Terug naar overzicht

Terug naar Exodus

emailadres

6  Het Wetsblok

 

6.1 Overzicht  

6.2 de Decaloog  Ex 20 ; 34 

6.3 de Heiligheidswet  

6.4 Deuteronomium  

6.5 Reinheid

 

  1 Overzicht

Deuteronomium is meer 'wetsboek' dan de andere boeken maar 'De Wet' staat niet alleen daar in. Ze staat min of meer door de hele Tora heen; de Tora heet dan ook De Wet van Mozes. Ons woord 'wet' heeft niet die betekenis die Tora heeft; dit is meer 'leefregel' waar je vrij voor kiest. Tora is een min of meer vrije vorm met verhalen e.d. Het wetsblok bevat meer concrete voorschriften. Er is dus een (algemene) Wet, leefregels van Mozes, waarin het Wetsblok. Dit blok is schematisch weer te geven:


Dit schema bedoelt aan te geven dat de decaloog - die tien Geboden - eigenlijk als een proclamatie vooraan staat, het Verbondsboek concrete voorschriften geeft vooral voor sociaal gedrag, en de Priesterwet veel instructies geeft over het heiligdom, de voorwerpen voor de eredienst en de priesters zelf. Binnen de Priesterwet staat de Heiligheidswet als een soort centrum: 'Ik ben Heilig dus jullie ook'. Het geheel wordt nog eens dikketjes over gedaan in Deuteronomium, 'de Wet voor de tweede keer'. Uit de verwijzing naar de teksten in het onderstaande schema blijkt dat het wetsblok door heel de Tora heen staat. Voor de duidelijkheid dus een overzicht over de Tora: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.

Genesis vertelt -qua geschiedenis !- hoe het is gekomen dat wij in Egypte zijn beland, dat vreemde land waar we niet thuis hoorden. Na de betekenisverhalen van schepping, paradijs, zondeval, broedermoord, en zondvloed wordt de aandacht op Noach geconcentreerd, vervolgens (na Babel) op zijn zoon Sem (Semieten), op diens zoon Terach en tenslotte op diens zoon Abram. Deze kreeg de belofte van nakomelingschap en land; daartoe nam JHWH de verplichting op Zich via de besnijdenis van Abram. Pas toen kwam Isaak, de zoon van belofte, zijn enige, zijn welbeminde. Isaak kreeg twee zonen maar Jacob kreeg er twaalf, die hun jongste broertje naar Egypte verkochten … (Zie 4.5.5)

In de overige Tora-boeken zie je vooral verhaal en wetten door elkaar lopen.  Dit kun je opvatten als een signaal dat de 'Wet' is gebaseerd op hun ervaringen. Leefregel en leven zijn verbonden in wisselwerking. De Tora bevat dus maar weinig geschiedenis en des te meer 'wet'. Je zou verwachten dat de Wetdelen zijn ontstaan waar ze in het geschiede­nisverhaal voorkomen maar dat is niet waar. Ze zijn later aan de uittocht enz. verbonden om hun belangrijkheid aan te geven, want de uittocht is het cruciale heilspunt in de Joodse geschiedenis. Het is dus een andere 'geschiedschrijving' dan wij gewend zijn.

 

Die verwevenheid van de teksten zij te overzien in dit schema:

Boek

onderwerp

verhaal ca 1250-1200

wetsblok

inhoud

opgeschreven

Ex 1 -11

 

 

12 - 14

 

 

16 - 18

 

19

 

20

21 - 23

24

 

25 - 31

 

 

 

32-33

34

 

 

35 - 40

 

 

Lev 1 - 16

 

 

17 - 26

 

 

 

Num 1- 10

 

11 - 20

 

 

 

Deut 1 -11

 

 

 

 

 

 

 

 

12 - 26

 

 

 

27 - 30

 

 

31 - 34

 

 

 

 

Joz 3, 4

 

5

24

onderdrukking en plagen in Egypte

 

paasmaal; uittocht;

door de Rietzee

 

honger, dorst, strijd in de woestijn

Sinaï; Godverschijning

 

 

 

offermaal

 

 

 

 

 

gouden kalf

JHWH's trouw; herstel;

nieuwe tafels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tocht door de woestijn t/m de Jordaanstreek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

aanstelling Jozua

'standbeeld' voor Mozes:

 zijn lied, zegen en dood

 

 

doortocht door Jordaan,

intocht Beloofde Land

Gilgal

Verbondsdag te Sichem

-

 

 

-

 

-

 

 

 

 

decaloog

verbondsboek

 

 

instructie over

heiligdom, priesters, voorwerpen

 

 

decaloog

 

 

uitwerking 25-31

 

 

priesterwet: offers, wijding, reinheid

 

Heiligheidswet

 

 

 

priesterwet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

de Wet opnieuw

 

 

 

afsluiting Deut

 

 

afsluiting Tora

nood

 

 

redding

 

 

God trekt mee

 

"Als ge echt luistert,…"

 

cultisch en ethisch

ethische

verbondssluiting

 

eredienst

 

 

 

breuk, ontrouw

cultisch (vs 10-27)

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik heilig, dus jullie ook!

Je naaste als jezelf.

Feesten

 

details

 

"Sta op JHWH !"

honger, dorst; 70 oudsten aangesteld.

 

samenvatting van de heilsgeschiedenis:

'toen ging het goed, het zal ook goed gaan': "Hoor, Israël, JHWH, onze God is één.

