terug
naar overzicht
terug
naar inhoudsopgave
Overweging voor de weekendviering
Zondagen in het jaar A
|
Advent 1e zondag 2 december 2001;'04 2e zondag 9 dec. 2001;'04; 2007 3e zondag 16 december.2001;'04 4e zondag 23
december 2001;'04 Kersttijd Kerstmis dagmis 2001;'04 H.Familie 26 dec. '04 Doop van
de Heer 13 jan.
'02;'05 door
het jaar 2e
zondag 20
januari 2002; 05 3e
zondag 23 januari 2005 4e
zondag 3 februari 2002; '05 5e
zondag 6 februari 2005 6e zondag 2005 |
Veertigdagentijd: 1e zondag 17 febr. 2002;'05 2e zondag 20 februari 2005 3e zondag 3 maart 2002; '05 4e zondag 6 maart 2005 5e zondag 17 maart 2002; '05 palmzondag 20 maart 2005 Paastijd: Paaswake 2005 Paaszondag 27 maart 2005 2e zondag 3 april 2005; '08 3e zondag 14 april 2002; '05 4e zondag 21 april 2002; '05 5e zondag 24 april 2005 6e zondag 5 mei 2002; '05 7e zondag 8 mei 2005 Pinksteren 19 mei 2002; '05('08) Drie-Eenheid 22
mei 2005; Sacramentsdag 2 juni 2002; '05 |
Zondagen door het jaar: 9e zondag 2005 10e zondag 5 juni 2005; '08 11e zondag 16 juni '02;'05; '08 12e zondag 19 juni 2005 13e zondag 30 juni
'02;'05;'08 14e zondag 3juli 2005 15e zondag 14
juli 2002; '05 16e zondag 17 juli 2005 17e zondag 22 juli 2002; '05 18e zondag 31 juli 2005 19e zondag 11 aug. '02;'05 20e zondag 14 augustus 2005 21e zondag 25 aug. '02; '05 22e zondag 28 augustus 2005 23e zondag 8 sept. '02; '05 24e zondag
11 september '05 25e zondag 22 sept.'02; '05;'08 26e zondag 25 september '05 27e zondag 6 oktober '02;'05 28e zondag
9 oktober 2005 29e zondag 20 oktober '02;'05 30e zondag 23
oktober 2005 31e zondag
30
oktober 2005 32e
zondag 6
november 2005 33e zondag 17 nov. 2002; '05 Christus Koning november '05 |
© 1999 - 2005 P.Goris
Epe; zie 'Ten geleide'.
P.S. Waar in de overwegingen
sprake is van 'nieuwe vertaling' wordt de Willibrord '95 bedoeld.
1e
Zondag van de Advent
2 december 2001;
'04
Jes 2, 1-5; psalm 122; Mt 24,
37-44
Psalm 122 Verheugd was
ik toen mij werd gezegd: We gaan naar het huis van de HEER.
Nu staan we dan
werkelijk hier, Jeruzalem, binnen uw poorten.
Jeruzalem, prachtig
gebouwde stad, in hechte gemeenschap verbonden,
alle stammen komen
naar u toe, alle stammen van Hem, van de HEER,
want in Israël hoort men zo de naam van de HEER te vieren.
Kijk, daar staat de
rechterstoel, de zetel van Davids huis.
Bid voor Jeruzalem,
bid om vrede en laat uw vrienden daar veilig zijn.
Vrede binnen uw
muren, veiligheid binnen uw vesting.
Omwille van mijn
familie en bekenden bid ik om vrede in uw midden.
Omwille van de
tempel van de HEER onze God bid ik om voorspoed voor u.
In dit nieuwe kerkelijk jaar A
lezen we de evangelies vooral uit Matteüs. We beginnen direct met een
waarschuwing: na het verhaal over de intocht in Jeruzalem plaatst Matteüs
onderrichtingen en parabels die over die waarschuwing gaan: wees alert. Het is
net alsof hij zijn lezers/toehoorders erop wijst dat als Jezus weg is, zij zijn
aansporingen tot waakzaamheid ter harte moeten nemen.
Zo ook het evangelie dat we
hebben gelezen. De Mensenzoon komt een gegeven moment echt en dan is het zover.
Als je niet alert bent, als je gewoon doorgaat met eten en drinken, met huwen
en ten huwelijk geven, met de dingen van iedere dag en je eigen plannen zonder
visie op zijn komst, word je overdonderd. Er valt geen staat op te maken, er is
geen regel waarom de een wel en de ander niet aan de beurt zou zijn, je kunt
het ook niet beïnvloeden
- een gegeven moment is het zo of je buiten of binnen bent: de
Mensenzoon is er voor jou. De huisvader weet niet wanneer de dief komt; als hij
het wel wist, bleef hij waken. Zo moeten jullie dus voortdurend erop gericht
zijn de Mensenzoon te ontvangen omdat je niet op welk moment hij komt.
De woorden dief en Mensenzoon
staan in zekere zin naast elkaar in de vergelijking.
Maar met het element van het 'onverwachte' is de vergelijking op: de Mensenzoon
verwachten is geladen met spanning, uitzien naar. Als je je
hele leven leeft op Hem gericht, ben je altijd bereid. Als je doet als hij
deed, zul je hem graag hem verwachten - ook al vind je het wellicht moeilijk
het leven los te laten. Als je deelt in zijn visioen, zijn visioen in stand
houdt, het Rijk der hemelen, zul je er graag binnen gaan.
Jezus heeft
vast het profetenboek Jesaja gekend en dus ook het visioen dat deze beschrijft.
"Op het einde der dagen", als het zover is, zal blijken waarom
het gaat. Dan zal de berg van de Heer de hoogste blijken te zijn, het kortst
bij de hemel. Alle volken trekken naar haar op want daar worden de wegen
gewezen die je moet gaan om het Rijk waar te maken. Als je Zijn paden
bewandelt, kom je bij Hem uit. Op die berg is Gods Woord te horen. Op die berg
heerst vrede. Op die berg: als je op God bent gericht, op Zijn Woord, op Jezus,
de Gezalfde.
Die vrede begint bij het niet
meer strijden; oorlog voeren hoeft niet meer want
overal is rechtvaardigheid. Doordat al die harten op God gericht zijn, wordt de
samenleving gedragen door gerechtigheid van omhoog. En die vrede gaat nog
verder want op die berg staat de tempel van de Heer. Daar krijgen die harten de
kans zich uit te leven naar God, daar verheffen de gelovigen hun hart tot God,
daar erkennen zij Zijn Grootheid, daar zingen zij Hem toe vol vreugde en smeken
zij Hem om Zijn Kracht. Zijn Kracht om het visioen waar te maken en in stand te
houden tot het einde der dagen toe.
In de tekst van Jesaja is 'de
berg' Jeruzalem en 'het huis van Jacobs God' (!) de tempel in Jeruzalem, die op
de tempelberg is gebouwd. Zijn wij hier, nu, ook niet in de tempel, in het huis
van God? En - weliswaar in bescheidenheid - is er niet nog meer? Zijn wij ook
zelf niet de tempel die door Jezus Christus wordt gebouwd?
Kunnen wij in verwachting van
'het einde der dagen' niet nu reeds zingen/bidden
"Hoe blij was ik toen zij mij zeiden Wij gaan op naar het huis van de
Heer"/"Hoe blij was ik, toen men mij riep: wij trekken naar Gods
huis"? Voor ons geldt toch ook dat wij "loven de naam van de
Heer" en "de zetels ten gerechte" benutten en nuttig maken. Wij
bewandelen toch ook Zijn paden om hier te komen. Is dan niet de mooiste wens
die we mogen horen en zelf kunnen zeggen "Om mijn
broeders en om wie mij nazijn laat mij spreken 'vrede over u'! In het huis van
de Heer onze God, vraag ik dat gij gezegend zult
zijn"/"Ter wille van mijn broeders en mijn makkers wens ik u vrede
toe; ter wille van het huis van onze God bid ik om zegen voor u"? En dat
in hoopvolle verwachting van … gericht op … wandelend in het Licht van de Heer.
De tempel van de Heer en wij zelf beginnen samen te vallen in Jezus Christus.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Je kunt met van alles bezig zijn, plannen maken en leuke dingen
doen, maar als er geen visie is, geen toekomstbeeld is, als er geen toekomst
een beeld geeft, uitbeeldt, wat is er dan? Gaat het dan weer als toen met de
zondvloed? Zondvloed is niet wat alleen maar toen en daar gebeurde, ze is
altijd mogelijk; dat kunnen we om ons heen zien. Moge
het visioen van Jezus jou een inhoud bieden. Samen met hem kun je het waar
maken voor zover in jouw vermogen. Samen met hem er vreugde aan beleven.
De 1e lezing besloot
met "Huis van Jakob, laat ons wandelen in het Licht van de Heer".
'Huis van Jakob' - voor de Jood een plechtige oproep. Hoe zou zo'n plechtige oproep voor ons in hoopvolle verwachting
luiden? Voor ons - voor alle volken. Zullen we ons daarvoor een paar minuten
gunnen?
2e zondag van de Advent jaar A 9 december 2001; '04; 2007
Jes 11, 1-10; psalm 72; Mt 3,
1-12.
Psalm 72
Rechtvaardig zal hij uw volk besturen en opkomen voor het recht van de armen.
De
rechtvaardige kan in zijn dagen ontluiken in een wereld vol vrede, tot de maan
niet meer glanst.
En heersen zal hij van zee tot zee, van de Grote Rivier tot aan
het einde van de aarde.
Hij redt de
misdeelde die om hulp smeekt, de verdrukte, door niemand geholpen.
Wie achtergesteld
zijn, toont hij erbarmen, wie zwak en onderdrukt is redt hij het leven.
Laat zijn naam voor
eeuwig blijven, en weerklank vinden waar de zon ook maar schijnt.
Alle volken zullen
zich om hem gezegend noemen en zullen hem gelukkig prijzen.
De vorige week hebben we in de 1e
lezing de oproep gehoord "Kom, laat ons optrekken naar de berg van de
Heer" en "Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de
Heer". Die oproep wordt nu wat concreter ingevuld doordat aangegeven wordt
dat het om iets fundamenteels gaat, iets dat diep in ons aan de hand is, om een
wortel. Jesaja hanteert een beeld dat men kende: van de boom rest niets meer
dan een stronk, d.w.z. Israël (de boom) is gekapt, vernietigd om haar
ongerechtigheid. Als dan alles opgeruimd is, rest een stronk met de goede
wortel, in goede aarde. Daaruit wordt iets geboren dat - laat me noemen - echt
is, is zoals bedoeld, puur, góede vrucht, een nieuwe twijg.
Want de Geest van de Heer rust er
op, op die twijg - persoonlijk gezien: de Geest des Heren rust op een hem en
wij zeggen dan net zo goed: ook op een haar. Die twijg moge staan voor
ieder die uit de stronk van Isaï is, die gevoed wordt door Gods Geest. Gods
Geest die bij de schepping
was, toen de mens werd geschapen. Hij biedt Zijn zes gereedschappen aan
om te handelen in de praktijk en dan straalt de Vreze des Heren naar buiten,
want Die rust op een mens. Zes scheppingsdagen om actief te zijn en dan te
genieten en te schijnen. Zes geesteseigenschappen die vernieuwend zijn, ruimte
maken, een bestaand kader overstijgen.
Het geldt voor ieder die uit de
stronk van Isaï is, wil zijn. Het gaat om iets dat diep in ons bestaan aan de
hand is, in onze wortels. Als we alles wat aan onze buitenkant zit,
uiterlijkheid, weglaten, krijgt de Geest van de Heer kans om met wijsheid,
verstand, goede raad, moed, liefde en vreze in ons te werken en zal zowel ons
ontzag voor de Heer als ook zorg van de Heer voor ons uitgestraald worden door
ons, want Die Geest rust op hem, op haar, op ons.
Dan schorten wij ons kleed op
met de gordel van gerechtigheid en zo gaan we aan het werk. Dan is er geluk en
- zou je kunnen zeggen - dan is er niet eens vrijheid nodig; er is immers geen
enkel probleem; het kind steekt immers zijn hand gewoon in het hol van de
slang. Dan geldt dat intense beeld: als die vrede heerst, zal de gehele aarde
vervuld zijn met liefde tot God, zijn wij omhuld, bedekt, ondergedompeld in
Liefde zoals het zeewater de aardbodem bedekt. Een oerbeeld.
