6 Het Wetsblok
6.1 Overzicht
6.2 de Decaloog Ex 20 ; 34
6.4 Deuteronomium
6.5 Reinheid
1 Overzicht
Deuteronomium is
meer 'wetsboek' dan de andere boeken maar 'De Wet'
staat niet alleen daar in. Ze staat min of meer door de hele Tora heen; de Tora
heet dan ook De Wet van Mozes. Ons woord 'wet' heeft niet die betekenis die
Tora heeft; dit is meer 'leefregel' waar je vrij voor kiest. Tora is een min of
meer vrije vorm met verhalen e.d. Het wetsblok bevat meer concrete
voorschriften. Er is dus een (algemene) Wet, leefregels van Mozes, waarin het
Wetsblok. Dit blok is schematisch weer te geven:

Dit schema bedoelt aan
te geven dat de decaloog - die tien Geboden - eigenlijk als een proclamatie vooraan staat, het Verbondsboek concrete
voorschriften geeft vooral voor sociaal gedrag, en de Priesterwet veel
instructies geeft over het heiligdom, de voorwerpen voor de eredienst en de
priesters zelf. Binnen de Priesterwet staat de Heiligheidswet als een soort
centrum: 'Ik ben Heilig dus jullie ook'. Het geheel wordt nog eens dikketjes
over gedaan in Deuteronomium, 'de Wet voor de tweede keer'. Uit de verwijzing
naar de teksten in het onderstaande schema blijkt dat het wetsblok door heel de
Tora heen staat. Voor de duidelijkheid dus een overzicht over de Tora: Genesis,
Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.
Genesis vertelt -qua
geschiedenis !- hoe het is gekomen dat wij in Egypte zijn beland, dat vreemde
land waar we niet thuis hoorden. Na de betekenisverhalen van schepping,
paradijs, zondeval, broedermoord, en zondvloed wordt de aandacht op Noach
geconcentreerd, vervolgens (na Babel) op zijn zoon Sem (Semieten), op diens
zoon Terach en tenslotte op
diens zoon Abram. Deze kreeg de belofte van nakomelingschap en land; daartoe
nam JHWH de verplichting op Zich via de besnijdenis van Abram. Pas toen kwam
Isaak, de zoon van belofte, zijn enige, zijn welbeminde. Isaak kreeg twee zonen
maar Jacob kreeg er twaalf, die hun jongste broertje naar Egypte verkochten … (Zie
4.5.5)
In de overige
Tora-boeken zie je vooral verhaal en wetten door elkaar lopen. Dit kun je opvatten als een signaal
dat de 'Wet' is gebaseerd op hun ervaringen. Leefregel en leven zijn verbonden
in wisselwerking. De Tora bevat dus maar weinig geschiedenis en des te meer
'wet'. Je zou verwachten dat de Wetdelen zijn ontstaan waar ze in het geschiedenisverhaal
voorkomen maar dat is niet waar. Ze zijn later aan de uittocht enz. verbonden
om hun belangrijkheid aan te geven, want de uittocht is het cruciale heilspunt
in de Joodse geschiedenis. Het is dus een andere 'geschiedschrijving' dan wij
gewend zijn.
Die verwevenheid van de
teksten zij te overzien in dit schema:
|
Boek |
onderwerp verhaal ca 1250-1200 |
wetsblok |
inhoud |
opgeschreven |
|
Ex 1
-11 12 - 14 16 - 18 19 20 21 - 23 24 25 - 31 32-33 34 35 - 40 Lev 1
- 16 17 - 26 Num
1- 10 11 - 20 Deut 1 -11 12 - 26 27 - 30 31 - 34 Joz 3, 4 5 24 |
onderdrukking en plagen in Egypte paasmaal; uittocht; door de Rietzee honger, dorst, strijd in de woestijn Sinaï; Godverschijning offermaal gouden kalf JHWH's trouw; herstel; nieuwe tafels tocht door de woestijn t/m de Jordaanstreek aanstelling Jozua 'standbeeld' voor Mozes: zijn lied, zegen en dood doortocht door Jordaan, intocht Beloofde Land Gilgal Verbondsdag te Sichem |
- - - decaloog verbondsboek instructie over heiligdom, priesters, voorwerpen decaloog uitwerking 25-31 priesterwet: offers, wijding, reinheid Heiligheidswet priesterwet de Wet opnieuw afsluiting Deut afsluiting Tora |
nood redding God trekt mee "Als ge echt luistert,…" cultisch en ethisch ethische verbondssluiting eredienst breuk, ontrouw cultisch (vs 10-27) Ik heilig, dus jullie ook! Je naaste als jezelf. Feesten details "Sta op JHWH !" honger, dorst; 70 oudsten aangesteld. samenvatting van de heilsgeschiedenis: 'toen ging het goed, het zal ook goed gaan': "Hoor, Israël, JHWH, onze God is één. Bemin Hem met heel uw hart ". eredienst centraal, godsdienstig en sociaal leven verbonden: zegen 'Het staat in je hart !' 'Kies dan voor het leven!' ieder 7e jaar voor te lezen op Loofhuttenfeest JHWH gaat mee ! afgelopen!; Pasen hernieuwing Verbond |
oervorm 1250 11e eeuw na Sichem 5e - 6e eeuw (ballingschap) 11e eeuw (Richteren) 6e eeuw 7e eeuw (boek Jozua hoort niet bij de Tora maar bij Richteren) |
2 de Decaloog
de Tien (Verbonds)Woorden of te wel
de Tien Geboden: in Ex 20 en in Ex 34.
