7 De profeten
|
1 Algemeen 1.1 Visie op geschiedenis 1.2 Het verschijnsel 'profeet' 1.4 Een
vraag van een deelneemster 1.5 De profetieën 1.6 Welke
zijn de profetenboeken? 2 Jesaja 2.1 Jesaja leefde 2.2 Jes
1-12 2.2.12 compositie
|
3 Jeremia
3.1 Jeremia leefde |
4 Ezechiël 4.1 Ezechiël leefde 4.2 Het boek 4.4 Hoofdstuk
18 4.6 Hoofdstuk 47 |
1 Algemeen
Visie op de
geschiedenis 1.1
De joodse bijbel hanteert twee groepen profeten: de vroege profeten,
de z.g.'voor-profeten'/'profeten vooraf', en de profeten. Die 'vooraf-profeten' zijn de boeken Jozua, Richteren, 1 en 2
Samuël en 1 en 2 Koningen. In de katholieke bijbel
worden die boeken onder de historische boeken geschaard omdat ze de geschiedenis
geven van de inbezitneming van het Beloofde Land (het zich er vestigen, de
sedimentatie). Zo lijkt het tenminste want eigenlijk
geven ze de spanning weer tussen wat de Joden deden en wat de bedoeling was
volgens de Tora, tussen 'Hij-is' die altijd trouw is en Zijn volk dat wel eens
ontrouw was (in de eredienst en rechtvaardigheid). De politieke ontwikkeling is
doorspekt van geloofsvisie. Mensen maken de geschiedenis en dat kun je goed
doen (volgens de Tora) maar ook verkeerd doen. Voor zover in jouw macht, kun je
corrigeren; als slachtoffer kun je dat meestal niet.
In het
bijbelpanorama zie je dat ten tijde van David de eerste profeten, Gad en Natan, optreden, ca 1000,
en dat de tijd van de koningen van het Noord-Rijk, Israël, eindigt in 720 met
de val van Samaria en dat tenslotte die van het
Zuid-Rijk, Juda, eindigt in ca 580 met de val van Jerusalem. Maar je ziet ook
dat van af ca 860 Elohisten beginnen met het opnieuw religieus funderen van de
geschiedenis van Israël. 'Opnieuw' betekent dus dat er iets mis was. Vanaf 780
worden de Deuteronomiërs genoemd die de Tora opnieuw onder de aandacht
brengen. Omdat er iets mis was. Er waren nl. koningen
die het niet zo nauw namen met de Wet, zodat Israël's
godsdienst in gevaar was. En dat is het grote thema van de Deuteronomist: als
we de Tora niet naleven, komen wij als Gods volk in gevaar, godsdienstig maar
ook inzake ons leven. Vijanden zullen ons vernietigen
want Gods belofte functioneert niet meer. De Deuteronomist gaat dus de Tora
eens goed opstellen (tot dan toe waren slechts stukjes Verbondswet
opgeschreven) en parallel daaraan beginnen profeten te functioneren. Amos en
Hosea zijn de eerste die duidelijk in het Noord-Rijk waarschuwen: als jullie
het recht van de naaste en de eredienst voor JHWH niet handhaven, gaat het mis.
Profeten en de Deuteronomist komen dus uit dezelfde stroming die hervorming
wil. Omdat de joodse bijbel die boeken vanaf Jozua de
'voor-profeten' noemt, geeft zij aan dat die geschiedenis uitmondt in de
profeten, tijden van crisis. Net als bij de fundering van het heil op de geschiedenis, op wat ze zelf hadden ervaren, zo wordt
voor on-heil ook verwezen naar de geschiedenis:
jullie zijn het zelf schuld. Dat is dus een duiding, betekenis geven aan
geschiedenis. Dat doen mensen. Je kunt het een geloofsbelijdenis noemen.
Het
verschijnsel 'profeet' 1.2
Bekend is het
verhaal (1Sam 10,5vv) dat een groep profeten Saül, die koning moet worden en
van God een nieuw hart heeft gekregen, een extase in helpen en dat de Geest
Gods hem aanraakt. In hoofdstuk 19 van 1Sam wordt verteld dat boden, die David
moeten ophalen, David in een groep profeten aantreft met Samuël aan het hoofd,
allen in vervoering, en die boden worden vervolgens ook gegrepen door Gods
Geest.
In 1Kon 22 wordt
verteld dat koning Achab (van het Noord-Rijk) 400
profeten in dienst had die hem kennelijk moesten opjutten. Maar die waren niet
zo degelijk, zij verdienen nl. daarmee hun brood. Omringende volken kenden ook
de profeet die bij de hofhouding behoorde. Daarnaast zullen ook wel groepen van
(af en toe) rondtrekkende, in extase verkerende mannen bestaan hebben. Het
Hebreeuwse woord voor 'waanzinnige' is 'mejoegga', hetgeen Jiddisch 'mesjokke' wordt. Zo keek een officier van
koning Jehu tegen een profeet aan.
Ofschoon van
Elisa wordt gezegd dat hij een harpspeler nodig had om het Woord te gaan
verkondigen, willen de profeten van Israël geen 'nabi'
(mv. nebiïem; zie 2.1) heten. Zij worden op
een dégelijke manier door Gods woord geraakt om het dan door te geven. Zij
baseren hun waarheid (hun niet-vals zijn) op een overtuiging waarvoor zij een
en ander over hebben. Ze kunnen om het goede hun mond
niet houden ook al worden ze niet geloofd. Vooral Jeremia beklaagt zich
daarover. Of een profeet vals is of echt kan de Jood opmaken uit Deut. 18,21v:
altijd achteraf.
Ons woord
'profeet' komt uit het Grieks en betekent 'voor iemand anders spreken', in zijn
plaats. De profeet spreekt dus voor God. Hij maakt openbaar. Je mag veilig
aannemen dat de profeten 'Hij-is' voor het volk hebben behouden, vice versa. Zij hebben Zijn Naam verkondigd en in Zijn Naam
protest aangetekend tegen onrecht.
Omdat profeten
openbaar maken wat is verborgen, kreeg men al gauw het idee dat zij
voorspellen, nl. de toekomst, als een soort halfwas theologen de Messiaanse
toekomst voorspellen. Dat is niet zo. Je kunt zeggen dat zij voorzeggen, dat je
op je tien vingers uit kunt tellen dat het mis gaat als je zo door gaat, maar ook
dat er hoop is als je je bekeert, dat Hij-is Zich zo
laat kennen, Zich zo openbaart. Dit is dan niet zo zeer voorzeggen, meer een
beloven, verkondigen.
Juist dat
voorzeggen, onder spanning houden, van een belofte is een eigenschap van de
profeet. De grootste profeet is Elia, die in zijn eentje de lange weg naar de
berg van God maakte (1Kon 19) en die in een wagen naar de hemel is opgevaren
(2Kon 2) en daarom nog terug zal komen (Mal 3). Bij de maaltijd zet de Jood een
stoel voor hem klaar.
Elia op de vlucht: 'Na een
tocht van een dag in de woestijn kwam hij bij een bremstruik. Hij ging eronder
zitten. Hij wilde sterven en zei:"Het wordt mij te veel,
JHWH; laat mij sterven want ik ben niet meer dan mijn voorvaders". Daarna
ging hij onder de bremstruik liggen en sliep in. Maar opeens stootte een engel
hem aan en zei tegen hem: "Sta op en eet". Hij keek op en zag aan
zijn hoofdeinde een koek, op gloeiende stenen gebakken, en een kruik water. Hij
at en dronk en viel weer in slaap. Maar opnieuw, voor de
tweede maal, stootte de engel van JHWH hem aan en zei: "Sta op en eet;
anders gaat de reis uw krachten te boven". Toen stond hij op, at en
dronk en gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en nachten tot hij de
berg van God, de Horeb, bereikte.' 1Kon 19
Een eenzaamheid,
op eigen benen moeten staan, hoort bij de profeet.
De profeten
treden op in tijden van nationale crisis. De twee hoogtepunten daarvan zijn in
721 de val van Samaria, waarvan de bovenlaag wordt gedeporteerd, in de plaats
waarvan volk van elders wordt neergezet (hetgeen de
oorzaak is voor de minachting van de Joden voor de Samaritanen) en in 586 de
val van Jerusalem, waarvan de bovenlaag ook wordt gedeporteerd (naar Babylon)
maar later grotendeels wel terugkeert. Ook op het eind van en na de
ballingschap zijn er profeten die heil verkondigen want de straf is uitgeboet,
de ellende voorbij. In grote lijn zijn de profeten dus te onderscheiden in
rechtsprekende profeten en heilsprofeten, oordeel en belofte. Die belofte is
doorgaans Messiaans, d.w.z. dat er heil komt door één persoon, de Messias.
Daarbovenuit gaan de apocalyptische geschriften (het goede einde der tijden)
waarvan vooral een deel van het boek Daniël getuigt.
Een vraag van een deelneemster 1.4
Hoe kan het dat
de komst van God op aarde wordt voorzegd ? Waar stoelt
dat op ?
Die vraag kun je
afdoen met iets als dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn maar dan neem je haar
niet serieus. Bij de Joden leefde inderdaad de verwachting dat
een beloofde zou komen op grond van Deut. 18, 15.18. waar
Mozes voorzegt dat een profeet komt als hij zelf is, op grond van wat JHWH
tegen hem zegt. En die dus grote daden zou verrichten op grond van Deut.