Bemin Hem met heel uw hart ".

 

eredienst centraal,

godsdienstig en sociaal leven verbonden: zegen

 

'Het staat in je hart !'

'Kies dan voor het leven!'

 

ieder  7e jaar voor te lezen op Loofhuttenfeest

 

 

 

JHWH gaat mee !

 

afgelopen!; Pasen

hernieuwing Verbond

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

oervorm 1250

11e eeuw   

na Sichem

 

5e - 6e eeuw (ballingschap)

 

 

 

11e eeuw (Richteren)

 

 

 

 

 

 

6e eeuw

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7e eeuw

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(boek Jozua hoort niet bij de Tora maar bij Richteren)

 

 

2 de Decaloog

de Tien (Verbonds)Woorden of te wel de Tien Geboden: in Ex 20 en in Ex 34.

Algemeen 2.1

Zoals gezegd is redelijkerwijs de decaloog een invoeging in een historisch verhaal, waarmee de Joden duidelijk willen maken hoe hun geloofsbeleving verbonden is met de ervaring van de uittocht en doortocht; 'Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte heeft geleid'. Toen zijn ze organiek Zijn volk geworden met de decaloog als basis, als 'Magna Carta'. Vroeger dreunden we in de klas de tafels hardop; de kans is reëel dat toentertijd de decaloog in oervorm m.b.v. tien vingers er in gestampt werd. Dat er een oervorm bestaan heeft wordt aannemelijk als je ziet hoe kort de laatste 'geboden' zijn in vergelijking met de eerste, die later wellicht zijn uitgebreid.

Qua tekst zou je verwachten dat de decaloog (deca = tien, logos = woord vind je in Deut 4,13 en 10,4; Dt 9,9.11.15 spreken van 'de tafels van het verbond') na vs 22-26 zou staan, op het eind van het hoofdstuk 20. Dan zijn er eerst cultische geboden en vervolgens ethische geboden, eerst de hemel en dan de aarde. Als inderdaad de decaloog in oervorm daar heeft gestaan, dan heeft men toch de definitieve vorm/versie opzettelijk direct na vs 25 gezet met als start "Toen sprak God al de woorden die hier volgen" want in vs 25 spreekt Mozes, niet God.

We hebben de tekst van Ex 20,1-17 vergeleken met Deut 5,6-21. Ze zijn nagenoeg hetzelfde maar het Sjabbatgebod verschilt qua motivatie. Vermoedelijk begon de oervorm met een kort "Ik ben de Heer, uw god", een gelovig startpunt. In Dt staat dat men om sociale redenen de Sjabbat moet 'onderhouden'; ze hebben het zelf meegemaakt in Egypte én  in de ballingschap. Dat is nogal praktijkgericht. De oervorm van het Sjabbatgebod zou daarom in Deut in sociale zin gewijzigd zijn maar in de definitieve lezing uitgebreid hersteld. In Ex wordt scheppingsgeloof als reden opgegeven, hetgeen je algemener, nog dieper, principiëler (Genesis = wording!) kunt noemen dan sociale zorg. Godsdienst draagt dan sociale zorg. Misschien is de definitieve versie van de Tien Geboden van ca 400 (zie het bijbelpanorama).

Wat deed men met de decaloog? Redelijkerwijs werd zij in de cultus, de eredienst, voorgelezen als een verantwoording of reden om te (mogen) vieren en/of een mee-nemertje naar huis voor goed gedrag. Je kunt nl. de eerste geboden als godsdienstige/gelovige basis, motivatie, zien voor goed gedrag, ethiek, en de laatste geboden als een concrete invulling van goed gedrag waarmee je voor God kunt staan, met God kunt wandelen. Het is dus zaak meer te letten op de manier van omgaan met het leven dan er een afdwingen in te zien van wat men verplicht is te doen. Tot dit laatste zijn wij nogal geneigd.

Het gebod 'Gij zult niet stelen' is een onvolledige formulering; bedoeld is: geen vrijheid stelen, dus geen slaven maken (tenzij ...; net als 'wederrechtelijk' doden in het 6e  gebod). Bezit, niet gappen, komt nl. in het laatste gebod aan de orde. Zo worden de fundamentele rechten van de mens veilig gesteld: leven, huwelijk, vrijheid, eer en bezit.

Ook het tiende gebod staat in het kader van recht, niet van moraal.

Terug naar begin

De tekst  2.2

Het eerste gebod begint met een legitimatie, herinnering: 'Ik ben degene die jullie uit Egypte heeft geleid, de Betrouwbare', maar ook met genade. Zo staan genade en verlossing vóór de Wet. In het Verbond is het ook eerst God en dan zijn volk. Genade en Wet zijn niet tegen elkaar maar gaan samen, zoals in de verbondsverhouding God staat voor Zijn vazal, zijn volk.

Geen andere goden ten koste van Mij. JHWH is geen oppergod van een godenstelsel als bij andere volken. Je bent God of geen god (hoogstens een afgod), een maximaal Wezen of niet maximaal.

Het tweede verbiedt godenbeelden te maken. Andere volken hadden die wel maar het zijn maar maaksels van mensen, 'Ze hebben ogen maar zien niet, oren maar horen niet, geen geluid komt uit hun keel. Nog dwazer is hij die zich daaraan toevertrouwt.'

