4 Genesis
|
1 Wat
gaan we doen? 2.1 de bijbelse
verhalen 2.2 commentaar 2.3 andere verhalen |
4 Het
zondvloedverhaal 4.1 het hele verhaal |
5 Verdere lotgevallen van Abram 5.1
inleiding 5.4 de elementen van Genesis 15 6
Inbreng Genesis 3 (J.v.d.Heijden) |
Over een mogelijke indeling, opzet en bedoeling spreken we
later. Na de lange inleiding zijn we direct wat concreter begonnen met de scheppingsverhalen.
Het is niet de bedoeling het hele boek door te nemen maar slechts enkele
belangrijke hoofdstukken om feeling te krijgen met waar het om gaat.
De bijbelse verhalen
2.1
1
6 En God zei: “Er moet een uitspansel
zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.” 7 En God maakte het uitspansel;
Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde
het. 8 Het uitspansel
noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.
9 En God zei: “Het water onder de hemel moet naar
één plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.” Zo gebeurde het. 10 Het droge noemde God land, en het
samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was. 11 En God zei: “Het land moet zich
tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar
zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.” Zo gebeurde het. 12 En uit het land schoot jong groen
op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn
soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13 Het werd avond en het werd ochtend;
dat was de derde dag.
14 En God zei: “Er moeten lichten
zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten
als tekens dienen, voor zowel de feesten als voor de dagen en de jaren, 15 en als lampen aan het hemelgewelf
om de aarde te verlichten.” Zo gebeurde het. 16 God maakte de twee grote lampen, de
grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en
Hij maakte ook de sterren. 17
God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten, 18 om te heersen over de dag en over
de nacht, en om het licht van de duisternis te scheiden. En God zag dat het
goed was. 19 Het werd avond en
het werd ochtend; dat was de vierde dag.
20 En God zei: “Het water moet wemelen van dieren en
boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.” 21 Toen schiep God de grote
zeemonsters en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na
soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed
was. 22 God
zegende ze en Hij sprak: “Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk het water van
de zee, en laat de vogels talrijk worden op het land. 23 Het werd avond en het werd ochtend;
dat was de vijfde dag.
24 En God zei: “Het land moet levende wezens
voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde
beesten van allerlei soort.” Zo gebeurde het. 25 God maakte de wilde beesten op het land, soort na soort, de
tamme dieren, soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na
soort. En God zag dat het goed was.
26 En God zei: “Nu gaan Wij de
mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen
van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde
beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt. 27 En God schiep de mens als zijn beeld; als het
beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. 28 God zegende hen,
en God sprak tot hen: “Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en
onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht,
en over al het gedierte dat over de grond kruipt.
29 En God zei: “Hierbij geef Ik
alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan jullie, en alle bomen met
zaaddragende vruchten; zij zullen jullie tot voedsel dienen. 30 Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels van
de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan alles wat dierlijk leven
heeft, geef Ik al het groene gewas als voedsel.” Zo gebeurde het. 31 God bekeek alles wat Hij gemaakt
had, en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat
was de zesde dag.
2 1 Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles
waarmee ze toegerust zijn. 2 Op
de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij
rustte op de zevende dag van al zijn werk dat Hij verricht had. 3 God zegende de zevende dag en maakte
hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot
stand had gebracht.
4 Dit is de geschiedenis van het ontstaan van de
hemel en de aarde, zoals ze geschapen zijn.
(JHWH geschreven wordt uitgesproken als ‘de Heer’; de
Joodse gewoonte!)
Toen JHWH
God aarde en hemel maakte, 5
waren er op aarde nog geen wilde planten en groeide er geen enkel veldgewas,
want JHWH God had nog geen regen op de aarde laten vallen en er was nog geen
mens om de grond te bebouwen, 6
om het water uit de aarde omhoog te halen en de aardbodem te bevloeien. 7 Toen boetseerde JHWH God de mens uit
stof dat Hij van de aarde nam, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo
werd de mens een levend wezen.
8 Daarna legde JHWH God een tuin aan in Eden, ergens
in het oosten, en daarin plaatste Hij de mens die Hij geboetseerd had. 9 JHWH God liet uit de grond allerlei bomen
opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten. Midden in de
tuin stonden de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad.
15 Toen bracht JHWH God de mens in de tuin van Eden,
om die te bewerken en te beheren. 16
En JHWH God gaf de mens dit gebod: “Je mag van alle bomen in de tuin
overvloedig eten, 17 maar van de
boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten, want op de dag dat je
daarvan eet, zul je sterven.”
18 JHWH God sprak: “Het is niet goed dat de mens
alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past. 19 Toen boetseerde
JHWH God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en
bracht die bij de mens, om te zien hoe hij ze zou noemen: zoals de mens ze zou
noemen, zo zouden ze heten. 20
De mens gaf dus namen aan alle tamme dieren en aan alle vogels van de lucht, en
aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet. 21 Toen liet JHWH God de mens in een
diepe slaap vallen; en terwijl hij sliep, nam Hij één van zijn ribben weg en
zette er vlees voor in de plaats. 22
En JHWH God vormde de rib die Hij uit de mens had weggenomen tot een vrouw, en
bracht haar naar de mens. 23
Toen zei de mens:”Eindelijk, dit is been van mijn gebeente en vlees van mijn
vlees! Mannin zal zij heten, want uit een man is zij genomen.”
24 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder
verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één zijn. 25 Ze waren beiden naakt, de mens en
zijn vrouw, maar ze voelden geen schaamte voor elkaar.
a) over het 1e en 2e verhaal
Het 1e verhaal, Gen 1,1 - 2,4a, verschilt nogal
van het 2e. Het 2e lijkt een uitvergroting van het 1e
maar dat klopt niet. De volgorde in het ontstaan van de schepping is anders. In
het 1e verhaal ontstaat na de ordening eerst de vegetatie op het
land, daarna wat in het water groeit en in de lucht leeft, vervolgens de dieren
op land en dan de mens. In het 2e verhaal begint JHWH met de mens,
vervolgens de heerlijke tuin en dan pas de dieren als gezelschap voor de mens.
In het 2e verhaal herkenden we meer de zorg
voor de mens, JHWH is veel liever (‘Onze Lieve JHWH’) dan G 0 D, Hij is
verbonden met de mens, dichtbij (zoals ook in de Vertelling van Andriessen
beschreven wordt), Hij boetseert en zoekt een hulp die bij de mens past. JHWH
legt iets van zichzelf in die hulp.
Het 1e verhaal is kosmisch, is plechtig, een
beetje ‘van boven af’, heel principieel: punt van uitgang is dat G 0 D hemel en
aarde geschapen heeft. Het tweede principe is dat HijZ licht maakt en
daarmee orde, inzicht mogelijk maakt, en dat HijZ orde brengt in chaos door
scheiding van licht en duisternis, en het derde dat HijZ het oerwater scheidt
m.b.v. de hemel en vervolgens de aarde ordent, die gekenmerkt wordt door vegetatie. Daarna
komen de invullingen met lampen, dan met wat onder de grond is (in het water)
en daarna met wat boven de grond is (in de lucht), keurig geordend. De
schepsels die zich kunnen bewegen worden gezegend en zullen vruchtbaar zijn.
Als G 0 D de mens gaat maken spreekt HijZ in de 1e persoon. Dit
duide op een persoonlijke verbondenheid met de mens (hetgeen
het 2e verhaal ook, maar anders, laat blijken.)
In vs 27 driemaal het woord ‘schiep’, uitdrukkelijk en
plechtig. Man en vrouw samen zijn beeld en gelijkenis van G 0 D: de mens is van
goddelijke adel. (Zo verheven spreekt het 2e verhaal niet.) "En zie, God
zag dat het zeer goed was."
Opm. Misschien is het opgevallen dat voor het principe
Licht en het principe aarde nadere invullingen worden gegeven: zon, maan en
sterren (vs 14vv), en dieren in de zee en op het land
(vs 20vv), maar voor het land wordt die invulling meteen gegeven. De vegetatie
zit -anders dan dieren - vast aan (in) de grond; waarschijnlijk wordt ze daarom
niet nog eens genoemd bij verdere invulling; dan zou het een standpunt kunnen
zijn nl. dat het land principieel plantdragend is.
De realiteit is en was natuurlijk anders: die verhalen zijn (historisch) niet-waar. De schrijvers willen geen ‘meetbare’, op waarnemingen gebaseerde en beredeneerde, ontstaanstheorie geven want de redacteur(en) zet(ten) twee onderling verschillende verhalen naast elkaar. Zonder gevoel voor geloofsverhaal, symboolverhaal, kun je de bijbel niet lezen. De schrijver wil iets duidelijk maken. Daarin is het verhaal waarachtig, liegt het niet. Omdat de schepping zich ontwikkelt, alles verandert, moet er een begin zijn; wij kunnen het ons niet anders voorstellen. Maar het eerste verhaal gaat er van uit dat de menselijke vraag ‘Hoe is het gekomen?, ‘Wat is het begin?’ buiten ons vermogen ligt en het belijdt dat er een ‘Macht’ is die dat heeft veroorzaakt. Inzake het tweede verhaal vonden wij dat als fundamenteel standpunt duidelijk werd gemaakt dat de mens is bestemd voor het goede, dat hij in het paradijs thuis hoort en dat menselijk gesproken aards paradijs wil zeggen dat bijna alles mag en goed is.
Maar we weten ook dat dat paradijs niet reëel is, nooit reëel is geweest, maar wel als verlangen in ons leeft. Een oerverlangen - dus vooraan in de bijbel. Onvolmaaktheid en het kwaad bestaan naast het goede. Ook al wil de mens goed zijn, hij faalt en zit gevangen in een web van onmacht. Dat zou je erfzonde kunnen noemen. De enige weg om toch het paradijs zo goed mogelijk waar te maken, reëel te houden, is vergeving (N.T!). Zo is dat verhaal ook ons verhaal, is Adam iedere mens, nog steeds. Het paradijsverhaal is een symboolverhaal dat we herkennen en waaraan wij ons kunnen optrekken.
(Voor de zekerheid: vergeving, zeker in kwetsende
gevallen, is pas ter zake als
de misdoener om vergeving vraagt -
Lc 17,3v. Je hoeft hem niet na te lopen !)
"In het begin ..." In de hebreeuwse tekst staat het lidwoord ‘het’ niet. Het is dus
de vraag of er een (geschiedkundig) begin van iets wordt bedoeld. De vertaling
"Beginnelijk ..." , "In beginsel schiep
GOD ..." zet ons op het spoor van een
beginselverklaring: punt van uitgang is dat GOD hemel en aarde geschapen heeft.
Dat is een verschrikkelijk fundamentele geloofsbelijdenis, een overstap van
a-materiële geest (God) naar materie. Het is een hele stap voor de (materiële)
mens om dat te zien. Over
de vertaling "God scheidde de hemel en de aarde" zie in 2.3 en 2.4
Het betreft niet alleen de schepping in
het algemeen maar ook mijzelf: ik ben afhankelijk van, begonnen met God,
ook al leken het maar twee celletjes. Afhankelijk, niet alleen dat ik er ben,
ook hoe ik ben. Als ik met mijn God te maken heb, als ik bid, ben ik in ieder
geval bezig met Die, die mij gemaakt heeft, die met mij te maken heeft, wil
hebben. Dat moge een startpunt zijn, ook voor het
lezen van de bijbel. Zowel het 1e als
het 2e verhaal staan
lijnrecht tegenover de idee dat de mens nergens vandaan komt en nergens naar
toe gaat. Dat noem ik een geloofsbelijdenis.
Johannes begint zijn evangelie ook zo: "In principio
..." Als je vertaalt
"In het begin was het Woord" (in het Latijn kan dat
omdat het geen lidwoord kent), impliceer je dat God een begin heeft en dat
heeft HijZ niet. Daarom: ‘Punt van uitgang is dat ...’
Ook in het Grieks staat net als in het hebreeuws geen
lidwoord, dat beide talen wél kennen.
M.a.w. we moeten het 1e scheppingsverhaal als geloofsuitspraak
zien en niet als scheppingsgeschiedenis. Dat zit er nogal in gebakken. De
Willibrord '95 begint vs 3 met "Toen …".
Daarvoor biedt het hebreeuws geen (dwingende) reden
maar het geschiedenis-verstaan ("In het begin..") misleidt
daartoe. Natuurlijk vindt geloof en heil plaats onder mensen, die nu eenmaal
geschiedenis hebben. Maar de bijbel is primair een
geloofsboek, een verhaal van menselijke ervaring met Wie zij hun God noemen. Ga
je dan ook niet zeggen: een verhaal van God met wie HijZ Zijn mensen noemt?
