|
Inleiding: 1 Waarom deze brief 2 Situatie rondom de brief |
3 Schema van de 3 delen met detaillinks
uitstapjes: |
4
Tekst: inleiding 1,1 - 17 rechtvaardiging door geloof 1,18 - 4,25 zekerheid op grond van hoop 5,1 - 11,36 Christelijke vervulling v.d. Wet 12,1 - 15,13 slot
15,14 -16,27 |
1 Waarom deze brief ?
De
aanleiding is dat ik ooit het commentaar op deze brief van mijn leermeester,
prof. Th. De Kruijf, heb gekocht en dit graag wilde lezen. Dat kan natuurlijk
het beste in een groep. Zodoende werden de deelnemenden geroepen tot het lezen
van een van de moeilijke brieven. Zijn commentaar volg ik maar alleen die
punten die voor ons te behappen zijn. Ook nu geef ik
door wat ik heb geleerd.
De reden is dat deze brief wordt beschouwd als dé brief en
daarom staat ze vooraan in het rijtje van de brieven, hetgeen
wellicht ook de reden is dat het evangelie van Matteüs vooraan staat in het evangelie-rijtje. Historisch gezien is deze brief zeker
niet de eerste brief van Paulus, waarover je inzake Mt
nog ruzie kunt maken. Dat de brief moeilijk is, heeft ook zijn voordeel: als we
haar doorgenomen hebben, kun je andere brieven beter aan, hoewel het niet de
bedoeling is hem exegetisch uit te pluizen. Daarvoor heb je de griekse tekst nodig en het zou voor ons doel beslist te ver
voeren, (hoewel - ook exegese is bezig zijn met het Woord) m.a.w. het zal wel
meevallen. Leuke stijlfiguren laat ik rusten omdat die niet iedereen
interesseren.
Het belangrijkste zij ook nu weer 'het ermee bezig zijn',
samen Gods woord laten weerklinken. Dat is tenslotte de reden nog een jaar door te gaan met de
bijbelkoers. Voor de lezer(es) - liefst ook in een groep - zij deze brief nog
meer dan Mt en Gal een bezig zijn, lezen en herlezen, laten bezinken, kijken
wat Paulus bezielt, ervan meekrijgen. Ik vind hem vaak meer mysticus dan
verkondiger. Praktisch voordeel zie ik niet zo direct, wel kreeg ik al doende
meer zicht hoe het heil kwam/komt via J.v.N./J.C., wat/hoe Paulus denkt.
2 De situatie rondom de brief
Bovendien vind ik het inspirerend om je in te leven in de
situatie van de kerk. Paulus is 'klaar' in Klein-Azië. Hij zal naar Jeruzalem
gaan om de collecteopbrengst daar af te leveren en hoopt dan naar Rome te gaan
om vandaar uit in Spanje te missioneren. Rome is een goede springplank en het
is logisch dat hij zich daar 'presenteert', want hij hoopt dat die gemeente hem
zal uitrusten voor de reis. Bovendien wil hij -ook voor
zichzelf- de zaken op een rijtje hebben. Wij vinden misschien dat Paulus
een beetje zeurt, het loopt toch allemaal goed. Dat zeggen wij nu, nu we weten
hoe goed alles is gegaan maar dat wist Paulus toen niet; hij kon alleen maar
hopen. De wereld was toen slecht, zie de brief, er waren alleen een aantal
kleine vlammetjes van hoop, de christengemeenten, en er was de nodige tegenwerking
van geloofsgenoten, de Joden. Daartegen in schrijft Paulus zichzelf moed in
door zich en zijn 'leer' te verantwoorden t.o.v. anderen maar ook om voor
zichzelf e.e.a. op een rijtje te hebben.
Volgens De Kruijf is die hoop het hoofdthema van de brief.
Hij begint met rechtvaardiging door geloof: we hebben een goed startpunt door
onze verbondenheid met J.C. door de doop. Maar hoe zal het verder gaan met ons
en met de wereld? Dat is onze(!) hoop die we door J.C. hebben. En ook al is de
wereld niet in een keer gered: als wij christelijk leven, vullen we in ieder
geval in. Ik denk dat het woord 'rechtvaardiging' in het
algemeen het beste kan worden begrepen als 'met fatsoen voor God kunnen
staan'. "kunnen": enerzijds dat wij - met een beroep op
Barmhartigheid - voor Gods Aanschijn mogen staan en
anderzijds dat God Zijn Welbehagen stelt in ons als volgelingen van Zijn Zoon.
Rechtvaardiging door geloof was een van de drie thema's
van Luther. Hij verzette zich terecht tegen de aflatenpraktijk, waardoor men
zijn zaligheid kon kopen: sola fide, alleen door geloof word je gered. Zonder
verdere nuancering is dat natuurlijk niet voldoende. Maar de reformatie heeft
aan die wijze van rechtvaardiging wel veel aandacht gegeven waardoor deze brief
toch anders
werd benaderd dan wij nu doen - ik vind zelf en hoop ook voor anderen inspirerend.
3 Het schema van de brief
(zonder de inleiding 4.1 en het slot 4.5)
|
Rechtvaardiging door geloof 4.2 1,18 – 4,25 |
Zekerheid op grond van hoop 4.3 5,1 – 11,36 |
Christelijke Wetvervulling 4.4 12,1 – 15,13 |
|
1 De samenleving is zondig a de hele samenleving 1,18 b de leidende personen 2,1 c de (vooraanst.) Joden 2,17 intermezzo:
voorrecht v.d. Jood? 3,1 2 Conclusie: allen onder de zonde 3,9 (dus:
rechtvaardiging is ter zake) 3 Rechtvaardiging door geloof 3,21 4 Schriftbewijs: Abrahams geloof 4,1 |
1 Argument 1 (on-)liefde a ervaring:
Gods liefde in J.C. 5,1 b Schrift: 'hoeveel te meer' 5,12 c de obstakels: - de zonde
6,1 - de wet
7,1 2 Argument 2 Geest a leven
naar Geest, niet naar vlees
8,1 b onze verwachting: de kracht van Gods Geest 8,18 c voorlopige conclusie en doxologie 8,31 3 Argument 3 Schriftbewijs a God -
Israël: trouw van God 9,1 b ,, ,,
: ontrouw van Israël 10,1 c ,, ,,
: het geheim 11,1 4 Conclusie van het 2e deel: doxologie 11,33 |
1 Liefde in de gemeente a broederliefde 12,1 interm.: naar buiten? 2,17 b liefde vervult wet 13,8 2 Aanvaard elkaar 14,1 samenvatting brief 15,7 |
4 De tekst met
commentaar
Links de tekst van de Willibrord '95 - rechts het
commentaar, ook kritiek op vertaling. De perikoop-opschriften
staan cursief. Cursieve druk
in de tekst duidt op andere vertaling.
bevat het standaardrijtje: geadresseerde, groet/wens, dankzegging en thema.
Misschien weten we nog dat Paulus in de Galatenbrief de dankzegging weg liet en
meteen uit zijn slof schoot.
Dankzegging en reisplannen 1,8 -15
In de
Galatenbrief bleef de dankzegging weg.
|
14 Ik sta in de schuld bij Grieken en niet-Grieken, bij
ontwikkelden en ongeletterden;
15 vandaar mijn gretigheid om ook u, Romeinen, het evangelie te brengen. |
8 'door J.C.' aan God, dus geen Jezu-ologie, die
niet verder gaat dan Jezus. 9 even slijmen; dat heet 'captatio benevolentiae',
aanspraak maken op welwillendheid. 12 Paulus corrigeert een beetje, zij geloofden
immers al en hij legt uit wat hij bedoelt nl. samen 'genieten'. Doen wij nu
ook, nietwaar? 13 'heiden'- heeft niet onze ongunstige betekenis
maar doelt op de andere, niet-Israëlische volken misschien wel de andere dan
de Romeinse volken. 14 'in de schuld staan' letterlijk 'verplichtingen'. 15 De betekenis zij dat hij zo verknocht is aan dat
goede nieuws, dat in hem leeft, dat hij het overal wil brengen (zijn rol, zie
boven, v 1) en verkondigen, samen vieren. Eigenlijk rijst hier een probleem: het grieks zegt echt 'evangeliseren' maar wat wil Paulus
brengen of verkondigen (in de gewone betekenis) als zij al geloven? Niettemin
blijkt dat Paulus toch wel een paar 'tips' heeft voor de Romeinen. |
Het onderwerp van de brief 1, 16-17
Het goede
nieuws (evangelie) is dat God een (ger)echte
is, een goede, die doet wat Hij zegt, heil brengt, zo dus Zijn gerechtigheid
toont.
|
16 Want voor dit evangelie schaam
ik me niet. Immers, het is een goddelijke kracht tot redding
van ieder die erin gelooft, de Joden allereerst, maar ook de Grieken, 17 want daarin openbaart zich Gods gerechtigheid op grond van een steeds groeiend geloof, zoals geschreven staat: "de rechtvaardige zal
door het geloof leven". |
16 'want': de reden waarom hij zo graag wil. 'evangelie' dus (het feest van) het goede nieuws. 'immers' staat er wel in het grieks. Beter "… Gods kracht immers is het tot redding
…". Die
kracht in hem zelf, die voor iedere evangelie-drager
mag gelden - ook nu nog. 'aller eerst' insinueert dat de Joden meer
recht hebben (of zo iets) dan de volken en dat staat er niet in het grieks; beter "… de Jood wel het eerst maar ook de Griek";
het is immers begonnen bij de Joden. 17 'openbaart': dynamisch, het gaat door in dat
goede nieuws, in de harten van de mensen. 'Gods' heeft accent: de betrouwbare. 'gerechtigheid' heeft ook accent, hier het thema. 'groeiend geloof' en 'geschreven': schrift + ervaring ! Paulus
combineert die twee vaak. 'steeds groeiend …' lett.
"… vanuit geloof tot geloof": persoonlijk
'groeiend'; ook 'zich uitbreidend'? Gods gerechtigheid is immers voor
de hele wereld. |
Een stijlfiguur; vv 16 en 17 corresponderen:
|
het evangelie is goddelijke
kracht tot redding ieder die er
n gelooft |
daarin openbaart zich gerechtigheid Gods tot geloof vanuit geloof |
Het commentaar van de Willibrord bij v
16&17 over 'geloof' a - b - c is de moeite waard maar meer catechetisch dan
exegetisch. |
4.2 Het eerste deel Rechtvaardiging
door geloof
1,18 - 4,25
Desgewenst zie schema
onderdelen: 4.2.1 de samenleving is zondig, 4.2.2 conclusie: allen onder
de zonde, 4.2.3 rechtvaardiging
door geloof, 4.2.4 Schriftbewijs
Paulus beschrijft hoe slecht de wereld is gezien de
'goddeloosheid en ongerechtigheid' van de mensen. Daartegen richt zich het
goede nieuws, die zo sterk is dat ze die wereld aan
kan. De 'toorn' van God is zij laat zien hoe ongelukkig
die mensen zijn. 'Toorn" is voor ons een beladen
woord; 'misnoegen' lijkt wat beter. Hoe het ook zij, het gaat erom dat God de
mensen niet voor ongerecht heeft bestemd. Uit die toorn
blijkt Gods gerechtigheid, want HijZ wil het anders, nl. het goede, het 'te
recht', en HijZ laat - vooral in Jezus - zien dat HijZ 'ge recht' is, op het
goede uit is.
Paulus heeft het eerst over de degenen die God niet willen
erkennen en dan over degenen die dat wel doen maar de wereld bekritiseren
zonder zelfkritiek, vooral de Joden. Conclusie: 1) allen staan onder de zonde,
onder Gods toorn 2) door Wetswerken
alleen wordt niemand gerechtvaardigd. Dan als het sterke punt: nu is buiten de
Wet om (die het niet voor elkaar kreeg) Gods gerechtigheid, zorg, trouw,
openbaar geworden in Christus (Messias) Jezus.
4.2.1 Onderdeel 1: de
samenleving is zondig a) de hele samenleving 1,18 - 32 Desgewenst zie schema
onderdelen: 4.2.1 de samenleving is
zondig; 4.2.2 conclusie:
allen onder de zonde; 4.2.3 rechtvaardiging
door geloof; 4.2.4 Schriftbewijs
De heidenen zijn dus de niet-joodse volken misschien wel de
niet-Romeinse volken, die natuurlijk ook tot de samenleving behoren. De stijl
van dit stuk is retorisch; het is dus meer een 'stuwende taalvorm' dan een
redenering.
De heidenen zondigen
|
18 Want
van de hemel uit openbaart zich Gods toorn over de
goddeloosheid en ongerechtigheid van allen die door hun ongerechtigheid de
waarheid onderdrukken. 19 Want wat een mens van God kan weten, is hen bekend;
God heeft het hun geopenbaard. 20 Vanaf de schepping van de wereld af wordt zijn
onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid.
Daarom zijn zij niet te verontschuldigen. 21 Want ofschoon zij God kenden, hebben zij God niet de
Hem toekomende eer en dank gebracht. Al hun denken is op niets uitgelopen en
hun Geest, die het inzicht verwierp, werd verduisterd. 22 Zij beweerden
wijzen te zijn, maar werden dwazen. 23 De majesteit van de onvergankelijke
God hebben zij verruild voor de afbeelding van de gestalte van een vergankelijk mens, en van
vogels en van viervoetig en kruipend gedierte. 24 Daarom heeft God hen prijsgegeven aan hun onreine
begeerten, zodat zij hun eigen lichaam onteren. 25 Zij hebben de goddelijke waarheid verruild voor de
leugen, en de schepping geëerd en aanbeden in plaats van de schepper; Hij is
gezegend in eeuwigheid! Amen. 26 Daarom heeft God hen prijsgegeven aan
onterende hartstochten. Hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild
voor de tegennatuurlijke. 27 Eveneens hebben de mannen de natuurlijke
gemeenschap met vrouwen opgegeven en zijn ze in lust voor elkaar ontbrand:
mannen plegen ontucht met mannen. Zo ontvangen zij aan den lijve het
verdiende loon voor hun afdwaling. 28 En omdat zij zich niet verwaardigd hebben God te
erkennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun nietswaardigheid, zodat zij alles doen wat niet te pas komt.
29 Vervuld zijn zij van allerlei ongerechtigheid, boosheid, hebzucht en
slechtheid; vol nijd, bloeddorst, ruzie, bedrog en kwaadaardigheid.
Roddelaars zijn het, 30 lasteraars, haters van God, vermetel, verwaand, protserig, vindingrijk in het kwaad, ongehoorzaam aan hun
ouders, 31 onverstandig, onbestendig, zonder liefde en zonder mededogen. 32
En geheel en al bekend met Gods vonnis, dat wie zulke dingen doet de dood verdient, bedrijven
zij deze misdaden niet alleen, maar juichen die ze die ook toe bij hen die ze
begaan. |
18 'want' niet "maar" omdat Gods
toorn/gerechtigheid aangegeven moet worden in het verlengde van v 17. 19 + 20 werken het 'onderdrukken' van 18b uit.