34,10vv. De Joden vragen bij de Jordaan dan ook aan Johannes of hij die
beloofde is, Joh 1,19vv. De Samaritaanse zegt tegen Jezus: "Ja, er komt
een Messias, dat weet
ik". (Joh. 4,25)
De vraag kan een
beetje 'gewoner' klinken als je bedenkt dat Jezus niet meteen als God,
goddelijk, wordt gezien. Dat kreeg men pas langzamerhand in de gaten; officieel
is Petrus de eerste die dat belijdt; Mt. 16,13vv. Mozes wist ook niet dat hij
de komst van God-op-aarde aankondigde, hij had het
over een profeet. Niettemin: hoe kan Mozes of welke profeet dan ook dat voorzeggen,
hoe komt hij erbij/eraan, waarop is dat gestoeld ?
'Gewoon'
menselijk bezien kun je -dacht ik- alleen maar wijzen op de 'ontvouwing', 'ontwikkeling', gestalte-vorming van een menselijk vermogen nl. de hoop.
Hoop staat vooraan, nog vóór geloof, misschien ook wel vóór liefde. 'Hoop
verloren, alles verloren' zeggen we immers. De gelovende, godsdienstig
beleefde, hoop mondt uit in een visie, een (in)zien dat zegt dat daar wel iets
uit móet komen, iets zichtbaar moet worden, aan te raken als aanraakbaar. Die
hoop kan zo sterk zijn dat ze in zo iets uit'barst'.
Kijk maar hoe hoop jou zelf in leven heeft gehouden of hoe ze anderen op de been houdt. Mozes weet dat hij zal sterven, dan kan het
niet anders dan dat er een nieuwe profeet opstaat, een als hij. In het beloofde
land hebben ze immers ook een leider nodig. Hij fundeert dat op zijn relatie
met God die die profeet belooft, een gelovige
houding. En, kan hoop mooier zichtbaar worden dan in een kind
?
Mijn antwoord op
de vraag is dus dat je vanuit menselijk standpunt gezien bij de hoop moet
beginnen en dan met de gelovige beleving, invulling, kunt vervolgen.
De teksten in de profetenboeken worden veelal toegeschreven aan één auteur, nl. die profeet. Maar dat hoeft historisch niet zo te zijn. Je vindt vaak dezelfde stukken tekst in verschillende profetenboeken, veel zinnen en zinspeling op de Tora, andere profeten, wijsheidsliteratuur en psalmen. Vaak -zeker in Jesaja- kun je spreken van 'loslopende' spreuken, die vaak zijn herhaald in mondelinge gesprekken en overleveringen, die een soort gemeengoed zijn geworden. De boeken zijn pas later geschreven en samengesteld, na de dood van degene op wiens naam ze staan.
Wanneer uit teksten is op te maken dat ze vanuit één persoonlijke houding zijn 'geschreven' zullen die teksten wel origineel van die profeet zijn. Hoe het ook zij, kenmerkend voor al die boeken is dat ze door de gemeenschap van gelovigen als goed zijn ervaren, als Gods woord geaccepteerd.
Het soort literatuur van de profetenboeken is iets aparts; het zijn geen mededelingen of beweringen 'sec', geen gebeden, geen verslagen maar er is altijd een expressief element mee gemoeid, een zorg, een ver-/aankondigend element, iets van een heraut.
Gedurende de koers, toen we middenin de profeten zaten, zei een oudere deelneemster, die in het overzicht al had gezien dat na de profeten de psalmen volgden, dat we maar wat moesten opschieten met die profeten want het waren toch maar akelige zaken waar ze het over hadden; psalmen waren veel leuker. In zekere zin had ze gelijk want profeten traden op als het mis ging, in tijden van crisis. Maar zij waren niet alleen lijdende maar ook leidende figuren die hoop wakker riepen, een ideaal opriepen. Het is een koud kunstje om de dreigende tal van de profeten te isoleren van de hoop. Dat had zij te vaak mee gemaakt. Het vingertje.
Welke zijn de profetenboeken ? 1.6
Er zijn profeten
die geen 'eigen' boek hebben maar in 1 en 2 Samuël en 1 en 2 Koningen worden
genoemd: Gad, Nathan, Jehu,
Elia, Elisa, Jona. 'De Kleine Atlas van de Bijbel', Elsevier,
(koop, krijg of steel het) geeft een mooi overzicht van de profeten en hun
historische situaties. De profeten die wel een eigen boek hebben, heten
'schriftprofeten'. De drie grote schriftprofeten zijn Jesaja, Jeremia en
Ezechiël. Dan zijn er twaalf 'kleine': Amos, Hosea, Micha, Zephanja, Nahum,
Habakuk, Haggai, Zacharia, Maleachi, Joël, Obadja en Jona. In het
bijbelpanorama, maar beter in dat overzicht, is te zien wanneer de voornaamste
van hen actief zijn. Achtereenvolgens waren de Assyriërs, Babyloniërs
en de Perzische
koning Cyrus de figuren uit Mesopotamië, die in conflict waren met
Farao's. Amos en Hosea traden op in het Noord-Rijk en Jesaja en Micha in het Zuid-Rijk.
De overigen natuurlijk in het Zuid-Rijk.
Let wel, er zijn
twee 'Jona's: één die in het boek Koningen wordt genoemd en één schriftprofeet.
Zo zijn er ook twee 'Jesaja's': gewoon Jesaja (de eerste) en Deutero-Jesaja (de tweede), beiden schriftprofeet, de een
vóór en de tweede gedurende de ballingschap. Men spreekt zelfs van een Trito-Jesaja omdat die weer heel anders is.
Het volgende
overzicht over een aantal profeten geeft een indruk van hun activiteit als
rechtsprekend dus als heils- of onheilsprofeet. De heilaankondigenden spreken ook over de eredienst en
kondigen vaak onheil over omringende volken aan; dat houdt dan heil in voor
Israël.
|
Tijdsperiode |
rechtsprekend |
Heilaankondigend |
|
ca 750 - 700 |
Amos Hosea Micha Jesaja |
|
|
ca 650 - 600 |
Zefanja Jeremia Ezechiël |
Nahum Habakuk |
|
Ballingschap |
|
Ezechiël Deuterojesaja |
|
ca 520 - 470 |
Maleachi |
Haggai Zacharia |
(uit Westermann C., Kurze Bibelkunde des A.T.)
Maleachi heeft
de vorm van vraag en antwoord, een soort catechismus. Met Zacharia begint de
apocalyptiek, dat met verschillende beelden, visioenen en geheimen de lezer
leidt naar een wonderbaar eindpunt. Een belangrijk voorbeeld daarvan is een
gedeelte van het boek Daniël, dat in het N.T. vaak wordt aangehaald. De eerste
zes hoofdstukken van Daniël gaan over de
belevenissen van Daniël en zijn drie vrienden aan het Babylonische hof
gedurende de ballingschap (drie in de vuuroven en
Daniël in de leeuwenkuil), de andere zes vormen Apocalyptische litteratuur ( de
Mensenzoon en de vier dieren). Profeten doelen op een heilsgebeurtenis die gaat
komen (Messias), apocalyptiek gaat over heilsvisioenen op het eind der tijden,
de wereldgeschiedenis.
We beperken ons
in deze koers tot de drie groten en dan van ieder nog maar een klein stukje
zonder details uit te pluizen, die vaker voor zich spreken. Meer is niet
haalbaar. Het gaat erom iets mee te krijgen van hun
belevenis.
Algemeen 2.1
Jesaja leefde
van 765 -
zijn kans waarnam. De Juda-koningen
waren toen Achaz en Hizkia (Ezekia). Je kunt hem
plaatsen in Jerusalem. Hij is de profeet die in het N.T. het meest wordt
aangehaald, misschien omdat hij toen het meest in zwang was om zijn hoopgevende
profetieën (de Joden zaten toen onder de Romeinen niet lekker), misschien omdat
hij spreekt van de lijdende dienaar van JHWH, een probleem waar de volgelingen
van Jezus mee zaten (hoe kon de Messias nou lijden?), misschien om allebei de
redenen.
De tekst van het
boek Jesaja is in drieën te delen: Jesaja 1 - 39, Deuterojesaja 40 - 55 en
Tritojesaja 56 - 66. Jesaja zelf dateert uit de tijd vóór de ballingschap,
('mensen, het gaat verkeerd!'). Deuterojesaja is uit de tijd van de
ballingschap ('Bemoedigt u, wees getroost, Mijn volk!'). Tritojesaja is van de
tijd van de terugkeer ('Maak je op, Jerusalem!'). In het boek Jesaja zijn dus
drie verschillende auteurs/profeten ondergebracht. Men is tot die indeling
gekomen omdat de teksten onmogelijk van een en dezelfde auteur kunnen zijn qua
stijl en qua onderwerp. Wij kijken alleen naar de tekst van Jes 1-12 maar er
hoort wel een overzicht van Jesaja 1 - 39 bij (uit 'Wet, Profeten, Geschriften';
Tromp.N; K.B.S.):
A Een oude verzameling van
Jesaja-teksten:
1-12 woorden
over Jerusalem en Juda;
13-23 woorden
over de omringende volken;
B Een stuk uit de tijd na de ballingschap, de 'Grote
Apocalyps',
hoofdstukken 24 - 27
C Profetieën die gedeeltelijk op Jesaja zelf teruggaan:
28 - 33 Het boek
der 'wee!'ën;
34 - 35 de
'Kleine Apocalyps';
D Een stuk geschiedenis
hoofdstukken 26 - 9, als in 2Kon. 18-20.
