 en zij die een zondig leven leiden, kunnen God niet behagen. 9 Maar u leidt geen zondig leven meer, maar u leeft in de Geest, omdat de Geest van God in u woont. Iemand die de Geest van Christus niet bezit, behoort Hem niet toe.

10 Als Christus in u is, blijft uw lichaam wel door de zonde aan de dood gewijd, maar uw geest leeft, dankzij de gerechtigheid. 11 Als de Geest van Hem die Jezus heeft opgewekt uit de doden in u woont, zal Hij, die Christus uit de doden heeft laten opstaan, ook uw sterfelijk lichaam levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u woont.

 

12 Dus, broeders en zusters, zijn wij niet langer verplicht om een zondig leven te leiden. 13 Als u een zondig leven leidt, zult u zeker sterven. Maar als u door de Geest de praktijken van het lichaam doodt, zult u leven.

14 Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God. 15 De Geest die u ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. U hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader! 16 De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest dat wij kinderen zijn van God. 17 Maar als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God tezamen met Christus, omdat wij delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn verheerlijking.

5 vrij vertaald: Vleselingen denken volgens vlees …

Zie Gal 5,13 – 24; vlees – Geest; bekende stof.

Ik zou vlees – Geest een tegenstelling noemen w.b. hun gericht zijn, het zinnen op. Als het gaat om gelovig menselijk bestaan is Geest complementair aan vlees want zonder vlees bestaan we niet.

 

 

 

9 'omdat': ? Lett: "als inderdaad de Geest in u woont."

'woont' dus niet 'inwoont'. Zie boven.

10 lett: "is uw lichaam wel dood vanwege de zonde maar…" Nogal kras; alleen te begrijpen volgens 6, 6-11, het met Christus sterven in het doopsel om met hem te verrijzen en vervolgens leven naar de Geest hetgeen de gerechtigheid wil (zie 6, 13) de rechtmatige aanspraak van de Wet. Zie 6,6 lijf

11 'zal' dus hoop!

 

12 Nu gaat de vrome Willibrord-pater wel wat ver door zo te vertalen. Lettt: "… hebben wij verplichtingen, (maar) niet aan het vlees om het vlees-leven". Dat is wat anders. Paulus zegt juist dat we wel verplichtingen hebben, nl. t.o.v. het leven naar de Geest.

14 Nu komt het thema van 6,12-23, de slavernij, weer in het vizier, slaaf van de zonde vs. slaaf van God. Maar dat is nu niet voldoende, want slaaf van God bestaat niet meer: we zijn kind van God. Alstublieft ! Dan ook erfgenamen. Nu is Paulus definitief bij het thema van dit  deel aangekomen: de zekere grond van onze hoop. "Abba ": Vadertje, Paps,  mogen zeggen.

16 De Geest bevestigt wat we 'eigen'lijk graag willen zijn.

17 'omdat' weer hetzelfde: lett. "… als wij inderdaad mee-lijden. Het is geen automatisme.

 

Onderdeel 2   argument 2   b) onze verwachting: de kracht van Gods Geest. 8,18              Desgewenst zie schema

Hier treffen we elementen uit de joodse apocalyptiek en hier komt ook de vraag naar het lijden ter sprake, wellicht ingeleid door het vorige vers, maar centraal is het punt van 5,1-2: “Gerechtvaardigd uit het geloof mogen wij vrede hebben tot God door onze Heer Jezus Christus, door wie wij ook … ons beroemen op de hoop van de heerlijkheid van God”. Deze heerlijkheid omsluit v 18 – 30, waarbij v 24 en 25 middelpunt zijn.

Hoop op de komende heerlijkheid

18 Ik ben er zelfs van overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat. 19 Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaarmaking van de kinderen van God. 20 Want zij is onderworpen aan een zinloos bestaan, niet omdat zij het zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar zij is niet zonder hoop, 21 want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij van de vergankelijkheid, en delen in de glorierijke vrijheid van Gods kinderen. 22 Wij weten immers dat de hele schepping kreunt en onder barens­weeën lijdt, nog altijd.

 

 

 

 

 

23 En niet alleen zij, ook wij zelf, die de eerstelingen van de Geest toch al hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op onze aan­neming tot kinderen, op de verlossing van ons lichaam. 24 In deze hoop zijn wij gered. Maar men spreekt niet van hopen, als men het voorwerp van zijn hoop al ziet: wie kijkt nog uit naar wat hij al ziet? 25 Omdat onze hoop gericht is op het onzichtbare, moet onze verwach­ting gepaard gaan met standvastigheid.

 

 

 

 

 

 

 

26 Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuch­tingen. 27 En Hij die de harten doorgrondt, weet wat de Geest bedoelt, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling.

 

 

28 Intussen weten wij dat voor wie God liefhebben, alles zich ten goede keert, voor hen die volgens zijn raads­besluit geroepen zijn. 29 Want wie Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. 30 Wie Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen. Wie Hij riep, heeft Hij gerechtvaardigd, en wie Hij rechtvaardigde, heeft Hij verheerlijkt.

- Eerst de schepping: het is niet zeker of Paulus alleen de schepping bedoelt en/of de hele wereld (alle mensen) maar treffend is de totaliteitsgedachte. Hij is zich bewust van het geheel waarin wij ons bewegen en zijn. Het is zoiets als alleen op een berg staan of over de zee zien of een andere ervaring die je uit je gewone ervaringskader haalt en je ontvankelijk maakt voor 'dat andere'. Paulus als mysticus. Zie ook v 38 en 39a.

v19vv De Kruijf:"Het reikhalzend verlangen immers van de schep­ping verwacht de onthulling van de zonen van God (aan de nietigheid immers is de schepping onderworpen, niet vrij­willig maar door Hem die haar aan onderworpen heeft) op grond van hoop dat ook de schepping zelf be­vrijd zal wor­den van de slavernij van de vergankelijk­heid …" geeft beter weer waar het om gaat: de hele schepping is uit op heerlijkheid. Dacht P aan ps 148, Dan 3, 52 vv?