‘Gods Geest’ van 1,2 is niet hetzelfde als ‘levensadem’ van 2,7 ook al blaast JHWH die in. Je kunt bedenken dat het leven op zich, ook de mens, niet van(zich)zelf over Gods Geest beschikt; dan zou hij god zijn. Het schepsel krijgt Gods Geest, op verzoek. Die twee verschillende hebreeuwse woorden (Gods Geest - levensadem) worden evenwel niet consequent in dezelfde betekenis gebruikt.
Zweeft de Geest niet meer over de wateren? Ook in het O.T.
is de Geest actief en wat mij betreft is Hij het nog steeds. Maar dat duidt er
dan op dat de Geest voortdurend bezig is met de Schepping, ook met mijn zijn en
mijn er-zijn. "...onttrekt Gij hun de adem, zij sterven ... zendt ge uw ademtocht, zij ontstaan" (ps. 104,29v). God houdt
mij in Zijn Hand, onderhoudt mij en Zijn Schepping.
De hebreeuwse tekst ‘en GOD zag
dat het goed was’ kun je ook vertalen ‘GOD zag hoe goed het was’.
In vs 14 wordt over feesten
gesproken. Priesters moesten bepalen of een feestdag was aangebroken bijv.
a.d.h. van de sterrenstand. Op zo’n dag werd geofferd,
hetgeen ook hun belang was. Maar wat ook meetelt is dat de
Jood een ‘Sjabbatskind’ mag zijn: feest hoort bij hem; niet alleen maar het
werk.
Vs 26: mensen hebben dit van zichzelf
durven/kunnen/mogen zeggen! 'Beeld' kun je opvatten als doel, 'gelijkend' als middel, 'gereedschap', om dat
doel te bereiken. M.a.w. we kunnen naar God streven. Dat ligt in ons.
In vs 28 staat niet dat ze zo talrijk mogelijk
moeten zijn; hetgeen vroeger wel is gedacht.
Vs 29 en 30: de zaadvormende gewassen en zaaddragende
vruchten zijn voor de mens en het (gewone, wel groene) gewas is voor de dieren.
Er zou onkunde in het spel kunnen zijn maar zinvoller lijkt mij te zien dat
hiermee de mens op verantwoordelijkheid wordt aangesproken: hij is degene die door
met vruchtbaarheid te werken de schepping voortzet, kan beïnvloeden, kan
manipuleren, misschien wel kan vernietigen (ofschoon me dat een hele klus
lijkt). Hij heeft -zelf deel van de kosmos - een speciale relatie met de
schepping.
Het getal zeven speelt een belangrijke rol: zeven dagen,
zeven maal wordt het hebreeuwse woord ‘scheppen’ en
‘maken’ gebruikt. Het is heel tekenend dat de schrijvers de weekdagen, de
weekcyclus, als ‘tijdsduur’ voor de schepping genomen hebben. Zie getallensymboliek
onder 'Bijbelse begrippen".
Het 2e verhaal is,
anders dan het 1e verhaal, het begin van een langer stuk dat verscheidene
hoofdstukken omvat. (zie '3 De opzet van Genesis') Het 1e verhaal
vergelijken met het 2e is dus enigszins onjuist.
In vs 5, 9 en 15 wordt de relatie
mens - natuur nog duidelijker geplaatst: hij is niet alleen deel ervan, hij
moet het veld cultiveren, om het voedsel zodat de schepping door kan gaan.
Vs 9: er zijn twee bomen in het spel: die van de kennis en
die van het leven. De mens vergreep zich wel aan die van de kennis van goed en
kwaad maar voordat hij dat met die van het leven zou doen werd hij uit het
paradijs gezet (Gen 3,22v). Ik zie als betekenis van de kennisboom dat de mens
zelf zou bepalen wat goed of kwaad is. (Dat is iets anders dan de vraag of hij
zich iets aantrekt van het goede of kwade.) Die van de levensboom - dat de mens
niet aan het levensbeginsel mag komen; kan komen.... ? Als hij er niet aan
kan komen volgens deze Joodse geloofsbelijdenis, en het blijkt dat de mens dat
wel kan, dat de mens leven kan maken, is die geloofsbelijdenis niet geldig. Ik
zie niet dat de mens inderdaad zelf leven kan maken maar het zou wel een heel
fundamenteel punt zijn voor onze samenleving. Als de betekenis is dat mens het
wel kan maar niet mag, dan spreekt eerbied voor de levende God eruit.
Vs 10vv geven een locatie aan het paradijs (dat nooit zo heeft bestaan)
m.i. om aan te geven dat het toch op aarde gebeurde, moet gebeuren (niet later
in de hemel) en zij geven ook aan hoe mooi het allemaal was (zou moeten zijn).
Vs 17: later blijkt dat de mens niet op
die dag sterft (Gen 3) zoals wij dat nu verstaan; wellicht wordt bedoeld dat
zijn puurheid, zijn Godskindheid, zijn schuldeloosheid, onbevangenheid e.d.
sterft en vanaf dan verlangen 'knaagt', hoop nodig is, die eerder niet eens
terzake was. Dat kun je zonde vinden van zijn
paradijselijkheid - je kunt het ook zondetoestand
noemen.
Vs 18: de verteller zegt dat zijn hunkering naar de ander
door JHWH in de mens is gelegd. Is dat ook niet een geloofsbelijdenis
?
Vs 22: er zijn misschien nog personen die dit gebruiken om
bijbels te legitimeren dat zij de vrouw niet aankunnen
of die zich handhaven door te stellen dat de vrouw de tweede was in de
scheppingsorde…
Vs 22 die rib is niet alleen een stuk been van Adam,
behorend bij zijn gebeente, stevigheid, wezen, maar ook een deel van zijn
ademhalingsmechanisme …
Vs 23: nu spreekt de hebreeuwse
tekst pas van ‘man’ en ‘vrouw’ (mannin). Tot nog toe was het ADAM - mens - ,
die de ADAMA bebouwt, en die DAM - (levens)bloed - heeft. Zo blijkt uit hebreeuwse woordspelingen de betrokkenheid van mens - natuur
- leven (ook dat van de medemens!). Dat zijn heilige levenszaken. De adama mag niet ontheiligd worden door het (onschuldige)
bloed van een medemens. Vlees waar nog bloed in zit (verstikt), mag niet
gegeten worden.
Vs 24: je kunt een aanwijzing zien over de onverbreekbaarheid van het huwelijk; je kunt ook denken dat de gewoonte dat de man zijn ouders verlaat godsdienstig wordt gerechtvaardigd en de eenheid van man en vrouw zo nog eens godsdienstig wordt gefundeerd.
Opm: Over
Genesis 1 heb ik nog wat toegevoegd
Verhalen van andere volken 2.3
Tenslotte hebben we een paar scheppingsteksten van andere volken bekeken.
1 Uit het
Sumerische epos “Gilgames, Enkidu en de onderwereld”:
Op die
dag, die verre dag,
in die nacht, die lang voorbije nacht, in dat jaar, dat lang
geleden.jaar,
toen de bloemen op goddelijk bevel ontloken,
toen de bloemen naar goddelijke beschikking in de aarde werden
geplant, toen ieder ding aan de voorraad van het land Sumer werd toegevoegd,
toen het vuur in de haard van het land Sumer ontstoken werd, toen de hemel van
de aarde gescheiden was, toen de aarde van de hemel was afgedaald, toen het
zaad van de mensen werd gesticht toen An zich de hemel had uitverkoren, toen
Enlil zich de aarde uitgekozen had,
toen aan Ereskigal de onderwereld was toevertrouwd….
2 Sumerische hymne op de ‘hak’:
De Heer
schiep voorwaar de juiste orde,
de heer, wiens beslissingen onveranderlijk zijn.
Enlil
haastte zich de hemel van de aarde te scheiden
zodat het zaad, waaruit het volk
opgroeide, op het veld kon ontspruiten.
ja, hij voltrok de scheiding tussen
hemel en aarde,
knoopte voor de aarde de spleet dicht in
‘de verbinding van hemel en aarde’,
zodat uit de Uzu-e (=voortbrenger van
het vlees) de eerste mensen konden ontstaan.
Hij liet, toen het daglicht
verscheen, de hak ontstaan,
stelde de plichten vast - doen en laten
van de hakzwaaier,
opdat deze zijn arm naar hak en
korf zou uitstrekken.
Daarna hief Enlil het lofgezang op
de hak aan.
3 Uit Egypte (fragmenten):
... de
negenvuldigheid (d.i. de lagere goden, die de schepper ter zijde staan) zijn de
tanden en de lippen van deze mond, die de namen van alle dingen noemde, waaruit
Su en Tefnut voortgekomen zkin, die de negenvuldigheid geschapen heeft. Het
zien van de ogen, het horen van de oren, het ademen van de neus, zij geven
bericht door aan het hart. Het is het hart, dat iedere kennis doet ontstaan, en
het is de tong, die herhaalt wat door het hart is gedacht.
Zo werden
alle goden geschapen, en zo werd hun negenvuldigheid voltooid. leder goddelijk woord immers ontstond uit wat door het hart
was gedacht en door de tong werd bevolen... Zo werden alle werkzaamheden
verricht en alle handenarbeid, het doen van de handen en het gaan van de voeten
en de beweging van alle ledematen overeenkomstig dit
bevel dat door het hart wordt uitgedacht en door de tong uitgesproken...
Vervolgens rustte Pta, nadat hij alle dingen en alle goddelijke woorden had
gemaakt.
4 Uit Egypte; de god
Re beschrijft zijn schepping:
... ik
ben het die de aarde gemaakt en de bergketenen aaneengeknoopt heeft.
Ik ben
het die de wateren heeft gemaakt, zodat de hemelkoe (de hemel, die zich
boven het water verheft) ontstond.
Ik ben
het die de stier heeft gemaakt voor de runderkudde, zodat de liefdesvreugde in
de wereld kwam.
Ik ben
het die de hemel heeft gemaakt en de geheimen van de beide horizonten,
opdat de zielen der goden erin wonen.
Ik ben
degene die zijn ogen opent, zodat het licht wordt, en die zijn ogen sluit,
zodat het donker wordt;
op wiens bevel de stromen van de Nijl voortvloeien, wiens
naam de goden evenwel niet kennen.
Ik ben
het die de uren schept, opdat de dagen worden.
Ik ben
het die de nieuwjaarsfeesten maakt en die de overstromingen schept...
was dat de
Egyptische scheppingsgod Pta ook sprak en het er dus was,
‘door het hart uitgedacht en door de tong uitgesproken’. Hebben mensen ook niet
zo iets? Wij denken iets en doen het: ik denk/wil ‘arm beweeg’ en het
gebeurt. Dus de stap van a-materieel naar materieel zit ook in ons! Re
is het die zijn ogen opent zodat het licht wordt: dat ging dus nog steeds door
in hun mythisch bewustzijn!
Ontbreekt zo iets bij ons niet?
In het Sumerische epos wordt de hemel van de aarde
gescheiden: in oorsprong, in principe, zijn ze één! In de hymne op de hak verbindt Enlil
hemel en aarde. (Wie
meer wil weten over dit soort teksten kan terecht bij W.Beyerlin
‘Godsdiensthistorisch tekstboek rond het O.T.’; KBS.)
Dat zijn dingen die je in de linnenkast kunt leggen tussen
de mottenballen; je kunt ze ook in je zak steken en bij je houden. Het gaat om
een groot religieus inzicht en een erfgoed dat door de verschillende volken
verschillend wordt verduidelijkt. Zonder het
religieuze geen geloof.
In Israël hebben twee tradities, twee groepen mensen hun
visie gegeven op de schepping; de ene is de priesterlijke traditie, de andere
de Jahwist. De Priester is rituele voorschriften gewend, hij ordent, kent de (feest)kalender uit de stand aan de sterrenhemel (vast in
Egypte of Babylon geleerd; joodse priesters komen pas na de uittocht naar voren
- Aäron, Levieten), spreekt plechtige taal die een beetje lijkt op hoe Pta
spreekt. De Jahwist spreekt wat meer zoals de andere goden. Beide
scheppingsverhalen zijn waarachtig, ze vullen elkaar aan. De grootste bok die
je kunt schieten is ze als historisch waar te zien.
De twee verhalen riepen verschillende reacties op. De een
hield het meer op het 1e, de ander zag het 2e meer zitten. Dus is het maar goed
dat er twee verhalen zijn.
Nu de vertaling "God scheidde hemel en aarde",
die prof. Van Wolde voorstelt. De taal-argumenten daartoe zijn de moeite waard.
