Terug naar overzicht

Terug naar ontstaan en taal

emailadres

4   Genesis

 

 

1  Wat gaan we doen?

2  De scheppingsverhalen

2.1  de bijbelse verhalen

       het 1e    het 2e 

2.2  commentaar

       het 1e + 2e 

       het 1e    het 2e

2.3  andere verhalen

2.4  wat daarin opviel

3  De opzet van Genesis

4  Het zondvloedverhaal

4.1  het hele verhaal

4.2  wat we ervan vonden

4.3  de versie van de Jahwist

4.4  de versie van de Priester 

4.5  wat we concludeerden

4.6  een paar opmerkingen

 

5  Verdere lotgevallen van Abram

5.1  inleiding 

5.2  de roeping van Abram

5.3  de beloften aan Abram 

5.4  de elementen van Genesis 15

5.5  het restant van Genesis 

6  Inbreng Genesis 3  (J.v.d.Heijden)

7  Meer over Genesis 1

 

 

 1  Wat gaan we doen ?

Over een mogelijke indeling, opzet en bedoeling spreken we later. Na de lange inleiding zijn we direct wat concreter begonnen met de scheppingsverhalen. Het is niet de bedoeling het hele boek door te nemen maar slechts enkele belangrijke hoofdstukken om feeling te krijgen met waar het om gaat.

 

 2  De scheppingsverhalen

De bijbelse verhalen  2.1

Het eerste verhaal

1 1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2 De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest van God zweefde over de wateren. 3 Toen zei God: “Er moet licht zijn!” En er was licht. 4 En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis; 5 het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag.

6 En God zei: “Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.” 7 En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het. 8 Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.

9 En God zei: “Het water onder de hemel moet naar één plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.” Zo gebeurde het. 10 Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was. 11 En God zei: “Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.” Zo gebeurde het. 12 En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag.

14 En God zei: “Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, voor zowel de feesten als voor de dagen en de jaren, 15 en als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten.” Zo gebeurde het. 16 God maakte de twee grote lampen, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en Hij maakte ook de sterren. 17 God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten, 18 om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht van de duisternis te scheiden. En God zag dat het goed was. 19 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vierde dag.

20 En God zei: “Het water moet wemelen van dieren en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.” 21 Toen schiep God de grote zeemonsters en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was. 22 God zegende ze en Hij sprak: “Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk het water van de zee, en laat de vogels talrijk worden op het land. 23 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vijfde dag.

24 En God zei: “Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.” Zo gebeurde het. 25 God maakte de wilde beesten op het land, soort na soort, de tamme dieren, soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was.

26 En God zei: “Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt. 27 En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. 28 God zegende hen, en God sprak tot hen: “Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.

29 En God zei: “Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan jullie, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij zullen jullie tot voedsel dienen. 30 Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels van de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan alles wat dierlijk leven heeft, geef Ik al het groene gewas als voedsel.” Zo gebeurde het. 31 God bekeek alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de zesde dag.

2 1 Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles waarmee ze toegerust zijn. 2 Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de zevende dag van al zijn werk dat Hij verricht had. 3 God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht.

4 Dit is de geschiedenis van het ontstaan van de hemel en de aarde, zoals ze geschapen zijn.

 
Het tweede verhaal

(JHWH geschreven wordt uitgesproken als ‘de Heer’; de Joodse gewoonte!)

Toen JHWH God aarde en hemel maakte, 5 waren er op aarde nog geen wilde planten en groeide er geen enkel veldgewas, want JHWH God had nog geen regen op de aarde laten vallen en er was nog geen mens om de grond te bebouwen, 6 om het water uit de aarde omhoog te halen en de aardbodem te bevloeien. 7 Toen boetseerde JHWH God de mens uit stof dat Hij van de aarde nam, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.

8 Daarna legde JHWH God een tuin aan in Eden, ergens in het oosten, en daarin plaatste Hij de mens die Hij geboetseerd had. 9 JHWH God liet uit de grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten. Midden in de tuin stonden de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad.

10 In Eden ontspringt de rivier die water geeft aan de tuin; zij splitst zich in vier armen. 11 De naam van de eerste is Pison, deze stroomt om heel Chawila heen, waar goud is. 12 Het goud van dat land is voortreffelijk; en ook balsemhars en edelstenen worden er gevonden. 13 De tweede heet Gichon, deze stroomt om heel Kus heen. 14 De derde heet Chiddekel; deze loopt in het oosten van Assur. De vierde is de Eufraat.

15 Toen bracht JHWH God de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te beheren. 16 En JHWH God gaf de mens dit gebod: “Je mag van alle bomen in de tuin overvloedig eten, 17 maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten, want op de dag dat je daarvan eet, zul je sterven.”

18 JHWH God sprak: “Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past. 19 Toen boetseerde JHWH God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe hij ze zou noemen: zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten. 20 De mens gaf dus namen aan alle tamme dieren en aan alle vogels van de lucht, en aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet. 21 Toen liet JHWH God de mens in een diepe slaap vallen; en terwijl hij sliep, nam Hij één van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats. 22 En JHWH God vormde de rib die Hij uit de mens had weggenomen tot een vrouw, en bracht haar naar de mens. 23 Toen zei de mens:”Eindelijk, dit is been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! Mannin zal zij heten, want uit een man is zij genomen.”

24 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één zijn. 25 Ze waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze voelden geen schaamte voor elkaar.

 


Commentaar  2.2

a)  over het 1e  en 2e verhaal

Het 1e verhaal, Gen 1,1 - 2,4a, verschilt nogal van het 2e. Het 2e lijkt een uitvergroting van het 1e maar dat klopt niet. De volgorde in het ontstaan van de schepping is anders. In het 1e verhaal ontstaat na de ordening eerst de vegetatie op het land, daarna wat in het water groeit en in de lucht leeft, vervolgens de dieren op land en dan de mens. In het 2e verhaal begint JHWH met de mens, vervolgens de heerlijke tuin en dan pas de dieren als gezelschap voor de mens.

In het 2e verhaal herkenden we meer de zorg voor de mens, JHWH is veel liever (‘Onze Lieve JHWH’) dan G 0 D, Hij is verbonden met de mens, dichtbij (zoals ook in de Vertelling van Andriessen beschreven wordt), Hij boetseert en zoekt een hulp die bij de mens past. JHWH legt iets van zichzelf in die hulp.

Het 1e verhaal is kosmisch, is plechtig, een beetje ‘van boven af’, heel principieel: punt van uitgang is dat G 0 D hemel en aarde geschapen heeft. Het tweede principe is dat HijZ licht maakt en daarmee orde, inzicht mogelijk maakt, en dat HijZ orde brengt in chaos door scheiding van licht en duisternis, en het derde dat HijZ het oerwater scheidt m.b.v. de hemel en vervolgens de aarde ordent, die gekenmerkt wordt door vegetatie.  Daarna komen de invullingen met lampen, dan met wat onder de grond is (in het water) en daarna met wat boven de grond is (in de lucht), keurig geordend. De schepsels die zich kunnen bewegen worden gezegend en zullen vruchtbaar zijn. Als G 0 D de mens gaat maken spreekt HijZ in de 1e persoon. Dit duide op een persoonlijke verbondenheid met de mens (hetgeen het 2e verhaal ook, maar anders, laat blijken.)

In vs 27  driemaal het woord ‘schiep’, uitdrukkelijk en plechtig. Man en vrouw samen zijn beeld en gelijkenis van G 0 D: de mens is van goddelijke adel. (Zo verheven spreekt het 2e verhaal niet.) "En zie, God zag dat het zeer goed was."

Opm. Misschien is het opgevallen dat voor het principe Licht en het principe aarde nadere invullingen worden gegeven: zon, maan en sterren (vs 14vv), en dieren in de zee en op het land (vs 20vv), maar voor het land wordt die invulling meteen gegeven. De vegetatie zit -anders dan dieren - vast aan (in) de grond; waarschijnlijk wordt ze daarom niet nog eens genoemd bij verdere invulling; dan zou het een standpunt kunnen zijn nl. dat het land principieel plantdragend is.

De realiteit is en was natuurlijk anders: die verhalen zijn (historisch) niet-waar. De schrijvers willen geen ‘meetbare’, op waarnemingen gebaseerde en beredeneerde, ontstaanstheorie geven want de redacteur(en) zet(ten) twee onderling verschillende verhalen naast elkaar. Zonder gevoel voor geloofsverhaal, symboolverhaal, kun je de bijbel niet lezen. De schrijver wil iets duidelijk maken. Daarin is het verhaal waarachtig, liegt het niet. Omdat de schepping zich ontwikkelt, alles verandert, moet er een begin zijn; wij kunnen het ons niet anders voorstellen. Maar het eerste verhaal gaat er van uit dat de menselijke vraag ‘Hoe is het gekomen?, ‘Wat is het begin?’ buiten ons vermogen ligt en het belijdt dat er een ‘Macht’ is die dat heeft veroorzaakt. Inzake het tweede verhaal vonden wij dat als fundamenteel standpunt duidelijk werd gemaakt dat de mens is bestemd voor het goede, dat hij in het paradijs thuis hoort en dat menselijk gesproken aards paradijs wil zeggen dat bijna alles mag en goed is.

Maar we weten ook dat dat paradijs niet reëel is, nooit reëel is geweest, maar wel als verlangen in ons leeft. Een oerverlangen - dus vooraan in de bijbel. Onvolmaaktheid en het kwaad bestaan naast het goede. Ook al wil de mens goed zijn, hij faalt en zit gevangen in een web van onmacht. Dat zou je erfzonde kunnen noemen. De enige weg om toch het paradijs zo goed mogelijk waar te maken, reëel te houden, is vergeving (N.T!). Zo is dat verhaal ook ons verhaal, is Adam iedere mens, nog steeds. Het paradijsverhaal is een symboolverhaal dat we herkennen en waaraan wij ons kunnen optrekken.

(Voor de zekerheid: vergeving, zeker in kwetsende gevallen, is pas ter zake als

de misdoener om vergeving vraagt - Lc 17,3v. Je hoeft hem niet na te lopen !)

 

b)  over het 1e verhaal

"In het begin ..." In de hebreeuwse tekst staat het lidwoord ‘het’ niet. Het is dus de vraag of er een (geschiedkundig) begin van iets wordt bedoeld. De vertaling "Beginnelijk ..." , "In beginsel schiep GOD ..." zet ons op het spoor van een beginselverklaring: punt van uitgang is dat GOD hemel en aarde geschapen heeft. Dat is een verschrikkelijk fundamentele geloofsbelijdenis, een overstap van a-materiële geest (God) naar materie. Het is een hele stap voor de (materiële) mens om dat te zien.  Over de vertaling "God scheidde de hemel en de aarde" zie in 2.3 en 2.4

Het betreft niet alleen de schepping in het algemeen maar ook mijzelf: ik ben afhankelijk van, begonnen met God, ook al leken het maar twee celletjes. Afhankelijk, niet alleen dat ik er ben, ook hoe ik ben. Als ik met mijn God te maken heb, als ik bid, ben ik in ieder geval bezig met Die, die mij gemaakt heeft, die met mij te maken heeft, wil hebben. Dat moge een startpunt zijn, ook voor het lezen van de bijbel. Zowel het 1e  als het 2e  verhaal staan lijnrecht tegenover de idee dat de mens nergens vandaan komt en nergens naar toe gaat. Dat noem ik een geloofsbelijdenis.

Johannes begint zijn evangelie ook zo: "In principio ..." Als je vertaalt "In het begin was het Woord" (in het Latijn kan dat omdat het geen lidwoord kent), impliceer je dat God een begin heeft en dat heeft HijZ niet. Daarom: ‘Punt van uitgang is dat ...’ Ook in het Grieks staat net als in het hebreeuws geen lidwoord, dat beide talen wél kennen.

M.a.w. we moeten het 1e scheppingsverhaal als geloofsuitspraak zien en niet als scheppingsgeschiedenis. Dat zit er nogal in gebakken. De Willibrord '95 begint vs 3 met "Toen …". Daarvoor biedt het hebreeuws geen (dwingende) reden maar het geschiedenis-verstaan ("In het begin..") misleidt daartoe. Natuurlijk vindt geloof en heil plaats onder mensen, die nu eenmaal geschiedenis hebben. Maar de bijbel is primair een geloofsboek, een verhaal van menselijke ervaring met Wie zij hun God noemen. Ga je dan ook niet zeggen: een verhaal van God met wie HijZ Zijn mensen noemt?

‘Gods Geest’ van 1,2 is niet hetzelfde als ‘levensadem’ van 2,7 ook al blaast JHWH die in. Je kunt bedenken dat het leven op zich, ook de mens, niet van(zich)zelf over Gods Geest beschikt; dan zou hij god zijn. Het schepsel krijgt Gods Geest, op verzoek. Die twee verschillende hebreeuwse woorden (Gods Geest - levensadem) worden evenwel niet consequent in dezelfde betekenis gebruikt.