Het klinkt allemaal heel mooi,
de praktische uitvoering is wat taaier, maar mogen we dat beeld, dat uitzicht,
dat visioen niet koesteren en hanteren? Het leeft toch diep in ons! Stukje voor
stukje dat waar maken, erin groeien, want het belooft dat, als ons het lukt, in
zoverre als ons het lukt, dat "op die dag" die wortel van Isaï voor alle
volken een banier zal zijn, zal de hele wereld zien wat in de Geest des
Heren mogelijk is.
Het evangelie maakt nog meer
concreet dan de 1e lezing, het kondigt aan dat Het Rijk der hemelen
nabij is, dat op handen is datgene dat mogelijk wordt in de Geest des Heren. Na
de oproep van Jezus om waakzaamheid - de vorige week - wordt ook hier meer
uitgewerkt waar het om gaat. Johannes predikte in de woestijn. De woestijn soms
voorgesteld als een plaats van eenzaamheid en verschrikking, nu een plaats waar
het gewone leven niet overheerst, waar stilte is en ingetogenheid, waar het
diepe in ons aangeboord kan worden, waar een stem gehoord kan worden: de
vervulling is nabij. "In die tijd", toen Johannes bezig was, verwijst
naar "op die dag" als de banier van de wortel van Isaï wappert voor
alle volken.
Via hetgeen
Johannes aan kleding droeg wordt verwezen naar de profeet Elia, die terug moest
komen, een hoop op wat komen moest. Daarnaast was de Messiasverwachting van het joodse
volk nogal actueel vanwege de Romeinse bezetting. Mocht toch het Rijk van David
worden hersteld ! Veel mensen trokken dan ook naar op
Johannes als naar de berg van de Heer en ze zijn bereid zich te bekeren en …
hun zonden te belijden.
Johannes vraagt wel naar diepgang:
mensen die niet tot het hart gaan, die zich afschermen met de gedachte dat zij
vanwege hun afkomst eigenlijk al veilig zijn, die Abraham tot vader hebben, van
afkomst Jood zijn, die mensen wijst hij af. Zij geven zich niet bloot. Johannes
hanteert het O.T.-ische gegeven van 'de toorn van
God'; die dringt diep door, door alle uiterlijkheid heen. En nu gebruikt hij
ook het beeld van de wortel maar nog verregaander dan in de 1e
lezing, waar nog sprake is van een stronk. Als de bijl aan de wortel ligt, is
zelfs de stronk in het geding. Zelfs die moet weg zodat de twijg zo nieuw
mogelijk is. Daar gaf de wortel nieuw leven, in goede grond; ook hier kan de
twijg groeien op grond van bekering. Johannes vraagt om de wortel, radix,
radicaal, diep, echt. Het Rijk van David dat Johannes voor ogen had, ligt
kennelijk niet aan de oppervlakte. Water is nog maar het begin; vuur en Heilige
Geest dringen dieper door.
De 1e lezing ziet uit
naar een nieuwe persoon, op wie ook de Geest des Heren rust. Jesaja doelt op
het herstel van het Rijk van David, de jongste zoon van Isaï, die als koning
zorg zou dragen voor gerechtigheid en vrede. De tussenzang, psalm 72, gaat dan
ook over hem en over een nieuwe rechtvaardige koning die in Naam van God heil
brengt. Wij - in het N.T. - hebben de psalm gezongen/gebeden als zijnde van
toepassing op Jezus, zoon van David. Maar hebben we haar ook niet
gezongen/gebeden met iedere rechtvaardige in ons achterhoofd die het Rijk der
hemelen, van Jezus, nabij brengt, waar maakt ?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Mensen groeien voortdurend maar in je jeugd groei je het snelst. Nu
reeds diepgang bereiken in je groei naar je leven, in
je groei naar God, naar het koninkrijk, geeft je een voorsprong. De Geest des
Heren moge je daarbij helpen en als je niet goed weet waar je op moet letten,
let op Jezus. Hij heeft diepgang, de Geest, maximaal.
'Op die dag zal de banier
wapperen', 'in die tijd kondigde Johannes het Rijk aan'. Zien wij uit naar die
tijd, zien we haar?
Zullen we ons daarvoor een paar
minuten tijd gunnen?
Derde
zondag van de Advent jaar A 16
december 2001; '04
Jes 35, 1-6a.10; psalm 146; Mt
11, 2-11
Psalm
146 Kom,
Heer, om ons te redden.
Hij
blijft bedacht op trouw voor altijd, voor het recht van de onderdrukten komt
Hij op,
Hij
geeft de hongerigen brood, de HEER maakt gevangenen vrij,
de HEER opent blinden de ogen, de HEER richt verslagenen op,
de HEER heeft de rechtvaardigen lief;
de HEER neemt de vreemdeling in bescherming,
wees en weduwe staat Hij bij; maar de bozen zet Hij op een
dwaalspoor.
De HEER is koning, koning voor altijd; Sion, de HEER is jullie God, van generatie op generatie.
In de ballingschap, in
Babylonië, in den vreemde, in ellende, klinkt de vreugdekreet van een profeet:
"De Heer zegt: woestijn en steppe zullen zich verheugen … de mensen zullen
de glorie van de Heer aanschouwen". Waarop stoelt Jesaja dat? We weten dat
zo iets niet per parachute wordt gedropped. Hoe komt
een vólk er bij om te accepteren dat een 'Beloofde' zal komen en daarnaar uit
te zien? Is het gewoon hoop die iedereen koestert die in moeilijkheden
zit, zoals de ouderen onder ons hebben gehoopt in de oorlog, zoals een zieke
hoopt, een kinderloze, iedereen die de hoop (nog) niet heeft opgegeven? Dat zou
je nog onder het motto levensbescherming kunnen plaatsen; ieder mens wil zijn
leven in stand houden.
Er is echter nóg meer aan de
hand omdat een profeet het zegt, die in de Naam van de Heer spreekt, in de
Kracht van de Heer. Dan hebben we te maken met wat we de vorige week hebben
gelezen over de Geest, de Geest van wijsheid en inzicht, van beleid en sterkte,
van kennis en ontzag voor de Heer. Dat een volk uitziet naar 'de Komende' heeft
ook met die Geest te maken. Het gaat om meer dan hoop om te overleven, het gaat
om hoop die gevormd wordt in een leven dat is gebaseerd op gerechtigheid.
Gerechtigheid is een levensinvulling die 'naar boven' reikt. Dat leeft in het
hart van de gerechte persoon, van een gerecht volk. Dat heeft God in hen
gelegd, wekt HijZ in hen op, dat is Zijn Kracht.
In die Kracht gaan de ogen van
de blinde weer open, horen doven, dansen lammen en spreken stommen: de wereld
gaat op zijn kop, het onmogelijke gebeurt. Degenen die verlost zijn keren toch
terug naar Jeruzalem, naar hun basis, waarvan ze alleen maar droomden. Over dat
verlost zijn hebben we (of) gezonden in de tussenzang "Een
loflied voor de Heer, heel mijn leven", gedurende mijn leven zing ik een
loflied voor Hem - mijn leven is een loflied voor hem geworden, aan het worden
(of) … gebeden in de tussenzang in hoop op redding omdat de Heer altijd
zijn woord gestand doet. Bij verlossing/redding denken we al gauw aan eigen
ervaringen, hetzij in het vlak van lichamelijke, hetzij in het vlak van
psychische nood, als we niet meer kunnen, als we moeten afwachten, loslaten,
overgeven. Maar weer: er is meer aan de hand.
In het evangelie wordt verteld
hoe Johannes in nood is, niet zo zeer dat hij in nood is maar vooral hoe. Hij
is onterecht gevangen
genomen omdat hij als gerechte optrad tegenover Herodes. Natuurlijk hoopt hij
op verlossing uit dat onrecht maar zijn vraag is een van geloof, een geloof
waarvoor hij zich heeft ingezet: verlossing door vergeving van zonden, van
invulling van de belofte over 'de Komende', die die
verlossing en vergeving waar zou maken, die ruimte zou maken voor Gods
gerechtigheid, zonder welke de aarde niet kan leven. Zou
Johannes zich hebben vergist, zou zijn levensinzet voor niets zijn, zijn leven
niets waard zijn, zou datgene waarvan hij vond dat in hem was gelegd, dat in
hem leefde, onwaar zijn? Waar is zijn profeet die hem uit die
onzekerheid verlost?
Jezus laat hem
zeggen dat de blinden, lammen, doven, melaatsen genezen, zelfs doden staan op.
Dat zijn de mensen die in de 1e lezing van Jesaja worden genoemd.
Gerechtigheid ontluikt. Hij voegt er ook nog een categorie mensen aan toe: de
armen, mensen die arm aan Geest zijn, behoeftig,
die de goede boodschap van vergeving en verlossing ontberen, die uitzien naar,
die verlangen naar de Geest waarin Jezus doopt. Mensen die daarin herkennen wat
al in hen is gelegd en wat niet alleen geboren moet worden maar ook na de
geboorte moet kunnen leven in het Rijk der hemelen. Jezus
troost Johannes, bevestigt hem: neem geen aanstoot aan mij, integendeel. Kijk
maar en hoor: Ik ben degene die je verwacht, waarop je hoopt, voor wie je je hebt ingezet.
Jezus
bevestigt Johannes ook t.o.v. zijn toehoorders: hebben ze iemand gezien wiens
jasje naar de wind waait, iemand met mooiigheid aan de buitenkant? Nee, mensen
met mooiigheid aan de buitenkant, de Joden uit Jeruzalem die het zo goed
wisten, die Abraham als vader claimden - die wijst hij af, en als Johannes'
jasje naar de wind had
gewaaid, was hij niet gevangengezet. Ze hebben nog meer gezien dan een Jesaja,
en wel iemand over wie geschreven staat: "Zie Ik zend Mijn engel voor u
uit om de weg te bereiden, onderweg te beschermen … want in hem is Mijn Naam
geschreven", Mijn Kracht. Zo iemand hebben ze gezien.
Daarmee houdt het nog niet op.
Het Rijk der hemelen is nóg meer dan wat Johannes bracht: God is daar Zelf in
Jezus, die Johannes ongetwijfeld daarin heeft opgenomen, ook omdat Johannes
daarnaar uitzag, omdat hij herkende wat al in hem was gelegd: gerecht zijn, een
Godskind zijn.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. In je groei naar volwassenheid komen authentieke elementen aan bod,
de vraag wat en hoe je eigen-lijk, echt bent, wilt
zijn. Het zij je gegund dat je merkt dat je reikt naar het oneindige, De
Oneindige. Wellicht kan Johannes je daarbij inspireren. Wie weet wordt jouw
leven een loflied.
We zijn onderweg naar het Kerstfeest. Ligt er in ons iets wat we herkennen als zijnde
van God afkomstig, waarnaar we verlangen, authentiek ?
Vierde
zondag van de Advent jaar A 23
december 2001; '04 ('07)
Jes 7, 10-14; psalm 24; Mt 1,
18-24 (Voor O.T. de Willibrord '95 aangehouden; voor
catechese jonge vrouw = gelovend volk zie aldaar.
Over Meister Eckhardt zie
artikel Peter Raedts in NRC d.d. 21-12-01, boeken)
Psalm
24 De Heer moet de poorten binnengaan,want Hij is
de koning der glorie.
Aan de HEER behoort de aarde en al wat zij omvat, het vaste land en
zijn bewoners:
Hijzelf
heeft haar op de zeeën vastgelegd en op de stromen verankerd.
'Wie mag
de berg van de HEER bestijgen? Wie mag op zijn heilige plaats staan?'
'Wie
zijn handen schoon en zijn hart zuiver houdt, wie niet tot afgoden bidt
Hij
ontvangt zegen van de HEER, welvaart van God, zijn helper.'
Ja, zo
is de mens die Hem zoekt en die dingt om uw gunst, o Jakob.