Paulus denkt aan de (Griekse) 'wijzen' die volgens hem 'de waarheid' menen te
kennen. 20 De Onzichtbare openbaart zich in de schepping,
Joods geloof. Paulus meent dat ieder mens, die immers naar de hemel kan
kijken, zo iets moet kunnen zien en laten meetellen. '… aanschouwd …': als je
wil zien. Het griekse woord voor 'rede' (nous) geldt ook voor het Hebreeuwse 'gehoor', 'hart',
'geest'. Daarmee kan men redelijkerwijs Zijn eeuwige macht en zijn godheid
'zien' en 'leren kennen', dus met meer dan verstand alleen, hetgeen die wijzen niet kunnen. 21
'kenden': beter 'hebben leren kennen', een proces. 'Al hun denken …' hoort ook bij de reden van 'niet
te verontschuldigen'; dus 'al hun denken is nl. op niets … 'verruild' ! 'gestalte van …' verwijst naar afgodsbeelden en het
gouden kalf. Ps 106, 20: "Zij verruilden hun heerlijke God voor een
beeld, voor het beeld van een rund dat gras vreet". 'prijsgegeven'! 'onrein':
niet op God gericht 'onteren': hun (lichamelijk) beeld van God zijn, en
gras vreten. 'verruild' ! Een joodse zegenspreuk - om even adem te happen? 'prijsgegeven'! Aan ontering. De natuur laat nl. zien hoe je je lichaam als Godbeeld eert. 'verruild' ! Voor
de derde keer; Paulus walgt. V 26 + 27 gaan meer over persoonlijk gedrag.
Zo heel wijs zijn ze dus nou ook weer niet. V 28 - 32 gaan meer over maatschappelijk
gedrag. 'prijsgegeven' Voor de derde keer:
"Stommelingen!" 'nietswaardigheid' is erger
dan 'nietswaardige gezindheid'. 29vv de z.g. zondencataloog. Had die maar in
de biechtstoel gehangen. 32 'vonnis': 'rechtsvordering'
is qua begrip meer terzake want zo moet God wel oordelen gezien Zijn
gerechtigheid. 'dood': niet zo zeer lichamelijk dood als
wel aan geestelijk dood, dood voor Gods Aanschijn
(toch doodzónde!). Met v 32 stapt Paulus over naar de
vooraanstaande kringen in het volgende hoofdstuk. |
Een uitstapje over homosexualiteit en nog iets anders
Vaak wordt
homosexualiteit afgewezen op grond van bijbelteksten.
Dit is er zo een. Maar wie dat wil, moet aantonen dat homofielen
hun aard hebben verruild en zijn afgedwaald. Andere teksten waarop men zich
beroept zijn Gen 19,1-29. Als je nu eens niet op seksualiteit bent gefocust,
wat is dan de moraal ? Ik zie schending van
gastvrijheid, het recht van de vreemdeling, als de zonde. Hetzelfde bij Re
19,1-30. Zie ook Gen 34,7; Deut 22,21; Joz 7,15; 2Sam 13,12 om te zien wat en
hoe zwaar dat een schanddaad is, waarop zo'n grote
straf staat.
Als je Lev 18,19 - 30 leest, Lev 20,13.14 (eventueel t/m
27) en Deut 21,18 - 21, wat is dan gemeenschappelijk aan die teksten; wat is de
zorg ? Vind je van die Lev-teksten nog iets terug in
Deut 22 of 27, of elders, of in het N.T.?
Ik reken bij de categorie mensen die Paulus boven in v 29v
beschrijft niet gewone en fatsoenlijke mensen. Ook bij het rijtje van 1Kor
6,8vv horen homofielen niet thuis. Het gaat daar
letterlijk om onrechtplegers, a-maatschappelijken.
Iets heel anders: ik meen dat je aids, voor zover sprake
is van menselijke schuld (!), -naar Paulus- als Gods toorn
kunt aanmerken. Maar ook in de slachtoffers spreekt Gods toorn.
Die ellende wil God zeker niet. Als wij maar onze beschuldigende vinger met
Gods straffende hand er omheen gedraaid thuis houden. HijZ oordeelt en aan Hem
is de wrake, niet aan ons. Van de andere kant: de gezonden kunnen ook Gods
gerechtigheid laten zien door hen te verzorgen. Ik meen dat dit een eerlijke
benadering is.
Onderdeel
1: de
samenleving is zondig b) De
leidende personen 2,1 - 17 Desgewenst zie schema
Paulus
spreekt nu rechtstreeks mensen (niet alleen Joden) aan die kritiek op en een
oordeel over anderen hebben, de leidinggevenden, hoewel het ook om loslopende
lastpakken kan gaan. De clou is dat zij anderen oordelen en zelf misdoen maar
ook dat zij zich een oordeel aanmatigen: alleen God oordeelt en alleen zijn
oordeel is terecht.
Ook de Joden zondigen (Zijn hier inderdaad Joden bedoeld? "leidinggevende personen"
lijkt me beter)
|
2, 1 Maar dan ben jij, mens die oordeelt, wie je ook mag zijn, evenmin te
verontschuldigen. Want met je oordeel over anderen veroordeel jij jezelf. Jij
die je tot rechter opwerpt, doet immers precies hetzelfde. 2 Wij zijn het
erover eens dat God terecht hen veroordeelt die zulke dingen doen. 3 En jij
die een oordeel velt over hen die zulke dingen doen, en ze zelf ook doet,
reken jij erop dat je aan Gods oordeel zult ontsnappen? 4 Of misken je zijn
rijkdom aan goedheid en geduld en lankmoedigheid, en besef je niet dat Gods
goedheid je tot inkeer wil brengen? 5 Met je botte en onboetvaardige
gezindheid stapel je voor jezelf een kapitaal van toorn
op tegen de dag van de toorn, wanneer Gods rechtvaardig oordeel openbaar zal
worden. 6 Hij zal iedereen loon naar werken geven: 7 het eeuwige leven aan
hen die door standvastig het goede te doen, streven naar onvergankelijke
heerlijkheid en eer; 8 maar toorn en gramschap wacht
hen die weerspannig de waarheid verwerpen en de ongerechtigheid omhelzen. 9
Kwelling en benauwdheid wacht elke mens die het
kwade bedrijft, de Jood in de eerste plaats, maar ook de Griek; 10
heerlijkheid, eer en vrede wacht een ieder die het goede doet, de Jood in de
eerste plaats, maar ook de Griek. 11 Want God kent geen aanzien des persoons. |
1 God is de rechter, niet de mens. 3 - 4 God oordeelt wel maar Hij is ook rijk aan
goedertierenheid enz. I.p.v dat de mens zich daaraan overgeeft, veracht de
mens God en denkt dat HijZ toch niets kan doen en hij Hem kan ontvluchten.
Maar Gods goedheid is geen teken van zwakte; HijZ wil dat de mens zich
bekeert. Wie dat miskent, laadt de toorn op zich
voor de dag van Gods oordeel. 6 - 8 zijn criteria voor Gods oordeel 9 'elke mens'! 11 'Geen aanzien des persoons'
maar er is een verschil tussen Jood en Griek nl. de Tora en besnijdenis. Eerst behandelt Paulus dit verschil en dan richt
hij zich tot de Jood. |
Wet en besnijdenis
|
12 Zij die zonder de wet hebben gezondigd, zullen ook zonder de wet
omkomen; en zij die met de wet hebben gezondigd, zullen door de wet worden
veroordeeld. 13 Want niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig in Gods
oog; alleen de onderhouders van de wet zullen worden gerechtvaardigd. 14
Wanneer heidenen, die de wet niet hebben, uit zichzelf doen wat de wet
verlangt, zijn zij zichzelf tot wet, ook al bezitten zij de wet niet. 15 Zij
tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten
getuigt daarvan, en hun gedachten, die hen over en weer beschuldigen of ook
wel vrijspreken 16 op de dag dat God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van
de mens zal oordelen, door Christus Jezus. |
12 De zondaar komt om met of zonder Wet. 13 'onderhouders' is hier wel duidelijk maar elders gaat het erom dat je niet alleen maar de wérken van
de Wet doet; je hart hoort erbij. 15 Jer 31, 33: "Ik grif die (nl. de Wet) in
hun hart". Dat is kennelijk ook bij 'heidenen' mogelijk. Het geweten functioneert juist wanneer het moet
kiezen tussen tegenstrijdige gedachten. Samen met de Wet is het dan getuige
(2 getuigen !) voor het juiste, voor gerechtigheid. 16 'mijn evangelie' niet het boek maar ..... Alweer 'C.J'. Je gaat je afvragen of J. C. niet uit
de liturgie stamt. Zie 1, 4b.6.7b. C.J. lijkt dan meer heilshistorisch.
|
Onderdeel 1: de samenleving is zondig c) de -vooraanstaande- Joden 2, 17
- 2, 29 Desgewenst zie schema
De Tora noch
besnijdenis garanderen de Jood dat hij onder het oordeel uitkomt. Hij zal ook
verantwoording van daden moeten afleggen. In Mt zegt Johannes de Doper tegen de
Joden (uit Jerusalem) dat God nog uit stenen zonen van Abraham kan maken. Ook
als zoon van Abraham ontkom je niet aan bekering.
Je kunt je afvragen tegen welke Joden
Paulus het heeft. Vermoedelijk die in de diaspora.
|
17 Jij die je Jood noemt en steunt op de wet en roemt op God, 18 zijn
wil kent en, onderwezen door de wet, de dingen onderscheidt waar het op
aankomt; 19 jij die je opwerpt als gids van de blinden, als licht voor hen
die in het duister zijn, 20 als opvoeder van de onverstandigen en leraar van
de onmondigen; jij die in de wet de belichaming bezit van kennis en waarheid;
21 jij, leraar van anderen, bent niet in staat jezelf te onderrichten? Je
verkondigt dat men niet mag stelen, en zelf steel je? 22 Je verbiedt
echtbreuk en pleegt zelf overspel? Je verafschuwt afgodsbeelden en plundert
zelf tempels? 23 Je bent trots op de wet, maar onteert God door diezelfde wet
te overtreden! 24 Want staat
er geschreven: "Door uw toedoen
wordt Gods naam gelasterd onder de heidenen". 25 De besnijdenis heeft zeker waarde, maar alleen als je de wet
onderhoudt; ben je echter een overtreder van de wet, dan geldt je besnijdenis
als onbesnedenheid. 26 En omgekeerd, als een heiden de voorschriften van de
wet onderhoudt, zal zijn onbesnedenheid dan voor God niet gelden als
besnijdenis? 27 En hij die zonder lichamelijk besneden te zijn de wet
volbrengt, zal het oordeel uitspreken over jou die mét wetboek en besnijdenis
de wet overtreedt. 28 Want Jood zijn is niet iets uiterlijks, en de
besnijdenis is niet iets uiterlijks en lichamelijks. 29 Jood ben je van
binnen, en de werkelijke besnijdenis is er een van het hart, een geestelijke
en niet een naar de wet. Zo iemand wordt geprezen, niet door de mensen maar
door God. |
17 'roemt': later roemt Paulus op J.C. "ik
schaam me niet voor dit evangelie" is ook een soort van roemen. 22 'plundert zelfs tempels': een acceptabele
verklaring is dat 'echte' Joden handelen in heidense tempelvoorwerpen. 24 'Want' is past beter in de redenering dan 'daarom'. De reden van de ontering ligt in
de Wet ! 25 - 29 Nu - na de Wet - het tweede pluspunt
voor de Jood nl. de besnijdenis 26 Dat is nogal wat voor een Jood. Paulus stelt
zich radicaal op t.o.v. zijn geloofsgenoten. 27 'Dit nooit!' moet een Jood dan denken. 28 ! 't Is maar dat je het
weet. 29 ' … naar de wet'. Wij zeggen "naar de
letter". |
Onderdeel 1: De samenleving is zondig intermezzo: Wat is dan het voorrecht
van de Jood ?
3, 1 - 8
Paulus stelt nu zichzelf als Jood een moeilijke vraag. Hij gebruikt de 1e persoonsvorm
en heeft het over God. Als God niet trouw is aan zijn eerste verbond, hoeven we
niet te hopen. Desgewenst
zie schema
|
3,1 Wat heeft de Jood dan voor op de anderen? Wat voor nut heeft het om
besneden te zijn? 2 Heel wat, in ieder opzicht. En wel in de eerste plaats
dit, dat hun de godsspraken werden toevertrouwd. 3 U zegt dat sommi |
1 - 8 Een aantal bestaande vragen met als verborgen
vraag: wat is de zin van mijn roeping ? Naar ons
vertaald: wat is het nut van Christen zijn ? 2 '… godsspraken' nl. die in het O.T. |
|
|
|
gen van hen ontrouw zijn geworden? Dan vraag ik u: kan hun ontrouw Gods trouw tenietdoen? 4 Volstrekt niet!
Ook al is elk mens een leugenaar, God is waarachtig, want er staat
geschreven: "U wordt
gerechtvaardigd in uw uitspraken en U
overwint, als men U wil oordelen". 5 Indien echter onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid
in het licht stelt, volgt daaruit dan niet - ik spreek nu erg menselijk - dat
God onrechtvaardig is als Hij straf oplegt? 6 Volstrekt niet! Hoe zou God
anders de wereld kunnen oordelen? 7 Als het waar was dat menselijke leugens
de waarachtigheid van God deden toenemen en zijn glorie vermeerderden, waarom
zou ik dan nog als zondaar veroordeeld worden? 8 Of geldt soms het woord -
dat sommige mensen mij lasterlijk toeschrijven - Laat ons het kwade doen
vanwege het goede dat eruit volgt? Zij hebben hun vonnis wél verdiend. |
3 Op Gods trouw is het tweede deel van de brief
gebaseerd nl. de hoop. 4 Gods trouw wordt bijbels
gefundeerd, beleden, m.b.v. Ps 51,6 5 'menselijk': dat zou ons, mensen, wel goed
uitkomen. '… straf' beter zij 'de toorn'.
Straf is interpretatie, nl. een stap verder dan toorn
want daartussen kan barmhartigheid zitten. 7 Dan hoef ik me zelf ook geen dikke te maken. 8 O ja ! even een
tussendoortje: tegen zulke flauwe, onwaarachtige gezegden moet Paulus zich
verweren. 'wél', lett.
in recht, sluit aan bij 'gerechtigheid'. (hij is boos) |
||
4.2.2 Onderdeel 2
Conclusie: Joden en Grieken, allen onder de (macht van de) zonde 3, 9 - 20.