En ook misstaat het de bijbel niet dat ze aansluit bij
andere oude visies en teksten. Maar dan zijn die eerste twee
bovenstaande teksten in 2.3 wel zo verhelderend: de aarde werd van de hemel gescheiden, de aarde daalde
uit de hemel neer; zodat het zaad kon ontspruiten. Ik zie daarin de idee
dat materie ontstaat omdat 'het' van de hemel werd gescheiden; los van
onstoffelijkheid wordt stof zintuiglijk waarneembaar. Is er dan veel verschil
met de opvatting 'schepping uit het niets' ? De hemel
is immaterieel en kun je dan nog wel zeggen dat ze is geschapen, heeft ze niet
altijd bestaan? Moet ze dan niet eerder Gods 'Woning'
worden genoemd, Zijn Toestand, Zijn Zijn?
Tja, ach, in de hemel zien we wel verder. We kunnen ons nu nog verdiepen
in Kol 1,15vv; blijft
indringend.
Als we
naar de godsnaam kijken in de eerste hoofdstukken van Genesis krijgen we het
volgende:
|
Hoofdstuk |
Onderwerp |
Traditie |
|
1e |
schepping |
P(riester) ‘Elohiem’ als
godsnaam (majesteitsmeerv.v.Eel) |
|
2e |
schepping |
J(ahwist) ‘JHWH’ als
godsnaam |
|
3e |
zondeval |
J |
|
4e |
Kaïn - Abel |
J |
|
5e |
geslachtslijst |
P
de ordening, inkadering van
J met P duidt
ook op P |
|
6e |
zondvloed |
P en J door elkaar; soms G O D
(Elohiem) soms JHWH |
|
7e |
||
|
8e |
||
|
9e tot vs 20 |
||
|
10e |
volkenlijst |
P als bij
geslachtslijst, nu voor de (= alle andere) volken |
|
11e tot vs 10 |
Babel |
J hoe het
gekomen is dat mensen verschillend zijn |
|
11e na vs 10 |
geslachtslijst |
P de
nakomelingen van Sem; Semieten; richting Abram |
U ziet dat de Priester zich heeft gemengd in de
J-traditie. Hij zet zijn scheppingsverhaal vooraan en zodra door de Jahwist de
‘condition humaine’ (zie Inbreng Genesis 3) met het 4e hoofdstuk
voldoende is verhaald, ordent hij weer met een geslachtslijst. Er is dus sprake
van compositie door de definitieve redacteuren, mensen zijn er mee bezig
geweest. In het bijbelpanorama is te zien dat de Jahwist begint in ca 960
begint (aan het hof) en P pas begint te schrijven in ca 500. De definitieve
redactie van de Tora dateert van ca 400. Later zullen we ook aan de hand van
teksten zien dat je inderdaad P en J kunt onderscheiden.
De eerste 11 hoofdstukken van Genesis verhalen het begin,
het ontstaan in het groot geheel, ‘waar kom ik vandaan?’. Daarna gaat het
vooral over het joodse volk. Het lijkt dus wel een inzoomen vanuit het grote geheel, de hele schepping,
naar dat kleine groepje mensen, van Adam naar Abram. Na hoofdstuk 11 beginnen
de verhalen van de aartsvaders, Abram, Isaak en Jacob; hoe ze tenslotte in Egypte terecht zijn gekomen. Want daar zat de
pijn waardoor alles is begonnen, waarna Israël Zijn heiligdom werd (Ps
114,1.2). Bij de uittocht was organisatie nodig en dat werd wellicht de aanzet
tot de godsdienstige vorm van het Joodse geloof.
Maar je kunt even goed zeggen dat die hoofdstukken
fundamenteel de menselijke situatie weergeven:
- ‘waar kom ik vandaan?’: van God;
- 'hoe ben ik, waarvoor ben ik bedoeld?':
voor het paradijs;
- 'gaat dat dan niet?': nee, zie het eten van de appel, de
broeder-moord, de slechtheid van de mensen ten tijde van Noach en de hoogmoed van Babel;
- 'is er geen uitzicht ?': ja na
de zondeval in het paradijs is er de belofte, na de broedermoord het
beschermende teken, na de zondvloed de regenboog en na Babel begint het
verlossingsverhaal voor het Joodse volk, via hen voor de wereld.
4 Het zondvloedverhaal
In dit verhaal is goed te zien dat er twee tradities zijn
en hoe die in elkaar zijn gevlochten. Dus eerst
Het
hele verhaal 4.1, hoofdstuk
6, (vanaf v5) en 7, 8 en 9:
6 5 JHWH zag
hoezeer de slechtheid van de mensen op de aarde was toegenomen, en hoezeer de
begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging. 6 Daarom kreeg Hij spijt dat Hij de
mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om. 7 En JHWH zei: ‘Ik ga de mens die Ik
geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee, en de
kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt
heb.’ 8 Alleen Noach vond genade in de ogen van JHWH.
9 Dit is
de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef temidden
van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God. 10 Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham
en Jafet. 11 De aarde was voor
de ogen van G O D verdorven en vol gewelddaden. 12 God zag hoe bedorven de
aarde was, want alle mensen op de aarde waren het verkeerde pad ingeslagen.
7 1 JHWH
zei tegen Noach: ‘Ga in de ark met heel uw familie, want van deze generatie
bent u de enige die in mijn ogen rechtschapen is. 2 Neem van alle reine dieren
zeven paar mee, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren
één paar, telkens een mannetje en een wijfje; 3 ook van de vogels in de lucht
zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult u hun soort
instandhouden op de hele aarde. 4 Want
over zeven dagen laat Ik het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig
nachten, en Ik ga alles wat bestaat, alles wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem
wegvagen.’ 5 En Noach deed alles wat JHWH hem opgedragen had. 6 Noach was
zeshonderd jaar toen de vloed over de aarde kwam. 7 Om zich te beschermen tegen
het water van de vloed gingen Noach, zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van
zijn zonen, de ark binnen.
8Van de reine en van de onreine dieren,
van de vogels en van al wat over de grond kruipt, 9 kwamen er telkens twee, een
mannelijk en een vrouwelijk dier, bij Noach in de ark, zoals G O D opgedragen
had. 10 En op de zevende dag stortte het water van de vloed over de aarde neer.
11 Het
was in het zeshonderdste levensjaar van Noach, de zeventiende dag van de tweede
maand; op die dag braken alle bronnen van de diepte los, de sluizen van de
hemel gingen open, 12 en regen viel op de aarde, veertig dagen en veertig
nachten achtereen. 13 Op diezelfde dag ging Noach de ark binnen met Sem, Cham
en Jafet, de zonen van Noach, en met zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn
zonen; 14 en samen met hen kwamen ook al de verschillende soorten wilde
beesten, al de verschillende soorten tamme dieren, al de verschillende soorten
kruipende dieren, al de verschillende soorten vogels, al het gevogelte, alles
wat vleugels heeft. Van alle levende wezens kwamen er telkens twee bij Noach in
de ark. 16 Er kwamen mannelijke en vrouwelijke dieren, van alle levende wezens,
zoals G O D had opgedragen. En JHWH deed de deur achter hem dicht. 17 Veertig
dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark
op, tot hoog boven de aarde. 18 Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde
te staan, en de ark dreef op het water. 19 Het water bleef zo toenemen op de
aarde, dat het al de hoge bergen onder de hemel bedekte. 20 Vijftien el
daarboven steeg het water, zodat het de bergen bedekte. 21 Alle levende wezens
die zich op de aarde bewogen, vogels, tamme en wilde dieren, en alle dieren die
over de grond kruipen, en ook alle mensen kwamen om. 22 Alles wat levensadem in
zijn neus had, alles wat op het droge leefde, vond de dood. 23 Alles wat op de
aardbodem bestond werd vernietigd: de mensen, de viervoetige dieren, de
kruipende dieren en de vogels in de lucht werden van de aarde verwijderd.
Alleen Noach en degenen die bij hem in de ark waren, bleven in leven. 24 Het
water bleef stijgen op de aarde, honderdvijftig dagen lang.
8 1Toen
dacht G O D aan Noach en aan al de wilde en tamme dieren die bij hem in de ark
waren. En G O D liet een wind over de aarde gaan, waardoor het water begon te
zakken. 2 De bronnen van de diepte en de sluizen van de hemel werden gesloten,
en de regen uit de hemel hield op. 3 Het water vloeide langzaam van de aarde
weg. Na verloop van honderdvijftig dagen begon het te minderen. 4 Op de zeventiende dag van de zevende
maand kwam de ark op de bergen van Ararat te liggen. 5 Het water nam
geleidelijk af tot de tiende maand; op de eerste dag van de tiende maand werden
de toppen van de bergen zichtbaar.
6 Na
verloop van veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had
aangebracht. 7 Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen tot het
water op de aarde was opgedroogd. 8 Toen liet hij een duif los, om te zien of
het water al van de aardbodem was weggestroomd. 9 Maar de duif vond geen plek
waar zij haar pootjes kon neerzetten, en keerde bij hem terug in de ark; want
het water bedekte nog heel de aardbodem. Noach stak zijn hand uit, pakte de
duif en haalde haar weer bij zich in de ark. 10 Nu wachtte hij nog eens zeven
dagen, en liet opnieuw een duif uit de ark los. 11 Toen de duif tegen de avond
bij hem terugkwam, met een groen olijfblad in haar bek, begreep Noach dat het
water van de aarde weggezakt moest zijn. 12 Hij wachtte nog eens zeven dagen,
en liet opnieuw een duif los; maar deze duif keerde niet meer bij hem terug.
20 Toen
bouwde Noach een altaar om JHWH te eren; hij deed een keuze uit de reine dieren
en uit de reine vogels, en droeg op het altaar brandoffers op. 21 JHWH rook de
aangename geur en zei bij zichzelf: ‘Ik zal de aardbodem nooit meer vervloeken
vanwege de mensen: het hart van de mens is immers van jongs af geneigd tot het
kwade. Ook de andere levende wezens zal Ik nooit meer treffen, zoals Ik nu
gedaan heb. 22 Zolang de aarde bestaat, blijft er zaaitijd en oogsttijd,koude en hitte, dag en nacht, zomer en winter. Nooit houdt
dat op.’
9 1 Toen zegende G O D Noach met
zijn zonen, en zei tegen hem: `Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de
aarde. 2 Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij
alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in
de zee; ze zijn onder uw heerschappij gesteld. 3 Alles wat leeft en beweegt zal
u tot voedsel dienen; Ik schenk u dat allemaal naast het groene gewas.4 Alleen
vlees met de ziel - vlees met het bloed er nog in - mag u niet eten. 5 Ook uw
eigen bloed zal Ik terugeisen: van alle dieren zal Ik het terugeisen en ook van
de mensen, van de mensen onderling zal Ik het leven van de mens terugeisen.
6 Het
bloed van degene die het bloed van een mens vergiet,
zal door mensen worden vergoten,
want de mens is gemaakt naar het beeld van God.
7 Wees
vruchtbaar en word talrijk,
bevolk de aarde en word er talrijk.'
viervoetige
dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, alle dieren die uit de ark
zijn gekomen, alle dieren van de aarde. 11 Ik sluit met u mijn verbond, dat
nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid,
en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.'
12 En G O
D zei: `Dit is het teken van het verbond, dat Ik sluit tussen Mij en u, en alle
levende wezens die bij u zijn, voor alle generaties. 13 Ik
zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij
en de aarde. 14 Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak, en de boog in de
wolken zichtbaar wordt, 15 dan zal Ik denken aan het verbond tussen Mij en u en
alle levende wezens, aan alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer
aanzwellen tot een vloed, om alles wat leeft te verdelgen. 16 Als de boog in de
wolken staat, zal Ik hem zien en daarbij denken aan het altijddurend verbond
tussen G O D en alle levende wezens, alles wat op de aarde leeft.' 17 En G O D
zei tegen Noach: `Dat is het teken van het verbond dat Ik heb gesloten tussen
Mij en alles wat leeft op de aarde.'
18 De
zonen van Noach die met hem uit de ark gekomen waren, heetten Sem, Cham en Jafet;
Cham is de vader van Kanaän. 19 Deze drie waren de zonen van Noach, en door hen
werd de hele aarde bevolkt. 28 Noach leefde na de vloed nog driehonderdvijftig
jaar 29 De levensduur van Noach bedroeg negenhonderdvijftig jaar. Toen stierf
hij.
Net als bij de scheppingsverhalen waren we niet allemaal
even enthousiast over het verhaal. Moet dat nou zo verteld worden
? De bedoeling is wel duidelijk maar dat allesvernietigende dan ? Tja, het verhaal van de oosterling, de Jood, ligt er.