Algemeen 2.1
Zoals gezegd is redelijkerwijs de decaloog een invoeging in een
historisch verhaal, waarmee de Joden duidelijk willen maken hoe hun
geloofsbeleving verbonden is met de ervaring
van de uittocht en doortocht; 'Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte heeft
geleid'. Toen zijn ze organiek Zijn volk geworden met de decaloog als basis,
als 'Magna Carta'. Vroeger dreunden we in de klas de
tafels hardop; de kans is reëel dat toentertijd de
decaloog in oervorm m.b.v. tien vingers er in gestampt werd. Dat er een oervorm
bestaan heeft wordt aannemelijk als je ziet hoe kort de laatste 'geboden' zijn
in vergelijking met de eerste, die later wellicht zijn uitgebreid.
Qua tekst zou je verwachten dat de decaloog (deca = tien, logos = woord vind je in Deut 4,13 en 10,4; Dt 9,9.11.15 spreken van 'de tafels van het verbond') na vs 22-26 zou staan, op het eind van het hoofdstuk 20. Dan zijn er eerst cultische geboden en vervolgens ethische geboden, eerst de hemel en dan de aarde. Als inderdaad de decaloog in oervorm daar heeft gestaan, dan heeft men toch de definitieve vorm/versie opzettelijk direct na vs 25 gezet met als start "Toen sprak God al de woorden die hier volgen" want in vs 25 spreekt Mozes, niet God.
We hebben de tekst van Ex 20,1-17 vergeleken met Deut 5,6-21. Ze zijn nagenoeg hetzelfde maar het Sjabbatgebod verschilt qua motivatie. Vermoedelijk begon de oervorm met een kort "Ik ben de Heer, uw god", een gelovig startpunt. In Dt staat dat men om sociale redenen de Sjabbat moet 'onderhouden'; ze hebben het zelf meegemaakt in Egypte én in de ballingschap. Dat is nogal praktijkgericht. De oervorm van het Sjabbatgebod zou daarom in Deut in sociale zin gewijzigd zijn maar in de definitieve lezing uitgebreid hersteld. In Ex wordt scheppingsgeloof als reden opgegeven, hetgeen je algemener, nog dieper, principiëler (Genesis = wording!) kunt noemen dan sociale zorg. Godsdienst draagt dan sociale zorg. Misschien is de definitieve versie van de Tien Geboden van ca 400 (zie het bijbelpanorama).
Wat deed men met de decaloog? Redelijkerwijs werd zij in de cultus, de eredienst, voorgelezen als een verantwoording of reden om te (mogen) vieren en/of een mee-nemertje naar huis voor goed gedrag. Je kunt nl. de eerste geboden als godsdienstige/gelovige basis, motivatie, zien voor goed gedrag, ethiek, en de laatste geboden als een concrete invulling van goed gedrag waarmee je voor God kunt staan, met God kunt wandelen. Het is dus zaak meer te letten op de manier van omgaan met het leven dan er een afdwingen in te zien van wat men verplicht is te doen. Tot dit laatste zijn wij nogal geneigd.
Het gebod 'Gij zult niet stelen' is een onvolledige formulering; bedoeld is: geen vrijheid stelen, dus geen slaven maken (tenzij ...; net als 'wederrechtelijk' doden in het 6e gebod). Bezit, niet gappen, komt nl. in het laatste gebod aan de orde. Zo worden de fundamentele rechten van de mens veilig gesteld: leven, huwelijk, vrijheid, eer en bezit.
Ook het tiende gebod staat in het kader van recht, niet van moraal.
De tekst 2.2
Het eerste gebod begint met een legitimatie, herinnering: 'Ik ben degene
die jullie uit Egypte heeft geleid, de Betrouwbare', maar ook met genade. Zo
staan genade en verlossing vóór de Wet. In het Verbond is het ook eerst God en
dan zijn volk. Genade en Wet zijn niet tegen elkaar maar gaan samen, zoals in
de verbondsverhouding God staat voor Zijn vazal, zijn volk.
Geen andere
goden ten koste van Mij. JHWH is geen oppergod van een godenstelsel als bij
andere volken. Je bent God of geen god (hoogstens een afgod), een maximaal
Wezen of niet maximaal.
Het tweede verbiedt godenbeelden te maken. Andere volken hadden die wel
maar het zijn maar maaksels van mensen, 'Ze hebben ogen maar zien niet, oren
maar horen niet, geen geluid komt uit hun keel. Nog dwazer is hij die zich
daaraan toevertrouwt.'
Er is nooit een
beeld van JHWH opgegraven. Misschien houdt beeld beperking in en dat is tegen
JHWH. Dan zal het je ook goed gaan want het duizendste geslacht is langer in
leven dan het derde of vierde. Die schuld van vader op zoon wordt later bij
Ezechiël (18,2.3) herroepen: ieder is dan voortaan zelf verantwoordelijk.
Het derde. Nogal logisch.
Het vierde is een soort verbindingsschakel in de verhouding tussen JHWH
en Zijn Volk en de verhouding tussen de mensen onderling. Het onderhouden (Dt vs 12; 'herinneren' van Ex vs8 doet aan P denken) van de
Sjabbat is met de besnijdenis hét kenmerk van Jood zijn zoals het (maken van
het) kruisteken dat is voor de katholiek (christen?).
