Terug naar overzicht

Terug naar Romeinen

emailadres

Afsluiting bijbelkoers

16 Het Johannes-evangelie

 

1  Vooraf

2  Inleiding

2.1  Waar en door wie geschreven ?

2.2  Wanneer en waarom ?

2.3  Hoe deed hij dat ? - ind. Barret

2.4  Andere structuurelementen

2.5  De aard van het evangelie

2.6  Gnosis

2.7  Logos

 

3  De Proloog

3.1  Inleiding

3.2  Commentaar

 

3.3  Vergelijking met 1Joh 1

3.4  Oorspronkelijk een hymne ?

3.5  Waar komt die hymne vandaan ?

 

4  Lezing met lichtbeelden

4.1  Het getuigenis van Johannes

4.2  De eerste leerlingen

4.3  De bruiloft te Kana

4.4  Afbraak v.d. tempel/-reiniging

4.5  Jezus en Nikodemus

4.6  Jezus en Johannes - Hij van Boven

4.7  Jezus en de Samaritaanse

4.8  Genezing te Kana in Galilea

4.9  De overspelige vrouw

5 Het tweede deel van de tekst

5.1  Algemeen

5.2  De voetwassing

5.3  Toespraken

5.4  Arrestatie - begrafenis

5.5  De heerlijkheid

5.6  Verrijzenisverhalen

5.7  Extra hoofdstuk over leiding geven

 

Afsluiting

 

 

1 Vooraf: waarom dit evangelie ?

Eigenlijk simpel: omdat het zo anders is dan de synoptici, en dus zal het wel interessant zijn. Maar dat interessante ligt voor mij in de spiritualiteit ervan. Misschien is de Romeinenbrief wel een goede voorbereiding geweest op Joh gezien Paulus’ worsteling met Wet en geloof – genade. In de Romeinenbrief heb ik Paulus al een paar maal als mysticus genoemd en binnen ‘het bezig zijn met’ het Johannes-evangelie tel ik spiritualiteit sterk mee. Spiritualiteit zij voldoende geduid met ‘geestelijk leven’, leven naar God toe via / samen met / in Jezus Christus. Zijn woorden, daden en toespra­ken voeden dat leven met waarheid en genade, die je krijgt omdat jij het bent. Als we het weer samen doen, verhoogt dat alleen maar de vreugde. Hoe het precies zal gaan weten we niet; het zal ook weer een belevenis zijn.

Ook nu geef ik door wat ik zelf heb gekregen. Ik maak o.a. gebruik van het commentaar van  C.K.Barret (2e; ’78),  Udo Schnelle (’98) en wellicht  van Ch. H. Talbert (’92).

Het hele evangelie doornemen vraagt te veel tijd. Omdat we ons tot ca 5 bijeenkomsten beperkten, moesten we een keuze maken: de proloog, een paar wonderen/stellingen met bijbehorende uiteenzetting, het lijdensverhaal (dat we bij Mt niet hebben behandeld) en de verrijzenisverhalen.

De Willibrord ’95 geeft mij nu geen aanleiding om met twee kolommen te werken ofschoon zij soms afwijkt van de CD ROM uit 1999, die ik gebruik  Maar hecht aan deze uitspraak niet teveel betekenis niet alleen omdat ik geen autoriteit ben maar ook omdat ik de Romeinenbrief langer heb voorbereid. De behandelde bijbelteksten worden telkens weergegeven maar vanaf hoofdstuk 14 niet meer omdat deze wat beter overzichtelijk in hun samenhang gelezen kunnen worden. Die hoofdstukken zijn desnoods makkelijk via www.willibrordbijbel.nl op te vragen.

 

2 Inleiding

2.1 Waar en door wie geschreven ?

Alles bij elkaar genomen denkt men het meest aan Syrië. Efese (Klein-Azië) wordt ook wel als stad genoemd, misschien omdat daar een Maria-traditie ligt en Maria een duidelijker rol heeft in Joh dan in de synoptici. Wellicht ligt daar ook een koppeling naar een Paulus-gemeente (Hand 20,17vv).  Spiritueel  zou daar het Johannes-evangelie niet misstaan. Maar voor deze Efese-traditie bestaan geen overtuigende argumenten.

De vraag naar de schrijver is ook onbeantwoord.  Dat Johannes de apostel, één van de twaalf, de auteur zou zijn is nooit bevestigd. Redelijkerwijs is de apostel samen met zijn broer Jacobus door Agrippa in 44 vermoord. Van beiden zegt Jezus dat zij de doop kunnen onder gaan die hij ondergaat en ook de beker kunnen drinken die hij drinkt. Dat hij zou leven tot Jezus (weer)kwam, was maar een gerucht (Joh 21, 23), dat (indirect) moest worden tegengesproken omdat het niet klopte.

 

De auteur van de brieven van Joh is redelijkerwijs wel dezelfde als die van het evangelie omdat die in dezelfde geest ademen en hun thema’s ook in het evangelie voorkomen. De Apocalyps moet wel door een andere Johannes zijn geschreven.

De schrijver is redelijkerwijs geen ooggetuige maar een lid van een ‘Johannes-club’, een gemeenschap die nogal spiritueel, beschouwend, was ingesteld. Hij schrijft: "… en wij weten dat zijn getuigenis waar is …."(1, 24b). De auteur getuigt dus ook maar niet als ooggetuige. Paulus getuigt ook maar hij heeft Jezus niet meegemaakt. Toch is hij door hem gegrepen – behoorlijk.

 

2.2 Wanneer en waarom ?

Op het bijbelpanorama zien we dat het geschreven zal zijn tussen  90 en 100, een tijdsgebied. Daar komen we nog op terug.

Waarom het geschreven is zegt de evangelist zelf:" … opdat gij zult geloven dat  Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door dat geloof leven zult bezitten in zijn Naam." Twee punten: die man van Nazaret is de gezalfde, de in de Schriften voorzegde, én  Leven in zijn Naam, in zijn Kracht, de H. Geest. Deze tekst verschilt in de handschriften; sommige zeggen:"… opdat gij zult gaan geloven", andere : "… opdat gij zult blijven geloven. Het beste is ze allebei gelijk te geven, want ze zijn beide zinnig, maar voor de exegese maakt het natuurlijk wel verschil of je iemand wil bekeren of hem in het geloof wil behouden.

Maar waarom toen ? Waren de synoptici, die allang bestonden, niet voldoende ? Wellicht was er behoefte aan een verkondiging die inging op de vragen die toen rezen. Dat moet wel met de opkomende gnosis-idee te maken hebben. Gnosis is een niet goed te 'grijpen' begrip, net als 'new age'. 'De' gnosis is pas min of meer te omschrijven in haar situatie na - grofweg - 200.  Later komen we daar op terug. Ook speelde toen het 'docetisme', dat niets met doceren te maken heeft maar met ‘schijn’. Men vond het onmogelijk dat God mens kon worden/zijn én kon lijden. Oplossing: Jezus leed niet echt, het was een schijn-lichaam. Daarvoor moet je nou niet bij (de) Johannes(traditie) aankomen, die zelf heeft gezien hoe hij leed aan het kruis, die aan zijn borst heeft gerust, die bij het dochtertje van Jaïrus was, die heeft meegemaakt hoe Thomas met zijn hand de opening in zijn zijde moest/mocht voelen.  "Het woord is vlees geworden": je kunt erin knijpen; geen schijn.

 

2.3 Hoe deed hij dat ? - indeling Barret

De synoptici  nemen in hun verhaal a.h.w. de lezer mee op de weg naar Jerusalem. Jezus vertrekt vanuit Galilea naar de stad waar een profeet van oudsher hoort te zijn. Om daar ten onder te gaan en zo zijn heerlijkheid binnen te gaan. Dan lijkt het erop dat dat verhaal vóór de verrijzenis is geschreven, wat helemaal niet waar is. Ook al is het niet als historisch verhaal bedoeld, verhaal-technisch heeft het die vorm. Johannes doet het anders. Hem interesseert onze vraag over de historische volgorde van de gebeurtenissen niet, hij vertelt eigenlijk geen verhaal maar geeft a.h.w. een lezing met lichtbeelden achteraf: hij poneert stellingen over Jezus die hij m.b.v. diens woorden en daden en m.b.v. overwegingen toelicht opdat de lezer/hoorder inziet en gelooft. Hij plaatst bijv. de tempelreiniging direct in het begin van het optreden van Jezus, hetgeen de synoptici veel later doen. Johannes geeft daarmee meteen de definitieve positie van Jezus t.o.v. 'het oude Joodse' aan en vertelt niet het verhaal hoe het is gekomen. Onze vraag over de volgorde is een vraag die m.i. stamt uit het idee dat daarmee de waarheid in het geding is. In inleiding 4 (de taal) hebben we daarover gesproken.

Met het 'het oude Joodse' bedoel ik wat we al bij Paulus hebben gezien: de exclusiviteit van de Wet, je rechtvaardiging ontlenen aan het afstammeling zijn van Abraham, de Joodse eredienst, hebben afgedaan. Jezus heeft de Wet helemaal vervuld, ingevuld met eigen inzet en liefde tot het uiterste toe, en niet met regels naleven en spitsvondigheden. Boven­dien: "Hij die twee werelden één heeft gemaakt door in zijn vlees de … wet met haar verordeningen te vernietigen" (Ef 2,14), de twee onderscheiden werelden van Joden en 'heidenen'.

Dat 'lezing met lichtbeelden' kun je zien uit de indeling van het evangelie. Na de proloog is er een deel met die licht­beelden, nl. de openbaring aan de wereld tot hoofdstuk 13. Van 13 t/m 17 loopt het deel van de bevestiging van de leerlingen, vanaf 18  het lijdensverhaal en de opstandinggetuigenissen. Hoofdstuk 21 is redelijkerwijs toegevoegd om iets compleet te maken. Daarover later meer.

Ik volg de indeling van Barrett inzake die lichtbeelden tot 13:

1,19 – 2,11       Getuigenis van Joh. de Doper: dat is hem ! De gezondene. Vergaren van leerlingen en zijn openbaring aan hen bij de bruiloft van Kana: Jezus heeft nu een clubje om zijn gezonden zijn waar te gaan maken.

2,13 – 4,54       Lichtbeeld: tempelreiniging. Stelling: Jezus is de nieuwe tempel, de joodse  heeft afgedaan (zie je wel: verwoest door de Romeinen).
Stelling: het 'van omhoog' geboren worden is wezenlijk om Godskind te zijn (niet de Wet muggenzif­ten); daarbij als lichtbeeld het gesprek met Nicodemus, dat uitloopt in een uiteenzetting.  Nicodemus verdedigt Jezus (7, 50) en hielp later met de begrafenis.
Stelling: het Joodse heil (in Judea) geldt ook voor de Samaritanen -lichtbeeld 'bij de put' (in Samaria!)-   maar ook voor Galilea waar 'niet-echte' Joden woonden; zie het verhaal van de zieke zoon van de dienaar van Herodes Antipas. Zowel de Samaritanen als die dienaar kwamen tot geloof. Dit laatste gebeurde weer te Kana, Galilea: een eerste deel is afgerond nl. punt van uitgang:  door wie het heil is, wat het heil is en voor wie om te beginnen het heil geldt - ook nog op de eerste plaats geldt.

5,2 – 5,47         Nu wordt het menens! Het punt van uitgang in de werkelijheid brengen: wie is hij? Jezus eerste grote discussiepunt met de Joden. Lichtbeeld: genezing op Sjabbat ! Jezus claimt dat te mogen doen vanwege zijn één-zijn met de Vader, waarna een lange uiteenzetting die weer op de vraag van geloof uitdraait. Die eenheid is de grondslag voor de leer over de Christuspersoon, de christologie.

6,1 – 7,1           Tweede discussiepunt: vanuit die eenheid met de Vader is Jezus Levensbrood. De lange toelichting van Jezus, woorden van eeuwig leven, wordt voor sommigen te veel, maar Petrus verwoordt hun/zijn geloof daarin.

7,1 – 52  en      Korte lichtbeelden, veel onderricht. Jezus’ aanspraak op het geven van leven aan de wereld (7,37v.)

     8,12 – 59     en de controverse rond zijn persoon onder de mensen (7,12v.; 8,25v) komen duidelijk op tafel.

9,1 – 10,42       Derde grote punt: stelling: Jezus is het licht voor de (hele) wereld. Lichtbeeld 'de blindgeborene', dat een beetje komisch wordt uitgebouwd. Zijn heil geldt niet alleen voor de nieuwen (blindgeboren­en die gaan inzien) maar ook voor degenen die al horen, die het geluidssignaal van de herder al kennen.  (zie commentaartekstcritiek 'Sinaï' "geluid") "En velen kwamen daar tot geloof in hem" (10,42).

11,1 – 44 en      Een soort bekroning: Ik ben de Verrijzenis en het Leven ! Heel levendig gebracht. Het lijkt meer een film dan een lichtbeeld. "Marta, geloof je dat ?" Een priemende vraag voor iedere gelovende.

       45 – 57      Afsluiting en overgang naar het lijden. Het lijden is een soort streep eronder, een waarheidscriterium voor hem en zijn leer. Dan/daarna blijkt die waarheid.

12,1 – 36          Lichtbeeld 'de zalving' dat de betekenis van het lijden van Jezus moet aangeven, het binnengaan in zijn glorie. Ook het verzoek van de Grieken is het uur van zijn verheerlijking. Ik zie hierin dat heel de wereld heilsgebied wordt.    

12,37 – 50     Epiloog over het dienstleven van Jezus; wel even belangrijk als de proloog.

 

Hoofdstuk  8, 1 – 11 is kennelijk later tussengevoegd maar niet minder mooi. Ook kun je zeggen dat 3,22 – 30 tussen 2,12 en 2,13 in 'moet' staan. De reis klopt dan beter want Jezus is in Galilea, gaat dan naar het Joodse gebied (3,22) en vervolgens naar Jerusalem (2,13). Zo ook kun je hoofdstuk 6 tussen 4 en 5 plaatsen: Jezus is in Galilea (4,54), steekt het meer over (6.1), gaat naar Jerusalem (5,1) en keert dan voor zijn veiligheid terug naar Galilea (7,1). Zo zijn er nog een paar 'herplaatsingen' mogelijk. Ook al is dit historisch juist, de evangelist is altijd vrij om het anders aan te pakken opdat zijn boodschap beter wordt toegelicht.

Gezien de situatie inzake Gnosis en docetisme is het best mogelijk dat het evangelie (mede) is ontstaan uit preken in de gemeente, zodat het een ontstaansduur heeft van zo’n 10 jaar, en dan is instructie belangrijker dan historische orde.

 

2.4  Andere  structuurelementen

2.4.1 Leidende begrippen

Door de hele tekst heen vind je veel terugkomende woorden: leven, licht, waarheid, heerlijkheid, woord, liefdadigheid, getuigenis, wereld, (leren) kennen/inzien, geloven, eenheid, bewaren/behoeden, zien, blijven (in de eenheid), opgaan naar de Vader. Zij geven een zicht op de persoon van Jezus.