 

- Nu wij:

23 'eerstelingen': met het aanbieden van de eerstelingen opende de Jood zijn nieuwe oogstjaar.

 

24 In deze hoop zijn wij gered. Een daverende zin ! Hoop is primair voor de verlossing.

25 'omdat … moet': 'omdat' staat er niet (die 'moet'pater) "Als we hopen op wat we niet zien, verwachten wij met volhar­ding". Net als Ex 19 " Als je echt naar me luistert, dan zul je (vanzelf) ….” Zie aldaar onder v 5.  "Als je (echt) hoopt, ben je (vanzelf) volhardend en werk je mee aan je eigen heil."

 

- Nu de Geest:

Volharden doe je zelf en zo kun je op jezelf teruggewor­pen worden. Zo ook bid je vanuit jezelf, vanuit de Geest in je … zo bidt de Geest …. 

26 'niet weten': Paulus doelt niet op gebed in het algemeen - zeker de Joden hadden genoeg gebedsmateriaal nl. psalmen, dagelijkse gebeden – maar op het eigen gebed. Dan komt het erop aan.

27  Hieraan ligt de drie-éénheid ten grondslag !

 

- Conclusie:

28 'weten': beroep op ervaring.

'raadsbesluit': zijn bedoeling, volgens welke HijZ iedere mens voor het geluk heeft bestemd.

'gelijkvormig aan': daartoe heeft HijZ ons bestemd. "Het gaat dus over ons leven nu in deze wereld", net zoals Jezus op aarde leefde, gelijkvormig aan de Vader. Het gaat dus nu even niet om het toekomstig leven.

Paulus leeft dus 'met zijn hoofd over de wolken heen…'.

30 Een van de mooie gedachtenketens.

 

Onderdeel 2   argument 2   c) voorlopige conclusie en doxologie  8, 31.        Desgewenst zie schema

Eigenlijk is met het vorige alles gezegd maar Paulus kan zich niet inhouden. Hij komt tot een apotheose, 'vergoddelij­king', verheerlijking. Wat hem beweegt is "zijn verhouding tot God en tot degene die hem heeft geroepen tot zijn taak, Christus Jezus".

De liefde van God  

(zonder commentaar ter overweging)

31 Wat moeten wij hieraan nog toevoegen? Als God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? 32 Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard; voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zo'n gave ook niet al het andere schenken? 33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God die rechtvaardigt? 34 Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus misschien, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en die, gezeten aan de rechterhand van God, onze zaak bepleit? 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard? 36 Er staat immers geschreven: Omwille van U doodt men ons de hele dag door; wij worden behandeld als schapen voor de slacht. 37 Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk, dankzij Hem die ons heeft liefgehad.

38 Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch machten, noch wat is noch wat komt, geen macht 39 in den hoge of in de diepte, noch enig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die in Christus Jezus onze Heer is.

 

4.3.3 Onderdeel 3   argument 3  Schriftbewijs  God en Israël  a)  de trouw van God  9,1-31           voor schema

onderdelen: 4.3.1 argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest; 4.3.3 argument 3, Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie 2e deel.

 

Maar, na het hooggestemde van het bovenstaande ligt hem nog één zaak na in het hart:  ook al wordt Gods trouw niet aangetast door de ontrouw van mensen, zit het dan toch goed met hen die juist trouw hadden moeten zijn? Wordt God de Jood niet beu ? Als dat zo is, is de moeite van de tot nu toe beredeneerde en verwoorde zekerheid voor niets. Let eens op  Paulus' droefheid over dat volk dat van God zoveel gavenheeft gekregen.

Paulus' band met Israël

9, 1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, mijn geweten waarborgt het mij in de heilige Geest: 2 in mijn hart is grote droefheid en een pijn die niet ophoudt. 3 Waarlijk, ik zou wensen zelf vervloekt en van Christus gescheiden te zijn, als ik mijn broeders, mijn lijfelijke verwanten, daarmee kon helpen;

 

 

4 ik bedoel de Israëlieten. Hun behoort het kindschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de beloften; 5 van hen zijn de aartsvaders en uit hen komt Christus lijfelijk voort, Hij die God is, boven alles verheven en geprezen tot in eeuwigheid! Amen.

 

"….. niets kan ons scheiden van de liefde van God die in C.J. is …." (8,39) en nu moet ik de waarheid spreken vanuit die liefde. Zij, het uitverkoren volk, hebben Gods liefde weerstaan.

3'vervloekt': beter 'verbannen', 'geschrapt'. Je kunt hier denken aan Mozes, die na het gouden kalf tegen God zegt: "…vergeef hun toch hun zonden -  en zo niet, schrap mij uit het boek des levens" (Ex 32,32).

4 'Israëlieten', een erenaam bij Paulus, die hij verbindt met 'Christus'. Paulus geeft een opsomming van relatie-elemen­ten die God met zijn volk heeft: aanneming tot zoon, openbaring van de  heerlijkheid, verbonden met Noach, Abraham, Mozes, Jozua, David; Hij gaf de Tora, de belofte aan de aartsvaders.

Dat alles is aan God te danken !

Gelukkig hoeft er in ieder geval geen gevaar te zijn, want HijZ is altijd trouw geweest, rechtvaardig en vrij.