Het vijfde betekent dat je je ouders dankbaar
mag zijn voor het doorgeven van het leven maar ook van Het Leven, geloof(sleer). Zij zijn dé figuren die Het jou voor leven. Daar
liggen je wortels ook.
Het zesde betreft wederrechtelijk doden, op eigen houtje wraak nemen.
Dat moet via de rechtspraak. De doodstraf bestond in Israël.
Het zevende spreekt niet van onkuisheid maar van huwelijksrecht. Je kon
een getrouwde vrouw als zodanig herkennen aan kleding. Heel vroeger had men wel
meer vrouwen. Huwelijksrecht betekende ook dat de vrouw recht had op maximale
bescherming. Mij lijkt dat in de sfeer van geboden, leefregels, het recht wel ter zake is maar liefde niet. Voor haar kun je geen regels
geven, zij is autonoom.
Sinds wanneer hier kuisheid is ingevoerd wet ik niet.
Het achtste gebod gaat over mensenroof, vrijheidsberoving of
slavenmakerij en het tiende gaat over het veilig stellen van het bezit.
Het negende moet het recht op eer, goede naam, veilig stellen.
Het tiende gaat over bezit. Ook de vrouw hoort bij bezit. Dit willen wij
best in twijfel trekken maar zij zien het zo en bovendien betekent bezit niet
doen wat je er mee wil. Jezus zei heel duidelijk dat
'in beginne', 'principieel', het huwelijk als eenheidsbeleving bedoeld is.
'Zinnen zetten
op' betekent er mee bezig zijn/blijven, het erop aanleggen, zoals je b.v. een moord beraamt, met de verleiding instemmen;
'begeren' is een beetje te zwak - verliefd worden kan de beste overkomen, de
verleiding ook, je begeert dus; maar dan moet het afgelopen zijn.
In de oude
catechismus was het tiende gebod gescheiden in begeren (van onkuisheid!) en het
begeren van andermans bezit. Dat was (alleen maar ?) om het aantal tien te
redden want men begon pas te tellen na 'Ik ben de Heer uw God': Gij zult ten
eerste ...... De joodse (en protestantse) telling
begint bij 'Ik ben de Heer Uw God'. Als je goed voelt, is dat ook een leefregel
- vind ik.
Een principiële keuze 2.3
Dr Dupuis (Leiden) heeft eens de stelling gelanceerd dat de joodse godsdienst/decaloog (alleen?) bedoeld is om te overleven. Een zich vormende gemeenschap (in de woestijn) ontdekt dat ze alleen overleeft als ze de zaak draaiende houdt door ethisch goed gedrag, elkaar recht geven op. Als je die stelling accepteert, doe je dan het geloof/godsdienst/God niet tekort? Dat was de vraag waar we tegenaan liepen.
Als je dat overlevingsstandpunt hanteert, is God voldoende als nuttigheidselement of als dwangbeeld voor de mens om dat recht te handhaven. Offie bestaat of niet is punt twee; als Hij of het idee maar als zodanig dienst doet, desnoods (dwang)geweten is; uit angst voor straf, noodlot, onheil, doet de mens dan goed, uit kwalijke noodzaak. Tja …
Hoe komt een volk eraan om recht(vaardigheid op aarde) hemels te funderen? Psalm 15 (en 24) zegt dat die mens de Berg mag bestijgen die zich goed gedraagt, en zij zegt daarvoor niets over zich richten tot God, bidden of iets dergelijks. Wij hebben God op ons bordje gekregen; wij hebben onze ouders en de bijbel en de kerk. Die hebben ons verteld dat er een God is en zo ben je er nooit blank zelf achter gekomen. Maar toen kwam er net zo min als nu een briefje uit de hemel met 'God is er' of zo iets. Men kan stellen dat vanuit 'het religieuze' in de mens (zie volwassenencatechese) een godsbesef is ontstaan. Maar hoe komt men aan de inhoud van dat besef? Heeft menselijke ervaring in onderlinge betrekkingen daarin meegespeeld?
Hoe het gekomen is weten we niet maar een
gegeven ogenblik hebben mensen een vrije, principiële keuze gemaakt, in
vrijheid een mogelijk nuttigheidsidee als basis losgelaten en voor liefde
gekozen. Misschien wel omdat rechtvaardigheid aan liefde bestaansmogelijkheid
geeft, ruimte geeft ter ontplooiing. In dat alles speelt inzicht, geloofszicht
een rol. Dat heb je niet van jezelf; dat krijg je en dat heet
openbaringsgeloof.
Zo'n keuze, geloofsbeslissing, is ook aan ons: zonder eigenbelang/-behoefte zien dat God alles is, al het goede, al het lieve. Zo, in zo'n vrijheid, openbaart HijZ zich - kun je zeggen.
De gerechtigheid, continuïteit, zekerheid die aan de sterrenhemel te zien is, kan kortbij gehaald worden door o.a. rechtvaardigheid op aarde. Daaraan beantwoordt ook het Egyptische begrip Ma'at. Dan kan hemelse gerechtigheid aanzetten tot eeuwigheid, oneindigheid, maximaliteit, ook in wat mensen liefde noemen.