2.4.2   - In het eerste deel tot 13

De  zeven(!) "ik ben" woorden: Ik ben het Brood van het Leven, het Licht voor de wereld, de Deur voor de schapen, de goede Herder, de Opstanding en het Leven, de Weg de Waarheid en het Leven, de Wijnstok. Ook de zeven tekenen/­werken die Jezus in verband daar mee verrichtte, geven een structuur.

           - In het tweede deel komt de Helper vaak ter sprake. Dit is belangrijker dan op het eerste gezicht lijkt. Zonder die Helper was de Goede Boodschap niet verspreid en zou dit evangelie niet geschreven zijn en zouden wij …..

2.4.3 Het Oude Testament

wordt vaak letterlijk aangehaald "zoals geschreven is" en er wordt vaak op gezinspeeld.

2.4.4 Het Marcus-evangelie

ligt aan Joh ten grondslag. De volgorde van de gebeurtenissen die Johannes gebruikt, is dezelfde als die van Marcus. Vaak zijn de gebruikte woorden letterlijk gelijk. Marcus schreef op wat Petrus preekte, zei Papias, dat merk je ook aan bepaalde details die b.v. Mt weglaat. Petrus vervult een belangrijke rol in het laatste hoofdstuk. Moet dat laatste wat betekenen ? Op het einde komen we daarop nog terug.

Je voelt wel dat met de laatste drie structuurelementen ook bronnen worden aangegeven die Joh heeft gebruikt. Ook daar is veel over te zeggen maar voor ons zij dit voldoende.

 

2.5 De aard van het evangelie

We zijn begonnen met te stellen dat Joh zo anders is dan de synoptici. Het is beschouwend, intiem, spiritueel, zoek het goede woord maar. Ik houd het voor mogelijk dat nog een ander gegeven meespeelt nl. het uitblijven van de komst van de Heer. De vroege Kerk leefde in die verwachting: 'hoopvol uitziend naar', "totdat hij komt". Maar die komst bleef uit. Zou er dan geen (her)eniging met Hem meer zijn ? Toch wel, zegt Joh dan, zoals Jezus één is met de Vader, is hij één met ons en dat bereikt hij via de Helper, die hij heeft beloofd.  De grond van het johannes-denken is de éénheid van hem met de Vader. “De Vader en ik zijn één” staat midden in het evangelie (10,30).

 

Johannes schrijft uitdrukkelijker dan de synoptici vanuit de verrijzenis. De tempelreiniging staat al in de heilsbetekenis van kruis en opstanding (2,18vv). Lijdensverwijzing/-aankondiging vindt men hier veel meer dan in de synoptici. Maar hoe komt het dat het verhaal van Jezus verder is gegaan na zijn dood en hoe blijft het nieuw? Dat komt door de Helper die voortstuwt maar ook diepgang graaft voor het verstaan van de menswording, werkzaamheid, het lijden, de opstan­ding en verheerlijking van Jezus. De Geest houdt niet alleen gaande maar verdiept ook en doet dat nog steeds: 'Jezus' van Nazaret gaat verder als Messias, als Verlosser, als Vriend, als Gods Zoon.


2.6 Gnosis

Jezus spreekt herhaaldelijk over zijn 'opgaan/teruggaan naar de Vader'. Paulus had het al over "Hij die bestond in de gestalte (wezen) van God, heeft niet willen vastouden aan het Godgelijke maar zich daarvan ontdaan en de gestalte van een slaaf/dienaar aangenomen" (Fil 2,6v). Dus het beeld van uitgaan van de Vader naar de aarde en vandaar teruggaan naar de Vader lag in zijn leer; zie Jes 55,11. De Gnosis noemt ook zo’n beweging voor de verlossing van de mens.

De aarde was nl. niet door een volmaakte 'GOD' geschapen maar door een afgedwaald wezen, een (kwaadaardige) demiurg. Goed lag in de Hemel, het kwaad op de aarde (een bekend probleem) en die twee zijn dualistisch, als twee zelfstandige machten (in oosterse godsdiensten) en niet bij elkaar te brengen zoals licht en duister. De mens die eigenlijk uit het goede komt, is verprutst door die demiurg, die zijn lichaam heeft geschapen. Het goede in hem, zijn ziel, is een goddelijke vonk die hij van boven heeft meegekregen en nu gevangen zit in zijn lichaam. Maar hij kan het goede weer bereiken, weer omhoog gaan door zeven sferen heen, door zelfkennis, weet krijgen van zijn oorsprong en bestemming. 'Gnoti seaton', 'ken jezelf' is het adagium, hetgeen zeker de moeite waard is.

Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat Joh een christelijke invulling is van 'de' Gnosis. Als je de schriftgeschie­denis bekijkt, is het eerder andersom want de eerste geschriften van de Gnosis dateren van na 100 – 150. Niettemin zullen ten tijde van Joh en daarvoor (mogelijk in 1Tim 1,3 bedoeld) best gnosis-ideeën hebben geleefd en zal die gemeenschap dat denkgereedschap hebben gekend en gehanteerd. Maar om te zeggen dat Joh een christelijke invulling ervan is of en gnosisversie, dat vind ik interpretatie. Hét verschil tussen Gnosis en de christelijke leer, beide verlossings-ideeën, is dat Gnosis alleen een idee is, gedachten in mensenhoofden, en Christen-zijn gebaseerd is op historie: Jezus van Nazaret.

 

2.7 Logos

Met dit woord 'Woord' begint Joh. Er is door mensen veel (na)gedacht over de vraag hoe het allemaal is begonnen. Het is onbevredigend om te veronderstellen dat de schepping er altijd is geweest. Als zij echter niet uit materie is voort­gekomen dan uit ‘geest’. Maar hoe je dat voorstellen ? Heel kort het volgende.

Voor Sumerische en Egyptische teksten zie Genesis 2.3 en 2.4 + inbreng. Een verbinding tussen 'geest' en materie wordt daar niet genoemd. Voor de Jood was/is het woord het verband tussen God en de schepping, de ontmoeting van de mens met God: 'God sprak het woord en het was er'. Voor de Griek was logos de rede, het wereld-ordenende principe, meer een filosofische benadering, maar betreft niet de schepping. (In hun mythologie was de god Hermes de boodschap­per van de goden, die het godenwoord brengt, draagt. Hij wordt afgebeeld met een groen, levend takje: levend(makend) woord.) Joh maakt dus gebruik van een bekend Grieks begrip, logos, om aan te geven wat Jezus is nl. Het Woord van God, de verbinding geest - schepping. "Geboren niet geschapen, via Wie alles is geschapen". Je gaat dan zoiets formuleren als het Woord is het scheppings­vermogen van de Vader. Maar dat is er pas als het is gehoord/uitgesproken; dan is het er als de mens Jezus. Hij is ontmoeting, verbinding, middelaar.

 

3   De proloog 1,1 – 19

3.1 De opbouw

Je kunt een concentrische opbouw formeren met het heilselement in het midden: D.  De accentloze delen A, B, C zijn meer algemene gegevens, principes, die mét een accent betreffen een meer de concrete invulling.

In A1 ligt dan  Woord/Logos - God;   in A2  Logos - schepping;       in A3   Logosgave aan mensen.

In A1’ ligt dan Jezus Christus - God;  in A2’  Logos - herschepping;  in A3’  Logosgave is genade.

In B ligt het getuigenis van Johannes de Doper; in B’ eveneens.

In C  de komst van Logos onder de mensen en verwerping; in C’  de incarnatie en aanvaarding.

 

A1  1 In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God. 2 Het was in het begin bij God.

A2           3 Alles is dóór Hem ontstaan, en buiten Hem om is er niets ontstaan.

A3                          Wat ontstaan was, 4 had leven in Hem, en het leven was het licht van de mensen. 5 Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan.

B                                          6 Er is een mens geweest, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. 7 Hij kwam als  getuige: hij moest getuigen van het licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen. 8 Hij was niet het licht, hij moest getuigen van het licht.

C                                                         9 Het ware licht was er, dat elke mens verlicht en dat in de wereld moest komen. 10 Het was in de wereld, een wereld die door Hem was ontstaan, en die wereld heeft Hem niet erkend. 11 In zijn eigen huis is Hij gekomen, en zijn eigen mensen hebben Hem niet opgenomen.

D                                                                      12 Aan diegenen die Hem toch opnamen, heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen te worden van God: aan hen die geloven in zijn naam. 13 Niet langs de weg van het bloed, niet door de begeerte van het vlees of door mannelijk streven, maar uit God zijn ze geboren.

C’                                                                                                 14 Ja, het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid.

B’                                         15 Van Hem legt Johannes getuigenis af en zijn verklaring luidt: 'Hem bedoelde ik toen ik zei: “Hij die na mij komt, is mijn meerdere, want vóór mij was Hij er al.''

A3’                         16 Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade.

A2’           17 Want is de wet gegeven door Mozes, de genade en de waarheid zijn gebracht door Jezus Christus.

A1’ 18 Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft hem doen kennen.

Nog maar eens lezen.

 

3.2 commentaar

1 "In het begin": in het Grieks noch Hebreeuws (Genesis) staat het lidwoord: 'beginnelijk', 'punt van uitgang is …'. Daarvan kun je niets bewijzen, aannemelijk maken; het is een geloofsstandpunt - geest verwekt materie - waarbij de mens zich ook een geestelijke basis toedenkt.

"… was God." We denken bij ‘God’ altijd aan God de Vader. Dan is het tegenstrijdig; God de Vader is niet het Woord, de Zoon. Je kunt het ook als bijvoeglijk naamwoord vertalen: 'het Woord was goddelijk.'  De Schepper en het (de) (ver)Woord(er), het (de) Licht(er), de Redder zijn dus beiden God(delijk).

2 "… in het begin …"  : zie vs 1. Het Woord bestond dus vóór de schepping. Zie verder.

5 Nu komt het probleem, de tegenstelling licht – duisternis. Twee vertalingen: 'de duisternis nam het niet aan' en '… kon het niet aan'. Voor beide is iets te zeggen, de laatste vind ik het zinnigste.

6 – 7  Die mens is door de Goede de geschiedenis in gestuurd t.b.v. het goede opdat het Licht kon redden en de mens niet onmachtig zou zijn in de duisternis. Het dualisme licht – duisternis wordt zo onmachtig.

7  "… door hem tot geloof …". Ik zou vertalen 'daardoor', nl. het licht. Nu lijkt het alsof allen via Johannes de Doper tot geloof zouden komen. De woordspeling "hem" van het onzijdig woord ‘licht’ –  persoon ‘Logos’  schept verwarring.

9 – 11  tragiek

9 "… het ware Licht …" niet dat van de Griekse filosofen of gnostische ideeën.  "… dat elke mens …"  niet alleen Joden.

"… in de  wereld moest komen". Voorzien door de Barmhartige omdat het niet goed ging met de mens.

10 … die dóór Hem…  door middel van, via.

12  Het heil centraal.

"… vermogen…"   dus niet automatisch; eigen inzet, inzicht blijft. 

"…in zijn naam …" ik  zie dat als een kracht die je krijgt, als een legitimatie dat je goed zit.

13 "bloed", "begeerte", "streven". De eenvoudigste en voldoende verklaring is : niet van Joodse bloede/offerdieren van het Verbond (dus Joods huwelijk), niet van een profaan huwelijk noch van een toeval/verkrachting e.d. doet er niet toe: ze zjin (allen) uit God geboren.  Dan zijn het drie (!) manieren om te zeggen dat het anders is dan gewoon, nl. bovennatuurlijk.

14 Het ware Licht is nu geïncarneerd en geaccepteerd door 'wij', die toen de heerlijkheid zagen. Die incarnatie (vleeswording) veronderstelt dus pre-existentie (bestaan vóór de geboorte). Zie vs 4 en 3.

"… eniggeboren …" Een eretitel. Hoe men er toe gekomen is die aan Jezus te geven laat zich vermoeden uit het boek Zach 12,10 – 11a. "… zoasls men klaagt over de eerstgeborene". Na de dood van Jezus was het te laat: 'hadden we maar …' ("could we start again, please") met geweeklaag als gevolg en niet zomaar een weeklacht, nee ook nog als over de eniggeborene. Als dan blijkt dat het toch nog goed zit, ligt die eretitel in positieve sfeer voor de hand.

16 "…volheid …" Johannes gebruikt dit woord maar één keer, hier; Paulus gebruikt het het meest.

17  Mozes staat heel hoog maar Jezus Christus nog hoger. Eigenlijk kon dat niet voor een Jood.

18 "… aan het hart van …" Vroeger heette dat 'schoot'. Johannes de apostel rustte bij het laatste avondmaal aan de borst van Jezus. Hetzelfde woord. Dezelfde intimiteit.

 "… eniggeboren God, …" Sommige handschriften hebben 'zoon'. Eniggeboren God is leer-rijker.

 

3.3 Vergelijk deze proloog eens met 1Joh1. (dus het 1e hoofdstuk uit de 1e brief)

"1 Wat bestond vanaf het begin, wat wij hebben gehoord, wat wij met onze ogen hebben gezien, wat wij hebben aanschouwd en onze handen hebben aangeraakt: het woord dat leven is - daarover spreken wij. 2 Ja, het leven is verschenen, wij hebben het gezien, wij getuigen ervan en wij verkondigen het aan u: het leven, het eeuwige, dat bij de Vader was en dat aan ons is verschenen. 3 Wat wij hebben gezien en gehoord, dat verkondigen wij ook aan u, opdat u met ons verbonden bent. En onze verbondenheid is een verbondenheid met de Vader en met zijn Zoon, Jezus Christus. 4 Wij schrijven dit om onze vreugde volkomen te maken."

Het staat er met andere woorden, wel duidelijker vonden we. Let eens op vers 3:“Wij verkondigen het aan u”. Aan ons, hier ?! "opdat u met ons verbonden bent" en met  de Vader en Jezus Christus. We hebben het aangeraakt!

Let op vs 8 en 9. Eerst wordt 'zonde' als toestand bedoeld en daarna komen de zondedaden. Toestand van zonde -zoals ook Paulus bedoelt- wil zeggen menselijk onvermogen, tekort, die aan het mens zijn verbonden is, erfzonde, Paradise lost, dus kunnen we niet uit ons zelf gerechtvaardigd worden of vanuit onszelf de hemel verdienen. Gevolg van zonde-toestand is zonde doen, waarvoor vergeving mogelijk is.

 

3.4 Oorspronkelijk misschien een hymne:

Als je de positieve tekstelementen naar links schuift en het probleem en de reactie laat inspringen, zie je dat de proloog uit een hymne kan zijn ontstaan. Dat is niet vreemd, in brieven van Paulus vind je ook Christushymnen o.a. in Kol 1, 12-20 "Hij is het beeld van de onzichtbare God …",  Ef 1, 3-10 "Gezegend is God, de Vader van O.H.J.C. …want in Hem heeft Hij ons uitgekozen al voor de grondlegging der wereld …", Fil 2, 6-11 "Hij die bestond in de gestalte van God …" en ook in de Apocalyps b.v. 5,9 "Waardig zijt Gij, Heer, het boek te nemen en zijn zegels te verbreken want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen voor onze God gekocht met uw bloed …".

Een hymne is een beschrijvende lofzang zoals ons “Eer aan God in den hoge”.  Daarin komen geen problemen of vragen voor maar meer de reden en de inhoud van de lof. Nu gaan schuiven met de verzen:

1 In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God. 2 Het was in het begin bij God. 3 Alles is door Hem ontstaan, en buiten Hem om is er niets ontstaan. Wat ontstaan was, 4 had leven in Hem, en het leven was het licht van de mensen.