Desgewenst schema
onderdelen: 4.2.1 de samenleving is zondig, 4.2.2 conclusie: allen
onder de zonde, 4.2.3 rechtvaardiging
door geloof, 4.2.4 Schriftbewijs
De Kruijf vat als volgt
samen:"Volgens Paulus' stelling (1,16-17) openbaart Gods gerechtigheid
zich in de kracht van het evangelie, dat voor allen die geloven, Joden en
Grieken, bestemd is. Hoe groot die kracht is, laat Paulus in eerste instantie
zien door een beschrijving van de mensen-wereld, die
terecht aan de toorn van God onderhevig is: het morele
verval van de samenleving, van leidinggevende personen, en in het bijzonder van
leiders van het joodse gemenebest (1,18 - 2,29). De aanklacht tegen 'de Jood'
brengt Paulus tot de overweging van een moeilijke vraag, de vraag naar de
onderlinge verhouding van de getrouwe God en degenen die Hij had bevoorrecht.
Deze overweging leidt tenslotte tot de vraag: hoe moet ik Gods oordeel, dat Hem
zijn recht geeft, in overeenstemming brengen met zijn heilbrengende gerechtigheid ? …"
Die vraag ligt indirect in v 3,7 en wordt hier enigszins a.d.h.v. bijbelteksten beantwoord (maar komt pas volledig in het
derde onderdeel te voorschijn). Het stuk sluit het negatieve deel af en leidt
het positieve deel in.
Allen zondigen
|
9 Hoe dan? Hebben wij dan toch iets voor op de anderen?
Helemaal niet. Ik heb immers reeds vastgesteld dat
allen, Joden zowel als Grieken, zich in de macht van de zonde bevinden; 10 of
met de woorden van de Schrift: "Er is geen rechtvaardige, zelfs niet
één, 11 niemand die verstandig is, niemand die
God zoekt. 12 Allen zijn
afgedwaald, allen verdorven; niemand is er die het goede doet, zelfs niet
één. 13 Een open graf is hun
keel, met hun tong plegen zij bedrog, achter hun lippen vind je addergif. 14 Hun mond is vol vervloeking en
bitterheid, 15 gezwind zijn hun voeten om bloed te vergieten. 16 Vernietiging en onheil
tekenen hun weg, 17 maar de weg van de vrede kennen zij niet. 18 Ontzag voor God staat hun
niet voor ogen." 19 Welnu, wij weten dat de wet al wat zij zegt, tegen hen zegt die
onder de wet staan. Zo wordt ieder de mond gesnoerd en staat de hele wereld
schuldig voor God. 20 Want geen mens zal in zijn ogen als rechtvaardig gelden omdat hij de
wet onderhield; de wet doet alleen maar de zonde kennen. |
9v vervolg op v 8: Het gaat niet om een
tegenoverstelling Jood – Griek maar om Paulus zelf, die hier -en vaker- in
het grieks tweemaal 'wij' hanteert: verschuil ik me zelf achter spitsvondige
redeneringen ? Helemaal niet ! 9 'vastgesteld': in het grieks
staat ' heb allen ervan beschuldigd onder de zonde te zijn', hetgeen niet zo
afdwingend is. Het gaat immers om geloof en dat is niet absoluut; ménsen
zeggen dat ze ....
Anderen kunnen anders denken. 10 - 18 zijn uit psalm 14 en 53. 'verdorven'; 'onnut' is een betere vertaling klinkt
minder desperaat. De opbouw van dit stukje is kunstig maar dat is
alleen via de griekse tekst en de betreffende
psalmen te zien. 19 Ook Joden, allen onder het oordeel. Dat er niet één rechtvaardige is naar de normen van
de Tora gaat in tegen de opvatting binnen de Joodse gemeenschap die een
uitzondering maakt voor de 'tsaddiek', de rechtvaardige, zoals bijv. Abraham,
Jozef, Jozef van Maria, die niet met stenen gooit. Het is niettemin nogal
hard wat Paulus zegt. Misschien komt dat doordat hij een enorme, radicale
omkeer naar J.C. heeft mee- en doorgemaakt . 20 '… alleen de zonde kennen'; zij brengt geen
verlossing. |
Niet op de
eerste plaats aan recht en rechtvaardigheid denken. Gerechtigheid omvat meer.
Het Egyptische begrip 'Ma'at', dat ook met
gerechtigheid wordt vertaald, zet ons op een spoor.
De oude volken hadden meer oog voor de sterrenhemel dan
wij. Wie al eens op een ongewone, gunstige plaats onder(!) de sterrenhemel
heeft gestaan, kan erdoor 'geraakt' worden - zoals de Noordeling van het
Poollicht gaat houden. De oude volken zagen echter ook de regelmaat, het in
stand blijven, het eeuwigdurend doorgaan, de 'recht'heid in de bewegingen van de sterren, zon en maan,
(op een paar vagebonden -planeten- na). De begrippen schoonheid, rust, regel,
verheven, eeuwig zijn hier ter zake. Zou de mens die
herkennen, zou het geheel zo'n indruk op hem maken,
als die mogelijkheid niet in hem was gelegd ?
Het leven op aarde moet ook in stand blijven, iets dat
heel kortbij ons ligt, want het gaat om ons eigen hagje. De eerste praktische
manier om te overleven is rechtvaardigheid, ieder voldoende en het zijne en niet meer dan dat ten koste van een ander. Als dat
lukt, zou men dan daarin niet iets van die hemelse continuïteit herkennen, iets
van dat hemelse op aarde waar willen maken als een soort ideaal, een
leefpatroon, een sociaal programma? Dan kunnen hemel en aarde worden verbonden.
Dan komen er wel ideeën omhoog die verder reiken dan praktisch recht, bijv. vrijgevigheid, aalmoes, naastenliefde, iemand bevestigen,
eeuwig leven, De Rechter, alles wat die rechtheid dient, alles wat in dienst
staat van het Rijk dat komen moet (in christelijke termen). Aan de Egyptische
koning werd niet voor niets Ma'at toegewenst voor hem zelf; hij moest haar ook
voor anderen waar maken. Ik meen dat dit begrip in de hele oude wereld gold.
Rechtvaardigheid
is dan de aardse uitvoering van hemelse gerechtigheid. Onrechtvaardigheid,
ongerechtigheid staat niet in hemelse dienst. In de parabel van de
onrechtvaardige rentmeester (Lc 16) wordt ongerechtigheid in twee verschillende
betekenisnuances gebruikt: het onrechtvaardig zijn van de rentmeester want hij
belazert de boel en het on-hemels
zijn van geld e.d., dat je niet mee kunt nemen. Je moet dan Lc 16,9 niet
vertalen met 'de onrechtvaardige Mammon' maar met 'het aardse bezit' (Mammon).
Dan is er geen tegenstrijdigheid in wat Jezus zegt.
Wij hebben van God gehoord via onze ouders, op school, in
de kerk enz. En zij weer van hun ouders enz. enz. Maar hoe is het met de
oervolken gegaan ? Het idee 'G-0-D' is niet per
parachute gedropt, het heeft zich ontwikkeld. De praktische basis daarvoor zou
best eens het zo goed mogelijk willen leven kunnen
zijn: de overlevingstactiek van de samenleving, het recht (op de aarde) dat
zich aan de hemel blijkt te spiegelen. De Joden noemen hun God o.a. 'Hij die alles op aarde rechtvaardig bestuurt'. Uiteraard is dit
niet enige aanleiding om over 'G-0-D' te gaan denken; de natuur is dit ook:
geschapen schepping, eveneens Joods.
En nu wil Paulus Gods gerechtigheid aantonen in een
slechte wereld, die HijZ juist voor het goede heeft bestemd; conclusie: die
Gods kan niets ? Hoogstens een puinzooi laten bestaan. Jawel, zegt Paulus, door jullie/hun verdorvenheid,
ongeluk, verdriet en ellende laat God zijn toorn
merken omdat HijZ het zo niet heeft bedoeld. Een tweede aspect is Gods
goedertierenheid tegenover het oordeel. Kan Gods e.e.a. zomaar uitwissen ? Nee, alleen na bekering, verzoening. De Joden
hebben van hun God via Mozes een hulpmiddel meegekregen: de Tora. De ver-binding van hemel en aarde (een oergegeven, weten we nog ? Zie scheppingsverhalen)
wordt gelegd door mensen die recht doen omwille van de gerechtigheid, dat zijn
degenen die 'tsaddiek' zijn, die 'Gods wil" doen. Voor een Jood is zeker
degene die de Wet vervult, helemaal in praktijk brengt, geen jota erin
verandert, een 'tsaddiek'. Maar de beleving van de Wet was verlopen naar het
onderhouden van regels, naar muggenzifterij: hun hart was er niet bij. Zo is de
Wet, bedoeld voor gerechtigheid, levenloos geworden maar nu blijkt Gods
gerechtigheid ook buiten de Wet om door de Christus Jezus, op de eerste plaats
voor Paulus zelf door zijn bekering maar ook voor niet-Joden. Dat is een t.o.v.
de Wet nieuw geluid, dat is toekomstmuziek, dynamiek, geen statische
wetsregelbeleving.
4.2.3 Onderdeel 3 Rechtvaardiging door geloof 3,21 - 31. Desgewenst zie schema
onderdelen: 4.2.1 de samenleving is zondig, 4.2.2 conclusie: allen onder
de zonde, 4.2.3 rechtvaardiging door geloof, 4.2.4
Schriftbewijs
Paulus heeft de kracht van het evangelie zelf ervaren, hij schaamt zich
niet voor het evangelie, Gods kracht immers tot heil van ieder die gelooft,
Jood en niet-Jood, want de gerechtigheid Gods komt daarin tot uiting vanuit
geloof tot geloof (1,16v). Die kracht is tegen de slechte wereld in zichtbaar
in de gemeenten van J.C., zelfs nog sterker dan in de Tora, besnijdenis en
schepping.
Allen worden gerechtvaardigd door het geloof
|
21 Thans is echter, buiten de wet om, Gods gerechtigheid openbaar geworden,
waarvan de Wet en de Profeten getuigenis afleggen: 22 Gods gerechtigheid, die zich
door het geloof in Jezus Christus meedeelt aan allen die geloven, zonder enig
onderscheid. 23 Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de
goddelijke heerlijkheid. 24 Allen worden gratis door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is. 25 Voor wie gelooft heeft God Hem aangewezen als middel van verzoening
door zijn bloed. God wilde zo zijn gerechtigheid tonen, door in zijn
verdraagzaamheid de zonden van het verleden te laten passeren. 26 Hij heeft zijn gerechtigheid nu willen tonen, in onze tijd, opdat
zou blijken dat Hijzelf rechtvaardig is door ieder rechtvaardig te maken die
leeft vanuit het geloof in Jezus. 27 Waar blijft dan de eigen roem? Die is onmogelijk geworden! Door
welke wet? Door die van de werken? Nee, door de wet van het geloof. 28 Ik
beweer juist dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de
wet te onderhouden. 29 Is God soms alleen de God van de Joden en niet van de
heidenen? Nee, óók van de heidenen, 30 want er is slechts één God, die
besnedenen en onbesnedenen op grond van het geloof zal rechtvaardigen. 31
Bedien ik mij nu van het geloof om de wet buiten werking te stellen?
Integendeel, ik laat de wet juist tot haar recht komen. |
21 'buiten de Wet om' en dat voor een Jood! Denk aan 1,16v: Ik ben trost op het evangelie dat
nog sterker is dan de Wet, dat mij heeft bekeerd en alle mensen in- en
uitzicht biedt. Het is niet alleen een geloofszekerheid maar ook Gods
mysterie. 24 'gratis': ons geloof in, heilsrelatie met hem
waarbinnen je je geloof beleeft als zijn volgeling,
als een weten én als een beleven, overkomen je; kun
je ook over je laten komen als een bui over de dorstige akker. Je hoeft het
niet te verantwoorden, ook niet te zoeken. Je herkent het op een of andere
manier wel. v 25 is waarschijnlijk een
tussenvoegsel uit de liturgie. Voor het verloop kun je het nl. overslaan. 'door zijn
bloed': bloed als teken van leven; hier dan levensinzet. In joodse termen was Jezus een brandoffer, dat helemaal opgebrand werd
als zoenoffer. Zo is voor ons als zijn volgelingen verzoening vastgelegd bij
de Vader, die het aanbod van zijn Zoon niet kan weigeren. Zo openbaart zich
Gods gerechtigheid nieuw. 26 'nu in onze tijd': schone lei
en nu geen Wet meer maar J.C. Onder het kruis staat vaak een doodskop afgebeeld.
Ik meen te weten dat dat duidt op de toen reeds overledenen en dat zo wordt aangegeven dat ook zij
verlost zijn. V 27 - 31: Paulus komt nog eens terug op de
aanklacht tegen 'de Jood' die in 2,17 - 29 staat. Het gaat steeds om de twee
punten waarmee Paulus bezig is: rechtvaardiging bedoeld voor allen en de
betekenis van de Tora, die immers Gods gerechtigheid betuigt. 27 We kunnen ons
alleen maar op J.C. en de Vader beroemen. 28 dé tekst voor de reformatorisch leer van 'sola
fide'. We worden niet gerechtvaardigd door alleen maar de
wet te onderhouden, zonder 'van binnen Jood' te zijn. 30 Besnedenen worden op grond
van en vanuit hun eigen heilshistorische situatie tot gerechtigheid geroepen,
onbesnedenen via het geloof in de God van Israël. Het heil is uit de Joden. |
4.2.4 Onderdeel 4 Schriftbewijs: Abrahams geloof 4,1- 25. Desgewenst
zie schema
onderdelen: 4.2.1 de
samenleving is zondig, 4.2.2 conclusie:
allen onder de zonde, 4.2.3 rechtvaardiging
door geloof, 4.2.4
Schriftbewijs
Hoofdstuk 4 is opgebouwd rond Gen 15,6 met de thema's geloof,
gerechtigheid. Een psalmtekst komt daarbij te hulp. Dan komt de vraag of die
tekst ook voor onbesnedenen bestemd is v 9 - 12, vervolgens wordt het thema
ontplooid in v 13 - 25. Nu komen nieuwe woorden aan de orde: Tora, belofte,
zaad/erfgenamen, genade, doden levend maken, hoop, die in het vervolg een grote
rol spelen.
Abraham als de vader van alle gelovigen
|
4, 1 Wat moeten wij bijvoorbeeld denken van Abraham, onze
stamvader? Wat heeft hij ondervonden? 2 Als hij op grond van zijn daden gerechtvaardigd is, heeft hij reden
zich te beroemen; maar voor God heeft hij die niet! 3 Immers, wat zegt de
Schrift? Abraham heeft God geloofd
en dat is hem aangerekend als gerechtigheid. 4 Welnu, hij die werkt,
krijgt zijn loon niet aangerekend als gunst, maar als zijn verschuldigd
recht. 5 Aan degene echter die niet werkt, maar gelooft in Hem die de
goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof als gerechtigheid aangerekend. 6
Hetzelfde geldt voor de mens die door David gelukkig wordt geprezen en aan wie God de gerechtigheid aanrekent, zonder dat er sprake
is van daden: 7 "Gelukkig zij van wie de
ongerechtigheden zijn vergeven en van wie de zonden zijn toegedekt. 8 Gelukkig de man wiens zonde de Heer niet aanrekent." 9 Heeft deze zaligspreking nu enkel betrekking op de besnedenen of ook
op de onbesnedenen? Wij zagen dat Abrahams geloof
hem als gerechtigheid werd aangerekend. 10 Onder welke omstandigheden
gebeurde dit? Was hij al besneden of nog niet? Hij was toen nog niet
besneden. 11 Het teken van de besnijdenis heeft hij juist ontvangen als
bezegeling voor de gerechtigheid van het geloof, die hij reeds
als onbesnedene bezat. Zo kon hij de vader worden van alle onbesneden
gelovigen, zodat ook hun de gerechtigheid wordt aangerekend. 12 Maar tegelijk
ook werd hij vader van de Joden, van hen namelijk die niet enkel steunen op
de besnijdenis, maar ook in de voetstappen treden van het geloof dat onze
vader Abraham reeds had toen hij nog niet was besneden. 13 Ook de belofte aan Abraham en zijn nakomelingen dat zij de wereld
zouden erven, steunt niet op de wet maar op de gerechtigheid van het geloof.