We hebben het verhaal van de verbondssluiting in Ex 24 al gelezen. Het verschil met het 10-woorden-gebeuren hebben we in 5.5 genoemd. In Ex 24 is er meer sprake van vrijheid, zonder dreiging. In die vrijheid hebben zij hun God 'gevierd'. Het offerritueel met het bloed en het verblijf van Mozes in de wolk op de berg duiden in ieder geval niet op een nuttigheidsgod maar op een heilige God die mee gaat.
Exodus
32,30vv, 33 en 34 2.4
hebben we gelezen a) omdat ze in inleiding zijn tot de cultische decaloog,
waarmee het verbond wordt vernieuwd, en b) omdat daar een heel mooi - vind ik -
stukje spiritualiteit te vinden is.
- Exodus 32,30vv
geeft Mozes' middelaarfunctie een speciale inhoud: hij zet zichzelf in voor het
volk. De manier waarop hij dat doet kun je Joods leep
noemen (hij 'chanteert' JHWH en Die 'trapt' daar dan in; je kunt ook zeggen dat
Mozes op die manier vergeving ter sprake brengt) maar ook spreekt daaruit een
groot vertrouwen in zijn God, dat Die nl. Zijn knecht niet zal laten vallen.
Hij bewerkt -volgens het verhaal - in ieder geval enig uitstel van de straf; ze
mogen verder, weliswaar krachtens belofte maar niet
met Hem, doch 'slechts' met een engel. Het laatste vers, 35, kun je vertalen
met 'JHWH was (echt) van plan om de Joden te straffen.'
- Want uit Ex 33
blijkt dat HijZ het (nog) niet doet maar wel dreigt en Zich dan laat overhalen
zodra HijZ ziet dat het volk zich bekeert en dat zij als teken daarvan hun
sieraden afleggen. Kennelijk accepteert HijZ dat afleggen als signaal. Als je
beziet hoe dat allemaal gaat, gedraagt JHWH zich net als een vader - dacht ik.
In het tweede deel van Ex 33
wordt Mozes' functie nog intenser. Het 'dan zal Ik zien wat Ik met u doe' (vs 5) moet nog afgewend worden. Mozes krijgt dat klaar.
Eerst wordt beschreven hoe belangrijk en verheven hij is (vs
7-11). Dan gaat hij tot JHWH en zegt " ... Gij hebt mij niet laten weten wie Gij met mij (!) meezendt
..." Dan zegt Hij-is-er:"... Moet Ik zelf dan (toch maar) meegaan .. ?" Natuurlijk wel. En als hij die toezegging heeft, voelt
Mozes hoe hij verbonden is met JHWH en kan hij verlangen: "Laat mij toch
Uw heerlijkheid zien".
|
Mozes is geen be-middelaar, die zelf deel van een partij,
middelaar; nog een persoonlijk beroep
op JHWH, die hoog Mozes bij de Joden in aanzien voor de hand. Als Jezus die zichzelf stelt, nog
"groter dan Mozes" wordt de hand. "De Heer
sprak met Mozes Hoe zou Jezus tot zijn
Vader hebben heerlijkheid zien'.
"Wij hebben Zijn in zijn proloog. Vs 21: "Hier bij Mij is |
|
tussen partijen in staat,
hij is een intenser dan in Ex 32,32 doet
hij niet kan weigeren. Zo ziet u hoe staat. De parallel met Jezus ligt als middelaar in de
waagschaal genoemd, is er iets bijzonders aan van "aangezicht
tot aangezicht" . gebeden? 'Laat
mij toch Uw Heerlijkheid gezien" zegt Johannes nog plaats; kom op de rots
staan". |
Het Heilige der
Heilige was op een rots gebouwd. "Op deze steenrots zal ik mijn Kerk
bouwen", nl. Petrus' geloof.
Laat u zich niet
afschrikken door de bedreiging die JHWH over zijn verbondspartner uitspreekt in
het verhaal over het gouden stierkalf (32,1vv). Het is ook niet
niks maar de clou is juist dat Mozes JHWH weet tegen te houden, vs 14,
en vergeving verkrijgt. Mozes springt uit zijn vel als hij ziet wat ze doen en
roept op om te kiezen v66r of tegen JHWH. De Levieten 'reinigen' dan het kamp.
Kijkt u door die 3000 heen. Volgens mij betekent dat in de getallensymboliek
dat ze al de (10 x 10 x 10) raddraaiers, de
overtreders, de echte (3) schenders, die zich niet
bekeren, definitief (3) te pakken namen.
Niettemin, wij
kijken anders aan tegen zo'n straf en het heeft geen
zin het maar goed te vinden omdat het in de bijbel staat. Tja, zij vertellen
het zo, dat is hun zaak, maar wij mogen/willen dat niet meer zo doen in onze christelijke
cultuur. Laat u zich dus niet door bijbelse getallen
misleiden. Het prijsgeven van zoon of broer is niet nieuw: als je kiest voor
JHWH en niet voor je broer (in de bijbel heet dat
je hem dan 'haat', d.w.z. je zet hem
niet op de eerste plaats), geef je je (band met je) -
foute - broer prijs. Zo iets vraagt Jezus later ook.