               Probleem   5 Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan.

Reactie               6 Er is een mens geweest, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. 7 Hij kwam als getuige: hij moest getuigen van het licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen. 8 Hij was niet het licht, hij moest getuigen van het licht.

 

9 Het ware licht was er, dat elke mens verlicht en dat in de wereld moest komen. 10 Het was in de wereld, een wereld die door Hem was ontstaan, …

              Probleem      …. en die wereld heeft Hem niet erkend.11 In zijn eigen huis is Hij gekomen, en zijn eigen mensen hebben Hem niet opgenomen.

Reactie               12 Aan diegenen die Hem toch opnamen, heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen te worden van God: aan hen die geloven in zijn naam. 13 Niet langs de weg van het bloed, niet door de begeerte van het vlees of door mannelijk streven, maar uit God zijn ze geboren.

 

14 Ja, het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid.

Reactie               15 Van Hem legt Johannes getuigenis af en zijn verklaring luidt: 'Hem bedoelde ik toen ik zei: "Hij die na mij komt, is mijn meerdere, want vóór mij was Hij er al.'' '

 

16 Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade.17 Want is de wet gegeven door Mozes, de genade en de waarheid zijn gebracht door Jezus Christus.18 Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen.

 

Als je de problemen en de reacties weglaat, houd je een mooie Christushymne over zoals Paulus ook geeft. Zo’n hymne uit de liturgie zou de evangelist gebruikt kunnen hebben om zijn boodschap kort samen te vatten, in te leiden. Het idee dat het evangelie uit preken in de liturgie is ontstaan sluit daarbij aan.

 

3.5 Waar komt die hymne vandaan ?

Die vraag is ook wezenlijk. Was het Grieks of Joods of eigen werk ?

Kijk eens naar Spreuken 8,22-31.35.: De wijsheid en de schepping

"De Heer schiep mij aan het begin van zijn weg, nog voor zijn werken, van oudsher.

Uit eeuwigheid ben ik gevormd, vanaf het begin, voordat de aarde ontstond.

Ik ben al ontstaan toen er nog geen oceaan was, toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water.

Voordat de bergen werden neergezet, nog eerder dan de heuvels, ben ik ontstaan.

Hij had de aarde en de velden nog niet gemaakt, zelfs niet de elementen van de wereld.

Ik was erbij toen Hij de hemel op zijn plaats zette, toen Hij een boog spande over de oceaan,

en daarboven het machtige wolkengewelf zette; toen Hij de geweldige bronnen van de oceaan maakte

en de zee haar grens gaf, zodat het water zijn geboden niet overtrad,

en toen Hij de grondvesten van de aarde bouwde. Ik stond als uitvoerster (troetelkind) aan zijn zijde,

en ik was zijn vreugde, mij dag in dag uit verheugend voor zijn aangezicht, steeds weer,

mij verheugend over zijn aardrijk en ik vond mijn vreugde bij de mensen.

Want wie mij vindt, vindt het leven en verwerft de gunst van de Heer

maar wie tegen mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan: allen die mij haten beminnen de dood."

 

Wijsheid was er al vóór de schepping, als uitvoerster, zich verheugend. Wie haar vindt, vindt leven. Zo ook Wijsheid 9,1-4.9.10.11.17, waar Salomo bidt om wijsheid, die naast Hem troont, er al was. Vs 17 spreekt ook van "Heilige Geest": "Wie zou uw raadsbesluit gekend hebben, als U de wijsheid niet had gegeven en uw heilige Geest niet uit de hemel had gezonden?".

Dan is het niet zo moeilijk een oud Joods erfgoed te zien dat in die hymne nieuw invulling krijgt. De Johannes-club heeft kennelijk een lange en nauwe band met Joodse Gods-beleving. Het Joodse 'Wijsheid' (Grieks: Sophia) is vervangen door het Griekse 'Woord' (Logos). Misschien omdat het een bekend Grieks begrip was, dat evenwel de invulling van het Joodse 'Wijsheid' heeft gekregen. Misschien omdat 'Logos' een mannelijk woord is en 'Sophia' een vrouwelijk; dan is er niets nieuws onder de zon.

 

4 Uit het eerste deel, ‘lezing met lichtbeelden’.

We kiezen een paar uit de vlucht van de adelaar.

 

4.1 Het getuigenis van Johannes de Doper, 1,19 – 2,11

1, 19 Dit dan is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden uit Jeruzalem priesters en Levieten op hem afgestuurd met de vraag: 'Wie bent u?' 20 Onomwonden kwam hij ervoor uit: 'Ik ben de Messias niet.' 21' Wie dan wel? Bent u Elia?' vroegen ze. 'Die ben ik ook niet', antwoordde hij. 'Bent u soms de profeet?'  'Nee', zei hij. 22 'Wie bent u dan?' drongen ze aan. 'We willen een antwoord geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wat zegt u over uzelf?' 23 Hij zei: 'Ik ben een stem die roept in de woestijn: "Maak recht de weg van de Heer", zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.'

24 De afgevaardigden, die uit de kring van de Farizeeën kwamen, 25 drongen verder aan en vroegen: 'Maar als u de Messias niet bent en ook Elia niet of de profeet, waarom doopt u dan?' 25 Johannes gaf hun ten antwoord: 'Ik doop in water. Maar zonder dat u Hem herkent staat Hij al in uw midden: 27 Hij die na mij komt, maar wiens schoenriem ik niet waard ben los te maken.' 28 Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was.

29 De volgende dag zag hij Jezus, terwijl die naar hem toe kwam. 'Daar is het lam van God,' zei hij, 'degene die de zonde van de wereld wegneemt. 30 Hij is het van wie ik zei: "Na mij komt iemand die mijn meerdere is, want vóór mij was Hij er al." 31 Ikzelf wist niet wie het zou zijn, maar omdat Hij aan Israël moest worden geopenbaard, daarom ben ik komen dopen in water.' 32 En Johannes getuigde: 'Ik heb gezien hoe de Geest als een duif uit de hemel neerdaalde en op Hem bleef rusten. 33 Ikzelf wist niet wie het zou zijn, maar Hij die mij gezonden had om te dopen in water, had mij gezegd: "Als je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en op Hem blijft rusten, dan weet je: Hij is degene die doopt in heilige Geest." 34 Ik heb het gezien, en mijn getuigenis luidt: dit is de Zoon van God.'

 

Commentaar:

Johannes getuigt voor twee groepen: de tempel-aristocratie en de Farizeeën, ook al zouden de ondervragers dezelfden zijn. Eerst de vraag 'wie?' en dan 'waarom?'  Wat betreft Messias, Elia en de profeet is voldoende in de aantekeningen van de Willibrord aangegeven. De antwoorden aan de Joden-afgevaardigden (20-23) zijn een niet verwacht antwoord - dacht ik - anders hadden zij wel zelf die mogelijkheid geproduceerd. Zo valt hij niet binnen hun (denk)kader en kan dan ook niet worden 'ingepikt', hetgeen hun wel zo goed zou uitkomen, want de toeloop naar Johannes was groot. Op de vraag 'waarom?' geeft Johannes pas de volgende dag antwoord. Let opdat Johannes in water doopt, onderdompelt. Dat was de eerste dag.

De volgende dag bevat ook twee getuigenissen. Het eerste gaat om water, het tweede om 'bloed' nl. leven.  Bij het eerste denk ik aan nieuw leven, een nieuwe mogelijkheid, nieuwe kijk, in ieder geval zij het oude onder water verdwe­nen. Bij het tweede aan de invulling van dat nieuwe leven van boven, aan Heilige Geest, 'uit van-boven geboren worden'. Dat kan van toepassing zijn op de tempel-aristocratie, die een nieuwe kijk buiten hun denkkader hard nodig had,  en vervolgens op de Farizeeën, die wel op nieuw uit waren maar inspiratie 'uit van-boven' ontbeerden.

De aantekeningen over Lam Gods (29) en Zoon van God (34) zijn de moeite waard. Het is één pericoop over de 'pre­sentatie' van Jezus. Bij 'Lam Gods - Zoon van God' hoort ook 'die de zonde wegneemt - die doopt in Heilige Geest'.  De intimiteit van het Lams-beeld (zie Jes 40,11) wordt meteen verbonden met het (weg)nemen van de zonde(toestand) van de wereld. Verlossingsmotief. (Bij mij roept dat hetzelfde op als bij het kind in de kribbe nl. onschuld, puurheid tegenover het kwaad. "En u zult hem de naam Emmanuël geven" Jes 7,14: God-met-ons.) Als je die opbouw doortrekt, zoals b.v. bij de proloog, zie je dat vs 32 in het centrum staat, het getuigenis, omringd door al en niet 'weten'.

 

In het eerste getuigenis geeft Johannes de Doper nu pas aan waarom hij doopt, en wel in water: opdat iets geopenbaard mag worden aan Israël. Daarvoor is die nieuwe visie nodig. In het tweede getuigenis combineert Hij-die-gezonden-heeft(!) water en Geest, hier en boven. Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd. In 19, 34.35 vind je ook zo’n bevestiging en in 1Joh 5,7 wordt de eenheid van water, bloed en Geest uitgesproken. Jezus doopt in H.Geest. Zoals je ondergedompeld wordt in water. Er staat niet "… in de H.Geest", terwijl daarvoor wel tweemaal over de H.Geest wordt gesproken. Als het geen schrijffout is, kan wellicht het onderscheid hemel - aarde er onder liggen. Maar zou het dan ook te maken kunnen hebben met de Drie-eenheid, onderscheid in persoon maar niet in God-zijn?

Je leest niet dat Johannes Jezus doopt. Joh vond het getuigenis kennelijk belangrijker. Het lichtbeeld is Johannes de Doper, de stelling is: het heil is gekomen in 'die daar'. In vs 29 staat: "… van God', zei hij …" en in vs 30:"… van ik zei …". Het Grieks gebruikt twee verschillende woorden voor dat zeggen: in 29 is het hetzelfde woord als in 22 "Wat zegt u over u zelf?" Dus wat 'vindt u', wat 'spreekt u uit', 'profeteert u".   Vs 29 wordt dan zo iets als '"Daar is nou het Lam Gods" profeteerde hij'. In vs 30 gebruikt het Grieks gewoon zeggen, woorden zeggen.

Dat was de tweede dag.

 

4.2 Leerlingen

1, 35 De volgende dag was Johannes daar weer; twee van zijn leerlingen waren bij hem. 36 Hij richtte zijn blik op Jezus, die daar langskwam, en zei: 'Daar is het lam van God.' 37 De twee leerlingen gaven gehoor aan zijn woord en volgden Jezus. 38 Jezus keerde zich om, zag dat ze Hem volgden en sprak hen aan: 'Zoeken jullie iets?' Ze zeiden: 'Rabbi (dat betekent: meester), waar houdt U uw verblijf?' 39 Hij antwoordde: Kom mee en je zult het zien.' Ze gingen mee, en zagen waar Hij zijn verblijf hield. En ze verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur.

40 Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die naar Johannes hadden geluisterd en Jezus waren gevolgd. 41 De eerste die hij ging opzoeken was zijn broer Simon. 'We hebben de Messias gevonden!' zei hij. (Messias betekent: gezalfde.) 42 Daarop bracht hij hem bij Jezus. Jezus richtte zijn blik op hem en zei:'Jij bent Simon, de zoon van Johannes; voortaan zul je Kefas heten.' (Dat betekent: rots).

43 De volgende dag, toen Hij besloten had om naar Galilea te gaan, ontmoette Hij Filippus. 'Volg Mij', zei Jezus tegen hem. 44 Filippus was afkomstig uit Betsaïda, de stad waar ook Andreas en Petrus vandaan kwamen. 45 Filippus ging Natanaël opzoeken en zei tegen hem: 'Degene over wie Mozes in de Wet en ook de profeten hebben geschreven, die hebben we gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.' 45 'Nazaret?' zei Natanaël. 'Kan daar iets goeds vandaan komen?' Maar Filippus hield vol: 'Kom mee en je zult het zien.' 47 Jezus zag dat Natanaël naar Hem toe kwam en zei over hem: 'Daar heb je een echte Israëliet, in wie geen oneerlijkheid is.' 48 'Waar kent U mij van?' vroeg Natanaël. Jezus gaf hem ten antwoord: 'Nog voordat Filippus je kwam roepen, toen je onder de vijgenboom zat, had Ik je al gezien.' 49 'Rabbi,' zei Natanaël, 'U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël!' 50 Waarop Jezus zei: Je gelooft dus omdat Ik zei dat Ik je gezien heb onder de vijgenboom? Je zult nog grotere dingen zien!' 51 En Hij voegde eraan toe: 'Waarachtig, Ik verzeker jullie: je zult zien hoe de hemel geopend is en Gods engelen opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon.'

 

Commentaar:

Nu komen leerlingen, hier de eerste vijf (!) apostelen, in beeld. Personen, niet de geschiedenis. Het verhaal wordt in de synoptici anders verteld. Ze worden op verschillende manieren geroepen. Twee worden nieuwsgierig op een typische aanwijzing van de Doper en worden subtiel uitgenodigd, de derde (!) wordt bevestigd, "Jezus richtte zijn blik op hem …" en keek bij wijze van spreken dwars door hem heen; hij krijgt meteen zijn functie. De vierde wordt gewoon geroepen en de vijfde wordt overdonderd. In bijna alle gevallen van 'zeggen' staat in het Grieks weer het woord met die profeteer-betekenis, plechtige uitspraak.

De eerste twee gaan zien waar Jezus huist, dubbele bodem: in het huis van zijn vader! En zij zagen. Wie enig idee heeft over getallensymboliek, herkent het getal tien: alles; ze zagen alles waarnaar ze uitzagen, kwamen aan hun trekken. Wij zouden zeggen: 'het klikte'. Die dag brachten bij hem door. Dat was derde dag.

Petrus' roeping staat tussen twee 'volgende dag'-aanduidingen in. Bij zijn roeping wordt Jezus uitdrukkelijk 'de Messias' genoemd en zo gevonden. Zo is er een tekstverband met het eerste getuigenis van Johannes. E.e.a. is nogal centraal voor de heilsgeschiedenis. Aan degenen die 'het tiende uur' als tijdsaanduiding zien (gelukkig was het niet het elfde), ontgaat de symboliek  en zij zien het aantal dagen waar het om gaat niet: dit is na de 'kijkdag' van de eerste twee leerlingen de vierde dag. Dit wordt niet uitdrukkelijk gezegd -het is de vraag of het getal vier ter zake is- maar het aantal personen in de ark bijv. ook niet (Gen 6,10.18). Het telt echter wel mee voor het totaal aantal dagen. Het lijkt spitsvondig maar met een beetje licht word je daar gevoelig voor.