14 Als alleen zij die zich op de wet verlaten de erfgenamen zijn, heeft het
geloof geen zin en blijft de belofte zonder uitwerking. 15 Want het resultaat van de wet is alleen maar straf, en waar geen wet
is, is ook geen overtreding. 16 Daarom hangt het af van het geloof, opdat het genade is en de
belofte verzekerd is voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de
wet hebben ontvangen, maar voor allen die het geloof navolgen van Abraham,
ons aller vader. 17 Over hem staat immers geschreven: Ik heb u vader gemaakt van vele volken. Hij is dit ten
overstaan van God in wie Hij heeft geloofd, die de doden levend maakt en die
wat niet bestaat in het aanzijn roept. 18 Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt, en hij heeft geloofd dat hij
vader zou worden van vele volken, zoals hem gezegd was: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn.
19 Zijn geloof verflauwde niet, toen hij, de honderdjarige, dacht aan zijn
eigen afgeleefd lichaam en aan de dorre schoot van Sara. 20 Hij twijfelde
geen ogenblik aan Gods belofte. Integendeel, hij heeft God geëerd door de
kracht van zijn geloof, 21 door zijn vaste overtuiging dat Hij bij machte is
te volbrengen wat Hij heeft toegezegd. 22 Daarom werd het hem als
gerechtigheid aangerekend. 23 De woorden 'het werd hem aangerekend' werden niet
alleen neergeschreven in verband met hem, 24 maar ook in verband met ons, wie
het geloven eveneens zal worden aangerekend, omdat wij geloven in Hem die
Jezus onze Heer uit de doden heeft opgewekt: 25 Jezus, die is overgeleverd
vanwege onze overtredingen en is opgewekt ter wille van onze rechtvaardiging. |
a) Abraham heeft gevonden, niets gedaan b) het is genade, geen beloning 'stamvader': lett. 'naar het vlees': dadelijk gaat
het over erfgenamen. 2 Als hij al geprezen wordt, dan door Israël; niet
door God want hij vond, deed niets. Roem vinden bij God doe je door daden. 4 Loon is geen genade. 5 'goddeloze': 'god-loze' : het gaat niet om
een boef. Het woord 'aanrekenen' koppelt de teksten van
Genesis en psalm 32,2 aan elkaar; een psalm van David dus, zondaar. 7 Als de ongerechtigheden zijn vergeven, is men
gerecht. Ook zonder werken. Dus genade. 8 De psalm vervolgt: 'en wiens
geweten tot rust is gekomen'. Wel zo plezierig. 9 Het schriftbewijs moet ook kloppen voor onbesnedenen! 10 Dus is rechtvaardiging niet afhankelijk van
besnijdenis. 11 Zodat ook voor hen de bijbelse gerechtigheid telt. 13 Wij, besnedenen en
onbesnedenen, zijn gerechtvaardigd door het geloof. Maar Paulus heeft het
begin van zijn brief nog in zijn hoofd, waarin 'het evangelie van God', 'dat
tevoren was aangekondigd', 'omtrent zijn Zoon die
geboren is uit het zaad van David'. Dat zijn nieuwe woorden die nu naar
voren komen. Genesis (O.T.) wordt gekoppeld aan dat nieuwe nieuws. Zet v 15 maar tussen haakjes,
een toevoeging. 16 Genade en belofte zijn toch meer dan Wet, 16 Accent op 'allen' en 17
vele'. 17 '… heeft geloofd': het grieks
geeft aan:'gaan geloven'. Dit duidt op een proces. 'die doden levend maakt': zie het
z.g. 18-gebed: "Hij die ten leven wekt, Hij die roept, Hij die
rechtvaardig is, Hij die trouw is, Hij die bemint." 18 Abraham geloofde bijzonder: hij geloofde letterlijk 'voorbij
hoop in hoop'. 20 '… geen ogenblik'
? Dat staat er niet in het grieks. Alsof het makkelijk was. "Hij twijfelde niet … in
ongeloof." Twijfel en 'geloof' tegenover elkaar. 21 Hij die volvoert, Hij die niet varen laat het werk
zijner handen. 24 Paulus verbindt het geloof in God met het heil
in J.C. door twee vroege formuleringen te combineren: 'God heeft Jezus uit de
doden opgewekt' en 'Jezus is de Heer'. |
Ziezo, nu zijn we
uitgekomen waar we wilden zijn: heil via J.C., onze hoop.
4.3 Het tweede deel Zekerheid op
grond van hoop
5,1 - 11,36 Desgewenst zie schema
onderdelen: 4.3.1
argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest; 4.3.3 argument 3,
Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie
2e deel.
In het
eerste deel heeft Paulus gesproken vanuit zijn ervaring als apostel van de
volken. De openbaring van Gods toorn over de mensen
heeft plaats gemaakt voor de openbaring van Gods reddingbrengende gerechtigheid
buiten de Wet om door het geloof in het evangelie van J.C. We zitten goed,
gerechtvaardigd door het geloof als Abraham maar hoe nu verder
? Hoe verwachten wij de volle definitieve 'vrede', sjaloom, met God via
J.C. ? Paulus start met 'hoop voorbij hoop', net als Abraham.
In die hoop hanteert Paulus argumenten, praat hij zichzelf
moed in, door de redeneertrant: als dit al zo is, hoeveel te meer zal
dat (a fortiori), een hoopformule. Paulus argumenteert
vanuit ervaring en koppelt die aan de Schrift. Onderweg moet hij een paar
lastige begrippen als zonde en dood doornemen maar in hoofdstuk 8 neemt hij de
hoofdgedachte weer op: "Er is dus geen veroordeling meer voor hen die in
C.J. zijn". Maar het leven wordt geleefd in het vlees. Dus dan
argumenteren niet vanuit het verleden of de Schrift maar vanuit de realiteit.
En dan komen toch weer in hoofdstuk 11 zijn broeders naar
het vlees, het volk van God,op het toneel. Heeft God
dan zijn volk verstoten ? Als dat zo is, blijft God dan wel trouw en is
ónze toekomst dan zeker ?
Het thema van het tweede deel (tekst zonder commentaar, ter
overweging):
5,1
Gerechtvaardigd
door het geloof leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. 2 Hij
is het die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin
wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid
van God.
4.3.1 Onderdeel 1: argument 1 a) de ervaring: de liefde van God in
Jezus Christus Desgewenst zie schema
onderdelen: 4.3.1 argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest; 4.3.3 argument 3,
Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie
2e deel.
|
3 Meer nog, wij zijn zelfs trots op onze beproevingen, in het besef dat
verdrukking leidt tot volharding, 4 volharding tot beproefde deugd en die
weer tot hoop. 5 En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in
ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken. 6 Want
Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog
geheel hulpeloos waren. 7 Je zult je
leven niet snel geven voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand de
moed hebben te sterven voor een goed mens. 8 God echter bewijst zijn liefde
voor ons juist hierdoor dat Christus voor ons is gestorven toen wij nog
zondaars waren. 9 Des te
zekerder is het dat wij, eenmaal gerechtvaardigd door zijn bloed, dankzij
Hem gered zullen worden van de toorn. 10 Toen
wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des
te zekerder is het dat wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven. 11 En dat
niet alleen: nu reeds roemen wij op God door Jezus
Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen. |
3 Onze hoop wordt niet beschaamd
! ''wij zijn zelfs … beproevingen': letterlijk "wij roemen ook in de verdrukkingen". Ondanks verdrukking.
Waarom zou je trots zijn op je beproeving ? v 3, 4 en 5 bevatten de stelling die wat betreft de
liefde in 6 - 8 wordt bewezen, wat betreft de hoop in 9 en 10. 6 'god-lozen', als boven 'de gestelde tijd': God heeft beoogd! Je kunt
natuurkijk vragen waarom niet eerder (of later), maar ook dat HijZ Zich bemoeit met de wereld, een Messiaans tijdperk geeft. 7 Je leven geven voor iemand die het niet nodig
heeft, doe je niet, je zult misschien wel nog uit liefde met iemand meegaan
in de dood om bij hem te zijn. Maar, als je dat al doet als mens, hoeveel
houdt God dan niet van ons, hoeveel hoopt HijZ niet, als HijZ voor ons, a-gerechten, a-goeden, de
levensinzet van Jezus er voor over heeft. 10 'gered worden': lett. "gered zullen
worden": hoop! verzoend door zijn dood - gered voor ons leven. We
zijn verzoenden en roemenden! 11 'roemen' sluit aan bij roemen in v 3, hoewel het
nu meer 'juichen' inhoudt. |
Onderdeel 1 argument 1b) De
Schrift: hoeveel te meer is de genade van God overvloedig. Desgewenst zie schema.
De ervaring moet overeenstemmen met de
Openbaring vanuit de Schriften en het evangelie. De verzoening via de dood van
Jezus is hierboven behandeld, nu nog eens vanuit de bijbelse
openbaring, vanaf Genesis 3. Onze vraag nu kan zijn in of/hoe Paulus Adam als
historisch persoon ziet, of/hoe als onderwerp van reflectie. Hij gebruikt hem
om Christus te belichten: Adam Û Christus. Hij wil benadrukken dat/hoe de
heilsgeschiedenis uitmondt in Jezus Christus.
Adam en Christus
|
12 Daarom,
zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en met de zonde de dood,
en zo de dood over alle mensen is gekomen, aangezien allen gezondigd hebben ... 13 Er was
heus wel zonde in de wereld al voordat de wet er was; maar zonde wordt niet
aangerekend waar geen wet is. 14 Toch heeft de dood als koning geheerst in de
tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hen *die zich niet op de wijze van Adam
schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod. Adam nu is het
beeld van Hem die komen moest. *lett.: die niet gezondigd hebben
op gelijke wijze als de overtreding van Adam, die een beeld is van de toekomstige. |
12 'aangezien' is ooit verkeerd vertaald met 'door
wie', dus: door Adam hebben allen gezondigd. Aanleiding - vooral Augustinus(!)
- om te stellen dat de oerzonde van Adam (gevolg van de begeerlijkheid) door
de voortplanting (lees geslachtsgemeenschap) werd doorgegeven … Tja. Ja ja Paulus breekt de zin af. Mij lijkt dat hij via
'zonde' tegen 'de Wet' aan hikt, die er eerst niet was en niet voor allen,
terwijl wél de dood regeerde vanaf Adam tot Mozes. Stelt hij - in onze ogen -
de biologische dood gelijk met een spirituele? 14 Denkt hij aan een toestand van zonde,
uitzichtloosheid, onmacht, die geen Leven inhoudt? Een zondedaad is
niet ter zake, omdat er nog geen wet was. 'Hem' ?? De zondende Adam beeld van Jezus Christus? 'de toekomstige' vanaf Adam! dus iedere
mens. Nu klopt het beter: Adam staat voor ieder, 'de ene' is 'allen' en nu
gaat Paulus Adam tegenover Christus stellen: hoeveel te meer … |
|
15 Maar
niet: gelijk de overtreding zo ook de genadegave: als immers door de
overtreding van de ene allen zijn gestorven, (hoe)veel (te) meer is de genade
van God en de genadegave van de ene mens Jezus Christus voor allen
overvloedig geworden. 16 En (ook) niet: zoals door de éne die gezondigd heeft
(is) de gift: enerzijds (is) het oordeel immers uit éen tot veroordeling,
anderzijds is de genadegave (zo groot dat zij) uit de vele overtredingen tot
rechtvaardiging (dient). 17 Door de
overtreding van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van zijn val.
Hoeveel heerlijker zullen zij die de overvloed van de genade en de gave van
de gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dankzij de ene mens Jezus
Christus! |
15 nu is het Adam/allen versus Jezus Christus/allen
én daagt zoals 'allen in Adam' zo ook 'allen in Jezus Christus'! Als je 'Adam' opvat als staande voor ieder mens,
dan is dit een troost voor ieder persoonlijk: Gods genade hangt niet af van
een misstap van jou. Dan manifesteert zij zich juist. 16: de betoogtrant is van 'dat/die ene'
naar 'alles/allen'; van 'fout' naar 'genade'. Weer een 'hoeveel te meer …' 'zoveel overtredingen' door al die mensen na
Adam/Mozes. 17 'als gevolg van zijn val' staat helemaal niet.
De Kruijf: "Als
immers door de overtreding van de ene de dood geheerst heeft
door de ene, hoeveel te meer zullen zij die de overvloed van de genade en de
gave der gerechtigheid ontvangen, in leven heersen door de ene Jezus
Christus." Paulus is er uit: hij stelt duidelijk zijn 'AdamÛJ.C.' ! Hij levert geen 'bewijs'. Zijn 'hoeveel te meer'
stijl is meer een overtuigende schriftuitleg: het klopt toch. |
|
18 Dus,
zoals één fout leidde tot veroordeling van allen, zo ook leidde één goede
daad tot vrijspraak en leven voor allen. 19 Zoals door de ongehoorzaamheid
van één mens allen zondaars werden, zo worden door de gehoorzaamheid van één
allen gerechtvaardigd. 20 Weliswaar is de wet er bijgekomen, waardoor de
overtredingen zich hebben vermeerderd. Maar waar de zonde heeft gewoekerd,
werd de genade mateloos. 21 Zoals de
zonde haar heerschappij heeft uitgeoefend door de dood, zo zal de genade
heersen door de gerechtigheid en leiden tot eeuwig leven, dankzij Jezus
Christus onze Heer. |
V 18-21 zijn een soort samenvatting: de ene ene versus de ene Andere, en de plek van de ontbrekende
wet: de genade was er toch. 18 'één goede daad' lett.'wetvervulling';
dat is nu precies wat Jezus heeft gedaan, de Wet vervuld. 20 Bij de zonde en dood kwam ook nog eens de wet
van Mozes, waardoor ongehoorzaamheid nog eens duidelijker werd: nog
ongelukkiger. Maar a fortiori: hoe meer zonde, des te meer genade. 21 lett. "opdat, zoals de zonde … zó de genade zou
heersen … ". "opdat" geeft een bedoeling aan, nl. het heil. |
Onderdeel 1 argument 1 c) de obstakels tegen de hoop; eerst: de zonde Desgewenst zie schema
Paulus verbindt vaak christelijke ervaring met argumenten
uit de Schrift. Hij heeft nu "de boog gespannen" via de Schrift en
het evangelie van die ene Adam naar die ene Jezus. Als ervaringselement haalt
hij de beleving van het doopsel aan en de vergelijking met het leven van een
slaaf. De doop moet voor de bekeerling wel een enorme veranderingservaring zijn
geweest.