- In Ex 34 gaat
Mozes met twee stenen platen de heilige berg op en daar kwam de Heer bij hem
staan en maakte Hij Zichzelf bekend (zelf-epifanie):
barmhartig en medelijdend, lankmoedig, groot in liefde en trouw (vs 6). Dit vers behelst een kern-geloofsbelijdenis
van het volk, die heel vaak wordt geciteerd gezien de vele verwijzingen naar
andere plaatsen. Dan valt Mozes op de knieën en vraagt hij vergiffenis waarop
JHWH het verbond vernieuwt en (weer) tien geboden grift (vs
28). Dat gebeurt in de z.g. cultische decaloog. Waarom moest het een cultische
vernieuwing zijn ?
In de eerste tien woorden,
de ethische decaloog, kwam geen cultus, eredienst, aan de orde; nu wel. Als ze die
altaren afbreken, Hem alleen dienen, geen vreemde offermaaltijden houden, hun
eigen feesten vieren, sjabbat houden, Hem de eerstgeborenen en eerstelingen van
de graanoogst toewijden, zijn ze kennelijk al in het Beloofde Land. Daar zagen
ze de eredienst van de plaatselijke boeren. Die mochten ze niet overnemen want
die eredienst was alleen maar om een goede oogst te vragen en was tot een
vreemde god gericht, niet de hunne. Het verhaal van het gouden kalf en daarna
staat dus als een standaard voor die 'heidense' cultus waartegen de profeten
herhaaldelijk waarschuwen. Het staat op deze plek in Ex om aan te geven dat het
principieel bij het Joods zijn hoort, in het Beloofde Land. Op die bovengenoemde voorwaarden zullen
zij het land (blijven) bewonen. Zit er bij dat toewijden en zo, die vreemde
eredienst, nog iets voor ons bij ?
In vs 14 komt de jaloerse God ter sprake. Die jaloersheid kun
je het beste zien als die van een versmade/belazerde geliefde. Het partnerschap
JHWH - Zijn volk wordt vaak als huwelijk voorgesteld. Zo is die jaloersheid
legitiem.
Dé
(cultus)feesten voor de Joden, waaraan een bedevaart naar Jerusalem vast zat,
waren het Paasfeest, het Zevenwekenfeest en het
Loofhuttenfeest. Het Paasfeest was een lente-feest, feest van het nieuwe leven. De nomaden
slachtten een gaaf lam, de boeren aten ongedesemd brood en men bood de
eerstelingen van de graanoogst aan (Deut 26). Deze twee feest-vormen
zijn later bij elkaar gevoegd. Het werd van familiefeest tot staatsfeest (in
Jerusalem!). Het Zevenwekenfeest werd 7 x 7 dagen na (+ 1 = 50, Pentecostes) Pasen gevierd. Men had de graanoogst dan al
binnen. Het Loof- huttenfeest werd in de herfst gevierd als al de veldoogst
binnen was.
Het ongedesemde,
ongezuurde brood had niets meer met het oude te doen: het
was puur nieuw. Zo vierde men met Pasen met ongedesemd brood de vernieuwing
door de uittocht uit Egypte en de intocht in het Beloofde Land, nieuw Leven.
Het koken van
een geitje in de melk van zijn moeder kan wijzen op gebrek aan water in de
woestijn. Maar dan óók mededogen betekenen, eerbied
hebben. Misschien is het een spreekwoord.
Door een
vertaalfout van Hiëronymus (ca 400) werd Mozes vaak afgebeeld met twee horens
i.p.v. (twee) stralen die van zijn gezicht glansden. Gezien het getal 40 heeft
hij daar op de berg iets doorgemaakt: voor GOD staan - dacht ik.
Hoofdstuk 16 - 27 van Leviticus is de z.g.
Heiligheidswet. Die naam dankt zij aan het telkens motiverende 'Weest heilig,
want Ik ben heiig'. Dit stuk is een verzameling wetten die later als centrum in
de Priesterwet is geplaatst. Hiervan hebben we 17 en 19 gelezen om enig idee te krijgen
hoe de gelovige
Jood met offerritueel (17)
en dagelijks leven (19) zijn verbond met JHWH in stand hield, met Hem wilde
wandelen, heilig wilde zijn. Dit is een levenshouding. Zelfs de grond was
heilig, ze kon ontheiligd worden doordat er onschuldig bloed op vloeide. Er
zijn geboden bij die wij mooi vinden en normaal, maar er zijn ook onbegrijpelijke,
wellicht omdat wij bepaalde gebruiken niet kennen.
Hoofdstuk 17
geeft aan dat het offer aan de Heer moet worden opgedragen, bij de ingang van
de tent opdat de priester het bloed over het altaar kan sprenkelen. Alleen als
je zo doet laat je merken dat je weet en erkent dat het bloed, d.w.z. het
leven, van de Heer afkomstig is. Als je dat niet doet, wordt jou bloedschuld
aangerekend, je hebt bloed vergoten, verknoeid.
Omdat het bloed
het leven draagt, bewerkt het verzoening. Als
verzoening nodig is, is bloed dus daarvoor het aangewezen middel. Zie het
kruis, waar Jezus zijn bloed niet vergoot maar over de voet van het altaar/kruis uitgoot … tot verzoening.
Op jacht mocht
men het bloed vergieten, laten weglopen, maar daar is geen verzoening aan verbonden,
alleen eerbied. Het laatste vers heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in
infectiegevaar.
Hoofdstuk 19
gaat over het dagelijkse leven. We herkennen het 'uw
naaste als u zelf'. Het hoofdstuk is een eenheid met inleiding (vs 1.2) en conclusie (vs 37), dus erg oud. 'Weest heilig
want ik ben heilig' dreunt voortdurend door.