2.2.1 Het eerste
hoofdstuk
begint met een opschrift dat 'verdacht' is omdat in het tweede hoofdstuk de
auteur nog eens wordt genoemd. De (latere) auteur, redacteur, heeft het
opschrift er misschien boven gezet omdat het hele hoofdstuk er vooraan tegen
aangeplakt lijkt; het heeft geen logisch vervolg in het tweede hoofdstuk. Misschien
heeft men later besloten dat ook dit hoofdstuk bij Jesaja hoort. Als je de paragraaftitels van
de Willibrord volgt, ga je vermoeden dat een aantal 'losse' profetieën in een
verband bij elkaar gezet zijn: De domme kinderen van Israël, De straf van Juda,
Beter gerechtigheid dan offers, Klaaglied over Jerusalem, De cultus onder de
heilige eiken. Het lijkt een soort samenvatting, situatiebeschrijving waar de
Deuteronomiër op reageert. (Zie het bijbelpanorama in ca 780) Maar de bedoeling
is dat ze er weer uitkomen als ze de rechtvaardigheid en heiligheid uit
de Tora weer gaan hanteren.
Vs 2 Niet alleen
worden hemel en aarde tot getuigen geroepen, wat vaker gebeurt, maar ook de os
en ezel. Voor ons een kerstmotief, dat ook een startpunt inhoudt. Vroege Christenen
wisten hiermee uiteraard wel raad: in het apocriefe evangelie van Pseudo-Matteüs staat: "Op de derde dag na de geboorte
van O.H.J.C. schreed de zalige Maria uit het hol, ging een stal binnen en legde
het kind in een kribbe en os en ezel aanbaden hem. Toen ging in vervulling wat
door de profeet Jesaja verkondigd is toen hij zei:'De os kent zijn meester en
de ezel de krib van zijn heer'. Zie je wel, we hebben het altijd al gezegd .....
Vs 4-9 heeft
waarschijnlijk betrekking op de veldtocht van de Assyrische
koning Sanherib in Juda, die evenwel
de belegering van Jerusalem moest staken (701) wegens moeilijkheden thuis. Die
bevrijding wordt godsdienstig geduid.
vs
10 - 20 gaat over een verschijnsel dat wij ook wel kennen: door de week
liberaal doen of erger en 's Zondags in de kerk zitten, over het niet gelovend-kritisch bezien van eigen daden en situaties en
wel een kaarsje aansteken.
Vs 20 - 28
spitst hetgeen in 10 -20 werd gezegd over 'Sodom en
Gomorra' toe op Jerusalem, dus niet alleen het (zondige) land maar ook de
verheven stad wordt gekapitteld. Bij Sodom em Gormorra wordt de
eredienst tegenover onrecht geplaatst, in 21 - 28 de roeping van de stad
tegenover het onrecht.
Voor het zondige
land ligt er nog een uitnodiging om de zaak recht te zetten ligt in vs 17 en 18. Maar in Jerusalem grijpt de Heer zelf direct in
vs 24. Ze zijn gewaarschuwd. Als Jerusalem niet
oppast, vergaat het haar als het land Juda.
In het stuk vs 10-20 moet je bij vs 18 het woordje 'dan' zetten: 'Uit
mijn ogen tenzij je het goede leert te doen
..... Dán kun je komen en handelen we de zaak af'. Bij 'wol' kun je 'wit
als gebleekte wol' lezen.
Let op vs 19: 'Als jullie gewillig zijn en luisteren'; vergelijk Ex
19.5, (zie onder Exodus 4.2 vs 5) Weten we
nog ?
In vs 21 wordt een huwelijksrelatie als beeld voor de
verhouding God - Zijn Volk gehanteerd. Hier natuurlijk negatief. Zo wordt de
bedrogen minnaar, JHWH, vaak 'jaloers' genoemd.
Vs 29 -31 duiden
op heidense eredienst, waarschijnlijk die van de oorspronkelijke
boerenbevolking, die een eredienst hanteerde van 'Do ut des' - Ik geef op dat
jij geeft: in dit geval een goede oogst. Recht speelde daarbij geen rol. Voor
een 'heidens' land begrijpelijk maar voor de Jood fout. Ze worden dan afval: in
de fik ermee.
Letterkundig
leiden woordjes als 'Hoort', 'Weet', 'Hoe, 'Ja' e.d. vaak een nieuwe paragraaf
in. Als de inhoud verandert, kun je natuurlijk ook een nieuwe paragraaf daaraan
herkennen maar soms merk je dat er een stukje is toegevoegd als een overgang
naar een nieuwe paragraaf, of als iets dat daar of daar nog bij kon worden
gezet: mensen hebben de tekst samengesteld.
2.2.2 Het tweede
hoofdstuk
begint ook met een opschrift, letterlijk "Het woord … ". Het eerste hoofdstuk begint algemener
met "Visioen". Misschien is hoofdstuk 2-
5 een tekstblok geweest dat een eigen opschrift had.
Vs 2 -
4 heeft een nagenoeg gelijke tekst in Micha 4,1-3. Niet zo vreemd omdat beide
profeten in dezelfde tijd in het Zuid-Rijk actief waren en hun woorden als
gevleugeld woord best de ronde konden doen. Een klein argument om het als
origineel van Micha te beschouwen - indien ter zake -
is dat het later bij Jesaja kan zijn gevoegd omdat Jesaja belangrijker was
(geworden) dan Micha.
Vs 2-5 is een
soort proclamatie; als de Jood met 'Huis van Jacob'
wordt aangesproken, gaat hij 'in de houding staan' zouden wij zeggen; dan is
het officieel. Van Sion komt Gods onderricht en dus is er recht en vrede. Astublieft!
Vs 5 kan uit de
eredienst stammen omdat het qua inhoud niet aansluit bij 2-4.
Maar net als in
het 1e hoofdstuk, dat maar
een heel korte 'proclamatie' heeft in vs 2a, volgt met
vs 6-22 de tegenstelling dat het mis is. Dit stuk begint met het aanspreken van
God, hetgeen verder niet meer voorkomt. Hier speelt
letterkundig gezien een zeker refrein-idee mee: vs 11 en 17 zijn hetzelfde ('De verwaten ogen....') en vs
10, 19 en 21 (wegkruipen) zijn nagenoeg gelijk. Misschien hebben toehoorders
en/of toejuichers dit refrein 'gezongen' of is het
later in de verkondiging zo gegroeid.
In deze perikoop
(6-22) komt het gegeven van 'de dag van JHWH' , vs 12
en 20, langzaam tot ontwikkeling. In Sefanja 1,14vv is dat een dag van
verschrikking, hetgeen overeenkomt met de visie van
Jesaja.
Vs 22 is een
overweging die kennelijk toegevoegd is. In deze context gaat het om het
verschil God - mens, niet om de mens alleen. Laat je dus niet van de wijs brengen.
Ook in dit
hoofdstuk spreekt de profeet in dichterlijke beeldspraak.
2.2.3 Het derde
hoofdstuk
zet
het onheil voort, stelt de diagnose vanaf vs 8 en werkt naar de aanklacht, vs
13 vv, toe tegen de leiders. Vs 10 is een zaligspreking, misschien later als hoop-element toegevoegd na vs 9,
en 'lokt uit' de onzaligspreking van vs 11. DE
zaligspreking is dat de rechtvaardige de opbrengst van het land eet, niet hoeft
af te staan: vrede.
In vs 12 spreekt JHWH ineens. Het lijkt ook weer een emotionele
toevoeging vanuit de eredienst.
Vs 13 - 15: De
aanklacht van JHWH betreft nu alleen het onrecht en niet tevens de eredienst.
De zwaarte ervan wordt onderstreept door 'Godsspraak van de Heer, JHWH van de
machten'. M.a.w. je kunt je er niet van af maken.
Verder weet de
auteur wel raad met de vrouwen maar ontneemt daarmee ook de glorie aan de man.
Zo onderstreept hij het onheilspellende karakter; ook de vrouw, die geen
leidende rol heeft, wordt niet gespaard.
'Op die dag' in vs 18 en 4,1 is onheil. De betekenis van zeven (vrouwen)
t.o.v. één (man) ligt niet zo voor de hand. Ik zoek het in een intensiteit die ingrijpt in het hele leven, dat op zijn kop gaat. (zie Getallensymboliek)
2.2.4 het vierde
hoofdstuk
begint eigenlijk bij vs 2. Vs 1 hoort inhoudelijk bij het vorige hoofdstuk. Nu
is de dag van JHWH een dag van heil. Vermoedelijk is dit toegevoegd na de
ballingschap - het biedt in ieder geval een tegenwicht van hoop. Dit hoort ook
bij de verkondiging, vond men - net als de hoer Rachab
en haar aanhang in Jericho. Het begrip 'heiige rest' wordt geïntroduceerd. Zie
hoe trots de profeet is op Sion, de 'berg' waarop de tempel is gebouwd.
Vs 5 verwijst
met 'een wolk bij dag' en 'een vuur bij nacht' naar Exodus. Het idee van
baldakijn voor de Heerlijkheid, Gods Aanwezigheid, duidt op een religieuze
ervaring die vaker voorkomt: als een wolk, deken, baldakijn rust de Sjechina
(Gods aanwezigheid) over het veld waar de schouwende in zit, een menselijke ervaring,
ook de onze ? Het is ruimtelijk maar heeft hetzelfde
effect als de tent (vs 6), die iets intiems heeft.
begint weer met 'hoe het moest zijn', hoe het bedoeld was, en vervolgt met
onheil omdat niet aan de mogelijkheid, de verwachting, was voldaan: het lied van de
wijngaard en
daarna de 'wee!'-spreuken. Literair is het een schitterende poëtische tekst. De
landbouwer begrijpt het verhaal van de wijngaard heel goed. Ook ten tijde van
Jezus.
Vs 2: men groef
met moeite een kuil in de grond die als wijnkuip moest dienen. Het leesaccent
ligt op wilde (bessen).
