Terug naar overzicht

Terug naar Genesis

emailadres

5  Exodus

 

 

5.1  Inleiding

5.2  De roeping van Mozes

5.2.1  werkvertaling + commentaar 1

5.2.2  werkvertaling + commentaar 2

5.2.3  werkvertaling + commentaar 3

5.3  Het uittochtverhaal volgens P en J

5.3.1  de ene traditie

5.3.2  de andere traditie

5.3.3  commentaar + aanvullingen

 

5.4  De Godverschijning op de Sinaï

5.4.1  de tekst

5.4.2  commentaar tekstkritiek

5.4.3  commentaar toelichting

5.5  De verbondssluiting op de Sinaï

5.5.1  de tekst 

5.5.2  commentaar

5.6  Restant van de heilsgeschiedenis in de Tora

5.6.1  ontstaan en betekenis van de bijbel

5.6.2  Jozua 3 en 4

5.6.3  Jozua 5, 1-11

5.6.4  Jozua 5, 13.15  en  6  

 

 

1 Inleiding

'Genesis' heet in het hebreeuws 'In beginne'; in de betekenis van tijd: zo is het gekomen. 'Exodus' heet 'En dit zijn de namen' nl. die van Jacobs zonen, 11 stuks (excl.Jozef), die naar Egypte trokken. Eerst ging het meer over individuen, nu gaat het over een volk. In Egypte zijn ze talrijk geworden en zijn ze dichter bij elkaar dan zoals eerder in een ruime woestijn. Dit echter ook door hun gezamenlijk lijden onder de onderdrukking die begon onder een koning die Jozef niet meer kende. De uittocht maakte een organisatie noodzakelijk; dat zal ook een praktische inleiding zijn voor het samengaan van individuen tot een volk. De geschiedenis van hét volk begint nu; het is geen gewone geschiedenis. Het boek vertelt een heilsgeschiedenis zoals de mensen dat hebben ervaren. De uittocht uit het land van onderdrukking wordt als het centrale punt daarvan bezongen in psalm 114. Toen "... werd Israël Zijn heilig domein". Christenen vergelijken de verrijzenis van Jezus met de uittocht: qua ervaring, geloofsgegeven, is zij even centraal. Zoals De Vader dan 'De tot leven wekkende' wordt genoemd, zo wordt HijZ gekwalificeerd als 'JHWH', onze God die ons uit Egypte, het slavenhuis, heeft geleid'.

 

De indeling van Exodus is:

- hoofdstuk 1 - 11: de nood in Egypte    1 de onderdrukking

         2 - 6  Mozes, geboorte, vlucht uit Egypte, roeping, terugkeer

         7 - 11  Mozes en Farao, de 10 plagen in Egypte

 

- hoofdstuk 12 -14 in Egypte     12 Pascha, 13 wet op de eerst geborenen

         13 -14 uittocht en door de Rietzee heen

         Het lied van Mozes bij de Rietzee hoofdstuk 15

 

- hoofdstuk 15 - 18: in de woestijn, Mara, Manna, Massa en Meriba, Amalek bevochten, Jetro op bezoek

 

- hoofdstuk 19 - 40: Verbond en Wet:    God verschijnt hfdst 19 en 24

         verbond, breuk, vernieuwing  hfdst 24, 32 - 34

         tien geboden 20, 1-17; 34, 14-26

         verbondsboek 20, 23 - 23, 33

         andere liturgische voorschriften 25 - 31; 35 - 40.

 

Er is dus niet zoveel over de uittocht op zich maar des te meer over de invulling hoe men een volk van JHWH moet zijn en wat de reden is om zo'n volk te zijn. Alleen in vrijheid kun je afspraken maken over dienst, ook inzake dienst aan God. Het verbondsboek heeft het karakter van een vazal-overeenkomst, een wederzijdse afspraak: 'Ik ben uw God en gij zijt Mijn volk', Ik -de Sterke- bescherm u als Mijn eigendom, mits gij u zo betoont. Dat is niet zo maar uit de hemel komen vallen, dat hebben ze ervaren. Volgens hun verhaal kregen de Egyptenaren in de gaten dat hun God voor hen vocht.

Uiteraard ook nu weer een keuze wat betreft de te lezen hoofdstukken, waarin het heilsverhaal maar ook iets van het ontstaan tot uitdrukking komt. We leren nu ook de Elohist kennen.

 

2    De roeping van Mozes

(Exodus 2,23 - 3,22)

 

 

Werkvertaling hoofdstuk 2   2.1

 

                                                                                   23 En het gebeurde in deze vele jaren

                                                                                   en (die) koning was wel overleden

                                                                                    maar steeds zuchtten de Israël-kinderen onder hun slavendienst

                                                                                   en zij riepen (alsmaar) om hulp en omhoog steeg hun hulpgeschrei

                                                                                   tot de (hun) God vanuit hun slavendienst

                                                                                   24 en God hoorde hun weeklagen

                                                                                   en God herinnerde Zich de verplichting (verbond)

                                                                                    met Abraham, Isaak en Jacob

                                                                                   25 en God zag naar de Israël-kinderen

                                                                                                                         en God wist.

 

commentaar  

Dit stukje tekst is van P, daarom staat het gecentreerd.

Vs 23 "…(die) koning…"  nl. die met de onderdrukking was begonnen.

"… de God…"  staat er letterlijk maar 'de' betekent 'hun'.

Vs 24  "… en God herinnerde Zich."  'Zich herinneren', 'denken aan' wordt graag door P gebruikt; zie Gen 8,1; 9,15v; 19,29; 30,22; Ex 6,5. Als God dat doet, komt het heil. Zoekt u die plaatsen eens op; ze geven een voeding.

Vs 25  "…. en God wist."  Dit is te vertalen met: omdat God het (toch wel) wist; want God wist (het wel); zodat God het (weer) wist, het verstond, begaan was met hen; en God wist hoe dat voelt. Zoek de mooiste maar uit (of alle vier).

 

Onmiddellijk rijst de vraag waarom God dan niet eerder te hulp kwam als HijZ de ellende al kende. Een vraag van ons; wij hanteren al het godsbeeld van de Al-wetende enz. Je kunt alleen maar accepteren dat Joden het zo zeggen, zij ervoeren de ontwikkeling. Zo kun je ook vragen waarom Jezus niet eerder is geboren. Ik denk dat je daar niet uitkomt, tenzij je het beeld van God-die-meetrekt hanteert. God in de mensengeschiedenis. Is dat ook niet onze eigen ervaring? We maken eerst iets mee en reageren dan pas. Maar het is niet eenvoudig als het kwaad de goede mensen treft.

Terug naar begin pagina

 

 

 

werkvertaling hoofdstuk 3   2.2

1 Mozes was herder van de kudde van Jetro,

zijn schoonvader, priester van Midjan

en dreef eens de kudde achterin de woestijn

en hij kwam bij de berg van GOD, de Horeb.

2 En een engel van JHWH toonde zich aan hem

in een vuur-vlam vanuit het midden van de (befaamde) struik

en hij keek en zie ! de struik brandend met vuur

maar de struik niet verterend.

3 Mozes zei (bij zichzelf):"Ik ga per daar naar toe

en ik wil zien dat grote verschijnsel:

waarom verteert die struik niet ?"

4 JHWH zag dat hij naderde om te kijken

en GOD riep tot hem (vanuit het midden van de struik)

en Hij zei:"Mozes, Mozes"!

en hij zei:"Hier, ik".

5 en Hij zei:"Nader niet hierheen, neem jouw schoeisel van jouw voet weg

want de plaats waar jij op staande bent: dit is heilig-grond."

6 Hij zei:" Ikke ben de God van jouw vader,

de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob".

en Mozes bedekte zijn gezicht want hij vreesde het schouwen naar GOD.

 7 JHWH zei:" Zienen (=weldegelijk) heb ik gezien

de ellende van mijn volk in Egypte

en heb Ik gehoord hun jammerklacht weg van zijn onderdrukkers.

Voorwaar, Ik ken hun lijden.

8 Dus daal Ik af om het te bevrijden uit de hand van Egypte

en om het weg te zenden uit dat land naar een land,

goed en ruim, druipend van melk en honing,

naar de plaats van de Kanaänieten en Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jeboesieten

 

 

 

9 Nu, zie, het geweeklaag van de Israël-kinderen komt tot Mij en ook zie IK alsmaar het onderdrukken

waarmee de Egyptenaren hen onderdrukkend zijn.

10 Nu, ga! want Ik zend jou naar de Farao

en doe uitgaan mijn volk, de Israël-kinderen, uit Egypte"

11 Mozes zei tegen GOD:" Wie ? Ikke ? Echt ?

Ik zal gaan naar de Farao

en ik zal echt doen uitgaan de Israël-kinderen uit Egypte ?

12 Maar Hij zei:" Voorwaar, Ik ben (altijd) met jou

 en dit is voor jou het teken

dat Ik jou zend om jouw doen-uitgaan-van-het volk uit Egypte…

Jullie zult GOD dienen op deze berg."

13 Maar Mozes zei tegen GOD:"Zie, ik ga naar de Israël-kinderen

en ik zeg tegen hen 'De God van jullie vaderen zendt mij naar jullie'

en dan zeggen zij 'Wat is Zijn naam?'

Wat moet ik dan zeggen?"

14  GOD sprak tot Mozes."Ik ben van wie geldt 'Ik ben'.

Zo zeg je tegen de Israël-kinderen: 'Ik-ben zendt mij naar jullie'".