Er is nooit een beeld van JHWH opgegraven. Misschien houdt beeld beperking in en dat is tegen JHWH. Dan zal het je ook goed gaan want het duizendste geslacht is langer in leven dan het derde of vierde. Die schuld van vader op zoon wordt later bij Ezechiël (18,2.3) herroepen: ieder is dan voortaan zelf verantwoordelijk.

Het derde. Nogal logisch.

Het vierde is een soort verbindingsschakel in de verhouding tussen JHWH en Zijn Volk en de verhouding tussen de mensen onderling. Het onderhouden (Dt vs 12; 'herinneren' van Ex vs8 doet aan P denken) van de Sjabbat is met de besnijdenis hét kenmerk van Jood zijn zoals het (maken van het) kruisteken dat is voor de katholiek (christen?).

Het vijfde betekent dat je je ouders dankbaar mag zijn voor het doorgeven van het leven maar ook van Het Leven, geloof(sleer). Zij zijn dé figuren die Het jou voor leven. Daar liggen je wortels ook.

Het zesde betreft wederrechtelijk doden, op eigen houtje wraak nemen. Dat moet via de rechtspraak. De doodstraf bestond in Israël.

Het zevende spreekt niet van onkuisheid maar van huwelijksrecht. Je kon een getrouwde vrouw als zodanig herkennen aan kleding. Heel vroeger had men wel meer vrouwen. Huwelijksrecht betekende ook dat de vrouw recht had op maximale bescherming. Mij lijkt dat in de sfeer van geboden, leef­regels, het recht wel ter zake is maar liefde niet. Voor haar kun je geen regels geven, zij is autonoom.  Sinds wanneer hier kuisheid is ingevoerd wet ik niet.

Het achtste gebod gaat over mensenroof, vrijheidsberoving of slavenmakerij en het tiende gaat over het veilig stellen van het bezit.

Het negende moet het recht op eer, goede naam, veilig stellen.

Het tiende gaat over bezit. Ook de vrouw hoort bij bezit. Dit willen wij best in twijfel trekken maar zij zien het zo en bovendien betekent bezit niet doen wat je er mee wil. Jezus zei heel duidelijk dat 'in beginne', 'principieel', het huwelijk als eenheidsbeleving bedoeld is.

'Zinnen zetten op' betekent er mee bezig zijn/blijven, het erop aanleggen, zoals je b.v. een moord beraamt, met de verleiding instemmen; 'begeren' is een beetje te zwak - verliefd worden kan de beste overkomen, de verleiding ook, je begeert dus; maar dan moet het afgelopen zijn.

 

In de oude catechismus was het tiende gebod gescheiden in begeren (van onkuisheid!) en het begeren van andermans bezit. Dat was (alleen maar ?) om het aantal tien te redden want men begon pas te tellen na 'Ik ben de Heer uw God': Gij zult ten eerste ...... De joodse (en protestantse) telling begint bij 'Ik ben de Heer Uw God'. Als je goed voelt, is dat ook een leefregel - vind ik.

 

Een principiële keuze  2.3

Dr Dupuis (Leiden) heeft eens de stelling gelanceerd dat de joodse godsdienst/decaloog (alleen?) bedoeld is om te overleven. Een zich vormende gemeenschap (in de woestijn) ontdekt dat ze alleen overleeft als ze de zaak draaiende houdt door ethisch goed gedrag, elkaar recht geven op. Als je die stelling accepteert, doe je dan het geloof/godsdienst/God niet tekort? Dat was de vraag waar we tegenaan liepen.

Als je dat overlevingsstandpunt hanteert, is God voldoende als nuttigheidselement of als dwangbeeld voor de mens om dat recht te handhaven. Offie bestaat of niet is punt twee; als Hij of het idee maar als zodanig dienst doet, desnoods (dwang)geweten is; uit angst voor straf, noodlot, onheil, doet de mens dan goed, uit kwalijke noodzaak. Tja …

Hoe komt een volk eraan om recht(vaardigheid op aarde) hemels te funderen? Psalm 15 (en 24) zegt dat die mens de Berg mag bestijgen die zich goed gedraagt, en zij zegt daarvoor niets over zich richten tot God, bidden of iets derge­lijks. Wij hebben God op ons bordje gekregen; wij hebben onze ouders en de bijbel en de kerk. Die hebben ons verteld dat er een God is en zo ben je er nooit blank zelf achter gekomen. Maar toen kwam er net zo min als nu een briefje uit de hemel met 'God is er' of zo iets. Men kan stellen dat vanuit 'het religieuze' in de mens (zie volwassenencatechese) een godsbesef is ontstaan. Maar hoe komt men aan de inhoud van dat besef? Heeft menselijke ervaring in onderlinge betrekkingen daarin meegespeeld?

 

Hoe het gekomen is weten we niet maar een gegeven ogenblik hebben mensen een vrije, principiële keuze gemaakt, in vrijheid een mogelijk nuttigheidsidee als basis losgelaten en voor liefde gekozen. Misschien wel omdat rechtvaardigheid aan liefde bestaansmogelijkheid geeft, ruimte geeft ter ontplooiing. In dat alles speelt inzicht, geloofszicht een rol. Dat heb je niet van jezelf; dat krijg je en dat heet openbaringsgeloof.

 

Zo'n keuze, geloofsbeslissing, is ook aan ons: zonder eigenbelang/-behoefte zien dat God alles is, al het goede, al het lieve. Zo, in zo'n vrijheid, openbaart HijZ zich - kun je zeggen.