Zweeft de Geest niet meer over de wateren? Ook in het O.T. is de Geest actief en wat mij betreft is Hij het nog steeds. Maar dat duidt er dan op dat de Geest voortdurend bezig is met de Schepping, ook met mijn zijn en mijn er-zijn. "...onttrekt Gij hun de adem, zij sterven ... zendt ge uw ademtocht, zij ontstaan" (ps. 104,29v). God houdt mij in Zijn Hand, onderhoudt mij en Zijn Schepping.

De hebreeuwse tekst ‘en GOD zag dat het goed was’ kun je ook vertalen ‘GOD zag hoe goed het was’.

In vs 14 wordt over feesten gesproken. Priesters moesten bepalen of een feestdag was aangebroken bijv. a.d.h. van de sterrenstand. Op zo’n dag werd geofferd, hetgeen ook hun belang was. Maar wat ook meetelt is dat de Jood een ‘Sjabbatskind’ mag zijn: feest hoort bij hem; niet alleen maar het werk.

Vs 26: mensen hebben dit van zichzelf durven/kunnen/mogen zeggen! 'Beeld' kun je opvatten als doel, 'gelijkend' als middel, 'gereedschap', om dat doel te bereiken. M.a.w. we kunnen naar God streven. Dat ligt in ons.

In vs 28 staat niet dat ze zo talrijk mogelijk moeten zijn; hetgeen vroeger wel is gedacht.

Vs 29 en 30: de zaadvormende gewassen en zaaddragende vruchten zijn voor de mens en het (gewone, wel groene) gewas is voor de dieren. Er zou onkunde in het spel kunnen zijn maar zinvoller lijkt mij te zien dat hiermee de mens op verantwoordelijkheid wordt aange­sproken: hij is degene die door met vruchtbaarheid te werken de schepping voortzet, kan beïnvloeden, kan manipuleren, misschien wel kan vernietigen (ofschoon me dat een hele klus lijkt). Hij heeft -zelf deel van de kosmos - een speciale relatie met de schepping.

Het getal zeven speelt een belangrijke rol: zeven dagen, zeven maal wordt het hebreeuwse woord ‘scheppen’ en ‘maken’ gebruikt. Het is heel tekenend dat de schrijvers de weekdagen, de weekcyclus, als ‘tijdsduur’ voor de schepping genomen hebben. Zie getallensymboliek onder 'Bijbelse begrippen".

c)  over het 2e verhaal

Het 2e verhaal is, anders dan het 1e verhaal, het begin van een langer stuk  dat verscheidene hoofdstukken omvat. (zie '3 De opzet van Genesis') Het 1e verhaal vergelijken met het 2e is dus enigszins onjuist.

In vs 5, 9 en 15 wordt de relatie mens - natuur nog duidelijker geplaatst: hij is niet alleen deel ervan, hij moet het veld cultiveren, om het voedsel zodat de schepping door kan gaan.

Vs 9: er zijn twee bomen in het spel: die van de kennis en die van het leven. De mens vergreep zich wel aan die van de kennis van goed en kwaad maar voordat hij dat met die van het leven zou doen werd hij uit het paradijs gezet (Gen 3,22v). Ik zie als betekenis van de kennisboom dat de mens zelf zou bepalen wat goed of kwaad is. (Dat is iets anders dan de vraag of hij zich iets aantrekt van het goede of kwade.) Die van de levensboom - dat de mens niet aan het levensbeginsel mag komen; kan komen.... ?  Als hij er niet aan kan komen volgens deze Joodse geloofsbelijdenis, en het blijkt dat de mens dat wel kan, dat de mens leven kan maken, is die geloofsbelijdenis niet geldig. Ik zie niet dat de mens inderdaad zelf leven kan maken maar het zou wel een heel fundamenteel punt zijn voor onze samenleving. Als de betekenis is dat mens het wel kan maar niet mag, dan spreekt eerbied voor de levende God eruit.

Vs 10vv geven een locatie aan het paradijs (dat nooit zo heeft bestaan) m.i. om aan te geven dat het toch op aarde gebeurde, moet gebeuren (niet later in de hemel) en zij geven ook aan hoe mooi het allemaal was (zou moeten zijn).

Vs 17: later blijkt dat de mens niet op die dag sterft (Gen 3) zoals wij dat nu verstaan; wellicht wordt bedoeld dat zijn puurheid, zijn Godskindheid, zijn schuldeloosheid, onbevangenheid e.d. sterft en vanaf dan verlangen 'knaagt', hoop nodig is, die eerder niet eens terzake was. Dat kun je zonde vinden van zijn paradijselijkheid - je kunt het ook zondetoestand noemen.

Vs 18: de verteller zegt dat zijn hunkering naar de ander door JHWH in de mens is gelegd. Is dat ook niet een geloofsbelijdenis ?

Vs 22: er zijn misschien nog personen die dit gebruiken om bijbels te legitimeren dat zij de vrouw niet aankunnen of die zich handhaven door te stellen dat de vrouw de tweede was in de scheppingsorde… 

Vs 22 die rib is niet alleen een stuk been van Adam, behorend bij zijn gebeente, stevigheid, wezen, maar ook een deel van zijn ademhalingsmechanisme …

Vs 23: nu spreekt de hebreeuwse tekst pas van ‘man’ en ‘vrouw’ (mannin). Tot nog toe was het ADAM - mens - , die de ADAMA bebouwt, en die DAM - (levens)bloed - heeft. Zo blijkt uit hebreeuwse woordspelingen de betrokkenheid van mens - natuur - leven (ook dat van de medemens!). Dat zijn heilige levenszaken. De adama mag niet ontheiligd worden door het (onschuldige) bloed van een medemens. Vlees waar nog bloed in zit (verstikt), mag niet gegeten worden.

Vs 24: je kunt een aanwijzing zien over de onverbreekbaarheid van het huwelijk; je kunt ook denken dat de gewoonte dat de man zijn ouders verlaat godsdienstig wordt gerechtvaardigd en de eenheid van man en vrouw zo nog eens godsdienstig wordt gefundeerd.

Opm: Over Genesis 1 heb ik nog wat toegevoegd

 

Verhalen van andere volken  2.3

Tenslotte hebben we een paar scheppingsteksten van andere volken bekeken.

1  Uit het Sumerische epos “Gilgames, Enkidu en de onderwereld”:

Op die dag, die verre dag,

in die nacht, die lang voorbije nacht, in dat jaar, dat lang geleden.jaar,

toen de bloemen op goddelijk bevel ontloken,

toen de bloemen naar goddelijke beschikking in de aarde werden geplant, toen ieder ding aan de voorraad van het land Sumer werd toegevoegd, toen het vuur in de haard van het land Sumer ontstoken werd, toen de hemel van de aarde gescheiden was, toen de aarde van de hemel was afgedaald, toen het zaad van de mensen werd gesticht toen An zich de hemel had uitverkoren, toen Enlil zich de aarde uitgekozen had,

toen aan Ereskigal de onderwereld was toevertrouwd….

2  Sumerische hymne op de ‘hak’:

De Heer schiep voorwaar de juiste orde,

de heer, wiens beslissingen onveranderlijk zijn.

Enlil haastte zich de hemel van de aarde te scheiden

zodat het zaad, waaruit het volk opgroeide, op het veld kon ontspruiten.

ja, hij voltrok de scheiding tussen hemel en aarde,

knoopte voor de aarde de spleet dicht in ‘de verbinding van hemel en aarde’,

zodat uit de Uzu-e (=voortbrenger van het vlees) de eerste mensen konden ontstaan.

Hij liet, toen het daglicht verscheen, de hak ontstaan,

stelde de plichten vast - doen en laten van de hakzwaaier,

opdat deze zijn arm naar hak en korf zou uitstrekken.

Daarna hief Enlil het lofgezang op de hak aan.

3  Uit Egypte  (fragmenten):

... de negenvuldigheid (d.i. de lagere goden, die de schepper ter zijde staan) zijn de tanden en de lippen van deze mond, die de namen van alle dingen noemde, waaruit Su en Tefnut voortgekomen zkin, die de negenvuldigheid geschapen heeft. Het zien van de ogen, het horen van de oren, het ademen van de neus, zij geven bericht door aan het hart. Het is het hart, dat iedere kennis doet ontstaan, en het is de tong, die herhaalt wat door het hart is gedacht.

Zo werden alle goden geschapen, en zo werd hun negenvuldigheid voltooid. leder goddelijk woord immers ontstond uit wat door het hart was gedacht en door de tong werd bevolen... Zo werden alle werkzaamheden verricht en alle handenarbeid, het doen van de handen en het gaan van de voeten en de beweging van alle ledematen overeenkomstig dit bevel dat door het hart wordt uitgedacht en door de tong uitgesproken... Vervolgens rustte Pta, nadat hij alle dingen en alle goddelijke woorden had gemaakt.

4  Uit Egypte; de god Re beschrijft zijn schepping:

... ik ben het die de aarde gemaakt en de bergketenen aaneengeknoopt heeft.

Ik ben het die de wateren heeft gemaakt, zodat de hemelkoe (de hemel, die zich boven het water verheft) ontstond.

Ik ben het die de stier heeft gemaakt voor de runderkudde, zodat de liefdesvreugde in de wereld kwam.

Ik ben het die de hemel heeft gemaakt en de geheimen van de beide horizonten,

opdat de zielen der goden erin wonen.

Ik ben degene die zijn ogen opent, zodat het licht wordt, en die zijn ogen sluit, zodat het donker wordt;

op wiens bevel de stromen van de Nijl voortvloeien, wiens naam de goden evenwel niet kennen.

Ik ben het die de uren schept, opdat de dagen worden.

Ik ben het die de nieuwjaarsfeesten maakt en die de overstromingen schept...

 

 

Wat daarin opviel  2.4

was dat de Egyptische scheppingsgod Pta ook sprak en het er dus was, ‘door het hart uitgedacht en door de tong uitgesproken’. Hebben mensen ook niet zo iets? Wij denken iets en doen het: ik denk/wil ‘arm beweeg’ en het gebeurt. Dus de stap van a-materieel naar materieel zit ook in ons! Re is het die zijn ogen opent zodat het licht wordt: dat ging dus nog steeds door in hun mythisch bewustzijn!  Ontbreekt zo iets bij ons niet?

In het Sumerische epos wordt de hemel van de aarde gescheiden: in oorsprong, in principe, zijn ze één! In de hymne op de hak verbindt Enlil hemel en aarde.  (Wie meer wil weten over dit soort teksten kan terecht bij W.Beyerlin ‘Godsdiensthistorisch tekstboek rond het O.T.’; KBS.)

Dat zijn dingen die je in de linnenkast kunt leggen tussen de mottenballen; je kunt ze ook in je zak steken en bij je houden. Het gaat om een groot religieus inzicht en een erfgoed dat door de verschillende volken verschillend wordt verduidelijkt. Zonder het religieuze geen geloof.

In Israël hebben twee tradities, twee groepen mensen hun visie gegeven op de schepping; de ene is de priesterlijke traditie, de andere de Jahwist. De Priester is rituele voorschriften gewend, hij ordent, kent de (feest)kalender uit de stand aan de sterrenhemel (vast in Egypte of Babylon geleerd; joodse priesters komen pas na de uittocht naar voren - Aäron, Levieten), spreekt plechtige taal die een beetje lijkt op hoe Pta spreekt. De Jahwist spreekt wat meer zoals de andere goden. Beide scheppingsverhalen zijn waarachtig, ze vullen elkaar aan. De grootste bok die je kunt schieten is ze als historisch waar te zien.

De twee verhalen riepen verschillende reacties op. De een hield het meer op het 1e, de ander zag het 2e meer zitten. Dus is het maar goed dat er twee verhalen zijn.

Nu de vertaling "God scheidde hemel en aarde", die prof. Van Wolde voorstelt. De taal-argumenten daartoe zijn de moeite waard. En ook misstaat het de bijbel niet dat ze aansluit bij andere oude visies en teksten. Maar dan zijn die eerste twee bovenstaande teksten in 2.3 wel zo verhelderend: de aarde werd van de hemel gescheiden, de aarde daalde uit de hemel neer; zodat het zaad kon ontspruiten. Ik zie daarin de idee dat materie ontstaat omdat 'het' van de hemel werd gescheiden; los van onstoffelijk­heid wordt stof zintuiglijk waarneembaar. Is er dan veel verschil met de opvatting 'schepping uit het niets' ? De hemel is immaterieel en kun je dan nog wel zeggen dat ze is geschapen, heeft ze niet altijd bestaan? Moet ze dan niet eerder Gods 'Woning' worden genoemd, Zijn Toestand, Zijn Zijn?  Tja, ach, in de hemel zien we wel verder. We kunnen ons nu nog verdiepen in Kol 1,15vv;  blijft indringend.