Nu wil hij aangeven dat zonde en (verkeerde) wetbeleving
obstakels zijn voor onze
hoop op een blijvende vrede met God. Jezus was - vanwege zijn Gods-Zoon zijn - dood voor de zonde, en dat zijn wij als zijn
volgelingen ook via de doop, dus levend. Paulus verbindt de kruisdood van Jezus
met 'dood voor de zonde' voor ons, want zijn dood en de daaropvolgende
verrijzenis biedt ons uitzicht op onze verrijzenis, eeuwig leven na onze
(lichamelijke) dood.
Misschien kent Paulus ook het woord:"(Kunnen jullie) gedoopt worden met de doop waarmee ik word gedoopt ?", dat op zijn kruisdood duidt. (Mc 10,38)
Bevrijd van de zonde
Let eens op de parallel tussen 5-7
en 8-10: (vertaling van de Kruijf)
|
als wij vergroeid zijn met de gelijkenis van zijn dood zullen wij het ook met die van zijn opstanding zijn want dit weten wij dat onze oude mens mede gekruisigd is opdat wij niet meer slaaf zouden zijn van de zonde wie immers gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde |
als wij gestorven zijn met Christus geloven wij dat wij zullen wij ook met hem leven wetende dat Christus is opgewekt uit de doden … niet meer sterft … …is hij voor de zonde gestorven ….. … leeft hij voor God |
Je ziet dat Paulus niet zomaar dicteert,
hij heeft een redenaarstalent. Soms merk je aan afgebroken zinnen dat
hij plotseling opkomende gedachten-associaties niet weerstaat. Hoe Paulus
dicteerde, blootshoofds of vanuit een kladje of zo weten we niet.
Vervolg argument 1 c eerst de zonde
In de volgende pericoop (6,15 – 23) gaat Paulus verder met het ervaringselement van 'slaaf' zijn: nu niet meer in dienst van de zonde maar in dienst van Gods gerechtigheid, een overstap naar een andere heer. Een slaaf kon er voor kiezen in dienst van zijn heer te blijven. De gelovige wordt zo meer een 'dienaar' van de Heer dan slaafse slaaf.
In dienst van de gerechtigheid
|
15 Betekent dit dat het ons vrij staat te zondigen, omdat
wij niet meer onder de wet leven, maar onder de genade? Dat verhoede God! 16
Het is immers duidelijk dat men díé meester als slaaf moet gehoorzamen in wiens dienst men zich stelt: ofwel u dient de zonde - en
dit loopt uit op de dood - ofwel de gehoorzaamheid - en die leidt tot
gerechtigheid. 17 Maar u bent, God zij dank, geen slaven meer van de zonde: u hebt zich van harte onderworpen aan de beginselen van de
leer die u is overgeleverd. 18 U bent bevrijd van de zonde en dienaren
geworden van de gerechtigheid. 19 - Sprekend tot zwakke mensen, druk ik mij
erg menselijk uit. - Zoals u eertijds uw ledematen in dienst hebt
gesteld van onreinheid en steeds grotere bandeloosheid, zo moet u ze nu in
dienst stellen van de gerechtigheid, tot uw heiliging. 20 Toen u slaaf was van de zonde, was u vrij ten opzichte van de
gerechtigheid. 21 Welke vruchten hebben uw daden toen opgeleverd? Alleen
dingen waarover u zich nu schaamt, want ze liepen
uit op de dood. 22 Maar nu, bevrijd van de zonde en dienstknecht
geworden van God, oogst u heiligheid en tenslotte eeuwig leven. 23 Want het
loon van de zonde is de dood, maar de gave van God is het eeuwige leven in
Christus Jezus onze Heer. |
16 'u': jullie, Romeinen. 17 'onderworpen' ?: het griekse woord betekent
'onderdaan zijn', 'luisteren naar'. Nog liever dan de vertaling in de voetnoot ( "… van de leer
waaraan u werd toevertrouwd") zie ik "… van de leer waaraan u
zich hebt overgegeven" of "… u zich toevertrouwde". Geloven
is immers actief, je doet zelf. Het beeld van de slaaf die in dienst blijft
klopt dan ook. 19 'zwakke': nog niet onderlegd in de
leer; zie 14 en 15. (Paulus heeft dus toch een paar
leertips voor de Romeinen.) 'menselijk': eigenlijk corresponderen (v18) het
griekse 'slaaf van de zonde' niet 'met slaaf van de gerechtigheid', dat in
het Hebreeuws zou zijn 'Dienaar van de gerechtigheid'. Dat slaaf voor het
ene maar ook slaaf voor het andere klinkt gek voor de Romein en dus zegt
Paulus dat hij even kort door de bocht gaat. De vertaling 'slaaf voor de
zonde' en 'dienaar voor de gerechtigheid' ondervangt dat maar dan is '-
Sprekend tot zwakke mensen …' niet meer te begrijpen. 23 'loon' vs 'genade'. |
Onderdeel 1
argument 1 c) de obstakels
tegen de hoop; nu de Wet
7.1 – 25.
"Ontbonden van de Wet, want gestorven voor de zonde". Desgewenst zie schema.
Bevrijd van de wet
|
7, 1 Broeders en zusters, weet u
niet - ik richt mij immers tot mensen die de wet kennen - dat de wet over een
mens slechts zolang gezag heeft als hij leeft? 2 Zo is een getrouwde vrouw
door de wet aan haar man gebonden, zolang die leeft; sterft hij, dan is zij
ontslagen van de wet die haar bond aan haar man. 3 Men zal haar terecht als
een overspelige beschouwen als zij bij het leven van haar man de vrouw wordt
van een ander; is haar man echter gestorven, dan is zij van die band
ontslagen, en pleegt zij geen echtbreuk als zij zich aan een ander geeft. 4 Broeders en zusters, zo
bent ook u door het lichaam van Christus gestorven met betrekking tot de wet,
en u behoort nu aan een ander, aan Hem die uit de doden is opgewekt, opdat
wij vrucht dragen voor God. 5 Toen wij een zondig leven leidden, werden onze
daden beheerst door zondige begeerten die de wet in ons opwekte en die
slechts vrucht afwierpen voor de dood. 6 Nu echter zijn wij dood voor de wet
en ontslagen van haar boeien, zodat wij niet langer onderworpen zijn aan een
verouderd wetboek, maar God dienen in het nieuwe leven van de Geest. |
1 'wet' kan betekenen de Romeinse wet maar ook de
Joodse Wet. Kennelijk denkt Paulus nu speciaal aan Christenen uit de Joden. Dat hebben we al eerder gelezen, maar nu trekt
Paulus de vergelijking door: zoals een vrouw via de dood van haar man vrij
van die wetsverplichting, zo zijn wij via
(de dood van) Jezus ontslagen van de Joodse Wet(sbeleving),
zie v 4. Paulus hanteert de situatie van de vrouw vanwege het vergelijkingspunt:
via. De man kon wel scheiden volgens de Joodse Wet maar dat is nu secundair. 4 'vrucht dragen' parallel met 'oogst' in 6,22 5 lett.
"Toen wij in het vlees waren… " toen we nog gewone, niet gelovende,
mensen waren. |
Nu
wordt het moeilijk: de hoofdvraag waarmee Paulus worstelt: "Paulus zoekt
naar de zin en de functie van de Tora in het licht van Christus en zijn
evangelie waartoe hij zich als apostel van de volken geroepen weet".
Paulus verzet zich niet tegen de Wet, zijn vraag "… betreft in wezen de
Tora als openbaring van Gods verbondenheid met zijn volk en uiteindelijk met 'de mens'. In het kader van deze brief kan de vraag ook
anders worden gesteld: Paulus zoekt de zekerheid van onze hoop (5,1-11) in de
liefde van God. Maar is de gave van de Tora niet ook en in de eerste plaats een
blijk van Gods liefde?"
Hij heeft het probleem dat hij in hfdst.
9 - 11 behandelt al in zijn hoofd.
|
7 Betekent dit dat wet en zonde een en hetzelfde zijn? Volstrekt niet!
Maar wel is het waar dat ik de zonde alleen heb leren kennen door de wet. Ik
zou van de begeerte geen weet hebben als de wet niet zei: U zult niet
begeren. 8 Het is de zonde die gebruik heeft gemaakt van het gebod, om allerlei
begeerte in mij op te wekken. Zonder de wet is de zonde dood. 9 Ooit leefde
ik zonder de wet. Maar toen het gebod kwam, begon de zonde te leven 10 en
zelf stierf ik. Zo bleek het gebod, dat bedoeld was om leven te brengen, voor
mij juist de dood te betekenen. 11 De zonde heeft van het gebod gebruik
gemaakt om mij te verleiden en ter dood te brengen. 12 De wet is dus heilig,
en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed. 13 Heeft dan iets dat goed is mij de dood gebracht? Dat niet, maar de
zonde - en daarmee toonde ze haar ware aard - heeft door iets goeds mijn dood
bewerkt! Zo blijkt door het gebod hoe bovenmate zondig de zonde is! 14 Wij weten dat de
wet geestelijk is. Maar ik, ik leid een zondig leven, verkocht als ik ben aan
de zonde. 15 Ik begrijp mijn eigen daden niet. Ik doe immers niet wat ik wil,
maar wat ik verafschuw. 16 Maar als ik doe wat ik eigenlijk niet wil,
betekent dit dat ik met de wet instem en haar goed acht. 18 Ik ben mij ervan bewust dat er in
mij, dat wil zeggen in mijn zondige natuur, niets goeds huist. De goede wil
ligt binnen mijn bereik, maar niet de goede daad. 19 Ik doe niet het goede
dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil. 20 Als ik doe wat ik eigenlijk
niet wil, ben ik niet meer de handelende persoon, maar de zonde die in mij
huist. 21 Ik ontdek in mij dus deze wet: als ik het goede wil doen, dringt
het kwade zich aan mij op. 22 Mijn innerlijk schept behagen in Gods wet, 23
maar in mijn handelen ontwaar ik een andere wet, die strijd voert tegen de
wet van mijn rede, en mij als gevangene uitlevert aan de wet van de zonde die
in mij leeft. 24 Rampzalige mens die ik ben! Wie zal mij redden van dit
bestaan ten dode? 25 God zij gedankt door Jezus Christus onze Heer! - Aan
mijzelf overgelaten dien ik dus met mijn rede de wet van God, maar in mijn
doen en laten de wet van de zonde. |
Paulus schrijft weer: 'ik', nu niet
'wij'; kennelijk wordt hij weer persoonlijk, het lijkt wel een persoonlijke
en gelovige/theologische verwerking van zijn ervaringen Wellicht is de
betekenis duidelijker als we als volgt formuleren (de Kruijf): Ik heb de
zonde (juist als zonde, haar zondige wezen) leren kennen door de Wet: ik heb
de begeerte (juist als begeerte nl. als instrument van de zonde) ervaren door
de Wet, die zegt: "Gij zult niet begeren". 8 begeerte
is drijfveer voor alles, niet alleen des vleesches. 9 'zonder de Wet': in zijn kinderjaren ? 10 'zelf stierf ik': verloor ik mijn onschuld,
spontaneïteit? 11 de zonde is dus de fout, niet de wet of het
gebod. 13 'Dat niet!': 'Volstrekt niet!' Zie v 1. Hij vervolgt de verdediging
van de Wet. Het is als een gif dat ook de goede bedoeling machteloos maakt. 14 'verkocht': zoals een slaaf, aan de macht van de zonde. 15vv. Het lijkt op schizofrenie maar een gespeten
geest is on-bijbels. Enkelheid, éénvoudigheid is een bijbels
ideaal. Wat bedoelt Paulus dan ? In het grieks staan twee woorden: 'inwonen' (v 17) en
'wonen'/'huizen' (v 18). Inwoning kennen we: gedeeltelijke bewoning. Dat is
een soort onderverhuur, niet totale bewoning, ook lastig. 18 'natuur': lett. "Ik weet immers dat in mij - dat is in mijn
vlees - niet iets goeds woont". "Vlees" is dus mijn niet-gelovig
leven, niet mijn 'aanleg' of zo. 'huist': zij woont niet meer slechts in maar speelt de baas. 21 'déze wet' dus een andere dan de Tora. 23 'uitlevert' lett: gevangen houdt. Niet hetzelfde. 24 lett: Wie zal mij redden van het lichaam van deze dood? 25 De ontknoping! Als ik aan me zelf wordt overgelaten, zie ik het niet
zitten. Deze laatste zin is een samenvatting van het voorafgaande en een
hervatting van hoofdstuk 5, dus |
we kunnen weer verder; de obstakels staan op hun
plaats.
4.3.2 Onderdeel 2 argument 2 a) leven naar de Geest, niet naar het
vlees 8,1. Desgewenst zie schema
onderdelen: 4.3.1
argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest;
4.3.3 argument 3,
Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie 2e
deel.
Leven volgens de Geest
|
8,1 Voor hen dus die in Christus Jezus zijn, bestaat er nu
geen vonnis meer. 2 De wet van de Geest die in Christus Jezus het leven
schenkt, heeft u vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood. 3 Wat de wet
niet vermocht, machteloos als ze was door ons zondige bestaan, dat heeft God
bewerkt: wegens de zonde heeft Hij zijn Zoon gezonden in datzelfde zondige
bestaan en heeft Hij in dat bestaan zelf de zonde gevonnist. 4 Zo moest de
eis van de wet vervuld worden door ons die geen zondig leven meer leiden,
maar leven volgens de Geest. |
1 'geen
vonnis': hoera ! De Wetsinvulling door Jezus heeft u vrij gemaakt van de Wetsinvulling door wetgeleerden e.d. en zijn Geest geeft
leven, wat de Wet niet kon. 3 'wegens de
zonde': formulering uit het verzoeningsritueel, zie Lev 4,3.14.28. Met
stropers stropers vangen! Zie voetnoot Willibrord. |
Noach wandelde met God
Abraham wandelde voor God
Rabbijnen zeggen:"Ge zult achter de Heer uw God aan wandelen."