Filippus  plaatst 'die van Mozes en de profeten' meteen in de geschiedenis en op aarde: die van Jozef uit Nazaret. Jezus spreekt eerst Natanaël niet aan maar zegt iets over hem tegen anderen. Wat Natanaël onder de vijgenboom deed of onderging weet niemand, ook niet of het een uitdrukking is. Feit is dat hij werd overdonderd en verkocht was ondanks zijn twijfel.  Op het laatst wordt allen verzekerd dat zij de Jakobsladder in nieuwe stijl zullen zien. De vertaling ‘boven de Mensenzoon’ is een beetje vreemd en onzeker. Jacob zag engelen opstijgen op die ladder.  Een betekenis dat Jezus die ladder is, lijkt me zinniger, dus iets van via de Mensenzoon. Dat was de vijfde dag en nú is de zaak 'voor elkaar': Jezus heeft een clubje, een organieke eenheid: vanaf de kiem van Johannes de Doper tot en met de organisatie die na zijn dood de zaak voort moet zetten: vijf man in vijf dagen. Voel je het Koninkrijk aankomen ?

Andere getallensymboliek ligt in drie maal "de volgende dag". Dat kun je als beslissend zien voor de aanloop naar de openbaring aan het volk: de bruiloft van Kana. Die betekenis is dan expliciet, die andere -van de vijf- impliciet.

Gemene mensen leggen in vs 47 het accent op "géén".

 

4.3 De bruiloft te Kana

2, 1 Op de derde dag werd er een bruiloft gevierd te Kana in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was. 2 Ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. 3 Toen de wijn opraakte, wendde de moeder van Jezus zich tot Hem en zei: 'Ze zitten zonder wijn.' 4 Jezus antwoordde: 'Wat hebben ik en u daarmee van doen, Vrouwe? Mijn uur is nog niet gekomen.' 5 Zijn moeder zei tegen de dienaren: 'Wat Hij u ook beveelt, doe het maar.' 6 Nu stonden daar zes stenen waterbakken ten behoeve van het Joodse reinigingsgebruik, elk met een inhoud van twee tot drie metreten. 7 'Doe die bakken vol water,' beval Jezus hun. Ze deden ze vol water, tot de rand toe.8 Vervolgens zei Hij: 'Schep er nu wat uit en breng het naar de tafelmeester.' En ze deden het. 9 De tafelmeester proefde het water dat wijn was geworden, maar wist niet waar die vandaan kwam; de dienaren die het water geschept hadden wisten het wél. De tafelmeester riep dus de bruidegom 10 en zei: 'Iedereen schenkt toch eerst de beste wijn, en de gewone pas wanneer er al flink gedronken is. Maar u hebt de beste wijn bewaard tot het laatst!' 11 Dat was het begin van Jezus' tekenen, te Kana in Galilea. Hij openbaarde zijn heerlijkheid en zijn leerlingen geloofden in Hem.

12  Daarna vertrok Hij met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen naar Kafarnaüm, waar ze enkele dagen bleven.

 

Commentaar:

Barrett deelt dit nog in bij de aanzet vanwege de club-vorming. Als je niet het doel als criterium hanteert maar de 'manier waarop', begint nu het eigenlijke teken-gedeelte.

1 Op de derde dag: als je de vijf (of vier) vorige dagen wil mee tellen, kom je nu aan acht (of zeven). Acht is een zinnig getal omdat het nieuwe nu manifest wordt, maar ik vind het geforceerd om die dagen erbij te tellen, de tekst geeft er geen aanleiding toe. De betekenis van 'doorslaggevend' (derde) is ter zake omdat de leerlingen nu gaan geloven.

2 … waren uitgenodigd.  Je kunt hier ook - letterlijk - vertalen: 'Geroepen werd ook Jezus - en zijn leerlingen (natuurlijk)- naar de bruiloft' toen ze daar al of niet toevallig langs liepen omdat -in het Grieks- zijn moeder (er al) aanwezig was. Er worden nl. verschillende werkwoordstijden gebruikt. De verklaring is dan dat Maria in vers 3 aan Jezus en zijn club een stille wenk geeft van 'oprotten' en Jezus nog geen zin heeft om te gaan; zijn vertrek uur is nog niet gekomen. Maar je kunt er ook van uitgaan dat de gasten allen bijdroegen en Jezus dus wijn moest gaan kopen. Zo kan een voorval uitgroeien tot een verkondiging. Trap vooral in de gedachte die wij makkelijk hebben, dat Maria aan Jezus vraagt: "Doe effe een wonder".

4  Vrouw. Bij ons roept dat woord een afstandelijke verhouding op. Maar als je ziet dat Jezus ook zo de Samaritaanse en de overspelige aanspreekt, zijn moeder onder het kruis en Maria bij het graf, dan moet je niet 'vrouw' vertalen maar ‘lieve vrouw’ of zoiets, want dat zijn duidelijk geen afstandelijke situaties. Het zijn juist typische situaties want alleen op die vijf plekken in Joh zegt Jezus "Vrouw, …". Ik zie een combinatie van intimiteit en plechtigheid. "Moedertje, geen zorg! Voor jou noch voor mij" zou een vertaling kunnen zijn die in ieder geval hartelijk is.

"Vrouw is dat uw zaak? vertaalde de oude Willibrord. (Deze afwijzing vind je ook het O.T., in 2Sam 16,10 en 19,23.)  Letterlijk: "Wat voor u en mij, vrouw ? Het uur van mij is nog niet gekomen". Is die afwijzing nu zo verwonderlijk ? Nee, ook bij Nikodemus en de Samaritaanse vrouw zie je dat er twee 'denkkaders zijn: die van de 'aarde', de 'wereld' en die van de geest, van Jezus. De tegenspelers van Jezus blijven in dat werelds kader denken en Jezus zit al 'met zijn hoofd in de wolken' zouden wij zeggen. Dat geldt ook nu bij Maria, vind ik. Zij vraagt om een logistieke oplossing ('haal jij jouw aandeel, jouw wijn' of 'hoepel op'), Jezus lost het ook op maar wellicht zit hij met zijn (Joh)hoofd bij het hemels bruilofts-/gastmaal, de invulling van zijn roeping, waar Maria niets aan kan doen. Hij kan die wijn nu nog niet schenken. Dat is tussen hem en de Vader. Dat wordt zijn Bloed aan het kruis.

Er zijn drie plaatsen waar sprake in van ‘het uur van mij’ of ‘het uur van hem’: 4,2;  7,30;  8,20 en 13,1. Daar gaat het om de invulling van zijn roeping, zijn levensdoel. Zie over de bedoeling van "het"/"dit" uur 12,27vv. Zover is het nu nog niet en dus zegt Jezus dat 'dat' buiten de verhouding Maria – hem ligt en nu nog niet kan. De reactie van Maria treedt een beetje buiten het werelds kader want het getuigt van groot vertrouwen: "wat hij u ook zegt, doen !".

Dit bedenkend kun je je ook voorstellen dat aan die bruiloft een diepere betekenis gegeven kan worden. Het maal, gastmaal, bruiloftsmaal, is Jezus’ lievelingsbeeld voor hét Koninkrijk en dan spreekt de notitie van de Willibrord dat Maria de nood van de wereld bloot legt: "Ze hebben geen wijn meer ". …

6 … zes … Toevallig geen vijf of zeven. Zie verder bij de Samaritaanse vrouw.

… twee tot drie metreten.  Nog geen drie; zijn uur was nog niet gekomen maar het komt er wel aan. Schep er wat uit. Hier wordt hetzelfde woord gebruikt als bij de Samaritaanse, die uit de bron moet scheppen. De dubbele bodem is dat uit het bestaande joodse (vijf) de nieuwe situatie (zes) ontstaat. Dat zou best wel eens een eigen ervaring van de Johannes-club kunnen zijn.

11 Hij openbaarde zijn heerlijkheid. Je kunt ook vertalen: "Hij begon zijn heerlijkheid te openbaren". Als Jezus toen zijn hele heerlijkheid had laten zien (die van 1,14), dan was het uur wel gekomen. Overigens lijkt dit me niet zo sterk als "Vader verheerlijk uw Naam", zie weer 12,27vv, waar het om de Vader gaat en slechts indirect om hem.

12 … hijzelf en zijn moeder en broers, en zijn leerlingen. 'Broers' kàn in de Joodse taal op wat verdere verwanten duiden. In het Grieks horen ze bij 'moeder', en zouden zij echt broers zijn zoals wij dat verstaan.

 

4.4 De  afbraak van de tempel (tempelreiniging).

13 Het was kort voor het Joodse Pasen. Jezus begaf zich naar Jeruzalem 14 en zag daar hoe men in de tempel runderen, schapen en duiven stond te verkopen en geld zat te wisselen. 15 Hij knoopte touwen aaneen tot een zweep en joeg ze allemaal de tempel uit, schapen en runderen erbij. De tafels van de wisselaars gooide Hij met geld en al omver. 16 En tegen de duivenverkopers zei Hij: 'Weg ermee! Maak van het huis van mijn Vader geen markt!' 17 Zijn leerlingen beseften dat er geschreven staat: De ijver voor uw huis zal Mij verteren.

18 De Joden riepen Hem ter verantwoording met de vraag: 'Welk teken geeft U ons te zien als bewijs dat U zo mag optreden?' 19 Jezus gaf hun ten antwoord: 'Breek deze tempel af, en in drie dagen laat Ik hem herrijzen!' 20 Daarop zeiden de Joden: 'Zesenveertig jaar is er aan deze tempel gebouwd, en U wilt hem in drie dagen laten herrijzen?' 21 Met dit woord doelde Jezus echter op de tempel die Hijzelf was. 22 Toen Hij verrezen was uit de dood beseften zijn leerlingen dat Hij daarop gedoeld had, en ze geloofden in de Schrift en in het woord dat Jezus gesproken had.

 

Commentaar:

13 …voor het Joodse Pasen … Was er toen Joh werd geschreven al een ander Paasfeest ? 

De synoptici plaatsen dit gebeuren op het einde. Het gaat Joh om het lichtbeeld waarmee de plaats van Jezus t.o.v. het Joodse wordt weergegeven, niet om wanneer het gebeurd is. Die plaats is voor/volgens de Johannes-club wezenlijk voor het begrijpen, het volgen van Jezus en wordt daarom meteen aan het begin van het openbaar leven in beeld gebracht. Hun stelling is dat de eredienst aan de Vader nu via Jezus moet/mag gaan. Dat is nogal wat voor een Jood. Een middelaar kenden ze niet; ze baden toch ook niet via Mozes tot de Heer.

Zie hoe de Joden  - logisch vinden wij - binnen hun denkkader blijven. 

Zie ook hoe de leerlingen na de opstanding zich dat incident herinnerden, -volgens de Willibrord- beseften dat hij daarop doelde en geloofden in de Schrift en in zijn woord. In vs 11 geloven ze nog alleen in hem.

 

4.5 Jezus en Nikodemus

2, 23 Tijdens zijn verblijf in Jeruzalem voor de viering van het paasfeest kwamen heel wat mensen tot geloof in zijn naam bij het zien van de tekenen die Hij verrichtte. 24 Maar Jezus van zijn kant had geen geloof in hen, omdat Hij ze allemaal kende: 25 niemand hoefde Hem over de mens iets te leren, Hij wist zelf wel wat men aan een mens had.

3, 1 Zo was er onder de Farizeeën een man, Nikodemus genaamd, die tot de leidende Joodse kringen behoorde. 2 Hij kwam in de nacht naar Jezus toe en zei: 'Rabbi, we weten dat U als leraar van Godswege gekomen bent. Geen mens immers kan die tekenen verrichten die U doet, wanneer God niet met hem is.' 3 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Waarachtig, Ik verzeker u: alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien.' 4 'Geboren worden?' zei Nikodemus. 'Hoe kan dat wanneer je al op jaren bent? Kun je soms nog eens de schoot van je moeder binnengaan om geboren te worden?' 5 Jezus antwoordde: 'Waarachtig, Ik verzeker u: alleen wie geboren wordt uit water en geest, is in staat het koninkrijk van God binnen te gaan. 6 Wat uit vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest. 7 Wees dus niet verwonderd als Ik u zeg dat jullie opnieuw geboren moeten worden. 8 De Geest is als de wind: hij waait waar hij wil; je hoort hem waaien, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met ieder die geboren is uit de Geest.' 9 Daarop zei Nikodemus: 'Maar hoe kan dat dan?' 10 Jezus antwoordde: 'U bent degene die Israël moet onderrichten en u begrijpt dit niet? 11 Waarachtig, Ik verzeker u: we spreken over wat we weten, en we getuigen van wat we hebben gezien, en toch nemen jullie ons getuigenis niet aan. 12 Als jullie al niet geloven wanneer Ik spreek over de dingen van de aarde, hoe zullen jullie dan geloven wanneer Ik spreek over de dingen van de hemel? 13 Alleen Hij die uit de hemel is neergedaald, is naar de hemel opgestegen: de Mensenzoon.

14 Maar evenals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven, 15 zodat iedereen die gelooft, in Hem eeuwig leven bezit. 15 Zoveel immers heeft God van de wereld gehou­den, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeu­wig leven bezit. 17 Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om door Hem de wereld te redden. 18 Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat Hij niet geloofd heeft in de naam van de eniggeboren Zoon van God. 19 En dit oordeel bestaat hierin: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen waren meer gesteld op de duisternis dan op het licht, omdat hun daden slecht waren. 20 Wie kwaad doet, haat het licht: hij komt niet naar het licht toe, want dan worden zijn daden openbaar gemaakt; 21 maar wie de waarheid doet, komt wel naar het licht toe, want dan zal blijken dat zijn daden in God zijn verricht.'

 

Commentaar:

23v De Joden geloofden niet in hem maar veel mensen, die tekenen hadden gezien - 'beschouwd' staat er letterlijk -, stonden er wel voor open. "… kwamen tot geloof", duidelijker en grammaticaal ook goed: "… begonnen te geloven". Dat klopt beter met hetgeen Jezus denkt. Evenwel, het teken is een aanzet tot geloof, geen bewijs. Geloven is meer dan het teken zien. Achter de grote leider aanlopen is makkelijk.

24 ook te vertalen als: “Jezus vertrouwde zichzelf niet aan hen toe”, hetgeen de wederzijdsheid in geloven honoreert.

3,1 Nu voert Joh een persoon op, uit de leiderskring van het volk, om het bovengenoemde probleem van 'geloven' nader te belichten, hetgeen in een persoonlijk gesprek beter gaat dan in een algemene beschouwing.

2 … in de nacht … Uit vrees voor de Joden of omdat hij in het duister zat ?

3 … ten antwoord ….  Logischerwijze is dit geen antwoord op een/de vraag. De verborgen vraag zal wel zijn: "Als u zich met dit soort tekenen rechtvaardigt, wie bent u dan? Hoe is God met u?" Het antwoord van Jezus is dan dat hij dat pas snapt als hij uit 'vanboven' is geboren.

'Koninkrijk van God' staat alleen hier ("zien") en in 5 ("binnen gaan"). Het is een synoptisch woord dat hier wordt gebruikt en staat voor 'eeuwig leven'. Zie noot Willibrord.

4 Het Griekse woord  'van omhoog' betekent ook 'opnieuw'.  Nikodemus verstaat 'van omhoog' niet, blijft in het werelds denkkader en vraagt dus hoe dat kan.

5 Daarvoor is uit water en geest nodig. Die vinden we reeds bij Johannes de Doper. De combinaties water en geest, geest en leven,  geest en waarheid komen veel voor. Het hoogtepunt lijkt mij 7, 37-39. Daar is Jezus heel enthousiast. Zie de betreffende noot van de nieuwe Willibrord, die niet meer van de doop uitgaat.