Wij zouden het wellicht anders brengen. Het vraagt dus weer een omschakeling in
(cultuur)denken. We komen hierop nog terug.
Als je het verhaal argeloos leest, valt het niet zo op
maar bij nadere beschouwing vraag je je af waarom de zondigheid van de mensen
zo herhaald moet worden; waarom de ene keer één paar van ieder soort dier
ingescheept moet worden (6,19) en de andere keer zeven paar (7,2), de ene keer
regent het 40 etmalen, de andere keer komt het water van boven én beneden
(7,11.12), waarom in 7,17 het water steeg, in v18 steeg en in v19 nog eens,
waarom de duif van 8,9 geen vaste grond kon vinden op de toppen van de bergen
van v5, waarom Noach in 8,13 pas zag dat het droog was terwijl dat door de duif
allang duidelijk was geworden, waarom de ene keer god JHWH (de Heer) heet en de
andere keer G O D (Elohiem), waarom het verbond met Noach twee maal wordt
gemeld. Als we het verhaal in de twee tradities splitsen wordt dat duidelijk.
Als criterium voor de splitsing hebben we de Godsnaam aangehouden. Niettemin
kan het best zijn dat iemand een bepaald vers toch bij de andere traditie zet
en doublures accepteert. Het gaat nu om het principe van twee tradities.
6 5 JHWH zag
hoezeer de slechtheid van de mensen op de aarde was toegenomen, en hoezeer de
begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging. 6 Daarom kreeg Hij spijt dat Hij de
mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om. 7 En JHWH zei: ‘Ik ga de mens die Ik
geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee, en de
kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt
heb.’ 8 Alleen Noach vond genade in de ogen van JHWH.
7 1 JHWH
zei tegen Noach: ‘Ga in de ark met heel uw familie, want van deze generatie
bent u de enige die in mijn ogen rechtschapen is. 2 Neem van alle reine dieren
zeven paar mee, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren
één paar, telkens een mannetje en een wijfje; 3 ook van de vogels in de lucht
zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult u hun soort
instandhouden op de hele aarde. 4 Want
over zeven dagen laat Ik het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig
nachten, en Ik ga alles wat bestaat, alles wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem
wegvagen.’ 5 En Noach deed alles wat JHWH hem opgedragen had.(6 Noach was
zeshonderd jaar toen de vloed over de aarde kwam.) 7 Om zich te beschermen
tegen het water van de vloed gingen Noach, zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen
van zijn zonen, de ark binnen. (8 Van de reine en van
de onreine dieren, van de vogels en van al wat over de grond kruipt, 9 kwamen
er telkens twee, een mannelijk en een vrouwelijk dier, bij Noach in de ark,
zoals G O D opgedragen had.) 10 En op de zevende dag stortte het water van de
vloed over de aarde neer. 16c En JHWH deed de deur
achter hem dicht. 17 Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het
water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde, 18b en de ark dreef (veilig)
op het water. 22 Alles wat levensadem in zijn neus had, alles wat op het droge
leefde, vond de dood.
8 6 Na
verloop van veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had
aangebracht. 7 Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen tot het
water op de aarde was opgedroogd. 8 Toen liet hij een duif los, om te zien of
het water al van de aardbodem was weggestroomd. 9 Maar de duif vond geen plek
waar zij haar pootjes kon neerzetten, en keerde bij hem terug in de ark; want
het water bedekte nog heel de aardbodem. Noach stak zijn hand uit, pakte de
duif en haalde haar weer bij zich in de ark. 10 Nu wachtte hij nog eens zeven
dagen, en liet opnieuw een duif uit de ark los. 11 Toen de duif tegen de avond
bij hem terugkwam, met een groen olijfblad in haar bek, begreep Noach dat het
water van de aarde weggezakt moest zijn. 12 Hij wachtte nog eens zeven dagen,
en liet opnieuw een duif los; maar deze duif keerde niet meer bij hem terug. 18
Toen ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen naar
buiten. 19 Ook alle viervoetige dieren, alle kruipende dieren, alle vogels en
wat op de grond kruipt, soort bij soort, verlieten de ark.
20 Toen
bouwde Noach een altaar om JHWH te eren; hij deed een keuze uit de reine dieren
en uit de reine vogels, en droeg op het altaar brandoffers op. 21 JHWH rook de
aangename geur en zei bij zichzelf: ‘Ik zal de aardbodem nooit meer vervloeken
vanwege de mensen: het hart van de mens is immers van jongs af geneigd tot het
kwade. Ook de andere levende wezens zal Ik nooit meer treffen, zoals Ik nu
gedaan heb.
22 Zolang
de aarde bestaat, blijft er zaaitijd en oogsttijd,
koude en hitte, dag en nacht, zomer en winter.
Nooit
houdt dat op.’
9 Dit is
de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef temidden
van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God. 10 Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham
en Jafet. 11 De aarde was voor
de ogen van G O D verdorven en vol gewelddaden.
7 11 Het
was in het zeshonderdste levensjaar van Noach, de zeventiende dag van de tweede
maand; op die dag braken alle bronnen van de diepte los, de sluizen van de
hemel gingen open, 12 en regen viel op de aarde, veertig dagen en veertig
nachten achtereen. 13 Op diezelfde dag ging Noach de ark binnen met Sem, Cham
en Jafet, de zonen van Noach, en met zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn
zonen; 14 en samen met hen kwamen ook al de verschillende soorten wilde
beesten, al de verschillende soorten tamme dieren, al de verschillende soorten
kruipende dieren, al de verschillende soorten vogels, al het gevogelte, alles
wat vleugels heeft. Van alle levende wezens kwamen er telkens twee bij Noach in
de ark. 16 Er kwamen mannelijke en vrouwelijke dieren, van alle levende wezens,
zoals G O D had opgedragen. 18 Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te
staan 19 Het water bleef zo toenemen op de aarde, dat het al de hoge bergen
onder de hemel bedekte. 20 Vijftien el daarboven steeg het water, zodat het de
bergen bedekte. 21 Alle levende wezens die zich op de aarde bewogen, vogels,
tamme en wilde dieren, en alle dieren die over de grond kruipen, en ook alle
mensen kwamen om. 23 Alles wat op de aardbodem bestond werd vernietigd: de
mensen, de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht
werden van de aarde verwijderd. Alleen Noach en degenen die bij hem in de ark
waren, bleven in leven. 24 Het water bleef stijgen op de aarde, honderdvijftig
dagen lang.
8 1 Toen
dacht G O D aan Noach en aan al de wilde en tamme dieren die bij hem in de ark
waren. En G O D liet een wind over de aarde gaan, waardoor het water begon te
zakken. 2 De bronnen van de diepte en de sluizen van de hemel werden gesloten,
en de regen uit de hemel hield op. 3 Het water vloeide langzaam van de aarde
weg. Na verloop van honderdvijftig dagen begon het te minderen. 4 Op de
zeventiende dag van de zevende maand kwam de ark op de bergen van Ararat te
liggen. 5 Het water nam geleidelijk af tot de tiende maand; op de eerste dag
van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar.
6 Het
bloed van degene die het bloed van een mens vergiet,
zal door mensen worden vergoten,
want de mens is gemaakt naar het beeld van God.
7 Wees
vruchtbaar en word talrijk,
bevolk de aarde en word er talrijk.'
18 De
zonen van Noach die met hem uit de ark gekomen waren, heetten Sem, Cham en
Jafet; Cham is de vader van Kanaän. 19 Deze drie waren de zonen van Noach, en
door hen werd de hele aarde bevolkt. 28 Noach leefde na de vloed nog
driehonderdvijftig jaar .29 De levensduur van Noach
bedroeg negenhonderdvijftig jaar. Toen stierf hij.
Hier daar is de demontage niet 100 % maar conclusie was
dat de J-versie compleet genoeg was, afgezien dat niet gezegd wordt dat er een
ark gemaakt moest worden, en die versie het verhaal was dat we van vroeger
kenden. Daarin ook weer die lieve God die spijt kreeg en zelf zorgzaam de deur
sloot, de lekkere geur ruikt en "nooit meer" zweert. Opvallend is dat
J de getallen 3 (bij het loslaten van de duif), 7 (schepping!) en 40 veel
gebruikt.
De P-versie is wat completer, kent voorschriften (6,14vv),
ordening 'verschillende soorten' ( 6,20), jaar- en dagtallen, waterhoogten, het
beeld van water onder en boven (zie Gen 6), herhalingen over het verbond en
welke diersoorten allemaal omkwamen en een plechtige taal. Tenslotte
zegent Elohiem Noach met vruchtbaarheid (9,1; zie ook de verwijzingen naar Gen
1,28.29.26; typisch P) zodat er ook hier sprake is van een nieuwe schepping
waarbij dan wel meteen het verhaal van Kaïn en Abel wordt betrokken in 9,5.6.
Van de bekende getallen wordt alleen 40 gehanteerd en speelt het getal 8
slechts impliciet mee nl. het aantal mensen in de ark. 150 dagen watervloed zal
beteken dat het gaat om : al (10) het organiek (5) tot
de schepping behorend definitief (3) bewerkt. In het hele verhaal kan dit als
centrum van 7 - 40 - 150 - 40 - 7 functioneren. Of de 'priester'getallen een
speciale betekenis hebben weet ik niet. P is de enige die de namen noemt van de
zonen van Noach, die de aarde zullen gaan bevolken; weer het idee van een
geslachtslijst.
De conclusie is duidelijk: mensen zijn er mee bezig
geweest, het complete verhaal is gecomponeerd.
1 Het begin van hoofdstuk 6 hebben we overgeslagen omdat het een mythe
betreft die als aanleiding van het verhaal wordt gegeven. De god die daarin
genoemd wordt, is dan niet de God van Israël want die heeft geen zonen. Je kunt
je natuurlijk afvragen waarom het verhaal met een mythe begint: is de zondvloed
ook een mythe ? en dus niet-waar ? Andere volken
kennen ook het zondvloedverhaal. Dan wordt het een beetje dwaas om te
veronderstellen dat het joodse verhaal wel waar is en het andere 'maar' een
mythe.
Punt 1: onderschat 'mythe' niet;
het heeft iets te vertellen. Net zoals een
rite iets ervaarbaar moet maken én ervaring uitdrukt. Net zoals een symbool
ergens voor staat: voor iets dat we alleen maar kunnen duiden door een 'ding'
aan te wijzen. Zie 'het religieuze' van de Volwassenencatechese.
Punt 2: als we weer uitgaan van eerlijke
bedoelingen dan kan er best iets werkelijks gebeurd zijn, wat er nu eenmaal
ligt, dat door gelovige mensen godsdienstig wordt geduid in de geest van 'de
rechtvaardige wordt gered' ook al gaat de hele wereld ten onder. Net als Noach
'wandelt' zo iemand 'met God'. Astublieft. Zo kun je ook zien dat de
verteller op die manier zijn vertrouwen uitspreekt dat God nooit meer zó zal
straffen. De seizoenen gaan immers door en de aarde brengt vruchten voort. Van
die trouw van God is de regenboog het teken. Het verhaal is dan niet-waar maar
wel waarachtig en biedt de mogelijkheid tot creativiteit. (Als het een wel-waar
verhaal is, zijn we allemaal producten van incest - moet er niet aandenken!) Of
je het een akelig verhaal vindt of niet, het bestond al, en de Jood heeft het
(wellicht graag) gebruikt om zijn geloofs-inhoud weer te geven, zo aan anderen
te zeggen hoe hij het ziet.
2 Let op hoe subtiel in 9,4 wordt toegegeven/toegestaan dat vlees gegeten
mag worden, waarvan in Genesis geen sprake is. Dat is ook een levenskunst.
3 In 8, 21 ligt het accent van de zin niet op 'geneigd tot het
kwade' maar op 'van jongs af aan'. Dat vind je ook in psalm 50: 'schuldig vanaf
de moederschoot'. Het is een lepe verdediging met een
dosis humor: 'Wij zijn immers het maaksel úwer handen'. Zo past het in de
context. Als je alleen de woorden 'geneigd tot het kwade' er uit pikt, dan misbruik
je de bijbel voor je eigen misvorming. Overigens staat
er ook niet dat het mensenhart uitsluitend tot het kwade geneigd is.
4 In 9,5 staat dat het bloed van dieren 'teruggeëist zal worden'. Mij lijkt
dit een aanwijzing van eerbied hebben voor de (levende) schepping, een
soberheidseconomie i.p.v. een overdaads-/welvaartseconomie (= de vleespotten
van Egypte?).