De gerechtigheid, continuïteit, zekerheid die aan de sterrenhemel te zien is, kan kortbij gehaald worden door o.a. rechtvaardigheid op aarde. Daaraan beantwoordt ook het Egyptische begrip Ma'at. Dan kan hemelse gerechtigheid aanzetten tot eeuwigheid, oneindigheid, maximaliteit, ook in wat mensen liefde noemen.

We hebben het verhaal van de verbondssluiting in Ex 24 al gelezen. Het verschil met het 10-woorden-gebeuren hebben we in 5.5 genoemd. In Ex 24 is er meer sprake van vrijheid, zonder dreiging. In die vrijheid hebben zij hun God 'gevierd'. Het offerritueel met het bloed en het verblijf van Mozes in de wolk op de berg duiden in ieder geval niet op een nuttigheidsgod maar op een heilige God die mee gaat.

Terug naar begin

Exodus 32,30vv, 33 en 34   2.4

hebben we gelezen a) omdat ze in inleiding zijn tot de cultische decaloog, waarmee het verbond wordt vernieuwd, en b) omdat daar een heel mooi - vind ik - stukje spiritualiteit te vinden is.

- Exodus 32,30vv geeft Mozes' middelaarfunctie een speciale inhoud: hij zet zichzelf in voor het volk. De manier waarop hij dat doet kun je Joods leep noemen (hij 'chanteert' JHWH en Die 'trapt' daar dan in; je kunt ook zeggen dat Mozes op die manier vergeving ter sprake brengt) maar ook spreekt daaruit een groot vertrouwen in zijn God, dat Die nl. Zijn knecht niet zal laten vallen. Hij bewerkt -volgens het verhaal - in ieder geval enig uitstel van de straf; ze mogen verder, weliswaar krachtens belofte maar niet met Hem, doch 'slechts' met een engel. Het laatste vers, 35, kun je vertalen met 'JHWH was (echt) van plan om de Joden te straffen.'

- Want uit Ex 33 blijkt dat HijZ het (nog) niet doet maar wel dreigt en Zich dan laat overhalen zodra HijZ ziet dat het volk zich bekeert en dat zij als teken daarvan hun sieraden afleggen. Kennelijk accepteert HijZ dat afleggen als signaal. Als je beziet hoe dat allemaal gaat, gedraagt JHWH zich net als een vader - dacht ik.

In het tweede deel van Ex 33 wordt Mozes' functie nog intenser. Het 'dan zal Ik zien wat Ik met u doe' (vs 5) moet nog afgewend worden. Mozes krijgt dat klaar. Eerst wordt beschreven hoe belangrijk en verheven hij is (vs 7-11). Dan gaat hij tot JHWH en zegt " ... Gij hebt mij niet laten weten wie Gij met mij (!) meezendt ..." Dan zegt Hij-is-er:"... Moet Ik zelf dan (toch maar) meegaan .. ?" Natuurlijk wel.  En als hij die toezegging heeft, voelt Mozes hoe hij verbonden is met JHWH en kan hij verlangen: "Laat mij toch Uw heerlijkheid zien".

 

Mozes is geen be-middelaar, die zelf deel van een partij, middelaar; nog   een persoonlijk beroep op JHWH, die hoog Mozes bij de Joden in aanzien     voor de hand. Als Jezus die zichzelf  stelt, nog "groter dan Mozes" wordt

de hand. "De Heer sprak met Mozes

Hoe zou Jezus tot zijn Vader hebben

heerlijkheid zien'. "Wij hebben Zijn

in zijn proloog. Vs 21: "Hier bij Mij is

tussen partijen in staat, hij is een  intenser  dan  in  Ex 32,32 doet hij niet kan weigeren. Zo ziet u hoe  staat. De parallel met Jezus ligt

als middelaar in de waagschaal genoemd, is er iets bijzonders aan van "aangezicht tot aangezicht" .  gebeden? 'Laat mij toch Uw Heerlijkheid gezien" zegt Johannes  nog plaats; kom op de rots staan".

 

                                Het Heilige der Heilige was op een rots gebouwd. "Op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen", nl. Petrus' geloof.

 

Laat u zich niet afschrikken door de bedreiging die JHWH over zijn verbondspartner uitspreekt in het verhaal over het gouden stierkalf (32,1vv). Het is ook niet niks maar de clou is juist dat Mozes JHWH weet tegen te houden, vs 14, en vergeving verkrijgt. Mozes springt uit zijn vel als hij ziet wat ze doen en roept op om te kiezen v66r of tegen JHWH. De Levieten 'reinigen' dan het kamp. Kijkt u door die 3000 heen. Volgens mij betekent dat in de getallensymboliek dat ze al de (10 x 10 x 10) raddraaiers, de overtreders, de echte (3) schenders, die zich niet bekeren, definitief  (3) te pakken namen.

Niettemin, wij kijken anders aan tegen zo'n straf en het heeft geen zin het maar goed te vinden omdat het in de bijbel staat. Tja, zij vertellen het zo, dat is hun zaak, maar wij mogen/willen dat niet meer zo doen in onze christelijke cultuur. Laat u zich dus niet door bijbelse getallen misleiden. Het prijsgeven van zoon of broer is niet nieuw: als je kiest voor JHWH en niet voor je broer (in de bijbel heet dat je  hem dan 'haat', d.w.z. je zet hem niet op de eerste plaats), geef je je (band met je) - foute - broer prijs. Zo iets vraagt Jezus later ook.