De vorige week hebben we de
oproep van Jesaja gehoord: "Maak de bevende knieën sterk". Dat was in
de ballingschap. Nu stelt hij dat het volk Gods, Israël, sterk is, in
ieder geval hoopt - een sterke hoop want zij zal vrucht brengen. Het is die
hoop die hun God in hen heeft gelegd. Tegen Achaz,
die niet weet wat hij moet doen in de politieke situatie van dat moment, tegen
die aarzelende koning zegt Jesaja dat hij niet bang hoeft te zijn: 'vraag maar
een teken, het zij uit de diepte der onderwereld, hetzij uit de hoogte
daarboven.' Maar Achaz ontwijkt met een smoes. Dan
zegt Jesaja zo ongeveer: 'ben jij nou een koning uit Davids huis? De mensen
verwachten iets van je en nu terg je ook God nog met je getalm. Het teken is er
allang nl. het volk - de jonge vrouw -, dat leeft in
de hoop van de gerechte. Uit dat volk, uit die stronk, komt voort de nieuwe
twijg, de zoon, een van hen, die 'God-met-ons' zal
laten zien'.
Zo is het volk waarvan we hebben
gebeden/gezongen in de tussenzang. Het volk met reine handen en zuiver van
hart. Het volk dat gerechtigheid kent, die erkent als van God afkomstig, als
door Hem in hen gelegd. Daarom herkennen zij het ook als zijnde goed. Het volk
dat de berg van de Heer mag bestijgen omdat het aan die gerechtigheid gehoor
geeft. Zo willen ook wij graag zijn, wij die dat hebben beaamd in de
tussenzang.
De kern is dat wij als
gelovenden accepteren, weten, dat die gerechtigheid, die hoop, bij onze
schepping in ons is gelegd, in ieder mens aanwezig is, en dat de volgelingen
van Jezus Christus dat tot uiting brengen, zichtbaar maken, baren, met behulp
van hem. Als het niet reeds in ons aanwezig was, niet
in ons mens-zijn lag, geen aansluitpunt in ons zou hebben, zouden wij het niet
herkennen, zeker niet als van God afkomstig. Het is Gods Geest - reeds actief bij de schepping - het is Gods Geest die dat in
ons wakker roept. We zijn geneigd om dat zwanger zijn te beperken tot Maria,
een keer in de geschiedenis. Maar Maria staat voor Gods volk,
voor ieder die in geloof, in zijn op God gericht zijn, kan zeggen en ook zegt:
"Zie de dienstmaagd - of dienstknecht - van de Heer"; Maria staat
voor ieder die die hoop erkent als van God afkomstig,
voor ieder die - zoals de Rijnlandse mysticus meester Eckhardt
zegt - de geboorte van God in zijn ziel zoekt, ontdekt; Maria staat voor ieder
die het Godskind zijn helemaal in zich laat binnenkomen en het vervolgens naar
buiten draagt, naar buiten laat blijken in zijn handelen.
Jozef is een gerechte zoals
Johannes de Doper ook was. Als hij - volgens het verhaal - merkt dat Maria ten
onrechte zwanger is, sleept hij haar niet voor het gerecht zodat ze gestenigd
kon worden, maar besluit hij in stilte van haar te scheiden, zonder
ophef. Een gerechte wordt hier heel typisch getypeerd. Jozef hield vast van
Maria en zijn liefde gaat zover dat hij niet voor een of ander recht van hem
opkomt maar zijn teleurstelling, haar ontrouw, verbijt, draagt. Liefde die het
beste met de ander voor blijft houden, ook al wordt ze door de ander
aangevallen. Wie doet hem dat na? Het past kennelijk niet in zijn houding, in
zijn op God gericht zijn, om door God gewilde levens te vernietigen. Wie doet
hem dat na, in onze tijd?
Als Jozef met die gedachte aan
scheiding rondloopt, krijgt hij een droom zoals Jakob een droom kreeg op reis
naar het land waar hij zijn vrouw zou verwerven: engelen daalden af naar de
aarde en stegen weer op naar de hemel via een ladder en ineens stond JHWH bij
hem en beloofde hem land en nakomelingen. In zíjn droom wordt Jozef
aangesproken met 'zoon van David'. Eenzelfde lading als toen Achaz werd aangesproken met 'huis van David'. Officieel.
Jozef moet dragen, draagt het rijk van David, waaraan geen einde aan zou komen
- volgens de belofte via de profeet Natan door JHWH
aan David gegeven. Zíjn engel zegt zo ongeveer: "Jozef, Gerechte, via haar
zal het Rijk zich voorzetten, het Rijk van de Goede Geest, van vergeving en
redding. Wees niet bang om haar op te nemen. Het is immers al voorzegd door de
profeet van de hoop." De gerechte neemt haar op en dient zo het komende
Rijk. Wij weten dat via haar zich een heel nieuw Rijk
heeft ontwikkeld - nog groter dan het rijk van David.
Het zij ons gegeven dat wij ons
gaan herkennen in zowel Maria als Jozef. In Jozef die zorgde en beschermde;
Jozef die er is. In Maria die is; zij is die door God is aangeraakt, "want
die door God wordt aangeraakt, is tot Zijn heiligdom gemaakt; zij is een ark
van het Verbond, een tempel waar de Geest in woont".
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Juist in de jaren waarin je opgroeit, ben je ontvankelijk voor dat
pure, eerlijke, voor datgene wat je kern raakt, voor wat je bent - graag wilt
zijn - en dan denk ik aan Maria. Maar ook ben je bereid te doen, je bent er om
de wereld te verbeteren of hoe je dat wilt noemen en dan denk ik aan Jozef. Beide
staan in Gods dienst.
Accepteren, weten dat er een
oerpunt van God in je is gelegd en uitzien naar de
geboorte ervan, naar de inwerkingtreding ervan. Zullen we ons daarvoor even de
tijd gunnen?
Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18
Psalm 98 Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij
gedaan:
zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.
De HEER heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor
de ogen van de volken.
Zijn liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:
zelfs de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God
aanschouwd.
Heel de aarde, juich voor
de HEER, breek uit in
jubelen en zingen.
Zing voor de HEER en speel om Hem te eren, speel op de lier, zing met luide stem.
Onder het schallen van
ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.
We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te
komen. Op de 1e zondag hebben we vernomen de oproep van Jesaja
"Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer" en
" Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer". De 2e
week was er die mooie vergelijking over de stronk die nog met haar wortel in
goede aarde lag en waaruit een nieuwe twijg opbloeit waarop de Geest des Heren
rust. Op de 3e zondag hebben we gelezen hoe Jesaja het waagde in de
ballingschap een vreugdekreet te uiten naar een volk dat uitziet naar de
Komende, een volk dat zich richt op gerechtigheid en dus hoopt; en afgelopen
zondag zagen we hoe Jesaja het gelovende volk zwanger noemt van die hoop, die
in de mensen is gelegd. Nu is het zover, we staan zelf in het beleven van die
hoop.
Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat zij
gestalte heeft gekregen, zichtbaar is geworden en effectief. Ook voor ons geldt
dat die hoop al bij onze schepping in ons is gelegd - een aansluitpunt naar wat
boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen
naar Wie we God noemen én dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten
zien. Ondanks alle poes-pas erom heen, is Kerstmis
een intiem feest omdat het in ons aanknopt bij ons eigenste en ons meeneemt
naar Boven.
Je zou misschien wel kunnen zeggen dat ook Johannes de
evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in
de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het
wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de
hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en
plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas
en Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees
geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën
oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.
Dat is wat Johannes in zijn
leven heeft geleerd, een geloofsbelijdenis: 'In begin was het Woord', wat
vrijer vertaald: beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was, en ook hoe
het was nl. naar God toe toegewend, bij God (de
Vader); het Woord is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft
voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort
geloofsbelijdenis als waarmee de bijbel begint: 'Punt
van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is
alleen maar te zeggen in geloof in het Hogere, het Hogere dat de mens in zich
herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord
gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om
goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht,
om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht,
geloofslicht, geloofszicht.
Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel niet
zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal
machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf
in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons.
"Het Woord dat vlees geworden is, het groot en
goddelijk begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan hoe
goddelijke liefde is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden
uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel
begonnen als mens vanuit een man afkomstig maar worden dan 'van omhoog
geboren', sluiten aan bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.
Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft
aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol
genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt in
een kind, dat kind.
Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in het
Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft maar ook inspireert om
goed te doen.
Zo - kun je zeggen - zal de Heer via het doen van mensen regeren, zal Sion's God Zijn kracht laten zien, die verlossing uit de
ballingschap voor de Joden bewerkte tot hun grote vreugde. Maar die kracht, zo'n heil, is voor de hele aarde, voor alle schepselen
bestemd. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.
Als wij hier nu het feest van de menswording vieren, van
'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog eens met
groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars aansteken en
ons zo laten raken?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst vieren
met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om
iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer
nieuw maakt? Dat jou raakt? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is,
jouw licht?
"Al wat door God wordt
aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn.
Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?
Sir 3, 2-6.12-14; psalm
128; Mt 2, 13-15.19-23
Psalm
128 Gelukkig de man die ontzag kent voor de HEER, en de wegen van de HEER bewandelt.
Van de
vruchten van je arbeid zul je leven, je zult gelukkig zijn en het zal goed met
je gaan.
Je vrouw
is een vruchtbare wingerd die
bloeit binnen in je huis;
je kinderen staan rond de tafel geschaard als jonge
olijfbomen.
Ja, die
zegen is voor de man die ontzag kent voor de HEER.
Ontvang
vanuit Sion de zegen van de HEER;
verheug je bij het zien van Jeruzalems
geluk, alle dagen van je leven.
En zelfs de kinderen van je kinderen zul je nog zien.
Vrede over Israël.
"De Heer heeft aan de vader aanzien gegeven bij zijn
kinderen en Hij heeft het oordeel van de moeder bindend gemaakt voor haar
zonen." Een standpunt, een geloofsbelijdenis van de vrome, die zo de
natuurlijke situatie van vader-moeder-kind optilt,
die zo zijn ervaring en die van de zijnen binnen het gezin als gekregen duidt,
als van God gegeven.
Natuurlijk kan de niet-vrome die uitspraak ook misbruiken
maar binnen het geloof geeft dat standpunt een enorme lading aan wat in een
gezin gebeurt. Er is sprake van recht, vooral waar het de moeder betreft: zelfs
over haar zonen heeft zij bevoegdheid. Evenwel, boven
het recht uit krijgt de binding die God aanbiedt gestalte in wat in het gezin
gebeurt aan goede ervaringen. HijZ is daar. Recht is een basis waarop Gods
genade voortbouwt.
De 1e lezing vervolgt met een aantal voordelen
voor degene die zijn vader en moeder eert, o.a. beleeft hij vreugde aan zijn
eigen kinderen. En dan staat er als afsluiting een soort slagzin: "Wie ontzag heeft voor de Heer, eert zijn ouders": ook
weer een houding die uitgaat van de bond van God met Zijn volk, weer een
eeuwigheidswaarde voor een aards gegeven.
"Eert uw vader en uw moeder" is niet alleen
terecht omdat jij je leven aan hen dankt omdat zij voor je zorgen en leren te
leven maar ook omdat zij jou over God leren, hun geloof voorleven en zo jou de
gelegenheid geven ook daarin zelf God te leren kennen. Is er een bodem die
vruchtbaarder is dan de intimiteit van het gezin? Intimiteit die een
ontvankelijkheid voor dat onzeglijke uitspreidt. Intimiteit die tot God voert.
Die intimiteit, geborgenheid, zekerheid blijft niet steken
in een kleine kring. In de tussenzang hebben we de psalm gezongen die de man
gelukkig prijst die de Heer vreest. Zijn werk slaagt, zijn vrouw en kinderen
zijn zijn trots en dan blikt de psalm naar buiten:
geluk voor Jeruzalem, Gods volk, de samenleving. Het gezin als de kleinste cel
van de maatschappij. Maar ook als kern voor de parochie, de Kerk.