Vs 3 heeft een
andere 'ik' dan vs 1; nu neemt de eigenaar van de
wijngaard zelf het woord.
Na vs 4 zou je een antwoord verwachten. Maar dat wordt niet
gegeven; zo wordt gesuggereerd dat de schuldige met de mond vol tanden staat.
Het doet denken aan de klacht van Goede Vrijdag:
"Mijn volk wat heb Ik u misdaan ?"
Dan maakt de
vriend(!) de wijngaard kapot, hij geeft haar niet eens aan een ander, zo
teleurgesteld, boos is hij. In de psychopathologie is bekend dat mensen uit
woede en/of teleurstelling iets moois kapot moeten maken. Zo zie je ook nu dat
de Jood zijn God heel menselijk zag. Het z.g. verhardingsdecreet (volgt nog) kun
je ook zo opvatten.
Vs 7 duidt
e.e.a. nog eens.
Dan volgen vanaf
vs 8 zes 'wee!'-spreuken: vs 8 (dat het jaren geleden
in Amsterdam bij de kraakbeweging goed gedaan zou hebben), 11, 18, 20, 21 en
22. Nu even doorbladeren naar hoofdstuk 10, vs 1-4 !
Als je na 5, 24 doorleest bij 10,1-4, vind je de
zevende 'wee!', die afgesloten wordt door het refrein "En nog bedaart Zijn
gramschap niet; Zijn hand blijft opgeheven".
Als we nu
teruggaan naar 5, 25, vind je een beschrijving over die opgeheven hand, waarbij
weer het refrein staat. Na 5, 30 lezen
we verder bij 9, 7 dat de beschrijving van die hand vervolgt t/m vs 20. Het refrein vind je weer in vs
11b, 16b en 20b.
Hoe de
oorspronkelijke volgorde van die stukken was, is niet zeker; zeker is wel dat
de orde zoals ze nu is, gecomponeerd is; en wel met een bepaalde bedoeling:
hoofdstuk 6 en 7 zijn in het midden van de reeks 1 - 12 geplaatst. Zo'n literatuurfiguur vind je vaker bij belangrijk geachte
elementen; in dit geval het roepingsvisioen, 'De Heilige van Israël',
(hoofdstuk 6) en de belofte van de Messias, 'Immanuël', 'God met ons',
(hoofdstuk 7). Dus transcendent én immanent ! In
subparagraaf 2.2.12 gaan we daar nog op in.
2.2.6 Hoofdstuk
6
Wanneer leefde
koning Uzzia ? Waar speelt het visioen zich af ?
Doen de Serafs, vurige gedaanten, niet een beetje denken aan het Pinksterwonder ?
Kenmerkend voor
Jesaja is de heiligheid van JHWH; hij noemt Hem ook wel 'Israëls Heilige'. Het
tweede kenmerk is de nietigheid van de mens en het derde dat JHWH (ondanks Zijn
Heiligheid; of dank zij ... ?) die mens helpt, in dit
geval de profeet, die door zo'n vurige gedaante met
een vurige kool gemachtigd wordt om te spreken én in staat wordt gesteld om te
spreken: "Zie nu zij uw lippen heeft aangeraakt, wijkt uw ongerechtigheid
en wordt uw zondeschuld verzoend".
'Hinneni', 'zie
mij' is het antwoord van de profeet, van Abram, van het lid van de Joodse Raad
dat ook naar Westerbork moet.
In vs 10 komt dan het z.g. verhardingsdecreet, dat vaker
voorkomt. Het lijkt wel of alles weg moet, 'ausgerottet',
totdat er niets meer overblijft - 'van wat zondig is' denken wij er bij. Na de
woestenij (vs 11), (in een woestijn?) kan 'het' dan
(op)nieuw beginnen.
Vs 12 is
kennelijk toegevoegd want nu wordt ineens over JHWH gesproken.
Vs 13 doet er
nog een schepje bovenop voor de zekerheid en laat slechts een stronk over (zie
ook 11,1), die dan ineens (later) de betekenis van 'een heilig zaad' mee
krijgt. Bij de verkondiging hoorde dus dat er toch hoop was.
2.2.7 Hoofdstuk
7
De profeet
spreekt niet ins Blaue hinein; er is een werkelijkheid nl. de politieke situatie.
De Assyrische koning Tiglatpileser
gaat naar het westen uitbreiden in ca 730. Koning Pekach
van het Noord-Rijk en Resin van Damascus (Aram)
willen een frontlinie tegen hem oprichten maar daar hoort dan ook het Zuid-Rijk
bij met Edom. Anders kan de Assyriër onderlangs via
het Zuid-Rijk richting Egypte trekken (waar hij toevallig ook moest zijn).
Damascus, en het Noord-Rijk
konden zo vanuit het Zuiden aangevallen worden, kortom zij staan
voor de zoveelste keer op de tocht tussen Egypte en Assyrië. Zie daarvoor de
kaart (Kleine Atlas van de bijbel of Studieatlas bij
de Bijbel). Maar koning Achaz van Jerusalem durft niet en Resin
en Pekach, 'die twee rokende houtstompen' volgens
Jesaja, slaan beleg rond Jerusalem om Achaz af te zetten. Dan komt Jesaja ten tonele en wil de koning moed inspreken. Voor het goed
begrijpen van de tekst kun je een paar invoegingen even weg laten: "In de tijd dat Achaz
koning van Juda was werd aan het huis van David gemeld: 'De Arameeërs hebben
zich in Efraïm gelegerd'. Toen beefde …" Schitterende vergelijking dat van die bomen.
Vs 2 'Huis van
David' staat voor de leiding van het volk, de koning.
Vs 3 de
zoon van Jesaja. Mij lijkt dit geen echte zoon maar gewoon de gedachte, de leer
van Jesaja, over de Rest die terugkeert, de hoop die er
-altijd- is. Doe zoon is dus een personificatie van de visie van Jesaja.
Vanuit/met die hoop moet hij de koning bemoedigen: wees niet bang; je overleeft
als je maar gelooft, vs 9c.
Vervolgens - in
een tweede tekstblokje - wil Achaz ook niet op aanbod van een teken ingaan. Hij
aarzelt niet alleen t.o.v. mensen, hij durft zich ook niet aan JHWH over te
geven. Daarop stelt de profeet het teken van de jonge vrouw die zwanger is en een zoon zal baren: Immanuël = God met ons. (Ik zal hun God
zijn en zij Mijn volk!) Ik versta die tekst in dezelfde geest als die over de
zoon van Jesaja: de zoon personifieert Jesaia's
theorie over terugkeer, de jonge vrouw staat voor het volk en het volk hoopt al
(altijd) en dat zal zichtbaar worden. Zie daarvoor hoofdstuk 9 dat begint met
het heldere Licht, dat bevrijding verkondigt als toen (geschiedenis!) bij Midjan (zie Richteren 7 ) en het herstel van het rijk van
David (recht!); zie 9, 6. Zo iets kun je ook vergelijken - dacht ik - met wat
onder de mensen leefde bv. gedurende de Duitse bezetting '40 - '45 en wat voor
een aantal een inspiratiebron was voor verzet tegen onrecht.
De hebreeuwse tekst spreekt niet van 'maagd' maar van een geslachtsrijpe vrouw die in verwachting kan komen/zijn. Pas de Griekse vertaling van de Tora -ca 200 voor C.- schrijft daar 'maagd' en 'zij zal ontvangen en een zoon baren'. Twee vertaal-veranderingen! Het N.T. werd geschreven in het Grieks, verwijzingen naar het O.T. werden van de Griekse vertaling van de Tora, de Septuagint, overgenomen en dat werd voor die tekst aanleiding tot gedonder. Terwijl ik me best kan voorstellen dat 'maagd' in de Septuagint dezelfde betekenis heeft als bv. ons stedemaagd.
In het gehele christenvolk, in iedere Christen, leeft in alle tijden die hoop/ervaring die Eckhart (13' eeuw; Rheinlandse mystiek) 'de geboorte van God in de ziel' noemde. In de volwassenencatechese is en een ander uitgewerkt.
Verder met vs 15: 'Boter en honing zal hij eten'. Zo iets staat ook in vs 22, waar het duidt op een soort noodvoeding. M.a.w. het kind baadt niet in weelde, gezien de penibele situatie voor het Zuid-Rijk. Ja, zelfs voordat het opgegroeid is (goed en kwaad weet te onderscheiden), zijn Damascus en Samaria al ontvolkt.
Maar vs 17 belooft ook niet veel goeds voor Jerusalem: de koning van Assyrië
is een bedreiging voor het volk en het koningshuis. Het is het gevolg van het
ongeloof van Achaz.
In vs 18vv volgt een dichterlijke beschrijving/overweging van
het onheil dat door JHWH dan wordt opgeroepen. HijZ straft dus en gebruikt een vreemde
koning als middel! Kan het erger?
2.2.8 Hoofdstuk 8, deels 9
Jesaja wil
verantwoording afleggen over zijn theorie m.bv. een geschreven stuk en twee
getuigen. Het is ook idioot! Onze God die een heiden gebruikt om hen te
straffen. 'Jawel', zegt Jesaja nadat hij met de (!?)
profetes diep had nagedacht,'het is mijn eerlijke overtuiging dat Jerusalem
spoedig wordt gestraft en voordat die gedachte post heeft gevat onder het volk,
liggen Samaria en Damascus al in puin', vs 1-4.
In een tweede tekstblokje,
vs 5-8, wordt heel poëtisch de overweldiging vanuit
het Oosten geschetst En jullie zijn het zelf schuld, want jullie geloven
niet'. "Oh Immanuël !" als een
wanhoopskreet, een bede ?