 

- In Ex 34 gaat Mozes met twee stenen platen de heilige berg op en daar kwam de Heer bij hem staan en maakte Hij Zichzelf bekend (zelf-epifanie): barmhartig en medelijdend, lankmoedig, groot in liefde en trouw (vs 6). Dit vers behelst een kern-geloofsbelijdenis van het volk, die heel vaak wordt geciteerd gezien de vele verwijzingen naar andere plaat­sen. Dan valt Mozes op de knieën en vraagt hij vergiffenis waarop JHWH het verbond vernieuwt en (weer) tien geboden grift (vs 28). Dat gebeurt in de z.g. cultische decaloog. Waarom moest het een cultische vernieuwing zijn ?

In de eerste tien woorden, de ethische decaloog, kwam geen cultus, eredienst, aan de orde; nu wel. Als ze die altaren afbreken, Hem alleen dienen, geen vreemde offermaaltijden houden, hun eigen feesten vieren, sjabbat houden, Hem de eerstgeborenen en eerstelingen van de graanoogst toewijden, zijn ze kennelijk al in het Beloofde Land. Daar zagen ze de eredienst van de plaatselijke boeren. Die mochten ze niet overnemen want die eredienst was alleen maar om een goede oogst te vragen en was tot een vreemde god gericht, niet de hunne. Het verhaal van het gouden kalf en daarna staat dus als een standaard voor die 'heidense' cultus waartegen de profeten herhaaldelijk waarschuwen. Het staat op deze plek in Ex om aan te geven dat het principieel bij het Joods zijn hoort, in het Beloofde Land.  Op die bovengenoemde voorwaarden  zullen zij het land (blijven) bewonen. Zit er bij dat toewijden en zo, die vreemde eredienst, nog iets voor ons bij ?

In vs 14 komt de jaloerse God ter sprake. Die jaloersheid kun je het beste zien als die van een versmade/belazerde geliefde. Het partnerschap JHWH - Zijn volk wordt vaak als huwelijk voorgesteld. Zo is die jaloersheid legitiem.

Dé (cultus)feesten voor de Joden, waaraan een bedevaart naar Jerusalem vast zat, waren het Paasfeest, het Zeven­wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Het Paasfeest was een lente-feest, feest van het nieuwe leven. De nomaden slachtten een gaaf lam, de boeren aten ongedesemd brood en men bood de eerstelingen van de graanoogst aan (Deut 26). Deze twee feest-vormen zijn later bij elkaar gevoegd. Het werd van familiefeest tot staatsfeest (in Jerusalem!). Het Zevenwekenfeest werd 7 x 7  dagen na (+ 1 = 50, Pentecostes) Pasen gevierd. Men had de graanoogst dan al binnen. Het Loof- huttenfeest werd in de herfst gevierd als al de veldoogst binnen was.

Het ongedesemde, ongezuurde brood had niets meer met het oude te doen: het was puur nieuw. Zo vierde men met Pasen met ongedesemd brood de vernieuwing door de uittocht uit Egypte en de intocht in het Beloofde Land, nieuw Leven.

Het koken van een geitje in de melk van zijn moeder kan wijzen op gebrek aan water in de woestijn. Maar dan óók mededogen betekenen, eerbied hebben. Misschien is het een spreekwoord.

Door een vertaalfout van Hiëronymus (ca 400) werd Mozes vaak afgebeeld met twee horens i.p.v. (twee) stralen die van zijn gezicht glansden. Gezien het getal 40 heeft hij daar op de berg iets doorgemaakt: voor GOD staan - dacht ik.

Terug naar begin

 


3 de Heiligheidswet

 

Hoofdstuk 16 - 27 van Leviticus is de z.g. Heiligheidswet. Die naam dankt zij aan het telkens motiverende 'Weest heilig, want Ik ben heiig'. Dit stuk is een verzameling wetten die later als centrum in de Priesterwet is geplaatst. Hiervan hebben we 17 en 19 gelezen om enig idee te krijgen hoe de gelovige Jood met offerritueel (17) en dagelijks leven (19) zijn verbond met JHWH in stand hield, met Hem wilde wandelen, heilig wilde zijn. Dit is een levenshouding. Zelfs de grond was heilig, ze kon ontheiligd worden doordat er onschuldig bloed op vloeide. Er zijn geboden bij die wij mooi vinden en normaal, maar er zijn ook onbegrijpelijke, wellicht omdat wij bepaalde gebruiken niet kennen. 

Hoofdstuk 17 geeft aan dat het offer aan de Heer moet worden opgedragen, bij de ingang van de tent opdat de priester het bloed over het altaar kan sprenkelen. Alleen als je zo doet laat je merken dat je weet en erkent dat het bloed, d.w.z. het leven, van de Heer afkomstig is. Als je dat niet doet, wordt jou bloedschuld aangerekend, je hebt bloed vergoten, verknoeid.

Omdat het bloed het leven draagt, bewerkt het verzoening. Als verzoening nodig is, is bloed dus daarvoor het aangewezen middel. Zie het kruis, waar Jezus zijn bloed niet vergoot maar over de voet van het altaar/kruis uitgoot … tot verzoening.

Op jacht mocht men het bloed vergieten, laten weglopen, maar daar is geen verzoening aan verbonden, alleen eerbied. Het laatste vers heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in infectiegevaar.