Onze samenleving kent verschillende soorten kernen en
gemeenschappen. Kan daar geen intimiteit van God afkomstig functioneren, zij
het in een variant, en ook geen verbond met God dienen? Ook in een geloofsgemeenschap
zal persoonlijke ervaring van intimiteit met God vruchtbaar kunnen zijn voor de
leden ervan. Is die intimiteit ook geen dragende kracht om het Kerstfeest te beleven?
Het evangelie verhaalt de opdracht die Jozef krijgt:
"sta op". Jozef is een tsaddiek, een gerechte, hij wilde zelfs zonder
ophef, in stilte van Maria scheiden. Een gerechte staat in verbond met de Heer
en doet wat Die zegt, plichtsgetrouw, bezorgd. We kennen de afbeeldingen die de
vlucht van die drie naar Egypte voorstellen. Ook op die vlucht functioneert
intimiteit: zij gedrieën. Staat dat verhaal dan niet voor de zorg die God heeft
om de Zijnen, beeldt Jozef zo niet uit hoe God is? Is het dan niet ergens een
eer voor een vader om de spreekbuis, een goede handlanger te Zijn van de goede
God? Is de verbondenheid die de moeder voelt met haar kind geen beeld van Gods
Verbond?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In geen enkel
gezin gaat dat ideaal beeld helemaal op. Er zijn zelfs gezinnen waar intimiteit
en geborgenheid (te) gering zijn. Maar is het dan toch niet de moeite waard om
het - zodra je de kans krijgt - dat ideaal na te streven? Je mag je gesteund
weten door het kerstverhaal, door het verhaal van Gods zorg.
"Sta op, neem het kind en zijn moeder …" Welke
betekenis geven wij daar aan?
Doop van de Heer
13
januari 2002; '05
Jes 42, 1-4.6.7; psalm 29; Mt 3, 13-17 (voor
'gerechtigheid' zie desgewenst 'bijbelse begrippen')
Psalm
29 Zonen
van God, huldig de HEER, huldig de glorie en macht van de HEER,
huldig de heerlijke naam van de HEER, buig diep voor de HEER
als Hij verschijnt in zijn heiligheid.
De stem
van de HEER over de wateren, de HEER over de machtige wateren,
de HEER met zijn machtige stem, de HEER met zijn ontzagwekkende stem.
En in zijn
paleis zegt ieder: 'Glorie de heer'.
De HEER troont op de bandeloze vloed,
de HEER troont als koning voor altijd.
de HEER zegent zijn volk met vrede.
De 1e lezing uit het O.T. is van de profeet
Jesaja als het einde van de ballingschap nadert: het heil is aanstaande. Dat
heil is nu definitief begonnen met de doop van Jezus in de Jordaan.
Misschien is in de lezing de zinsnede opgevallen
"Ik, de Heer, roep u in gerechtigheid". De nieuwe vertaling zegt:
"Ik, de Heer, roep u om heil te brengen". Beide elementen gelden: Ik,
de Heer, mijn Naam is 'JHWH': 'Hij-is-er' - om Zijn
volk heil te brengen, en het tweede: Ik, de Heer, doe mijn Naam gestand, zo ben
Ik gerecht; Ik, de Heer, ben zo. Dat heil hebben we bezongen/geroemd in de tussenzang
"huldigt Hem om Zijn glorie en macht, huldigt Hem om de roem van Zijn
Naam". In zijn tempel op aarde en aan de hemel geldt Zijn gerechtigheid.
Rechtvaardigheid op aarde mag een nuttig overlevingsprincipe zijn - als men
haar weerspiegelt ziet aan het firmament, kan hemelse gerechtigheid door
rechtvaardigheid op aarde worden waargemaakt en kan andersom hemelse
gerechtigheid die op aarde inspireren. Dat is Gods heil. Zo zegent HijZ Zijn
volk met vrede.
Aan het firmament staat niet geschreven dat zij
gerechtigheid weerspiegelt. Mensen voelen aan, zien in dat Gods gerechtigheid
moet zijn als het firmament. Een geloofsduiding, geloofsbeleving: God laat aan
mensen zien hoe heerlijk Zijn gerechtigheid is, zoals het firmament, en HijZ
roept mensen om haar te laten stralen: Zijn dienaar die HijZ steunt om overal
op aarde sterk en voorzichtig, eerlijk en onvermoeid die leer uit te dragen,
aan te bieden, te laten spreken, want God is met hem en maakt hem tot een licht
voor alle volken.
Met dat beeld komen we bij het evangelie. Misschien is de
zinsnede opgevallen "Laat het nu zo zijn: want zo
past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen". De nieuwe vertaling
zegt:"Laat nu maar, want zo past het ons de gerechtigheid volledig te
vervullen". De gerechtigheid die God bedoelt met Zijn schepping, waarmee
God Zijn Naam waar maakt, die gerechtigheid zal nu volledig worden vervuld;
meer dan vanaf nu geschiedt kan niet, vanaf nu als Johannes doopt tot vergeving
van zonden, voortgezet en voltooid door Jezus uit Galilea.
In die zinsnede zit ook een ander element: "Zo past
het ons …". Matteüs is de enige evangelist die dat vermeldt. Het
past ons. Er wordt een reeds bestaande band
verondersteld tussen Jezus en Johannes, ze kennen elkaar al, in ieder geval
hebben ze dezelfde taak op zich genomen en zijn ze zo bekend met elkaar. Mag
men in zo'n situatie van dezelfde hemelse gerichtheid
ook spreken over een intimiteit? Beiden dienaars van de Heer, op wie HijZ Zijn
Geest uitstort.
De een nog nederiger dan de ander. Als Johannes Jezus
ziet, zegt hij natuurlijk dat Jezus hem niet nodig heeft, maar andersom dat hij
Jezus nodig heeft. Maar Jezus beroept zich op hun gezamenlijk doel:
gerechtigheid volledig waar maken. Is intimiteit dan zo vreemd? Het gaat immers
verder dan kameraadschap omdat het om Gods Gerechtigheid gaat, om Gods Liefde
voor Zijn volk.
Als Jezus zijn intimiteit met zijn Vader ervaart, als hij
de hemelen open ziet gaan en Gods Geest op zich neer voelt komen, ervaart hij
zijn intimiteit met zijn Abba en wordt daardoor zijn intimiteit met Johannes
nog verder ingevuld. Is er groter genieten van heil mogelijk? Meer vrede?
Wij zijn ook gedoopt, met het doopsel van Jezus. De
intimiteit van Jezus wordt ons aangeboden, die van hem met Johannes, die van
hem met Zijn Vader. Is er meer om van te genieten? Geldt 'dienaar/dienares van
de Heer' dan ook niet voor ons - inclusief ons menselijk tekort? De Geest is er
ook voor ons - ook Diens voorzichtigheid, sterkte, eerlijkheid en
onvermoeidheid. God neemt ons bij de hand, gerecht, intiem.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In je groei
naar volwassenheid voel je intimiteit wellicht soms als een rem, soms als een
stimulans want het gaat om je eigenheid. Moge die nabijheid zoals die was
tussen Jezus en Johannes een goede mogelijkheid bieden, een invulling zijn hoe
'gerecht' nabijheid kan zijn, ook Gods nabijheid.
Zullen we ons gedoopt geworden zijn en ons gevormd
geworden zijn voor de geest halen en zien of we ervan kunnen genieten? Dan
spreekt het vanzelf.
Tweede zondag door het jaar A
20 januari 2002; '05
Jes 49,
3.5.6; psalm 40; Joh 1, 29-34
Psalm
40 Vurig zag ik uit naar de HEER; Hij boog zich en hoorde mijn roepen.
Een
nieuw lied gaf Hij mij in de mond, een lofzang voor onze God.
Velen
zien wat de HEER heeft gedaan, en vertrouwen op Hem, vol ontzag.
U wenst
geen slachtoffers en geen geschenken; om te luisteren hebt U mij oren gegeven,
brandoffers en zoenoffers vraagt U niet.
Daarom zeg ik: 'Hier ben ik, ik sta klaar'; over mij
staat in de boekrol geschreven:
'Uw
wil uitvoeren, mijn God, is alles wat ik wens, uw Wet is voor mij vlees en bloed'.
Van uw
heil ben ik de blijde verkondiger binnen de grote gemeenschap.
Mijn
lippen houd ik niet gesloten, dat weet U, HEER: ik houd uw heil niet geheim diep in mijn
hart:
van uw trouw en redding maak ik melding;
ik verzwijg voor de grote gemeenschap niet
het verhaal van uw liefde en trouw.
En U, HEER, zult uw hart niet sluiten voor mij; uw liefde en trouw
zullen mij altijd beschermen,
In de bijbeltekst voorafgaand aan
wat we hebben gelezen zegt de profeet Jesaja dat de Heer iets met hem heeft:
toen hij nog in de moederschoot was, heeft God hem geroepen, hem bij zijn naam
genoemd. En in de 1e lezing hebben we gehoord dat de Heer hem tot
Zijn dienaar heeft geroepen om Israël te redden - ook reeds
in de moederschoot. Dat is nogal wat. Als je dat durft te zeggen, moet je wel
heel zeker van je zaak zijn. In vers 4 zegt Jesaja dan ook dat hij vol heeft
moeten houden en daardoor is beproefd. Door die beproeving is hij zeker
geworden dat hij dienaar van de Heer is, wil zijn, zo zeker hij dat hij zegt "Ik sta bij de Heer in ere en mijn God is mijn
sterkte". In die beproeving heeft hij "Jakob", het Joodse volk,
willen redden; dat is misschien nog niet of nauwelijks gelukt maar toch wil hij
verder. God zegt nl. dat hij ook nog een licht voor
de andere volken moet zijn, tot de grenzen der aarde. De profeet is kennelijk
tot het inzicht gekomen dat Gods heil zo groot is dat de hele wereld ervan kan
genieten - ervan móet genieten want liefde wil alles. Hij accepteert dat inzicht
als van God afkomstig; hij mag en wil immers Zijn dienaar zijn.
Is Jesaja's zekerheid fanatisme
of een heilig moeten en kunnen? Later blijkt wat hij eigenlijk in zichzelf al
wist: geroepen zijn vanaf de moederschoot. Is er meer intimiteit mogelijk? Meer
beproefde zekerheid?
Die intimiteit, zekerheid, die wil om dienaar te zijn
hebben we bezongen/ - daarvan hebben we gebeden in de tussenzang: de zinnen
"Toen heb ik gesproken: Hier ben ik" en Gij, Heer, weet dit van
mij"/"Dus zei ik: ja, ik kom" en "Heer, Gij weet het",
die zinnen spreken boekdelen voor de profeet, maar ze liggen ook voor ons
klaar. Gods wil te doen betekent dat je dat goede gevoel van zekerheid en
intimiteit niet in jezelf gevangen houdt maar daarmee naar buiten treedt. Met
intimiteit naar buiten treden? Dat doe je niet zomaar, maar die intimiteit
voedt wel je zekerheid.
In het evangelie komt ook zo iets naar voren. Voordat
Johannes werd geboren kreeg zijn vader Zacharias van de engel al te horen
waartoe Johannes bestemd was. Ook hij zou dienaar zijn van de Heer opdat Israël
werd gered. Ook hij is (later) beproefd door Herodes. Ook hij heeft kennelijk
eerst gezegd "Uw wil te doen is mijn
vreugde". Maar Johannes ontdekte ook dat hij was komen dopen opdat er meer
zou gebeuren dan zijn doopsel van bekering tot vergeving van zonden, het
doopsel in water.
Er komt nl. een nieuwe dienaar,
ook reeds vanaf de moederschoot bestemd om Israël te
redden; daarom is Jezus zijn naam. Hij laat zich dopen om zo - wat we de vorige
week hebben gelezen - om zo 'gerechtigheid vollédig te vervullen': "Uw wil te doen is mijn vreugde". Na die doop zegt
Johannes dat hij gelijk heeft gekregen: hij ziet de Geest als een duif uit de
hemel neerdalen en op Jezus rusten. Nu gaat het niet meer alleen om een doop in
water maar om een doop in de heilige Geest - door Jezus. De Geest die waait
waar hij wil, universeel, over de hele aarde, voor alle volken. Eindelijk is
het zover.