God is getrouw aan Zijn woord

6 Toch is het niet zo dat Gods woord heeft gefaald. Want niet allen die uit Israël stammen, behoren tot Israël, 7 en niet allen zijn kinderen van Abraham omdat zij nakome­lingen zijn van Abraham. Maar "alleen zij die van Isaak afstammen, zullen als uw nakomelingen gelden". 8 Dat betekent: niet de lijfelijke kinderen zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nako­melingen beschouwd. 9 Want dit woord: "Het volgend jaar rond deze tijd kom Ik terug en dan zal Sara een zoon hebben", was een belofte. 10 Sterker nog, Rebekka droeg in haar schoot twee kinderen van een en dezelfde man, onze vader Isaak. 11-12 En reeds voor zij waren geboren en iets goeds of kwaads hadden gedaan, werd haar aangekondigd: "De oudste zal dienstbaar zijn aan de jongste". Daaruit blijkt, dat alleen het besluit van Gods uitverkiezing geldt, onafhankelijk van menselijke daden, slechts afhankelijk van Hem die roept.

 

13 Er staat dan ook geschreven: "Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau gehaat".

6 - 13 Paulus hanteert schriftteksten om vanuit het Joodse erfgoed zelf te staven wat hij beweert.

De vraag naar Gods trouw is niet nieuw; ook de profeten zaten er vaak mee.

 

 

Uit de wonderlijke geboorte van Isaak blijkt dat God trouw was aan zijn belofte en die belofte - niet de biologische afstamming - is basis voor Gods volk. Abraham zou vader van véle volken worden en God kon ook nog van stenen zonen van Abraham maken, maar slechts één volk zou Gods volk worden, nl. alle volken die geloven, iedereen die gelooft als Abraham.

Daarom moest God uit die tweeling wel een keuze maken om het begrip 'belofte' in stand te houden. Het begrip verdienste, recht hebben op door eigen werk, of oudste, eerst-geborenen-recht, geldt dan immers niet. Door die keuze geeft God ook aan dat Hij vrij is, niet gebonden aan traditie of verdienste.

Ons 'haten' mag niet: 'achter stellen', als tweede keus zien.

 

God handelt rechtvaardig.

14 Moeten wij hieruit besluiten, dat God onrechtvaardig handelt? Volstrekt niet.

 

 

15 Tegen Mozes zegt Hij: "Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil". 16 Het hangt dus niet af van de wil of de inspanning van de mens, maar van Gods ontferming. 17 En tegen de farao zegt de Schrift: "Daarom juist heb Ik u laten opstaan, om in u mijn kracht te laten zien en om mijn naam bekend te laten worden over heel de aarde". 18 Hij ontfermt zich dus over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil.

14 In het grieks: Wat zullen we dus zeggen?

Een Jood niet kan zeggen dat HijZ onrechtvaardig is. HijZ is ook niet willekeurig maar wel trouw en goed. Een Jood denkt vanuit de Schrift; wij zijn geneigd Gods rechtvaardig­heid niet vanuit de Schrift te bezien: de theodicee.

16 'Gods ontferming': de God van wie de Jood zich afhan­kelijk weet; zie het verhaal van het 'offer' van Isaak.

17 Zelfs farao, dien HijZ toentertijd verhardde omdat hij geen gehoor wilde geven, staat nog in zijn dienst. Net zoals HijZ Kores (Cyrus) die wel luisterde, een niet-Jood, gebruikte (in de visie van de bijbel) om het volk uit de ballingschap terug te laten keren.

 

God is vrij in Zijn keuze

19 Nu zul je mij zeggen: 'Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Wie immers kan zijn wil weerstaan?' 20 O mens, wie ben jij, dat je God zou willen weerspreken? Zegt het beeld soms tegen zijn boetseerder: 'Waarom hebt u mij zo gemaakt?' 21 Natuurlijk staat het de pottenbakker vrij van dezelfde klomp leem zowel iets kostbaars te maken als een voorwerp voor alledaags gebruik. 22 En als God nu eens, om zijn toorn te tonen en zijn macht te laten kennen, de voorwerpen van die toorn, gereed voor de ondergang, met grote lankmoedigheid heeft verdragen, 23 juist met de bedoeling de rijkdom van zijn heerlijkheid te openbaren voor hen die het voorwerp zijn van zijn ontferming, voor hen die Hij tot heerlijkheid heeft bestemd ... ?

24 Het voorwerp van zijn ontferming zijn wij, die Hij heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenvolken. 25 Zoals Hij het zegt bij Hosea: Wat 'niet mijn volk' heette, zal Ik 'mijn volk' noemen, en haar die niet geliefd was, 'mijn welbeminde'. 26 Op dezelfde plaats waar hun was gezegd: U bent mijn volk niet, zullen zij 'kinderen van de levende God' heten. 27 Maar omtrent Israël roept Jesaja uit: Al waren de Israëlieten talrijk als het zand van de zee, slechts het overschot zal gered worden. 28 Want de Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, volledig en snel. 29 Reeds eerder had Jesaja gezegd: Als de Heer van de heerscharen niet wat zaaikoren voor ons had achtergelaten, waren wij gelijk geworden aan Sodom en Gomorra.

19 Nu kan 'de Jood' lekker zeggen: "Ben ik dan schuldig? Ik kan er niets aan doen". Zegt Paulus: "De vraag naar Gods gerechtigheid is een andere dan die naar schuld. Snotneus! Geen smoes verzinnen."

21 Het beeld pottenbakker en boetseerder komt vaak voor en gaat terug op Gen 2,7.8.15. Het is een beeld, een vergelijking, dat door Augustinus en Calvijn als hard is opgevat; gevolg: zondige natuurleer en predestinatieleer.

22 'toorn' - 'macht' correspondeert met rechtvaardig - barmhartig.

 

23 Dan misbruikt HijZ zijn vrijheid tocht niet!

Hij raakt de draad van zijn zin kwijt maar in v 30 komt de conclusie.