5 Hoofdstuk 9 hebben we vanaf vers 20 laten liggen. Te zien is dat de
Kanaänieten een eigen adammetje krijgen toegeschoven in Cham. Door hem moeten
zij dienstig zijn aan Sem incl. Jafet, de Semieten. M.a.w. de vestiging van de
nomadengroep Abraham in Kanaän wordt godsdienstig gelegitimeerd. We komen daar
nog op terug.
De opzet hiervan was om te zien hoe twee joodse tradities -maar ook andere volken- omgaan met een religieus/godsdienstig
goed. In dit geval zijn ze verweven tot één verhaal, inzake
de schepping zijn er twee aparte verhalen. Zo leve de bijbel.
Maar we hebben ook heel wat inhoudelijke gedachtewisselingen gehad. Zo leeft de
bijbel voort.
5
Verdere lotgevallen van Abram
Inleiding
5.1
Met het 12e
hoofdstuk begint het verhaal van de aartsvaders: Abra(ha)m, Isaak
en Jacob. Het is niet altijd een doorlopend verhaal; van Abram worden ca 18
'verhaaltjes' achter elkaar gezet. Maar die verhaaltjes, die best echt gebeurd
kunnen zijn, hebben wel een wezenlijke betekenis voor ons geloof. Joden worden
zonen van Abraham genoemd, met hem is het begonnen. Jezus was dus ook zoon van
Abraham. Matteüs, Jood, laat zijn geslachtslijst(!) van Jezus beginnen met
'zoon van David, zoon van Abraham'. Abraham is een beetje 'dubbel': enerzijds
is hij de stamvader van de Israëlieten, anderzijds de heilsfiguur voor alle
generaties, dus universeel. Terwijl hij maar een gewone (?) nomade was die door
de wereld (van Mesopotamië tot Egypte) trok om in leven te blijven.
Je kunt op twee (of meer) manieren tegen die verhalen
aankijken: hoe zijn ze ontstaan en wat willen ze zeggen ?
De eerste is meer geloofsbeleving met een 'Sitz im Leben', de ander is meer
geloofsinhoud. We zien naar beide elementen. Het is goed om eerst de tekst uit
de bijbel te lezen en daarna de onderstaande werkvertaling
door te nemen waarbij commentaar wordt gezet.
De bedoeling van de werkvertaling is dat u 'met uw neus' op de tekst
wordt gezet, er mee bezig bent. De gewone vertaling is vaak te glad, waardoor
men over accenten heen leest.
De
roeping van Abram 5.2 Genesis 12
werkvertaling Genesis 12,1-5
1 En JHWH
sprak tot Abram:"Ga jij uit jouw land en uit jouw stamverband en uit jouw
vaderhuis naar het land dat Ik je zal tonen.
2 Ik zal
je maken tot een groot volk, want Ik zegen je (voortdurend) en zal je naam
groot maken, en die zal een zegen zijn,
3 zodat
ik zegen die jou zegenen en vervloek die jou vervloeken, en gezegend achten
zich in jou alle geslachten op aarde.
4 Abram
ging zoals JHWH tegen hem zei en met hem ging Lot en Abram was zoon-vijf-jaren-en-zeventig-jaar
bij zijn uitgaan uit Charan..
5 Abram
nam Saraï, zijn vrouw, en met hem ging Lot, de zoon van zijn broer, en al hun
(mannelijk!) (rijdende) bezittingen die zij verworven hadden en de levenden die
zij verkregen hadden in Charan en ze gingen uit naar het land Kanaän en zij
gingen in het land van Kanaän.
commentaar
vs 1 JHWH. De Jahwist vertelt. Hij schrijft in ca
950 -zie bijbelpanorama- over een gebeurtenis in ca
1850 en gebruikt een naam die in ca 1250 bekend wordt gemaakt. (Komt nog ter
sprake bij Exodus.) De Jahwist gaat er dus van uit dat JHWH altijd bezig is
geweest.
Abram wordt zomaar voorgesteld als de gelovige uit wie
later een nieuwe heilsorde voortkomt voor alle geslachten der aarde. Waarom is
hij weggegaan uit Haran (bovenloop v.d. Eufraat), verder richting Egypte ? Gewoon, vooraan beginnen: hij was een
herder/halfnomade en moest het dus hebben van nieuwe graasgronden. Dat paste in
de beweging van de trektochten in de vruchtbare halve maan van Mesopotamië
langs de Eufraat via Kanaän naar Egypte. Kanaän (Libanon + Palestina) lag nogal
centraal in de handelsbeweging van Noord naar Zuid v.v. Vanuit het Oosten komt
geen verkeer vanwege de woestijn; naar het Westen ligt de zee, waar vooral de
Phoeniciërs gebruik van maakten. Wellicht vond toen een soort landverhuizing
plaats.
Het verlaten van je vadershuis is van betekenis voor je
ontwikkeling; voor het eerst op kamers gaan wonen ! Je
zelf tegenkomen. En dan maar zien dat je je vader en je moeder eert, leert
eren.
vs 2 "... want ... " is een rijkere
vertaling dan gewoon "... en ..." Het hebreeuwse verbindingswoordje kan nevenschikkend zijn
('en'), oorzaak aangeven ('want') en gevolg bedoelen ('zodat').
"... die ..."
nl. die naam ! De Willibrord vertaalt zo dat Abram zelf een zegen zal
zijn. Maar wat als hij dood is? Zijn naam blijft, hij niet. 'Naam' heeft een
geladen betekenis, in de naam van …, namens … e.d.
Zegen in het O.T. behelst kracht, vruchtbaarheid en
rijkdom.
vs3 "... zich gezegend achten ..." is
meer geloofsbelijdenis dan "...
gezegend worden ..."
"Ik vervloek degenen die jou vervloeken" ook solidariteit als het moeilijk
wordt.
vervolg werkvertaling Gen 12, 6 - 9
6 Abram
trok verder door het land tot de plaats Sichem, tot de More-eik. De Kanaänieten
waren toen in dat land.
7 JHW
liet Zich zien aan Abram en Hij zei:"Aan jouw nakomelingschap zal Ik
geven/geef dit land" en hij bouwde een altaar voor JHWH die Zich had laten
zien aan hem.
8 En hij
trok verder vandaar weg naar het gebergte ten oosten van Bet-el en hij sloeg
zijn tent op met Bet-el in het Westen en Ai in het Oosten en hij bouwde daar
een altaar voor JHWH en hij riep met de Naam van JHWH.
9 En
Abram trok als maar door de Negeb in.
vervolg commentaar
vs 6 More betekent waarschijnlijk 'de -door orakels-
belerende' eik. Sichem bestond al ten tijde van Abram en was dus redelijkerwijs
een cultusplaats. Later komt 'de eik van Mamre' ter sprake. Onbekend of dat dezelfde plaats is
"De Kanaänieten … toen …" impliceert: maar nu
niet meer, nu wonen wij er. Daar komt de schrijver even verduidelijkend om de
hoek kijken.
vs 7 De kans is heel groot dat Abram een
religieuze ervaring opdoet in Sichem en toen pas JHWH's hand leerde kennen die
hem uit Haran heeft geleid. Zo'n ervaring kennen wij
ook wel: het heeft zo moeten zijn, ik ben gestuurd, en het is goed zo.
Zo'n drang om
te handelen van je zelf uit, zo'n belangrijke gedachte die al in je ligt en
naar buiten komt, intuïtief weten - zou je dat niet 'de vrucht van je schoot'
kunnen noemen ?
Even op de kaart kijken waar Ur in Mesopotamië, Haran en
Sichem liggen.
vs 8 Weer een altaar; kennelijk heeft die ervaring
hem wat gedaan. Waar ligt Betel?
"… riep met de Naam ...
" J gaat ervan uit dat Abram die Naam (kracht, macht, zie bij vs 2!) kende en als herder hij 'Jahwe' luid uitgeroepen
heeft. Het is heel goed mogelijk dat nomaden in de lente en/of bij het
binnengaan in een nieuw graasgebied hun god aanriepen om aanwezig te
zijn, om goede grond en zegen, want van hun kudden moesten ze leven. De
betekenis van de Naam JHWH komt later bij Exodus ter sprake.
vs
10vv hebben we niet gelezen. Ook -zeker in onze ogen- minder fraaie daden van Abram worden
genoemd. De betekenis van dit stukje is dat JHWH toch Saraï, de stammoeder,
beschermt ondanks de noodgreep van Abram.
De
beloften aan Abram 5.3 Genesis 15
werkvertaling Genesis 15, 1 - 5
1 Na deze
dingen/gebeurtenissen gebeurde/ontstond een JHWH-woord naar Abram in het
visioen door te zeggen: "Vrees niet Abram. Ikke
ben een schild voor jou; jouw loon is het zeer veel".
2 Abram
zei. "Heer JHWH, wat geeft U aan mij ? want ik
gaande kinderloos en zoon-bezit-van-mijn-huis (is) de Damasceen Eliëzer".
3 En
Abram zei:" "Kijk, aan mij geeft U geen
nakomelingschap want kijk maar: zoon-van-mijn-huis-ervend een
onderhorige".
4 En zie
daar een JHWH-woord tot hem door te zeggen: "Niet deze zal u in bezit
nemen maar van wie geldt 'hij-komt-uit-jouw-lijf' die zal jou in bezit
nemen".
5 Hij
deed hem naar buiten gaan en Hij zei:"Kijk toch naar de hemel en tel de
sterren, als je in staat bent om ze te tellen" en Hij zei tot hem:"Zo
zal jouw nazaat zijn". 6 En hij vertrouwde op JHWH en Hij rekende hem dit
als gerechtigheid aan.
commentaar
vs 1 Welke zijn die gebeurtenissen ?
Redelijkerwijs zijn dat wat in hoofdstuk 14 is verteld een veldslag. Het woord
'schild' kan daarbij passen. Ook is daar verteld dat Abram geen buit wilde
omdat hij niet door die koning rijk gemaakt wilde worden, wel door JHWH. Dié
geeft hem zijn 'loon'. "Gezegend zij Abram door God-Verheven" (14,19)
"Het visioen" J
verwijst nu al naar dat visioen dat zo belangrijk zou zijn.
"Vrees niet" is het begin van iedere
orakelspreuk. Degene tot wie gesproken wordt heeft contact met 'Het Oneindige'
maar hoeft niet bang te zijn. Ook in de tempelliturgie werd die spreuk
gebruikt. In de bijbel vind je het regelmatig: de
engel tegen Maria, de engelen tegen de herders, de verrezen Jezus tegen de
leerlingen.
"Ikke" om het accent aan te geven dat in het hebreeuws
ligt: Anochi i.p.v. Ani.
vs 2 "... gaande kinderloos ... " ben al
zolang kinderloos, kinderloos ga ik heen. Dat is toch niks
voor een nomadenhoofdman met veel vee.
vs3 verdubbeling van vs2. Begreep men in vs 2
'Damasceen Eliëzer' niet? Of wordt zo nadruk gelegd?
vs 5 "... naar buiten ..." Wellicht kreeg Abram dat visioen in zijn
tent.
"Kijk toch ..." Heel
uitdrukkelijk: kijk nu maar eens goed, zie al die sterren ?
Wie heeft zich eens niet klein gevoeld onder de sterrenhemel? Een religieus
moment.
vs 6 Een belangrijk geloofsmoment. Voor
gerechtigheid zie alvast 'bijbelse begrippen'.
"Aanrekenen" Dit
hebreeuwse woord gebruikt de priester ook als hij offers (goed)'keurt':
officieel.
vervolg werkvertaling Gen 15, 7 -
12a.17.18a
7 Hij zei
tegen hem: "Ik ben JHWH die jouw uitgeleider ben/was, uit Ur in Chaldea om
jou te geven dit land om het in bezit te nemen".
8 Maar
hij zei:" Heer JHWH, hoe dan weet ik of/hoe ik inderdaad zal in bezit
nemen?"
9 Hij zei
tegen hem:"Neem voor mij een driejarige koe en een driejarige bok en een
driejarige ram en een tortel en een jonge duif".
10 Hij
nam voor Hem al dat en sneed ze midden door en nam ieder deel tegenover het
andere maar de vogels sneed hij niet door.
11 Toen
roofvogels neerstreken op de kadavers, joeg hij ze weg.
12a Toen
de zon op het punt stond onder te gaan, viel een trance op Abram …
17 Toen
de zon ondergegaan was en duisternis er was, zie een rokende oven en een
brandende fakkel die tussen de stukken door gingen.
18a Op
die dag sloot JHWH een verbond met Abram door te zeggen: "Aan jouw nazaat geeft ik dit land, vanaf de beek ... "
vervolg commentaar
vs 7 In het begin van dit hoofdstuk ging het om
nakomelingen, nu om land. JHWH meldt zich nu als de god in Ur.