 

3  De opzet van Genesis

 

Als we naar de godsnaam kijken in de eerste hoofdstukken van Genesis krijgen we het volgende:

 

Hoofdstuk

Onderwerp

Traditie

1e

schepping

P(riester)  ‘Elohiem’ als godsnaam (majesteitsmeerv.v.Eel)

2e

schepping

J(ahwist)  ‘JHWH’ als godsnaam

3e

zondeval

J

4e

Kaïn - Abel

J

5e

geslachtslijst

P       de ordening, inkadering van J met P  duidt ook op P

6e

zondvloed

P en J door elkaar; soms G O D (Elohiem) soms JHWH

7e

8e

9e tot vs 20

10e

volkenlijst

P   als bij geslachtslijst, nu voor de (= alle andere) volken

11e tot vs 10

Babel

J    hoe het gekomen is dat mensen verschillend zijn

11e na vs 10

geslachtslijst

P    de nakomelingen van Sem; Semieten; richting Abram

 

 

U ziet dat de Priester zich heeft gemengd in de J-traditie. Hij zet zijn scheppingsverhaal vooraan en zodra door de Jahwist de ‘condition humaine’ (zie Inbreng Genesis 3) met het  4e hoofdstuk voldoende is verhaald, ordent hij weer met een geslachtslijst. Er is dus sprake van compositie door de definitieve redacteuren, mensen zijn er mee bezig geweest. In het bijbelpanorama is te zien dat de Jahwist begint in ca 960 begint (aan het hof) en P pas begint te schrijven in ca 500. De definitieve redactie van de Tora dateert van ca 400. Later zullen we ook aan de hand van teksten zien dat je inderdaad P en J kunt onderscheiden.

De eerste 11 hoofdstukken van Genesis verhalen het begin, het ontstaan in het groot geheel, ‘waar kom ik vandaan?’. Daarna gaat het vooral over het joodse volk. Het lijkt dus wel een inzoomen vanuit  het grote geheel, de hele schepping, naar dat kleine groepje mensen, van Adam naar Abram. Na hoofdstuk 11 beginnen de verhalen van de aartsvaders, Abram, Isaak en Jacob; hoe ze tenslotte in Egypte terecht zijn gekomen. Want daar zat de pijn waardoor alles is begonnen, waarna Israël Zijn heiligdom werd (Ps 114,1.2). Bij de uittocht was organisatie nodig en dat werd wellicht de aanzet tot de godsdienstige vorm van het Joodse geloof.

Maar je kunt even goed zeggen dat die hoofdstukken fundamenteel de menselijke situatie weergeven:

- ‘waar kom ik vandaan?’: van God;

- 'hoe ben ik, waarvoor ben ik bedoeld?': voor het paradijs;

- 'gaat dat dan niet?': nee, zie het eten van de appel, de broeder-moord, de slechtheid van de mensen ten tijde van  Noach en de hoogmoed van Babel;

- 'is er geen uitzicht ?': ja na de zondeval in het paradijs is er de belofte, na de broedermoord het beschermende teken, na de zondvloed de regenboog en na Babel begint het verlossingsverhaal voor het Joodse volk, via hen voor de wereld.

terug naar begin pagina

 

4  Het zondvloedverhaal

In dit verhaal is goed te zien dat er twee tradities zijn en hoe die in elkaar zijn gevlochten. Dus eerst

Het hele verhaal  4.1, hoofdstuk 6, (vanaf v5) en 7, 8 en 9:

 

6 5 JHWH zag hoezeer de slechtheid van de mensen op de aarde was toegenomen, en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging. 6 Daarom kreeg Hij spijt dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om. 7 En JHWH zei: ‘Ik ga de mens die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee, en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.’ 8 Alleen Noach vond genade in de ogen van JHWH.

9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef temidden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God. 10 Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. 11 De aarde was voor de ogen van G O D verdorven en vol gewelddaden. 12 God zag hoe bedorven de aarde was, want alle mensen op de aarde waren het verkeerde pad ingeslagen. 13 G O D zei tegen Noach:‘De dagen van de mensen zijn geteld, want zij zijn er de schuld van dat de aarde vol geweld is. Ik ga hen met de aarde vernietigen. 14 U moet een ark van pijnhout bouwen; met riet moet u de ark maken, en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. 15 U moet haar als volgt maken: de ark moet driehonderd el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog. 16 Het dak dat u op de ark aanbrengt moet één el naar buiten uitsteken. In een van de zijden moet u een deur aanbrengen; ook moet u een onderste, een tweede en een derde ruim maken.17 Want Ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen; alles wat zich op de aarde bevindt zal omkomen. 18 Met u echter zal Ik een verbond sluiten; u moet zich inschepen in de ark, met uw zonen, met uw vrouw en met de vrouwen van uw zonen. 19 Van alle levende wezens moet u verder één paar in de ark brengen, om ze met u samen in leven te laten blijven; een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn. 20 Van de verschillende soorten vogels, van de verschillende soorten vee, van de verschillende soorten dieren die over de grond kruipen, moet één paar met u meegaan en aldus in leven blijven. 21 Breng verder alle etenswaar bijeen en leg daar een voorraad van aan, zodat uzelf en de dieren kunnen eten.’ 22 Noach deed dit; alles wat G O D hem opgedragen had, voerde hij uit.

7 1 JHWH zei tegen Noach: ‘Ga in de ark met heel uw familie, want van deze generatie bent u de enige die in mijn ogen rechtschapen is. 2 Neem van alle reine dieren zeven paar mee, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren één paar, telkens een mannetje en een wijfje; 3 ook van de vogels in de lucht zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult u hun soort instandhouden op de hele aarde. 4 Want over zeven dagen laat Ik het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten, en Ik ga alles wat bestaat, alles wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem wegvagen.’ 5 En Noach deed alles wat JHWH hem opgedragen had. 6 Noach was zeshonderd jaar toen de vloed over de aarde kwam. 7 Om zich te beschermen tegen het water van de vloed gingen Noach, zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen, de ark binnen.  8Van de reine en van de onreine dieren, van de vogels en van al wat over de grond kruipt, 9 kwamen er telkens twee, een mannelijk en een vrouwelijk dier, bij Noach in de ark, zoals G O D opgedragen had. 10 En op de zevende dag stortte het water van de vloed over de aarde neer.

11 Het was in het zeshonderdste levensjaar van Noach, de zeventiende dag van de tweede maand; op die dag braken alle bronnen van de diepte los, de sluizen van de hemel gingen open, 12 en regen viel op de aarde, veertig dagen en veertig nachten achtereen. 13 Op diezelfde dag ging Noach de ark binnen met Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach, en met zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen; 14 en samen met hen kwamen ook al de verschillende soorten wilde beesten, al de verschillende soorten tamme dieren, al de verschillende soorten kruipende dieren, al de verschillende soorten vogels, al het gevogelte, alles wat vleugels heeft. Van alle levende wezens kwamen er telkens twee bij Noach in de ark. 16 Er kwamen mannelijke en vrouwelijke dieren, van alle levende wezens, zoals G O D had opgedragen. En JHWH deed de deur achter hem dicht. 17 Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde. 18 Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te staan, en de ark dreef op het water. 19 Het water bleef zo toenemen op de aarde, dat het al de hoge bergen onder de hemel bedekte. 20 Vijftien el daarboven steeg het water, zodat het de bergen bedekte. 21 Alle levende wezens die zich op de aarde bewogen, vogels, tamme en wilde dieren, en alle dieren die over de grond kruipen, en ook alle mensen kwamen om. 22 Alles wat levensadem in zijn neus had, alles wat op het droge leefde, vond de dood. 23 Alles wat op de aardbodem bestond werd vernietigd: de mensen, de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht werden van de aarde verwijderd. Alleen Noach en degenen die bij hem in de ark waren, bleven in leven. 24 Het water bleef stijgen op de aarde, honderdvijftig dagen lang.

8 1Toen dacht G O D aan Noach en aan al de wilde en tamme dieren die bij hem in de ark waren. En G O D liet een wind over de aarde gaan, waardoor het water begon te zakken. 2 De bronnen van de diepte en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op. 3 Het water vloeide langzaam van de aarde weg. Na verloop van honderdvijftig dagen begon het te minderen.  4 Op de zeventiende dag van de zevende maand kwam de ark op de bergen van Ararat te liggen. 5 Het water nam geleidelijk af tot de tiende maand; op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar.

6 Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht. 7 Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen tot het water op de aarde was opgedroogd. 8 Toen liet hij een duif los, om te zien of het water al van de aardbodem was weggestroomd. 9 Maar de duif vond geen plek waar zij haar pootjes kon neerzetten, en keerde bij hem terug in de ark; want het water bedekte nog heel de aardbodem. Noach stak zijn hand uit, pakte de duif en haalde haar weer bij zich in de ark. 10 Nu wachtte hij nog eens zeven dagen, en liet opnieuw een duif uit de ark los. 11 Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam, met een groen olijfblad in haar bek, begreep Noach dat het water van de aarde weggezakt moest zijn. 12 Hij wachtte nog eens zeven dagen, en liet opnieuw een duif los; maar deze duif keerde niet meer bij hem terug. 13 In het zeshonderd-eerste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, begon het water boven de aarde op te drogen. Nu schoof Noach het dak van de ark opzij en keek naar buiten; en zie, de aardbodem was droog. 14 Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog.

15 G O D sprak tot Noach en zei:16 ‘Ga uit de ark, met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen. 17 Laat alle dieren die bij u zijn mee naar buiten komen, alle levende wezens, vogels, viervoetige dieren en kruipende dieren; dan kunnen zij weer de aarde bevolken, weer vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.’ 18 Toen ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen naar buiten. 19 Ook alle viervoetige dieren, alle kruipende dieren, alle vogels en wat op de grond kruipt, soort bij soort, verlieten de ark.

20 Toen bouwde Noach een altaar om JHWH te eren; hij deed een keuze uit de reine dieren en uit de reine vogels, en droeg op het altaar brandoffers op. 21 JHWH rook de aangename geur en zei bij zichzelf: ‘Ik zal de aardbodem nooit meer vervloeken vanwege de mensen: het hart van de mens is immers van jongs af geneigd tot het kwade. Ook de andere levende wezens zal Ik nooit meer treffen, zoals Ik nu gedaan heb. 22 Zolang de aarde bestaat, blijft er zaaitijd en oogsttijd,koude en hitte, dag en nacht, zomer en winter. Nooit houdt dat op.’

9 1 Toen zegende G O D Noach met zijn zonen, en zei tegen hem: `Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde. 2 Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; ze zijn onder uw heerschappij gesteld. 3 Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; Ik schenk u dat allemaal naast het groene gewas.4 Alleen vlees met de ziel - vlees met het bloed er nog in - mag u niet eten. 5 Ook uw eigen bloed zal Ik terugeisen: van alle dieren zal Ik het terugeisen en ook van de mensen, van de mensen onderling zal Ik het leven van de mens terugeisen.

6 Het bloed van degene die het bloed van een mens vergiet,

zal door mensen worden vergoten,

want de mens is gemaakt naar het beeld van God.

7 Wees vruchtbaar en word talrijk,

bevolk de aarde en word er talrijk.'

8 G O D zei tegen Noach en zijn zonen: 9`Nu sluit Ik mijn verbond met u en met uw nageslacht, 10 en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, alle dieren die uit de ark zijn gekomen, alle dieren van de aarde. 11 Ik sluit met u mijn verbond, dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.'

12 En G O D zei: `Dit is het teken van het verbond, dat Ik sluit tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle generaties. 13 Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. 14 Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak, en de boog in de wolken zichtbaar wordt, 15 dan zal Ik denken aan het verbond tussen Mij en u en alle levende wezens, aan alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer aanzwellen tot een vloed, om alles wat leeft te verdelgen. 16 Als de boog in de wolken staat, zal Ik hem zien en daarbij denken aan het altijd­durend verbond tussen G O D en alle levende wezens, alles wat op de aarde leeft.' 17 En G O D zei tegen Noach: `Dat is het teken van het verbond dat Ik heb gesloten tussen Mij en alles wat leeft op de aarde.'

18 De zonen van Noach die met hem uit de ark gekomen waren, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham is de vader van Kanaän. 19 Deze drie waren de zonen van Noach, en door hen werd de hele aarde bevolkt. 28 Noach leefde na de vloed nog driehonderdvijftig jaar 29 De levensduur van Noach bedroeg negenhonderdvijftig jaar. Toen stierf hij.

 

terug naar begin pagina

Wat we ervan vonden  4.2

Net als bij de scheppingsverhalen waren we niet allemaal even enthousiast over het verhaal. Moet dat nou zo verteld worden ? De bedoeling is wel duidelijk maar dat allesvernietigende dan ? Tja, het verhaal van de oosterling, de Jood, ligt er. Wij zouden het wellicht anders brengen. Het vraagt dus weer een omschakeling in (cultuur)denken. We komen hierop nog terug.