Paulus heeft het over wandelen
naar de Geest
|
5 Zij die een zondig leven leiden, streven naar wat de
zonde wil. Maar zij die leven volgens de Geest,
streven naar wat de Geest wil. 6 Het streven van de zondige natuur loopt uit
op de dood, het streven van de Geest op leven en vrede. 7 Want het streven
van de zondige natuur staat vijandig tegenover God. Het
onderwerpt zich niet aan Gods wet, dat kan het niet eens; 8 en zij die een
zondig leven leiden, kunnen God niet behagen. 9 Maar u leidt geen
zondig leven meer, maar u leeft in de Geest, omdat de Geest van God in u
woont. Iemand die de Geest van Christus niet bezit, behoort Hem niet toe. 10 Als Christus in u is, blijft
uw lichaam wel door de zonde aan de dood gewijd, maar uw geest leeft, dankzij
de gerechtigheid. 11 Als de Geest van Hem die Jezus heeft opgewekt uit de
doden in u woont, zal Hij, die Christus uit de doden heeft laten opstaan, ook
uw sterfelijk lichaam levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u
woont. 12 Dus, broeders en zusters, zijn wij niet langer
verplicht om een zondig leven te leiden. 13 Als u een zondig leven leidt,
zult u zeker sterven. Maar als u door de Geest de praktijken van het lichaam
doodt, zult u leven. 14 Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God. 15 De Geest die u ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. U hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader! 16 De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest dat wij kinderen zijn van God. 17 Maar als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God tezamen met Christus, omdat wij delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn verheerlijking. |
5 vrij vertaald: Vleselingen denken volgens
vlees … Zie Gal 5,13 – 24; vlees – Geest; bekende stof. Ik zou vlees – Geest een tegenstelling noemen w.b. hun gericht zijn, het zinnen op. Als het gaat om
gelovig menselijk bestaan is Geest complementair aan vlees want zonder vlees
bestaan we niet. 9 'omdat': ? Lett: "als inderdaad de Geest in
u woont." 'woont' dus niet 'inwoont'. Zie
boven. 10 lett: "is uw lichaam wel dood vanwege de zonde maar…"
Nogal kras; alleen te begrijpen volgens 6, 6-11, het met Christus sterven in
het doopsel om met hem te verrijzen en vervolgens leven naar de Geest hetgeen de gerechtigheid wil (zie 6, 13) de rechtmatige
aanspraak van de Wet. Zie 6,6 lijf 11 'zal' dus hoop! 12 Nu gaat de vrome Willibrord-pater wel wat ver door zo te vertalen. Lettt: "… hebben wij verplichtingen, (maar) niet aan
het vlees om het vlees-leven". Dat is wat
anders. Paulus zegt juist dat we wel verplichtingen hebben, nl. t.o.v. het
leven naar de Geest. 14 Nu komt het thema van 6,12-23, de slavernij,
weer in het vizier, slaaf van de zonde vs. slaaf van God. Maar dat is nu niet
voldoende, want slaaf van God bestaat niet meer: we zijn kind van God. Alstublieft ! Dan ook erfgenamen. Nu is Paulus definitief
bij het thema van dit
deel aangekomen: de zekere grond van onze hoop. "Abba
": Vadertje, Paps,
mogen zeggen. 16 De Geest bevestigt wat we 'eigen'lijk
graag willen zijn. 17 'omdat' weer hetzelfde: lett.
"… als wij inderdaad mee-lijden. Het is geen
automatisme. |
Onderdeel 2 argument 2 b) onze verwachting: de kracht
van Gods Geest. 8,18 Desgewenst zie schema
Hier treffen we elementen uit de joodse apocalyptiek en
hier komt ook de vraag naar het lijden ter sprake, wellicht ingeleid door het
vorige vers, maar centraal is het punt van 5,1-2: “Gerechtvaardigd uit het
geloof mogen wij vrede hebben tot God door onze Heer Jezus Christus, door wie
wij ook … ons beroemen op de hoop van de heerlijkheid van God”. Deze
heerlijkheid omsluit v 18 – 30, waarbij v 24 en 25 middelpunt zijn.
Hoop op de
komende heerlijkheid
|
18 Ik ben er zelfs van overtuigd dat het lijden van deze
tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten
staat. 19 Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaarmaking van de kinderen van
God. 20 Want zij is onderworpen aan een zinloos bestaan, niet omdat zij het
zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar
zij is niet zonder hoop, 21 want ook de schepping zal verlost worden uit de
slavernij van de vergankelijkheid, en delen in de glorierijke vrijheid van
Gods kinderen. 22 Wij weten immers dat de hele schepping kreunt en onder
barensweeën lijdt, nog altijd. 23 En niet alleen zij, ook wij zelf, die de eerstelingen
van de Geest toch al hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot,
zolang wij nog wachten op onze aanneming tot kinderen, op de verlossing van
ons lichaam. 26 Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij
weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons
met onuitsprekelijke verzuchtingen. 27 En Hij die de harten doorgrondt, weet
wat de Geest bedoelt, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling. 28 Intussen weten wij dat voor wie
God liefhebben, alles zich ten goede keert, voor hen die volgens zijn raadsbesluit
geroepen zijn. 29 Want wie Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren
bestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de eerstgeborene zou zijn
onder vele broeders. 30 Wie Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen.
Wie Hij riep, heeft Hij gerechtvaardigd, en wie Hij rechtvaardigde, heeft Hij
verheerlijkt. |
- Eerst de schepping: het is niet zeker of
Paulus alleen de schepping bedoelt en/of de hele wereld (alle mensen) maar
treffend is de totaliteitsgedachte. Hij is zich bewust van het geheel waarin
wij ons bewegen en zijn. Het is zoiets als alleen op een berg staan of over
de zee zien of een andere ervaring die je uit je gewone ervaringskader haalt
en je ontvankelijk maakt voor 'dat andere'. Paulus als mysticus. Zie ook v 38
en 39a. v19vv De Kruijf:"Het reikhalzend verlangen
immers van de schepping verwacht de onthulling van de zonen van God (aan de
nietigheid immers is de schepping onderworpen, niet vrijwillig maar door Hem
die haar aan onderworpen heeft) op grond van hoop dat ook de schepping zelf
bevrijd zal worden van de slavernij van de vergankelijkheid …" geeft
beter weer waar het om gaat: de hele schepping is uit op heerlijkheid. Dacht
P aan ps 148, Dan 3, 52 vv? - Nu wij: 23 'eerstelingen': met het aanbieden van de
eerstelingen opende de Jood zijn nieuwe oogstjaar. 25 'omdat … moet': 'omdat' staat er niet (die 'moet'pater) "Als we hopen op wat we niet
zien, verwachten wij met volharding". Net als Ex 19 " Als
je echt naar me luistert, dan zul je (vanzelf) ….” Zie aldaar onder v 5.
"Als je (echt) hoopt, ben je (vanzelf) volhardend en werk
je mee aan je eigen heil." - Nu de Geest: Volharden doe je zelf en zo kun je op jezelf
teruggeworpen worden. Zo ook bid je vanuit jezelf, vanuit de Geest in je …
zo bidt de Geest …. 26 'niet weten': Paulus doelt niet op gebed in het algemeen - zeker de Joden hadden genoeg
gebedsmateriaal nl. psalmen, dagelijkse gebeden – maar op het eigen gebed.
Dan komt het erop aan. 27 Hieraan
ligt de drie-éénheid ten grondslag ! - Conclusie: 28 'weten': beroep op ervaring. 'raadsbesluit': zijn bedoeling, volgens welke HijZ
iedere mens voor het geluk heeft bestemd. 'gelijkvormig aan': daartoe heeft HijZ ons bestemd.
"Het gaat dus over ons leven nu in deze wereld", net zoals Jezus op
aarde leefde, gelijkvormig aan de Vader. Het gaat dus nu even niet om het
toekomstig leven. Paulus leeft dus 'met zijn hoofd over de wolken
heen…'. 30 Een van de mooie gedachtenketens. |
Onderdeel 2 argument 2 c) voorlopige conclusie en
doxologie 8, 31. Desgewenst zie schema
Eigenlijk is met het vorige alles
gezegd maar Paulus kan zich niet inhouden. Hij komt tot een apotheose, 'vergoddelijking',
verheerlijking. Wat hem beweegt is "zijn verhouding tot God en tot degene
die hem heeft geroepen tot zijn taak, Christus Jezus".
De liefde van God
(zonder commentaar ter overweging)
31 Wat moeten wij hieraan nog toevoegen?
Als God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? 32 Hij heeft zelfs zijn eigen
Zoon niet gespaard; voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons
na zo'n gave ook niet al het andere schenken? 33 Wie
zal Gods uitverkorenen aanklagen? God die rechtvaardigt? 34 Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus misschien, die gestorven
is, meer nog, die is opgewekt en die, gezeten aan de rechterhand van God, onze
zaak bepleit? 35 Wie zal ons scheiden van de liefde
van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of
naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard? 36 Er staat immers
geschreven: Omwille van U doodt men
ons de hele dag door; wij worden behandeld als schapen voor de slacht. 37
Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk, dankzij Hem die ons heeft
liefgehad.
38
Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch
machten, noch wat is noch wat komt, geen macht
4.3.3 Onderdeel 3 argument 3 Schriftbewijs
God en Israël a) de trouw van God 9,1-31 voor schema
onderdelen: 4.3.1
argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest; 4.3.3 argument 3, Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie 2e
deel.
Maar, na het hooggestemde van het
bovenstaande ligt hem nog één zaak na in het hart: ook al wordt Gods trouw niet aangetast
door de ontrouw van mensen, zit het dan toch goed met hen die juist trouw
hadden moeten zijn? Wordt God de Jood niet beu ? Als
dat zo is, is de moeite van de tot nu toe beredeneerde en verwoorde zekerheid
voor niets. Let eens op
Paulus' droefheid over dat volk dat van God zoveel gavenheeft
gekregen.
Paulus' band met Israël
|
9,
1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, mijn geweten waarborgt het
mij in de heilige Geest: 4 ik bedoel de Israëlieten. Hun behoort het kindschap, de heerlijkheid,
de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de beloften; 5 van hen zijn de
aartsvaders en uit hen komt Christus lijfelijk voort, Hij die God is, boven
alles verheven en geprezen tot in eeuwigheid! Amen. |
"….. niets kan ons
scheiden van de liefde van God die in C.J. is …." (8,39) en nu moet ik
de waarheid spreken vanuit die liefde. Zij, het uitverkoren volk, hebben Gods
liefde weerstaan. 3'vervloekt': beter 'verbannen', 'geschrapt'. Je
kunt hier denken aan Mozes, die na het gouden kalf tegen God zegt:
"…vergeef hun toch hun zonden - en zo niet, schrap mij uit het boek
des levens" (Ex 32,32). 4 'Israëlieten', een erenaam bij Paulus, die hij
verbindt met 'Christus'. Paulus geeft een opsomming van relatie-elementen
die God met zijn volk heeft: aanneming tot zoon, openbaring van de heerlijkheid,
verbonden met Noach, Abraham, Mozes, Jozua, David; Hij gaf de Tora, de
belofte aan de aartsvaders. Dat alles is aan God te danken ! Gelukkig hoeft er in ieder geval geen gevaar te zijn, want HijZ is
altijd trouw geweest, rechtvaardig en vrij. |
God is
getrouw aan Zijn woord
|
6 Toch is het niet zo dat Gods woord heeft gefaald. Want niet allen die
uit Israël stammen, behoren tot Israël, 7 en niet allen zijn kinderen van
Abraham omdat zij nakomelingen zijn van Abraham. Maar "alleen zij die van Isaak afstammen, zullen
als uw nakomelingen gelden". 8 Dat betekent: niet de lijfelijke
kinderen zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als
nakomelingen beschouwd. 9 Want dit woord: "Het volgend jaar rond deze tijd kom Ik terug en dan zal Sara een zoon
hebben", was een belofte. 10 Sterker nog, Rebekka droeg in haar
schoot twee kinderen van een en dezelfde man, onze vader Isaak. 11-12 En reeds voor zij waren geboren en iets goeds of kwaads
hadden gedaan, werd haar aangekondigd: "De oudste zal dienstbaar zijn aan de jongste". Daaruit
blijkt, dat alleen het besluit van Gods uitverkiezing geldt, onafhankelijk
van menselijke daden, slechts afhankelijk van Hem die roept. 13 Er staat dan ook geschreven: "Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau gehaat". |
6 - 13 Paulus hanteert schriftteksten om vanuit het
Joodse erfgoed zelf te staven wat hij beweert. De vraag naar Gods trouw is niet nieuw; ook de
profeten zaten er vaak mee. Uit de wonderlijke geboorte van Isaak blijkt dat
God trouw was aan zijn belofte en die belofte - niet de biologische
afstamming - is basis voor Gods volk. Abraham zou vader van véle volken
worden en God kon ook nog van stenen zonen van Abraham maken, maar slechts
één volk zou Gods volk worden, nl. alle volken die geloven, iedereen die gelooft als Abraham. Daarom moest God uit die tweeling wel een keuze
maken om het begrip 'belofte' in stand te houden. Het begrip verdienste,
recht hebben op door eigen werk, of oudste, eerst-geborenen-recht,
geldt dan immers niet. Door die keuze geeft God ook aan dat Hij vrij is, niet
gebonden aan traditie of verdienste. Ons 'haten' mag niet: 'achter stellen', als tweede
keus zien. |
God handelt rechtvaardig.