Met de belofte van het land wordt de aanspraak van Israël
op Kanaän religieus gefundeerd. Dit kan fundamentalistisch zijn, het kan ook
een geloofsovertuiging zijn geworden vanuit de gedachte, ervaring, dat Israël
ondanks alle wederwaardigheden zich toch heeft weten te handhaven. Als Israël
de oorspronkelijke bewoners verdreven had ten eigen
bate (zich verdedigen is iets anders), dan ga je aan fundamentalisme denken,
maar zo iets blijkt niet uit de geschiedenis.
Een andere mogelijkheid is dat de
sedimentatie (het zich blijvend vestigen) religieus wordt gefundeerd: Abraham
zwierf nog als nomade; pas na de intocht in het Beloofde Land leefde men als
landbouwer. Mocht dat wel? Er waren groepen die
vonden dat men het nomaden bestaan niet mocht loslaten en ook wijnbouw afwezen.
vs 8 Abram vraagt nu een teken; in vs 2 niet.
vs 9 driejarig: krachtig, geen afdankertjes.
vs 10 Tussen die dode dieren sta je a.h.w. in het
dodenrijk. Dat is een religieus moment. Degene die zweert, gaat tussen de
dieren door en zegt: "Zo ook mij" (als ik mijn afspraak niet nakom).
'God verdo(e)m me' is m.i. eerder een eedformule dan een vervloeking.
vs 11 lijkt een spannend moment in de vertelling;
met een overdrachtelijke betekenis?
vs 12 Het volgen hoe de zon ondergaat kan heel goed
een concentratiepunt voor een trance zijn. Adam was ook in een diepe slaap,
toen hij lichter werd gemaakt. Abraham kreeg bezoek van de drie engelen op het
heetst van de dag. In het N.T. droomt Jozef, zo ook de Wijzen.
vs 17 God gaat -met vuur, zie o.a. Sinaï- tussen de
stukken door. HíjZ sluit het verbond, niet Abram. HijZ neemt de verplichting op
Zich.
vervolg werkvertaling Gen 15, 12b - 16. 18 - 20
12b
zodat/en zie schrik, een grote duisternis viel op hem.
13 Hij
zei tot Abram:" Zéker zul je weten dat jouw nazaat vreemdeling zal zijn in
een land dat niet voor hen is zodat zij hén dienstbaar zullen zijn en zíj
zullen hen als rechtelozen behandelen, 400 jaar lang.
14 Maar
zeker vonnis Ikke het volk waaraan zij dienstbaar waren en daarna zullen zij
uitgaan met groot bezit.
15 Maar
jij zult gaan naar jouw vaderen in vrede, jij zult begraven worden in hoge
ouderdom.
16 Het
vierde geslacht, zíj zullen hierheen terugkeren want niet is de zonde der
Amorieten vol tot dan toe."
18 Op die
dag sloot JHWH een verbond met Abram door te zeggen: "Aan jouw nazaat geeft ik dit land,
vanaf de beek van Egypte tot de grote rivier, de rivier de
Eufraat, 19 het land van de Kenieten, de Kenizzieten, de Kadmonieten, 20 de
Hethieten, de Perizzieten, de Rephaïeten, de Amorieten, de Kanaänieten, de
Girgasjieten en de Jeboesieten".
vervolg commentaar
vs 12b
vv De schrik en grote duisternis planten
zich niet voort in vs 17v; kennelijk is 12b -16.18 is een toevoeging.
De schrik en grote duisternis geeft aan wat er gaat
gebeuren voordat het beloofde land wordt bereikt. 400 jaar ellende, pas het
vierde geslacht komt er. De schrijver heeft kennelijk die ellende -die voor zijn generatie al voorbij is- geaccepteerd als
zijnde met medeweten van JHWH, voorzien door JHWH. Die ellende in Egypte hoort
kennelijk wezenlijk bij de ervaring: dat nooit meer. Het vallen van de
duisternis in het verhaal zal de aanzet zijn voor de verzen 12b -16.
vs 16 de zonden der Amorieten vol ..." De
verklaring is: dan hebben ze zolang gezondigd en zich al die tijd niet bekeerd
dat het dan wel genoeg is, de maat vol is. Hun zonde was dat zij vochten tegen
de Joden, hun God niet erkenden. Dat de tekst hen apart vermeldt komt
waarschijnlijk omdat hun naam kan staan voor alle vijandige volken.
vs 18 Dubbele belofte: nazaat én land. Deze
omschrijving keert vaker terug. Typisch een toevoeging uit de tijd van de
schrijver, die de omvang van David's/Salomon's rijk aangeeft. De schrijver
stelt dus dat dat toen al in de belofte opgesloten lag. De lijst van
volken/stammen duidt op de oorspronkelijke Kanaänbewoners.
De
hoofdelementen van Genesis 15
5.4
|
JHWH manifesteert Zich |
1 Na deze gebeurtenissen ontstond een JHWH-woord naar Abram in het
visioen door te zeggen: "Vrees niet Abram. Ikke
ben een schild voor jou; jouw loon is het zeer veel". |
7a Hij zei tegen hem: "Ik ben JHWH die
jouw uitgeleider ben/was, uit Ur in Chaldea. |
|
het probleem |
2 Abram zei: "Heer JHWH, wat geeft U aan mij ?
want ik gaande kinderloos en zoon-bezit-van-mijn-huis de Damasceen
Eliëzer". 3 En Abram zei:" "Kijk, aan
mij geeft U geen nakomelingschap want kijk maar: zoon-van-mijn-huis-ervend
een onderhorige". |
8 Maar hij zei: "Heer JHWH, hoe dan weet ik
of/hoe ik inderdaad zal in bezit nemen?" |
|
de belofte |
4 En zie daar een JHWH-woord tot hem door te
zeggen: "Niet deze zal u in bezit nemen maar van wie geldt
'hij-komt-uit-jouw-lijf' die zal jou in bezit nemen". 5b en Hij zei tot hem:"Zo zal jouw nazaat
zijn". |
7b om jou te geven dit land om het in bezit te nemen . |
|
teken, onder-pand; boven- menselijk |
5a Hij deed hem naar buiten gaan en Hij
zei:"Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als je in staat bent om
ze te tellen" |
9 Hij zei tegen hem:"Neem voor mij een
driejarige koe en een driejarige bok en een driejarige ram en een tortel en
een jonge duif". 10 Hij nam voor Hem al dat en sneed ze midden door
en nam ieder deel tegenover het andere maar de vogels sneed hij niet door. 12a Toen de zon op het punt stond onder te gaan,
viel een trance op Abram. 17 Toen de zon ondergegaan was en duisternis er was, zie een rokende
oven en een brandende fakkel die tussen de stukken door gingen. |
|
de afsluiting |
6 En hij
vertrouwde op JHWH en Hij rekende hem dit als gerechtigheid aan. |
18a Op die dag sloot JHWH een verbond met Abram
door te zeggen: "Aan jouw nazaat geeft ik dit
land, .... “ |
De besnijdenis in 17 is een wezenlijk gegeven in de joodse
geloofsbeleving. Daarmee accepteert de gelovige Jood in zijn vlees het verbond.
Het zal wel een hygiënische oorsprong hebben en (vervolgens?) een
initiatie-rite zijn geworden maar er is een geloofsbetekenis aan gegeven: nadat
Abraham zich had besneden, verwekt hij Isaak, zoon van de belofte (hoofdstuk
21), wat eigenlijk onmogelijk was, gezien de leeftijden. Maar
God zet wel vaker de wereld op zijn kop: de schoot van de vruchtbare verdort,
de onvruchtbare lacht om haar kinderen; machthebbers worden van hun troon
gestoten, de vernederde krijgt een hoge plaats; hongerigen overlaadt Hij met
het beste, rijken worden met lege handen weggestuurd. Dat was hun
ervaring. De onze ?
Ofschoon hoofdstuk 17 begint met JHWH is het een
P-traditie: let op de deftige taal ('Menigte volken', 'buitengewoon
vruchtbaar', 'altijddurend verbond', 'altijddurend eigendom'), de herhalingen,
uitgebreide voorschriften, leeftijdvermeldingen en de godsnaam GOD. "Ik
ben God-Al-heerser", heerser over iedere (andere) koning of god (niet:
Almachtig!), "wandel voor mijn aanschijn
en wees onberispelijk", een P-versie van de beloften, die P nog eens
dunnetjes over doet. Noach 'wandelt met God'. Ziet u hoe er subtiel wordt
gecorrigeerd?
Abram zal voortaan Abraham heten en Saraï wordt Sara. Let
erop dat Abram het opneemt voor Ismaël. !
Hierna volgen nog meer verhalen over Abraham en de verhalen over Isaak,
Jacob en over Jozef c.s. in Egypte, die alle de moeite
waard zijn, maar we laten ze liggen. Hoofdstrekking van de rest van Genesis is
dat nu aan de lezer(es) duidelijk is gemaakt hoe het gekomen is dat ze in
Egypte terecht zijn gekomen en dat tenslotte alles
goed toch komt, zelfs als het onrecht binnen een gezin ligt, getuige het
verhaal van Jozef.
Jan van der Heijden schrijft: 6.1
Beste Piet,
Ik geloof dat ik niet helemaal op jouw spoor zit bij de
behandeling van Genesis. Soms ben ik verbaasd dat gedeelten die ik zeer
belangrijk acht nauwelijks door jou besproken worden.
Neem hoofdstuk 3.
Bijna alle daarin genoemde figuren zouden mijns inziens aanleiding
kunnen zijn voor bespreking. Ik noem nu maar als voorbeelden:
- waarom een slang?
- waarom deze boom en niet die ander (Betekent dit
overigens dat de eerste mensen ook in het paradijs gestorven zouden zijn) ?
- de voorzegging van de verplettering van de slang ?
- de zwangerschaps- en baringsweeën van de vrouw ?
- de schildering van de sexuele verhouding tussen vrouw en
man ?
- het droevige bestaan van de ploeterende man ?
- en dan die trieste dood en dan?
De paus heeft het altijd over het respect voor het leven,
over de cultuur van het leven in plaats van de dood, als het gaat over
euthanasie, maar ik proef hier veel meer een cultuur van de dood; en waarom dan
zo moeilijk doen als iemand ligt te creperen en vraagt om het einde ?
Het leven wordt hier geschilderd als zwoegen in doornen en
distels, in het zweet van Uw aanschijn, en dan
eindigend in het stof waaruit we genomen zijn en waartoe we zullen terugkeren.
Een weinig verheffend tafereel.
Hoe zie jij dit ? Hartelijk dank, Jan.
Piet antwoordt: 6.2
Beste Jan, eerst dit: 6.2.1
Afgaand op je vragen denk ik dat ik Genesis 3 ten onrechte
buiten de boot heb laten vallen, het gaat toch wel om een fundamenteel stuk
menselijke ervaring. Dus mijn keus is te krap geweest. Zo iets geldt ook voor
Genesis 4 met als kern de vraag "Ben ik dan mijn broeders hoeder?" Hun antwoord: "ja" dus; dat hoort wezenlijk bij het
mens-zijn.
Laat me beginnen met de vraag hoe ik tegen Genesis 3
aankijk.
Ik zie het als een mythe maar niet in de betekenis van
zomaar een niet-waar verhaal maar als een heilig verhaal, dat een betekenis
heeft (Volwassenencatechese 'Het
Religieuze'). Het is niet uit de hemel komen vallen maar gebaseerd op de
menselijke ervaring dat de mens fout doet en er dus (!) ook een goede kant
bestaat. M.a.w. eerst was er de ervaring, de waarneming van de mens-situatie,
waaraan een betekenis werd gegeven, en daarna pas het verhaal om die betekenis
te duiden. Duiding en verhaal zullen vanuit een oerbegin wel samen gegroeid
zijn. In die duiding ligt een overtuiging, een geloofsbelijdenis, dat de mens
eigenlijk - 'beginnelijk' - voor die goede kant bestemd is; anders was dit
verhaal niet nodig.
Nu vat ik meteen de slang bij de horens want daar ligt
m.i. de clou voor het begrijpen van de betekenis. In de mythologie is de slang
het dier van de aarde, waaruit alle leven voortkomt, het idee van 'Moeder
Aarde'. (Ik kan helaas de bron van die wijsheid niet meer vinden maar dat
gegeven is zo verbreid onder diverse antieke godsdiensten dat ik meen het te
mogen hanteren.) De slang kruipt op de aarde zelf, zonder pootjes, woont in
holen, tussen spleten van de aarde, als dier 'geheim'-zinnig. Denk maar aan de
esculaapslang, die het gezonde leven voorstelt, herstelt. In die zin kun je ook
tegen de koperen slang aankijken die Mozes moest oprichten (dus boven de aarde
uit) opdat degenen die door een giftige slang waren gebeten genezen
werden door er naar op te zien.