Als je het verhaal argeloos leest, valt het niet zo op maar bij nadere beschouwing vraag je je af waarom de zondigheid van de mensen zo herhaald moet worden; waarom de ene keer één paar van ieder soort dier ingescheept moet worden (6,19) en de andere keer zeven paar (7,2), de ene keer regent het 40 etmalen, de andere keer komt het water van boven én beneden (7,11.12), waarom in 7,17 het water steeg, in v18 steeg en in v19 nog eens, waarom de duif van 8,9 geen vaste grond kon vinden op de toppen van de bergen van v5, waarom Noach in 8,13 pas zag dat het droog was terwijl dat door de duif allang duidelijk was geworden, waarom de ene keer god JHWH (de Heer) heet en de andere keer G O D (Elohiem), waarom het verbond met Noach twee maal wordt gemeld. Als we het verhaal in de twee tradities splitsen wordt dat duidelijk. Als criterium voor de splitsing hebben we de Godsnaam aangehouden. Niettemin kan het best zijn dat iemand een bepaald vers toch bij de andere traditie zet en doublures accepteert. Het gaat nu om het principe van twee tradities.

 

De versie van de Jahwist  4.3

 

6 5 JHWH zag hoezeer de slechtheid van de mensen op de aarde was toegenomen, en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging. 6 Daarom kreeg Hij spijt dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om. 7 En JHWH zei: ‘Ik ga de mens die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee, en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.’ 8 Alleen Noach vond genade in de ogen van JHWH.

7 1 JHWH zei tegen Noach: ‘Ga in de ark met heel uw familie, want van deze generatie bent u de enige die in mijn ogen rechtschapen is. 2 Neem van alle reine dieren zeven paar mee, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren één paar, telkens een mannetje en een wijfje; 3 ook van de vogels in de lucht zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult u hun soort instandhouden op de hele aarde. 4 Want over zeven dagen laat Ik het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten, en Ik ga alles wat bestaat, alles wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem wegvagen.’ 5 En Noach deed alles wat JHWH hem opgedragen had.(6 Noach was zeshonderd jaar toen de vloed over de aarde kwam.) 7 Om zich te beschermen tegen het water van de vloed gingen Noach, zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen, de ark binnen. (8 Van de reine en van de onreine dieren, van de vogels en van al wat over de grond kruipt, 9 kwamen er telkens twee, een mannelijk en een vrouwelijk dier, bij Noach in de ark, zoals G O D opgedragen had.) 10 En op de zevende dag stortte het water van de vloed over de aarde neer. 16c En JHWH deed de deur achter hem dicht. 17 Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde, 18b en de ark dreef (veilig) op het water. 22 Alles wat levensadem in zijn neus had, alles wat op het droge leefde, vond de dood.

8 6 Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht. 7 Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen tot het water op de aarde was opgedroogd. 8 Toen liet hij een duif los, om te zien of het water al van de aardbodem was weggestroomd. 9 Maar de duif vond geen plek waar zij haar pootjes kon neerzetten, en keerde bij hem terug in de ark; want het water bedekte nog heel de aardbodem. Noach stak zijn hand uit, pakte de duif en haalde haar weer bij zich in de ark. 10 Nu wachtte hij nog eens zeven dagen, en liet opnieuw een duif uit de ark los. 11 Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam, met een groen olijfblad in haar bek, begreep Noach dat het water van de aarde weggezakt moest zijn. 12 Hij wachtte nog eens zeven dagen, en liet opnieuw een duif los; maar deze duif keerde niet meer bij hem terug. 18 Toen ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen naar buiten. 19 Ook alle viervoetige dieren, alle kruipende dieren, alle vogels en wat op de grond kruipt, soort bij soort, verlieten de ark.

20 Toen bouwde Noach een altaar om JHWH te eren; hij deed een keuze uit de reine dieren en uit de reine vogels, en droeg op het altaar brandoffers op. 21 JHWH rook de aangename geur en zei bij zichzelf: ‘Ik zal de aardbodem nooit meer vervloeken vanwege de mensen: het hart van de mens is immers van jongs af geneigd tot het kwade. Ook de andere levende wezens zal Ik nooit meer treffen, zoals Ik nu gedaan heb.

22 Zolang de aarde bestaat, blijft er zaaitijd en oogsttijd,

koude en hitte, dag en nacht, zomer en winter.

Nooit houdt dat op.’

 

De versie van de Priester  4.4

 

9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef temidden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God. 10 Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. 11 De aarde was voor de ogen van G O D verdorven en vol gewelddaden. 12 G O D zag hoe bedorven de aarde was, want alle mensen op de aarde waren het verkeerde pad ingeslagen.

13 G O D zei tegen Noach:‘De dagen van de mensen zijn geteld, want zij zijn er de schuld van dat de aarde vol geweld is. Ik ga hen met de aarde vernietigen. 14 U moet een ark van pijnhout bouwen; met riet moet u de ark maken, en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. 15 U moet haar als volgt maken: de ark moet driehonderd el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog. 16 Het dak dat u op de ark aanbrengt moet één el naar buiten uitsteken. In een van de zijden moet u een deur aanbrengen; ook moet u een onderste, een tweede en een derde ruim maken. 17 Want Ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen; alles wat zich op de aarde bevindt zal omkomen. 18 Met u echter zal Ik een verbond sluiten; u moet zich inschepen in de ark, met uw zonen, met uw vrouw en met de vrouwen van uw zonen. 19 Van alle levende wezens moet u verder één paar in de ark brengen, om ze met u samen in leven te laten blijven; een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn. 20 Van de verschillende soorten vogels, van de verschillende soorten vee, van de verschillende soorten dieren die over de grond kruipen, moet één paar met u meegaan en aldus in leven blijven. 21 Breng verder alle etenswaar bijeen en leg daar een voorraad van aan, zodat uzelf en de dieren kunnen eten.’ 22 Noach deed dit; alles wat G O D hem opgedragen had, voerde hij uit.

7 11 Het was in het zeshonderdste levensjaar van Noach, de zeventiende dag van de tweede maand; op die dag braken alle bronnen van de diepte los, de sluizen van de hemel gingen open, 12 en regen viel op de aarde, veertig dagen en veertig nachten achtereen. 13 Op diezelfde dag ging Noach de ark binnen met Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach, en met zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen; 14 en samen met hen kwamen ook al de verschillende soorten wilde beesten, al de verschillende soorten tamme dieren, al de verschillende soorten kruipende dieren, al de verschillende soorten vogels, al het gevogelte, alles wat vleugels heeft. Van alle levende wezens kwamen er telkens twee bij Noach in de ark. 16 Er kwamen mannelijke en vrouwelijke dieren, van alle levende wezens, zoals G O D had opgedragen. 18 Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te staan 19 Het water bleef zo toenemen op de aarde, dat het al de hoge bergen onder de hemel bedekte. 20 Vijftien el daarboven steeg het water, zodat het de bergen bedekte. 21 Alle levende wezens die zich op de aarde bewogen, vogels, tamme en wilde dieren, en alle dieren die over de grond kruipen, en ook alle mensen kwamen om. 23 Alles wat op de aardbodem bestond werd vernietigd: de mensen, de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht werden van de aarde verwijderd. Alleen Noach en degenen die bij hem in de ark waren, bleven in leven. 24 Het water bleef stijgen op de aarde, honderdvijftig dagen lang.

8 1 Toen dacht G O D aan Noach en aan al de wilde en tamme dieren die bij hem in de ark waren. En G O D liet een wind over de aarde gaan, waardoor het water begon te zakken. 2 De bronnen van de diepte en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op. 3 Het water vloeide langzaam van de aarde weg. Na verloop van honderdvijftig dagen begon het te minderen. 4 Op de zeventiende dag van de zevende maand kwam de ark op de bergen van Ararat te liggen. 5 Het water nam geleidelijk af tot de tiende maand; op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar. 13 In het zeshonderd-eerste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, begon het water boven de aarde op te drogen. Nu schoof Noach het dak van de ark opzij en keek naar buiten; en zie, de aardbodem was droog. 14 Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog.

15 G O D sprak tot Noach en zei: 16 ‘Ga uit de ark, met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen. 17 Laat alle dieren die bij u zijn mee naar buiten komen, alle levende wezens, vogels, viervoetige dieren en kruipende dieren; dan kunnen zij weer de aarde bevolken, weer vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.’ 9 1Toen zegende G O D Noach met zijn zonen, en zei tegen hem: `Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde. 2 Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; ze zijn onder uw heerschappij gesteld. 3 Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; Ik schenk u dat allemaal naast het groene gewas. 4 Alleen vlees met de ziel - vlees met het bloed er nog in - mag u niet eten. 5 Ook uw eigen bloed zal Ik terugeisen: van alle dieren zal Ik het terugeisen en ook van de mensen, van de mensen onderling zal Ik het leven van de mens terugeisen.

6 Het bloed van degene die het bloed van een mens vergiet,

zal door mensen worden vergoten,

want de mens is gemaakt naar het beeld van God.

7 Wees vruchtbaar en word talrijk,

bevolk de aarde en word er talrijk.'

8 G O D zei tegen Noach en zijn zonen: 9 'Nu sluit Ik mijn verbond met u en met uw nageslacht, 10 en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, alle dieren die uit de ark zijn gekomen, alle dieren van de aarde. 11 Ik sluit met u mijn verbond, dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.' 12 En G O D zei:'Dit is het teken van het verbond, dat Ik sluit tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle generaties. 13 Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. 14 Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak, en de boog in de wolken zichtbaar wordt, 15 dan zal Ik denken aan het verbond tussen Mij en u en alle levende wezens, aan alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer aanzwellen tot een vloed, om alles wat leeft te verdelgen. 16 Als de boog in de wolken staat, zal Ik hem zien en daarbij denken aan het altijddurend verbond tussen G O D en alle levende wezens, alles wat op de aarde leeft.' 17 En G O D zei tegen Noach:'Dat is het teken van het verbond dat Ik heb gesloten tussen Mij en alles wat leeft op de aarde.'

18 De zonen van Noach die met hem uit de ark gekomen waren, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham is de vader van Kanaän. 19 Deze drie waren de zonen van Noach, en door hen werd de hele aarde bevolkt. 28 Noach leefde na de vloed nog driehonderdvijftig jaar .29 De levensduur van Noach bedroeg negenhonderdvijftig jaar. Toen stierf hij.

 

Wat we concludeerden  4.5

Hier daar is de demontage niet 100 % maar conclusie was dat de J-versie compleet genoeg was, afgezien dat niet gezegd wordt dat er een ark gemaakt moest worden, en die versie het verhaal was dat we van vroeger kenden. Daarin ook weer die lieve God die spijt kreeg en zelf zorgzaam de deur sloot, de lekkere geur ruikt en "nooit meer" zweert. Opvallend is dat J de getallen 3 (bij het loslaten van de duif), 7 (schepping!) en 40 veel gebruikt.

De P-versie is wat completer, kent voorschriften (6,14vv), ordening 'verschillende soorten' ( 6,20), jaar- en dagtallen, waterhoogten, het beeld van water onder en boven (zie Gen 6), herhalingen over het verbond en welke diersoorten allemaal omkwamen en een plechtige taal. Tenslotte zegent Elohiem Noach met vruchtbaarheid (9,1; zie ook de verwijzingen naar Gen 1,28.29.26; typisch P) zodat er ook hier sprake is van een nieuwe schepping waarbij dan wel meteen het verhaal van Kaïn en Abel wordt betrokken in 9,5.6. Van de bekende getallen wordt alleen 40 gehanteerd en speelt het getal 8 slechts impliciet mee nl. het aantal mensen in de ark. 150 dagen watervloed zal beteken dat het gaat om : al (10) het organiek (5) tot de schepping behorend definitief (3) bewerkt. In het hele verhaal kan dit als centrum van 7 - 40 - 150 - 40 - 7 functioneren. Of de 'priester'getallen een speciale betekenis hebben weet ik niet. P is de enige die de namen noemt van de zonen van Noach, die de aarde zullen gaan bevolken; weer het idee van een geslachtslijst.

De conclusie is duidelijk: mensen zijn er mee bezig geweest, het complete verhaal is gecomponeerd.

terug naar begin pagina

Een paar opmerkingen  4.6

1  Het begin van hoofdstuk 6 hebben we overgeslagen omdat het een mythe betreft die als aanleiding van het verhaal wordt gegeven. De god die daarin genoemd wordt, is dan niet de God van Israël want die heeft geen zonen. Je kunt je natuurlijk afvragen waarom het verhaal met een mythe begint: is de zondvloed ook een mythe ? en dus niet-waar ? Andere volken kennen ook het zondvloedverhaal. Dan wordt het een beetje dwaas om te veronderstellen dat het joodse verhaal wel waar is en het andere 'maar' een mythe.

Punt 1: onderschat 'mythe' niet; het heeft iets te vertellen. Net zoals een rite iets ervaarbaar moet maken én ervaring uitdrukt. Net zoals een symbool ergens voor staat: voor iets dat we alleen maar kunnen duiden door een 'ding' aan te wijzen. Zie 'het religieuze' van de Volwassenencatechese.