15  GOD zei nog tegen Mozes:"Zo zeg je tot de Israël-kinderen:

'HIJ-IS, de God van uw vaderen, de God van Abraham,

de God van Isaak, de God van Jacob

zendt mij naar jullie.

Zo is Mijn naam voortaan

en zo is het Mij-aanspreken van geslacht tot geslacht.'

16 Ga, en verzamel de oudsten van de Israël-kinderen en zeg tot hen:

 ' JHWH, de God van jullie vaderen liet Zich aan mij zien,

de God van Abraham, van Isaak, van Jacob met het zeggen:

'Bekommeren bekommer Ik Mij om (vol kommer zie Ik om naar) jullie

en naar hun doen op jullie in Egypte'".

17 Hij zei:"Ik zal jullie doen uitgaan uit de gevangenis van Egypte

naar het land van Kanaänieten en Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten

naar een land dat druipt van melk en honing".

Terug naar begin pagina

commentaar

vs 1  De schoonvader van Mozes schijnt verschillende namen te hebben. Dat kunnen toevoegingen zijn maar ook verschillende tradities. Belangrijk is wel dat hij priester is van Midjan, een nomadenvolk. Daar kan Mozes de naam JHWH hebben leren kennen. Zie 'Ontstaan en taal van de bijbel', de ontwikkeling van het godsbeeld 3.1 punt 4. (Ook David en Amos werden achter de kudde vandaan gehaald.)

"G 0 D" met opzet met drie hoofdletters omdat in de hebreeuwse tekst de godsaanduiding (ook de Godsnaam?) die de Elohist gebruikt Elohiem is (als P). U ziet in het bijbelpanorama wanneer de Elohist zijn traditie opschrijft: toen het Noordrijk zelfstandig werd ca 860 aan het hof van koning Omri. Vermoedelijk huisde E in het Noordrijk. Let eens op het verschil in het panorama tussen de Jahwist en de Elohist. Hoewel E ook 'Elohiem' gebruikt, is zijn stijl anders dan P.

vs 2  "JHWH", die naam die J gebruikt. Nu is het een engel; in vers 4 is het JHWH zelf. Zo wordt voorzichtig Gods aanwezigheid en handelen ingeleid, typisch Joods. Net als in Gen 15 openbaart God Zich in een vuurverschijnsel.

"… de  struik ..." de schrijver ziet de struik al voor zich die zo belangrijk was.

vs 4   4a JHWH zag en 4b GOD riep. Verandering van de godsnaam. Van dit hele hoofdstuk staat links de J-traditie en rechts de E-traditie.

"… vanuit het midden van de struik ..." is een vermenging van J en E tekst; de struik hoort in J thuis.

"… Mozes, Mozes ..." Zelden wordt een eigennaam tweemaal genoemd. Dan is er iets aan de hand. "Abraham, Abraham": blijf met je vingers van die jongen af ! "Samuël, Samuël": luister nu ! "Marta, Marta": zul je dit nooit vergeten ! Wat zou er hier met/voor Mozes aan de hand zijn ? Iets heel persoonlijks in ieder geval. Zie verder.

vs 6 "... de God van jouw vader ..." is een uitdrukking die uit de patriarchentijd (Abraham, Isaak en Jacob) stamt; ze wordt nu aan het begin van de nieuwe tijd gebruikt maar later vervangen door 'de God van jouw (aarts)vaderen', dat dan een verbinding met de patriarchentijd legt.

vs 7 "... Ik ken hun lijden ..." Typisch voor het JHWH-beeld. Hij is kort-bij en weet er niet alleen van maar kent het ook. 'Uit eigen ervaring' zeg je dan, want dan ken je pas. Dat roept weer de vraag op waarom HijZ nu pas opkomt. Zoals gezegd, kun je daar verschillend op reageren. Na de bijeenkomst was er een reactie "Ik heb nooit het gevoel gehad dat God er niet is".

vs 8 "... afdalen ..." JHWH is een God die zelf in actie komt, de geschiedenis in komt. Hij is meer dan een stam-god, nu voor een volk.

 "... melk en honing ..." In Egypte hadden ze het ook niet slecht: 'waren we maar bij de vleespotten van Egypte gebleven' klagen ze in de woestijn. Was dat luxe-leven, consumptie-economie ? Zou melk en honing 'eerlijker' zijn, natuurlijker, puurder? Je hoeft er niet voor te slachten.

vs 9 verdubbeling van vs 7; reden om het bij E te plaatsen.

vs 10 Mozes wordt de eerste gezondene in de heilsgeschiedenis, in naam van God.

vs 12 Het teken wordt eigenlijk niet gegeven, tenzij een teken achteraf. Mogelijk is de tekst niet compleet en is de opdracht om op die berg God te dienen een cultusgebod; mogelijk een belofte.

vs 14 "Ik ben van wie geldt 'Ik ben'". Dus hoef je niet verder dan die Ik-ben te zoeken; Ik-ben is het einde, de basis. De vertaling 'Ik ben die ben' zegt mij niet zoveel. 'Ik zal er zijn' vind ik aanvechtbaar omdat het de vraag 'wanneer? nu niet?' oproept. Let op de vertaling van het 2e deel van vs 14: "… Ik-ben zendt mij…" 3e pers.enk: de Ik-ben zendt.

Wel belangrijk is het 'er zijn': Ik ben er. Als God alleen maar 'de zijnde' is (in de Griekse vertaling, de Septuagint) en in de hemel blijft, wat heb je dan aan Hem ? Als HijZ er is, voor Zijn volk, dan is HijZ in actie, dan heb je wat aan Hem. Het 'Ik ben van wie geldt Ik-ben' garandeert een maximaal 'er-zijn'. Het 'De Zijnde' van de Septuagint, De maximaal Zijnde, houdt ook in altijd-zijnde, "de Eeuwige" zoals de Joden zeggen en anderen met hen. HijZ zal dus niet er zijn maar altijd er zijn, De Levende.

Dat is hun ervaring. Dan krijg je de vragen hoe het dan in Dachau zat; waar was HijZ toen? Alleen zij die lijden, geleden hebben, kunnen ons hun antwoord laten horen, doorgeven, hun ervaring. Zie ook Volwassenencatechese onder Verlossing 7.3 punt 3b. en de opmerking onder bijbelse (gods)beelden Vc 16.

vs 15  Na vs 14 geeft E 'een tip' aan J over het ontstaan van de Naam JHWH, die taalkundig (de 3e en 1e  pers.enk.) samenhangt met 'Ik ben', 'Èhejè' in het hebreeuws. Jahwe betekent: Hij is (er). Dat HIJ-IS(-ER) is de Naam. Zo heet hun God. Hij-is-er wordt nu gefundeerd op 'Ik ben van wie geldt: Ik-ben'. God zelf bevestigt Zijn Naam. Zijn 'er zijn' komt voort uit Zijn 'zijn'; een knallende Joodse geloofsbelijdenis.

Let op het verschil van vs 14 en vs 15: "Ik-ben …"  geldt voor Mozes persoonlijk, "Hij-is" is voor het volk. Geeft E alleen maar een tip? Of stelt ze dat zo "Ik ben" binnen de brandende struik geldt, voor Mozes, en "Hij is" daarbuiten?

Als u alleen het J-verhaal aan de linkerkant leest en dan het E-verhaal aan de rechterkant, ziet u dat in J God zelf afdaalt en in E Mozes gezonden wordt en dat E geen braamstruik kent maar Mozes direct wordt aangesproken. Beide tradities zijn voldoende om het geen waar het om gaat door te geven.

Terug naar begin pagina

vervolg werkvertaling hoofdstuk 3  2.3

 

18 En zij zullen luisteren naar jouw stem (geluid)

en jij gaat met de oudsten van Israël naar de koning van Egypte

en jullie zeggen tegen hem:

 'JHWH, de God der Hebreeën roept ons op

en nu gaan we echt op reis, drie dagen in de woestijn

 en wij offeren aan JHWH, onze God'.

19 Ik weet dat de koning jullie niet toegeeft om te gaan

 als niet met een hand zij dwingt.

20 Maar Ik zend mijn Hand en Ik tref Egypte

met veel wondertekenen die Ik doe.

 Daarna zal hij jullie laten gaan.

21 En Ik zal geven gunst aan dit volk in de ogen van de Egyptenaren.

Als jullie gaan, gaan jullie niet arm.

22 Want (de) vrouw vraagt van haar buur en van de vreemdeling in haar huis

al het goud en zilver en kleding en jullie leggen het op jullie zonen en op jullie dochters

dus jullie pikken het van de Egyptenaren af.

 

commentaar

In dit gedeelte speelt de vraag J of E niet meer, het maakt het verhaal in de beide tradities compleet.

vs 18 "... geluid ..." de letterlijke vertaling. Ook de herder gebruikt een geluid, een klopsignaal, om zijn kudde uit de kooi te roepen.

"... drie ..." ver genoeg om buiten het bereik van de Egyptenaren te geraken.

vs 19  Ook bij de plagen staat zo iets: God verhardde het gemoed van de Farao als de plaag voorbij was. Wij vinden zo iets onbarmhartig van God maar hun wijze van zeggen betekent wellicht dat JHWH voor hen streed en de Farao er compleet inluisde. In het algemeen vind je zeker in de psalmen dat van 'eigen schuld, dikke bult', het uitlachen van tegenstanders: "allen die tegen mij zijn moeten het aanzien dat Gij mij bedient", de rechtvaardige is zus en zo goed, doet zijn best maar de onverlaat moet maar in ijzeren boeien worden geslagen. Hoe voelt dat ?

vs 19b  De betekenis is waarschijnlijk: als zij (die hand) niet met (harde) hand dwingt, gebeurt er niets.

vs 21 Mij lijkt dat de Egyptenaren het zo beu zijn dat ze alles kunnen krijgen als ze maar oprotten.

vs 22 "... (de) vrouw ..." Iedere vrouw vraagt, eist op."… afpikken…": eigelijk staat er 'roven'. I.v.m. het voorgaande vers lijkt me 'roven' een beetje sterk. Een pragmatische verklaring is die sieraden e.d op te vatten als achterstallig loon of genoegdoening voor de slavenarbeid. Dan is het geen roven.