Hoofdstuk 19 gaat over het dagelijkse leven. We herkennen het 'uw naaste als u zelf'. Het hoofdstuk is een eenheid met inleiding (vs 1.2) en conclusie (vs 37), dus erg oud. 'Weest heilig want ik ben heilig' dreunt voortdurend door.

In vs 8 staat een sprekend stukje: als het eten bedorven is/zal zijn, mag je er niet meer van eten want dan beschouw je het bedorvene als goed voor het onderhouden, voeden, van jouw gemeenschap met JHWH, hetgeen de clou van de slachtoffer-maaltijd is.

In de vervolgverzen lijkt wel of niks mag maar je kunt die (negatieve) verboden zien als afgrenzing; waar ga je de streep over ? Als je offert met een chagrijnig gezicht (omdat je een stuk kwijt bent aan anderen of de priester), hoeft JHWH het niet. Je kunt je halve akker maaien en de rest laten aan de armen maar je als je niet aan Hem denkt, ben je fout. Je hoeft een dove niet (met woorden) te prijzen, maar als je hem vervloekt, ben je niet bepaald heilig bezig. Je kunt vee fokken, maar als je twee soorten door elkaar gebruikt, ben je onnatuurlijk. Laat een boom tot wasdom komen: pleeg geen roofbouw. En dank eerst voordat je gaat eten. Ook dit is leven, dat van de Heer afkomstig is!

Het zo knippen van het haar was waarschijnlijk bij andere volken in gebruik, waarvan zij zich moesten onderscheiden. Maar als teken van rouw wordt het elders wel als normaal beschouwd.

E.e.a. geeft ons aanleiding om naar onze gebruiken te kijken om Ma'at te betrachten. Jezus gaf aan hoe je een beris­ping moet geven: eerst onder vier ogen; misschien kun je je broeder winnen. Als hij niet wil, dan met getuigen. Pas als hij dan nog niet wil voor de hele gemeente. Dat is veel liever dan meteen van de toren blazen.

 

 

 4 Deuteronomium

Inleiding  4.1

Het woord is eigenlijk een vertaalfout. In Deut 17,18 staat dat de koning niet alleen niet te veel paarden moet hebben noch te veel vrouwen maar ook een 'afschrift van de Wet' moest laten maken voor hemzelf. Dat 'afschrift van de Wet' is in het Grieks vertaald met 'tweede Wet', deuteros nomos. Als je vertaalt 'Wet voor de tweede keer', is de vertaling letterlijk niet goed maar qua betekenis niet onaardig.


Want in Kronieken 34 wordt verteld (best leuk om dat eens te lezen) hoe koning Josia weer orde op zaken wilde stellen inzake de na-/beleving van de Wet. Die stroming was al begonnen vóór de val van Samaria in het Noordrijk, dat in 720 door de Assyriërs werd veroverd. Na de val van Samaria verhuisden veel mondelinge en schriftelijke tradities naar het Zuidrijk (Jerusalem). Toen Josia, ca 620, zie bijbelpanorama, de tempel onder handen liet nemen, 'vond' men in de geld-offerkist 'een' boek, het boek, dat hem werd voorgelezen. Dit zal de kern van Deuteronomium geweest zijn, dat vervolgens uitgebouwd werd tot het huidige boek, de afsluiting van de Wet, de Tora.

Het is dus (nog) meer een compositie van één persoon of een groep nauw samenwerkenden dan de andere boeken. Het wordt gebracht alsof het het meesterwerk, de slotpreek, van Mozes is die dan natuurlijk gehouden wordt z.g. vóór de overtocht door de Jordaan. Dus ook hier een zelfde soort instelling van een standaard als met de decaloog: dit boek geldt voor de Jood in het Beloofde Land.

Historisch is dat niet-waar. Maar het gaat de Jood erom dat hij aangeeft hoelang de Wet al bestaat, waar ze vandaan komt en hoe belangrijk zij is. Nog meer dan de andere boeken is zij een ver reikend en verrijkend genade-aanbod: de Wet wordt gegrond op wat ze zelf meegemaakt hebben, de aansporing om de leefregels (geboden) na te leven berust niet op dwang maar op de grote, overtuigende daden van hun God. Dus zal het ook in de toekomst goed met hen gaan. Zegen is een centraal begrip in Deuteronomium.

Terug naar begin

Opbouw  4.2

Hoofdstuk 5, 6, 26 en 30   4.3

Hoofdstuk 5 hebben we al gelezen i.v.m. Ex 20, de decaloog. Maar omdat ze met hoofdstuk 6 in het midden van de inleiding staat, hebben we het nog eens gedaan.

vs 3 Nu viel op de onderscheiding die wordt aangebracht  'Niet met onze voorouders maar met ons, die hier nu leven'. Aan onze drie voorouders heeft HijZ beloofd, met ons sluit HijZ een verbond. Nu is het anders. Zo'n stap vind je ook in Lc 16,16 'De Wet en de profeten gaan tot Johannes; sindsdien wordt het Koninkrijk Gods verkondigd': het 'oude' Verbond gaat over in het Verbond voorgoed, het nieuwe, altijddurende.

vs 15 'met sterke hand en uitgestrekte arm', het gebaar van Mozes Ex 14,21.26.

vs 24 'zijn heerlijkheid laten zien' doet denken aan het vroegere laatste evangelie: 'Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, als van de eniggeborene vanuit de Vader, vol genade en waarheid', Joh 1.

vs 29 "Ik zou wensen dat hun hart ..." Hoort u de smeking ? Geen God die oplegt.

vs 33 'Dan zult gij leven' Nogal concreet en direct.