De slang stelt zo het puur aardse leven voor met alle
menselijke vermogens, dat echter nog niet het geloofsleven, het met God leven,
inhoudt. In het paradijs zijn het aarde-leven en het met God leven direct ervaarbaar - geen 'pootjes'
nodig - en er is geen onderscheid tussen hen. De Jood vertelt in het verhaal
van de zondeval hoe/dat het gebeurd is dat die directe verbinding er niet
(meer) is. De mens wil te veel, luistert niet naar zijn Oorsprong. Hij is
'alleen maar' aarde-mens en alleen het aarde-leven is (nog) direct ervaarbaar.
Maar voor het leven met God met hij moeite doen. Dat
aarde-leven brengt de mens heel listig in de verleiding om zich zelf als
"maatstaf aller dingen" te beschouwen, dus o.m. zelf te bepalen wat
goed en kwaad is, 'kennis' van goed en kwaad. Terwijl de mens dat beginnelijk
niet nodig heeft want hij kende alleen maar 'goed'.
En dan zie je hoe in het verhaal schitterend de verleiding
wordt beschreven. Klopt helemaal, ja hè?
De mens is zich (nu - in het
verhaal) bewust van zijn vrije wil, waarmee hij het meest 'naar Zijn Beeld' is,
die hij kan misbruiken, en als hij hem ge-/misbruikt heeft, wat blijft er dan
over? Flut; de ervaring van het kwaad. Het eeuwige 'hadden we maar', paradise
lost. Hetgeen niet de bedoeling was.
Met dat verhaal geeft de Jood het altijddurende dilemma,
scheiding, de 'vijandschap', aan tussen het geloofsleven, waarvoor je je moet
inzetten, moeite moet doen, en het wel direct ervaarbare aarde-leven. Met dit laatste is op zich niks mis maar je kunt je daarin o.a.
niets aantrekken van anderen, zelf maatstaf zijn voor het leven en zodoende de
rechtvaardigheid te kort doen omdat je beperkt bent; je kunt immers niet het
hele leven omvatten. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, is een van de, zo
niet dé, voorwaarde om al het leven op aarde goed in stand te houden, hetgeen je vanuit geloofs+aardeleven vanzelf zou doen.
Het verleidelijke in het direct ervaarbare aardeleven zie
ik vooral in het sterke element in de mens dat hij zichzelf wil ontplooien,
zichzelf wil uitdrukken, hetgeen op zich een normaal
menselijk streven is en een goede zaak. Maar het loopt mis wanneer hij en in
zoverre hij geen gehoor geeft aan zijn Schepper, aan de liefdesverhouding, en
zich ten koste van de ander ontplooit. Dan is het egoïsme. Die drang naar eigen
ontplooiing zit diep in de mens, het hoort bij hem. De kunst is dan om dat niet
te laten vergiftigen door aarde-ego.
Het sterkst spreekt die eigen-expressie wel in de seksualiteit - dacht
ik - en wellicht is daarom die inbreng van "naakt" en
"schaamte". Hetgeen prompt kan worden
misbruikt. Maar het sprekendst is - vind ik - dat de Jood zo aangeeft dat hij,
en/met zijn vrouw, eigenlijk gewoon naakt bij God moest kunnen staan, vrij,
schutloos, zelf-expressief.
Met jouw elders uitgesproken
verwondering dat de mens "zijn situatie interpreteert als een straf voor
iets, dus niet als iets oorspronkelijk natuurlijks", ga ik omgekeerd mee. In zijn visie op zichzelf is dat 'vanzelf met God wandelen'
oorspronkelijk natuurlijk. Maar ik zie die straf niet zitten omdat er
geen werkelijke zondedaad aan voorafgaat. Ik zie meer dat de mens notie heeft
van een verschuldigd zijn aan zijn mogelijkheden, een soort van ereschuld aan
zichzelf, vanwaaruit de mens uit eigen initiatief het reddingsaanbod van zijn
Schepper moet/kan opzoeken. Het contact met zijn Schepper is immers niet
verbroken. En dan heb ik bewondering voor die mens die op die manier naar Het
Hogere reikt, De Allerhoge, zijn Heer zoekt.
Dit als een soort beschrijving van de 'condition humaine',
die de Jood in Genesis 3 weergeeft. De Jahwist vertelt in zijn
scheppingsverhaal vanwaaruit de mens is, in zijn paradijsverhaal hoe de mens
tegen zichzelf aankijkt en in het Kaïn - Abel verhaal hoe hij buiten zichzelf
kijkt, behoort te kijken.
Nu wat concreter op jouw vragen: 6.2.2
1 De slang is boven al ter sprake gekomen. Als het 'meest
listige dier', een sprekend beeld voor dat beestje, blijft zij voortdurend op
de loer: altijd is de verleiding mogelijk, aanwezig.
2 Waarom deze boom en niet die andere? Tja, het verhaal vertelt het zo maar
als er een betekenis mee wordt bedoeld dan zou het de ervaring van de Jood
kunnen zijn dat hij wel het leven kan verpesten maar niet kan maken of uitroeien.
Of dat betekent dat de eerste mensen ook in het paradijs
gestorven zouden zijn - zover zou ik niet gaan. Dat had het verhaal moeten
vertellen. Dan was duidelijker naar voren gekomen wat die boom betekent.
Wat de Jood - eigenlijk moet ik zeggen:
de Joodse schrijver(s) - met 'sterven' (vv. 3.4) bedoelt
is niet zeker. Dacht men dat, als de mensen in paradijselijke toestand
waren gebleven, zij dan niet zouden sterven - zoals wij dat verstaan, dus ook
geen verouderingsproces e.d. - of sterft in hen nu die onschuldtoestand van
probleemloosheid, vrijheid, schaamteloosheid in de goede zin. Misschien is
deze vraag ook wel buiten het verhaalkader.
De slang spreekt dubbelzinnig, hetgeen
in de vertaling niet tot uitdrukking kan komen. Hij kan ook bedoelen
'Je zult niet meteen sterven', maar Eva hoort natuurlijk alleen wat zij graag
hoort.
3 De voorzegging van de verplettering van de slang:
a) het
woord 'verpletteren' is hier geen goede vertaling want dan zou de slang op haar
beurt de hiel van de vrouw moeten kunnen verpletteren en dat is een ongerijmdheid.
Ik houd het op de (Willib.)vertaling 'bedreigen' of 'belagen'.
Als de betekenis van vs 15 zie ik
dat God een scheiding "sticht" tussen het aarde-leven en het
geestelijk leven, leven met God; in het verhaal dus tussen de slang en de
vrouw. Het geestelijk leven, geloofsleven, gaat niet meer vanzelf, niet meer
samen met het aarde-leven, zoals het eerst was. Dat is de pijnlijke ervaring;
de mens kan
zonde doen.
b) Nu het element van voorzegging, 'Ik zal …
". Ook hier weer een vertaalfout: niet "vijandschap zal ik
stellen" maar "vijandschap stel/sticht ik". Door de zonde van de
mens is die vijandschap 'geloofsleven - aarde-leven' nu actueel, dus
niet later. Het is dezelfde fout als bij "Ik zal er zijn" (leuk als
je nu in de penarie zit). Het z.g. imperfectum van die
werkwoordsvorm geeft aan dat de handeling aan de gang is, voortduurt of zich
herhaalt. Dus: "Ik ben (er) altijd". De Willibrord vertaalt hier dan
ook de tegenwoordige tijd: "Ik sticht". God
stelt een onderscheid tussen die twee soorten leven. Dus voortaan zullen zij elkaar belagen: vanaf nu in
de toekomst. Ik zie dus geen voorzegging dat de vrouw (Maria?) de slang later
zal verpletteren. Ook in Apocalyps (12) nergens dat de vrouw de (kop van de)
slang verplettert. Het kroost van de vrouw belaagt de slang de kop, de plaats
om haar te pakken, dus een serieuze belaging, en het kroost van de slang valt
altijd van achteren aan, waar je geen ogen of handen hebt, onverwacht. Zo wordt
die mens-eigen drang naar zelfontplooiing als 'slangenlistige-aanval-van-achteren'
beschreven en - wat ik mooi vind - wordt de vrouw geplaatst als de figuur die
het geloofsleven, leven met God, kent. Bij de profeet Jesaja komt dat nog ter
sprake. Zelfontplooiing is op zich niet fout als de ongebreidelde drang naar
maar geen overhand heeft.
4 De zwangerschaps- en baringsweeën van de vrouw en het
droevige bestaan van de man in zijn werk tussen doornen en distels raken de
vrouw en man in hetgeen hen het meest als individu
kenmerkt - dacht ik. Eigenlijk moest het baren vanzelf gaan en was het werk in
de tuin leuk onderhoud. Dat is voorbij. Zo herinnert de Jood zijn toehoorders
voortdurend aan wat 'verloren' is maar waarnaar je wel kunt streven, waarop je
kunt hopen.
5 De schildering van de seksuele verhouding tussen man en
vrouw: ik denk dat de Jood het niet alleen op seksueel gebied zo ziet maar in het algemeen dat de vrouw afhankelijk is van de man. Die
situatie zou dan het gevolg zijn van de zonde, misschien als een straf dat de
Jood-man de ideale levenspartner, 'vlees van mijn vlees', kwijt is. Dat wil dan
ook zeggen dat 'beginnelijk' de vrouw gelijkwaardig is aan de man. Maar nu
heeft zij hem erin geluisd - wist hij veel ? - en is
die gelijkwaardigheid zoek. Zij is dus van hem afhankelijk - ik dacht laatst
nog: "wat voel ik toch? het zal dát geweest zijn". Maar dat die vrouw tot grote
liefdedaden in staat is en dat hij zich laat ringeloren door de vrouw - dat
wist hij al - dacht ik - en dan hoef je dat niet nog eens op te schrijven …
Alle gekheid op een stokje - zo ziet de Jood de man/vrouwsituatie in het algemeen, misschien wenst hij zich die
afhankelijkheid wel, misschien neemt hij zo zijn verantwoordelijkheid, maar er
staat niet dat het zo moét zijn; dat 'gebeente van mijn gebeente' blijft het
ideaal.
6 De trieste dood en dan? Het is niet bepaald hoopvol wat de man
wordt voorgehouden. Ik zie daar zo iets als een benadering door de Oosterling,
die wat royaler is met duidelijke expressies dan hedendaagse Westerlingen:
"Ik heb Jacob lief gehad en Esau gehaat". Haten mag niet, ook niet in
het O.T.; wij gebruiken dus een ander woord, 'aan Jacob de voorkeur gegeven
boven Esau'. Volgens Willibrord 1995 is vs 14 - 19 een
soort lied. Wellicht moet Adam even goed
op zijn nummer worden gezet, moet hij even flink in het stof bijten, en als je
verder leest, vind je o.a. in psalm 113, 7 " Die de arme tilt uit het stof
….". Beide gelden. "JHWH is een barmhartige
en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw" (Ex 34, 6) is een
kernpunt van de Joodse geloofsbelijdenis. God maakt dan ook kleren voor hen en
Adam zal na zijn dood wachten op de laatste dag waarop hij wordt beoordeeld.
7 Je vraagt mijn mening over euthanasie. Laten we voorop
stellen dat niemand voor euthanasie is net zo min als (toentertijd)
voor kruisraketten. Maar … en nu komt het grote boek van 'voor-en- tegen's.
Tja, ik heb in situaties gezeten waarin je zegt dat meer aandacht voor de zieke
hem goed zou doen en de vraag 'euthanasie?' opheft, en situaties waarin je zegt
dat, als ze vraagt om euthanasie, ik daarmee - moreel - geen moeite zou hebben,
hoe spijtig ook. Ik ben tegen mensonwaardig leven en dus ook mensonwaardig
sterven. Het sterven van mijn ouders was schitterend, een geschenk. Als het
sterven dan geen geschenk kan zijn, mag dan een on-geschenk niet worden verhinderd
of zo? Ik denk dat veel reacties op euthanasie door angst, onvoldoende
vertrouwen in anderen, bekrompenheid en noem maar op worden ingegeven.
Eerlijkheid en realiteitszin zijn voorwaarden zonder welke discussie over
euthanasie geen zin heeft en die getoetst moeten kunnen worden. Punt twee is of
je die eerlijkheid en realiteitszin in een wet vast kunt leggen om misbruik
tegen te gaan, want er zijn altijd mensen die volgens de (letter van de) wet
denken en niet volgens de bedoeling, de geest van de wet.