Punt 2: als we weer uitgaan van eerlijke bedoelingen dan kan er best iets werkelijks gebeurd zijn, wat er nu eenmaal ligt, dat door gelovige mensen godsdienstig wordt geduid in de geest van 'de rechtvaardige wordt gered' ook al gaat de hele wereld ten onder. Net als Noach 'wandelt' zo iemand 'met God'. Astublieft. Zo kun je ook zien dat de verteller op die manier zijn vertrouwen uitspreekt dat God nooit meer zó zal straffen. De seizoenen gaan immers door en de aarde brengt vruchten voort. Van die trouw van God is de regenboog het teken. Het verhaal is dan niet-waar maar wel waarachtig en biedt de mogelijkheid tot creativiteit. (Als het een wel-waar verhaal is, zijn we allemaal producten van incest - moet er niet aandenken!) Of je het een akelig verhaal vindt of niet, het bestond al, en de Jood heeft het (wellicht graag) gebruikt om zijn geloofs-inhoud weer te geven, zo aan anderen te zeggen hoe hij het ziet.

2  Let op hoe subtiel in 9,4 wordt toegegeven/toegestaan dat vlees gegeten mag worden, waarvan in Genesis geen sprake is. Dat is ook een levenskunst.

3  In 8, 21 ligt het accent van de zin niet op 'geneigd tot het kwade' maar op 'van jongs af aan'. Dat vind je ook in psalm 50: 'schuldig vanaf de moederschoot'. Het is een lepe verdediging met een dosis humor: 'Wij zijn immers het maaksel úwer handen'. Zo past het in de context. Als je alleen de woorden 'geneigd tot het kwade' er uit pikt, dan misbruik je de bijbel voor je eigen misvorming. Overigens staat er ook niet dat het mensenhart uitsluitend tot het kwade geneigd is.

4  In 9,5 staat dat het bloed van dieren 'teruggeëist zal worden'. Mij lijkt dit een aanwijzing van eerbied hebben voor de (levende) schepping, een soberheidseconomie i.p.v. een overdaads-/welvaartseconomie (= de vleespotten van Egypte?).

5  Hoofdstuk 9 hebben we vanaf vers 20 laten liggen. Te zien is dat de Kanaänieten een eigen adammetje krijgen toegeschoven in Cham. Door hem moeten zij dienstig zijn aan Sem incl. Jafet, de Semieten. M.a.w. de vestiging van de nomadengroep Abraham in Kanaän wordt godsdienstig gelegitimeerd. We komen daar nog op terug.

 

De opzet hiervan was om te zien hoe twee joodse tradities -maar ook andere volken- omgaan met een religieus/gods­dienstig goed. In dit geval zijn ze verweven tot één verhaal, inzake de schepping zijn er twee aparte verhalen. Zo leve de bijbel. Maar we hebben ook heel wat inhoudelijke gedachtewisselingen gehad. Zo leeft de bijbel voort.

                  terug naar begin pagina

 

 

5 Verdere lotgevallen van Abram

 

Inleiding  5.1

Met het 12e   hoofdstuk begint het verhaal van de aartsvaders: Abra(ha)m, Isaak en Jacob. Het is niet altijd een doorlopend verhaal; van Abram worden ca 18 'verhaaltjes' achter elkaar gezet. Maar die verhaaltjes, die best echt gebeurd kunnen zijn, hebben wel een wezenlijke betekenis voor ons geloof. Joden worden zonen van Abraham genoemd, met hem is het begonnen. Jezus was dus ook zoon van Abraham. Matteüs, Jood, laat zijn geslachtslijst(!) van Jezus beginnen met 'zoon van David, zoon van Abraham'. Abraham is een beetje 'dubbel': enerzijds is hij de stamvader van de Israëlieten, anderzijds de heilsfiguur voor alle generaties, dus universeel. Terwijl hij maar een gewone (?) nomade was die door de wereld (van Mesopotamië tot Egypte) trok om in leven te blijven.

Je kunt op twee (of meer) manieren tegen die verhalen aankijken: hoe zijn ze ontstaan en wat willen ze zeggen ? De eerste is meer geloofsbeleving met een 'Sitz im Leben', de ander is meer geloofsinhoud. We zien naar beide elementen. Het is goed om eerst de tekst uit de bijbel te lezen en daarna de onderstaande werkverta­ling door te nemen waarbij commentaar wordt gezet.  De bedoeling van de werkvertaling is dat u 'met uw neus' op de tekst wordt gezet, er mee bezig bent. De gewone vertaling is vaak te glad, waardoor men over accenten heen leest.

terug naar begin pagina

 

De roeping van Abram  5.2          Genesis 12

 

werkvertaling Genesis 12,1-5

1 En JHWH sprak tot Abram:"Ga jij uit jouw land en uit jouw stamverband en uit jouw vaderhuis naar het land dat Ik je zal tonen.

2 Ik zal je maken tot een groot volk, want Ik zegen je (voortdurend) en zal je naam groot maken, en die zal een zegen zijn,

3 zodat ik zegen die jou zegenen en vervloek die jou vervloeken, en gezegend achten zich in jou alle geslachten op aarde.

4 Abram ging zoals JHWH tegen hem zei en met hem ging Lot en Abram was zoon-vijf-jaren-en-zeventig-jaar bij zijn uitgaan uit Charan..

5 Abram nam Saraï, zijn vrouw, en met hem ging Lot, de zoon van zijn broer, en al hun (mannelijk!) (rijdende) bezittingen die zij verworven hadden en de levenden die zij verkregen hadden in Charan en ze gingen uit naar het land Kanaän en zij gingen in het land van Kanaän.

 

commentaar

vs 1  JHWH. De Jahwist vertelt. Hij schrijft in ca 950 -zie bijbelpanorama- over een gebeurtenis in ca 1850 en gebruikt een naam die in ca 1250 bekend wordt gemaakt. (Komt nog ter sprake bij Exodus.) De Jahwist gaat er dus van uit dat JHWH altijd bezig is geweest.

Abram wordt zomaar voorgesteld als de gelovige uit wie later een nieuwe heilsorde voortkomt voor alle geslachten der aarde. Waarom is hij weggegaan uit Haran (bovenloop v.d. Eufraat), verder richting Egypte ? Gewoon, vooraan beginnen: hij was een herder/halfnomade en moest het dus hebben van nieuwe graasgronden. Dat paste in de beweging van de trektochten in de vruchtbare halve maan van Mesopotamië langs de Eufraat via Kanaän naar Egypte. Kanaän (Libanon + Palestina) lag nogal centraal in de handelsbeweging van Noord naar Zuid v.v. Vanuit het Oosten komt geen verkeer vanwege de woestijn; naar het Westen ligt de zee, waar vooral de Phoeniciërs gebruik van maakten. Wellicht vond toen een soort landverhuizing plaats.

Het verlaten van je vadershuis is van betekenis voor je ontwikkeling; voor het eerst op kamers gaan wonen ! Je zelf tegenkomen. En dan maar zien dat je je vader en je moeder eert, leert eren.

vs 2  "... want ... " is een rijkere vertaling dan gewoon "... en ..." Het hebreeuwse verbindingswoordje kan nevenschikkend zijn ('en'), oorzaak aangeven ('want') en gevolg bedoelen ('zodat').

"... die ..."  nl. die naam ! De Willibrord vertaalt zo dat Abram zelf een zegen zal zijn. Maar wat als hij dood is? Zijn naam blijft, hij niet. 'Naam' heeft een geladen betekenis, in de naam van …, namens … e.d.

Zegen in het O.T. behelst kracht, vruchtbaarheid en rijkdom.

vs3  "... zich gezegend achten ..." is meer geloofsbelijdenis dan  "... gezegend worden ..."

"Ik vervloek degenen die jou vervloeken"   ook solidariteit als het moeilijk wordt.

 

vervolg werkvertaling Gen 12, 6 - 9

6 Abram trok verder door het land tot de plaats Sichem, tot de More-eik. De Kanaänieten waren toen in dat land.

7 JHW liet Zich zien aan Abram en Hij zei:"Aan jouw nakomelingschap zal Ik geven/geef dit land" en hij bouwde een altaar voor JHWH die Zich had laten zien aan hem.

8 En hij trok verder vandaar weg naar het gebergte ten oosten van Bet-el en hij sloeg zijn tent op met Bet-el in het Westen en Ai in het Oosten en hij bouwde daar een altaar voor JHWH en hij riep met de Naam van JHWH.

9 En Abram trok als maar door de Negeb in.

 

vervolg commentaar

vs 6  More betekent waarschijnlijk 'de -door orakels- belerende' eik. Sichem bestond al ten tijde van Abram en was dus redelijkerwijs een cultusplaats. Later komt 'de eik van Mamre' ter sprake.  Onbekend of dat dezelfde plaats is

"De Kanaänieten … toen …" impliceert: maar nu niet meer, nu wonen wij er. Daar komt de schrijver even verduidelijkend om de hoek kijken.

vs 7  De kans is heel groot dat Abram een religieuze ervaring opdoet in Sichem en toen pas JHWH's hand leerde kennen die hem uit Haran heeft geleid. Zo'n ervaring kennen wij ook wel: het heeft zo moeten zijn, ik ben gestuurd, en het is goed zo.

Zo'n drang om te handelen van je zelf uit, zo'n belangrijke gedachte die al in je ligt en naar buiten komt, intuïtief weten - zou je dat niet 'de vrucht van je schoot' kunnen noemen ?

Even op de kaart kijken waar Ur in Mesopotamië, Haran en Sichem liggen.

vs 8  Weer een altaar; kennelijk heeft die ervaring hem wat gedaan. Waar ligt Betel?

"… riep met de Naam ... " J gaat ervan uit dat Abram die Naam (kracht, macht, zie bij vs 2!) kende en als herder hij 'Jahwe' luid uitgeroepen heeft. Het is heel goed mogelijk dat nomaden in de lente en/of bij het binnengaan in een nieuw graasgebied hun god aanriepen om aanwezig te zijn, om goede grond en zegen, want van hun kudden moesten ze leven. De betekenis van de Naam JHWH komt later bij Exodus ter sprake.

vs 10vv  hebben we niet gelezen. Ook -zeker in onze ogen- minder fraaie daden van Abram worden genoemd. De betekenis van dit stukje is dat JHWH toch Saraï, de stammoeder, beschermt ondanks de noodgreep van Abram.

terug naar begin pagina

 

De beloften aan Abram  5.3     Genesis 15

 

werkvertaling Genesis 15, 1 - 5

1 Na deze dingen/gebeurtenissen gebeurde/ontstond een JHWH-woord naar Abram in het visioen door te zeggen: "Vrees niet Abram. Ikke ben een schild voor jou; jouw loon is het zeer veel".

2 Abram zei. "Heer JHWH, wat geeft U aan mij ? want ik gaande kinderloos en zoon-bezit-van-mijn-huis (is) de Damasceen Eliëzer".

3 En Abram zei:" "Kijk, aan mij geeft U geen nakomelingschap want kijk maar: zoon-van-mijn-huis-ervend een onderhorige".

4 En zie daar een JHWH-woord tot hem door te zeggen: "Niet deze zal u in bezit nemen maar van wie geldt 'hij-komt-uit-jouw-lijf' die zal jou in bezit nemen".

5 Hij deed hem naar buiten gaan en Hij zei:"Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als je in staat bent om ze te tellen" en Hij zei tot hem:"Zo zal jouw nazaat zijn". 6 En hij vertrouwde op JHWH en Hij rekende hem dit als gerechtigheid aan.

 

commentaar

vs 1  Welke zijn die gebeurtenissen ? Redelijkerwijs zijn dat wat in hoofdstuk 14 is verteld een veldslag. Het woord 'schild' kan daarbij passen. Ook is daar verteld dat Abram geen buit wilde omdat hij niet door die koning rijk gemaakt wilde worden, wel door JHWH. Dié geeft hem zijn 'loon'. "Gezegend zij Abram door God-Verheven" (14,19)

"Het  visioen"  J verwijst nu al naar dat visioen dat zo belangrijk zou zijn.

"Vrees niet" is het begin van iedere orakelspreuk. Degene tot wie gesproken wordt heeft contact met 'Het Oneindige' maar hoeft niet bang te zijn. Ook in de tempelliturgie werd die spreuk gebruikt. In de bijbel vind je het regelmatig: de engel tegen Maria, de engelen tegen de herders, de verrezen Jezus tegen de leerlingen.

"Ikke"  om het accent aan te geven dat in het hebreeuws ligt: Anochi i.p.v. Ani.

vs 2  "... gaande kinderloos ... " ben al zolang kinderloos, kinderloos ga ik heen. Dat is toch niks voor een nomadenhoofdman met veel vee.

vs3   verdubbeling van vs2. Begreep men in vs 2 'Damasceen Eliëzer' niet? Of wordt zo nadruk gelegd?

vs 5  "... naar buiten ..."  Wellicht kreeg Abram dat visioen in zijn tent.