 

24 'heidenvolken': de (andere) volken

25v Verplaatsing van het heil naar andere volken omdat Israël niet hoort.

 

 

 

27 'maar': er is evenwel toch heil voor 'de rest' dus "maar" i.p.v. "En".

 

 

 

29 'zaaikoren' om te overleven. Lees eens Jes 1, 4.7.8. Heel dreigend maar toch weer die hoop dat er een rest is, zaad, belofte.

 

Israël en het doel van de wet              

30 Hieruit volgt dat heidenen, die de gerechtigheid niet nastreefden, haar toch hebben verworven, de gerechtigheid namelijk door het geloof.

 

 

 

31 Maar Israël, met al zijn ijver voor de wet van de gerechtigheid, heeft het doel van de wet niet bereikt. 32 En waarom? Omdat zij meenden te kunnen steunen op hun daden, en niet op het geloof. Zij hebben zich gestoten aan de steen waaraan men zich stoot, 33 volgens het woord van de Schrift: "Zie, Ik leg in Sion een steen waaraan men zich stoot, een struikelblok. Wie in Hem gelooft zal niet worden teleurgesteld."

30 In het grieks: wat zullen we dus zeggen?

'verworven': lett: oppikken; klinkt heel wat beter.

Paulus trekt de conclusie die er in v 23 al aan het aan­komen was: Kijk eens hoe machtig God is ! Zie 1,18 – 32.  Zij hebben het wel 'opgepikt'. God is niet willekeurig maar trouw aan zijn gerechtigheid, die voor iedereen geldt die goed wil.

31 'doel': de eindstreep, als bij hardlopen. In 10,4 schrijft Paulus: "Het doel van de Wet is Christus" (Messias), die niet met werken bereikt kan worden maar alleen in geloof.

 

33 In Sion, in de joodse godsdienst, leer, ligt het criterium voor het geloof.

'Ik':  God, de Heer, leg als struikelblok Jezus Messias.

 

De vraag wordt nu: Hoe is het mogelijk dat Israël zich heeft gestoten aan een steen die door God zelf in Sion is gelegd, terwijl andere volken wel op hem vertrouwen en niet worden beschaamd?

 

Onderdeel 3   argument 3   Schriftbewijs  God en Israël  b) de ontrouw van Israël  10,1     Desgewenst zie schema

10, 1 Broeders en zusters, het is mijn vurige wens en ik bid tot God dat zij gered worden. 2 Ik getuig dat zij godsdienstige ijver hebben, maar het is ijver zonder inzicht. 3 Met hun miskenning van Gods gerechtigheid en hun pogen een eigen gerechtigheid op te richten, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen. 4 Want Christus is het doel van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.

1 De aanspreking is een markering. Paulus wordt weer persoonlijk,'ik' , als in hoofdstuk 9 maar nu niet bedroefd.

 

3 Zij hebben hun éígen wetsinterpretatie/-beleving als norm gesteld, als doel.

4 Het is juist J.C., die de Wet helemaal heeft ingevuld, vervuld zoals God bedoelde. Zo doende wordt hij het doel van de Wetsbeleving. Door Hem en met Hem en in Hem wordt de gerechtigheid van het volk Gods bereikt.

De Gerechtigheid uit het geloof

5 Zeker, over de gerechtigheid door de wet schrijft Mozes: "De mens die haar volbrengt, vindt door haar het leven". 6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: "Zeg niet bij uzelf: Wie zal opstijgen naar de hemel? Dat is: Christus laten afdalen". 7 Of: "Wie zal neerdalen in de onderwereld? Dat is: Christus uit het dodenrijk laten opstijgen". 8 Nee, zegt de Schrift, "het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart", het woord namelijk van het geloof, dat wij verkondigen. 9 Want als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden. 10 Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond brengt de redding. 11 Zo zegt de Schrift het: "Niemand die in Hem gelooft zal worden teleurgesteld". 12 Er bestaat geen verschil tussen Joden en Grieken. Zij hebben allemaal dezelfde Heer, rijk aan gaven voor allen die Hem aanroepen. 13 "Iedereen die de naam van de Heer aanroept, zal gered worden."

'wet' (hfst. 5) – 'geloof' (hfst. 6) !

 

6 In Deut 30,11 – 14  vind je het citaat dat op twee manieren zegt dat de Wet niet iets onmogelijks is. Paulus breidt dat omhoog en omlaag uit met 'toepassingen' op J.C.: je hoeft hem niet uit de hemel te halen en ook niet uit de onderwereld. Hij is bereikbaar.

8 'mond': vermoedelijk de geloofsbelijdenis bij het doopsel, die ook in het hart moet leven. Zie Deut 30, 11 vv

9 'Jezus is de Heer' en 'God heeft hem uit de doden opge­wekt' zijn de oudste, kernachtige geloofsformuleringen.

'Heer' duidt niet op het hebreeuwse 'Adonai', de aanspre­king van God (de Vader). Wel is het begrip heer – knecht in die tijd bekend. Zó geldt voor Christenen dat zij in dienst staan van Jezus Christus als hun heer, zoals Paulus.

10 Waar het hart  van vol is., loopt de mond van over; het moet naar buiten!

13 Een stukje van de keten aanroepen - geloven - horen - verkondigen - gezonden worden. Een andere dan 8, 30

 

De ongehoorzaamheid van Israël          14vv  Een uitwerking van 10, 3,  het zich niet onderwerpen.