Is het zo voldoende? Gaarne gegroet! Piet

7 Meer over het 1e scheppingsverhaal
Ik vond later (Advent '06) bij nader inzien dat Genesis 1 ook in onze
koers meer aandacht verdient. Het geniale daarin vind ik dat de Jood door zijn
ervaring van het dagelijkse leven tot een inzicht kwam, een duiding gaf aan wat
hij ervoer. Dat moge vrij normaal zijn voor de mens, geen enkel geloof heeft die
betekenissen die hij geeft - heeft gekregen - met éen God als uitgangspunt,
monotheïsme. Dat ga je openbaring noemen. Wel oppassen dat we onze (Europese)
begrippen niet boven de beelden van de Jood stellen. Hij beschrijft en wij
proberen daarmee klaar te komen met behulp van ons denkgereedschap. Als je de
tekst goed bekijkt, blijkt de schepping te zijn gemaakt in tweemaal drie dagen.
Je kunt nl. in de vierde dag een verlenging, praktische invulling, zien van de
eerste dag, in de vijfde van de tweede, in de zesde van de derde dag. Dat is
met opzet gebeurd. Welke?
De eerste dag gaat - vind ik - niet over
elektromagnetische golven, of waarmee onze oogzenuw wordt geprikkeld. Dat is
voor de vierde dag. Zij gaat over de ervaring van mensen die aan de hand van de
dag en nachtcyclus merken dat ze zien en niet zien, waarnemen en niet
waarnemen, en die vervolgens verder gaan duiden dat zij zicht hebben, inzicht,
kennis, besef of niet: licht - duisternis oftewel:
inzicht en geen inzicht, kennis en onkunde, bewust zijn of onbewust zijn. De
mens kan onderscheiden en begrijpen. Mij lijkt dat gewoonweg het wezenlijke van
de mens: hij beseft, weet dat hij beseft, wat een dier niet doet. Dat inzicht
hoor ik in Die Schöpfung door het heldere, sterke accoord in C groot:
"(und es war) LICHT". Knal, net zoals inzicht zich ineens voordoet.
Al of niet met donderslag. Astublieft! Dat heeft de mens niet van zichzelf maar
van God. Geloofsbelijdenis art. nr. 1.
De Jood laat niet eerst de mens 'blind' geschapen worden,
die vervolgens inziet, maar hij stelt 'het licht' voorop als een geestelijk
vermogen dat niet van de mens afhankelijk is; het komt van de Schepper, die
(ook) Licht is. Daarmee (en met zijn vrijheid) lijkt hij het meest op God. En
daarmee kan hij zijn verhaal gaan vertellen. Voor zover mij bekend hanteert hij
als enige dat standpunt tegen de ideeën van de omliggende volken in. Hij is
daarin uniek. En wij doen het nog: "….van het
zichtbare en onzichtbare".
De vierde dag is een vervolg, nadere invulling, een
concreet maken van dat Licht m.b.v. hemellichten. Zij moeten dag en nacht
aangeven, betrouwbare tekens zijn voor feesten en tijden en de aarde
verlichten; drie functies. Vaker wordt in het O.T. de hemel, de schepping, tot
getuige van betrouwbaarheid, waarheid, geroepen. Die drie functies worden in vs 17 en 18 nog eens
in omgekeerde volgorde herhaald: 'verlichten' in vs 17 en 15, vervolgens
'heersen' in vs 18a en 'als tekens dienen voor' in vs 14b en tenslotte
'scheiden' in vs 18b en 14a. De tekst is dus gecomponeerd; het gaat niet om
historische of logische volgorde.
De tweede dag gaat over het oerwater, dat al in vs 2 wordt genoemd. Ik hanteer daar liever " … de Geest
van God zweefde boven de wateren" dan "… een hevige wind joeg de
wateren op". Dit laatste moge aansluiten bij chaos ("woest en leeg") maar in
het Hebreeuws kun je de nevenstelling "en de Geest …" ook als
tegenstelling verstaan: "… maar de Geest zweefde boven de
wateren", als een troost, een teken van hoop of een bemoediging of duiding
dat God (toch) bezig is in de chaos.
Het (chaotische) oerwater moet kennelijk gesplitst worden
opdat tenslotte het land (geordend) te voorschijn kan
komen. Net als op de eerste dag wordt ook op de tweede maar één activiteit
genoemd: ook weer fundamenteel. Het 'chaos'water boven
het uitspansel komt - bij mijn weten - alleen maar naar beneden bij de
zondvloed; toen was het ook chaos (door het kwaad). Dus in de mythe. Een boer
weet dat gewone, 'vruchtbare', regen uit de wolken valt.
Op de vijfde dag wordt het 'onder'water gevuld met dieren,
het wemelt en krioelt. Toch een beetje onrustig, zeker met die grote
zeemonsters. De Joden waren geen zeevarend volk. Ook geen zeevissers. Doordat
het uitspansel in vs 7 'boven' en 'onder' scheidt,
krijg je 'automatisch' de lucht, die dus ook gevuld wordt en wel met
gevleugelden. De zeedieren worden nog in drie soorten vermeld maar de vogels
worden over éen kam geschoren. Het lijkt meer op een 'opvullen' dan een duiding
zoals bij het licht, maar dan volgt de zegening in vs
22: vruchtbaarheid. Die zegening is kennelijk alleen voor de zich bewegende
schepsels.
De derde dag lijkt mij een climax t.o.v. de voorgaande
dagen. Eerst was het een abstract principe, toen een heelal-wording,
kosmogonie, wereld-geboorte met concreet materiaal nl. water en nu op de derde
dag is de grond waar we op staan, het land. En wel het vruchtbare land. Daarom
lijkt het mij logisch dat de derde dag ook vegetatie inhoudt. Dat zaad zit al
in de grond. Daar heeft een boer wat aan. Ook al heeft hij geen weet van
bestuiving.
De mythen van omliggende volken kennen ook het oerwater en
het eerste het land dat oprees uit het oerwater werd in de Egyptische
mythologie 'navel der aarde' genoemd. In Egypte hadden de Joden ook gezien dat
de Nijl zich jaarlijks zich terugtrok uit overstroomde delen land, waarna daar
nieuw leven zich ontplooide. Dus het idee dat het water zich bij de schepping
van het land moest terugtrekken, geordend moest samenvloeien op een punt, dat
het een leef-principe is, zou daarvandaan kunnen komen. Ook hier denk ik weer
aan indringende ervaringen die geduid worden in geloof.
Op de zesde dag moeten er landdieren komen. Hun zaad zit
niet reeds in de grond; zij worden apart geschapen.
Zij zijn dan ook een nadere invulling van 'land'. Weer drie soorten: tamme,
bruikbare dieren, dan mindere dieren die over de grond kruipen en de
onbruikbare, gevaarlijke dieren. En uiteindelijk de mens als …… vult u zelf
maar in. "En God zag dat het heel goed was".
Qua tekst is de zesde dag de langste. De mens krijgt
instructies mee over zijn voedsel, dat anders is dan dat van de dieren. In het
2e verhaal is Adam de man van de Adama, de aarde, een heilige akker
die hij zelf bewerkt. Dieren kunnen dat niet.
Later, na de zondvloed (Gen. 9), wordt
'Noach met zijn zonen' weer gezegend en mag hij ook vlees van dieren eten.
Aanvankelijk waren zij nomaden die met hun kudden tamme dieren rondzwierven en
hoofdzakelijk daarvan leefden. Later na de vestiging in het Beloofde Land
werden de Joden ook landbouwers (wijnbouw!) en het 'verlof' om het vlees van
alle dieren te eten wordt verbonden aan het nieuwe verbond met Noach. Maar aan
die zich reëel voordoende mogelijkheid tot voeding wordt een beperking
verbonden die niet voor akkerproducten geldt, nl. eerbied voor het 'gezegende'
leven; concreet: geen ziel, vlees met bloed er nog in, consumeren.
En de zevende dag rustte God.
Vanuit getallensymboliek
('3') bekeken zijn die (2 x) drie dagen intrigerend. Je ontkomt niet aan een
doorslaggevend element: op de derde dag is de kosmogonie gereed en op de zesde
is de concrete schepping klaar om zich verder te ontwikkelen - ze is dynamisch
- maar er moet nog een zevende dag bij. Zo is er een reeks: 3 principes,
telkens 2 elementen en 1 'slot'. Of terug bij begin? Moet die zevende dag die 2
x 3 bij elkaar houden? Het lijkt gespeel maar als u wat meer thuis bent in
getallensymboliek, gaat u iets vermoeden.
Dat zou wel de gedachte aanreiken dat 'oer' - de eerste
drie dagen - en werkelijkheid - de tweede drie - bijeenhoren, dat 'oer' zich in
de werkelijkheid manifesteert, de werkelijkheid door haar oorsprong, bedoeling
wordt bepaald. Een hemellicht verwijst naar het Licht en het Licht manifesteert
zich in een hemellicht. Een dier verwijst naar …. Dat is stof om over na te denken. In
rust. Krijg je ook. Hoort erbij. Kun je je ook over
verheugen want het was zo goed. En als je zo goed bent en goed doet, heb je wat
met God. En HijZ met jou. Want dat is Hijz' bedoeling. Geloofsbelijdenis
art.nr.a.
Dynamisch, week in, week uit. Maanden. Jaren. Maar dat heeft u al gezien bij getallensymboliek
onder '7' en '2 x 7'.
Er is nog iets. Uit '2 x 7' blijkt dat de week al bekend zou zijn. In
Egypte en Chaldea (Z.Mesopotamië, waar Abram vandaan kwam) werd zij
aangehouden. De dag is de kleinste eenheid van tijdsduur door de natuur
gegeven. De week is door de mens als kortste leef-tijd gekozen binnen het kader
van 'Het Religieuze', van wat in '2 x 7' staat; het
scheppingsverhaal daaroverheen leggen is een geloofsbelijdenis: door in een
weekcyclus te leven houdt de Jood/Christen zijn door God geschapen zijn in het
oog. Week in, week uit houdt hij al werkend schepping in stand. Standpunt.
En nu een beetje
exegese. Uitgaande van het beginpunt dat eerst de week bestond, werd gehanteerd, en daarna
het scheppingsverhaal ontstond: is het dan niet begrijpelijk dat het idee van
scheppings'dag' gebaseerd is op de weekdag? Voor iedere weekdag staat een
scheppingselement. De woensdag staat voor de vierde 'dag' waarop zon, maan en
sterren worden gemaakt en de zaterdag voor de heilige rustdag. Dan kun je
denken dat de verteller zich heeft moeten aanpassen aan dat weekschema door 2 x
3 dagen aan te houden. Je kunt ook zeggen dat hij zich heeft willen aanpassen
omdat hij die drie gegevens van Licht/inzicht, kosmische ordening en
leefwereld-ordening als basisideeën zag, die in werkelijkheid vorm kregen. Dan
maakt hij een bewuste keuze: geloofsbeleving voor iedere dag.
"God
scheidde het licht van de duisternis". Waarom staat dat er uitdrukkelijk
bij als duisternis al 'geen licht' inhoudt? Je kunt denken dat zo een 'goed en
tegelijk niet-goed', de tegenstrijdigheid, wordt uitgesloten. Maar er voor
staat "en God zag dat het licht goed was". Wordt zodoende binnen het
geloof goed - kwaad automatisch bij 'licht', inzicht betrokken? Mij lijkt van
wel. Dat is dan knap.
Ik kan niet laten: nog een stukje tekst
over de Egyptische god Pta.
"Gij hebt de aarde
geordend, gij het uw vlees verenigd, gij
hebt uw lichaamsdelen geteld en gij vond uzelf als de ene die reeds in orde
was. Gij, god die de twee landen (Opper- en
NederEgypte) formeerde, gij hebt geen vader die u in uw bestaan voor …. (?), gij hebt geen moeder die u baarde, gij schiep uzelf, een die
voltooid was, een die reeds geheel voltooid te voorschijn kwam. Hem (de
zonne'god' Atum) echter die uw mond voortbracht, die uw handen schiepen, gij hebt hem in het oerwater grootgebracht. Het werk uwer handen werd geformeerd naar uw schoonheid".
Dat is wat je noemt 'mythisch denken', een vinger achter
de realiteit proberen te leggen - te krijgen. Het onzegbare te mogen gaan
voelen, het onaanraakbare te zien. Bij ons gaat zo iets over in
duiding-in-geloof, in sacramenteel denken,
de Ander zien achter/in de werkelijkheden. God is Licht, is Leven, is Liefde.
Kan het voor ons schepsels fundamenteler?
© 2000 -2003 P.Goris Epe Verder naar
Exodus