'Dopen in water', 'in de heilige Geest' zegt
de Willibrord; ondergedompeld worden in Gods Geest, omsloten worden door de
Heilige - ligt daarin ook geen intimiteit, zoals in de moederschoot? Als wij zo
van ons gedoopt en gevormd zijn kunnen genieten, ligt er voor ons dan geen
"Uw wil te doen is mijn vreugde"?
En er is meer. De 1e lezing begint met - je zou
haast zeggen - een verspreking. "De Heer had mij gezegd: Mijn dienaar zijt
Gij, Israël, …" De Heer zegt dat tegen de profeet, maar hij zegt niet
"Jesaja" of zo, maar "Israël". Zo wordt
aangegeven dat de profeet voor het hele volk staat. Heel Israël, heel
Gods volk, is het door wie God Zijn glorie gaat tonen.
Als Jezus het Lam Gods is dat de zonden van de héle wereld
wegneemt, rest dan niet voor ons dat wij Gods glorie zullen tonen? - als zijn
volgeling. Daartoe zijn we in water gedoopt en vervolgens gezalfd met chrisma:
gedoopt in de Heilige Geest door Jezus.
En vervolgens - we kennen het beeld van een lam in de
armen of op de schoot van de herder. Jezus is het Lam Gods. Kan zijn intimiteit
met de Vader, zijn Zoon zijn, puurder, ongerepter en zorgvoller worden
weergegeven? Maar als wij door hem in de Heilige Geest daarbij worden
betrokken, delen we dan ook geen intimiteit - als die van de moederschoot? als van op schoot zitten bij de Vader? Bij al ons werken
voor Gods glorie kunnen we toch ook genieten van die goddelijke intimiteit?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je zult nu reeds bewust of nog afwachtend willen weten wat je wil, wat
je zoekt in je leven. Als je het 'dienaar zijn' een
kans geeft, niet uitsluit, zal het zich op een of andere manier, in een of
ander mate van zich laten horen - hoe? wist ook Johannes niet van te voren. En
dan kun je kiezen - vanuit je eigenheid, jouw intiem zijn met God. Ook al kun
je niet de hele wereld bereiken, via gebed in de Geest, de Heilige Geest, kom
je een heel eind.
'Ik ben gekomen om …' is dat een zin die ons te denken
geeft in ons binnenste, onze intimiteit?
Derde
zondag door het jaar A 23 januari 2005
Jes 8, 23b-9,3; psalm 27; Mt 4,
12-23
Psalm
27 De HEER is mijn licht, mijn heil - voor wie zou ik vrezen?
De HEER is mijn burcht, mijn behoud - voor wie zou ik beven?
Want ik heb één verzoek aan de HEER, ik ken slechts één verlangen:
wonen in het huis van de HEER, al de dagen van mijn leven,
om te genieten van de pracht van de HEER, met vreugde zijn heiligdom in mij op te nemen.
Wie zou
ik zijn als ik er niet op had vertrouwd
de goedheid van de HEER te genieten in dit land van de levenden?
Wacht in
vertrouwen op de HEER met een dapper, standvastig gemoed;
wacht in vertrouwen op de HEER.
Het gaat deze zondag om het
uitzicht op heil dat heel lang geleden is begonnen, om de invulling er van die zo'n 2000 jaar oud is en de doorwerking ervan tot op de dag
van vandaag. In het O.T. spreekt een profeet midden in de ellende woorden van
hoop uit, in het N.T. vult Jezus die woorden in en wij, vandaag en hier, hebben
dat heil bezongen/beleden in de tussenzang.
Jesaja durft het aan om midden
in de onderdrukking op te staan. Het begint in het Noorden van Israël dat wordt
veroverd door de Assyriërs; de Joodse stammen Zebulon en Naftali
ervaren on-heil, smaad. Jesaja houdt hun hoop op heil staande. Hij is
een profeet en gaat uit van JHWH, die het recht van Zijn volk handhaaft. Hun God is
immers een God van de vreugde, van het goede, van menswaardigheid. Hij profeteert
het Licht dat stralend opgaat over die stammen die in duisternis dwalen, niet
zien waar ze heen moeten, hoe ze nog kunnen denken over toekomst. Hij spreekt
de bekende profetie die we ook met Kerstmis hebben gelezen, waarin een kind
wordt beloofd, een zoon gegeven. Een persoon die het heil van Godswege waar
maakt. De profeet, man Gods, die zo zeker is van zijn zaak, een goede zaak, dat
hij durft en doet.
Jezus, die persoon, de
definitieve man Gods, gaat na zijn doop weg uit Judea omdat hij verwacht dat Herodes
het hem lastig zal maken. Hij gaat naar het Noorden van Israël, het gewest -
Galilea - van de heidenen. Dat was een politiek motief maar geldt ook niet een
godsdienstig motief? Als hij in Judea was gebleven, in de omgeving van
Jeruzalem, zou de tempelkliek, de Sadduceeën, degenen die Johannes de Doper 'de
Joden uit Jeruzalem' noemt - zouden die het hem niet lastig gemaakt hebben? Hij
had immers een nieuwe Boodschap, die wel eens tegen het bestaande kader van
geloofsinterpretatie in kon gaan. Hij gaat naar Galilea waar meer
internationaal verkeer is, waar men niet zo vast zit in een bestaand kader en
waar hij dus meer ontvankelijkheid kon verwachten, opdat zijn Boodschap tot
haar recht kon komen.
Matteüs ziet dat als een
invulling van de oude profetie van Jesaja over het land van Zebulon en Naftali.
Die wordt nu waar gemaakt. We hoeven daarbij niet uitsluitend aan politieke
motieven te denken, ook aan godsdienstige. Het Joodse volk stond ook onder druk
wat betreft zijn geloof. De geloofsbeleving werd onderdrukt door
spitsvondigheden; was er nog een sprekende reactie tussen JHWH en zijn volk?
Was JHWH nog de God van hun vreugde? Werden zij niet verdrukt door hun
zondebesef? Een juk dat zwaar drukte? Ook toen was er een lading, net als tijde
van Jesaja. Jezus brengt daar het Licht, Zijn Licht
van de God die graag zonden vergeeft en God van Vreugde wil zijn. Een groot
Licht straalt. Hij is zeker van zijn zaak, een goede zaak want JHWH is zijn
licht en leidsman/heil.
Wij hebben hier samen de psalm
gebeden/gezongen die Jezus ook heeft gezongen: "De Heer - JHWH - is mijn
licht en mijn leidsman/heil: wie zou ik dan vrezen?" Zo zeker zijn wij van
onze zaak, een goede zaak dat we niets meer te duchten hebben.
Maar daar blijft het niet bij.
Als we onze vrees kwijt zijn, als we zeker zijn, als ons veilig weten, komen we
haast vanzelf uit bij die ene bede: "Eén ding slechts vraag ik de Heer,
meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang ik
leef"/"Dat ene vroeg ik van de Heer, dat is al mijn verlangen: daar
te zijn in het huis van de Heer, al de dagen mijns levens". Daar is die
vreugde, daar is dat Licht dat al zo lang geleden is voorzegd.
Dan houdt de psalm niet op, kan
eigenlijk niet: het Licht heeft een gezicht: "Gij zegt - en mijn hart
spreek het na - zoek mijn Aanschijn". Staan in
dat Licht en Zijn Aanschijn verwachten. Zou dat niet
het toppunt mogen zijn van die blijde boodschap? Vrij staan voor Hem? Jezus verschaft ons die zekerheid daartoe en moge hij ook de
leidsman zijn die laat spreken wat al in ons hart is gelegd.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Als je het bovenstaande leest, kan het
best zijn da je je afvraagt of het niet een onsje
minder mag zijn; het is nogal wat om zo iets voor je hele leven vast te leggen.
Het is best mogelijk dat je als jongere meer gericht bent op doen. Jezus heeft
werkers nodig voor die boodschap. Misschien spreekt dat werk meer aan. En houdt
dat van het Licht maar in je achterhoofd. Wie weet.
Misschien
ben je toevallig toch aan het meer bezig of dacht je er over. Misschien
heeft Iemand wat te zeggen.
Die grote belofte van dat stralende Licht - moge Jezus ons
daar in leiden. Zullen we dat nu over ons laten komen?
Vierde zondag door het jaar A 3
februari 2002; 30 januari '05
Sef 2, 3; 3,
12-13; psalm 146; Mt 5, 1-12a
Zalig de armen van Geest want aan hen behoort her rijk der
hemelen.
Psalm
146 Hij blijft
bedacht op trouw voor altijd, voor het recht van de onderdrukten komt Hij op,
Hij
geeft de hongerigen brood, de HEER maakt gevangenen vrij,
de HEER opent blinden de ogen, de HEER richt verslagenen op,
de HEER heeft de rechtvaardigen lief; de HEER neemt de vreemdeling in bescherming,
wees en weduwe staat Hij bij; maar de bozen zet Hij op een
dwaalspoor.
De HEER is koning, koning voor altijd; Sion, de HEER is jullie God, van generatie op generatie.
Zowel in de 1e lezing als in het evangelie gaat
het om het heil voor de mensen. Dat is nogal logisch maar de profeet Sefanja
doet dat vanuit een ernstige bezorgdheid. Hij is een nogal sombere profeet die
waarschuwt voor het gevaar: als jullie niet de Heer zoeken, zul je niet
ontkomen aan zijn toorn. Hij heeft het vaak over 'de
dag van de Heer', waarop de Heer Zijn oordeel uitspreekt over de mensen, of dat
is op het eind van je leven of op het laatste oordeel of via een
maatschappelijke of politieke gebeurtenis, is even punt twee: het gebeurt een keer en zorg er dan voor dat je veilig bent. Als
je Heer zoekt in ootmoed, zul je gered zijn en heerst
er recht en vrede.
Hoe anders het evangelie! Men kan de tien geboden een
manifest noemen, een grondwet. Maar dan die van het eerste Verbond, waar de Wet
tot een dwingeland is geworden, "De Wet en haar geboden en
verordeningen" zegt Paulus (Ef 3, 15). Zo kan
men de zaligsprekingen het manifest van het Nieuwe Verbond noemen, want de taal
die hier wordt gebruikt is een heel andere. Geen dreiging of waarschuwing, geen
"Gij zult"of "Gij zult niet", maar alleen zaligsprekingen:
wat een geluk voor jou als je … Hier spreekt vrijheid, zegen, openheid. Hoe kan
dat nu? Eerst gebod - eerste Verbond, nu aanbod - het nieuwe Verbond.
"Toen Jezus de menigte zag" …
"De velden staan wit van de oogst" … "Zij hebben geen
herder" … Daar zit een ontroering achter, een zorg. Toen Jezus al die
mensen zag die iets goeds van hem wilden horen, al die mensen die zochten naar
geestelijk voedsel, geestelijk leven, toen ging hij op zijn leerstoel zitten.
Hij had iets te bieden. Nog steeds iets te bieden - aan ons, of dat is tussen
twee mensen, in een gemeenschap of in een maatschappij - dat maakt geen
principieel verschil.
Wat een geluk voor jou, wat een uitkomst voor jou, als je
"arm aan Geest" bent, zegt de Griekse tekst, als je behoeftig
bent naar geest, naar geestelijk leven; als je zoekt naar het Hogere, naar een
denken naar God toe, dan
moet je in het Rijk der hemelen zijn. Ik ben immers daar thuis.
Als je treurt, hoef je niet bang
te zijn want in het Rijk ligt troost voor jou. Je hebt mijn troost en elkaars
troost. Je hoeft niet bang te zijn voor het verdriet, juist dan beleef je
intens wat goddelijke steun is.
Wat goed als je zachtmoedig
bent, want je hoeft niet met de ellebogen te werken of te vechten om land te
hebben: je staat er al op. Wij onder elkaar hoeven niet te wedijveren. We
hoeven ook niet zoveel mogelijk te hebben. Dan houden we energie over om op God
gericht te zijn. Zo bouwen wij dat land van zachtmoedigheid ook nog op. Het is
het land van overvloed, van de gezegenden, van de rechtvaardigen, van hen die
zijn weg volgen.. (ps 73)
Als je hongert en dorst naar gerechtigheid, heb je een
ideaal! Dat wordt bereikt, daarin word je verzadigd, in het Rijk, want mijn
gerechtigheid betreft niet alleen maatschappelijk leven op aarde, ook de
Kosmos, het mooi Geheel, allesomvattend, eeuwigheid.