14 Maar hoe kunnen zij iemand aanroepen in wie zij niet geloven? Hoe kunnen ze in iemand geloven zonder

14 De keten: aanroepen, geloven, horen, verkondigen, zending. Voor Paulus verloopt dat nu andersom: hij is

van Hem te hebben gehoord? Hoe kunnen ze over iemand horen, als niemand Hem verkondigt? 15 En hoe kunnen ze verkondigen, als ze niet zijn gezonden? Het is zoals de Schrift zegt: "Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die goed nieuws brengen". 16 Maar niet allen hebben aan het goede nieuws gehoor gegeven. Jesaja zegt: "Heer, wie heeft geloof geschonken aan onze boodschap?" 17 Het geloof komt dus voort uit de boodschap, en de boodschap geschiedt in opdracht van Christus.

18 Maar, zo vraag ik, hebben zij haar misschien niet gehoord? Toch wel: "Hun geluid heeft zich over de gehele aarde verspreid, hun woorden weerklonken tot aan de uiteinden van de wereld". 19 Maar, vraag ik weer, heeft Israël het misschien niet begrepen? Als eerste is er Mozes, die zegt: "Ik zal u naijverig maken op een volk dat geen volk is, en kwaad op een volk zonder inzicht". 20 En Jesaja durft zich zo uit te drukken: "Ik liet Mij vinden door wie Mij niet zochten. Ik heb Mij vertoond aan mensen die niet naar Mij gevraagd hebben". 21 Maar met betrekking tot Israël zegt hij: "De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en weerspannig volk".

gezonden om te verkondigen zodat zij horen enz. Zo geeft hij er een bepaalde spanning aan. Hij zal aan zijn (zendings)reizen gedacht hebben.

 

 

16 Jesaja vroeg al om geloof: ze kunnen het dus op de vingers van één hand uittellen ! Er is geen excuus.

 

 

 

18 Paulus probeert een volgend excuus.

 

Accent op 'gehele' en 'uiteinden'.

 

19 Nog een mogelijkheid ?

Zelfs in die uitdaging 'trapten' de Joden niet in !

Zie Deut 32,21, n.b. het lied van Mozes !

20 Paulus haalt Jes 65,1 aan en daarna 65,2 m.b.t. Israël; maar vanaf 65,8 draagt de tekst al Paulus' hoop in zich.

 

21 Zie je nu wel !  Ze wisten het of konden het weten. M.a.w. de zaak is verkeken. Zou Paulus dat (kunnen) zeggen?

 

 

Onderdeel 3   argument 3   schriftbewijs God en Israël   c) het geheim   11,1   Desgewenst zie schema

Een rest is uitgekozen

11, 1 De vraag is nu: heeft God zijn volk verstoten? Helemaal niet. Ik ben zelf een Israëliet, een afstam­meling van Abraham uit de stam Benjamin. 2 "Nee, God heeft zijn volk, dat Hij tevoren heeft gekend, niet verstoten."

 

Weet u niet wat de Schrift zegt in het verhaal van Elia, hoe hij Israël aanklaagt bij God: 3 Heer, "zij hebben uw profeten gedood en uw altaren omvergehaald. Ik alleen ben overgebleven, en mij staan ze naar het leven". 4 Maar wat geeft de godsspraak hem ten antwoord? "Zevenduizend man heb Ik overgehouden, die de knie niet hebben gebogen voor Baäl."

1 'De vraag is nu': lett: 'Ik zeg dus': Paulus gaat terug naar  9,14. "Is er soms ontecht bij God?"

Als de zaak verkeken is, heeft God zijn eigen volk versto­ten. "Dat zul je mij als Jood nooit horen zeggen", zegt Paulus. Hij is afstammeling van Abraham en hoort bij de stam Benjamin die uit ballingschap is teruggekomen.

2b psalm 94, 14 zegt dat God Zijn volk niet verstoot.

3 Elia klaagt Israël aan nadat hij n.b. voor haar een over­winning op de priesters van Baäl heeft behaald en het volk hem toch naar het leven staat …(1Kon19)

4 Getallensymboliek: zeven duidt op doorgaand leven, tien op maximaal: 7 x 10 x 10 x 10.

5 Zo is het ook in deze tijd. Een rest is overgebleven, dankzij een genadige uitverkiezing. 6 Is het echter uit genade, dan is het niet vanwege verdienstelijke daden; anders zou de genade geen genade meer zijn.

 

 

7 We zien dus dat Israël niet heeft bereikt wat het nastreeft. Alleen het uitverkoren deel heeft zijn doel bereikt; de overigen zijn versteend,

 

 

 

8 volgens het woord van de Schrift: "God heeft hun geest verdoofd, Hij gaf hun ogen die niet zien en oren die niet horen, tot op de dag van vandaag." 9 En David zegt: "Laat hun tafel voor hen een strik worden, een val, een struikelblok, een bestraffing. 10 Mogen hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien. Krom hun ruggen zonder ophouden".

5 'De rest' hebben we leren kennen in Jes 4 enz. Zie voetnoot Willibrord.

6 'dankzij …' Lett: '… een rest naar de uitverkiezing van de genade ontstaan'. Voor 'uitverkiezing': Bijbelse begrippen m.a.w. die genade kreeg men gratis. De vraag 'waarom hij wel en zij niet?' wordt nooit beantwoord naar onze maatstaf.

7 Lett. "Wat dan?  Wat Israël nastreefde …" Ook voor Paulus een rot-vraag !

'bereikt': zie 9,30-33. 'versteend': beter 'verhard', dat weer zacht kan worden. Verharding is een straf voor het niet willen luisteren.

8 "God gaf hun een geest van verdoving" m.i. opdat het tot een crisis komt en vervolgens inzicht ontstaat.

 

9 Zelfs hun tafel …!

Het citaat Jes 6,9v en -van David- Ps 69,20vv (die veel op Jezus wordt toegepast) zijn wanhoopskreten, droefheid.