Terug naar begin pagina

 

3 Het uittochtverhaal en de redding

gesplitst volgens P en J

 

De bedoeling is dat u het verhaal leert kennen en dat u zelf  ziet dat het van P en van J is. Dus nog niet in het commentaar kijken! Voor criteria zie 'Wat we concludeerden' 4.4.5 bij Genesis. Er is nu geen verschil in de godsnaam, in beide staat JHWH. Tekst volgens de nieuwe Willibrord.

De keuze van de verzen voor het ene of het andere hoeft niet feilloos te zijn. Leest u eerst de verhalen; de versnum­mers zijn vermeld ter wille van verdere bestudering. Voor de volledigheid zijn een ook paar E stukjes toegevoegd.

 

De ene traditie  3.1

 

- hoofdstuk 12, 37-39:

De Israëlieten vertrokken vanuit Raämses in de richting Sukkot. Het aantal mannen dat zelf liep - de kinderen dus niet meegerekend - bedroeg ongeveer zeshonderdduizend. Ook vele anderen trokken met hen mee net als grote kudden klein vee en de runderen. Ze bakten ongezuurde koeken van het deeg dat ze meegenomen hadden uit Egypte; het was nog niet gezuurd. Ze waren immers uit Egypte weggejaagd, zonder dat ze zelfs tijd hadden gehad om voor proviand te zorgen.

- hoofdstuk 13, 20.21.22

Zo braken de Israëlieten op van Sukkot en sloegen hun kamp op te Etam, aan de rand van de woestijn. JHWH ging voor hen uit: overdag in een wolkkolom, 's nachts in een vuurzuil om hun licht te zijn. Zo konden zij dag en nacht doortrekken. Nooit week de wolkkolom overdag en de vuurzuil 's nacht van de spits van het volk.

- hoofdstuk 14, 5.6.7.10.13.14.19b.20.21b.24.25.27bc.(29a)30.31

Toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was, veranderden de farao en zijn hovelingen van gedachten en zij riepen uit:"Hoe hebben we de Israëlieten uit onze dienst laten gaan?"  Hij liet dus zijn strijdwagen inspannen en nam zijn manschappen met zich mee:  zeshonderd van de beste wagens en alle voertuigen van Egypte, elk met drie man bezet. Toen de farao naderde, zagen de Israëlieten ineens dat de Egyptenaren hen achterna gekomen waren. Hevige angst maakte zich van hen meester en zij riepen luid tot JHWH.

Mozes gaf het volk ten antwoord:"Vreest niet, blijft volhouden; dan zult u zien hoe JHWH u vandaag nog zal redden. Want vandaag ziet u de Egyptenaren nog; daarna zult u ze niet meer zien, nooit meer! JHWH zal voor u strijden, zelf hoeft gij geen vinger uit te steken." De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op. Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten. De wolk bleef donker zodat het die nacht niet tot een treffen kwam. JHWH deed die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Tegen de ochtendwake richtte JHWH vanuit de wolkkolom (en de vuurzuil) zijn blikken op de legermacht der Egyptenaren en bracht ze in verwarring. Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egypte­naren  riepen uit:"Laten we vluchten voor de Israëlieten want JHWH strijdt voor hen, tegen ons". Toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten, dreef JHWH hen midden in de zee. (? De Israëlieten daarentegen waren over de droge bodem van de zee heen getrokken.) Zo redde JHWH op deze dag Israël uit de greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. Toen Israël JHWH's machtige optreden tegen Egypte had gezien, kreeg het volk vertrouwen in JHWH en in Mozes, zijn dienaar.

 

Het plaatje is iets te suggestief voor dit verhaal. Ziet u waarin?

Terug naar begin pagina

Intermezzo:

Er zijn deeltjes die wellicht E zijn:

13, 17-19: Toen de farao het volk had laten vertrekken, liet God hen niet door het gebied van de Filistijnen gaan, hoewel deze weg korter was. Want als het volk aangevallen zou worden, dacht God, zou het spijt kunnen krijgen en teruggaan naar Egypte. God liet het volk dus de omweg door de Rietzee-woestijn maken. Geheel uitgerust voor de strijd trokken de Israëlieten weg uit Egypte. Mozes nam het gebeente van Jozef mee. Deze had de Israëlieten immers bezworen dat te doen, toen hij zei: "Als de JHWH zich jullie lot aantrekt, neem dan mijn gebeente met je mee."

 

14, 11-12:  En tegen Mozes zeiden ze: "Waren er in Egypte geen graven, dat u ons naar de woestijn hebt gebracht om te sterven? Wat hebt u ons aangedaan door ons weg te voeren uit Egypte? Hebben wij u in Egypte al niet gewaarschuwd: bemoei u niet met ons, laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren? Het is beter om hen te dienen dan te sterven in de woestijn."

 

14, 19a:  De engel van God die aan de spits van het leger van de Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. (In 19b is sprake van een wolkkolom)

 

De andere traditie  3.2

 

- hoofdstuk 12, 40.41.42.51

 Het verblijf van de Israëlieten in Egypte had vierhonderddertig jaar geduurd. Juist op de dag dat deze vierhonderdder­tig jaar waren verstreken trokken al de legers van JHWH weg uit Egypte. JHWH waakte die nacht (van het Pascha en de Verderver) om hen uit Egypte weg te voeren. Daarom waken alle Israëlieten deze nacht voor JHWH, elke generatie opnieuw. En diezelfde dag nog leidde JHWH de Israëlieten, in groepen geordend, weg uit Egypte.

- hoofdstuk 14, 1-4.(5a).6.8.9.15.16.17.18.21ac-23.26.27a.28.29.

JHWH sprak tot Mozes:"Zeg de Israëlieten dat zij omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee. Voor Baäl-Sefon moet u aan de zee uw kamp opslaan. Dan zal de farao denken: De Israëlieten zijn de weg kwijtgeraakt en nu zijn ze door de woestijn ingesloten. En Ik zal de farao weer halsstarrig maken, zodat hij hen gaat achtervolgen. Ik zal mijn heerlijkheid bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht. Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik JHWH ben." De Israëlieten volgden dit bevel op.

(Toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was,) veranderden de farao en zijn hovelingen van gedachten. Want JHWH had de farao, de koning van Egypte weer halsstarrig gemaakt, zodat hij de Israëlieten, die onder de machtige bescherming van JHWH vertrokken waren, ging achtervolgen. Met alle paarden en wagens van de farao, met zijn wagenmenners en zijn leger­macht, zetten de Egyptenaren de achtervolging in. Zij haalden de Israëlieten in terwijl zij gelegerd waren aan zee, bij Pi-Hachirot, voor Baäl-Sefon.

Toen sprak JHWH tot Mozes: "Wat roept u Mij toch? Beveel de Israëlieten verder te trekken. Uzelf moet uw hand opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en haar in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik mijn heerlijkheid bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners. De Egyptenaren zullen weten dat Ik JHWH ben, als Ik mijn heerlijkheid bewijs ten koste van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners."

Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en JHWH maakte van de zee droog land en de wateren splitsten.  Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in. Toen sprak JHWH tot Mozes: "Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners." Mozes strekte zijn hand uit over de zee. Het water dat terugvloeide overspoelde de wagens en de wagenmenners, heel de strijdmacht van de farao die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Er bleef er niet één gespaard. De Israëlieten trokken over de droge bodem van de zee, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden.

 

 

En nu is dus de vraag of u een J-traditie herkent en een P-traditie en zo ja in welk verhaal zit J en in welk P ?

Voor criteria zie 'Wat we concludeerden' 4.4.5 bij Genesis.

Terug naar begin pagina

 

Commentaar en aanvullingen  3.3

P en J

Dat hier twee tradities door elkaar heen lopen blijkt uit de doublures, onderbrekingen, verschillend woordgebruik in het hebreeuws, het wonder wordt bereikt de ene keer bereikt door de staf/hand van Mozes en de andere keer door de oostenwind e.d. De vraag was: welk stuk is J en welk stuk P ? Het verschil in de godsnaam GOD - JHW helpt nu niet meer.

In de ene groep knalde het goede antwoord met redenen omkleed er meteen uit door iemand die - blind - goed kon luisteren. (We lazen de verhalen hardop.) Inderdaad, het eerste stuk is 'gewoner', 'liever' (O.L.Heer!), klinkt anders dan het tweede dat met veel enthousiasme en drama vertelt. Het eerste stuk heeft aandacht voor de gevoelens van de Egyptenaren en de Joden, in het tweede is er nauwelijks een probleem. In het eerste is JHWH zelf actief ('Ik daal af', Ex 3,8), in het tweede is Mozes meer bezig. In het eerste merk je haast niets van het wonder, achteraf vraag je je af wat er gebeurd is; in het tweede ligt het wonder en de machtigheid van God er boven op. Het eerste stuk hanteert getallensymboliek; het tweede stuk heeft plaats- en tijdsaanduidingen, kent ordening en veel herhalingen (mondelinge verkondiging!), typisch de P; en het eerste dus J. Zo ziet u dat in een bijbelverhaal twee godsbeelden naast/­tegenover elkaar staan en dat de bijbel is gecomponeerd door mensen. Dat instructies over de 1e paasmaaltijd vooraf gaan aan de uittocht is redelijk, maar niet dat voorschriften over het Paasfeest en de Wet op de eerstgeborenen toen zijn gegeven (eind hfstk 12 - begin 13). Die zijn later, toen ze al  in het Beloofde Land waren, daar ingevoegd.