6 Nu begint naar mijn smaak al een overweging.  De vraag van 10 is dan meer een stijlfiguur.

8 … als de wind… Je kunt hem niet grijpen, hij is onbegrijpbaar met het werelds verstand.

9 en 10 benadrukken nog eens de onmacht van de toenmalige leiders van het Volk Gods (Israël!  Joh gebruikt het maar twee keer; het is Paulus' eretitel van het joodse volk!)

11 Ik en we. De enige verklaring is dat de evangelist om de hoek komt kijken: Jezus verzekert dat wij, de Johannes-club … goed weten en terecht getuigen. Dat kan alleen maar als de Geest, dien Jezus heeft doorgegeven, nog  steeds werkt (en nu nog  niet is opgehouden). Voor de derde maal in dit stuk hier het "Waarachtig"/"Voorwaar, voorwaar", m.a.w. het is een zeer belangrijk punt. Het 'jullie' van vs 7 verwijst qua tekst naar 'we' van Nikodemus. Qua betekenis kan het ook duiden op de toehoorders van de Johannes-club, aan wie zij verkondigen. Dan komt de evangelist ook om de hoek kijken.

12 Wat bedoeld wordt met 'dingen van de aarde' is niet duidelijk. Misschien een stijlfiguur om onmacht aan te geven?

13 Alleen hij die … is een legitimatie, mogelijk direct op de vraag van vs 2 betrekking hebbend, mogelijk meer in algemene zin op het van boven geboren doen worden. Ook mogelijk een verdediging tegen de Gnosis:  Jezus was historisch echt; je kon erin knijpen.

Een reactie van de toehoorders op dit vers kan zijn dat ze zeggen: "We hebben er niets van gezien want hij is gesneuveld". Daartegen komt dan het argument dat de Mensenzoon - wel is waar aan een kruis - moest worden opgeheven ter redding van degenen die naar hem opzien, net als in de woestijn (Num 21,4-9). Zo ook laat Zach 12,10 opzien naar hem die ze (eerst) hebben doorstoken. (Let op hoe uit deze tekst de eretitel 'eniggeborene' voor Jezus kan zijn ontstaan via de rouw om hem.) Dat was geen afwijzen maar liefde van de Vader voor de wereld tot het uiterste.

14  Vs 13 vervolgend gaat het nu niet meer over van omhoog maar over wat de Mensenzoon bewerkte.

19 En dit oordeel is …. : het criterium is …

 

4.6 Jezus en Johannes  -  hij die van boven komt.

3, 22 Hierna ging Jezus met zijn leerlingen naar het gebied van Judea, waar Hij zich met hen ophield en doopte. 23 Ook Johannes trad als doper op, in Enon bij Salim, een waterrijke plaats, en de mensen kwamen daar naartoe om zich te laten dopen. 24 Johannes was toen namelijk nog niet in de gevangenis gezet.

25 Nu waren enkele leerlingen van Johannes met een Jood in discussie geraakt over de reiniging. 26 Ze gingen naar Johannes en zeiden: 'Rabbi, de man die bij u was aan de overkant van de Jordaan, en over wie u getuigenis hebt afgelegd, die is aan het dopen en iedereen loopt naar Hem toe.' 27 Johannes antwoordde: 'Geen mens kan zich ook maar iets verwerven of het moet hem door de hemel zijn geschonken. 28 Jullie kunnen toch zelf getuigen dat ik gezegd heb: "Ik ben de Messias niet, ik ben voor Hem uit gestuurd." 29 Hij die de bruid mag bezitten, is de bruidegom; de vriend van de bruidegom staat te luisteren en is vol vreugde als hij de bruidegom hoort. Nu is mijn vreugde volkomen. 30  Hij moet groter worden, en ik kleiner.'

31 Wie van boven komt, staat boven allen. Wie afkomstig is van de aarde, blijft tot de aarde behoren en spreekt de taal van de aarde. Maar wie uit de hemel komt staat boven allen. 32 Hij getuigt van wat Hijzelf heeft gezien en van wat Hij heeft gehoord, maar zijn getuigenis wordt niet aangenomen. 33 Neemt men zijn getuigenis wel aan, dan bevestigt men hiermee dat God waarachtig is. 34 Want Hij die door God gezonden werd, spreekt de woorden van God, die zo mateloos de Geest schenkt. 35 De Vader heeft de Zoon lief: Hij heeft Hem alles in handen gegeven. 36 Wie in de Zoon gelooft, bezit eeuwig leven, maar wie niet naar de Zoon wil luisteren, zal het leven niet zien. Integendeel, Gods toorn blijft op Hem rusten.

4, 1 Jezus was te weten gekomen dat de Farizeeën gehoord hadden dat Hij meer leerlingen trok en doopte dan Johannes. 2  - Eigenlijk doopte Jezus niet zelf, maar zijn leerlingen. - 3 Daarom verliet Hij Judea en vertrok Hij weer naar Galilea.

 

Commentaar:

22 Hierna … zal wel niet op het paasfeest duiden want Jezus was al in het gebied van Judea, nl. Jeruzalem. Het kan zijn dat dit vers qua verhaal aansluit op 2,12 en dus het 'probleem' van geloven in Jezus is vooraan gezet staat na de openbaring in Kana.

Vervolgens kan vs 3,31 (Hij die van boven komt) - zie verder - qua overweging aansluiten op 3, 21. Dan heeft Joh bewust het getuigenis van Johannes de Doper hier tussen geplaatst na het indirecte getuigenis dat aan Mozes is ontleend (vs 14) om het 'van omhoog' verder te behandelen.

23 … waterrijk !

24 Even ter verduidelijking van wat in de synoptici staat voor het geval dat de lezers iets vragen.

25 Waarom de reiniging (verwijzing naar de kruiken van Kana?) hier ter zake is – wellicht om die tegenover de doop te stellen; doop is meer, onderdompeling, nieuw leven.

29 Johannes vergelijkt zichzelf met de vriend (Je zult maar de vriend van de bruidegom zijn!) en Jezus met de bruidegom, die de bruid mag bezitten. Dan wordt het volk Gods, de Kerk, de bruid! Een heel oud liefdesbeeld.

31 Zie noot; maar het gaat nog steeds om getuigenis. Voortzetting van het thema van vs 13.

34 … zo mateloos …  Eigen ervaring van de Johannes-club ? Hun getuigenis.

36 …Hem …? Ik denk: hem.

4, 1 Waarom Jezus wegtrekt ? Ik denk om de Farizeeën geen kans te geven.

Nu neemt de evangelist even de gelegenheid  om de aandacht erop te vestigen dat Johannes de Doper na de doop van Jezus niet had afgedaan. Mc 2,18 spreekt van leerlingen van hem die vastten net als de Farizeeën en in Lc 11,1 vraagt een leerling van Jezus dat hij hen leert bidden zoals Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft. Het is niet onmogelijk dat daaruit de Johannes-club is voortgekomen.

 

4.7 Jezus en de Samaritaanse vrouw

Een schitterend verhaal waarin heel wat gebeurt en dat toch niet met een klaroenstoot wordt ingeleid. Het begint eigenlijk heel gewoon. Jezus is moe en gaat zitten. En laat het nu toch het zesde uur zijn. Tja, je kunt denken dat het middag is en je afvragen of het warm is, je kunt ook verder reiken. Ik versta zes als vijf + een: het gaat uit boven het organieke, gewoonte-kader. Die zes kruiken geven dan aan dat het verder gaat dan het Joodse kader. Het zesde uur wordt voor die vrouw haar ‘Jezus-uur’. Dat zij vijf + een man heeft gehad gebruikt Jezus als middel om haar uit haar 'O.T.-kader' te halen. M.a.w. zie getallensymboliek. Als je naar vss 22 en vooral 31-34 kijkt, zou je dan ook niet kunnen zeggen dat voor Jezus het zesde uur telt?

Er zijn twee hoofddelen in het gesprek, die beide met een gebiedende wijs beginnen: vs 7 "Geef me …" op het zesde uur en  vs 16 "Ga uw man roepen …" de zesde.

4, 4 Hiervoor moest Hij door Samaria. 5 Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, die in de buurt ligt van het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven, 6 en waar zich de Jakobsbron bevindt. Jezus, die afgemat was van de tocht, was bij de bron gaan zitten. Het was ongeveer het zesde uur. 7 Een Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus sprak haar aan: 'Geef Mij wat te drinken.' 8  Zijn leerlingen waren eten gaan kopen in de stad. 9 De Samaritaanse vrouw antwoordde: 'Hoe kunt U als Jood te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?' Joden willen namelijk met Samaritanen niets te maken hebben. 10 Jezus hernam: 'Als u de gave van God kende, als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend water gegeven.' 11 'Maar heer,' zei de vrouw, 'U hebt niet eens een emmer en het is een diepe put. Waar wilt U dat levende water dan vandaan halen? 12 Of bent u soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft nagelaten en er zelf uit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?' 13 Jezus antwoordde: 'Iedereen die drinkt van dit water, krijgt weer dorst, 14 maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel: het water dat Ik hem zal geven, zal ín hem opborrelen als een bron van eeuwig leven.' 15 'Heer,' zei de vrouw, 'geef mij van dat water, dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik hier niet telkens te komen putten.'

16 Daarop zei Jezus: 'Ga uw man roepen en kom hier terug.' 17 'Ik heb geen man', antwoordde de vrouw. 'Dat zegt u terecht, dat u geen man hebt,' zei Jezus. 18 'Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt is uw man niet. Wat u daar zegt, is waar.' 19 'Heer,' zei de vrouw, 'ik zie dat U een profeet bent. 20 Onze voorouders hebben op die berg daar God aanbeden, maar volgens jullie is Jeruzalem de plaats waar men moet aanbidden.' 21 'Geloof Me,' zei Jezus, 'er komt een uur dat men niet meer op die berg daar en ook niet in Jeruzalem de Vader zal aanbidden. 22  - Jullie aanbidden wat je niet kent, wij aanbidden wat we wel kennen; de redding komt immers uit de Joden. - 23 Er komt een uur, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid: dat zijn de aanbidders waar de Vader naar uitziet. 24 God is geest, en zij die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.' 25 De vrouw antwoordde: 'Ja, er komt een messias, dat weet ik.' (Messias betekent: gezalfde.) 'Als die er is, zal Hij ons alles verkondigen.' 26 Daarop zei Jezus tegen haar: 'Dat ben Ik, degene die met u spreekt.'

27 Juist op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Het verwonderde hen dat Hij in gesprek was met een vrouw. Toch vroeg geen van hen: 'Wat wilt U eigenlijk?' of 'Wat hebt U met haar te bepraten?' 28 De vrouw liet haar kruik staan, liep naar de stad en zei tegen de mensen: 29 'Kom eens kijken, daar is iemand die mij wist te vertellen wat ik allemaal gedaan heb. Zou Hij soms de Messias zijn?' 30 Toen liepen ze de stad uit, naar Hem toe.

31 Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan: 'Eet toch iets, rabbi.' 32 Maar Hij zei: 'Ik heb al iets te eten, voedsel dat jullie niet kennen.' 33 De leerlingen zeiden onder elkaar: 'Zou iemand Hem al eten gebracht hebben?' 34  Daarop zei Jezus: 'Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en het werk volbrengen dat Hij Mij heeft opgedragen.

 

35 Zeggen jullie niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Welnu, Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze staan wit, rijp voor de oogst. 36 Nu al krijgt de maaier zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwige leven; zo kan de zaaier delen in de vreugde van de maaier. 37 Want het gezegde 'de een zaait en de ander maait' is waar. 38 Ik heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor je je niet hebt afgemat: anderen hebben zich afgemat en jullie plukken de vruchten van hun werk.'

39 Uit die stad waren vele Samaritanen in Hem gaan geloven op grond van het woord van de vrouw die getuigd had: 'Hij wist me alles te vertellen wat ik gedaan heb.' 40 Toen de Samaritanen naar Hem toe gekomen waren, vroegen ze Hem bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. 41 En nog veel meer kwamen er tot geloof door zijn woord. 42 En ze zeiden het ook tegen de vrouw: 'Nu geloven we niet meer op grond van wat jij verteld hebt; we hebben Hem zelf gehoord en nu weten we: dit is werkelijk de redder van de wereld.'

 

Commentaar:

4. De landstreek Samaria ligt tussen Judea en Galilea. Dat was de meest voor de handliggende weg. Daar gebeurt het.

5 Startpunt in (O.T.-ische) Joodse traditie. (De bron van) Jakob is de geloofslink tussen Jezus en haar.

9 Niet alleen als Jood t.o.v. een Samaritaan maar ook als man t.o.v. een getrouwde vrouw. Dat doe je niet. Zie ook vs 27. En je neemt zeker niets aan, laat staan dat je een gave vraagt.

10 Jezus draait het om: “Als u de gave van God kende … " Hij vangt de verbazing van de vrouw op naar zijn kant toe.

11 … levend water … "Die Joden moeten het weer beter kunnen", zal de vrouw gedacht hebben, "want onze bron is dan wel geen bergbron maar goed genoeg. Hij heb geeneens niet e emmer.

12 Zijn jullie beter dan Jakob ?" Die zit! Jakob is dé voorvader van de Joden.  Joh met een dubbele bodem net zoals bij "Waar verblijft U?" en 'opnieuw geboren worden'.

13 vv Jezus denkt aan Water – Geest, aards leven - eeuwig leven maar de vrouw blijft in haar denkkader.

16 Jezus gooit het over een andere boeg net als bij Natanaël: in een persoonlijke ervaring aanspreken. Hij raakt haar.

19 Jezus kent haar waarheid en zij krijgt vertrouwen; ze stapt in en haakt meteen in op een godsdienstig punt.

21 "Geloof me, vrouw, …" Dat staat er echt in het Grieks. Zie boven bij Kana. Ik houd het op intimiteit als geloofsweg.

22 Zou best uit de Johannes-club kunnen stammen, tegen Gnostici of Hellenisten.

23 Over het O.T. heen naar het Nieuwe Verbond.

28 Ze liet haar kruik staan … Ze was vol van hetgeen haar overkwam en eronder ligt dat ze dat water niet meer nodig had. Vs 15 wordt toch goed ingevuld.

29 Hij vertelde (haar) waarheid en zij koppelt dat aan Messias. Kennelijk haakt zij in op iets dat leefde bij die mensen.

31 Het lijkt wel of Jezus 'in trance' is. In Kana was hij ook al een stap verder.

35 … vier maanden … de natuurcyclus. Zie weer getallensymboliek. Zie de noten. Het beeld van de zaaier en de maaier riep bij ons een verbondenheid, een intimiteit op.

40 … twee dagen … De derde dag moest nog komen.

42 Accent op 'zelf' en op 'weten'. Job: "Alleen van horen zeggen kende ik U. Nu heb ik U me eigen ogen gezien".

 

4.8 Weer in Galilea - genezing van de zoon van een dienaar van de koning

4, 43 Na die twee dagen trok Hij verder, naar Galilea. 44 En dat terwijl Jezus zelf had verklaard dat een profeet in zijn vaderland geen erkenning vindt. 45 Toen Hij in Galilea kwam, bleek Hij daar welkom te zijn: de Galileeërs waren immers ook in Jeruzalem op het feest geweest en hadden gezien wat Hij toen allemaal had gedaan.