"Kijk toch ..." Heel uitdrukkelijk: kijk nu maar eens goed, zie al die sterren ? Wie heeft zich eens niet klein gevoeld onder de sterrenhemel? Een religieus moment.

vs 6  Een belangrijk geloofsmoment. Voor gerechtigheid zie alvast 'bijbelse begrippen'.

"Aanrekenen" Dit hebreeuwse woord gebruikt de priester ook als hij offers (goed)'keurt': officieel.

 

vervolg werkvertaling Gen 15, 7 - 12a.17.18a

7 Hij zei tegen hem: "Ik ben JHWH die jouw uitgeleider ben/was, uit Ur in Chaldea om jou te geven dit land om het in bezit te nemen".

8 Maar hij zei:" Heer JHWH, hoe dan weet ik of/hoe ik inderdaad zal in bezit nemen?"

9 Hij zei tegen hem:"Neem voor mij een driejarige koe en een driejarige bok en een driejarige ram en een tortel en een jonge duif".

10 Hij nam voor Hem al dat en sneed ze midden door en nam ieder deel tegenover het andere maar de vogels sneed hij niet door.

11 Toen roofvogels neerstreken op de kadavers, joeg hij ze weg.

12a Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel een trance op Abram …

17 Toen de zon ondergegaan was en duisternis er was, zie een rokende oven en een brandende fakkel die tussen de stukken door gingen.

18a Op die dag sloot JHWH een verbond met Abram door te zeggen: "Aan jouw nazaat geeft ik dit land, vanaf de beek ... "

vervolg commentaar

vs 7  In het begin van dit hoofdstuk ging het om nakomelingen, nu om land. JHWH meldt zich nu als de god in Ur.

Met de belofte van het land wordt de aanspraak van Israël op Kanaän religieus gefundeerd. Dit kan fundamentalistisch zijn, het kan ook een geloofsovertuiging zijn geworden vanuit de gedachte, ervaring, dat Israël ondanks alle weder­waar­digheden zich toch heeft weten te handhaven. Als Israël de oorspronkelijke bewoners verdreven had ten eigen bate (zich verdedigen is iets anders), dan ga je aan fundamentalisme denken, maar zo iets blijkt niet uit de geschiedenis.

Een andere mogelijkheid is dat de sedimentatie (het zich blijvend vestigen) religieus wordt gefun­deerd: Abraham zwierf nog als nomade; pas na de intocht in het Beloofde Land leefde men als landbouwer. Mocht dat wel? Er waren groepen die vonden dat men het nomaden bestaan niet mocht loslaten en ook wijnbouw afwezen.

vs 8  Abram vraagt nu een teken; in vs 2 niet.

vs 9  driejarig: krachtig, geen afdankertjes.

vs 10  Tussen die dode dieren sta je a.h.w. in het dodenrijk. Dat is een religieus moment. Degene die zweert, gaat tussen de dieren door en zegt: "Zo ook mij" (als ik mijn afspraak niet nakom). 'God verdo(e)m me' is m.i. eerder een eedformule dan een vervloeking.

vs 11  lijkt een spannend moment in de vertelling; met een overdrachtelijke betekenis?

vs 12  Het volgen hoe de zon ondergaat kan heel goed een concentratiepunt voor een trance zijn. Adam was ook in een diepe slaap, toen hij lichter werd gemaakt. Abraham kreeg bezoek van de drie engelen op het heetst van de dag. In het N.T. droomt Jozef, zo ook de Wijzen.

vs 17  God gaat -met vuur, zie o.a. Sinaï- tussen de stukken door. HíjZ sluit het verbond, niet Abram. HijZ neemt de verplichting op Zich.

terug naar begin pagina

vervolg werkvertaling Gen 15, 12b - 16. 18 - 20

12b zodat/en zie schrik, een grote duisternis viel op hem.

13 Hij zei tot Abram:" Zéker zul je weten dat jouw nazaat vreemdeling zal zijn in een land dat niet voor hen is zodat zij hén dienstbaar zullen zijn en zíj zullen hen als rechtelozen behandelen, 400 jaar lang.

14 Maar zeker vonnis Ikke het volk waaraan zij dienstbaar waren en daarna zullen zij uitgaan met groot bezit.

15 Maar jij zult gaan naar jouw vaderen in vrede, jij zult begraven worden in hoge ouderdom.

16 Het vierde geslacht, zíj zullen hierheen terugkeren want niet is de zonde der Amorieten vol tot dan toe."

18 Op die dag sloot JHWH een verbond met Abram door te zeggen: "Aan jouw nazaat geeft ik dit land,

vanaf de beek van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat, 19 het land van de Kenieten, de Kenizzieten, de Kadmonieten, 20 de Hethieten, de Perizzieten, de Rephaïeten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasjieten en de Jeboesieten".

 

vervolg commentaar

vs 12b vv  De schrik en grote duisternis planten zich niet voort in vs 17v; kennelijk is 12b -16.18 is een toevoeging.

De schrik en grote duisternis geeft aan wat er gaat gebeuren voordat het beloofde land wordt bereikt. 400 jaar ellende, pas het vierde geslacht komt er. De schrijver heeft kennelijk die ellende -die voor zijn generatie al voorbij is- geaccep­teerd als zijnde met medeweten van JHWH, voorzien door JHWH. Die ellende in Egypte hoort kennelijk wezenlijk bij de ervaring: dat nooit meer. Het vallen van de duisternis in het verhaal zal de aanzet zijn voor de verzen 12b -16.

vs 16  de zonden der Amorieten vol ..." De verklaring is: dan hebben ze zolang gezondigd en zich al die tijd niet bekeerd dat het dan wel genoeg is, de maat vol is. Hun zonde was dat zij vochten tegen de Joden, hun God niet erkenden. Dat de tekst hen apart vermeldt komt waarschijnlijk omdat hun naam kan staan voor alle vijandige volken.

vs 18  Dubbele belofte: nazaat én land. Deze omschrijving keert vaker terug. Typisch een toevoeging uit de tijd van de schrijver, die de omvang van David's/Salomon's rijk aangeeft. De schrijver stelt dus dat dat toen al in de belofte opgesloten lag. De lijst van volken/stammen duidt op de oorspronkelijke Kanaänbewoners.

terug naar begin pagina

 

De hoofdelementen van Genesis 15  5.4

 

JHWH manifesteert Zich

1 Na deze gebeurtenissen ontstond een JHWH-woord naar Abram in het visioen door te zeggen: "Vrees niet Abram. Ikke ben een schild voor jou; jouw loon is het zeer veel".

7a Hij zei tegen hem: "Ik ben JHWH die jouw uitgeleider ben/was, uit Ur in Chaldea.

het probleem

 

2 Abram zei: "Heer JHWH, wat geeft U aan mij ? want ik gaande kinderloos en zoon-bezit-van-mijn-huis de Damasceen Eliëzer". 3 En Abram zei:" "Kijk, aan mij geeft U geen nakomelingschap want kijk maar: zoon-van-mijn-huis-ervend een onderhorige".

8 Maar hij zei: "Heer JHWH, hoe dan weet ik of/hoe ik inderdaad zal in bezit nemen?"

de belofte

 

4 En zie daar een JHWH-woord tot hem door te zeggen: "Niet deze zal u in bezit nemen maar van wie geldt 'hij-komt-uit-jouw-lijf' die zal jou in bezit nemen".

5b en Hij zei tot hem:"Zo zal jouw nazaat zijn".

7b om jou te geven dit land om het in bezit te nemen .

 

teken, onder-pand; boven- menselijk

 

5a Hij deed hem naar buiten gaan en Hij zei:"Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als je in staat bent om ze te tellen"

 

9 Hij zei tegen hem:"Neem voor mij een driejarige koe en een driejarige bok en een driejarige ram en een tortel en een jonge duif".

10 Hij nam voor Hem al dat en sneed ze midden door en nam ieder deel tegenover het andere maar de vogels sneed hij niet door.

12a Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel een trance op Abram.

17 Toen de zon ondergegaan was en duisternis er was, zie een rokende oven en een branden­de fakkel die tussen de stukken door gingen.

de afsluiting

 6 En hij vertrouwde op JHWH en Hij rekende hem dit als gerechtigheid aan.

18a Op die dag sloot JHWH een verbond met Abram door te zeggen: "Aan jouw nazaat geeft ik dit land, .... “

terug naar begin pagina

 

Het restant van Genesis  5.5

De besnijdenis in 17 is een wezenlijk gegeven in de joodse geloofsbeleving. Daarmee accepteert de gelovige Jood in zijn vlees het verbond. Het zal wel een hygiënische oorsprong hebben en (vervolgens?) een initiatie-rite zijn geworden maar er is een geloofsbetekenis aan gegeven: nadat Abraham zich had besneden, verwekt hij Isaak, zoon van de belofte (hoofdstuk 21), wat eigenlijk onmogelijk was, gezien de leeftijden. Maar God zet wel vaker de wereld op zijn kop: de schoot van de vruchtbare verdort, de onvruchtbare lacht om haar kinderen; machthebbers worden van hun troon gestoten, de vernederde krijgt een hoge plaats; hongerigen overlaadt Hij met het beste, rijken worden met lege handen weggestuurd. Dat was hun ervaring. De onze ?

Ofschoon hoofdstuk 17 begint met JHWH is het een P-traditie: let op de deftige taal ('Menigte volken', 'buitengewoon vruchtbaar', 'altijddurend verbond', 'altijddurend eigendom'), de herhalingen, uitgebreide voorschriften, leeftijdvermeldingen en de godsnaam GOD. "Ik ben God-Al-heerser", heerser over iedere (andere) koning of god (niet: Almachtig!), "wandel voor mijn aanschijn en wees onberispelijk", een P-versie van de beloften, die P nog eens dunnetjes over doet. Noach 'wandelt met God'. Ziet u hoe er subtiel wordt gecorrigeerd?

Abram zal voortaan Abraham heten en Saraï wordt Sara. Let erop dat Abram het opneemt voor Ismaël. !

 

Hierna volgen nog meer verhalen over Abraham en de verhalen over Isaak, Jacob en over Jozef c.s. in Egypte, die alle de moeite waard zijn, maar we laten ze liggen. Hoofdstrekking van de rest van Genesis is dat nu aan de lezer(es) duidelijk is gemaakt hoe het gekomen is dat ze in Egypte terecht zijn gekomen en dat tenslotte alles goed toch komt, zelfs als het onrecht binnen een gezin ligt, getuige het verhaal van Jozef.

 

 

 

 

 6 Inbreng over Genesis 3

Jan van der Heijden schrijft: 6.1

Beste Piet,

Ik geloof dat ik niet helemaal op jouw spoor zit bij de behandeling van Genesis. Soms ben ik verbaasd dat gedeelten die ik zeer belangrijk acht nauwelijks door jou besproken worden.

Neem hoofdstuk 3. Bijna alle daarin genoemde figuren zouden mijns inziens aanleiding kunnen zijn voor bespreking. Ik noem nu maar  als voorbeelden:

- waarom een slang?

- waarom deze boom en niet die ander (Betekent dit overigens dat de eerste mensen ook in het paradijs gestorven zouden zijn) ?

- de voorzegging van de verplettering van de slang ?

- de zwangerschaps- en baringsweeën van de vrouw ?

- de schildering van de sexuele verhouding tussen vrouw en man ?

- het droevige bestaan van de ploeterende man ?

- en dan die trieste dood en dan?

De paus heeft het altijd over het respect voor het leven, over de cultuur van het leven in plaats van de dood, als het gaat over euthanasie, maar ik proef hier veel meer een cultuur van de dood; en waarom dan zo moeilijk doen als iemand ligt te creperen en vraagt om het einde ?

Het leven wordt hier geschilderd als zwoegen in doornen en distels, in het zweet van Uw aanschijn, en dan eindigend in het stof waaruit we genomen zijn en waartoe we zullen terugkeren. Een weinig verheffend tafereel.

Hoe zie jij dit ?     Hartelijk dank,   Jan.

 

Piet antwoordt:  6.2

Beste Jan, eerst dit:  6.2.1

Afgaand op je vragen denk ik dat ik Genesis 3 ten onrechte buiten de boot heb laten vallen, het gaat toch wel om een fundamenteel stuk menselijke ervaring. Dus mijn keus is te krap geweest. Zo iets geldt ook voor Genesis 4 met als kern de vraag "Ben ik dan mijn broeders hoeder?" Hun antwoord: "ja" dus; dat hoort wezenlijk bij het mens-zijn.

Laat me beginnen met de vraag hoe ik tegen Genesis 3 aankijk.