Zalig de barmhartigen! Ja zalig
zij die barmhartigheid betonen, die hun hart laten spreken boven het oordeel,
die hun hart laten spreken vóór hun gelijk of recht, die weten wanneer dat kan
of vruchtbaar is. Die bouwen het Rijk op, zo als ik doe, die vergelden geen
kwaad met kwaad, maar kwaad met goed.
Als je zuiver van hart bent, zul je God zien, zien zo als
HijZ is. Kan het mooier? Als je eerlijk en vrij bent, zuiver van hart bent, ben
je van God, ben je in God. Als je je openstelt, als
je mijn goede gedachten volgt, als je doe wat ik zeg, ben ik garant voor jouw God-zien. Ik leid jou daarnaar toe, naar Hem, mijn Abba. Ik
neem jou, behoeftige, bij de hand. Zelfs
nog meer: ik laat jou deel nemen aan mij.
Die vrede brengen - letterlijk: de vrededoeners - die
betonen zich kind van De Vrede, kind van God. Niet alleen vrede in de zin van
geen onrecht of strijd, ook in de zin van harmonie, heelheid; daarmee kun je
vrede stichten en in stand houden, op aarde zó als in de hemel. Ik ben immers
vanuit de Vader gekomen om op aarde Zijn wil te doen, om zijn vrede te brengen.
Als je wordt vervolgd om de gerechtigheid, hoef je niet
bang te zijn: je zit goed. Ze kunnen je lichaam wel raken maar je geest is van
de hemel. Ik zal je dat laten zien.
Als ze jou beschimpen om mij, krijgen ze met mij te doen
en ik heb met jou te doen. Misschien kan men deze laatste zaligspreking wel de
clou noemen van alle zaligsprekingen: het draait om Jezus, hij is de spil.
Toen straks is de vraag gesteld: Hoe kan dat nu? Eerst
gebod (in het O.T.) nu aanbod! De zaligsprekingen gelden ook voor Jezus zelf.
Hij is de kampioen ervan. Maar hij is ook bijzonder. In het Eerste Verbond
spreekt God via mensen. In het Nieuwe Verbond spreekt HijZ zelf, HijZ spreekt
in vrijheid, in een open aanbod spreekt HijZ woorden van vrijheid, van Liefde.
Zalig jij: je hoeft maar te horen.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Tegenwoordig
wordt veel gesproken over normen en waarden, over rechten en plichten,
verantwoordelijkheid en vrijheid. Terecht, je kunt geen bestendige samenleving
opbouwen zonder dat. Maar de vraag is of je dat doet om zo goed mogelijk te
overleven en straks dood te gaan of om een ideaal te volgen zo als Jezus, samen
met Jezus een samenleving vormen die niet dood gaat, zijn Rijk. Daarvoor kun je
alleen maar in vrijheid kiezen, eigen keuze.
Als we denken aan de zaligsprekingen van Jezus, is
het dan verwonderlijk dat we in de tussenzang over "het Rijk der
hemelen" hebben gezongen "Een loflied voor
de Heer, heel mijn leven": Ik zing heel mijn leven een loflied of nog
meer: heel mijn leven zij een loflied voor de Heer, met Jezus als voorganger
een loflied om de zaligsprekingen. Zullen we ons even tijd gunnen om dat binnen
te laten komen?
Vijfde
zondag door het jaar A 6 februari 2005
Js 58,
7-10; psalm 112; Mt 5, 13-16
Psalm 112 Voor de rechtschapenen
daagt licht in het duister: genadig, barmhartig, rechtvaardig.
Het
gaat goed met degene die belangeloos uitleent en in eerlijkheid handel drijft.
Zo'n rechtvaardige wankelt nooit: men blijft altijd aan hem
denken.
Voor
slecht nieuws hoeft hij niet bang te zijn, ongeschokt blijft hij op de HEER vertrouwen.
Zijn
hart kent geen twijfel, geen enkele angst,
met gulheid deelt hij aan armen uit.
Aan zijn voorspoed komt geen einde; zijn hoorn is hoog opgericht.
Zowel de eerste lezing als het
evangelie hanteren het licht als beeld van het heil
van Godswege. Maar in Jesaja lijkt het er meer op dat naastenliefde een
voorwaarde is; pas als brood is gedeeld, de naakte gekleed, de dakloze is
opgenomen, "zal uw licht doorbreken als de dageraad, uw genezing voorspoedig
zijn." Daar is niks mis mee, maar wel valt op dat in het evangelie dat
licht staat in de context van de zaligsprekingen, niet van voorwaarden: Wat een
geluk als je naar geest zoekt, wat een geluk voor jou als je zachtmoedig bent.
Wat een geluk … als je Jezus hebt ontmoet, leert ontmoeten, leert kennen in
zijn deel hebben aan Geest, in zijn zachtmoedigheid.
Men kan de zaligsprekingen zien
als een proclamatie, nieuw t.o.v. de tien geboden,
acht zaligheden die de tien woorden omkransen, een geluksprogramma gebaseerd op
wat nodig is, dat volgt op wat moet worden gedaan. Het Nieuwe Verbond is immers
goed nieuws, een blijde Boodschap. De brenger van die boodschap brengt vreugde
die uitgaat boven plicht, boven afspraak. Het gaat om een vrijheid, een vanzelfsprekendheid
die zijn volgelingen als kinderen Gods kunnen beleven, "de glorierijke
vrijheid van Gods kinderen"(Rom 8,21). Voedsel dat niet is gezouten, heeft
wel voedingswaarde maar het genoegen ontbreekt. Leven op aarde zonder dat
'zout', is niet de moeite waard.
Nog meer genoegen, meer vreugde
dan in het eerste Verbond, ofschoon wat Jesaja schrijft al niet mis is. Als hij
directe zorg voor de medemens heeft genoemd, dan belooft hij licht dat
doorbreekt als de dageraad; vervolgens begeeft hij zich meer op het
maatschappelijk vlak: geen onderdrukking, dreigende vingers, kwaadsprekerij
maar ruimhartigheid en dan belooft hij licht in de duisternis, als midden op de
dag. Persoonlijk aspect is dageraad, toekomst, hoop; maatschappelijke invulling
is daglicht.
De stad waar gerechtigheid en
ruimhartigheid heersen is de stad van de Heer en zij staat op de heilige berg,
wordt door iedereen gezien. In die stad brandt het licht voor de hele wereld,
in de woningen van die stad brandt het licht bovenop de kandelaar voor de
bewoners. Privé - maatschappelijk.
Hetzelfde licht waar Jesaja het
al over had en dat nu typisch in handen van mensen is: gij
zijt het licht der wereld. Mogen we voorzichtig verder denken aan wat later is
geschreven in het Johannes-evangelie? "Ik ben het Licht der wereld".
Als we die twee uitspraken combineren, betekent het dat Jezus zich legt in de
handen van de leerlingen, zich met hen vereenzelvigt. 'Iedere Christen is
eigenlijk Christus' (zegt de paus). Dat klinkt ongelooflijk maar is het zo vreemd?
Als Jesaja al zegt: "… wanneer gij dan -
in die glorie en gerechtigheid - tot Hem roept, zal Hij - God -
antwoorden:"Hier ben ik" - als Jesaja dat al zegt, ligt het dan niet
kortbij om als zijn volgeling in de glorie en gerechtigheid van Jezus het 'Hier
ben ik' te mee te krijgen?
Wij hebben immers de psalm
gebeden "voor de rechtvaardige is er een licht in de nacht." Willen
we daar geen deel aan hebben?
De lezing van Jesaja begint
eigenlijk met "Is vasten niet: (uw brood delen met …)". Wij gebruiken
liever het woord ascese, oefening, training, waarmee je voortdurend bezig bent;
voortdurend goed doen omwille van dat Licht, dat mooie Licht.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Goed werk doen voor hongerigen, daklozen, naakten en noem maar op
is het betere werk. Maar als je ook nog kunt doen in dat Licht, heb je er nog
meer plezier aan. Nóg meer: dan ben je dat Licht op jouw manier. En let even
op: de mensen zullen God verheerlijken, niet jou.
In de woning en van die stad brandt het Licht bovenop de
kandelaar. "Hier ben ik". Hier waar wij nu bij een zijn. Zullen we
dat nu over ons laten komen?
Zesde zondag door het jaar
A 2005
Sir 15, 15 - 20; psalm 119; Mt 5,17-37
Psalm
119 Gelukkig
degene die onberispelijk leeft, en de weg van de wet van de HEER volgt.
Gelukkig
degene die zijn gebod onderhoudt, en Hem wil zoeken met heel zijn hart.
Gelukkig
degenen die geen onrecht bedrijven, maar verder gaan op zijn weg.
Uzelf
hebt immers opdracht gegeven uw bevelen strikt te onderhouden.
Ach,
was mijn stap maar zo zeker dat ik uw wetten onderhield,
Behandel uw dienaar goed en
hij zal leven om trouw uw woord te onderhouden.
Open
mijn ogen en laat mij de wondere kracht van uw wet aanschouwen;
Wijs
mij, HEER, de weg van uw wetten en ik zal hem volgen tot aan het
einde.
Laat
mij zien hoe ik uw wetten moet bewaren, onderhouden met heel mijn hart.
De zaligsprekingen hebben we twee weken geleden gelezen:
'Zalig de armen van Geest'. Die onthouden we het beste. De notie van 'eenvoudigen
komen in de hemel' spreekt ons wel aan. Dan hoeven we ook niet zoveel
verantwoording af te leggen …. Laten we niet vergeten dat de zaligsprekingen
net zo goed voor Jezus gelden als voor zijn volgelingen. Van Jezus zeggen dat
hij eenvoudig was in de betekenis van 'simpel' ligt niet bepaald voor de hand.
Als je de betekenis 'behoeftig aan Geest' accepteert, dat het gaat om het
verlangen naar en het vinden van Geest, dan ligt een sluitende en zinvolle
verklaring op tafel en hebben we meteen het principe van de proclamatie
te pakken: het gaat om geestelijk leven, om spiritualiteit, leven met God,
zoals Jezus met zijn Vader leefde en nu nog met Hem leeft in de eenheid van de
H.Geest.
Maar we leven wel op aarde en met twee benen op de
grond. Dan kunnen we nog met God leven, in ieder geval naar Hem toe leven. We
bidden in het Onze Vader dat Zijn wil geschiede op aarde zoals in
de hemel.
Worden hemel en aarde dan niet verbonden? Voor Kerstmis hebben we gebeden dat
de hemelen van bovenaf zouden dauwen, de
wolken de gerechtigheid zouden regenen en dat de aarde zich zou openen om te ontvangen. Dan zijn hemel
en aarde toch ook verbonden
We denken te gauw dat de hemel alleen iets is voor
later, als we sterven. Nee, de hemel is er nu reeds
als je spiritualiteit beoefent, streeft naar 'leven naar God toe', net zoals
Jezus. Hoe doe je dat? Door gebeden en goede werken. Ora,
labora et … cogita:
bid, werk en denk na. In je denken, doen en ervaren bewust met de Vader van Jezus om te
gaan zoals hij zelf deed. Door hem te volgen kunnen we zeggen dat we
ons denken, doen en ervaren samen met Jezus mogen beleven; hij weet er alles
van. Hoe beleven wij dat samen met hem, "de Verrezene, onze Heer?"
Het antwoord kennen we: door zijn leer uit te voeren, zijn leefregels bewust te
hanteren.
Nadat
Jezus zijn zaligsprekingen heeft gelanceerd stelt hij de Wet veilig. De
Zaligsprekingen mogen een krans om de tien Geboden heen zijn, om de Tora heen,
die dus niet ontkracht wordt, integendeel. In de eerste lezing hebben we
gelezen hoe de mens vrij is om te kiezen. De Wet is dus geen dwingelandij maar
de eigen keuze van iedere mens. Het is wel een verstandige keuze, wijsheid,
maar in vrijheid omdat alleen dan die mens tot eigen ontplooiing kan komen in
zijn leven naar God toe. De psalm zingt dan ook van "Gelukkig degene … die de weg van de wet van de HEER volgt."