Een kritische vraag: hoe kun je de individuele verzen onderscheiden als behorend bij P of J ? Zekerheid heb je nooit, door de samenvoegingen is een zeker 'tekstbederf' opgetreden ('Elohiem' komt b.v. niet voor in P) maar als je eenmaal wakker bent, wordt het steeds redelijker om daarop te letten en P, J en E te hanteren in grote delen van de Tora. Criteria voor onderscheiding worden dan de elementen die in de vorige alinea zijn aangegeven. Het woordgebruik in de hebreeuwse tekst (vaak een kwestie van 'turven') is ook zo'n element, maar dit spreekt voor ons niet.

 

Het J-verhaal

"… zeshonderdduizend… " Zie getallensymboliek.  Zes duidt  op meer dan organiek, buiten het vaste kader, en 10 is alles. 100.000 is 10x10x10x1010 dus helemaal allemaal alle Joden plus bij-/aanhang.

"… vreemdelingen… " liepen graag mee in een karavaan door de woestijn; veiliger. Aanhang?

"… grote kudden…" Je gaat denken dat de Joden hun nomadenbestaan toen niet ontwend zijn.

"… ongezuurde koeken…" Ze lieten oud zuur achter. Bij de intocht gebeurt dat ook om een reden.

"… weggejaagd…" ? Het staat er. Beter woord ?

"… nooit week de wolkkolom overdag en de vuurzuil s' nachts ..." Hij-is-er (of Zijn engel) voorop. Kennelijk hun ervaring. De onze ?

"…zeshonderd…" Farao deed ook niet mis en zette alles in wat hij maar krijgen kon.

"… drie…" Normaal: een menner en een strijder, nu met schilddrager. Qua gevoelswaarde denk ik aan een tank. Dat klinkt gek maar zit daar niets in?

"… blijft volhouden…" Zoekt u in het N.T. eens op Mc 5,36. Geldt ook voor ons -dacht ik.

"… Hij-is-er zal voor u strijden." Zie "Ik daal af"  Ex 3, 8.

"... een sterke oostenwind ..." Een natuurgebeuren wordt (achteraf?) geduid als door God gewild.

"… dood op de kust…"  Gevaar voorbij!

"… kreeg het volk vertrouwen…" Zie Gen 15,6. Toen persoonlijk, nu collectief maar een geloofs­belijdenis met dezelfde persoonlijke lading; ze komt van binnen uit. De vrucht van uw schoot.

 

Het P-verhaal

"… vierhonderd en dertig jaar…" Zie bijbelpanorama. Ik denk dat priestergetallen geen betekenis hebben.

"Daarom waken alle Israëlieten ..." Hoort bij eredienst; een priesterlijke taak.

"… geordend …" Zo hoort het.

"… dat zij moeten omkeren…" God grijpt zelf in volgens het verhaal; om een voor de hand liggende reden waarover later meer. Maar dan maakt Hij een plan om de Egyptenaren er in te luizen en door hen halsstarrig te maken maakt Hij de zaak compleet. Hij gaat zich verheerlijken ten koste van die grote farao: zo verkondigt P Zijn heerlijkheid.

"… die onder JHWH's beschermende hand waren ..." 'Die stomme Egyptenaren toch!' insinueert de verteller. Daarmee geeft hij ook de veiligheid voor de Joden aan.

De herhalingen zoals 'Ik ga Mij verheerlijken', 'halsstarrig maken', 'farao, zijn wagens en zijn wagen­menners' e.d. kunnen hun 'Sitz im Leben' hebben in de priester die op het tempelplein of in een lokaal mensen onderricht (zie b.v. Hand 22,3). De oosterling reageert wat actiever op een voorganger dan wij; ze zullen hun instemming laten blijken zodra de voorganger/leraar iets zegt, tot iets aanzet. Dat (laten) herhalen was ook de manier van instrueren, want haast niemand kon lezen, laat staan schrijven.

Weersta de verleiding om aan P demagogie toe te schrijven. Zo lijkt ons dat; voor hen was dat gewoon. P kende het verhaal van J en was er op uit de Heerlijkheid te accentueren, die in J ontbrak. Niettemin zullen zij ook aan zo'n verleiding het hoofd hebben moeten bieden. Hoe groter je baas des te groter maak je jezelf. Hun gerechtigdheid was ter zake. Kennelijk is ook hun inbreng als authentiek geaccepteerd: Gods woord.

 

De E-traditie

is niet zo opvallend in dit verhaal. Er zijn bijbel-commentatoren die E niet terugvinden. Mogelijk leek ze veel op J. Zoals reeds eerder gezegd kunnen de volgende tekstdelen uit E zijn:

13,17-19  Toen farao het volk had laten vertrekken, liet GOD hen niet door het gebied der Filistijnen gaan, hoewel deze weg korter is. Want als het volk zich tot strijd gedwongen zou zien, dacht GOD, zou het spijt kunnen krijgen en terugkeren naar Egypte. GOD liet het volk dus de omweg door de Rietzee-woestijn maken. Geheel tot de strijd uitgerust trokken de Israëlieten weg uit Egypte. Mozes nam het gebeente van Jozef mee. Deze had immers de Israëlieten plechtig laten beloven (dat te doen) toen hij zei:"JHWH zal zeker eens genadig op u neerzien; neemt dan mijn gebeente mee."

 

Commentaar:

De normale, kortste weg naar Kanaän loopt langs de kust. Maar de Egyptenaren hadden net zo goed expansiedrift (in noordelijke richting) als andere volken. Zie de Vruchtbare Halve Maan vanaf Mesopo­tamië tot in Egypte, 'vanaf de beek de Nijl tot de grote rivier de Eufraat', Gen 15,18. Zij hadden al of niet met Filistijnen ('Palestina') als bondgenoot forten langs de kustroute waar de Joden liever niet langs gingen. Dus (!) zegt GOD dat ze onderlangs moeten. Hoe de route is geweest is nogal onzeker. Dat de Sinaï in het Zuiden ligt, kan best insinuerend zijn geweest. Ook P kent het goddelijke bevel om een andere route te gaan.

Tot welke strijd zij geheel uitgerust waren is niet duidelijk. Misschien wordt 'uitdaging' bedoeld, saamhorigheid.

Het gebeente van Jozef: Jozef had geen naar hem genoemd stamgebied zoals Juda, Benjamin enz. Maar hij had twee zonen, Manasse en Efraïm, die ieder hun stamgebied in het Noordrijk hadden, waar de E-traditie wordt geplaatst !

 

14, 11-12  Maar tegen Mozes zeiden ze: "Waren er in Egypte geen graven, dat je ons naar de woestijn hebt gebracht om te sterven ? Hoe heb je het toch in je hoofd gehaald ons weg te voeren uit Egypte ? Hebben wij je in Egypte al niet gewaarschuwd:'Bemoei je niet met ons, laat ons toch de Egyptenaren dienen'? Het is beter voor ons de Egyptenaren te dienen dan te sterven in de woestijn."

 

Commentaar:

Erg hard gezegd; in Egypte waren veel graven, men stierf nogal jong vanwege zware arbeid. Maar Mozes reageert als een goede leider, de (soms tragische) gezondene.

14,19  De engel van GOD die aan de spits van het leger van de Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op.

 

Commentaar:

Geeft weer de voorzichtige benadering van Gods transcendentie aan. Hetgeen de wolk en de vuurzuil ook doen. Niet alleen tussen de stukken dode dieren maar ook in de brandende braamstruik en op de Sinaï wordt Gods aanwezigheid met vuur aangeduid. Wij spreken van het Pinkstervuur.

Terug naar begin pagina

 

Het lied van Mozes bij de Rietzee  3.4

Daarna hebben we het lied van Mozes bij de Rietzee (hoofdstuk 15) gelezen, bijna gezongen.

Duidelijk is dat het meer bezingt dan de doortocht; het zingt ook over de tempel in Jerusalem, op Sion. Daar is Zijn koningsschap compleet. Het is dus van latere datum. De afsluitende verzen 19vv zijn typisch P; nog eens overdoen. Het refrein van Mirjam, v21, kan vanwege de kortheid en eenvoudige herhaalbaarheid uit die tijd van de doortocht dateren en aanleiding zijn voor het hele lied.

Heeft iemand van ons ook eens zo'n uittochtslied gezongen? Na ellende?

15 Toen zongen Mozes en de Israëlieten ter ere van JHWH dit lied:

Ik wil zingen voor JHWH, want Hij is de Hoogste: paard en berijder dreef Hij in zee.

JHWH is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geweest.

Hij is mijn God en Hem wil ik loven; de God van mijn vader, Hem zal ik prijzen.

JHWH is een strijder, JHWH is zijn naam.

De wagens van de farao, zijn machtige legers, Hij wierp ze in zee; de keur van zijn mannen, door de Rietzee verzwolgen.

Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt.

Uw hand, JHWH, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand neer.