46 Zo kwam Hij weer in Kana, in Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. In Kafarnaüm woonde een dienaar van de koning wiens zoon ziek lag. 47 Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en vroeg Hem zijn zoon te komen genezen; want deze was de dood nabij. 48 Jezus zei: 'Jullie willen wonder­tekenen zien, anders komen jullie nooit tot geloof.' 59 'Heer,' zei de dienaar van de koning, 'kom toch mee voordat mijn kind sterft.' 50 'Ga maar,' antwoordde Jezus, 'uw zoon leeft.' De man geloofde Jezus op zijn woord, en hij ging. 51 Ter­wijl hij nog onderweg was, kwamen zijn slaven hem tegemoet om hem te zeggen dat zijn jongen leefde. 52 Hij vroeg hun op welk moment hij zich beter was gaan voelen, en ze antwoordden: 'Gisteren, op het zevende uur, heeft de koorts hem verlaten.' 53 De vader besefte dat dit het uur was waarop Jezus gezegd had:"Uw zoon leeft." En samen met al zijn huisgenoten kwam hij tot geloof. 54 Hiermee had Jezus wederom een teken verricht na uit Judea naar Galilea gekomen te zijn.

 

Commentaar:

45 Kennelijk een verrassing voor Jezus en als een 'lichtbeeld' voor Galilea de genezing van de zoon van de dienaar van Herodes Antipas (zie Het Romeinse Rijk), de tetrarch ('viervorst': vorst van het vierde deel van het rijk van zijn vader Herodes de Grote – Schurk) over Galilea en Perea, ondanks de tegenwerping van Jezus in vs 48  (verg. vs 44). Maar die man is een echte vader; hij gaat niet met Jezus delibereren maar vraagt hem om zijn zoon. Dat waardeert Jezus en vervolgens vraagt hij een geloofsact van de man, die hem op zijn woord moet geloven, hetgeen hij ook doet.

Het verhaal lijkt veel op dat van de Romeinse centurio van Mt en Lc.  Joh gebruikt dit voor zijn doel, hier om aan te geven dat nu heel het Beloofde Land het heil heeft gezien, van Kana tot Kana. En Joh voegt toe dat op het zevende uur de koorts de zoon verliet, m.a.w. toen kon het achtste uur beginnen, het nieuwe leven, de nieuwe schepping, voor die jongen op het woord van Jezus.

 

4.9 Een extra beeld, toch de overspelige vrouw  7, 53 - 8, 11

7, 53 Toen ging iedereen naar huis,

8,1 terwijl Jezus naar de Olijfberg ging. 2 Maar in de vroegte was Hij alweer in de tempel en heel het volk stroomde naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen.  3 Nu kwamen de schriftgeleerden en de Farizeeën aanzetten met een vrouw die betrapt was op echtbreuk. Ze brachten haar voor Hem  4 en zeiden: `Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt op echtbreuk.  5 Mozes heeft ons in de wet voorgeschreven zulke vrouwen te stenigen. Hoe staat U daar tegenover?'  6 Met deze vraag wilden ze Hem op de proef stellen, om te zien of ze een aanklacht tegen Hem konden indienen. Maar Jezus bukte zich om met zijn vinger op de grond te schrijven.  7 Toen ze op een antwoord bleven aandringen, keek Hij op en zei: 'Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen.'  8 En weer bukte Hij zich om op de grond te schrijven.  9 Zij echter trokken na die woorden weg, de een na de ander, te beginnen met de oudsten, zodat Hij alleen achterbleef met de vrouw daar vóór Hem.  10 Jezus keek op en vroeg haar: 'Waar zijn ze gebleven, vrouw? Heeft niemand u veroordeeld?' 11 'Nee Heer, niemand', antwoordde ze. Waarop Jezus zei: 'Ik veroordeel u ook niet. Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer.'

 

Deze perikoop oogt een beetje als een vreemde eend in de bijt; zij lijkt tussen 7,52 en 8,12 in gezet. Dit laatste vers vervolgt 7,52 beter. De handschriften variëren nogal qua tekst en in sommige handschriften ontbreekt zij. Zou zij eerst zou zijn verdonkeremaand - misschien omdat het riskant was daar een ethiek aan te verbinden? De perikoop speelt na het Loofhuttenfeest van de Joden, dat ruim een week na de Grote Verzoendag en Nieuwjaar een plezierig feest was. Dus dat zij een soort voorbeeld van vergeving of boeten zou zijn ligt niet zo voor de hand. Het woord 'vergeving' komt ook niet voor in de perikoop. Hoe het ook zij, Augustinus (ca 400), de ethicus, vond ook dat het stuk in Joh thuis hoort, het staat er nu als verkonding en ik vind het ook nog prima dat het bij Joh staat.

In de situatie is ook (nog) geen sprake van een rechtszitting en dus niet van vonnis. Je kon volgens de Wet niet zomaar iemand stenigen; daar hoorde een proces bij. Ook het gegeven dat de erbij horende man niet wordt opgevoerd vind ik toch niet zo interessant. Het gaat om wat Jezus doet met/voor een vrouw.

Let op het 'toneel': na het 'spektakel' van Joh 7 gaat Jezus verder met onderricht onder "heel het volk" en schrift­geleerden de Farizeeën zullen hem dan even en plein public erin luizen. Daarvoor misbruiken zij een vrouw en de Wet, die Jezus heilig is. Een vrouw midden in heel het volk tegenover Jezus. Vanuit Joods standpunt gezien bevindt Jezus zich in een moeilijk parket: als hij de Wet toepast, dus voor steniging kiest, gaat hij tegen zichzelf in, tegen zijn vergevingsgezindheid, tegen zijn 'er zijn voor zondaars' en als hij de Wet niet aanhoudt kan hij voor het gerecht (Sanhedrin) worden gedaagd. Jezus laat barmhartigheid gelden vóór Wet, niet barmhartigheid vóór recht. Als het om recht gaat, is het recht van God. Daar weet hij raad mee. Ook al heeft de vrouw inderdaad gezondigd, zoals hij zelf zegt in vs 11. Maar de dreiging van een rechtszaak hangt wel er om heen.

Hij gaat niet op hun vraag in en begint met zijn vinger op de grond te schrijven, dus redelijkerwijs mulle grond. Het Griekse woord voor 'schrijven op' kan betekenen figuren tekenen en een aanklacht opschrijven. Als Jezus een aanklacht schreef (voor de schriftgeleerden en Farizeeën of de oudsten), zouden de omstanders het gelezen hebben en hadden de schriftgeleerden en Farizeeën niet hoeven aan te dringen - lijkt mij. Bovendien, als het belangrijk was, zou Joh het hebben vermeld. Ik denk dat Jezus figuurtjes in het zand tekende - hij had net zo goed naar boven kunnen kijken of wat neuriën, met de uitnodiging tot bezinning: zijn jullie eerlijk, zo degelijk? Die tekentjes zou je dan als een 'aanklacht' kunnen beschouwen voor on-bezinning (waarmee je de dubbele bodem van Joh een beetje honoreert). Wie vindt dat hij hierom de eerste steen mag gooien? Zelfs de oudsten geven Jezus gelijk. Zo redt hij ook de vrouw want niemand deed nog moeite om haar voor het gerecht te krijgen. Zo is Jezus, Redder. Redder uit … Zo leert de Gezalfde.

Het slottoneel is Jezus en de vrouw voor hem. We hoeven ons niet af te vragen wat de vrouw dacht en voelde. Kunnen we zelf invullen. En Jezus? Ik vind het een blijk van zijn specifieke houding t.o.v. vrouwen. Vijf maal spreekt Jezus in Joh in een bijzondere, heilsbeladen situatie een vrouw aan met "Vrouw, …": zijn moeder in Kana, de Samaritaanse, de overspelige, zijn moeder bij het kruis en als - vind ik- hoogtepunt Maria Magdalena in de graftuin. Dan zijn er twee woorden - twee namen, een hele wereld in intimiteit, elkaar kennen. Vijf maal; als de getallensymboliek daarop mag worden toegepast wil dat zeggen dat die houding van Jezus t.o.v. vrouwen 'organiek' bij hem hoort. Toen al.

Ik blij dat het verhaal toch in Joh staat.

 

5  Het tweede deel

5.1 Algemeen

Als we de indeling van Barret erbij nemen, kunnen we die aanvullen met wat Talbert aangeeft. Het eerste deel, vanaf 2,13 tot 11,57,  noemt hij de zelfopenbaring van Jezus aan de Joden; hoofdstuk 12 is dan een soort van overgang naar het lijden. Vanaf hoofdstuk 13 tot 18 is dan de zelfopenbaring van Jezus aan zijn leerlingen het thema. Het gaat nu om intieme verbondenheid, waarin ook weer de nodige overweging haar plaats heeft. Ik zie niet dat die overwegingen alle letterlijke woorden van Jezus zijn, wel dat zij op zijn minst voortkomen uit het in zijn Geest 'met-Jezus-Christus-bezig' zijn van de Joh-club, met behulp van de Helper, die alles doet begrijpen wat hij gezegd heeft. Dat is een geloofs­standpunt: het accepteren, het herkennen van de werking van de H.Geest. Dat geldt nu nog steeds.

Het tweede deel heeft drie hoofdelementen: het laatste avondmaal (nemen we aan) met voetwassing, afscheidsreden en Hogepriesterlijk Gebed, dan lijden en dood, en tenslotte de verrijzeniservaringen. Maak er maar ruzie over of je hoofdstuk 21 ook bij het tweede deel telt.

Hoofdstuk 13 zullen we nog becommentariëren, daarna zullen we de tekst meer voor zich laten spreken.

 

5.2 De voetwassing

De synoptici hebben geen voetwassing bij het laatste avondmaal; Joh heeft geen instellingverhaal. Joh moet Mc wel gekend hebben, waarschijnlijk ook Lc. Je kunt dus verwachten dat hij met zijn andere versie een bepaalde bedoeling heeft. Je kunt er veel over (na)denken. Misschien is het de gedachte dat je zonder 'elkaars voetwassing' geen - wat wij nu noemen - Eucharistie kunt vieren. Eucharistie is voor de leerlingen o.a. de  viering van Jezus' doorlopend dienstwerk aan de Vader. Het (eucharistie-)maaltijd-idee is natuurlijk een goed aanknopingspunt voor een voetwassing als licht-beeld. Voordat nl. men naar het huis ging waar de maaltijd plaats had, ging men in bad zodat men in het huis aangekomen alleen nog het stof van de voeten kwijt hoefde.  Dat was slav(inn)enwerk; hoorde bij de gastheer-etiquette. Een maaltijd staat voor gemeenschapszin; als je gemeenschap met Jezus wil, sta je voor zijn dienst-houding. Die dienst kun je, omdat hij 'weg' is,  alleen nog aan elkaar én 'om hem' aan elkaar betonen.

Hoofdstuk 13, 1-36 is concentrisch opgebouwd volgens Talbert:

A 1 - Het uur van hem om naar de Vader gaan is gekomen.

     - Jezus' liefde voor zijn leerlingen

               B  2  Judas zal Jezus verraden.

                             C  3  Jezus' weet hebben van zijn positie

                                           D  4-5  Hij staat op om te wassen.

                                                          E  6-11  Petrus heeft er geen weet van;  driemaal vraag en antwoord.

                                                                         Na dat alles zul je  inzien.

                                                          E’ 12b-17  Zie je in wat ik deed? Als je er weet van hebt …

                                                          a 12b  Zie je in ?

                                                                        b 13  jullie Heer en Meester

                                                                        c  14  als ik, dan jullie …

                                                                       c' 15  Doe dus als ik.

                                                                        b' 16  Een dienaar is niet meer dan zijn meester.

                                                          a' 17  Als je daar weet van hebt, gelukkig ….

                                           D' 12a-13 Jezus gaat weer zitten.

                             C' 18-26a  Jezus' weet hebben van verraad …

               B' 26b-30 Judas verraadt.

A' 31-35  - Nu verheerlijking

             -  Mijn liefde ……

Met opzet staat hier en daar 'weet hebben van' en 'inzien' omdat in het Grieks ook twee verschillende woorden worden gebruikt. 'Weten' , 'weet hebben van' is meer dan 'inzien', 'begrijpen' dat een voorwaarde, aanzet, is voor weten, waar het uiteindelijk om gaat. De kern van het geheel is volgens deze opbouw het weten -  E & E' - en vervolgens daarom doen -  c & c'. Niet alleen zó doen als hij (hem nadoen) maar ook doen omdat hij zo deed - zou doen; dan doe je met hem, houd je hem op aarde levendig.

 

13, 1 Het paasfeest was ophanden. Jezus wist dat zijn uur gekomen was: nu zou Hij de wereld verlaten om naar de Vader te gaan. Voorheen hield Hij al van degenen die Hem in de wereld toebehoorden, maar nu zou Hij hun zijn liefde betonen tot het uiterste.

2 Het gebeurde tijdens een maaltijd. De duivel had inmiddels iemand ertoe aangezet Hem over te leveren: Judas, de zoon van Simon Iskariot. 3 Jezus, die wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God gekomen was en naar God zou teruggaan, 4 stond van tafel op, legde zijn bovenkleren af en bond een linnen schort om zijn middel. 5 Daarna goot Hij water in een waskom en begon Hij de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde ze af met de schort om zijn middel. 6 Zo kwam Hij bij Simon Petrus. 'Heer,' zei deze, 'gaat U mij de voeten wassen?' 7 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Wat Ik doe, daar heb je nu geen begrip van; later zul je het begrijpen.' 8  Petrus hield vol: 'Nooit in der eeuwigheid zult U mij de voeten wassen!' Maar Jezus zei: 'Als Ik je voeten niet mag wassen, hoor je niet bij Mij.'  9 'Heer,' zei Simon Petrus toen, 'dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.' 10 Maar Jezus antwoordde: 'Wie in bad is geweest, is helemaal gezuiverd; buiten de voeten hoeft hij niets meer te wassen. Zo zijn ook jullie gezuiverd - hoewel niet allemaal.' 11 Hij wist namelijk wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: 'Jullie zijn niet allemaal gezuiverd.' 12 Toen Hij hun voeten had gewassen en zijn bovenkleren had aangetrokken, nam Hij weer aan tafel plaats en zei: 'Begrijpen jullie wat Ik gedaan heb? 13 Jullie noemen Mij meester en Heer, en terecht, want dat ben Ik. 14 Welnu, als Ik, jullie Heer en meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen. 15 Ik heb jullie het voorbeeld gegeven: je moet doen zoals Ik voor jullie heb gedaan. 16 Waarachtig, Ik verzeker jullie: een knecht is niet meer dan zijn meester, en een gezant niet meer dan degene die hem zendt. 17 Nu je dat weet: gelukkig ben je als je er ook naar handelt.

18 Ik kan dit niet van jullie allemaal zeggen: Ik weet wat voor mensen Ik heb uitgekozen. Maar de Schrift moet in vervulling gaan: Hij die mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd. 19 Ik zeg het jullie dus nu al, voordat het zover is, dan zul je, als het zover is, geloven dat Ik het ben. 20 Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie iemand opneemt die Ik gezonden heb, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft.'