Ik zie het als een mythe maar niet in de betekenis van zomaar een niet-waar verhaal maar als een heilig verhaal, dat een betekenis heeft (Volwassenencatechese 'Het Religieuze'). Het is niet uit de hemel komen vallen maar gebaseerd op de menselijke ervaring dat de mens fout doet en er dus (!) ook een goede kant bestaat. M.a.w. eerst was er de ervaring, de waarneming van de mens-situatie, waaraan een betekenis werd gegeven, en daarna pas het verhaal om die betekenis te duiden. Duiding en verhaal zullen vanuit een oerbegin wel samen gegroeid zijn. In die duiding ligt een overtuiging, een geloofsbelijdenis, dat de mens eigenlijk - 'beginnelijk' - voor die goede kant bestemd is; anders was dit verhaal niet nodig.

Nu vat ik meteen de slang bij de horens want daar ligt m.i. de clou voor het begrijpen van de betekenis. In de mythologie is de slang het dier van de aarde, waaruit alle leven voortkomt, het idee van 'Moeder Aarde'. (Ik kan helaas de bron van die wijsheid niet meer vinden maar dat gegeven is zo verbreid onder diverse antieke godsdiensten dat ik meen het te mogen hanteren.) De slang kruipt op de aarde zelf, zonder pootjes, woont in holen, tussen spleten van de aarde, als dier 'geheim'-zinnig. Denk maar aan de esculaapslang, die het gezonde leven voorstelt, herstelt. In die zin kun je ook tegen de koperen slang aankijken die Mozes moest oprichten (dus boven de aarde uit) opdat degenen die door een giftige slang waren gebeten genezen werden door er naar op te zien.

De slang stelt zo het puur aardse leven voor met alle menselijke vermogens, dat echter nog niet het geloofsleven, het met God leven, inhoudt. In het paradijs zijn het aarde-leven en het met God leven  direct ervaarbaar - geen 'pootjes' nodig - en er is geen onderscheid tussen hen. De Jood vertelt in het verhaal van de zondeval hoe/dat het gebeurd is dat die directe verbinding er niet (meer) is. De mens wil te veel, luistert niet naar zijn Oorsprong. Hij is 'alleen maar' aarde-mens en alleen het aarde-leven is (nog) direct ervaarbaar. Maar voor het leven met God met hij moeite doen. Dat aarde-leven brengt de mens heel listig in de verleiding om zich zelf als "maatstaf aller dingen" te beschouwen, dus o.m. zelf te bepalen wat goed en kwaad is, 'kennis' van goed en kwaad. Terwijl de mens dat beginnelijk niet nodig heeft want hij kende alleen maar 'goed'.

En dan zie je hoe in het verhaal schitterend de verleiding wordt beschreven. Klopt helemaal, ja hè?

De mens is zich (nu - in het verhaal) bewust van zijn vrije wil, waarmee hij het meest 'naar Zijn Beeld' is, die hij kan misbruiken, en als hij hem ge-/misbruikt heeft, wat blijft er dan over? Flut; de ervaring van het kwaad. Het eeuwige 'hadden we maar', paradise lost. Hetgeen niet de bedoeling was.

Met dat verhaal geeft de Jood het altijddurende dilemma, scheiding, de 'vijandschap', aan tussen het geloofsleven, waarvoor je je moet inzetten, moeite moet doen, en het wel direct ervaarbare aarde-leven. Met dit laatste is op zich niks mis maar je kunt je daarin o.a. niets aantrekken van anderen, zelf maatstaf zijn voor het leven en zodoende de rechtvaardigheid te kort doen omdat je beperkt bent; je kunt immers niet het hele leven omvatten. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, is een van de, zo niet dé, voorwaarde om al het leven op aarde goed in stand te houden, hetgeen je vanuit geloofs+aardeleven vanzelf zou doen.

Het verleidelijke in het direct ervaarbare aardeleven zie ik vooral in het sterke element in de mens dat hij zichzelf wil ontplooien, zichzelf wil uitdrukken, hetgeen op zich een normaal menselijk streven is en een goede zaak. Maar het loopt mis wanneer hij en in zoverre hij geen gehoor geeft aan zijn Schepper, aan de liefdesverhouding, en zich ten koste van de ander ontplooit. Dan is het egoïsme. Die drang naar eigen ontplooiing zit diep in de mens, het hoort bij hem. De kunst is dan om dat niet te laten vergiftigen door aarde-ego.

Het sterkst spreekt die eigen-expressie wel in de seksualiteit  - dacht ik - en wellicht is daarom die inbreng van "naakt" en "schaamte". Hetgeen prompt kan worden misbruikt. Maar het sprekendst is - vind ik - dat de Jood zo aangeeft dat hij, en/met zijn vrouw, eigenlijk gewoon naakt bij God moest kunnen staan, vrij, schutloos, zelf-expressief.

Met jouw elders uitgesproken verwondering dat de mens "zijn situatie interpreteert als een straf voor iets, dus niet als iets oorspronkelijk natuurlijks", ga ik omgekeerd mee. In zijn visie op zichzelf is dat 'vanzelf met God wandelen' oorspronkelijk natuurlijk. Maar ik zie die straf niet zitten omdat er geen werkelijke zondedaad aan voorafgaat. Ik zie meer dat de mens notie heeft van een verschuldigd zijn aan zijn mogelijkheden, een soort van ereschuld aan zichzelf, vanwaaruit de mens uit eigen initiatief het reddingsaanbod van zijn Schepper moet/kan opzoeken. Het contact met zijn Schepper is immers niet verbroken. En dan heb ik bewondering voor die mens die op die manier naar Het Hogere reikt, De Allerhoge, zijn Heer zoekt.

Dit als een soort beschrijving van de 'condition humaine', die de Jood in Genesis 3 weergeeft. De Jahwist vertelt in zijn scheppingsverhaal vanwaaruit de mens is, in zijn paradijsverhaal hoe de mens tegen zichzelf aankijkt en in het Kaïn - Abel verhaal hoe hij buiten zichzelf kijkt, behoort te kijken.

 

Nu wat concreter op jouw vragen: 6.2.2

1 De slang is boven al ter sprake gekomen. Als het 'meest listige dier', een sprekend beeld voor dat beestje, blijft zij voortdurend op de loer: altijd is de verleiding mogelijk, aanwezig.

2 Waarom deze boom en niet die andere?  Tja, het verhaal vertelt het zo maar als er een betekenis mee wordt bedoeld dan zou het de ervaring van de Jood kunnen zijn dat hij wel het leven kan verpesten maar niet kan maken of uitroeien. 

Of dat betekent dat de eerste mensen ook in het paradijs gestorven zouden zijn - zover zou ik niet gaan. Dat had het verhaal moeten vertellen. Dan was duidelijker naar voren gekomen wat die boom betekent.

Wat de Jood - eigenlijk moet ik zeggen: de Joodse schrijver(s) - met 'sterven' (vv. 3.4) bedoelt  is niet zeker. Dacht men dat, als de mensen in paradijselijke toestand waren gebleven, zij dan niet zouden sterven - zoals wij dat verstaan, dus ook geen verouderingsproces e.d. - of sterft in hen nu die onschuldtoestand van probleem­loosheid, vrijheid, schaamteloosheid in de goede zin. Misschien is deze vraag ook wel buiten het verhaalkader.

De slang spreekt dubbelzinnig, hetgeen in de vertaling niet tot uitdrukking kan komen. Hij kan ook bedoelen 'Je zult niet meteen sterven', maar Eva hoort natuurlijk alleen wat zij graag hoort.

3 De voorzegging van de verplettering van de slang:

a) het woord 'verpletteren' is hier geen goede vertaling want dan zou de slang op haar beurt de hiel van de vrouw moeten kunnen verpletteren en dat is een ongerijmdheid. Ik houd het op de (Willib.)vertaling 'bedreigen' of 'belagen'.

Als de betekenis van vs 15 zie ik dat God een scheiding "sticht" tussen het aarde-leven en het geestelijk leven, leven met God; in het verhaal dus tussen de slang en de vrouw. Het geestelijk leven, geloofsleven, gaat niet meer vanzelf, niet meer samen met het aarde-leven, zoals het eerst was. Dat is de pijnlijke ervaring; de mens kan zonde doen.

b) Nu het element van voorzegging, 'Ik zal … ". Ook hier weer een vertaalfout: niet "vijandschap zal ik stellen" maar "vijandschap stel/sticht ik". Door de zonde van de mens is die vijandschap 'geloofsleven - aarde-leven' nu actueel, dus niet later. Het is dezelfde fout als bij "Ik zal er zijn" (leuk als je nu in de penarie zit). Het z.g. imperfectum van die werkwoordsvorm geeft aan dat de handeling aan de gang is, voortduurt of zich herhaalt. Dus: "Ik ben (er) altijd". De Willibrord vertaalt hier dan ook de tegenwoordige tijd: "Ik sticht". God stelt een onderscheid tussen die twee soorten leven. Dus voortaan  zullen zij elkaar belagen: vanaf nu in de toekomst. Ik zie dus geen voorzegging dat de vrouw (Maria?) de slang later zal verpletteren. Ook in Apocalyps (12) nergens dat de vrouw de (kop van de) slang verplettert. Het kroost van de vrouw belaagt de slang de kop, de plaats om haar te pakken, dus een serieuze belaging, en het kroost van de slang valt altijd van achteren aan, waar je geen ogen of handen hebt, onverwacht. Zo wordt die mens-eigen drang naar zelfont­plooi­ing als 'slangenlistige-aanval-van-achteren' beschreven en - wat ik mooi vind - wordt de vrouw geplaatst als de figuur die het geloofsleven, leven met God, kent. Bij de profeet Jesaja komt dat nog ter sprake. Zelfontplooi­ing is op zich niet fout als de ongebreidelde drang naar maar geen overhand heeft.

4 De zwangerschaps- en baringsweeën van de vrouw en het droevige bestaan van de man in zijn werk tussen doornen en distels raken de vrouw en man in hetgeen hen het meest als individu kenmerkt - dacht ik. Eigenlijk moest het baren vanzelf gaan en was het werk in de tuin leuk onderhoud. Dat is voorbij. Zo herinnert de Jood zijn toehoorders voortdurend aan wat 'verloren' is maar waarnaar je wel kunt streven, waarop je kunt hopen.

5 De schildering van de seksuele verhouding tussen man en vrouw: ik denk dat de Jood het niet alleen op seksueel gebied zo ziet maar in het algemeen dat de vrouw afhankelijk is van de man. Die situatie zou dan het gevolg zijn van de zonde, misschien als een straf dat de Jood-man de ideale levenspartner, 'vlees van mijn vlees', kwijt is. Dat wil dan ook zeggen dat 'beginnelijk' de vrouw gelijkwaardig is aan de man. Maar nu heeft zij hem erin geluisd - wist hij veel ? - en is die gelijkwaardigheid zoek. Zij is dus van hem afhankelijk - ik dacht laatst nog: "wat voel ik toch?  het zal dát geweest zijn". Maar dat die vrouw tot grote liefdedaden in staat is en dat hij zich laat ringeloren door de vrouw - dat wist hij al - dacht ik - en dan hoef je dat niet nog eens op te schrijven … Alle gekheid op een stokje - zo ziet de Jood de man/vrouwsituatie in het algemeen, misschien wenst hij zich die afhankelijkheid wel, misschien neemt hij zo zijn ver­antwoordelijkheid, maar er staat niet dat het zo moét zijn; dat 'gebeente van mijn gebeente' blijft het ideaal.

6 De trieste dood en dan?  Het is niet bepaald hoopvol wat de man wordt voorgehouden. Ik zie daar zo iets als een benadering door de Oosterling, die wat royaler is met duidelijke expressies dan hedendaagse Westerlingen: "Ik heb Jacob lief gehad en Esau gehaat". Haten mag niet, ook niet in het O.T.; wij gebruiken dus een ander woord, 'aan Jacob de voorkeur gegeven boven Esau'. Volgens Willibrord 1995 is vs 14 - 19 een soort lied. Wellicht moet Adam  even goed op zijn nummer worden gezet, moet hij even flink in het stof bijten, en als je verder leest, vind je o.a. in psalm 113, 7 " Die de arme tilt uit het stof ….". Beide gelden. "JHWH is een barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw" (Ex 34, 6) is een kernpunt van de Joodse geloofsbelijdenis. God maakt dan ook kleren voor hen en Adam zal na zijn dood wachten op de laatste dag waarop hij wordt beoordeeld.