Degenen die U weerstonden hebt U gebroken, in al uw grootsheid.

Het vuur van uw toorn liet U gaan: het verslond hen als stro.

Door het razen van uw toorn stegen de wateren, de stromen bleven staan als een dam;

de diepte verstijfde, midden in zee.

'Ik ga ze achterna', zei de vijand, `ik haal ze wel in; de buit zal ik delen, ik zal erin zwelgen;

mijn zwaard zal ik trekken, mijn hand roeit hen uit.'

Maar U hebt geblazen, de zee heeft hen bedolven; zij zonken als lood in de machtige vloed.

Wie van de goden is als U, JHWH? Wie is er als U, schrikwekkend en heilig,

om roemvolle daden geducht, om wonder na wonder?

Uw hand heft U op, de aarde verslindt hen.

Uw genade leidde het volk, dat U verlost hebt; uw kracht heeft het naar uw heilige plaats geleid.

De volken vernamen het, zij beefden van angst; Filistea's bewoners sidderden.

De vorsten van Edom waren ontsteld, de heersers van Moab door huiver bevangen.

Kanaän wankelde, al zijn bewoners.

Ontzetting en schrik kwam op hen neer; zij werden als steen door de macht van uw arm,

tot uw volk erdoorheen was, o JHWH, tot erdoorheen was het volk dat U hebt geschapen.

U hebt hen gebracht, U hebt hen geplant op de berg die uw domein is,   (Sion, Jerusalem!)

waar U, o JHWH, uw verblijf hebt gevestigd, het heiligdom, JHWH, dat uw hand heeft gemaakt.

JHWH is koning, voor altijd en eeuwig!

19 Toen de paarden van de farao, met de wagens en de wagenmenners, in de zee gekomen waren, liet JHWH de wateren van de zee over hen terugvloeien. Maar de Israëlieten waren over de droge bedding gegaan, midden door de zee. 20 En Mirjam, de profetes, een zuster van Aäron, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en spelend op de tamboerijn. 21 Mirjam zong het refrein: `Zing voor JHWH, want Hij is de Hoogste; paard en berijder dreef Hij in zee.'

Terug naar het begin

 

4 De Godverschijning op de Sinaï.

hoofdstuk 19 en een stukje van 20

De bedoeling is dat u niet alleen het verhaal ziet maar ook hoe de redactie gegroeid is uit een startpunt. De teksten zijn meer vervlochten dan die we tot nog toe hebben gezien.

 

De tekst  4.1

(Een vertaling die een beetje anders is dan in onze bijbels staat.)

 1 Op de derde maand vanaf het uitgaan der Israël-kinderen vanuit het land Egypte, op die dag gingen zij de woestijn Sinaï in. *2 Ze braken op uit Refidim en kwamen in de woestijn Sinaï en ze legerden zich in de woestijn. Daar legerde Israël zich tegenover de berg. 3 Mozes ging op naar GOD * want JHWH riep op hem vanaf de Sinaï door te zeggen: "Zo moet ge zeggen tegen het huis van Jacob en berichten (voorhouden) aan de Israël-kinderen: 4 'Gij zelf hebt gezien wat ik deed met Egypte en hoe ik u heb gedragen op adelaarsvleugels en u bij Mij heb gebracht. 5 En nu, als ge echt luistert naar mijn geluid, dan (bewaakt gij) neemt gij mijn verplichting in acht en zijt gij voor mij een bezit midden onder andere volken, hoewel de hele aarde mij toebehoort, en gij zult Mij zijn een koninkrijk van priesters en een heilig volk' (onder de andere). Dit zijn de woorden die ge moet spreken tegen de Israël-kinderen."  7 Mozes ging en riep de oudsten van het volk bijeen en legde voor hun gezicht al deze woorden, waarvan geldt: JHWH heeft hem bevolen  8 en zij waren gebogen, heel het volk te samen en zij zeiden: "Al waarvan geldt 'JHWH spreekt' doen we en Mozes wilde terugbrengen de woorden van het volk naar JHWH. 9 Maar JHWH zei tot Mozes:" (nee) Nu kom ik naar jou toe in de dichtheid van de wolk opdat het volk kan horen in mijn spreken tot jou en op jou kan vertrouwen voor altijd en Mozes berichtte de woorden van het volk aan JHWH.* 10 JHWH sprak tot Mozes:"Ga naar het volk en ge doet het (zich) heiligen vandaag en morgen en zij moeten hun kleren wassen 11 en zij moeten klaar zijn voor de derde dag want op die derde dag zal afdalen JHWH voor de ogen van het hele volk op de berg Sinaï. 12 Jij cirkelt het volk in met het zeggen: 'Wacht u zich voor het bestijgen van de berg en voor het aanraken van zijn voet. Iedere aanraker van de berg sterft geheid. 13 Gij zult niet hem met een vinger aanraken;  voorwaar hij wordt zeker gestenigd of zeker met pijlen gedood, hetzij een man, hetzij een dier; niet mag hij leven. Pas bij de langgerekte toon van de ramshoorn mogen zíj de berg op gaan'". 14 Mozes daalde van de berg af naar het volk en hij deed het volk zich heiligen en zij wasten hun kleren. 15 En hij sprak tot het volk:"Weest klaar voor drie dagen; niet zult gij naderen tot een vrouw".*16 Op de derde dag bij het worden van de morgen was er een geluid en een bliksemen en een zware wolk lag op de berg en een zeer sterk geluid van een bazuin, zodat het volk dat in het tentenkamp was, begon te beven.17 Mozes deed het volk uitgaan naar de berg, GOD tegemoet, het tentenkamp uit; bij het onderste van de berg stelden ze zich op. 18 De berg Sinaï, een wolk op haar hele oppervlak waarop JHWH was afgedaald in vuur en de rook daarvan steeg op als de rook van een smeltoven en de hele berg beefde. 19 Het geluid van de trompet werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en GOD antwoord­de hem met geluid. * 20 JHWH daalde neer op de berg Sinaï, op de top van de berg en JHWH riep Mozes naar de top van de berg en Mozes ging op. 21 JHWH sprak tot Mozes:"Daal af, bezweer het volk dat zij niet uit breken naar JHWH om te zien zodat veel van ons valt". 22 Ook die priesters die naderen tot JHWH, zij zullen zich op afstand houden zodat niet JHWH op hen losbarst. 23 Maar Mozes zei tegen JHWH:" Het volk zal niet de berg Sinaï op kunnen gaan want Gij zelf hebt ons bezworen: 'scherm de berg af en heiligt haar'". 24 JHWH zei tegen Mozes: "Ga, daal af en jij, klim (weer) omhoog, jij en Aäron met jou, maar de priesters en het volk, zij zullen niet uitbreken om op de berg omhoog te klimmen naar JHWH opdat niet op hen losbarst (de toorn van JHWH)". * 25 Mozes ging naar beneden naar het volk en wilde tot hen spreken (om hen de berg op te laten gaan). 20, 18 Heel het volk was al bang voor de donder en het bliksemen en het bazuingeschal en de wolk op de berg en het volk werd nog banger en zij draalden en bleven op grote afstand staan. 19 Zij zeiden tegen Mozes: "Spreek jij maar met ons en we luisteren zeker; maar niet moet Hij met ons spreken, GOD, anders (wacht ons) het sterven". 20 Mozes zei tot het volk:"Wees niet bang, want om u te overtuigen komt GOD nl. dat gij zijt Hem-vrezend-op-uw-gezicht zodat gij niet meer zondigt". 21 Terwijl het volk bleef staan op grote afstand, naderde Mozes de donkere wolk waar GOD. * 22 JHWH sprak tot Mozes: "Zo moet ge zeggen tegen de Israël-kinderen: 'Gij hebt gezien hoe Ik uit de hemel met u heb gesproken: 23 niet zult ge maken naast Mij goden van zilver en goden van goud. Gij zult die niet voor u maken. 24 Een altaar zul je maken voor Mij en op haar zul je als offer slachten je brandoffer en je vredesoffer, je klein vee en je runderen; op iedere plaats waar Ik doe herinneren mijn Naam, kom ik bij je en zegen je. 25 Als je een altaar van stenen voor Mij maakt, bouw er geen van behouwen steen, want je mes dwing je op haar en het ontwijdt haar 26 en niet zul je trappetjes lopen bij het bestijgen van mijn altaar waarvan geldt: niet openbaren je schaamte op haar.

 

commentaar tekstkritiek 4.2 

vs 1 "… de derde ..." komt een paar maal voor; er gebeurt iets beslissends.

"… op die dag…" de vraag is waarom 'die' dag zo'n nadruk krijgt. Duidelijk is in ieder geval dat de belangrijke dag van hun uittocht, hun Godsvolk worden,  wordt verbonden met de Verbondssluiting.

vs 2 "… uit Refidim…" koppelt 17,1 aan dit hoofdstuk. Als je vers 1 als inlassing ziet (zie verder) en het dus eigenlijk niet in het lopende verhaal thuis hoort, dan moet je vertalen 'ze vertrokken uit Refidim' omdat het gewoon een vervolg betreft van 17,1.  Als je dat vers er bij laat horen, moet je vertalen 'ze waren vertrokken uit Refidim', en zo is thans de tekst nu eenmaal.

"… tegenover de berg…" Die nadere precisering van het zich daar legeren roept een vertelspanning op.

vs 3 "GOD" - "JHWH" maakt een breuk in de zin door de godsnaam. Zie verder.