21 Bij deze woorden werd Jezus diep bewogen en plechtig verklaarde Hij:'Waarachtig, Ik verzeker jullie: een van jullie zal Mij overleveren.' 22 De leerlingen keken elkaar niet begrijpend aan en vroegen zich af wie Hij bedoelde. 23 Een van zijn leerlingen, zijn naaste tafelgenoot, rustte aan het hart van Jezus: het was de leerling van wie Jezus hield. 24 Simon Petrus wenkte hem dat hij moest vragen wie Hij toch kon bedoelen. 25 Hij keerde zich toen vertrouwelijk naar Jezus toe en vroeg: 'Wie is het, Heer?' 26 Jezus antwoordde: ' Degene voor wie Ik dit stuk brood ga indopen en aan wie Ik het dan zal geven.' Toen doopte Hij het stuk brood in en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27 Nauwelijks had deze het brood aangenomen of de satan voer in hem. Jezus zei tegen hem: 'Doe maar meteen wat je te doen hebt.' 28 Geen van de tafelgenoten begreep echter waar dit op sloeg. 29 Omdat Judas de kas beheerde, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg: 'Ga de nodige inkopen doen voor het feest' of dat hij iets aan de armen moest gaan geven. 30 Meteen nadat hij het stuk brood had aangenomen ging hij weg. Het was nacht.

31 Toen hij was weggegaan zei Jezus: 'Nu wordt de Mensenzoon verheerlijkt, en in Hem wordt God verheerlijkt. 32 En als God wordt verheerlijkt in Hem, verheerlijkt God ook Hem bij zichzelf; ja, nu gaat Hij Hem verheerlijken. 33 Kinderen, nog maar kort zal Ik bij jullie zijn. Dan zullen jullie Mij zoeken, maar Ik heb tegen de Joden gezegd: "Waar Ik heen ga, daar kunt u niet komen", en dat zeg Ik nu tegen jullie.

34 Ik geef jullie een nieuw gebod: dat je elkaar liefhebt. Met de liefde die Ik jullie heb toegedragen, moeten jullie ook elkaar liefhebben. 35 Daaraan zal iedereen kunnen zien dat jullie leerlingen van Mij zijn: als jullie onder elkaar de liefde bewaren.'

 

Commentaar:
1 … in de wereld … hier op aarde, in een (nog) niet hemelse  situatie.

tot het uiterste toe … kan duiden op het laatste en op het hoogste. Dat geldt ook voor de Eucharistie. Als dat dus betrekking heeft op de voetwassing (en niet zozeer op de kruisdood) hecht Joh wezenlijke waarde aan de betekenis van de voetwassing.

2 … de duivel had inmiddels … lijkt een extraatje hier om die concentrische opbouw te bewerken, maar als je in vs 3 leest … alle macht … en in vs 18 … ik weet … , dan staat die voetwassing meteen in een bepaald licht. De aandacht gaat naar Petrus maar Jezus heeft ook de voeten van Judas gewassen: hij wil dat Judas bij hem hoort, deel heeft aan hem. Het lijkt wel een horror. Ieder trekke zelf zijn/haar conclusie.

4 … schort … doet mij te veel aan ons huishoudhulpje denken. Gewoon 'lendendoek', die hij waarschijnlijk vaak droeg.

5 … water … Nogal logisch. Behalve als Joh dat zegt. Dan wijst het op opening voor het nieuwe leven, vergeving van zonden.

7 "… heb je nog geen weet van, maar je zult inzien na dat (alles)". Heeft 'na dat (alles)' betrekking op het verraad van Judas of op de kruisdood/verrijzenis ?  Ik denk op beide. Dan zul je weet gaan krijgen. Met als consequentie de houding van een leerling van hem t.o.v. een Judas.

8 - 9  Petrus  ziet het inderdaad niet, hij blijft in zijn denkkader en Jezus past zich daarbij aan door op het gewone in bad gaan voor de maaltijd in te haken. Hij zegt dan zo ongeveer: "Petrus, het gaat niet om  schoon zijn, om gereinigd zijn. Jullie zijn al op de Vader gericht door het woord dat ik jullie verkondigd heb (15,3). Het gaat om iets anders":

Als we kijken naar de voetwassingsverhalen in Mc 14, 1-10 en Lc 7, 36-50 (die Joh gekend zal hebben) en Joh 12, 1-8, zien we verschillende elementen:

-          Mc:  paasfeest, bij iemand thuis, hoofd, balsem, verspilling, verdediging, begrafenis, haar naam overal in de wereld,      verraad;

-          Lc:  bij iemand thuis, zondig, huilend, voeten wassen met tranen en afdrogen met heur haar, balsem, kus, hoofd - voeten, verdediging, vergeving;

-          Joh: paasfeest, bij Maria en Marta, Maria, balsem, voeten, afdrogen met heur haar, verspilling volgens Judas, verdediging,  begrafenis;

En dan proef ik een diepe band tussen die vrouw (zoiets kan alleen een vrouw doen!) en Jezus vooral doordat het gebeuren binnen het kader van zijn levenseinde/-opdracht speelt. Vergeving is dan secundair, die enorme band is primair.

Nu zijn ze bij Jezus 'thuis', nu draait hij de zaak om: hij wast de voeten.  Die 'vrouw'-band wil hij met zijn leerlingen, ook met Judas. Tegen Petrus zou hij dan moeten zeggen: "Voel je hoeveel ik ook om Judas geef ?" Dat is tot het uiterste toe.  De kracht die ligt in het voorbeeld van de meester - knecht verhouding (zie concentrisch schema) binnen het dienstbaarheidkader van voeten wassen, geldt voor het kader van de  bereidheid om lief te hebben, één te blijven: "…gelukkig als je er ook …" vs 17.

Vs 18 … moet vervuld worden: zelfs dat bleef hem niet bespaard, volgens de Schrift. Jezus reikt Judas het Joodse vriendschapsbrood, vs 26.     

Vs 20:  nog erger: iemand dien ik gezonden heb, bedoeld heb om de boodschap van mijn Vader te brengen, die de Vader zou kunnen opnemen, die haakt niet af, nee hij verraadt. En Jezus zendt Judas: "Doe maar meteen"; vs 26. Het was nacht. Godsnacht.

Vs 21: is het gek dat Jezus diep bewogen werd ?

Vs 19 "… als het zover is zul je zien dat ik het ben". Dat het mij ook overkomen is.

Vs 20, 21, 38b: "Voorwaar, voorwaar …" herhaling vind ik sterker dan "Waarachtig, ik verzeker u". Het drukt uit. Abraham, Abraham!  Samuël, Samuël!  Saül, Saül!  Marta, Marta!  Eli, Eli …waarom toch ?

 

Nu de vraag of het Judas wel aangerekend kon worden, of hij niet buiten zijn verantwoordelijkheid voorbestemd was die rol te vervullen. Het stond immers in de Schrift.  Een tweeledige benadering:

- Als je Judas geen vrije wil kunt toedenken, houdt het op. Dan zou God behalve om het noodlot ook gemeen zijn omdat Hij hem zichzelf daarom van het leven laat beroven: de (s)pion wordt afgevoerd. Dat klopt niet. Dan zie ik hoogstens nog tragiek, naar Gods wil. Maar Judas wordt negatief gekarakteriseerd: dief (12,6), hij is degene die bewust overlevert (Mc 14,10); zie ook Petrus is in Hand 1,17v.

- We zien de Schrift al gauw als een soort 'blok' van Gods Woord, het staat in de Schrift en dus moet het zo zijn. Je kunt haar ook zien als een ervaring van mensen, die o.a. narigheid mee maken. We vertalen meestal: "opdat de Schrift worde vervuld", dus vanuit die 'blok-gedachte', maar men kan net zo goed vertalen "zodat de Schrift wordt vervuld", hetgeen klopt met die ervaringsgedachte m.a.w. 'zie je wel dat de Schrift waar is', 'ook hierin klopt de Schrift'. Jezus werd dus niets menselijks bespaard. Maar ook de troost, hoop die uit diezelfde schrift blijkt, geldt dan. Dan is de verantwoording van Judas een zaak tussen God en hem.

Het waarschuwingselement 'de duivel kan ook in jou varen' is niet aardig maar wel ter zake. Ik denk hierbij vooral aan verslaving; dan gelden normale waarden en redeneringen niet meer.

 

Vs 31 Ik geloof dat Joh de enige is die de verheerlijking van Jezus zo in verband brengt met zijn dood. Die dood is wel te begrijpen als noodzakelijke voorwaarde om tot de Vader terug te keren en "opdracht vervuld tot het einde toe" te melden maar ik vind het nogal wat. Wel kun je vermoeden hoe sterk de band is tussen Jezus en de Vader dat hij dat verheerlijking noemt: "geboren, niet geschapen".

Vs 34 'nieuw' als van het Nieuwe Verbond maar ook nieuw omdat hun onderlinge liefde Jezus' liefde is, diezelfde als tussen de Vader en de Zoon; ze hoeven niet meer rechtstreeks JHWH te beminnen maar mogen/kunnen nu via Jezus beminnen. Middelaar.

De noten vs 31, 33 en 34 zijn in ieder geval de moeite waard.

 

5.3  Hoofdstuk 14, 15, 16 en 17  toespraken

Hoofdstuk 14 : Jezus, de weg naar de Vader  -  Ik laat jullie niet verweesd achter

heel spiritueel. Voetnoot 14, 2-3 belangrijk: de komst van Jezus in de (vierende) gemeenschap. Noot 12-13:  Zijn overal aanwezig zijn na/door zijn dood. Zo ook noot 16-17 over de Helper.

Vs 20 … op die dag … Ik heb het gevoel dat het niet gaat om apocalyps (zie noot) maar om het moment dat je die liefde snapt en oppikt.

Vs 22. Iedereen, de 'wereld', heeft Jezus kunnen zien vanaf de doop in de Jordaan tot en met zijn begrafenis. Daarna kun je hem alleen in geloof(sbeleving) 'zien'. Er is een groep mensen, die van tevoren door God zijn uitgekozen, die hem gevolgd zijn vanaf Galilea naar Jerusalem en die met hem hebben gegeten en gedronken nadat hij overleden was (Hand 5,32; 10,40-43; 13,31-32). Die groep getuigt over hem  maar ook de H.Geest getuigt in ieder mens persoonlijk. Nu is het geen kwestie van zien maar deel hebben door de liefde; van persoonlijk overtuigd worden. De "waarheid" is nu het bewijs, niet wat te zien is. Ook als er te zien is, moet je er nog achter gaan staan, geloven.

Hoofdstuk 15:  Ik ben de ware wijnstok

typisch een overweging. In het laatste vers van 14 worden de leerlingen nl. uitgenodigd om mee  naar Getsemane te gaan; dan volgt het mooie stuk over de ware wijnstok en dan weer de uitnodiging van 18,1 om te gaan.

Vs 2b. Bij mij rijst de vraag ‘hoe voelt dat snoeien?’

Vs 6. Weggegooid als een gewone wijnrank.

Vs 14. Deze vertaling lijkt wel een voorwaarde in te houden. In het Grieks staat "Jullie zijn mijn vrienden als je doet wat ik je opdraag". Dus een criterium, toets.

Vs 18. Troost: het is mij ook overkomen.

Vs 20 vv. "ze", "hun". Wie zijn dat in Joh’s ogen ?  De afstand tussen Joden en Christenen is wel duidelijk.

Vs 27. " vanaf het begin …"  Net als in het begin staat er 'vanaf begin'. Dus principieel, fundamenteel, geldt voor iedereen.

Hoofdstuk 16,4v  De taak van de Geest

Vs 5 klopt niet met 14,5.

Vs 9   Zonde: wat hartstikke fout is.

Gerechtigheid: het is goed, 'te recht', dat ik naar de Vader ga om mezelf én om jullie, (vs 7). Jezus hoort gezien de uitvoering van zijn opdracht bij de vader thuis en zij kunnen Jezus' opdracht uitvoeren. zie Gerechtigheid.

Oordeel: inzien dat de leidende idee van niet-eeuwigheid waardeloos is.

Vs 13b  "- hij zal immers niet vanuit zichzelf spreken maar zal zeggen al wat hij hoort -" is letterlijk vertaald en beter -vind ik.

Hoofdstuk 17  Afscheidsgebed van Jezus

Lezen en herlezen. Vroeger heette dat het hogepriesterlijk gebed.

Vs 3 typisch een toevoeging.

Vs 9 Jezus bidt vaak genoeg voor allen. Hier is het dus een stijlfiguur om die groep te accentueren.

Vs 21vv De eenheid die Jezus bedoelt bij de voetwassing, dacht ik: " opdat ik in hen mag zijn" (26d).

terug naar het begin

5.4  Hoofdstuk  18 en 19  arrestatie t/m begrafenis

Hoofdstuk 18

Vs 3 cohort: zie noot.

Vs 5 "Ik ben het". De noot ziet er een verwijzing naar de Godsnaam in. Maar die is JHWH, Hij-is(-er). Een associatie met de zeven 'ik ben' spreuken ligt m.i. literair meer voor de hand.  Ik vind er ook een verwijzing in naar herkenbaar­heid: 'daar is hij weer', hetgeen voor zijn leerling(e) zo belangrijk is.

Vs 9 een beetje raar, want Judas telde ook mee; zie noot.

Vs 14: het is beter dat één persoon sterft i.p.v. het héle volk.

Vs 19vv Jezus zet de hogepriester in de urine: 'doe nou niet net alsof je van niets weet' en de geweldenaar  wordt eveneens op zijn plaats gezet. Joh zeikt de Joden af. Er is niet eens een beschuldiging ingebracht.

Vs 27 De haan wordt vaak als teken van de waakzaamheid gebracht ook in afbeeldingen waarschijnlijk omdat hij 'de dageraad wekt'.

Vs 29 – 19,16  Jezus voor Pilatus … en voor de Joden !

Het onderwerp is het koningschap van Jezus. Dat komt enigszins uit de lucht vallen; alleen in 6,15 (waar de menigte na de broodvermenigvuldiging hem tot koning wil maken), in 12, 6 (bij de intocht in Jerusalem) en hier wordt het woord koning genoemd, terwijl de synoptici bol staan van koning en koninkrijk. Niettemin het onderwerp is kennelijk ter zake.

Men ziet een voortdurende scène-wisseling tussen binnen en buiten het pretorium: 29 buiten, 33 binnen, 38b buiten, 19,1 binnen, 19,4 buiten, 19,9 binnen, 19,13 buiten; zeven maal, binnen het oude.

Centrum:  bespotting door de soldaten - kon je anders verwachten?  Clou: de Joden willen hem niet als koning -  kon je anders verwachten ?… Het was het zesde uur (vs 14): het koningsschap van Jezus organiek (vijf) binnen het Jodendom, dé plaats ervoor, is voorbij: vijf + één.

Vs 28d Het Paasmaal moest kennelijk nog gegeten worden, terwijl Jezus volgens de synoptici (zie bijv. Mc 14,12)  met zijn leerlingen het Paasmaal, incl. Paaslam, al had gegeten. Of de traditie zich heeft gewijzigd, of Jezus een andere kalender volgde (Zie noot Mt 26, 17) of dat Joh met opzet zo dateert - op deze manier geeft Joh wel aan dat Jezus sterft als de paaslammeren in de tempel worden geslacht. Zo laat ook Joh zien dat Jezus het joodse Pasen tot zijn pascha, over-/voorbij gaan, maakt.  Zie noot.