In vs 8 staat een sprekend stukje: als het eten bedorven is/zal
zijn, mag je er niet meer van eten want dan beschouw je het bedorvene
als goed voor het onderhouden, voeden, van jouw gemeenschap met JHWH, hetgeen
de clou van de slachtoffer-maaltijd is.
In de
vervolgverzen lijkt wel of niks mag maar je kunt die (negatieve) verboden zien
als afgrenzing; waar ga je de streep over ? Als je
offert met een chagrijnig gezicht (omdat je een stuk kwijt bent aan anderen of
de priester), hoeft JHWH het niet. Je kunt je halve akker maaien en de rest
laten aan de armen maar je als je niet aan Hem denkt, ben je fout. Je hoeft een
dove niet (met woorden) te prijzen, maar als je hem vervloekt, ben je niet
bepaald heilig bezig. Je kunt vee fokken, maar als je twee soorten door elkaar
gebruikt, ben je onnatuurlijk. Laat een boom tot wasdom komen: pleeg geen
roofbouw. En dank eerst voordat je gaat eten. Ook dit is leven, dat van de Heer
afkomstig is!
Het zo knippen
van het haar was waarschijnlijk bij andere volken in gebruik, waarvan zij zich
moesten onderscheiden. Maar als teken van rouw wordt het elders
wel als normaal beschouwd.
E.e.a. geeft ons
aanleiding om naar onze gebruiken te kijken om Ma'at te betrachten. Jezus gaf aan hoe je een berisping moet geven: eerst onder
vier ogen; misschien kun je je broeder winnen. Als
hij niet wil, dan met getuigen. Pas als hij dan nog niet wil voor de hele
gemeente. Dat is veel liever dan meteen van de toren blazen.
Inleiding 4.1
Het woord is eigenlijk een
vertaalfout. In Deut 17,18 staat dat de koning niet alleen niet te veel paarden
moet hebben noch te veel vrouwen maar ook een 'afschrift van de Wet' moest
laten maken voor hemzelf. Dat 'afschrift van de Wet'
is in het Grieks vertaald met 'tweede Wet', deuteros nomos. Als je vertaalt 'Wet voor
de tweede keer', is de vertaling letterlijk niet goed maar qua betekenis niet
onaardig.
Want in
Kronieken 34 wordt verteld (best leuk om dat eens te lezen) hoe koning Josia
weer orde op zaken wilde stellen inzake de
na-/beleving van de Wet. Die stroming was al begonnen vóór de val van Samaria
in het Noordrijk, dat in 720 door de Assyriërs werd veroverd. Na de val van
Samaria verhuisden veel mondelinge en schriftelijke tradities naar het Zuidrijk
(Jerusalem). Toen Josia, ca 620, zie bijbelpanorama, de tempel onder handen
liet nemen, 'vond' men in de geld-offerkist 'een'
boek, het boek, dat hem werd voorgelezen. Dit zal de kern van Deuteronomium
geweest zijn, dat vervolgens uitgebouwd werd tot het huidige boek, de
afsluiting van de Wet, de Tora.
Het is dus (nog)
meer een compositie van één persoon of een groep nauw samenwerkenden dan de
andere boeken. Het wordt gebracht alsof het het
meesterwerk, de slotpreek, van Mozes is die dan natuurlijk gehouden wordt z.g.
vóór de overtocht door de Jordaan. Dus ook hier een zelfde soort instelling van
een standaard als met de decaloog: dit boek geldt voor de Jood in het Beloofde
Land.
Historisch is
dat niet-waar. Maar het gaat de Jood erom dat hij
aangeeft hoelang de Wet al bestaat, waar ze vandaan komt en hoe belangrijk zij
is. Nog meer dan de andere boeken is zij een ver reikend en verrijkend genade-aanbod: de Wet wordt gegrond op wat ze zelf
meegemaakt hebben, de aansporing om de leefregels (geboden) na te leven berust
niet op dwang maar op de grote, overtuigende daden van hun God. Dus zal het ook
in de toekomst goed met hen gaan. Zegen is een centraal begrip in
Deuteronomium.
Opbouw 4.2

Hoofdstuk 5,
6, 26 en 30 4.3
Hoofdstuk 5 hebben we al gelezen i.v.m.
Ex 20, de decaloog. Maar omdat ze met hoofdstuk
vs
3 Nu viel op de onderscheiding die wordt aangebracht 'Niet met onze voorouders maar met ons, die
hier nu leven'. Aan onze drie voorouders heeft HijZ beloofd, met ons sluit HijZ
een verbond. Nu is het anders. Zo'n stap vind je ook
in Lc 16,16 'De Wet en de profeten gaan tot Johannes; sindsdien wordt het
Koninkrijk Gods verkondigd': het 'oude' Verbond gaat over in het Verbond
voorgoed, het nieuwe, altijddurende.
vs
15 'met sterke hand en uitgestrekte arm', het gebaar van Mozes Ex 14,21.26.
vs
24 'zijn heerlijkheid laten zien' doet denken aan het vroegere laatste
evangelie: 'Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, als van de eniggeborene vanuit
de Vader, vol genade en waarheid', Joh 1.
vs
29 "Ik zou wensen dat hun hart ..." Hoort u de smeking
? Geen God die oplegt.
vs
33 'Dan zult gij leven' Nogal concreet en direct.