|
14 Moeten
wij hieruit besluiten, dat God onrechtvaardig handelt? Volstrekt niet. 15 Tegen
Mozes zegt Hij: "Ik schenk
genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil". 16 Het
hangt dus niet af van de wil of de inspanning van de mens, maar van Gods
ontferming. 17 En tegen de farao zegt de Schrift: "Daarom juist heb Ik u laten opstaan, om in
u mijn kracht te laten zien en om mijn naam bekend te laten worden over heel
de aarde". 18 Hij ontfermt zich dus over wie Hij wil, en Hij
verhardt wie Hij wil. |
Een Jood niet kan zeggen dat HijZ onrechtvaardig
is. HijZ is ook niet willekeurig maar wel trouw en goed. Een Jood denkt
vanuit de Schrift; wij zijn geneigd Gods rechtvaardigheid niet vanuit de
Schrift te bezien: de theodicee. 16 'Gods ontferming': de God van wie de
Jood zich afhankelijk weet; zie het verhaal van het 'offer' van Isaak. 17 Zelfs farao, dien HijZ toentertijd
verhardde omdat hij geen gehoor wilde geven, staat nog in zijn dienst. Net
zoals HijZ Kores (Cyrus)
die wel luisterde, een niet-Jood, gebruikte (in de visie van de bijbel) om het volk uit de ballingschap terug te laten
keren. |
God is vrij in Zijn keuze
|
19 Nu zul je mij zeggen: 'Wat heeft Hij
dan nog aan te merken? Wie immers kan zijn wil weerstaan?' 20 O mens, wie ben
jij, dat je God zou willen weerspreken? Zegt het beeld soms tegen zijn boetseerder: 'Waarom hebt u mij zo
gemaakt?' 21 Natuurlijk staat het de pottenbakker vrij van dezelfde
klomp leem zowel iets kostbaars te maken als een voorwerp voor alledaags
gebruik. 22 En als God nu eens, om zijn toorn te
tonen en zijn macht te laten kennen, de voorwerpen van die toorn, gereed voor
de ondergang, met grote lankmoedigheid heeft verdragen, 23 juist met de
bedoeling de rijkdom van zijn heerlijkheid te openbaren voor hen die het
voorwerp zijn van zijn ontferming, voor hen die Hij tot heerlijkheid heeft
bestemd ... ? 24 Het voorwerp van zijn ontferming zijn wij, die Hij heeft geroepen,
niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenvolken. 25 Zoals Hij het zegt
bij Hosea: Wat 'niet mijn volk'
heette, zal Ik 'mijn volk' noemen, en haar die niet geliefd was, 'mijn
welbeminde'. 26 Op dezelfde
plaats waar hun was gezegd: U bent mijn volk niet, zullen zij 'kinderen van
de levende God' heten. 27 Maar omtrent
Israël roept Jesaja uit: Al waren de
Israëlieten talrijk als het zand van de zee, slechts het overschot zal gered
worden. 28 Want de Heer zal
zijn woord op aarde gestand doen, volledig en snel. 29 Reeds eerder had Jesaja gezegd: Als de Heer van de heerscharen niet wat zaaikoren voor ons had
achtergelaten, waren wij gelijk geworden aan Sodom en Gomorra. |
19 Nu kan 'de Jood' lekker
zeggen: "Ben ik dan schuldig? Ik kan er niets aan doen". Zegt
Paulus: "De vraag naar Gods gerechtigheid is een andere dan die naar
schuld. Snotneus! Geen smoes verzinnen." 21 Het beeld pottenbakker en boetseerder komt vaak
voor en gaat terug op Gen 2,7.8.15. Het is een beeld, een vergelijking, dat
door Augustinus en Calvijn als hard is opgevat; gevolg: zondige natuurleer en
predestinatieleer. 22 'toorn' - 'macht' correspondeert met
rechtvaardig - barmhartig. 23 Dan misbruikt HijZ zijn vrijheid tocht niet! Hij raakt de draad van zijn zin kwijt maar in v 30 komt de conclusie. 24 'heidenvolken': de (andere) volken 25v Verplaatsing van het heil naar andere volken omdat Israël niet
hoort. 27 'maar': er is evenwel toch heil voor
'de rest' dus "maar" i.p.v. "En". 29 'zaaikoren' om te overleven. Lees eens Jes 1,
4.7.8. Heel dreigend maar toch weer die hoop dat er een rest is, zaad,
belofte. |
Israël en het doel van de wet
|
30 Hieruit volgt dat heidenen, die de gerechtigheid niet nastreefden,
haar toch hebben verworven, de gerechtigheid namelijk door het geloof. 31 Maar Israël, met al zijn ijver voor de wet van de gerechtigheid,
heeft het doel van de wet niet bereikt. 32 En waarom? Omdat zij meenden te
kunnen steunen op hun daden, en niet op het geloof. Zij hebben zich gestoten
aan de steen waaraan men zich stoot, 33 volgens het woord van de Schrift: "Zie, Ik leg in Sion een steen waaraan men zich stoot, een struikelblok. Wie in
Hem gelooft zal niet worden teleurgesteld." |
'verworven': lett: oppikken; klinkt
heel wat beter. Paulus trekt de conclusie die er in v 23 al aan het
aankomen was: Kijk eens hoe machtig God is ! Zie
1,18 – 32. Zij
hebben het wel 'opgepikt'. God is niet willekeurig maar trouw aan zijn
gerechtigheid, die voor iedereen geldt die goed wil. 31 'doel': de eindstreep, als bij hardlopen. In
10,4 schrijft Paulus: "Het doel van de Wet is Christus" (Messias),
die niet met werken bereikt kan worden maar alleen in geloof. 'Ik':
God, de Heer, leg als struikelblok
Jezus Messias. |
De vraag wordt nu: Hoe is het
mogelijk dat Israël zich heeft gestoten aan een steen die door God zelf in Sion
is gelegd, terwijl andere volken wel op hem vertrouwen en niet worden
beschaamd?
Onderdeel 3 argument 3 Schriftbewijs God en Israël b) de ontrouw van Israël 10,1 Desgewenst zie schema
|
10, 1 Broeders
en zusters, het is mijn vurige wens en ik bid tot God dat zij gered worden. 2
Ik getuig dat zij godsdienstige ijver hebben, maar het is ijver zonder
inzicht. 3 Met hun miskenning van Gods gerechtigheid en hun
pogen een eigen gerechtigheid op te richten, hebben zij zich niet aan de
gerechtigheid van God onderworpen. 4 Want Christus is het doel van de wet tot
gerechtigheid voor ieder die gelooft. |
1 De aanspreking is een markering. Paulus wordt
weer persoonlijk,'ik' , als in hoofdstuk 9 maar nu
niet bedroefd. 3 Zij hebben hun éígen wetsinterpretatie/-beleving
als norm gesteld, als doel. 4 Het is juist J.C., die de Wet helemaal heeft
ingevuld, vervuld zoals God bedoelde. Zo doende wordt hij het doel van de
Wetsbeleving. Door Hem en met Hem en in Hem wordt de gerechtigheid van het
volk Gods bereikt. |
De
Gerechtigheid uit het geloof
|
5 Zeker,
over de gerechtigheid door de wet schrijft Mozes: "De mens die haar volbrengt, vindt door
haar het leven". 6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt
aldus: "Zeg niet bij uzelf: Wie
zal opstijgen naar de hemel? Dat is: Christus laten afdalen". 7
Of: "Wie zal neerdalen in de
onderwereld? Dat is: Christus uit het dodenrijk laten opstijgen".
8 Nee, zegt de Schrift, "het
woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart", het woord
namelijk van het geloof, dat wij verkondigen. 9 Want als uw mond belijdt dat
Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt,
zult u gered worden. 10 Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de
belijdenis van uw mond brengt de redding. 11 Zo zegt de Schrift het: "Niemand die in Hem gelooft zal worden
teleurgesteld". 12 Er bestaat geen verschil tussen Joden en
Grieken. Zij hebben allemaal dezelfde Heer, rijk aan gaven voor allen die Hem
aanroepen. 13 "Iedereen die de
naam van de Heer aanroept, zal gered worden." |
'wet' (hfst. 5) –
'geloof' (hfst. 6) ! 8 'mond': vermoedelijk de geloofsbelijdenis bij het
doopsel, die ook in het hart moet leven. Zie Deut
30, 11 vv 9 'Jezus is de Heer' en
'God heeft hem uit de doden opgewekt' zijn de oudste, kernachtige
geloofsformuleringen. 'Heer' duidt niet op het hebreeuwse
'Adonai', de aanspreking van God (de Vader). Wel is het begrip heer – knecht
in die tijd bekend. Zó geldt voor Christenen dat zij in dienst staan van
Jezus Christus als hun heer, zoals Paulus. 10 Waar het hart
van vol is., loopt de mond van over; het moet
naar buiten! 13 Een stukje van de keten aanroepen -
geloven - horen - verkondigen - gezonden worden. Een andere dan 8, 30 |
De ongehoorzaamheid van Israël 14vv Een uitwerking van 10, 3, het zich niet onderwerpen.
|
14 Maar hoe kunnen zij iemand aanroepen in wie zij niet geloven? Hoe kunnen ze in iemand geloven zonder |
14 De keten: aanroepen, geloven, horen, verkondigen, zending. Voor Paulus verloopt dat nu andersom: hij is |
|
van Hem te hebben gehoord? Hoe kunnen ze over iemand
horen, als niemand Hem verkondigt? 15 En hoe kunnen ze verkondigen, als ze
niet zijn gezonden? Het is zoals de Schrift zegt: "Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die
goed nieuws brengen". 16 Maar niet allen hebben aan het goede
nieuws gehoor gegeven. Jesaja zegt: "Heer, wie heeft geloof geschonken aan onze boodschap?" 17
Het geloof komt dus voort uit de boodschap, en de boodschap geschiedt in
opdracht van Christus. 18 Maar, zo
vraag ik, hebben zij haar misschien niet gehoord? Toch wel: "Hun geluid heeft
zich over de gehele aarde verspreid, hun woorden weerklonken tot aan de
uiteinden van de wereld". 19 Maar, vraag ik weer, heeft Israël
het misschien niet begrepen? Als eerste is er Mozes, die zegt: "Ik zal u naijverig maken op een volk dat
geen volk is, en kwaad op een volk zonder inzicht". 20 En Jesaja
durft zich zo uit te drukken: "Ik
liet Mij vinden door wie Mij niet zochten. Ik heb Mij vertoond aan mensen die
niet naar Mij gevraagd hebben". 21 Maar met betrekking tot Israël
zegt hij: "De hele dag heb Ik
mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en weerspannig volk". |
gezonden om te verkondigen zodat zij horen enz. Zo geeft hij er een
bepaalde spanning aan. Hij zal aan zijn (zendings)reizen
gedacht hebben. 16 Jesaja vroeg al om geloof: ze kunnen het dus op de vingers van één
hand uittellen ! Er is geen excuus. 18 Paulus probeert een volgend excuus. Accent op 'gehele' en 'uiteinden'. 19 Nog een mogelijkheid ? Zelfs in die uitdaging 'trapten' de Joden niet in ! Zie Deut 32,21, n.b. het lied van Mozes ! 20 Paulus haalt Jes 65,1 aan en daarna 21 Zie je nu wel ! Ze wisten het of konden het weten. M.a.w. de zaak is verkeken. Zou Paulus dat (kunnen) zeggen? |
Onderdeel 3 argument 3 schriftbewijs God en Israël c) het geheim 11,1 Desgewenst zie schema
Een rest is uitgekozen
|
11,
1 De vraag is nu: heeft God zijn volk verstoten? Helemaal niet. Ik ben zelf
een Israëliet, een afstammeling van Abraham uit de stam Benjamin. 2 "Nee, God heeft zijn volk, dat Hij
tevoren heeft gekend, niet verstoten."
Weet u niet wat de Schrift zegt in het verhaal van Elia, hoe hij Israël
aanklaagt bij God: 3 Heer, "zij
hebben uw profeten gedood en uw altaren omvergehaald. Ik alleen ben
overgebleven, en mij staan ze naar het leven". 4 Maar wat geeft
de godsspraak hem ten antwoord? "Zevenduizend
man heb Ik overgehouden, die de knie niet hebben gebogen voor Baäl."
|
1 'De vraag is nu': lett: 'Ik zeg dus': Paulus gaat
terug naar 9,14.
"Is er soms ontecht bij God?" Als de zaak verkeken is, heeft God zijn eigen volk
verstoten. "Dat zul je mij als Jood nooit horen zeggen", zegt
Paulus. Hij is afstammeling van Abraham en hoort bij de stam Benjamin die uit
ballingschap is teruggekomen. 2b psalm 94, 14 zegt dat God Zijn volk niet
verstoot. 3 Elia klaagt Israël aan nadat hij n.b.
voor haar een overwinning op de priesters van Baäl heeft behaald en het volk
hem toch naar het leven staat …(1Kon19) 4 Getallensymboliek:
zeven duidt op doorgaand leven, tien op maximaal: 7 x 10 x 10 x 10. |
|
5 Zo is het ook in deze tijd. Een rest is overgebleven, dankzij een genadige uitverkiezing. 6 Is
het echter uit genade, dan is het niet vanwege verdienstelijke daden; anders
zou de genade geen genade meer zijn. 7 We zien
dus dat Israël niet heeft bereikt wat het nastreeft. Alleen het uitverkoren
deel heeft zijn doel bereikt; de overigen zijn versteend, 8 volgens
het woord van de Schrift: "God
heeft hun geest verdoofd, Hij gaf hun ogen die niet zien en oren die niet
horen, tot op de dag van vandaag." 9 En David zegt: "Laat hun tafel voor hen een strik worden,
een val, een struikelblok, een
bestraffing. 10 Mogen hun
ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien. Krom hun ruggen zonder
ophouden". |
5 'De rest' hebben we leren kennen in Jes 4 enz.
Zie voetnoot Willibrord. 6 'dankzij …' Lett: '… een rest naar de
uitverkiezing van de genade ontstaan'. Voor 'uitverkiezing': Bijbelse
begrippen m.a.w. die genade kreeg men gratis. De vraag 'waarom hij wel en
zij niet?' wordt nooit beantwoord naar onze maatstaf. 7 Lett. "Wat dan? Wat Israël nastreefde …" Ook voor Paulus een rot-vraag ! 'bereikt': zie 9,30-33. 'versteend':
beter 'verhard', dat weer zacht kan worden. Verharding is een straf voor het
niet willen luisteren. 8 "God gaf hun een geest van verdoving" m.i.
opdat het tot een crisis komt en vervolgens inzicht ontstaat. 9 Zelfs hun tafel …! Het citaat Jes 6,9v en -van
David- Ps 69,20vv (die veel op Jezus wordt toegepast) zijn
wanhoopskreten, droefheid. |
Voor we verder gaan met argument 3 God en Israël c) het geheim even een
overzichtje:
"Door hún misstap redding voor de vólken" 11,11 - 24
Nu komt het hoogtepunt van het
middendeel, zelfs wel van de hele brief. Hier heeft hij zich naar toe
geworsteld. Hij gebruikt nu geen schriftcitaten maar zijn eigen redenering/ervaring.
Als je de hele brief in de gaten houdt, zie je:
a) het eigenlijke onderwerp is nog steeds het 'geheim van God'. Paulus
begon in hoofdstuk 9 met de vraag of het woord van God vervallen zou zijn en nu
weer of Israël struikelde opdat (!) zij zou vallen. Als dat Gods bedoeling is,
hoe is God dan ?
b) Nu in 11,11 gebruikt hij voor de laatste keer "Dat nooit !"
Elke keer gaat het om de
verhouding God – mens.
3,3-4: Zal hun ontrouw dan de trouw van God
teniet doen ? Dat nooit !
3,5-6: Is God soms ongerecht ? Dat nooit !
3,31: Stellen
we de Wet (van God) dus buiten werking door het geloof ?
Dat nooit !
6,1-2: Zullen we dus maar bij de zonde blijven (tegen Gods Wet) opdat
zijn genade
toeneemt ? Dat nooit !
6,15: Zullen we dan maar zondigen omdat we niet ondergeschikt zijn aan
de Wet (van God)
maar aan de genade (van God) ? Dat nooit !
7,7: Is
de Wet (van God) zonde ? Dat nooit !
7,13: Het goede (van de Wet) is dus mij tot dood geworden
? Dat nooit !
11,11: Zijn zij soms gestruikeld opdat zij zouden vallen
? "Dat zul je mij als Jood nooit horen zeggen", zegt Paulus.
De
Kruijf merkt op dat als je die teksten achter elkaar leest, zie je Paulus'
emotie.
Vervolg onderdeel 3 argument 3 God en Israël c) het geheim.