"… het huis van Jacob…" Als een Jood dat hoort, gaat hij in de houding staan. Het is een deftige, officiële benaming. Er gaat dan ook wat gebeuren. 'berichten' staat tweemaal vet. Daarover later meer.

vs 4 "… adelaarsvleugels…" Vaak gebruikt. Twee beelden: de adelaar roept zijn jong op om te vliegen ondanks die grote afgrond onder het nest: duik er maar in/uit, je kunt het. Dan nog het beeld dat het volk op adelaarsvleugels is gedragen boven de afgrond.

"… bij Mij heb gebracht ..."  !

vs 5 Mijn zinsconstructie is: 'als dit, dan dat en dat. In de Willibrord staat: als dit en dat, dan dat. Ik ga uit van goede wil, de bereidheid om te luisteren. Als je echt luistert, let je vanzelf op het verbond en zul je vanzelf beantwoorden aan je mogelijkheden. Zoals de Willibrord vertaalt, staat er een stok achter de deur: als je gehoorzaamt en onderhoudt, (pas) dan zul je zijn. Dwang past niet bij geloof. Grammaticaal zijn beide versies mogelijk maar ik vind mijn vertaling natuurlijk veel beter en beroep me op de 'stokloze sfeer' van o.a. Jesaja 55,3 en Jeremia 7,23. Opzoeken !

"... dan zul je mijn verplichting in acht nemen ..." letten op wat Ik heb beloofd. Dat klinkt anders dan 'Je zult mijn verbond onderhouden'. 'Luisteren' en 'gehoor geven' klinken anders dan 'gehoorzamen'. 'Berit' (hebr. verbond) is ook 'verplichting'.

"… geluid …" Redelijkerwijs vertaal je 'stem' omdat het van God is. Nu is er echter een associatie met het geluid dat de herder maakt om zijn schapen uit de gemeenschappelijke kooi te roepen (Joh 10,3.5).

"… koninkrijk van priesters…" Alle leden van het volk zijn priester. Het gaat dus niet om de functie van priester, die weet hoe hij offers moet brengen, maar om het op God gericht zijn, een grondhouding van eer brengen aan God. Die is wezenlijk voor godsdienst en eredienst. Zo ook 'heilig volk'. Zie Rom.12,1v.

vs 8 Er ontbreekt een zinnetje dat aangeeft dat de oudsten e.e.a. doorgeven aan het volk maar dat is er wel bij te denken.

"… Mozes wilde terugbrengen…" Als je zo vertaalt, hoeft Mozes en keertje minder de berg op. Grammaticaal is dat verantwoord. Daarom in vers 9 'nee' als verduidelijking.

vs 9 "… opdat het volk kan horen ... en kan vertrouwen". Nu wordt aan Mozes een (nieuwe) middelaar­functie toebedeeld door God. Zie ook Ex 3,10 en 14,31.

vs 10 Rituele reinigingsvoorschriften; kleren wassen zal in de woestijn wel nodig zijn.

"… Incirkelen…" om het profane van het heilige te scheiden, maar ook om het gereedmaken voor het heilige aan te geven. Zij worden apart gezet om ...

"… voor drie dagen …" om de betekenis van 'drie' te behouden; in 'overmorgen' gaat dat verloren.

"… niet gaan tot een vrouw".  Waarom dat (cultisch) onrein maakte is mij niet bekend.

vs 18 "… als de rook van een smeltoven." Dat moet dan wel een flinke zijn; ik stel me voor een oven voor ertsen, koper of ijzer. Die dateren -dacht ik - uit de tijd van de koningen. Dan zou het een later ingevoegd element zijn dat expressief werkt.

vs 21 "… ons…"  ? Mogelijk tekstbederf of foutief overschrijven.

vs 24 Aäron is de eerste hogepriester, die eenmaal per jaar het heilige der heilige mocht/moest binnen­gaan. Voor zover ik het weet deed Mozes dat in de woestijn; hij ging de tent (met de ark) binnen. Dan is dit vers later toegevoegd om de functie, het recht, van de hogepriester te grondvesten.

20, vs19 Middelaarschap voor Mozes vanuit het volk; bevestiging van 19,9.

vs 24 "… waar Ik doe herinneren Mijn Naam". Ook in de eredienst is God de actieve.

vs 26 'trappetjes lopen' duidt op recalcitrantie van de vertaler. Leidt seksualiteit zo af?

Terug naar begin pagina

Commentaar  toelichting  4.3 

Het is misschien niet zo opgevallen dat de tien geboden (20,1-18) in deze vertaling zijn weggelaten; het stoort niet. Zij zijn later ingevoegd. Mogelijk heeft er toen wel een soort van rudimentaire vorm ervan bestaan op die plaats. Historisch hoeven ze dus toen niet (zo) geformuleerd te zijn maar die plaats na de redding geeft wel de belangrijkheid ervan voor het joodse geloof aan. Verder zijn ook nog het verbondsboek en andere voorschriften, ook sociale, in die context van de uittocht geplaatst. Zij horen bij het z.g. wetsblok dat we later zullen bekijken. Duidelijk zij dat al die voorschriften historisch gezien niet in de woestijn werden gegeven. Vele waren toen nauwelijks terzake.

De opbouw van 19 is nogal gammel. Mozes kon wel een helikopter gebruiken om op en af te gaan. 'JHWH' en 'GOD' worden door elkaar gebruikt. De volgende indeling wou ik aanhouden: vss 1. 2+3a. 3b-10. 10-16. 16-20. 20-25. 20,18-22. 22-26. Zie * * . Als volgt te staven:

vs 1  Nodig om 'de derde' aan te geven; voor de opbouw niet van belang, wel voor het beslissende.

vs 2-3a Het verhaal gaat verder

vs 3b-10 is een 'JHWH-blokje'. Het Hebreeuwse woord 'berichten' heeft een bepaalde lading, 'bood­schapper' van God. Dat woord komt tweemaal voor; de tekst daartussen kun je als een blok beschou­wen: dat is nl. de inhoud van de boodschap voor het huis van Jacob. Het is een plechtig stuk, mooi, en doet denken aan de proclamatie door een vorst van de overeenkomst met zijn vazal in die tijd. Zo ziet het joodse volk zich ook, als vazal van JHWH: zij zullen Mijn volk zijn en IK zal hun God zijn, de verbondsformule. Je moet maar durven om je ervaringen zo, als een genadeverbond, te formuleren. De schrijver zou de Jahwist kunnen zijn; ze lijkt mij eerder priesterlijk. P hanteert dan de Godsnaam JHWH.

vs 10-16 Een blok met cultusvoorschriften, die het heilige moeten accentueren.

vs 16-20 Vers 18 kun je weglaten; het is een expressie. Het verhaal gaat verder.

vs 20t/m25 Een blok dat vss 12 en 13 nader preciseert: de hogepriester mag wel. Oorspronkelijk zal vers 25 wel tot dit blok behoord hebben; het verhaal wordt dan vervolgd. Zoals het hoofdstuk thans in de bijbel staat, is samengesteld moet je vertalen: 'Mozes sprak het volk toe.' (om de tien-woorden te verkondigen) niet: 'wilde het toespreken'. Grammaticaal zijn beide versies goed.

20, 18-22 Het verhaal gaat verder.

20, 22-26 Een blok met JHWH als naam, een inleiding op het verbondsboek. HijZ zegt nu vanuit de hemel gesproken te hebben, niet uit een wolk of de berg. Het blok bevat twee voorschriften. Het eerste voorschrift is: Hem alleen dienen, het tweede: hoe Hem te eren in de eredienst.

Als je nu het verhaal-corpus zo samenstelt, krijg je het volgende:

"2 Ze braken op uit Refidim en kwamen in de woestijn Sinaï en ze legerden zich in de woestijn. Daar legerde Israël zich tegenover de berg. 2 Mozes ging op naar God ....

16 Op de derde dag, bij het worden van de morgen, was er een geluid en een bliksemen en een zware wolk lag op de berg en een zeer sterk geluid van een bazuin (was te horen) zodat het volk dat in het tentenkamp was, begon te beven. 17 Mozes deed het volk uitgaan naar de berg, God tegemoet, het tentenkamp uit; bij het onderste van de berg zouden ze zich opstellen. Het geluid van de trompet werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met geluid. 20.18 Maar heel het volk was al bang voor de donder en het bliksemen en het bazuingeschal en de wolk op de berg en het volk werd nog banger en zij draalden en bleven op grote afstand staan. 19 Ze zeiden tegen Mozes:"Spreek jij maar met ons en we luisteren zeker; maar niet moet Hij met ons spreken, God, anders (wacht ons) het sterven. 20 Mozes zei tot het volk:"Wees niet bang, want om u te overtuigen komt God, nl. dat gij zijt Hem-vrezend-op-uw-gezicht zodat gij niet meer zondigt. 21 Terwijl het volk bleef staan op grote afstand, naderde Mozes de donkere wolk waar God was. "

 

Nu krijg je een redelijk verhaal-blok als kern waarvan ik denk dat het best een E-traditie kon zijn en waaraan o.a. het JHWH-blokje met zijn proclamatie aan is toegevoegd. Op die traditie is dan het wetsblok en de belangrijkheid ervan, de Godverschijning op Sinaï, geënt.