 

Hoofdstuk 6  'Het grote gebod der liefde' te volbrengen ook als je aan de overkant bent en daarna.

vs 4 & 5 "Sjema Jisraël !" "Luister Israël!". Bij die woorden gaat de Jood in de houding staan: nu komt het ! 'Hij-is(-er)' is onze God, Hij-is is één, uniek, enig. Dat is het punt van uitgang, dat zoeken we. Dus zit er niets anders op, moet je wel, Hem met heel (!) jezelf beminnen. Je geheelde zelf - vanuit je heelheid. 'Moet' is dus een consequentie, geen oplegging. Net als bij de decaloog is het uitgangspunt dat Hij-is(-er) hun god is die hen uit Egypte heeft geleid. Dat was wel zo goed en dus kun je en wil redelijkerwijs niet anders, dus 'zul je'.

vs 8 Zo bij je houden dat er altijd mee bezig bent. Als de Jood bidt, heeft hij gebedsriemen om met een doosje op zijn voorhoofd en een op zijn arm waarin een stukje tekst. Op de deurpost heeft hij een kokertje met tekst, Mezoeza (= deurpost).

vs 10-11 Als je dat dan allemaal gekregen hebt - hier hoor je de verwondering; die steden waren niet zo geweldig en huizen hadden ze nauwelijks. Maar zo drukken zij verwondering uit. Als je negatief denkt dat zij dat hebben ingepikt en dus roof godsdienstig wordt gelegitimeerd, gaat niet alleen de tekst aan je voorbij maar zul je ook niet als gelovige Gods Woord herkennen. 'Dat klinkt heel zwaar maar is wel een noodzakelijk standpunt als je de bijbel wil lezen. Trek van volken, oorlogsbewegingen kwamen toen ook voor. De Filistijnen konden niet in Egypte terecht en hielden huis in Kanaän en Fenicië voordat ze zich langs de kust vestigden. Egypte trok met legers noordwaarts; Assyriërs, Babyloniërs, Perzen wilden via Kanaän naar Egypte.

Zou een nomadenvolk zich niet mogen vestigen in een land waar het historische banden mee had ? Zo was hun ervaring dat hun god met hen meetrok. En als het hun dan goed gaat, moeten ze die god niet vergeten; Hij-is(-er) is niet alleen een noodgod.

vs 13 'vrezen': ontzag hebben voor

vs 18 Als ge u richt naar de wens en wil van Hij-is(-er), Hem dient, blijft ge bij elkaar in Zijn Naam en zijt ge veilig.

vs 20 en leer dat uw kind. Dit doorgeven en het inprenten in het hart wordt voortdurend herhaald. Net als het 'Weest heilig, want Ik ben heilig'.

 

Hoofdstuk 26  "Mijn vader was een zwervende Arameeër …"

Hoofdstuk 12 is het begin van de wettekst en gaat over de concentratie van de eredienst in Jerusalem, net zoals de Jood zijn offer in de woestijn naar de tent van de samenkomst moest brengen waar de priester het bloed over het altaar uitgoot. Dus duidelijk in de gemeenschapssfeer maar ook onder controle.

Na al de leer- en leefregels sluit een eredienst de tekst af in hoofdstuk 26. De gelovige jood komt met zijn mandje eerstelingen, gaat voor zijn God staan en vertelt zijn verhaal als Jood. Zodoende buigt hij zich voor zijn Hij-is-(er), dankt en gaat vieren. Ik vind het ontroerend. Iedereen van ons heeft zijn/haar eigen verhaal en als je door de Rietzee bent ontkomen, door jouw woestijn bent getrokken, droogvoets door de Jordaan bent gegaan en in jouw beloofde land bent, ga je voor jouw 'Hij-is-er-voor-mij' staan en dank je met jouw eerstelingen of een kaarsje of wat je wil. Gewoon, zo heel mogelijk en echt. Van aangezicht tot aangezicht. Direct. Boem.

vs 12 Wat hij in het eerste deel voor JHWH deed, doet hij nu voor de naaste met een verwijzing naar JHWH  en een gebed om zegen. Hij maakt het eerste deel hard. Zo onderhoudt hij het verbond.

In vs 17 geeft JHWH zijn verzekering en

in vs 18 staat dat JHWH de verzekering van de kant van de Jood heeft gekregen.

 

Hoofdstuk 30   "Kies het Leven"

belooft in het eerste deel herstel van de goede verhouding (onder koning Josia!) als zij zich weer tot Hem wenden. Ze worden weer één. Wij zouden zo'n bekering met de biecht combineren. Zie hoeveel verwijzingen daarbij staan in de Willibrord. In het tweede deel rest niets meer dan te kiezen: je kunt het, het ligt in je (zie weer de verwijzingen), je weet het, kies dan.

Terug naar begin

5 Reinheid

      

Rein en onrein kom je in de bijbel vaak tegen en roept meestal weerstand op omdat wij het niet kennen of verkeerd is gebruikt. Bij ons heeft het onverbrekelijk te maken met onkuisheid en dat is gelul. Bijbels rein heeft te maken met op God gericht zijn, God kunnen ontvangen.