Israël en de redding van de heidenen
|
11 De volgende vraag is: hebben zij zich dan zo gestoten, dat zij ten
val zijn gekomen? Volstrekt
niet, maar als gevolg van hun misstap werden de heidenen gered, om hen
jaloers te maken. 12 Als hun misstap de wereld verrijkt heeft en hun falen voor de heidenen rijkdom betekent, wat mogen wij
dan niet verwachten, als zij hun tekort zullen aanvullen! |
11 Lett: 'Ik zeg dus' neemt de vraag van 11.1 weer
op. 'gestruikeld' vanwege de verwijzing naar de z.g.
psalmen van Salomon (zie 2.1): “Struikelt de goddeloze, zo vervloekt hij zijn
leven, … hij valt – en zwaar is zin val - en hij staat niet meer op”. Dit -en andere citaten- om invoelbaar te maken in wat voor
een denkkader Paulus leeft, en niet alleen hij. 'dat zij ten val …' Lett: 'opdat zij …' Is dat God
bedoeling? 'Volstrekt niet': lett: 'Dat nooit' voor de laatste
keer. HijZ wil niet dat ze vallen maar dat ze jaloers
worden. 12 'wat mogen … ' lett: "hoeveel
te meer hun voltooiing"; klinkt veel positiever. Hierna volgt nog één keer "Hoeveel te meer" |
Voor we verder gaan (met argument 3 God en Israël c) het geheim) even
een begrip:
Hoeveel te meer
…
In 5,3 – 11, het begin van het
tweede deel, heeft Paulus het 'hoeveel te meer'
argument gehanteerd om onze hoop te vestigen vanuit de Schrift en eigen
ervaring: v 8 “Daarentegen bewijst God zijn eigen liefde voor ons doordat, toen
wij nog zondaars waren, Christus voor ons gestorven is. 9 Hoeveel te meer
zullen wij, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door hem gered worden van
de toorn. 10 Als wij immers, toen we nog
vijanden waren, verzoend zijn geworden met God door de dood van zijn zoon,
hoeveel te meer zullen wij, nu we verzoend zijn, gered worden door zijn leven”.
Let eens op de parallel van 5, 10
met 11, 12: (Paulus hanteert vaak deze
stijlsoort.)
misstap vijanden
rijkdom verzoend met God
te kort
(falen) rijkdom voor de volken
hoeveel te meer hoeveel te meer
hun voltooiing gered worden
We
gaan verder met argument 3 God en Israël c) het geheim
|
13 Nu richt ik mij tot u die uit het heidendom gekomen bent. Ik ben
apostel van de heidenen, en ik schat dit dienstwerk juist hierom zo hoog, 14
omdat ik hoop mijn eigen volk tot afgunst te prikkelen en er althans enkelen
van te redden. 15 Want als hun verwerping de wereld verzoening heeft
gebracht, wat kan dan hun aanneming anders betekenen dan leven uit de doden? 16 Zijn de eerstelingen van het meel geheiligd, dan ook
het deeg. Is de wortel heilig, dan ook de
takken. 17 Als nu sommige van die takken zijn weggebroken, en
jij, wilde loot, daartussen bent geënt en deel hebt gekregen aan het sap van
de olijf, 18 verhef je dan niet boven de takken. Wil je je
verheffen, bedenk dan dat de wortel jou draagt en niet jij de wortel. 19 Je
zult zeggen: 'Er zijn toch takken weggebroken, zodat ik kon worden geënt.' 20
Heel juist, zij zijn weggekapt vanwege hun ongeloof, en jij dankt je plaats
aan het geloof. Maar neem je in acht, wees niet overmoedig. 21 Als God de
takken die aan de boom thuishoorden niet heeft ontzien, zal Hij ook jou niet
sparen. 22 Houd daarom Gods goedheid voor ogen, maar ook zijn strengheid:
zijn strengheid voor de takken die zijn afgevallen en zijn goedheid jegens jou, als jij tenminste zijn goedheid trouw blijft.
Anders word ook jij weggekapt. 23 En wat hen betreft, als zij niet in hun
ongeloof volharden, zullen ook zij weer worden geënt. Want God is bij machte
hen opnieuw te enten. 24 Jij bent van de wilde olijfboom waartoe je van
nature behoort, afgebroken, en tegen je natuur in
geënt op de edele olijf. Hoeveel gemakkelijker zullen zij die er van nature
bij horen, weer op hun eigen stam worden geënt! |
13 Paulus is zich zijn positie wel bewust: een
'uitgetreden Jood' die zich om niet-Joden bekommert maar zijn afkomst niet
verloochent. 15 'verwerping': veel te sterk,
'verlies' is beter. 'leven uit de doden': mogelijk associatie met opstanding
van Jezus, opkomen uit de onderdompeling in de doop, opgenomen worden in een
huisgemeenschap, misschien zelfs het weer samengaan van Juda en Israël als
parallel. 16 gedachten-associatie met het aanbieden van de
eerstelingen als in 8, 23; zie Num 15, 18 – 22, Deut 26, 1 – 11 (lezen!), 1Kor 15, 20. 17vv: zie Jer 11,16. Voor een goed begrip
lezen v 1 – 16. 18 'verheffen' lett.'beroemen'
zoals Paulus vaker zegt. 20 Bij 'afbreken', 'wegkappen' enz. bedenken dat de
tak afbreekt doordat zij dor wordt door ongeloof en het restant wordt
weggehaald. God kap niet weg! 21 'sparen': ook jouw restant wordt opgeruimd. 22 Goedheid en strengheid samen, typisch Joods zoal
rechtvaardig en barmhartig elkaar aanvullen. 'afgevallen' lett.
'gevallen', dat doet denken aan 11,11. 23 Onze God kan dat!. Het
geheim van God. 24 'afgebroken' lett.
'afgestoken' nl. t.b.v het enten! Afbreken is hier echt fout. 'Hoeveel te meer … ' de laatste keer, dus
definitief, hoop. |
De redding van Israël
|
25 Overschat uzelf niet, broeders en zusters. Ik wil u niet onkundig
laten van dit geheim: de verstening die over een deel van Israël gekomen is,
duurt slechts totdat de grote massa van de heidenvolken is binnengegaan. 26 En zo zal tenslotte heel Israël gered
worden, volgens de woorden van de Schrift: "Uit Sion zal de redder komen en Hij zal de
goddeloosheid uit Jakob verwijderen. 27 Dit is het
verbond dat Ik met hen zal sluiten, wanneer Ik hun zonden heb
weggenomen". 28 Al staan zij vijandig tegenover het evangelie
omwille van u, toch blijven het Gods geliefden krachtens
zijn uitverkiezing, omwille van de aartsvaders. 29 Want God kent geen berouw
over zijn genadegaven of zijn roeping. 30 Zoals u eertijds aan God ongehoorzaam
bent geweest, maar nu, dankzij hun ongehoorzaamheid, ontferming hebt
gevonden, 31 zo zijn zij op hun beurt nu ongehoorzaam geworden, ten gevolge
van de u betoonde ontferming, opdat ook zij nu ontferming zouden vinden. 32
Zo heeft God allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten, om allen in te sluiten
in zijn ontferming. |
25 Een betere vertaling geeft de
Kruijf: Ik wil u immers niet in onwetendheid laten over dit geheim opdat u
niet vanuit uzelf denkt te weten dat de verharding ten dele
over Israël gekomen is totdat de volheid van de volken is binnengegaan. Voor 'verstening' zie 11,7. Volheid duidt op de volheid der tijden
niet op 'grote massa'. Het geheim is niet de tijdelijke en gedeeltelijke verharding
van het uitverkoren volk maar Gods raadsbesluit (zie voetnoot Willibrord).
De verharding was zichtbaar, de gedeeltelijkheid ook en de tijdelijkheid
ligt al in de Schrift. 26 'tenslotte'
en 'heel' hebben het accent. 29 lett: "Onherroepelijk
immers zijn de genadegaven en de roeping van God". Nog zo'n daverende zin als in 8, 24. 30 "Zoals u
eertijds aan God ongehoorzaam was, maar nu, dank zij hún ongehoorzaamheid,
ontferming hebt gevonden, 31 zo zijn zij nu ongehoorzaam geworden -vanwege uw
ontferming -, opdat ook zij nu ontferming zouden vinden. 32 Zo heeft God allen in 31 't.g.v.' klopt niet
en 'hun' in 32 staat er ook niet. Het gaat om
(beider) ongehoorzaamheid niet om de Joodse. 32 Wat de vrome pater
bezielt om 'opgesloten' te
vertalen? … Er staat ingesloten,
dat geen negatieve bijbetekenis heeft. Ik zie het
beeld van een Vader die een stout kind toch op de schoot houdt, omarmd, totdat het is
uitgekuurd. 'allen' heeft het accent. |
4.3.4 onderdeel 4 Conclusie tweede deel; doxologie
onderdelen: 4.3.1 argument, 1 (on-)liefde; 4.3.2 argument 2, Geest; 4.3.3 argument 3, Schriftbewijs; 4.3.4 conclusie 2e
deel.
Lofprijzing van God
33 O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis ! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn
beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen ! 34 "Wie kent de gedachte van de Heer ? of wie is zijn raadsman geweest ? 35 of
wie heeft Hem (eerst) iets gegeven, en moest het Hem teruggegeven worden?" 36 Want
uit Hem en door
Hem en voor Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen !
(ter overweging; het loopt wel
eens raar in het leven)
4.4
Het derde deel Christelijke vervulling van de Wet 12,1 – 15,13 Desgewenst zie schema
onderdelen:
4.4.1 Liefde in de gemeente a)
broederliefde 12,1; intermezzo:
naar buiten?
2,17; b) liefde vervult de wet 13,8
4.4.2 Aanvaard elkaar 14,1
De Kruijf: Laten we nog eens de opzet en de opbouw van
de brief bezien. In het thema aan het begin van de brief hebben we drie
elementen gevonden (dit heb ik overgeslagen maar kijk nog eens naar 1,16 &
17):
- oorsprong (de gerechtigheid Gods zoals die zich in mensen
openbaart);
- doel (heil, geloof = trouw, leven);
- proces (geloof).
Gods gerechtigheid als oorsprong speelt in de hele brief
de hoofdrol. In het eerste deel (hfst.1 – 4) ligt vervolgens de nadruk op het proces van de
rechtvaardiging uit geloof, terwijl in het tweede deel (hfst.
5 – 11) de nadruk verschuift naar het doel: heil en leven. In dit derde deel
kijkt Paulus voortdurend uit naar het definitieve heil, naar de onvergankelijke
vrede. Maar het leven is reeds begonnen van af het
ogenblik op aarde waarop wij 'gerechtvaardigd' zijn. Als wij gerechtvaardigd
zijn, kan deze rechtvaardigheid niet uitsluitend betrekking hebben
eschatologische (het -evangelische - Rijk dat komende is) betekenis hebben.
Wij zijn gerechtvaardigd niet op grond van de Wet maar op grond van het evangelie. In het tweede deel duidt Paulus dan ook
telkens op wat nu reeds speelt: 'de genade waarin wij
zijn geplaatst' (5,2); 'de genade zal heersen door gerechtigheid tot eeuwig
leven' (5,21); 'wij zullen in nieuwheid van leven wandelen' (6,4);
'gehoorzaamheid tot gerechtigheid' (6,16); 'opdat wij vrucht dragen voor God'
(7,5); en vooral 'opdat de rechtmatige
aanspraak van de Wet vervuld moge worden in ons die niet naar het vlees maar naar
de Geest wandelen'(8,4). Maar Paulus kon dit niet eerder uitwerken zolang het
fundamentele mysterie van Israël nog niet was gesteld. Nu echter is het tijd op hfst. 8 - leven
volgens de Geest - terug te grijpen: 'Ik vermaan u dan …..'
(12,1). De vermaning is geen toevoeging maar een noodzakelijk onderdeel van de
brief, theologisch even noodzakelijk als de uiteenzetting van de vorige delen.
4.4.1 Onderdeel 1 liefde in de gemeente a) broederliefde 12, 1 Desgewenst zie schema
onderdelen: 4.4.1 Liefde in de
gemeente a) broederliefde 12,1; intermezzo: naar
buiten? 2,17; b) liefde
vervult de wet 13,8
4.4.2 Aanvaard elkaar 14,1
Toewijding aan God
|
12, 1 En nu, broeders en zusters, vermaan ik u bij Gods
ontferming: Wijd uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, Hem
welgevallig. Dat is de geestelijke eredienst die u past. 2 Stem uw gedrag niet af op deze
wereld. Word andere mensen, met een nieuwe gezindheid. Dan bent u in staat om
uit te maken wat God van u wil, en wat goed is,
welgevallig en volmaakt. |
Toewijding is zoiets als je hele
persoon inzetten. Niet meer de Joodse eredienst met dier-offers
maar je eigen lichaam, je dienst-gereedschap: je zelf ! 'geestelijk' kan tegenover
'dierlijk' staan maar mij lijkt belangrijker dat een mens iets kan bedoelen,
zich richten op, en dat hij zo 'eredient', Gods eer
dient. 2 Lett: "Wordt niet gelijkvormig aan de wereld maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw geest".(via de doop) |
|
3 Uit kracht van de genade die God mij
gegeven heeft zeg ik tegen ieder van u: Acht uzelf niet hoger dan u kunt
verantwoorden, denk over uzelf met bedachtzaamheid, ieder naar de maat van
het geloof dat God aan hem heeft toebedeeld. 4
Want zoals
het menselijk lichaam vele ledematen heeft en niet alle ledematen dezelfde
functie hebben, 5 zo vormen wij allen tezamen in
Christus één lichaam, en ieder afzonderlijk zijn wij elkaars ledematen. 6 De geestelijke gaven die wij
bezitten, verschillen naar de bijzondere genade die ieder van ons is
geschonken. Is het de gave van de profetie, gebruik die dan in
overeenstemming met het geloof. 7 Is het de gave van dienstbetoon of van lering,
leg u dan toe op dienstbetoon of onderricht. 8 Wie anderen kan bemoedigen,
moet dat doen. Wie iets heeft uit te delen, moet het zonder bijbedoelingen
wegschenken. Als u leiding geeft, doe het met ijver, als u barmhartigheid
bewijst, doe het blijmoedig. |
3b "Maar koestert gedachten gericht op bedachtzaamheid, zó als God
eenieder geloof heeft toebedeeld". Het gaat
niet om meer of minder geloof maar om hetgeen waar
ieder persoonlijk in gelooft, in wat hij kan doen in/voor die eredienst. Het geloof is de algemene genade en nu komen de
bijzondere, onderscheiden gaven aan de beurt. Die zich in verschillende
functies uiten. 'Charismata' zijn niet bedoeld. 7v Uit delen, leiding geven en barmhartigheid zijn
de 'sociale' taken. De maatstaf ligt niet in de tak zelf maar in de houding
waarmee. 8 'zonder bijbedoelingen': lett.
'eenvoudig', enkelvoudig, niet dubbel, ongecompliceerd, in harmonie. 'zonder
bijbedoelingen' is niet positief gezegd. Harmonie= sjaloom. |