 

Voor we verder gaan met argument 3 God en Israël c) het geheim  even een overzichtje:

"Door hún misstap redding voor de vólken"  11,11 - 24

Nu komt het hoogtepunt van het middendeel, zelfs wel van de hele brief. Hier heeft hij zich naar toe geworsteld. Hij gebruikt nu geen schriftcitaten maar zijn eigen redenering/ervaring. Als je de hele brief in de gaten houdt, zie je:

a) het eigenlijke onderwerp is nog steeds het 'geheim van God'. Paulus begon in hoofdstuk 9 met de vraag of het woord van God vervallen zou zijn en nu weer of Israël struikelde opdat (!) zij zou vallen. Als dat Gods bedoeling is, hoe is God dan ?

b) Nu in 11,11 gebruikt hij voor de laatste keer "Dat nooit !" Elke keer gaat het om  de verhouding God – mens.

3,3-4:    Zal hun ontrouw dan de trouw van God teniet doen ? Dat nooit !

3,5-6:    Is God soms ongerecht ? Dat nooit !

3,31:     Stellen we de Wet (van God) dus buiten werking door het geloof ? Dat nooit !

6,1-2:    Zullen we dus maar bij de zonde blijven (tegen Gods Wet) opdat zijn genade                         

             toeneemt ? Dat nooit !

6,15:     Zullen we dan maar zondigen omdat we niet ondergeschikt zijn aan de Wet (van God)

            maar aan de genade (van God) ? Dat nooit !

7,7:      Is de Wet (van God) zonde ?  Dat nooit !

7,13:     Het goede (van de Wet) is dus mij tot dood geworden ? Dat nooit !

11,11:   Zijn zij soms gestruikeld opdat zij zouden vallen ? "Dat zul je mij als Jood nooit horen  zeggen", zegt Paulus.

           De Kruijf merkt op dat als je die teksten achter elkaar leest, zie je Paulus' emotie.

 

Vervolg onderdeel 3 argument 3 God en Israël  c) het geheim.

Israël en de redding van de heidenen

11 De volgende vraag is: hebben zij zich dan zo gestoten, dat zij ten val zijn gekomen?

 

 

 

 

 

 

Volstrekt niet, maar als gevolg van hun misstap werden de heidenen gered, om hen jaloers te maken. 12 Als hun misstap de wereld verrijkt heeft en hun falen voor de heidenen rijkdom betekent, wat mogen wij dan niet verwachten, als zij hun tekort zullen aanvullen!

11 Lett: 'Ik zeg dus' neemt de vraag van 11.1 weer op.

'gestruikeld' vanwege de verwijzing naar de z.g. psalmen van Salomon (zie 2.1): “Struikelt de goddeloze, zo vervloekt hij zijn leven, … hij valt – en zwaar is zin val -  en hij staat niet meer op”. Dit -en andere citaten- om invoelbaar te maken in wat voor een denkkader Paulus leeft, en niet alleen hij.

'dat zij ten val …' Lett: 'opdat zij …' Is dat God bedoeling?

'Volstrekt niet': lett: 'Dat nooit' voor de laatste keer.

HijZ wil niet dat ze vallen maar dat ze jaloers worden.

 

12 'wat mogen … ' lett: "hoeveel te meer hun voltooiing"; klinkt veel positiever. Hierna volgt nog één keer "Hoeveel te meer"

 

Voor we verder gaan (met argument 3 God en Israël c)  het geheim) even een begrip:

Hoeveel te meer …

In 5,3 – 11, het begin van het tweede deel, heeft Paulus het 'hoeveel te meer' argument gehanteerd om onze hoop te vestigen vanuit de Schrift en eigen ervaring: v 8 “Daarentegen bewijst God zijn eigen liefde voor ons doordat, toen wij nog zondaars waren, Christus voor ons gestorven is. 9 Hoeveel te meer zullen wij, thans door zijn bloed gerechtvaar­digd, door hem gered worden van de toorn. 10 Als wij immers, toen we nog vijanden waren, verzoend zijn geworden met God door de dood van zijn zoon, hoeveel te meer zullen wij, nu we verzoend zijn, gered worden door zijn leven”.

Let eens op de parallel van 5, 10 met  11, 12:    (Paulus hanteert vaak deze stijlsoort.)

misstap               vijanden

rijkdom                verzoend met God

te kort (falen)       rijkdom voor de volken

hoeveel te meer   hoeveel te meer

hun voltooiing      gered worden                    

 

We gaan verder met argument 3 God en Israël c) het geheim

 

13 Nu richt ik mij tot u die uit het heidendom gekomen bent. Ik ben apostel van de heidenen, en ik schat dit dienstwerk juist hierom zo hoog, 14 omdat ik hoop mijn eigen volk tot afgunst te prikkelen en er althans enkelen van te redden. 15 Want als hun verwerping de wereld verzoening heeft gebracht, wat kan dan hun aanneming anders betekenen dan leven uit de doden?

 

 

 

16 Zijn de eerstelingen van het meel geheiligd, dan ook het deeg. Is de wortel heilig, dan ook de takken.

 

17 Als nu sommige van die takken zijn weggebroken, en jij, wilde loot, daartussen bent geënt en deel hebt gekregen aan het sap van de olijf, 18 verhef je dan niet boven de takken. Wil je je verheffen, bedenk dan dat de wortel jou draagt en niet jij de wortel. 19 Je zult zeggen: 'Er zijn toch takken weggebroken, zodat ik kon worden geënt.' 20 Heel juist, zij zijn weggekapt vanwe­ge hun ongeloof, en jij dankt je plaats aan het geloof. Maar neem je in acht, wees niet overmoedig. 21 Als God de takken die aan de boom thuishoorden niet heeft ontzien, zal Hij ook jou niet sparen. 22 Houd daarom Gods goedheid voor ogen, maar ook zijn strengheid: zijn strengheid voor de takken die zijn afgevallen en zijn goedheid jegens jou, als jij tenminste zijn goedheid trouw blijft. Anders word ook jij weggekapt. 23 En wat hen betreft, als zij niet in hun ongeloof volharden, zullen ook zij weer worden geënt. Want God is bij machte hen opnieuw te enten. 24 Jij bent van de wilde olijfboom waartoe je van nature behoort, afgebroken, en tegen je natuur in geënt op de edele olijf. Hoeveel gemakkelijker zullen zij die er van nature bij horen, weer op hun eigen stam worden geënt!