Terug naar begin pagina

 

5 De verbondssluiting op de Sinaï 

In Exodus 24 lezen we het verhaal van de verbondssluiting. Dit is iets anders dan het ontvangen van de tien geboden. Nu is er sprake van een plechtig vieren via een maaltijd, dus meer wederzijdsheid JWH - Zijn Volk, waarbij de Joden een rol hadden in de rite, nl. het eten van het verbondsmaal, een gemeenschaps­maal. De tien geboden zijn een soort proclama­tie; de tekst van het verbondsboek is veel uitgebreider. In hoofdstuk 21, 22 en 23 komen meer sociale elementen aan de orde, in hoofdstuk 24 het sluiten van het Verbond en in hoofdstukken 25 - 30  meer zaken die de eredienst betreffen. De verbondssluitingsceremonie staat dus midden in de tekst van het verbondsboek.

 

De tekst  5.1

1 Toen sprak Hij tot Mozes: `Ga naar boven naar JHWH, samen met Aäron, met Nadab en Abihu en zeventig oudsten van Israël, en kniel op een afstand neer. 2 Alleen Mozes mag JHWH naderen, de anderen mogen niet naderbij komen; het volk mag niet eens met hem naar boven gaan.'

3 Mozes kwam terug en stelde het volk in kennis van alle woorden en bepalingen van JHWH. Eenstem­mig betuigde het volk: `Alle woorden die JHWH tot ons gesproken heeft, zullen wij onderhouden.' 4 Daarop stelde Mozes alle woorden van JHWH op schrift. De volgende ochtend bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en stelde twaalf wijstenen op, naar de twaalf stammen van Israël. 5 Toen gaf hij jonge Israëlieten de opdracht om stieren op te dragen als brand- en slachtoffers voor JHWH. 6 Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, terwijl hij de andere helft uitgoot over het altaar. 7 Toen nam hij het Verbondsboek en las dit voor aan het volk. En zij verzekerden: `Alles wat JHWH zegt, zullen wij doen en ter harte nemen.' 8 Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: `Dit is het bloed van het verbond dat JHWH, op grond van al deze woorden, met u sluit.'

 9 Mozes besteeg de berg samen met Aäron, Nadab en Abihu en zeventig oudsten van Israël. 10 En zij aanschouwden de God van Israël. Onder zijn voeten was een soort platform van saffier, helder als het hemelgewelf. 11 Zijn hand kwam niet neer op de voorname Israëlieten: zij mochten God aanschouwen. Toen aten en dronken zij.

12 JHWH sprak tot Mozes: `Kom naar Mij toe op de berg en blijf daar wachten. Ik zal u de stenen platen geven, de wetten en bepalingen die Ik op schrift gesteld heb, om hen te onderrichten.' 13 Mozes ging op weg, samen met zijn dienaar Jozua, en hij besteeg de berg van God. 14 Tegen de oudsten zei hij: `Blijf hier op ons wachten tot wij bij u terugkomen. Aäron en Chur blijven bij u; wie een rechtszaak heeft kan zich tot hen wenden.' 15 Mozes besteeg de berg en de wolk overdekte de berg. 16 De heerlijkheid van JHWH rustte op de Sinaï en de wolk bedekte de berg, zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit de wolk. 17 De heerlijkheid van JHWH leek voor de Israëlieten op een verterend vuur, boven op de berg. 18 Mozes trad de wolk binnen en besteeg de top. Veertig dagen en veertig nachten bleef hij op de berg.

Terug naar begin pagina

Commentaar   5.2 

In hoofdstuk 24 is duidelijk sprake van twee tradities: vs 1.2 en 9-11 horen bij elkaar en 3 - 8, waarna in 12 vv het verhaal verder gaat. In vs 1 en 2 staat het 'tetragrammaton' d.w.z. de vier letters JHWH maar in 9 - 11 wordt GOD gebruikt, dus weer vermenging van de Godsnamen in één blokje. Wellicht is het maaltijdverhaal 3 - 8 vóór 9 - 11 gezet vanwege het eten in vs 11. Je kunt het gek vinden dat e.e.a. zo is gecomponeerd en nog gekker dat in vs 10 en 11 die voorname Israëlieten God wel mochten zien, terwijl ook nog in het evangelie van Joh (1,18) staat dat niemand ooit God heeft gezien - het staat er, en de Jood schrijft zo zijn bijbel. Het vraagt van ons flexibel denken, voor hen is het traditietrouw en eerbied. Het laat mij ook zien dat de bijbel niet uit de hemel is komen vallen.

De bloed-rite van vs 6 en 8 is de eigenlijke sluitingsceremonie. Bedenk dat bloed staat voor leven; dus kun je zeggen dat Gods Leven ermee gemoeid is. Dat is een sterk geloofsgegeven, een zicht op hoe God is. Het is een dubbel offer: een brandoffer d.w.z. verzoening en dan het slachtoffer d.w.z gemeenschap. Een katholiek ziet dat het verhaal van de instelling van de Eucharistie daarop is geënt. Het wordt bij de consecratie gezegd. Het bloed als teken van leven wordt uitgegoten over het altaar en - na Woord en antwoord - gesprenkeld over de gemeenschap: levensgemeenschap. Je moet maar durven! Als u nu verder door kijkt, is het kruis dan niet een altaar waarover Bloed vloeit ? 'tot vergeving van de zonden' zoals de Joodse Talmoed toevoegt en wij ook zeggen. Dat verbond, het eerste, is vernieuwd in Jezus v.N. Zijn Bloed is dus niet voor niets weggelopen, vergoten, maar is een kostbare inzet voor ons. Waarom dan in het nederlands 'vergoten', terwijl zowel de Griekse als de Latijnse tekst van het N.T. 'uit'gieten gebruikt?

De verbondssluiting is een zeldzame ceremonie. De tekst heeft een aantal getallen en beelden die enorm spreken. De heerlijkheid van JHWH wordt vaak genoemd en geroemd. Het heeft een intense betekenis die ik een beetje begon te begrijpen toen mijn vrouw een gegeven moment een van onze kinderen "heerlijkheidje" noemde. "De heerlijkheid van de Heer omstraalde hen", de engelen.

Je ziet ook dat in 13 ineens Jozua wordt genoemd en alleen daar. M.i hier ingevoegd als legitimatie voor zijn latere functie toen Mozes dood was (zie ook 33, 11), net zoals Aäron in 19,24.

Die heerlijkheid wordt ook genoemd in hoofdstuk 33; leest u het eens vanaf vs 7 en vermoed wat er is tussen JHWH en Mozes. "Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan".

Terug naar begin pagina

 

6 Het restant van de heilsgeschiedenis: Jordaan en Gilgal. 

In het boek Jozua, dus niet in Exodus noch Tora

 

Ontstaan en betekenis van de bijbel  6.1

We hebben tot nog toe aandacht besteed aan de betekenis, de inhoud  van de teksten, maar ook aan de hand van teksten gevolgd dat de bijbel is ontstaan, is geconstrueerd. Dit zullen we ook nog zien aan de hand van het 'wetsblok' dat in Exodus is ingelast - tenminste, zo is het gegroeid. Als je de betekenis, het gewicht van het wetsblok als eerste criterium hanteert, dan geeft de Jood zo aan dat dat wetsblok bij de basis-ervaring van de uittocht uit Egypte hoort, wezenlijk voor zijn godsdienst is: "Als je echt naar Mij luistert ... " en "…toen is Juda hem heilig geworden, werd Israël zijn koninklijk domein" (ps 114). Zodoende leve de bijbel meer voor ons, moge korter bij ons staan; ze is ook mensenwerk.

 

Het is de bedoeling dat we nu meer op inhoud gaan letten om te zien of/dat de bijbel ook door ons geschreven had kunnen worden, andersom: of zij aansluit bij onze ervaringen en dus ook voor ons inspirerend is. Zo kunnen wij er mee omgaan en ontdekken of/dat we op 'heilige grond' staan.

 

Zodoende hebben we het verhaal van de joodse heilsgeschiedenis w.b. zijn markante punten afgerond door het lezen van de intocht in het Beloofde Land, dat uit twee elementen bestaat: de doortocht door de Jordaan en het paasfeest in Gilgal: Jozua 3, 4 en 5. De 'verovering' van Jericho hebben we erbij genomen als teken van de 'verovering' van het Beloofde land, de vervulling van de belofte, (die uitmondde in het rijk van David) waarmee men toen de heilsgeschiedenis afgerond zag: Jozua 6. Dan is er nog een wezenlijk, markant stuk in die heilsgeschiedenis maar dat is van later datum en komt meer aan bod bij de profeten.

(Vanaf nu worden geen grote stukken bijbeltekst meer op genomen. Alleen commentaar wordt gegeven.)

Terug naar begin pagina

Jozua 3 en 4  6.2

Als je het verhaal leest, merk je dat ook hier doublures zijn e.d. Kennelijk is er een redactor bezig geweest. Hij geeft de bedoeling van het boek in het 1e  hoofdstuk, schreef wellicht ten tijde van David en wist van Deuteronomium af. We hebben het 1e ' hoofdstuk van het boek niet gelezen maar als je al ziet hoeveel verwijzingen naar Deut aangegeven zijn, vermoed je al iets. Jozua moest het Verbond -Ik hun God, zij Mijn volk - verder gestalte geven, net als Mozes, een éénhoofdig leiderschap.

hoofdstuk 3

1 Een nachtje er over slapen doen wij ook wel vóór een belangrijk gebeuren.

2 'derde': beslissend; kan ook een letterlijke betekenis hebben: gerekend vanaf het moment dat de verspieders terug zijn gekeerd.

3 en 6 God gaat voor hen/ons uit. De eerste keer dat de ark voorop ging.

4 en 5 afstand bewaren voor het heilige en de heiliging, zie Sinaï.