Reinheid is iets dat reeds bij de godsdiensten in de Oudheid en primitieve volken geldt. Daar heeft het te maken met een magische gedachtegang die bedacht is/was op bedreigende, geheime, met leven te maken hebbende krachten, die men niet in de hand had. De priester weet hoe en is geschikt, heeft de macht om een rite te voltrekken. Als dat volgens vastgelegde regels gebeurt, gaat het goed. Dit heeft best wel meegespeeld in de vroege joodse ervaringswereld maar heeft zich ontwikkeld. Het begrip reinheid heeft vast meegespeeld in de ontwikkeling en handhaving van het monotheïsme. Voor die God moest met 'puur' kunnen staan, onbezoedeld, blank, helder.

Ik dacht dat je reinheid en onreinheid het beste vanuit twee betekenissen kunt benaderen: menselijke onwaardigheid om zomaar voor God te staan en (nog) niet in je goede doen zijn, onmachtig.

 

menselijke onwaardigheid  5.1

De Joden moesten zich heiligen en hun kleren wassen in de Sinaï voordat ze de berg zouden naderen. Dat zich heiligen heeft een 'Sitz im Leben' in de stoffige woestijn maar de betekenis is dat je niet zomaar met het/De Heilige in contact kunt komen; dat vraagt voorbereiding, je inleven, je zondagse pak aandoen, je make-up verzorgen. De moeilijkheid is dat wij 'kleren wassen' verstaan als vuil afwassen; menselijke onwaardigheid, tekort, is dan vuil, maar dat klopt niet.

Jesaja raakt in de tempel 'bedolven' onder Gods Heiligheid en zegt dat hij een mens is met onreine lippen. Die lippen zijn niet vies maar onwaardig, totdat m.b.v. een gloeiende kool van het altaar(!) zijn ongerechtigheid, zijn niet-te-recht-zijn opgeheven wordt en zijn zondeschuld, in het krijt staan, onzichtbaar gemaakt.

Je kunt jezelf onwaardig maken door met vreemde goden om te gaan, je in te laten met de eredienst van andere volken; dan ben je onrein om tot JHWH te naderen. In huwelijkstermen pleeg je overspel t.a.v. JHWH. Zo kun je je ook onwaardig maken door onrecht te plegen inzake huwelijk, bezit e.d. van je medemens en ander sociaal onrecht. Reinheidswetten zijn voor de Jood principieel godsdienstig van aard.

 

niet in je goeie doen, onmachtig  5.2

Je kunt van de lippen van Jesaja ook zeggen dat zij onmachtig zijn en door vuur van het altaar ge-/bemachtigd worden. Dat is dus een ander facet dan onwaardig.

Een vrouw in haar stonden of na een bevalling is niet in haar gewone doen. Als ze weer zover is, kan ze dat ritueel vieren. Waarom niet ? Mannelijk seksistisch denken ziet haar als weer bevruchtbaar. Maar dat is gericht eenzijdig. De kerkgang van een vrouw werd/wordt heel vaak als vernederend ervaren maar was dat de oorspronkelijke bedoeling ? Een man die 's nachts een zaadlozing heeft, moet buiten het kamp gaan en is 's avonds (vanzelf) weer rein. Dat spreekt ons niet zo aan maar zal voor hen wel een reden gehad hebben.

Zo kun je ook mentaal 'onrein' zijn -in mijn gedachtegang- als je psychisch iets niet aan kunt. Je moet geen dankgebed willen bidden als je nog een appeltje te schillen hebt met O.L.Heer. Dan ben je rein voor een ander 'gebed' met O.L.Heer.

Heeft dat alles dus met 'vies' te maken ? Natuurlijk spelen hygiënische aspecten een rol. Door ziekte kan een volk gehalveerd worden of zelfs ondergaan. De reinheidsvoorschriften hebben zeker bijgedra­gen tot het behoud van het monotheïsme onder de Israëlieten. Ze hebben ook de zedelijkheid, het ontzag voor de ander bevorderd hetgeen men zag als Gods geboden. In de reinheidsvoorschriften lag ook het gevaar van formalisme. Dit kennen we ook: vroeger deed je wat je moest doen en dus was het goed. Door de oorlog e.a. hebben we anders geleerd. Tegen dat formalisme dat in de tijd van Jezus door Farizeeën -misschien door de grote ijver- opgefokt was, is Jezus (net als profeten) in verzet gekomen. Rituele, uiterlijke, regels uitvoerende, reinheid zegt hem niets; alleen de zedelijke en dus op God gerichte reinheid is van belang. In zijn Galatenbrief breekt Paulus met die wet die slaafs is (wordt uitgevoerd) en verkondigt hij de vrijheid van de kinderen Gods.

 

kuisheid  5.3

Dit hoort er ook bij. Meestal wordt/werd het betrokken op het netjes en compleet uitvoeren van de geslachtsdaad zoals gezien door de celibataire kerkleiding in hun natuurwet. Maar dan kan er nog onkuisheid zijn. Kuis is als je niet alleen op jezelf uit bent maar op elkaar. Zelfbevrediging, porno loopt op niets uit, loopt dood. Daaraan verslaafd zijn kun je m.i. onkuisheid noemen. Seksueel misbruik is natuurlijk onkuis maar de viezigheid is niet van de misbruikte maar van de misbruiker.

 

Met de Tora als schat sluiten we af.

 

 

Terug naar begin

Verder naar de profeten

 

© 2000 -2003 P.Goris Epe