13 Paulus is zich zijn positie wel bewust: een 'uitgetreden Jood' die zich om niet-Joden bekommert maar zijn afkomst niet verloochent.

 

15 'verwerping': veel te sterk, 'verlies' is beter.

 

'leven uit de doden': mogelijk associatie met opstanding van Jezus, opkomen uit de onderdompeling in de doop, opgenomen worden in een huisgemeenschap, misschien zelfs het weer samen­gaan van Juda en Israël als parallel.

16 gedachten-associatie met het aanbieden van de eerste­lingen als in 8, 23; zie Num 15, 18 – 22, Deut 26, 1 – 11 (lezen!), 1Kor  15, 20.

17vv: zie  Jer 11,16. Voor een goed begrip lezen v 1 – 16.

 

18 'verheffen' lett.'beroemen' zoals Paulus vaker zegt.

 

 

 

20 Bij 'afbreken', 'wegkappen' enz. bedenken dat de tak afbreekt doordat zij dor wordt door ongeloof en het restant wordt weggehaald. God kap niet weg!

 

21 'sparen': ook jouw restant wordt opgeruimd.

22 Goedheid en strengheid samen, typisch Joods zoal rechtvaardig en barmhartig elkaar aanvullen.

'afgevallen' lett. 'gevallen', dat doet denken aan 11,11.

 

23 Onze God kan dat!. Het geheim van God.

 

 

24 'afgebroken' lett. 'afgestoken' nl. t.b.v het enten! Afbreken is hier echt fout.

'Hoeveel te meer … ' de laatste keer, dus definitief, hoop.

 

 

De redding van Israël

25 Overschat uzelf niet, broeders en zusters. Ik wil u niet onkundig laten van dit geheim: de verstening die over een deel van Israël gekomen is, duurt slechts totdat de grote massa van de heidenvolken is binnengegaan.

 

 

 

 

 

26 En zo zal tenslotte heel Israël gered worden, volgens de woorden van de Schrift: "Uit Sion zal de redder komen en Hij zal de goddeloosheid uit Jakob verwijderen. 27 Dit is het verbond dat Ik met hen zal sluiten, wanneer Ik hun zonden heb weggenomen". 28 Al staan zij vijandig tegenover het evangelie omwille van u, toch blijven het Gods geliefden krachtens zijn uitverkiezing, omwille van de aartsvaders. 29 Want God kent geen berouw over zijn genadegaven of zijn roeping.

30 Zoals u eertijds aan God ongehoorzaam bent geweest, maar nu, dankzij hun ongehoorzaamheid, ontferming hebt gevonden, 31 zo zijn zij op hun beurt nu ongehoorzaam geworden, ten gevolge van de u betoonde ontferming, opdat ook zij nu ontferming zouden vinden. 32 Zo heeft God allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten, om allen in te sluiten in zijn ontferming.

 

 

 

 

 

 

25 Een betere vertaling geeft de Kruijf: Ik wil u immers niet in onwetendheid laten over dit geheim opdat u niet vanuit uzelf denkt te weten dat de verharding ten dele over Israël gekomen is totdat de volheid van de volken is binnengegaan.

Voor 'verstening' zie 11,7.

Volheid duidt op de volheid der tijden niet op 'grote massa'.

Het geheim is niet de tijdelijke en gedeeltelijke  verharding van het uitverkoren volk maar Gods raadsbesluit (zie voet­noot Willibrord). De verharding was zichtbaar, de gedeel­telijkheid ook en de tijdelijkheid ligt al in de Schrift.

26 'tenslotte' en 'heel' hebben het accent.

 

 

 

 

 

 

29 lett: "Onherroepelijk immers zijn de genadegaven en de roeping van God". Nog zo'n daverende zin als in 8, 24.

30 "Zoals u eertijds aan God ongehoorzaam was, maar nu, dank zij hún ongehoorzaamheid, ontferming hebt gevon­den, 31 zo zijn zij nu ongehoorzaam geworden -vanwege  uw ontferming -, opdat ook zij nu ontferming zouden vinden. 32  Zo heeft God allen in hun ongehoorzaamheid ingesloten opdat hij zich over allen zou ontfermen."

31 't.g.v.' klopt niet en 'hun' in 32 staat er ook niet. Het gaat om (beider) ongehoorzaamheid niet om de Joodse.

32 Wat de vrome pater bezielt om 'opgesloten' te vertalen? … Er staat ingesloten, dat geen negatieve bijbetekenis heeft. Ik zie het beeld van een Vader die een stout kind toch op de schoot houdt, omarmd, totdat  het is uitgekuurd.

'allen' heeft het accent.

 

4.3.4  onderdeel 4  Conclusie tweede deel;  doxologie

onderdelen: 4.3.1 argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest; 4.3.3 argument 3, Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie 2e deel.

Lofprijzing van God

33 O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis !  Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen ! 34  "Wie kent de gedachte van de Heer ?  of  wie is zijn raadsman geweest ?  35 of  wie heeft Hem (eerst) iets gegeven, en moest het Hem teruggegeven worden?"  36 Want uit Hem  en door Hem en voor Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid!  Amen !