Vs 30 Ze hebben niet eens een beschuldiging … Alleen maar  geschreeuw.

Vs 36 Noot is belangrijk.

Vs 37 Jezus' koningschapproclamatie.

Al wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem. Al wie mij lief heeft, doet wat ik zeg.  Als je echt naar me luistert, let je (vanzelf) op mijn verplichting/verbond (Ex 19, 5). Weten we  nog?

De noot zegt "op de waarheid afgestemd zijn" maar ik vind 'uit de waarheid mooier omdat het me doet denken aan 'uit God geboren zijn' - net als de Zoon.

Vs 38 Van een praktische Romein moet je niet verwachten dat hij philosopheert zoals de Grieken.

19, 5 Ecce Homo …

Vs 6 De hogepriesters en hun hulpjes - niet de Joden - schreeuwen en lanceren het kruis als vonnismiddel. Dit was een Romeins middel - de Joden stenigden - en bedoeld voor misdadigers en rebellen.

Vs 7 Nu pas een aanklacht.

Vs 9 Pilatus is bang voor  buitenaardse wezens.

Vs 10 De machtsvraag: echte macht komt van boven.

Vs 15 Joh zet de Joden weer in de urine.

Restant 19

Vs 21 Pilatus helpt Joh een beetje met bevochtigen.

Vs 23 - 27 Twee contrasterende situaties bij het kruis: dobbelende soldaten, die de schrift in vervulling laten gaan,  en vrouwen, die Jezus trouw zijn (evenals die leerling).

Vs 26 "vrouw"! Lieve vrouw, goede vrouw of zo iets, zie 4.3 bruiloft te Kana onder vs 4. Maar zoiets zal wel gek staan.

"Daar is nu je zoon". Waarom 'nu' erbij moet is me niet duidelijk. Het staat er niet in het Grieks. Ik vrees dat het freudiaans is ingegeven door veronderstelde afstand tussen Maria en Jezus, waarvoor ik geen reden zie.

Vs 28 Het verhaal is anders dan bij de synoptici; Joh gebruikt het om de totaliteit van de schriftinvulling aan te geven.

In de noot staat dat Jezus zo gezag geeft aan het evangelie van Joh. Maar dan moet Maria intussen wel dat gezag gekregen hebben (van de leerlingen), hetgeen niet onwaarschijnlijk is, gezien de eerste hoofdstukken van de synoptici en het Pinksterverhaal. Je kunt dan natuurlijk ook zeggen dat Joh zo aanspraak maakt op gezag als van Jezus afkomstig.

Vs 30 De noot geeft terecht aan dat het om  het Griekse 'doorgeven' gaat. Waarom dan niet vertaald ? Het is toch wezenlijk dat Jezus door te sterven, heen te gaan, zijn/Hun/De Geest doorgeeft, al hoeven de leerlingen dat op dat moment niet te ervaren. De synoptici gebruiken daar de 'adem uitblazen'.

Vs 32 Het breken van de benen versnelt de dood door verstikking. Het niet gebroken worden van Jezus' benen kan duiden op Hét Gave Paaslam maar ook op de man die 'overeind' blijft (psalm 43,21).

Vs 34 Bloed en water. Waarom - volgens de noot - het accent op water valt is literair niet duidelijk. Ik zie in water nog steeds het vernieuwende, de opening (zie bijv. 7,37-39), en in bloed het goddelijk leven, Jezus' leven.

Vs 37 Het citaat uit Zacharia is belangrijk; zie 4.5 Jezus en Nikodemus bij vs 13 en de noot bij dit vers 37. De clou is dat ze nu opzien naar hem dien ze eerder hebben doorstoken.

Vs 39 100 litra is 32,5 kg; Maria had 1 litra voor Jezus' voeten nodig in 12,3. Ik zie hierin 10 x10, dus alle alles: ruimschoots genoeg, heel erg veel  zouden wij zeggen.

terug naar het begin

5.5 De heerlijkheid

"Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die hij als eniggeboren zoon aan de Vader ontleende" lazen we in 1,14c. In 13,31v lazen we dat Jezus zijn heerlijkheid en die van de Vader verbindt met zijn dood. Nu is Jezus dood en waar is de heerlijkheid dan ? In de ochtendgroep hebben we daarover gesproken. N.a.v. een ervaring bij een plotseling overleden man bleek het wel te kloppen dat je in een (dierbare) dode de heerlijkheid kunt zien, zelfs als dat je partner is of je kind (waarmee je het verdriet niet wegpoetst). Rust, diepe stilte, schoonheid, verhevenheid werden genoemd, een mooie dode, over grenzen heen gegaan, het onzegbare. Ik vind het een geweldige gedachte dat je de heerlijkheid in je handen kunt hebben, krijgen, in de vorm van het hoofd van een overledene.

Johannes was de (enige ?) leerling die bij het kruis stond en die dus het dode lichaam van Jezus heeft kunnen zien en daarin de heerlijkheid heeft kunnen ontwaren waarover hij i.v.m. de dood van Jezus spreekt, de heerlijkheid als van de eniggeboren Zoon.  Het smartelijke van de Piëta zou dus volgens Joh juist de heerlijkheid moeten  zijn.

 

5.6 Verrijzenisverhalen  hoofdstuk 20

Petrus en Johannes

Vs 1 Op de eerste dag van de week dus de zondag, de dag waarop Christenen de invulling van hun hoop vieren.

Vs 2 " … ze …" en " …we …"  Wie ?  Met 'ze'  zal wel de Joden bedoeld zijn.

We weten niet … 'weten'! M.i. klinkt hier onder door "Dat komt nog maar hij is al bij/in je. Als je hem maar ziet."

Vs 4vv Eerlijk wordt aangereikt dat Petrus de moedigste was; hij ging er wél in, durfde 'dood' onder ogen te zien. Maar die leerling zag en geloofde terwijl van Petrus niets over geloof wordt gezegd. Misschien was de verbondenheid van die leerling met Jezus gevoeliger dan die van Petrus met Jezus, waardoor hij eerder geneigd was in te zien en te geloven. Het geeft een persoonlijke tint aan dit evangelie.

De vraag of het graf al of niet leeg was hebben we in Volw. Cat. 6.5 al besproken. Nu komt het erop aan of men gevoel heeft voor 'tweede taal'. Kort gezegd: het graf hoeft niet leeg geweest te zijn. De verrijzenisverhalen zijn zeker geen verslag van gebeurtenissen, die niet meer voor iedereen zichtbaar waren. Die zichtbaarheid stopt bij de begrafenis. Verrijzenis is nooit geleerd als het weer levend worden van een lijk; dan hadden ze (o.a. Maria Magdalena) hem direct móéten herkennen. Het 'leeg zijn' van de dood is het belangrijkst, een geloofsstandpunt. Zie hiervoor ook de laatste zin van de noot bij vs 9.

Het Grieks geeft dit ook aan door drie verschillende werkwoorden die met zien te maken hebben: vs 5 die leerling 'constateert' dat de linnen doeken daar liggen ('nog' staat er niet); dan begint de vraag in vs 7 Petrus 'be-/aanschouwt'  in het graf de windels met verwondering; vs 8 de leerling - in het graf - 'zag in', begreep dat het alleen maar kon als … (en geloofde/ begon te geloven). Ook Maria 'ziet' de steen alleen maar los, ze 'schouwt' twee engelen in het graf en daarna Jezus die daar stond (zonder te weten).  Voor het 'inzien' dat hij het was staat geen 'zien'-woord, wel twee namen.

Petrus zag (tot zijn verbazing?) dat de doek die zijn hoofd had bedekt (wist hij dat of nam hij dat aan?) apart lag. Nou en? Ik heb ooit een verklaring gehoord die hout snijdt: Lazarus kwam naar buiten met zweetdoek en al, Jezus had zelf zijn zweetdoek afgedaan of een 'engel' heeft hem bediend - zijn gezicht was te zien, zijn heerlijkheid. Zo iets kwam misschien bij Petrus binnen.

terug naar het begin

Maria bij het graf Vs 11vv

Vs 12 Bij Mt rolt de hemeling de steen weg en gaat erop  zitten, bij Joh zitten er twee op de plaats waar Jezus hoorde te liggen. Het beeld is verschillend, het eerste is meer een overwinning, het tweede meer een soort (be)waken. Zeg het maar.

Vs 13 "Lieve vrouw, waarom huilt u zo ?" ! Nogal logisch als je jouw heer kwijt bent, die je van zeven (je eerdere leven) duivelen heeft verlost.

Vs 16 Maria heeft zich vast niet twee keer omgekeerd maar de tweede keer zich bekeerd, zich gericht op hem, bewust geworden van hem die haar bij haar naam noemde. "Maria" -  "Rabboeni". Meer hoefde niet.

Vs 17 Hoe je ook over dit vers denkt -  in het sterven van Jezus zitten vier aspecten opgesloten: Jezus biedt den Vader zijn levensinzet aan, de Vader accepteert het aanbod door Jezus 'weer' levend te maken (verrijzenis), de Vader eert hem door hem te verhogen als Messias-opdracht uit gevoerd  hebbend (Christus) en stelt hem aan tot Geesteszender gezeten aan Zijn rechterhand (Heer). Zie Hand 2, 32-35. Dat Jezus nog niet is opgegaan naar de Vader past dus inhoudelijk hierin, ook al is het één 'beweging'.

Vs 23 Geesteszending in het kader van het grote nieuws, de zondenvergeving. Geest en water horen bij elkaar, geestelijke vernieuwing.

Vs 26 De noot zegt gelukkig dat het een week later is, anders zouden we het niet geweten hebben. Weten zij veel.

Vs 27 Thomas wil erin knijpen, of het wel echt is. Ik zie veel eerder dat Jezus Thomas bemoedigt dan dat hij hem verwijt. Je moet een Oosterling geen tweede keer belazeren. Zo heeft hij dat vast gevoeld. De dood van Jezus was immers een ramp voor de leerlingen. Maar, geldt dat voelen alleen voor Thomas ?

 

5.7 Extra hoofdstuk

Hoofdstuk 21 is toegevoegd. Waarom ? Als je de inhoud beziet, gaat om de/een  Petrus-taak: de zaak bijeen houden, op basis van liefde de 'zaak' leiden.

Het lijkt erop dat Petrus zomaar gaat vissen en dan gaan ze toevallig met z'n zevenen. 's Nachts vangen ze niks, 's morgens zien ze Jezus en dan vangen ze wel, want dan is het licht en zijn ze met z’n achten. Na de wonderbare visvangst in Lc (5,4-19) zegt Jezus dat ze vissers van mensen zullen worden, redders van mensen gezien de mythe van de grote vis die zeelieden in nood redde.

Maar die 153 ? Ik houd het voor mogelijk dat de Johannes-club aanvankelijk als gesloten gemeenschap niet zoveel met de Petrus-groep te doen had, misschien wel niet wilde hebben. Uiteindelijk had Johannes de Doper ook een leerlingenkring en was er ook een Jacobus-club in Jerusalem. Maar Petrus speelde het klaar om hen voor de Kerk te behouden, op aanwijzing van Jezus. En als die Johannes-club toen 153 man groot was, klopt het. Toen konden ze samen eten. Definitief, want het was de derde keer dat Jezus verscheen. 

Er lag al vis op het vuur (vs 9c) maar Petrus moest eerst van die 153 gaan halen. Hoe ver het beeld gaat weet ik niet.  Omdat van die vis gegeten zal worden (neem ik aan, staat er niet), zou je denken dat het gaat om 153  leerstukken, leerstellingen of ervaringen zijn die tot voedsel strekken. Maar in ieder geval: zij horen er bij.

Dat de drievoudige vraag van Jezus “Bemin jij mij meer dan de anderen?” een reactie was op de drievoudige verlooche­ning van Petrus lijkt mij niet dwingend. Het getal drie speelt een grotere rol dan een of andere zekerheidsstelling t.o.v. van vorige missers.

Tenslotte moest er nog een misverstand worden opgelost. Het gerucht was dat Johannes eeuwig (of zoiets) zou leven maar dat klopte niet want Johannes was (redelijkerwijs) in 44 door  Agrippa I gedood met zijn broer Jacobus (de zonen van Zebedeüs). Joh heeft daar kennelijk van gehoord en gebruikt deze toevoeging om dat recht te zetten. 

Voor de zekerheid erbij vermelden dat - vs 22.23, letterlijk - 'totdat ik kom' in het gerucht als 'weder-komst' wordt begrepen. Wij mogen dat 'komst' in onze vieringen, zeker in de sacramenten, be-leven. Het is best mogelijk dat Joh dit evangelie ook heeft geschreven om de gelovigen duidelijk te maken dat komst eschatologisch is: hij is er bijna maar nog niet helemaal, 'alleen maar' spiritueel.

 

Het is maar goed dat niet alles wat Jezus heeft gedaan is opgeschreven anders kwam er helemaal geen eind aan deze bijbelkoers. Deze toevoeging aan de beroemde bijbelkoers in een berucht dorp in een beroemde parochie heeft  mij veel goed gedaan. Ik dacht jullie ook. Voor mij was het meest inspirerend de strijdbaarheid van Paulus en het doorgaande werk van de Geest, die Jezus beloofde  - aan Paulus ook en aan ons. Het besef dat wij zijn werk voorzetten samen met hem is nog nooit zo duidelijk geweest.

terug naar het begin

Waarvoor dank gebracht aan Hem die dit onder mensen mogelijk heeft gemaakt

door ons samen te laten werken met hem,

die ons daartoe  zijn Geest schenkt, die onze harten verlicht opdat wij de ware wijsheid bezitten en ons altijd over zijn bemoediging mogen verblijden.

Epe, 6 juni ’99, feest van het Heilig Sacrament en van de H. Norbertus. Toen was de eerste versie klaar.

Verder naar afsluiting site

 

 

Afsluiting

Ik roep de start van de bijbelkoers in herinnering. Toen stonden we op de drempel. We zijn nu een paar jaar verder en hebben de finish bereikt. Ook het doel?

"Dit zij de bedoeling van deze bijbelkoers: dat wij gaandeweg, soms heel nabij, gedompeld worden in het Leven, onze relatie met Wie we GOD noemen, aanvoelen, ontdekken hoe HijZ met mensen bezig is -onvermoed, soms tegen onze wil in- en mensen met HijZ bezig kunnen zijn omdat HijZ "de sluier van mijn angst niet scheurde maar optilde", "Die enkel met Uw stem mij zo vermurwde dat ik wilde". Dat wij gaande de weg ineens horen dat iets tegen ons wordt gezegd, iets dat in ons weer-klinkt door het geschreven Woord, dat Jezus, Dé Gezalfde, iets tegen ons zegt namens de Vader in hun beider Geest, de Goede Geest, die al eerder heeft gesproken via de profeten.

Ik hoop van harte dat dit zo goed mogelijk waar is geworden en waar zal blijven.

Epe, 22 februari '03, feest van de Cathedra van Petrus.

© 2000 -2003 P.Goris Epe