Maar die volken
uit het Oosten moeten zich niks menen want God is toch met ons. Als HijZ zich
omkeert hebben zij niets te zeggen, vs 9.10. Want voor
hen is Hij-is-er van de legerscharen net zo goed een struikelblok, een
criterium, kernzaak, als voor ons, vs 11-15.
Vervolgens wil
Jesaja zijn getuigenis goed door laten geven, vs 16-23
en hoofdstuk 9,1-6. Hoop is - ondanks dat HijZ Zijn gelaat
verbergt - het fundament, vs 17, waarvoor tekens zijn van de Heer, die op Sion
woont (zie 2,1-5 !). Laat je dus niet omver kletsen: er is maar één goed woord
nl. 9, 1-6.
Vs 8, 23bc gaat
die hoop verantwoorden. Zij vormt de aanzet tot 9, 1 - 6. Die twee streken,
Zebulon en Naftalie, die door de Tiglatplileser
III ( "de eerste") en Salmanassar ("de
tweede") veroverd werden, zullen worden bevrijd door een Davidische koning, hetgeen plaats
vond onder de Hasmoneeën, ca 150 vóór Christus.
Hoofdstuk 9,1-6
is de bekende tekst die met Kerstmis wordt gelezen: Messiaans, de belofte van
7,14 visionair ingelost. Messiaans wil nu dus zeggen dat die tekst op Jezus van
Nazareth wordt toegepast.
Vs 7-20
van hoofdstuk 9 hebben we al eerder gelezen bij het vijfde hoofdstuk.
2.2.9 Hoofdstuk
10
De eerste verzen
zijn al aan bod geweest. In de volgende verzen, 5-19, krijgt de koning van
Assyrië nog eens uitgebreid te horen dat hij te ver gaat (vs
7 'talloze'), het anders deed dan God bedoelde; hij krijgt het te hoog in zijn
bol. (Zoekt u de plaatsen van vs 9 eens op in een bijbelatlas.) In vs
12 ligt de profeet al op de loer: 'wacht maar!' en in vs 15 zet hij hem op zijn
nummer: je bent slechts een werktuig. schep niet op. Dus zal hij -vs 16- door de Heilige van Israël verteerd worden. En de
rest, een gedeelte van de ballingen, zal terugkeren; vs
20-23. Maar 'rest' houdt ook in dat over de niet-rest een vonnis is voltrokken,
ook al is het volk als het zand aan de zee (vs22). Weten we nog ? de belofte aan Abraham in Gen. 22,17 ?
De strekking is: 'Let op! Belofte alleen is niet genoeg, je moet er ook naar
leven'!. Dat zei Johannes de Doper
ook tegen de Farizeeën en Sadduceeën: afstamming is niet voldoende; noblesse oblige. Ook voor Jezus is familieband niet
automatisch een garantie voor leerling zijn.
Vs 24-27a
beloven bevrijding 'op die dag' en spreken moed in want de vijand staat voor de
poort maar ze zullen afdruipen - het beleg opgeven, in 701.
Vs 27b-34 is
redelijkerwijs later toegevoegd; het is weer een soort overweging.
2.2.10 Hoofdstuk
11
Alleen maar
heil, te beginnen met het schitterende stuk over de Messias, de Christus de
Gezalfde, het twijgje aan de stronk van Isaï, vader van David. De Messias moest
dus Davidisch zijn (hetgeen je terugvindt in de
stambomen van Matteüs en Lucas) . Eerst wordt de gerechtigheid genoemd als
actiepunt ("gordel" - wij zeggen schort voor, kleren opschorten,
mouwen opstropen), en dan de kennis van/over Hij-is, passend, aansluitend,
vloeiend, intens zoals het water de bodem van de zee bedekt. Op die dag staat
de wortel van de stronk als een banier voor alle volken, worden de verstrooiden
van de vier uithoeken der aarde verzameld, wordt er een weg gebaand uit het Oosten
zoals eens uit Egypte, verzoenen het Noord-Rijk en het Zuid-Rijk zich en zij
heersen weer in het land. Dat is de Messiaanse boodschap van Jesaja.
2.2.11 Hoofdstuk
12
is
een danklied. Hamvraag hoe daar in die tekst een
danklied terecht is gekomen!
Waar dankt en
zingt men ? In de eredienst. Je kunt dus verwachten
dat die voorgaande hoofdstukken in de eredienst werden voorgelezen. Die
dichterlijke toevoegingen/overwegingen van 7,18-25 en 10,27b-34 wijzen ook in
die richting.
We hebben gezegd
dat hoofdstuk 6 en 7 als een hoogtepunt in het midden zijn geplaatst van 1 -
12. Wat is dan de opbouw ? In hoofdstuk 1 - 5 hebben
vooral onheil, oordeel, dreiging. de overhand,
inclusief die overwegingen. Op enkele plaatsen is een beetje troost, heil
toegevoegd. Ook de tegenstelling heil - onheil speelt een rol, die in hoofdstuk
6 en 7 uitgebreider wordt. Maar na 6 en 7 - die grote God is toch met ons -
wordt het heilsaandeel groter en in hoofdstuk 11 is het alleen maar heil,
waarop dank volgt. Die omschakeling is te danken aan is gebeurd in 6 en 7:
gehoor geven en geloven. Door de ellende heen gaan en dan in heil belanden -
dat is wat in hoofdstuk 1 - 12 gebeurt. Herkenbaar?
die
vaak worden gelezen zijn bv. hoofdstuk 40,1-20 (let op de vele verwijzingen
naar andere teksten en de verschillende godsbeelden in vss
10-14: heerser, herder, bouwmeester, ontwerper), hoofdstuk 43, helemaal lezen!,
hoofdstuk 49 vs 14vv, hoofdstuk 52, 7-10 over de vreugdebode en hoofdstuk 52,13
- 53,12 over de dienaar van JHWH die het lijden op zich nam (het probleem voor
de leerlingen van Jezus!), hoofdstuk 55, hoofdstuk 60 en 61 en 62.
Vs 45,8 is het
bekende refrein van 'Rorate', waar hemel en aarde verbonden zijn. Over
maagdelijke geboorte gesproken .... Hoofdstuk 64, 5vv
is grotendeels de tekst van het Rorate, dat in de adventstijd wordt (werd?)
gezongen. Vs 63, 19c.d is de koppeling tussen 45, 8 en
64.
Een
oud-hoogleraar systematische theologie van me vertelde dat hij toen hij met
emeritaat was eens het hele boek Jesaja achter elkaar door had gelezen: hij
wist niet wat hem overkwam! Kennelijk een soort meditatie van een paar uur
verblijf in een spirituele wereld. Misschien dat u nu voldoende thuis bent in
Jesaja om dat eens te proberen.
Jeremia leefde 3.1
van ca 650 tot na 587. Het Noordrijk was al veroverd (val van
Samaria in 721) door de Assyriërs (zie tijdsoverzicht van de profeten) maar
intern was hun rijk al aan het afbrokkelen; de Babyloniërs kwamen op en
verwoestten Assur in 614 en Ninivé in 612. Dat gaf in het Zuidrijk lucht aan
koning Josia, de vrome, die hervormingen invoerde, de Tora weer centraal
stelde, de eredienst in Jerusalem concentreerde. Maar Farao Neko wilde de
Assyriërs te hulp komen. Daar voelde Josia niet veel voor - het ging net goed -
en wilde Neko tegenhouden, doch sneuvelde te Megiddo (2Kon 23). Juda (het
Zuidrijk) komt onder Egypte te staan totdat in 606 de Farao bij Karchemis door Nebukadnesar van Babylon verslagen wordt,
die natuurlijk Juda enz. ook mee wil nemen maar het duurt nog tot 597 voordat
hij Jerusalem inneemt.
De bovenlaag
wordt weggevoerd en i.p.v. de rebelse zoon, Jojachin,
van de opstandige koning Jojakim zet Nebukadnesar Zedekia (Sidkia) op de 'troon'.
Maar die wordt bestookt door Egyptofielen en lieden die met de Babyloniërs
heulen. Zedekia gokt verkeerd en Nebukadnesar komt
terug om de hele boel af te voeren -afgezien van de armsten
die voor landbouw moesten zorgen- en verwoest Jerusalem
helemaal. Dat was 587. Gedalja wordt gouverneur van die arme ongevaarlijken maar enigen Egyptofielen hen dachten anders
en vermoordden Gedalja. Die enigen wijken uit naar Egypte en nemen Jeremia mee,
die van de Babyloniërs in Jerusalem moest blijven. Dan horen we niets meer over
hem.
Jeremia treedt
dus op onder drie koningen: Josia, Jojakim en Zedekia. Omdat we de geschiedenis
kennen, kunnen we in zijn boek stukken profetische tekst historisch plaatsen;
hoewel de samenstellers niet bedacht waren op geschiedschrijving. Er zijn veel
verhalende stukken over hem zodat we ook het e.e.a. van de profeet zelf weten.