Hoofdstuk 6
'Het grote gebod der liefde' te volbrengen ook als je aan de
overkant bent en daarna.
vs 4 & 5 "Sjema Jisraël !" "Luister Israël!".
Bij die woorden gaat de Jood in de houding staan: nu komt het
! 'Hij-is(-er)' is onze God, Hij-is is één, uniek, enig. Dat is het punt van
uitgang, dat zoeken we. Dus zit er niets anders op, moet je wel, Hem met heel
(!) jezelf beminnen. Je geheelde zelf - vanuit je heelheid. 'Moet' is dus een
consequentie, geen oplegging. Net als bij de decaloog is het uitgangspunt dat
Hij-is(-er) hun god is die hen uit Egypte heeft geleid. Dat was wel zo goed en
dus kun je en wil redelijkerwijs niet anders, dus 'zul je'.
vs
8 Zo bij je houden dat er altijd mee bezig bent. Als de Jood bidt, heeft hij
gebedsriemen om met een doosje op zijn voorhoofd en een op zijn arm waarin een
stukje tekst. Op de deurpost heeft hij een kokertje met tekst, Mezoeza (= deurpost).
vs
10-11 Als je dat dan allemaal gekregen hebt - hier hoor je de verwondering; die
steden waren niet zo geweldig en huizen hadden ze nauwelijks. Maar zo drukken
zij verwondering uit. Als je negatief denkt dat zij dat hebben ingepikt en dus
roof godsdienstig wordt gelegitimeerd, gaat niet alleen de tekst aan je voorbij
maar zul je ook niet als gelovige Gods Woord herkennen. 'Dat klinkt heel zwaar
maar is wel een noodzakelijk standpunt als je de bijbel
wil lezen. Trek van volken, oorlogsbewegingen kwamen toen ook voor. De
Filistijnen konden niet in Egypte terecht en hielden huis in Kanaän en Fenicië
voordat ze zich langs de kust vestigden. Egypte trok met legers noordwaarts;
Assyriërs, Babyloniërs, Perzen wilden via Kanaän naar Egypte.
Zou een
nomadenvolk zich niet mogen vestigen in een land waar het historische banden
mee had ? Zo was hun ervaring dat hun god met hen
meetrok. En als het hun dan goed gaat, moeten ze die god niet vergeten;
Hij-is(-er) is niet alleen een noodgod.
vs
13 'vrezen': ontzag hebben voor
vs
18 Als ge u richt naar de wens en wil van Hij-is(-er), Hem dient, blijft ge bij
elkaar in Zijn Naam en zijt ge veilig.
vs
20 en leer dat uw kind. Dit doorgeven en het inprenten in het hart wordt
voortdurend herhaald. Net als het 'Weest heilig, want Ik ben heilig'.
Hoofdstuk 26
"Mijn vader was een zwervende Arameeër …"
Hoofdstuk 12 is
het begin van de wettekst en gaat over de concentratie van de eredienst in
Jerusalem, net zoals de Jood zijn offer in de woestijn naar de tent van de
samenkomst moest brengen waar de priester het bloed over het altaar uitgoot.
Dus duidelijk in de gemeenschapssfeer maar ook onder controle.
Na al de leer- en leefregels
sluit een eredienst de tekst af in hoofdstuk 26. De gelovige jood komt met zijn
mandje eerstelingen, gaat voor zijn God staan en vertelt zijn verhaal als Jood.
Zodoende buigt hij zich voor zijn Hij-is-(er), dankt en gaat vieren. Ik vind
het ontroerend. Iedereen van ons heeft zijn/haar eigen verhaal en als je door
de Rietzee bent ontkomen, door jouw woestijn bent getrokken, droogvoets door de
Jordaan bent gegaan en in jouw beloofde land bent, ga je voor jouw 'Hij-is-er-voor-mij' staan en
dank je met jouw eerstelingen of een kaarsje of wat je wil. Gewoon, zo heel
mogelijk en echt. Van aangezicht tot aangezicht.
Direct. Boem.
vs
12 Wat hij in het eerste deel voor JHWH deed, doet hij nu voor de naaste met
een verwijzing naar JHWH en een gebed om
zegen. Hij maakt het eerste deel hard. Zo onderhoudt hij het verbond.
In vs 17 geeft JHWH zijn verzekering en
in
vs 18 staat dat JHWH de verzekering van de kant van de Jood heeft gekregen.
Hoofdstuk 30 "Kies het Leven"
belooft in het eerste deel herstel van de goede verhouding (onder koning Josia!)
als zij zich weer tot Hem wenden. Ze worden weer één. Wij zouden zo'n bekering met de biecht combineren. Zie hoeveel
verwijzingen daarbij staan in de Willibrord. In het tweede deel rest niets meer
dan te kiezen: je kunt het, het ligt in je (zie weer de verwijzingen), je weet
het, kies dan.
Rein
en onrein kom je in de bijbel vaak tegen en roept
meestal weerstand op omdat wij het niet kennen of verkeerd is gebruikt. Bij ons
heeft het onverbrekelijk te maken met onkuisheid en dat is gelul. Bijbels rein
heeft te maken met op God gericht zijn, God kunnen ontvangen.