7 Je vraagt mijn mening over euthanasie. Laten we voorop stellen dat niemand voor euthanasie is net zo min als (toentertijd) voor kruisraketten. Maar … en nu komt het grote boek van 'voor-en- tegen's. Tja, ik heb in situaties gezeten waarin je zegt dat meer aandacht voor de zieke hem goed zou doen en de vraag 'euthanasie?' opheft, en situaties waarin je zegt dat, als ze vraagt om euthanasie, ik daarmee - moreel - geen moeite zou hebben, hoe spijtig ook. Ik ben tegen mensonwaardig leven en dus ook mensonwaardig sterven. Het sterven van mijn ouders was schitterend, een geschenk. Als het sterven dan geen geschenk kan zijn, mag dan een on-geschenk niet worden verhinderd of zo? Ik denk dat veel reacties op euthanasie door angst, onvoldoende vertrouwen in anderen, bekrompen­heid en noem maar op worden ingegeven. Eerlijkheid en realiteitszin zijn voorwaarden zonder welke discussie over euthanasie geen zin heeft en die getoetst moeten kunnen worden. Punt twee is of je die eerlijkheid en realiteitszin in een wet vast kunt leggen om misbruik tegen te gaan, want er zijn altijd mensen die volgens de (letter van de) wet denken en niet volgens de bedoeling, de geest van de wet.                                                                

Is het zo voldoende?  Gaarne gegroet! Piet

 

 

 


7  Meer over het 1e scheppingsverhaal

 

Ik vond later (Advent '06) bij nader inzien dat Genesis 1 ook in onze koers meer aandacht verdient. Het geniale daarin vind ik dat de Jood door zijn ervaring van het dagelijkse leven tot een inzicht kwam, een duiding gaf aan wat hij ervoer. Dat moge vrij normaal zijn voor de mens,  geen enkel geloof heeft die betekenissen die hij geeft - heeft gekregen - met éen God als uitgangspunt, monotheïsme. Dat ga je openbaring noemen. Wel oppassen dat we onze (Europese) begrippen niet boven de beelden van de Jood stellen. Hij beschrijft en wij proberen daarmee klaar te komen met behulp van ons denkgereedschap. Als je de tekst goed bekijkt, blijkt de schepping te zijn gemaakt in tweemaal drie dagen. Je kunt nl. in de vierde dag een verlenging, praktische invulling, zien van de eerste dag, in de vijfde van de tweede, in de zesde van de derde dag. Dat is met opzet gebeurd. Welke?

De eerste dag gaat - vind ik - niet over elektromagnetische golven, of waarmee onze oogzenuw wordt geprikkeld. Dat is voor de vierde dag. Zij gaat over de ervaring van mensen die aan de hand van de dag en nachtcyclus merken dat ze zien en niet zien, waarnemen en niet waarnemen, en die vervolgens verder gaan duiden dat zij zicht hebben, inzicht, kennis, besef of niet: licht - duisternis oftewel: inzicht en geen inzicht, kennis en onkunde, bewust zijn of onbewust zijn. De mens kan onderscheiden en begrijpen. Mij lijkt dat gewoonweg het wezenlijke van de mens: hij beseft, weet dat hij beseft, wat een dier niet doet. Dat inzicht hoor ik in Die Schöpfung door het heldere, sterke accoord in C groot: "(und es war) LICHT". Knal, net zoals inzicht zich ineens voordoet. Al of niet met donderslag. Astublieft! Dat heeft de mens niet van zichzelf maar van God. Geloofsbelijdenis art. nr. 1.

De Jood laat niet eerst de mens 'blind' geschapen worden, die vervolgens inziet, maar hij stelt 'het licht' voorop als een geestelijk vermogen dat niet van de mens afhankelijk is; het komt van de Schepper, die (ook) Licht is. Daarmee (en met zijn vrijheid) lijkt hij het meest op God. En daarmee kan hij zijn verhaal gaan vertellen. Voor zover mij bekend hanteert hij als enige dat standpunt tegen de ideeën van de omliggende volken in. Hij is daarin uniek. En wij doen het nog: "….van het zichtbare en onzichtbare".

De vierde dag is een vervolg, nadere invulling, een concreet maken van dat Licht m.b.v. hemellichten. Zij moeten dag en nacht aangeven, betrouwbare tekens zijn voor feesten en tijden en de aarde verlichten; drie functies. Vaker wordt in het O.T. de hemel, de schepping, tot getuige van betrouwbaarheid, waarheid, geroepen. Die drie functies worden in vs 17 en 18  nog eens in omgekeerde volgorde herhaald: 'verlichten' in vs 17 en 15, vervolgens 'heersen' in vs 18a en 'als tekens dienen voor' in vs 14b en tenslotte 'scheiden' in vs 18b en 14a. De tekst is dus gecomponeerd; het gaat niet om historische of logische volgorde.

De tweede dag gaat over het oerwater, dat al in vs 2 wordt genoemd. Ik hanteer daar liever " … de Geest van God zweefde boven de wateren" dan "… een hevige wind joeg de wateren op". Dit laatste moge aansluiten bij chaos  ("woest en leeg") maar in het Hebreeuws kun je de nevenstelling "en de Geest …" ook als tegenstelling verstaan: "… maar de Geest zweefde boven de wateren", als een troost, een teken van hoop of een bemoediging of duiding dat God (toch) bezig is in de chaos.

Het (chaotische) oerwater moet kennelijk gesplitst worden opdat tenslotte het land (geordend) te voorschijn kan komen. Net als op de eerste dag wordt ook op de tweede maar één activiteit genoemd: ook weer fundamenteel. Het 'chaos'water boven het uitspansel komt - bij mijn weten - alleen maar naar beneden bij de zondvloed; toen was het ook chaos (door het kwaad). Dus in de mythe. Een boer weet dat gewone, 'vruchtbare', regen uit de wolken valt.

Op de vijfde dag wordt het 'onder'water gevuld met dieren, het wemelt en krioelt. Toch een beetje onrustig, zeker met die grote zeemonsters. De Joden waren geen zeevarend volk. Ook geen zeevissers. Doordat het uitspansel in vs 7 'boven' en 'onder' scheidt, krijg je 'automatisch' de lucht, die dus ook gevuld wordt en wel met gevleugelden. De zeedieren worden nog in drie soorten vermeld maar de vogels worden over éen kam geschoren. Het lijkt meer op een 'opvullen' dan een duiding zoals bij het licht, maar dan volgt de zegening in vs 22: vruchtbaarheid. Die zegening is kennelijk alleen voor de zich bewegende schepsels.

De derde dag lijkt mij een climax t.o.v. de voorgaande dagen. Eerst was het een abstract principe, toen een heelal-wording, kosmogonie, wereld-geboorte met concreet materiaal nl. water en nu op de derde dag is de grond waar we op staan, het land. En wel het vruchtbare land. Daarom lijkt het mij logisch dat de derde dag ook vegetatie inhoudt. Dat zaad zit al in de grond. Daar heeft een boer wat aan. Ook al heeft hij geen weet van bestuiving.

De mythen van omliggende volken kennen ook het oerwater en het eerste het land dat oprees uit het oerwater werd in de Egyptische mythologie 'navel der aarde' genoemd. In Egypte hadden de Joden ook gezien dat de Nijl zich jaarlijks zich terugtrok uit overstroomde delen land, waarna daar nieuw leven zich ontplooide. Dus het idee dat het water zich bij de schepping van het land moest terugtrekken, geordend moest samenvloeien op een punt, dat het een leef-principe is, zou daarvandaan kunnen komen. Ook hier denk ik weer aan indringende ervaringen die geduid worden in geloof.

Op de zesde dag moeten er landdieren komen. Hun zaad zit niet reeds in de grond; zij worden apart geschapen. Zij zijn dan ook een nadere invulling van 'land'. Weer drie soorten: tamme, bruikbare dieren, dan mindere dieren die over de grond kruipen en de onbruikbare, gevaarlijke dieren. En uiteindelijk de mens als …… vult u zelf maar in. "En God zag dat het heel goed was".

Qua tekst is de zesde dag de langste. De mens krijgt instructies mee over zijn voedsel, dat anders is dan dat van de dieren. In het 2e verhaal is Adam de man van de Adama, de aarde, een heilige akker die hij zelf bewerkt. Dieren kunnen dat niet.

Later, na de zondvloed (Gen. 9), wordt 'Noach met zijn zonen' weer gezegend en mag hij ook vlees van dieren eten. Aanvankelijk waren zij nomaden die met hun kudden tamme dieren rondzwierven en hoofdzakelijk daarvan leefden. Later na de vestiging in het Beloofde Land werden de Joden ook landbouwers (wijnbouw!) en het 'verlof' om het vlees van alle dieren te eten wordt verbonden aan het nieuwe verbond met Noach. Maar aan die zich reëel voordoende mogelijkheid tot voeding wordt een beperking verbonden die niet voor akkerproducten geldt, nl. eerbied voor het 'gezegende' leven; concreet: geen ziel, vlees met bloed er nog in, consumeren.

En de zevende dag rustte God.

Vanuit getallensymboliek ('3') bekeken zijn die (2 x) drie dagen intrigerend. Je ontkomt niet aan een doorslaggevend element: op de derde dag is de kosmogonie gereed en op de zesde is de concrete schepping klaar om zich verder te ontwikkelen - ze is dynamisch - maar er moet nog een zevende dag bij. Zo is er een reeks: 3 principes, telkens 2 elementen en 1 'slot'. Of terug bij begin? Moet die zevende dag die 2 x 3 bij elkaar houden? Het lijkt gespeel maar als u wat meer thuis bent in getallensymboliek, gaat u iets vermoeden.

Dat zou wel de gedachte aanreiken dat 'oer' - de eerste drie dagen - en werkelijkheid - de tweede drie - bijeenhoren, dat 'oer' zich in de werkelijkheid manifesteert, de werkelijkheid door haar oorsprong, bedoeling wordt bepaald. Een hemellicht verwijst naar het Licht en het Licht manifesteert zich in een hemellicht. Een dier verwijst naar ….  Dat is stof om over na te denken. In rust. Krijg je ook. Hoort erbij. Kun je je ook over verheugen want het was zo goed. En als je zo goed bent en goed doet, heb je wat met God. En HijZ met jou. Want dat is Hijz' bedoeling. Geloofsbelijde­nis art.nr.a.

Dynamisch, week in, week uit. Maanden. Jaren. Maar dat heeft u al gezien bij getallensymboliek onder '7' en '2 x 7'.

Er is nog iets. Uit '2 x 7' blijkt dat de week al bekend zou zijn. In Egypte en Chaldea (Z.Mesopotamië, waar Abram vandaan kwam) werd zij aangehouden. De dag is de kleinste eenheid van tijdsduur door de natuur gegeven. De week is door de mens als kortste leef-tijd gekozen binnen het kader van 'Het Religieuze', van wat in '2 x 7' staat; het scheppings­verhaal daaroverheen leggen is een geloofsbelijdenis: door in een week­cyclus te leven houdt de Jood/Christen zijn door God geschapen zijn in het oog. Week in, week uit houdt hij al werkend schepping in stand. Standpunt.

En nu een beetje exegese. Uitgaande van het beginpunt dat eerst de week bestond, werd gehanteerd,  en daarna het scheppingsverhaal ontstond: is het dan niet begrijpelijk dat het idee van scheppings'dag' gebaseerd is op de weekdag? Voor iedere weekdag staat een scheppingselement. De woensdag staat voor de vierde 'dag' waarop zon, maan en sterren worden gemaakt en de zaterdag voor de heilige rust­dag. Dan kun je denken dat de verteller zich heeft moeten aanpassen aan dat weekschema door 2 x 3 dagen aan te houden. Je kunt ook zeggen dat hij zich heeft willen aanpassen omdat hij die drie gegevens van Licht/inzicht, kosmische ordening en leefwereld-ordening als basisideeën zag, die in werkelijkheid vorm kregen. Dan maakt hij een bewuste keuze: geloofsbeleving voor iedere dag.

"God scheidde het licht van de duisternis". Waarom staat dat er uitdrukkelijk bij als duisternis al 'geen licht' inhoudt? Je kunt denken dat zo een 'goed en tegelijk niet-goed', de tegenstrijdigheid, wordt uit­gesloten. Maar er voor staat "en God zag dat het licht goed was". Wordt zodoende binnen het geloof goed - kwaad automatisch bij 'licht', inzicht betrokken? Mij lijkt van wel. Dat is dan knap.

 

Ik kan niet laten: nog een stukje tekst over de Egyptische god Pta.

"Gij hebt de aarde geordend,  gij het uw vlees verenigd, gij hebt uw lichaamsdelen geteld en gij vond uzelf als de ene die reeds in orde was. Gij, god die de twee landen (Opper- en NederEgypte) formeerde, gij hebt geen vader die u in uw bestaan voor …. (?), gij hebt geen moeder die u baarde, gij schiep uzelf, een die voltooid was, een die reeds geheel voltooid te voorschijn kwam. Hem (de zonne'god' Atum) echter die uw mond voortbracht, die uw handen schiepen, gij hebt hem in het oerwater grootgebracht. Het werk uwer handen werd geformeerd naar uw schoonheid".

Dat is wat je noemt 'mythisch denken', een vinger achter de realiteit proberen te leggen - te krijgen. Het onzegbare te mogen gaan voelen, het onaanraakbare te zien. Bij ons gaat zo iets over in duiding-in-geloof, in sacramenteel denken, de Ander zien achter/in de werkelijkheden. God is Licht, is Leven, is Liefde. Kan het voor ons schepsels fundamenteler?

© 2000 -2003 P.Goris Epe               Verder naar Exodus