Zijn werk begint in ca 625 onder koning Josia, dan valt er een stilte tot 608
en na 587 is de situatie heel anders. Hoofdstuk 2 - 6 bevat orakels van voor de
hervorming van Josia. Na de dood van Josia trad weer godsdienstig verval op,
waartegen Jeremia profeteert o.a. in zijn 'tempelrede' hoofdstuk 7 en ook in
26, met een onaangenaam gevolg. Zo is weer te zien dat de volgorde van de
hoofdstukken geen chronologische benadering bieden. Vanaf hoofdstuk 39 wordt
verhaald hoe Jeremia beschermd werd door de Babyloniërs en meegenomen door die enigen.
is
van/over de ene Jeremia, dus niet van verscheidene auteurs zoals in Jesaja. Het
boek heeft drie soorten literatuur: profetenwoorden, verhalen/verslagen en
persoonlijke woorden (gebeden) van Jeremia tot JHWH. Bij die verhalen en
verslagen (zie bv. hoofdstuk 7) heeft zijn secretaris Baruch natuurlijk een rol
gespeeld. Kenmerkend zijn woorden rechtstreeks tot JHWH gericht; Jeremia is dan
heel persoonlijk. Zijn eigen geloofsbeleving legt hij op tafel; hij lijdt met
zijn medeburgers mee en hij lijdt persoonlijk omdat men hem niet gelooft. Zelfs
als de groep die Gedalja heeft omgebracht om een orakel vraagt, doet zij toch
niet wat Jeremia dan profeteert en willen ze naar Egypte. En toch maar vol
houden, wéten dat er hoop is, dat het goed kán zijn. Zo openbaart JHWH Zich in
Zijn profeet. Zie ook Mozes, de lijdende dienstknecht
van Deutero-Jesaia en Jezus van N. Bij het thema
'Jeremia' horen 'De Klaagliederen', waarvan het vijfde
hoofdstuk beroemd is als klaagzang op de avond van Goede Vrijdag. Tussendoor is
ook de brede, predikende stijl van de Deuteronomist te herkennen, die bij de
redactie van het boek natuurlijk meekeek.
Jeremia is
priester; hij heeft het nauwelijks over sociaal onrecht zoals Jesaja maar wel
over de eredienst, die hem natuurlijk te harte ging. Hoofdstuk 1- 6 stamt uit
de eerste periode van hem en daar is de invloed van Hosea merkbaar,
die
het verbond in termen van huwelijksverhouding uitdrukt. Eigenlijk is het
'grappig': kenmerkend voor Jesaja is de heiligheid van JHWH en hij treedt
vooral op tegen sociaal onrecht. Kenmerkend voor Jeremia is de bescherming die
JHWH hem biedt, en hij treedt op tegen de geïnfecteerde eredienst. Je zou
anders verwachten.
Het boek is
evenals de andere pas later definitief opgeschreven; men merkt dat het
gecomponeerd is; de indeling is klassiek: u ziet wat centraal staat.

(uit 'Bibelkunde')
Hoofdstuk 52 is hetzelfde als 2 Kon 24, 18 - 25, 30
We nemen weer een aantal hoofdstukken.
Hoofdstuk 1
plaatst hem direct in de tijd en situatie: priester in Juda, die het 'Woord'
ontvangt.
Vs 1 Het zijn gesproken
woorden van Jeremia maar ook zijn lotgevallen.
Vs 2 Nu is 'het
woord' dat van God.
Vs 5 'voordat':
zie de verwijzingen in de Willibrord onderaan: Jes 49, 1-5; Lc 1,15; Rom 8,29
en Gal 1,15; psalm 139,15 hanteert hetzelfde idee, een spiritualiteit, leven
vanuit God. Bij
mij roept het associaties op van God als moeder.
Vs 6
Tegenwerping, net als Jesaja maar anders.
Vs 8 'Godsspraak
van JHWH': Ik, JHWH, teken ervoor .
Vs 9 Weer wordt
de mond aangeraakt, net als bij Jesaja.
Vs 10 'over
volken en koninkrijken': niet alleen het joodse volk. Zijn woord heeft een
universele draagwijdte. Niet persoonlijk maar met zijn woorden rukt hij uit
enz.
Vs 11 'Wat ziet u ?': Het gaat
dus om een eigen ervaring van Jeremia, hem wordt niets opgelegd.
Vs 12 Jeremia is
veilig gesteld. De hebreeuwse woordspeling van
amandeltak en wacht houden ontgaat aan onze taal. Belangrijk is dat een teken
van dat wacht houden, de veiligstelling, wordt gegeven. Het teken is
zintuiglijk waarneembaar, het wacht houden een
ervaring die geduid wordt.
Vs 14 alle
bewoners over het hele land: het Zuidrijk zal het vergaan als het Noordrijk.
Vs 15
'… het Noorden' betreft dus het
Noordrijk,Israël.
Vs 15
en 16. Beeld vanuit de rechtspraak, die bij de poort
van de stad werd gehouden. Mijn vonnis over hen .....
Mij hebben ze verlaten....' 'Hen' en
'ze' hebben betrekking op de
koningen die hun troon voor de rechter moeten zetten en die dan door het Zuidrijk zullen
worden beoordeeld op hun functioneren binnen de Tora.
Vs 17 'omgord'.
Wij zouden zeggen: de overal aan, schort voor.
Vs 19 geeft nog
eens de Handtekening voor Jeremia. Ondanks zijn ellende staat JHWH voor hem.
Zo wordt Jeremia
kort getekend in zijn roepingsverhaal.
Persoonlijke gebeden van Jeremia 3.4
3.4.1 Tekst 11,18 - 12,6
Vs 18 Omdat
Jeremia de waarheid vertelde, was hij niet zo geliefd.
Nu krijgt hij door hoe de zaken liggen: men wil hem uit de weg ruimen.
Vs 20 Dan wendt
hij zich tot zijn Hij-is-er en vraagt recht aan Hem in Wiens hand hij zijn zaak
heeft gelegd. Let op de vele verwijzingen: die tekst heeft
aangeslagen; doet dat nog.
Vs 21 geeft de
reactie van JHWH: ze zullen omkomen. Maar, dat gebeurt te hunner
tijd. Hij-is-er grijpt niet direct in, manifesteert Zich niet meteen, zoals wij
dat willen. De wraak is aan Hém. Geloof in je goede zaak zegt
je dat het eens zal gebeuren. Dat heeft met overgave te maken. Zie het kruis.
Vs 1 'Waarom ?' Toen ook al. "Als het kwaad de goeden
treft" .... Logica gaat niet op. Alleen verdriet
en onmacht.
Vs 3 Kijk eens
naar Ps. 139,1.23.
Vs 4 'Hij',
Jeremia, de gerechte, zal eerder sneven dan wij. Die
wij zijn slecht (zie de misoogst) en tocht denken ze de
gerecht te overleven. Ook nog eens stom.
Vs 5 JHWH
antwoordt maar geeft geen antwoord op de vraag. Hij zegt zo iets van 'je
eenzaamheid wordt nog erger'. Maar indirect zit daarachter: "Ook dan laat
Ik je niet in de steek". Anders zou Hij-is-er dat niet zeggen.
3.4.2
Nog een paar stukjes tekst.
Deze voorgaande verzen ademen de persoonlijke gedachten van Jeremia.
Hierna (7-10) gaat JHWH verder met een klacht en mogelijk is het de Deuteronomist die het in vs 11 overneemt en verder overweegt. Waaruit is het af te leiden dat dat in vs 11 gebeurt ?
Kijk ook eens naar 11,14-17 - daar zit ook een Deuteronomist is; waar? - en vergelijk dat met 7,16-20. Ook hier een soort verharding. En … 'jullie zijn het zelf schuld' vind ook de Deuteronomist.
7, 21vv Net als bij Jesaja: 'ik hoef jullie offers niet' als je hart niet bij me is.
7, 23 Weten we nog ? "Als je echt naar me luistert ...."
3.4.3 Tekst 15, 10-21
De verzen
spreken voor zich.
Vs 12 Ik heb
toch alles gedaan wat ik kon, ik kan geen ijzer met handen breken, zeker niet
uit het Noorden, dat niet wil. Onmacht en overmacht.
Vs 13 en 14
overslaan. Ze komen uit 17, 3.4. Aanleiding om ze hier ook neer te zetten is
wellicht het 'ijzer en koper' van vs 12. Dat waren
toen kostbaarheden.
Vs 16 een
gevleugeld woord, als 11, 20: 'ik heb immers mijn zaak in Uw Hand gelegd'.
Vs 17 Jeremia heeft alleen zijn JHWH gediend,
vervuld van Diens toorn/verontwaardiging, overtuigd van Diens gelijk, gedreven door
de juistheid van Diens woede.
Vs 18 'een onbetrouwbare beek', die je het meest
nodig hebt in de zomer en dan droog staat. Astublieft ! Jeremia veegt
zijn Hij-is-er-voor-mij de pan uit.
Vs 19 Maar JHWH is een echte en
wordt niet boos, dient niettemin Jeremia van repliek. Hij moet zich niet
verlagen tot het niveau van zijn tegenstanders.
Vs 20 Weer het
beeld van de koperen muur: Jeremia is veilig. Handtekening eronder.
dateren uit de begintijd van Jeremia. Het zijn trooststukken voor het Noordrijk:
Israël en Juda zullen weer samenkomen: vs 3. Met
handtekening.
Vs 2 Op schrift
stellen: kennelijk moet het voor later bewaard worden.
Vs 7 '... de
grote dag' wordt in vs 8 '... die dag', nu een dag van
heil.
Vs 8 en 9 zijn -literair gezien- een ratjetoe, redelijkerwijs later
toegevoegd. De profetie die het herstel van het Noordrijk aankondigde wordt
Messiaans: heil door één persoon uit David. Deze was allang dood en dus moet
het om een telg uit zijn geslacht gaan. Daarbij komt dat
politieke onafhankelijkheid nodig is om de goede eredienst mogelijk te maken:
het rijk van David moet worden hersteld; aan de goden die overheersers ons
opleggen hebben we geen boodschap.
Vs 10
en 11 vind je ook in 46, 27v. Maak er maar ruzie over waar het origineel thuis
hoort. Het zal wel een algemeen gevleugeld woord zijn. Hier lijkt het een
bevestiging van vs 8 en 9, terwijl de tekst in vs 12
meer aansluit op vs 7.