Gelukkig hij die … Gelukkig in vrijheid en inzicht. De zaligsprekingen beginnen
ook met "Gelukkig … '. Is het dan vreemd dat Jezus begint met 'Gelukkig de
armen aan Geest'? De psalm zegt ook "Gelukkig degene die … en Hem wil
zoeken met heel zijn hart." Zoeken met je hart - dan ben je gerecht en ga
je de houding van Farizeeën en schriftgeleerden te
boven. Zo als zij doen en denken staan zij niet in het koninkrijk der hemelen,
want daar gaat het niet om spitsvondigheden of geëerd worden maar om
inzicht/wijsheid, originaliteit die aan het hart ontspringt, om het beleven van
de leefregels naar God toe - het liefst zoals Jezus deed. Gelukkig de zuiveren van hart
…
Jezus geeft een paar
voorbeelden van leven in de goede geest, in Zijn Geest: Tot de ouden is
gezegd: Gij zult niet doden. (Bedoeld is wederrechtelijk, op je eigen houtje
doden. Men kende de doodstraf.) Tot de nieuwen, die in het Rijk, zegt Jezus:
Niet doden ? Er is nog meer. Ik zeg je dat als je in
het Rijk der hemelen leeft, ben je zachtmoedig, draag je je
broeder geen kwaad hart toe, want je hart neigt naar God. Als je in het Rijk
leeft, zeg je niet eens iets lelijks tegen je broer. Als dat uit je hart komt,
dood je eigenlijk al.
Kom je dus een offer brengen vanuit je hart en je
denkt er ineens aan dat je broeder/zuster terecht iets tegen je heeft, zou het oneerlijk zijn om te offeren want je zit niet
in het Rijk der hemelen. Afgezien daarvan - het is ook onwijs
om een geldkwestie (dat kennelijk aan het offer verbonden is) niet te regelen
zolang het nog kan. Gebruik dus je verstand en je hart.
Het
tweede voorbeeld betreft echtbreuk. (Laten we de tekst niet uit haar verband
halen. Het gaat om het verschil Koninkrijk of niet. Niet om hen die de pijn van
mislukking dragen, nog een trap na te geven. In tegendeel. Als je de houding
van Jezus
zelfs t.o.v. de overspelige vrouw in je achterhoofd houdt, zul je de moed
vinden om net zo goed samen met hem overeind te blijven en geluk te zoeken.
Terug naar het onderwerp van echtbreuk) Jezus zegt: als je in het Rijk zit,
kijk je niet naar een andere getrouwde vrouw om haar te begeren. Daar ben je
niet op uit, daar is je hart niet op gericht. (Men kon aan de kleding van een
vrouw zien of zij getrouwd was.) Als je dan toch haar bekijkt om haar te
begeren, ben je niet gerecht. Die vrouw zal samen met haar man het Rijk
zoeken en daar mag je niet tussenkomen, dat is iets van hen samen met God.
Houd dus je oog in de gaten! Jezus
mag dan wel zachtmoedig zijn, een doetje is hij niet. In onze ogen wat
overdreven maar qua geladenheid heel duidelijk: zelfs je rechteroog en je
rechterhand - rechts, waarmee je goed doet, je eer wilt houden - zelfs die mag
je verwijderen, als het om jouw behoud gaat. Het klinkt als wijsheid die het
hart heeft verworven.
We weten dat seksualiteit sterk is en daardoor kan
het zicht op het ideaal, zelfs op het recht worden vertroebeld. Wellicht
spreekt het dan wat meer als je bedenkt dat sprake is van onrecht. Mensen mogen
elkaar geen onrecht aandoen, binnen het huwelijk noch er buiten. Dat weet
iedereen. Onrecht is vaak een duidelijk criterium als het gaat om
huwelijkszaken. Voordat je aan een scheidingsbrief denkt, eerst kijken wat het
onrecht is. En, waar het hier om gaat, als je met je hart naar je man/vrouw
kijkt en met datzelfde hart God zoekt, is scheiding niet ter
zake.
Het laatste voorbeeld in dit stukje is dat Jezus zegt: Zweren? Nergens voor nodig. Als je in het Rijk der hemelen zit, is jouw 'ja' ja en jouw is nee. Dat is goed genoeg. Je hebt God niet zomaar ter beschikking. Maar als het terecht wordt gevraagd, is een eed afleggen bij de God die jij bemint en die jou bemint, misschien wel als een eer aan te voelen. Want HijZ is een god van gerechtigheid.
Ik hoop
dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Wijsheid komt met de jaren maar je hoeft
daar niet op te wachten, je hebt immers wel een hart. Je weet dat er dingen
zijn die behoren gedaan of gedacht te worden maar als je daardoorheen, al
doende, met je hart naar God zoekt zoals je naar je geliefde zoekt, ben je in
het Rijk der hemelen. "Wat een Geluk als je …".
Leven
in het Rijk der hemelen, waar geest is in overvloed, je ervan bewust zijn dat
hemel en aarde verbonden kunnen zijn in jouw doen en
denken en - hopelijk - ook in jouw ervaren. Dat is wijsheid en Geluk. Zullen we
ons even tijd gunnen om daarover na te denken ?
Eerste
zondag van de veertigdagentijd A 17
februari 2002; '05
Gen 2, 7-9; 3, 1-7; psalm 51; Mt 4, 1-11
Psalm
51 Wees mij genadig, God die liefde bent;
U,
grenzenloze barmhartigheid, wis uit wat ik heb misdaan.
Was mij
schoon van schuld, reinig mij van mijn zonde.
Ik
beken: ik heb mij misdragen, mijn zonde klaagt mij voortdurend aan.
Tegen U
alleen heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat in uw ogen slecht is.
God,
schep in mij een zuiver hart, vernieuw mijn geest, maak hem standvastig.
Verstoot
mij niet, weg van uw gelaat, neem uw heilige geest
niet weg van mij.
HEER, geef mij de vreugde van uw verlossing, sterk
mij met uw grootmoedige geest.
Heer,
open mijn lippen en mijn mond zal uw lof verkondigen.
In de Paasnacht lezen we het 1e
scheppingsverhaal als een startpunt voor de nieuwe schepping via de verrijzenis
van Jezus. Nu bij het begin van de veertigdagentijd lezen we het tweede
scheppingsverhaal als een startpunt van bezinning, waarbij de grote vraag aan
de orde komt : hoe kan het toch dat er zoveel kwaad is
in de wereld? Nog erger: dát er kwaad is in de wereld, terwijl de mens toch
voor het goede is bestemd, terwijl de mens in het verlengde van God ligt, een
Godskind is. De 1e lezing geeft ons de Joodse visie,
geloofsbelijdenis op die vraag. Het is hun ervaring, hun duiding van de
situatie waarin de mens zich bevindt. Als Godskind geschapen heeft hij een
vrije wil; dat is zijn glorie, zijn heerlijkheid; zo kan hij voor God kiezen,
voor zijn basis.
Maar hij moet wel kiézen, kiezen tussen … Als hij dan
vergeet dat hij van de aarde én de hemel is, omdat de aarde dichterbij is,
direct ervaarbaar en aanlokkelijk, als hij gehoor geeft aan de slang, het dier
van de aarde, en dan tegen de hemel kiest, gaat het mis. Hij vergeet zijn
afkomst, zijn basis, en denkt zelf te bepalen wat goed is en wat kwaad, denkt
zelf te kunnen bepalen wat kan en wat niet kan. Daarbij zoekt hij steeds zijn
grenzen, verlegt hij zijn grenzen. "Dat moet toch kunnen" zeggen we
vaak, zonder dat we voldoende inzicht hebben. Een klein kind probeert al de
grenzen t.o.v. zijn ouders uit. Dat zit in de aard van de mens: hij wil iets
bereiken - maar hij vergeet dat hij naar De Oneindige kan reiken en stelt
zichzelf als maatstaf. Met alle gevolgen van dien: het kwaad komt er en zijn
doel blijkt het eindige te zijn, het loopt op niets uit. Ze zijn beiden naakt.
Dan realiseert de mens zich dat hij voor het goede is
geschapen; de tegenstelling is wrang, de spijt groot en hij roept zijn God om
erbarmen: God, maak mijn hart weer zoals het was, bedoeld is door U. "Geef
mij weer de weelde van Uw zegen … dat mijn mond Uw lof kan
zingen"/"Hergeef mij het geluk om Uw heil, laat bereide gezindheid
mijn kracht zijn" hebben we beaamd in de tussenzang. Ook dat is Joodse
geloofsbelijdenis: bij God is vergeving en uitkomst.
Als Jezus zijn openbaar leven begint gaat hij zich eerst
bezinnen. Gedreven door de Goede Geest, De Geest van God, gaat hij in
afzondering. En als hij klaar is, de aarde heeft verzaakt, komt de verleiding
en moet hij kiezen inzake iets dat dan heel dichtbij
is: honger; dan is een mens kwetsbaar, direct. 'Als gij
de zoon van God zijt, hoeft gij nooit meer ongemak te ondergaan.' Jezus weet zijn basis, zijn punt van uitgang: hij is
Godskind, hét Godskind en hij kiest daarvoor. Hij leeft niet alleen van Gods
scheppingsmacht dat leven op aarde voortbrengt en in stand houdt, hij leeft
als Godskind ook van het woord, de gedachte, die in zijn geest spreekt, hem op
God richt, góddelijk leven geeft.
Dan komt de tweede vraag, nu is het de verstoorder, de
macht die onrust wekt, die onzeker maakt - 'het moet toch kunnen?' 'Als Gij de
zoon van God zijt, zijt gij hier in het heilige, op uw
eigen terrein, de tempel. Dan zal God toch zeker voor u kiezen, als
godsdienstig fenomeen?' Voor wie zal Jezus dan dat fenomeen zijn? Voor de
mensen, voor de aarde, die zullen vol bewondering staan. Maar een mens sterft,
is eindig. Jezus kiest er voor om voor God fenomeen te
zijn, voor de Eeuwige, de Volmaakte, en hij wil God niet misbruiken, uitdagen,
tot een wonder dwingen. Hij wil zijn Godskind zijn in vrijheid beleven, zonder
iets af te dwingen. Jezus weet, kent en kiest.
Als de verstoorder hem tenslotte
de heerlijkheid van alle koninkrijken van de wereld laat zien, zoals de
aanlokkelijkheid van de bomen en de heerlijkheid van de vruchten in de tuin
zich voordeden aan de eerste mens, kwalificeert hij de onrustzaaier als zijn
tegenstander: Satan. Weg jij, ik kies voor mijn basis. Zou hij op dat moment
geweten hebben dat hij in de wereld van het kwaad daarmee koos voor het kruis?
En er kwamen engelen om hem te dienen. Voor de laatste keer gebeurde dat in Getsemane, de hof van Olijven.
Jezus weet, kent en kiest. En hij trekt de wereld in om
het goede nieuws van de vergeving van zonden te verkondigen.
Wij staan in een wereld die vol is van het kwade en vaak
voelen ons machteloos om daar een eind aan te maken. We hoeven ons niet te
verbeelden dat we dat kunnen, dat we de wereld kunnen verbeteren. Maar dat is
geen reden om niets te doen. We kunnen in ieder geval het goede in stand
houden. We kunnen ons bewust blijven van en ons meer richten op onze afkomst,
op ons 'van de hemel en de aarde zijn' en zien hoe wij in onze praktische
situatie daarop inspelen.
Voordat Jezus de wereld introk met zijn boodschap heeft
hij zich bezonnen. Wij zetten zijn boodschap voort en is het dan niet goed om
jaarlijks ons te bezinnen op wat we doen? Zijn voorbeeld te volgen, met zijn
hulp?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het ligt niet
zo in de lijn van de jongere om neer te zitten bij het negatieve maar als je je soms realiseert wat er allemaal gebeurt in onze wereld,
wil je het boeltje er wel eens bij neer gooien. Jezus
stond ook min of meer alleen in die wereld en hij deed wat hij kon en hield het
hoofd omhoog gericht naar zijn Basis. Dat, Die was zijn houvast. Zo wist hij
dat hij goed zat. Daartoe heeft hij zich bezonnen totdat hij het wist. Veertig
dagen en nachten, een proces waarin hij zijn volwassenheid bereikte en er
gevolg aan gaf. Hij had zijn Basis, zijn Godskind zijn bereikt.