(ter overweging; het loopt wel eens raar in het leven)

 

4.4  Het derde deel        Christelijke vervulling van de Wet  12,1 – 15,13          Desgewenst zie schema

 onderdelen:   4.4.1  Liefde in de gemeente  a) broederliefde  12,1;  intermezzo: naar buiten?  2,17;  b) liefde vervult de wet 13,8

                     4.4.2  Aanvaard elkaar  14,1

 

De Kruijf: Laten we nog eens de opzet en de opbouw van de brief bezien. In het thema aan het begin van de brief hebben we drie elementen gevonden (dit heb ik overgeslagen maar kijk nog eens naar 1,16 & 17):

- oorsprong (de gerechtigheid Gods zoals die zich in mensen openbaart);

- doel (heil, geloof = trouw, leven);

- proces (geloof).

Gods gerechtigheid als oorsprong speelt in de hele brief de hoofdrol. In het eerste deel (hfst.1 – 4) ligt vervolgens de nadruk op het proces  van de rechtvaardiging uit geloof, terwijl in het tweede deel (hfst. 5 – 11) de nadruk verschuift naar het doel: heil en leven. In dit derde deel kijkt Paulus voortdurend uit naar  het definitieve heil, naar de onver­gankelijke vrede. Maar het leven is reeds begonnen van af het ogenblik op aarde waarop wij 'gerechtvaardigd' zijn. Als wij gerecht­vaardigd zijn, kan deze rechtvaardigheid niet  uitsluitend betrekking hebben eschatologische (het -evange­lische - Rijk dat komende is) betekenis hebben. Wij zijn gerechtvaardigd niet op grond van de Wet maar op grond van het evan­gelie. In het tweede deel duidt Paulus dan ook telkens op wat nu reeds speelt: 'de genade waarin wij zijn geplaatst' (5,2); 'de genade zal heersen door gerechtigheid tot eeuwig leven' (5,21); 'wij zullen in nieuwheid van leven wandelen' (6,4); 'gehoorzaamheid tot gerechtigheid' (6,16); 'opdat wij vrucht dragen voor God' (7,5);  en vooral 'opdat de rechtmatige aanspraak van de Wet vervuld moge worden in ons die niet naar het vlees maar naar de Geest wandelen'(8,4). Maar Paulus kon dit niet eerder uitwerken zolang het fundamentele mysterie van Israël nog niet was gesteld. Nu echter is het tijd op hfst. 8 - leven volgens de Geest - terug te grijpen: 'Ik vermaan u dan …..' (12,1). De vermaning is geen toevoeging maar een noodzakelijk onderdeel van de brief, theologisch even noodzakelijk als de uiteenzetting van de vorige delen.

 

4.4.1 Onderdeel 1   liefde in de gemeente   a) broederliefde   12, 1                  Desgewenst zie schema

onderdelen:    4.4.1 Liefde in de gemeente  a) broederliefde  12,1;  intermezzo: naar buiten?  2,17;  b) liefde vervult de wet 13,8

                            4.4.2 Aanvaard elkaar  14,1

 

Toewijding aan God

12, 1 En nu, broeders en zusters, vermaan ik u bij Gods ontferming: Wijd uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, Hem welgevallig. Dat is de geestelijke eredienst die u past. 2 Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Word andere mensen, met een nieuwe gezindheid. Dan bent u in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, welgevallig en volmaakt.

Toewijding is zoiets als je hele persoon inzetten. Niet meer de Joodse eredienst met dier-offers maar je eigen lichaam, je dienst-gereedschap: je zelf !

'geestelijk' kan tegenover 'dierlijk' staan maar mij lijkt belangrijker dat een mens iets kan bedoelen, zich richten op, en dat hij zo 'eredient', Gods eer dient.

2 Lett: "Wordt niet gelijkvormig aan de wereld maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw geest".(via de doop)

 

Eén lichaam met vele ledematen 

3 Uit  kracht van de genade die God mij gegeven heeft zeg ik tegen ieder van u: Acht uzelf niet hoger dan u kunt verantwoorden, denk over uzelf met bedacht­zaamheid, ieder naar de maat van het geloof  dat God aan hem heeft toebedeeld. 4 Want zoals het menselijk lichaam vele ledematen heeft en niet alle ledematen dezelfde functie hebben, 5 zo vormen wij allen tezamen in Christus één lichaam, en ieder afzonderlijk zijn wij elkaars ledematen.

6 De geestelijke gaven die wij bezitten, verschillen naar de bijzondere genade die ieder van ons is geschonken. Is het de gave van de profetie, gebruik die dan in overeenstemming met het geloof. 7 Is het de gave van dienstbetoon of van lering, leg u dan toe op dienst­betoon of onderricht. 8 Wie anderen kan bemoedigen, moet dat doen. Wie iets heeft uit te delen, moet het zonder bijbedoelingen wegschenken. Als u leiding geeft, doe het met ijver, als u barmhartigheid bewijst, doe het blijmoedig.

 

 

3b "Maar koestert gedachten gericht op bedachtzaamheid, zó als God eenieder geloof heeft toebedeeld". Het gaat niet om meer of minder geloof maar om hetgeen waar ieder persoonlijk in gelooft, in wat hij kan doen in/voor die eredienst.

 

 

Het geloof is de algemene genade en nu komen de bijzondere, onderscheiden gaven aan de beurt. Die zich in verschillende functies uiten. 'Charismata' zijn niet bedoeld.

7v Uit delen, leiding geven en barmhartigheid zijn de 'sociale' taken. De maatstaf ligt niet in de tak zelf maar in de houding waarmee.

8 'zonder bijbedoelingen': lett. 'eenvoudig', enkelvoudig, niet dubbel, ongecompliceerd, in harmonie. 'zonder bijbedoelingen' is niet positief gezegd. Harmonie= sjaloom.