Reinheid is iets dat reeds bij de godsdiensten in de Oudheid en primitieve volken geldt. Daar heeft het te maken met een magische gedachtegang die bedacht is/was op bedreigende, geheime, met leven te maken hebbende krachten, die men niet in de hand had. De priester weet hoe en is geschikt, heeft de macht om een rite te voltrekken. Als dat volgens vastgelegde regels gebeurt, gaat het goed. Dit heeft best wel meegespeeld in de vroege joodse ervaringswereld maar heeft zich ontwikkeld. Het begrip reinheid heeft vast meegespeeld in de ontwikkeling en handhaving van het monotheïsme. Voor die God moest met 'puur' kunnen staan, onbezoedeld, blank, helder.
Ik dacht dat je reinheid en onreinheid het beste vanuit twee betekenissen kunt benaderen: menselijke onwaardigheid om zomaar voor God te staan en (nog) niet in je goede doen zijn, onmachtig.
menselijke onwaardigheid 5.1
De Joden moesten
zich heiligen en hun kleren wassen in de Sinaï voordat ze de berg zouden
naderen. Dat zich heiligen heeft een 'Sitz im Leben' in de stoffige woestijn
maar de betekenis is dat je niet zomaar met het/De Heilige in contact kunt
komen; dat vraagt voorbereiding, je inleven, je zondagse pak aandoen, je
make-up verzorgen. De moeilijkheid is dat wij 'kleren wassen' verstaan als vuil
afwassen; menselijke onwaardigheid, tekort, is dan vuil, maar dat klopt niet.
Jesaja raakt in
de tempel 'bedolven' onder Gods Heiligheid en zegt dat hij een mens is met
onreine lippen. Die lippen zijn niet vies maar onwaardig, totdat m.b.v. een
gloeiende kool van het altaar(!) zijn ongerechtigheid, zijn niet-te-recht-zijn
opgeheven wordt en zijn zondeschuld, in het krijt staan, onzichtbaar gemaakt.
Je kunt jezelf
onwaardig maken door met vreemde goden om te gaan, je in te laten met de
eredienst van andere volken; dan ben je onrein om tot JHWH te naderen. In
huwelijkstermen pleeg je overspel t.a.v. JHWH. Zo kun je je
ook onwaardig maken door onrecht te plegen inzake
huwelijk, bezit e.d. van je medemens en ander sociaal onrecht. Reinheidswetten
zijn voor de Jood principieel godsdienstig van aard.
niet in je goeie doen, onmachtig 5.2
Je kunt van de
lippen van Jesaja ook zeggen dat zij onmachtig zijn en door vuur van het altaar
ge-/bemachtigd worden. Dat is dus een ander facet dan onwaardig.
Een vrouw in
haar stonden of na een bevalling is niet in haar gewone doen. Als ze weer zover
is, kan ze dat ritueel vieren. Waarom niet ? Mannelijk
seksistisch denken ziet haar als weer bevruchtbaar. Maar dat is gericht
eenzijdig. De kerkgang van een vrouw werd/wordt heel vaak als vernederend
ervaren maar was dat de oorspronkelijke bedoeling ?
Een man die 's nachts een zaadlozing heeft, moet buiten het kamp gaan en is 's
avonds (vanzelf) weer rein. Dat spreekt ons niet zo aan maar zal voor hen wel
een reden gehad hebben.
Zo kun je ook
mentaal 'onrein' zijn -in mijn gedachtegang- als je
psychisch iets niet aan kunt. Je moet geen dankgebed willen bidden als je nog
een appeltje te schillen hebt met O.L.Heer. Dan ben je
rein voor een ander 'gebed' met O.L.Heer.
Heeft dat alles
dus met 'vies' te maken ? Natuurlijk spelen
hygiënische aspecten een rol. Door ziekte kan een volk gehalveerd worden of
zelfs ondergaan. De reinheidsvoorschriften hebben zeker bijgedragen tot het
behoud van het monotheïsme onder de Israëlieten. Ze hebben ook de zedelijkheid,
het ontzag voor de ander bevorderd hetgeen men zag als
Gods geboden. In de reinheidsvoorschriften lag ook het gevaar van formalisme.
Dit kennen we ook: vroeger deed je wat je moest doen en dus was het goed. Door de oorlog e.a. hebben we anders geleerd.
Tegen dat formalisme dat in de tijd van Jezus door Farizeeën
-misschien door de grote ijver- opgefokt was, is Jezus (net als
profeten) in verzet gekomen. Rituele, uiterlijke, regels uitvoerende, reinheid
zegt hem niets; alleen de zedelijke en dus op God gerichte reinheid is van
belang. In zijn Galatenbrief breekt Paulus met die wet die slaafs is (wordt
uitgevoerd) en verkondigt hij de vrijheid van de kinderen Gods.
kuisheid 5.3
Dit hoort er ook
bij. Meestal wordt/werd het betrokken op het netjes en compleet uitvoeren van
de geslachtsdaad zoals gezien door de celibataire kerkleiding in hun natuurwet.
Maar dan kan er nog onkuisheid zijn. Kuis is als je niet alleen op jezelf uit
bent maar op elkaar. Zelfbevrediging, porno loopt op niets uit, loopt dood.
Daaraan verslaafd zijn kun je m.i. onkuisheid noemen. Seksueel misbruik is
natuurlijk onkuis maar de viezigheid is niet van de misbruikte maar van de
misbruiker.
Met de Tora als schat sluiten we af.

© 2000 -2003 P.Goris Epe