Vs 12vv
Het volk wordt toegesproken als een vrouw: in de hebreeuwse
tekst zijn de voornaamwoorden vrouwelijk. "De jonge vrouw is
zwanger". Nu volgen t/m 31,37 een achttal "Dit zegt
JHWH"-uitspraken. Acht ! Getallensymboliek.
Vs 16 staat in tegenstelling
met voorgaande: 'Maar, wie u verslindt ...' Troostidee
Vs 18 let op
'tenten ... huizen ... stad ... burcht'; climax
Vs 21 geen
vreemde vorst maar (die) ene uit henzelf. Hij is 'de Beloofde'.
Vs 22
Handtekening onder de belofte, de verbondsformule. 31,1 heeft dezelfde
betekenis. Let op 'God' en 'JHWH'. Deze twee vss omvatten vs
23 en 24 die over JHWH gaan. Het lijkt wel of de Deuteronomist even komt
aandikken en het vingertje heffen: het gaat niet zo maar - later snap je het.
Ook een bemoediging.
'Mijn liefde
voor U duurt eeuwig': huwelijksbeeld. (Zie Hosea.) 31, 3
Vs 6 Efraïm is
het Noordrijk, dat dus naar Jerusalem gaat. Kijk eens naar Jes 2.
Vs 8 'Ik haal
terug uit het Noorden', waarheen ze verdwenen waren. De spanning is in Jes
43,5vv duidelijker:'Van het oosten breng ik uw kroost en van het westen
verzamel ik u. Ik zeg tot het noorden: geef hier, en tot het
zuiden: houd hen niet vast; breng mijn zonen uit de verte en mijn dochters van
de uithoeken der aarde, allen die genoemd zijn naar mijn naam' en daar blijven
jullie met je poten vanaf want ze zijn van Mij. Alsof Hij-is-er spijt
van kreeg dat Hij hen heeft laten afvoeren.
Vs 9 Vaderbeeld ! Hij erkent zijn kind, het Noordrijk. Voor God
als Vader zie 3, 19; Deut 32, 6; Jes 63, 16; 64, 8;
Mal 1, 2.6; Job 23, 29; Ps 68, 6; Sir 4,
10. Israël als eerstgeborene zie Ex 4, 22; 2Kor 6,
18.
Vs 11-14 zijn
gevleugelde woorden - met stempel. Natuurlijk vergeet Jeremia de priesters
niet, of laten zij zich niet vergeten.
Vs 15
Rachel wil niet getroost worden. Zo groot is het verdriet. Herkenbaar
?
Rachel was de
moeder van Jozef, dus de grootmoeder van Jozefs zonen Efraïm en Manasse, het
Noordrijk. Maar zelfs dat verdriet zal troost vinden !
Kan iemand van ons dat getuigen ?
Vs 20
Een heel menselijk beeld: telkens als Ik hem op zijn donder geef, merk ik dat
Ik van hem houd. Herkenbaar ? Met Handtekening.
Tegenwicht tegen de verharding !
Vs 22
'een vrouw omgeeft een man'. Dat is niet eerder vertoond, iets heel nieuws.
Jonkvrouw Israël moet kennelijk iets. Dit verstaan als aankondiging van de
maagdelijke geboorte van de Messias is onzin. Jeremia wist van niks, net als Jesaja.
Vs 23-28 Twee
visioenen: één inzake Juda, de tweede inzake de eenwording.
Vs 29 en 30: nieuw ! 'Ik straf hen tot in het vierde geslacht' gaat nu
niet meer op; iedereen is zelf verantwoordelijk.
Vs 31vv
weer nieuw: in hun binnenste, ze weten vanuit zichzelf, eigen ervaring. De Tora
is niet opgelegd maar ingelegd; ingegrift,
onuitwisbaar. Lucas verwijst impliciet hiernaar toen hij schreef over het Bloed
van het Nieuwe Verbond, tot vergeving uitgegoten over de voet van het
altaar.
Vs 35-37 De
kosmos, hemel en aarde worden tot getuige geroepen: voor eeuwig.
Vs 38-
moesten we lezen als voorbeeld van verhalende profetie van Jeremia resp.
een verhaal over hem. Zij spreken voor zich.
Ezechiël leefde 4.1

onder de joodse ballingen aan de Kebar (kanaal langs
de Tigris vanaf Babylon) in Tell-Abib in het land der
Chaldeeën (de Babyloniërs). Hij is zeer waarschijnlijk uit Jerusalem afgevoerd
als behorend bij de bovenlaag na de eerste verovering van Jerusalem door
Nebukadnesar in 597 (zie onder Jeremia 3.l.) en vangt
de tweede 'zending' ballingen van 587 uit Jerusalem op.
lijkt een beetje raar. De stijl is bijzonder en de ene keer lijkt de profeet
in Jerusalem te zijn en de andere keer aan de Kebar.
Men veronderstelt dat de profeet visioenen beschrijft over Jerusalem maar bij
zijn lotgenoten leeft en dus met zijn hart in Jerusalem zit. Ezechiël is
priester. De eredienst én de tempel zullen voor hem persoonlijk een basis
geweest zijn maar hij zal die ook als basis voor het volk van JHWH gezien
hebben. En nu moet (!) hij n.b. als profeet ook nog de mensen troosten in den vreemde;
zeggen dat er toch hoop is, dat JHWH ook in ballingschap bij zijn volk is,
zonder tempel, dat er een nieuw verbond komt, een nieuwe geest die het volk
weer bijeen brengt. Natuurlijk ziet hij dan niet alleen Gods Heerlijkheid maar
ook een nieuwe tempel, een nieuw land. Ofschoon het volk het naar zijn mening
zelf schuld was, stoot hij het niet van zich af maar troost hij het. Hij
ondergaat hetzelfde lot als de schuldigen maar toont zich solidair. Zo laat hij
als profeet iets van JHWH zien: barmhartigheid. JHWH gaat
toch mee, is niet gebonden aan een plek, zelfs niet als dat Jerusalem is, ook
niet de Sion, ook niet de tempel.
De stijl van de
tekst staat in de P-traditie. Gods verhevenheid en heiligheid wordt sterk benadrukt vooral in zijn machtige visioenen. Het
toppunt daarvan is wel dat HijZ omwille van Zijn Naam het volk redt, niet om
het volk. Zo staat het er. Als je even nadenkt, denk je aan 'chantage' van het
volk: wij zijn het niet waard maar omwille van Uzelf (Uw heilige Naam) kun je
ons toch niet in de steek laten ! Wat zouden 'ze', de
(andere) volken, wel zeggen ?
In het
bijbelpanorama zie je dat na de ballingschap, 520, de eerste redactie van
Ezechiël ontstaat en in ca 280 alle profetische boeken definitief zijn. Ook dit
is een aanwijzing dat de P-traditie het boek zal hebben beïnvloed, want na de
ballingschap nemen priesters de leiding over, dan is er weer een tempel. In
Ezechiël vind je de omslag van onheilaankondigende, rechtsprekende profetieën
van vóór de ballingschap (587) naar heilaankondiging, bemoediging gedurende de
ballingschap. Evenzo bij Deuterojesaja: de ellende is
voorbij; nu komt het heil. Niettemin: onheilswoorden dienen niet om neer
te slaan maar aan te sporen.
De indeling van
het boek heeft weer de klassieke trekjes van woorden tegen eigen volk en tegen
omringende ('vreemde') volken en daarna heilswoorden op een voorname plaats in
het schema:

4.3.1. Hoofdstuk
1
roept iets op. We kregen het gevoel dat de profeet met onmogelijke beelden het
onmogelijke wil zeggen. Het doet dood-eng aan, zou
een nachtmerrie kunnen zijn maar is ook groots en ontzagwekkend en even
ondoorgrondelijk. Dit alles om de heerlijkheid van JHWH aan te geven, terwijl
het stuk ook een aanzet naar zijn roeping is, als bij Jesaja.
De elementen die
het meeste spraken waren vuur, regenboog, troon, gekke
wielen en 'iets dat leek op'. 'De storm (vs4), dat de geest (de levende wezens)
dreef (vs12; zie ook 20 en 21), het vuur, hetgeen leek
op brandende fakkels (vs13) en het gedruis (vs24) deden denken aan het
Pinkstergebeuren, waar ook sprake is van een hevige wind, gedruis, iets dat
leek op vurige tongen en de Geest.
Deze teksten kun je een
voorloper van de apocalyptische litteratuur noemen, o.a. boek 'Daniël en
Openbaring.
vs
1 en 2 zijn parallellen; wellicht wilde P nadere tijdsprecisering. Het getal
vijf doet vermoeden dat de ballingen 'organiek' waren, gevestigd waren en
beseften dat ze het daar voorlopig moesten doen, zich niet op een spoedige
terugkeer naar Jerusalem moesten richten.
vs
2 'de hand ... kwam over hem' geeft het geweldige aan. In 3, 14 drukt die hand.
vs 10 Hiëronymus, ca 400, ziet
Marcus als de leeuw, Matteüs als mens, Lucas als de stier en Johannes als de
adelaar, e.e.a. naar de eerste hoofdstukken van hun evangelies.
Als je hoofdstuk
10, 9-13 naast vs 15-21 legt, zie je dat ze
grotendeels gelijk zijn. In hoofdstuk 10 past dat stukje beter dan in 1 omdat
het in 10 om de verplaatsing van de heerlijkheid van JWHW gaat (de ark; vs 18) en in hoofdstuk 1 om de heerlijkheid op zich. Maar de
redacteur vond kennelijk dat het er toch in hoofdstuk 1 maar bij moest. Jammer,
want zonder die inlassing loopt het hoofdstuk mooier, spannender -vind ik.