6 kun je zien als een machtiging voor de priesters (niet de Levieten?) door Jozua om dat voor die gelegenheid (of altijd ?) te doen en dus niet puur als een vervolg in het verhaal: "Daarom is het de taak van de priesters ..." of "Daarom zijn de priesters gewoon om ..."

7 Bevestiging van Jozua zoals bij Mozes; erkenning door het volk in 4,14

10 "…de Kanaänieten ..." enz. de oude bekenden, die in Kanaän woonden.

11 "…van heel de aarde…" ! Doet denken aan "Die hemel en aarde gemaakt heeft"

12 Onduidelijk waarom dit vers hier al staat; misschien een invoeging om het verband tussen het gebeuren met de ark en het herinneringsmonument al in te leiden.

13 "… als een dam/muur…" net 'als een muur' in de Rietzee; expressief. "Dit zag de zee en zij sloeg op de vlucht; dit zag de Jordaan en hij schrok terug" (ps 114).

16 Een natuurlijk gebeuren nl. dat de Jordaan verstopt raakt b.v. door een instortende zandheuvel die ondermijnd was door overstromingwater, wordt geduid als door JHWH gegeven, net als bij de Schelf-/Riet-/Rode Zee. Dat met die zandheuvel gebeurde in 1267; zie voetnoot in de Willibrord. In 1906 en 1927 (t.g.v. een aardbeving) heeft zich ook een plotseling droogvallen van de Jordaan voorgedaan. De verspieders zijn kennelijk zonder mee- of tegenvallers overgetrokken; de Jordaan zal dus daarna plotseling sterk teruggevallen zijn.

Alweer een wonder geschrapt, wat blijft er over? De geloofsbeleving, geloofsbelijdenis! Als je goed in de penarie zit en er komt een (onverwachte) oplossing, ben je dankbaar om iets dat 'objectief gezien' voor een ander (gelukkig) toeval is. Om die persoonlijke dankbaarheid, om eigen ervaring, om de duiding ervan, gaat het, niet om een 'bewijs'.

17 Wellicht mag je vertalen dat de priesters daar stevig (op stenen) stonden in de drassige rivierbedding.

Nu is van afstand geen sprake meer van afstand tussen de priesters met de ark en de mensen; ze zijn er bij. God ging voor hen uit en zij liepen onder Zijn bescherming. Hun geloofservaring: droogvoets door de Jordaan het Beloofde Land binnen. Ook onze ervaring ? Ga je b.v. door de doop (in de Jordaan!) het Beloofde Rijk in ? Ga je met Gods hulp ergens doorheen? Herken je iets van je eigen leven in de uittocht, door de Rietzee gegaan zijn?

hoofdstuk 4

is op een speciale manier opgebouwd. Het verhaal van hoofdstuk 3 is voldoende, afgezien van het merkteken; hoofdstuk 4 vergroot passages uit: vs 1-9 gaan over het merkteken, vs 10-15 over het passeren van het volk en vs 15-20 sluiten het wonderlijke gebeuren af, waarna vs 20-24 nog eens de moraal benadrukken. Het dus geen simpelweg aan elkaar breien van tradities.

2  "… 12…" Zie getallensymboliek Gods volk onderweg; het plaatst nu een merkpunt daarvan.

9 Te vertalen "Twaalf stenen had Jozua nl./ immers in de Jordaan laten leggen dus als een herhalende verklaring. In vers 8 kun je het accent leggen op "midden in de Jordaan" en in 9 wordt dat uitgebreid met "op de plek waar de voeten van de priesters hadden gestaan". Culminerende opbouw. (Zal wel P zijn.)

"… tot op de huidige dag…". De Deuteronomist, de man van de Wet (komt nog), heft het vingertje en kan aanwijzen. Die uitdrukking komt vaker voor.

11 De ark voegt zich  weer bij het volk zonder heilige afstand.

12 Wanneer Mozes dat  heeft verordend weet ik niet; het zal wel een veiligheidsmaatregel  zijn.

13 meteen een nadere  aanduiding van 12.

15vv verheerlijken vs 11.

Terug naar begin pagina

 

 

Jozua 5, 1-11  6.3 

1 De 'verovering' van Kanaän begon dus al goed.

2 De besnijdenis geeft aan dat het volk een teken stelde dat het (weer) JHWH toegewijd is, zoals zijn vaderen. Let eens op hoe daar over een heel verhaal wordt verteld. Voor hen een grote zaak.

9 kernpunt: nu is het over, de hoon van Egypte afgelopen. Ziezo, en voortaan (vs 12) eten van dat eigen land.

 'Tot op de dag van vandaag'  !

11 Het oude brood (als zuurdesem) werd niet meer gebruikt, nu is er nieuw. Dus niet meer dat haastelement als bij de uittocht. Op Pasen bood men (later, als boer) de eerstelingen van de (graan)oogst aan; de dag erna at men het nieuwe, ongedesemde brood. Zie Deut 26,1-11. Mooi.

 

Jozua 5, 13.15 en 6  6.4 

Jozua 5, 13.15

13 In het verhaal zit Jozua zich waarschijnlijk af te vragen hoe hij Jericho zal nemen. Dan krijgt hij een visioen. De betekenis die je dit stuk kunt geven is dat Jozua vindt dat de stad van JHWH is, Hij levert haar over: afblijven ! Zelfs het kostbare ijzer was voor de Heer. De stad Ai (Joz 8) mochten ze wel als buit behouden, wat een vreselijk verhaal oplevert maar wel onschuldig want de stad was al een ruïne. Een conclusie is dan dat ze met die verhalen eerst hun JHWH de eer gaven en daarna pas zelf namen.

Waarschijnlijk waren minstens de stadsmuren van Jericho al ruïneus en stelde het qua stad weinig voor. Dan nog blijft de geloofsbetekenis dat JHWH met hen is bij de in bezit name van het land: het ging van een leien dakje, vooral in de streek van Benjamin. Later in het boek 'Rechteren' wordt verteld hoe moeizaam het (toen) ging. Daarna volgt het Rijk van David, wiens troon eeuwig zal blijven bestaan. 

15 Dat kennen we! Zie Mozes bij de brandende braamstruik.  Jozua is kennelijk ook en vertrouweling.

Jozua  6

Het getal zeven speelt een cruciale rol. Ik zoek een betekenis van volledigheid, compleetheid, zoals de schepping dat is, door God afgerond. Dat wijst ook naar het leven in het Beloofde Land.

De ban ! Oppassen dat wij niet met onze westerse ogen dat beoordelen. Wij hebben de erfenis van Jezus van Nazareth, die voorstander was van geweldloosheid (afgezien van de tempelreiniging): de andere wang, de tweede mijl, de kruisdood. Wij komen na het koloniale tijdperk onmiddellijk in het geweer voor het recht van de medemens. Men was toen niet fijngevoelig. De Assyriërs spietsten hoofden van de vijanden op de punten van de palissaden .

Het speelt zich af in een tijd dat andere volken zich ook daar vestigden b.v. de Filistijnen langs de kust. Volksverhuizing en landverovering waren gewoon. De Joden vonden dat JHWH aan hun kant stond bij de volksverhuizing en zij gaven Hem eer via de ban.

Mij lijkt het het beste om Deut 20,10-18, 1Sam 15,3 en Deut 13,16 te lezen. Daar treft u verschillende gradaties in de ban en ziet u ook dat men om de eer van JHWH (en dus ook eigen veiligheid) die ban hanteerde. Bovendien zit u dat in Deut 20, 19.20 wel wat genuanceerd wordt. Het is geen kwestie van zo maar dood slaan en vernietigen. Lev 27, 28v geeft de bedoeling van de ban weer. Het is niet in strijd met 'gij zult niet doden', dat op 'wederrechtelijk doden' doelt. In Israël bestond de doodstraf.

Het tegen JHWH zijn (van de vijand die zich niet onderwierp) was godsdienstig gezien al genoeg om hem en eventueel zijn have uit te schakelen. Ook voor hun eigen mensen waren ze niet mals; zie Ex 32, 25-30 wat er gebeurt met degenen die het gouden kalf aanhingen.

Als Jericho historisch gezien toen inderdaad  weinig voorstelde, is de uitvoering van de ban daar minder dan het lijkt. Het is meer een geloofsteken d.m.v. een verhaal hoe JHWH bij hen was, een demonstratie van een officieel standpunt hoe Hem te eren door van krijgsbuit af te zien en het verhaalt hoe eigenlijk moest. Het plechtige van het verhaal is m.i. een expressief, geen constatief.

De hoer Rachab incl. haar hele huis 'en overige familieleden en hun verwanten' (vs23), de halve stad (?), werd gespaard krachtens belofte (Joz 2, 12). Hier zie ik behalve trouw  ook een 'verzachting' van de vernietiging door de ban. In het verhaal is dit een bloempje tussen de puinhopen. Het doet mij denken aan 'God is rechtvaardig maar nog barmhartiger'.

 

'De oudste' heeft kennelijk te maken met het begin en 'de jongste' met het laatste gedeelte van de stadsbouw, m.a.w. de stad mag helemaal niet herbouwd worden.

Terug naar begin pagina

Verder naar Het wetsblok

 

 

Gij Mijn Volk  -  Ik uw God

Toen Israël weg was uit Egypte, de stam van Jacob weg bij dat wrede volk,

 is Juda Hem heilig geworden, werd Israël Zijn domein.

Dit zag de zee en zij sloeg op de vlucht; dit zag de Jordaan en hij schrok terug;

als rammen sprongen de bergen op, als jonge schapen de heuvels.

 

 

© 2000 -2003 P.Goris Epe