4.3.2 Hoofdstuk 2
vs
1 'Mensenkind', letterlijk 'mensenzoon'. Karakteristiek voor Ezechiël; het
roept de afstand tussen God en de mens op maar toch niet vernederend - vind ik.
Jezus noemt zich ook vaak 'de mensenzoon'. In Daniël
vind je in 8, 17 ook 'mensenkind' (-zoon) dat daar door de rechter van het eind
der tijden toegesproken wordt. Jezus wordt ook voorgesteld als de
eindtijdelijke rechter ('Vandaar zal hij komen oordelen …") Meer kun je
met zekerheid niet zeggen over de betekenis van mensenzoon.
vs2 Het mensenkind van Dan 8, 17 ligt ook op de
grond en wordt opgericht, vs 18. Waar en wanneer lag Jezus op de grond ?
vs
3 'dat volk van rebellen'; 'een
weerspannig volk' Je zou zo zeggen dat Ezechiël even zijn gram moet halen: die hufters aan wie ik
het te danken heb dat ik hier zit, ver
weg van de tempel.
vs
4 'al zit je op schorpioenen', 'op
vurige kolen' zouden wij zeggen: de profeet weet zich beschermd net als
Jeremia.
vs
7 "u moet ... overbrengen":
hoe zij ook reageren: u staat in mijn dienst.
vs
8 Via de mond erin en eruit. Zie de
lippen van Jesaja, de mond van Jeremia.
vs
10 Kennelijk was het een en al klaagzang wat de profeet voorgeschoteld kreeg,
maar in
4.3.3 hoofdstuk 3
vs 3
toch zoet als honing. Omdat het Gods woord is ? 'met
je lichaam': helemaal je eigen maken, laten worden.
vs
5 De profeet wordt gezegd dat hij begrijpelijke taal spreekt maar dat het
probleem ligt bij de hoorders.
vs
7 verhardingssfeer
vs
9 Weer wordt hij beschermd tegen hun hardheid, hun hart van steen. Maar IK
spreek in jouw hart; luister er goed naar. (doen!)
vs
12 'achter mij'. Het lijkt alsof de profeet weg gaat van de tempel uit (de
sfeer van) het visioen wordt gehaald. Logisch dat die dan de pest er in heeft
ondanks de geest, vs 14.
vs
vs
16 op de achtste dag !
vs
17vv Hij heeft weldegelijk verantwoordelijkheid over dat weerspanning volk maar
niet tegen hun wil in.
vs
23 Welke laagvlakte wordt bedoeld is niet duidelijk. Wel duidelijk is dat de
heerlijkheid van JWH ook ergens anders dan in de tempel aanwezig kan zijn, nl.
daar waar Zijn volk is. Wellicht staat 'laagvlakte' tegenover tempelberg
- Sion. HijZ laat zijn volk toch niet in de steek; 'trek met ons mee' vroeg
Mozes al.
vs
26 Je zou zeggen dat JHWH niet wil dat Ezechiël nog zijn gram haalt op zijn
volksgenoten maar als JHWH spreekt, gaat zijn mond wél open. Die
hardhorigheid (en blindheid) wordt in het NT ook vaker genoemd: 'Ze hebben oren
om te horen maar horen niet; ze hebben ogen om te zien maar zien niet'.
Het roepingsvisioen samengevat: spanning tussen Hij-is en Zijn volk. Daar zit de profeet tussen; zit hij klem ?
staat in het centrum van de woorden tegen Jerusalem. Het benadrukt de
persoonlijke verantwoordelijkheid van iedereen. Het doet dat via hetzelfde
spreekwoord als Jeremia. Alle mensen zijn voor Hem gelijk, ieder wordt naar
eigen daden beoordeeld. Het 'noodlot' van het hebben van een slechte vader
bestaat dus niet meer. Als een rechtvaardige slecht gaat doen, zal hij sterven;
zijn eerdere goede daden tellen niet meer. Als een boosdoener zich bekeert en
goed doet, blijft hij in leven. Een 'gemiddelde' telt dus niet. 'Vernieuw uw
hart en uw geest ... Ik schep geen behagen in de dood .... 'bekeer u dus en blijf in leven'. Dat staat
centraal in de bedreigende woorden.
Let op de breedsprakerige taal, de P.
In
hoofdstuk 36 lijkt het wel alsof een nieuwe genesis plaats
vindt: (het aanschijn van) de aarde wordt vernieuwd en er komen weer mensen die
vruchtbaar en talrijk zullen zijn, die het nog beter zal gaan dan vroeger. Met
handtekening als bij Jeremia.
'Godsspraak van
de Heer' is m.i. een betere vertaling dan 'woord van de Heer' of iets
dergelijks; in het hebreeuws staat een typisch
profetische term daarvoor. Een andere vertaling luidt:'Uiting van de Heer'.
vs
16 Ook de grond is heilig !
vs
17b en 18: Bij 'het bloed/de windsels
van de stonden' denkt de viezerik aan 'vies'. Ten onrechte: het is bloed dat
het leven had kunnen hebben (niet: had moeten hebben!) en dus 'machteloos' is,
dood, vergoten. Zo 'leeg' was ook hun gedrag. In die geest hebben we 'onrein'
al eerder gekwalificeerd.
vs
21 en 22: niet om hen maar omwille van Mijn heilige Naam zal ik hen redden. Let
wel: dit zijn woorden die niet uit de hemel zijn gevallen. Het is hun eigen
denken die hen dat heeft laten zeggen. Ik zie dat als een formulering van
nederigheid, bekering en spijt, inclusief genade.
vs
24 vv. Zeer bekende tekst. Ze wordt in verscheidene erediensten gebruikt: van
hellenistische Joden, in de Koptische Kerk, in de
orthodoxe Kerken, in de Romeinse liturgie. Het nieuwe hart en de nieuwe geest
zullen 'vanzelf' ervoor zorgen dat zij Zijn geboden volgen net zoals bij
Jeremia Zijn-Wet-in-hen-gegrift dat doet. Dan is er
weer goede oogst.
Het hoofdstuk
sluit met het onderwerp waarmee het is begonnen: het land, eens verwoest, is
weer tuin. En dan zien de omringende volken dat IK JHWH ben. En dat Mijn Naam
toch heilig is.
vs
37 is toegevoegd; het benadrukt Jerusalem als hoofdplaats.
Hoofdstuk 37


bevat het beroemde visioen van de beenderen en van de graven. Het onmogelijke
gebeurt toch. Uitdrukkelijk wordt de geest van overal op aarde te hulp geroepen
om het Leven te brengen. Dat gebeurt in twee etappes. Of dat een speciale
betekenis heeft, weet ik niet maar het is wel opvallend dat Hosea (die leefde vóór de val van Samaria in 721) in
hoofdstuk 6,2 zegt: "... na twee dagen maakt Hij ons weer levend en de
derde dag doet Hij ons weer opstaan om weer te leven voor Zijn Aangezicht". Wellicht heeft Ezechiël deze tekst gekend.
Voor de zekerheid: opstanding was toen nog niet in zwang - voorzover bekend uit
de schrift. Die komt pas later.
Ook worden Juda
en Israël weer herenigd onder één koning uit Davids geslacht. Het zal een
altijddurend vredesverbond zijn, net als bij Jeremia (en Lucas). Vóór de
Hemelvaart vragen de leerlingen aan Jezus of hij (nu eindelijk eens) het rijk
van
David zal herstellen. Dat was al eerder gebeurd onder de Hasmoneeën maar daar
zat een ongodsdienstig luchtje aan. De
leerlingen krijgen van Jezus iets anders te horen: dat was; vanaf nu zullen
jullie mijn getuigen zijn over de hele aarde. Het
hoofdstuk eindigt met de vurige wens van Ezechiël: herstel van de tempel.
Dat wil ook
zeggen herstel van Jerusalem. Om Jerusalem, om de toekomst, bidden we nu nog in
navolging van wat Jezus als Jood bad na de maaltijd: met de (3e )
beker in de hand zei hij het gebed dat de zegenspreuk tot JHWH bevat om het
leven, het dankgebed om het land en het smeekgebed om Jerusalem, de toekomst,
Het Rijk.
Hoofdstuk 47 4.6
'De beroemde
tempelstroom. De gids die de profeet door de hele nieuwe tempel heeft
rondgeleid, komt weer terug op het startpunt. Vroeger werd die stroom bezongen
in het Vidi Aquam vóór de
hoogmis. Het leven brengend, leven vermeerderend water hoeft geen nader
commentaar. Laat de tekst maar spreken. Een kleine legitimatie over de
zoutwinning moest er toch bij.
Een belangrijke
verwijzing is naar Joh 19,34, waar de soldaat de zijde
van Jezus doorboort en 'terstond kwam er water (en bloed) uit'. Zo wordt Jezus
gezien als de nieuwe tempel waaruit levenverwekkend,
levenverruimend water stroomt. Om mee te nemen.
De grenzen van
het land omvatten het Palestina aan de westgrens van de Jordaan. Het vroegere
rijk lag ook aan de oostzijde ervan. Maar Ezechiël voorziet in een vernieuwing
van het verbond dat met de aartsvaders en Mozes is gesloten, in de P-traditie.
Ook wordt rekening gehouden met de vreemdelingen en nog meer met hun kinderen
die daar zijn geboren. Daarmee houden ze in het oog dat ze zelf eens
vreemdelingen zijn geweest.
Hiermee sluiten we profeten af.

Kom, wie dorst heeft, hier is water. Jes 50, 1
© 2000 -2003 P.Goris Epe