Er staat geschreven - al heel lang - "Niet van brood
alleen leeft de mens maar van élk woord dat komt uit de mond van God".
Zullen we nu beginnen met dat over ons te laten komen?
Tweede
zondag in de veertigdagentijd jaar A 20
februari 2005
Genesis 12, 1- 4a; psalm 33; Mt
17, 1-9
Psalm
33 Oprecht is het woord van de HEER, alles wat Hij doet getuigt van trouw.
Hij
staat voor een rechtvaardig en vast bestel; de aarde is vervuld van de liefde
van de HEER:
Nee, het
oog van de HEER rust op degenen die Hem vrezen en die op zijn liefde
vertrouwen.
Hij zal
hen vrijwaren van de dood, hen bij hongersnood in leven houden.
Vol
vertrouwen zien wij uit naar de HEER, Hij is ons schild, Hij is onze helper.
Uw
liefde, HEER, zal over ons komen: wij wachten, wij wachten
op U.
Het lijk wel dat de tussenzang
vandaag centraal staat in de liturgie omdat daarin vertrouwen breeduit wordt bezongen. De
trouw van de Heer wordt gekoppeld aan de natuur, aan de bestendigheid van wat
aan de hemel is te zien, maar ook aan de ervaring van mensen. Zij zien in wat
hen omgeeft de trouw en liefde van hun schepper.
Abram was de eerste gelovende.
Nergens staat waarom hij vertrouwde op het woord van de Heer dat hij zijn
thuis, zijn stamverband zou los laten, waarom vertrouwde op de belofte dat de
Heer een groot volk van hem zou maken. Wat er historisch precies is gebeurd
weten we niet maar de geloofsbelijdenis is er niet minder om. En zijn naam is
inderdaad een zegen geworden voor alle geslachten op aarde. Waarom? Omdat hij
vertrouwde. Geen wonder dat eeuwen later de psalm ontstaat die wij nu ook weer
hebben gebeden/gezongen: "Ja om Hem is ons hart verheugd, op Zijn heilige
Naam vertrouwen wij."
Petrus, Jacobus en Johannes
worden vaker apart genomen; Paulus noemt hen de steunpilaren van de Kerk. Jezus
vertrouwde die drie leerlingen kennelijk. Je kunt ook zeggen dat Jezus hun iets
toevertrouwde. Daartoe
gaat hij wel met hen een hoge berg op, waar zij alleen zijn. Hoe
hij hen heeft voorbereid wordt niet vermeld maar duidelijk is dat er iets
bijzondes gaat gebeuren. Het evangelie van vandaag begint met "Zes dagen
later …" Redelijkerwijs zes dagen na de geloofsbelijdenis van Petrus. Zes
duidt op het uitbreken uit een bestaand vast kader. Samen met Jezus overstijgen
zij het normale zintuiglijke leven en begeven zich in
geestelijke sfeer. Dan vertrouwt Jezus hun toe hoe hij leeft: zijn gezicht
begint te stralen en zijn kleren worden glanzend als licht. Ze mogen zien.
Mozes en Elia praten met hem:
hij leeft in de Wet en in de profeten, je kunt zelfs zeggen dat hij hen
overstijgt en ook nog dat hij na Wet en Profeten de derde factor van de Joodse
geloofsbeleving is: de Schriften maar dan glanzend als Licht. Een nieuw kader,
een nieuwe functie in de eredienst: Hij staat voor Zijn Abba, een nieuwe
eredienst.
De Vader laat Zich niet
onbetuigd: Niet alleen de verklaring die bij de Doop in de Jordaan klonk
weerklinkt nu weer maar ook "Luistert naar hem". De Zoon bouwt op de
Vader, de Vader vertrouwt op de Zoon.
"Luistert naar
Hem". Deze aansporing tot vertrouwen is nog steeds actueel en actief, moge
zij ook naar ons doorklinken. Wij kunnen makkelijker vertrouwen dan Abram, wij
hebben een hele traditie ter beschikking. Abram moest vooraan beginnen, zijn
vertrouwensdaad doet meer moed, meer overtuiging veronderstellen dan wij nodig
hebben. Tenzij er mensen zijn die net zo goed vooraan moeten beginnen omdat een
normale basis voor vertrouwen
ontbreekt. Of zodanig zijn geschokt dat zij alleen maar kunnen
wantrouwen. Mogen zij inspiratie ontvangen als Abram, mogen zij ervaren "Vanuit de hemel kijkt de HEER neer, Hij ziet al de kinderen van de mensen". Meer
nog. Moge Jezus naar toe komen en hen aanraken: 'Sta op, je hoeft niet bang te
zijn'.
Wij hebben een middelaar die tot in het diepst van zijn ziel vertrouwd
heeft op zijn Vader. Direct na zijn verheerlijking op de berg brengt hij zijn
lijden en dood ter sprake. Maar hij rekende op zijn Abba. Die was zijn schild
en helper. Mogen wij in de aanloop naar het vieren van de verrijzenis putten
uit zijn Kracht om te kunnen vertrouwen dat ook wij zijn glans mogen zien, in
die glans mogen delen. Daarvoor deed hij al die moeite - om onze verrijzenis.
Het gaat niet alleen om ons,
zijn volgelingen, dat we in Hem mogen delen maar alle geslachten, ook om de
wereld waar honger is. Dat die mensen in leven gehouden worden. Daarvan hebben
we immers ook gezongen/gebeden. Honger doet glans verbleken. Honger ziet geen
glans.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Je stamverband los laten, het huis uit gaan en zelfstandig gaan
wonen, je eigen weg zoeken. Ik hoop dat je dan zoveel vertrouwen hebt
ontwikkeld dat de Heer je jouw weg zal wijzen, dat je ook gaat vermoeden dat je
gezegend bent met vertrouwen in Hem.
De hoge berg opgaan samen met
Jezus en met hem alleen zijn. "Uw
liefde, HEER, zal over ons komen: wij wachten, wij wachten op
U." Richting Pasen. Zullen we dat over ons laten komen?
Derde
zondag van de veertigdagentijd A 3 maart 2002; '05
Ex 17, 1-7; psalm 95; Joh
4,5-42. Voor het getal zes zie desgewenst getallensymboliek maar het gaat me te
ver om hier in te gaan op het aantal mannen dat de vrouw heeft gehad.
Psalm
95 Kom, laat
ons juichen om de HEER te eren, met vreugde zingen van die rots, onze
redder,
met lofzangen voor zijn aanschijn komen, met volle stem
inzetten op Hem:
Ga naar
binnen, laten wij buigen, diep buigen, en neerknielen voor de HEER, onze maker:
Hij is
onze God en wij zijn zijn volk, dat Hij weidt, de
kudde in zijn hand.
Luister
heden naar zijn stem:
'Verhard uw hart niet zoals eens in Meriba,
als in de dagen van Massa in de woestijn,
toen uw vaderen Mij beproefden en tartten, ofschoon zij mijn
daden gezien hadden.'
Het bindende element van de beide lezingen is natuurlijk
water. Water is een levensbehoefte, een levensvoorwaarde, en vooral als je
dorst hebt, hoeft dat geen betoog. Maar daarmee lijkt de binding gedaan te zijn
want de dorstigen verschillen nogal: bij de eerste lezing is het het volk, in het evangelie is het Jezus, die om water
vraagt. De bron in de 1e lezing is hoog en machtig, een rots; in het
evangelie is ze diep, wordt ze diepgaand. Maar als het om de
basis gaat, is er weer binding: in het evangelie is sprake van een persoonlijk
contact tussen Jezus en de vrouw en dat ligt ook in de lezing uit het O.T.; Mozes
heeft een persoonlijk contact met God en vandaar uit handelt hij.
Het valt hem tegen dat het volk het vertrouwen in zijn God
verliest als het moeilijk wordt. Eerst hebben ze gejuicht en
gedankt, toen ze verlost werden van Egypte: "Komt laat ons muziek maken
voor de Heer" (zingt de tussenzang) maar nu het erop aan komt, nu
"het heden is", geven ze het op. Ze laten hun hart verharden.
In plaats van elkaar aanmoedigen of te bidden, gaan ze morren - dat doe je al
gauw als je echt dorst hebt - laten we ons niets wijs maken. Gelukkig zij die
in grote nood haar God behoudt, gehoor blijft geven en kracht ontvangt.
Gelukkig hij die zijn hart niet laat verharden of zijn geest verdrogen.
God laat immers Zijn volk niet in de steek, ook al morren
ze. HijZ zegt niet zo iets als "Kun je dat niet netjes vragen?" HijZ
doet via Mozes. Mozes moet met getuigen voor het volk uitgaan en dan zal hij de
Heer zien staan boven op een rots - de rots van hun vrijheid - en met het
gereedschap waarmee hij de waterrijke Nijl onvruchtbaar sloeg, moet hij nu de
rots slaan. Het onmogelijke gebeurt. Het is heden.
Het evangelie geeft een ander
beeld. Niet meer dat machtige, majestueuze - zo zou ook de Messias zijn in de
gedachten van de Joden. Het is een 'stil' beeld. Het lijkt wel of het O.T.-beeld God - man
(Mozes) wordt verzacht in God - vrouw, intens wordt zoals bij man - vrouw.
Jezus is moe
en gaat zomaar (zegt de Griekse tekst) bij een bron zitten. Maar de lading is
al getekend: in de buurt van een stuk grond dat Jacob, de aartsvader, aan zijn
zoon Jozef had gegeven: geschiedenis van het Joodse volk, waarin God handelt. En daar nog
boven op zegt Johannes: "Het was ongeveer het zesde uur". Het getal
zes heeft een - laat me zeggen - 'uitbrekende' lading. Het betekent dat het
bestaande kader, de gewoonte, ook de goede gewoonte, op springen staat: er gaat
iets nieuws gebeuren, het oude is voorbij. Maar het
beeld is stilte, rust.
Een vrouw komt water putten en Jezus spreekt haar aan, je
bent nog geneigd om te zeggen dat hij "zomaar" aanspreekt.
Verwondering. Verwondering omdat hij - vrijgezel - een getrouwde vrouw
aanspreekt en omdat een Jood een Samaritaanse aanspreekt. Maar die verwondering
wordt wel de draagster van iets nieuws. Is het dan niet 'heden'?
Zou Jezus op dat moment zelf wel beseft hebben dat hij iets ging aanboren? Hij
was moe en zal ook wel gewoon dorst hebben gehad.
De vrouw reageert op Jezus' aanbod voor 'eeuwig' water
nogal praktisch, reëel: "U heeft niet eens een
emmer!" Als Jezus verder omschrijft dat het water is dat in de mens zelf
opborrelt tot eeuwig leven, blijft ze binnen haar denkkader: "Geef me van
dat water, dan hoef ik niet meer te sjouwen". Dan raakt Jezus haar
persoonlijk door haar man ter sprake te brengen en haar te prijzen omdat ze
waarheid spreekt. Nu stapt de vrouw in. Ze haalt weliswaar een ruzie-onderwerp aan maar het betreft een vraag naar
waarheid: "Waar moet men God aanbidden?" Jezus' antwoord gaat boven
de ruzie uit: er komt een tijd - ja ze is er al - heden
- dat men in geest en waarheid aanbidt;
de plek doet er niet toe.
Nu brengt de vrouw de Messias ter sprake, die alle
waarheid zal verkondigen. Ze leeft kennelijk in die geloofsverwachting maar
weet nog niet dat die bron in haar al opborrelt. Dan - laat me zeggen - valt
Jezus door de mand, nu wordt híj geraakt en maakt zich aan haar bekend:
"Ik ben het". Een stil Messiasbeeld, heel direct, persoonlijk en
onverwoestbaar.
De vrouw rent weg zonder kruik maar Jezus is op, ontroerd,
zich bewust van wat er met hem gaande is. Als zijn leerlingen het gekochte
voedsel aanreiken, begint hij over een ander voedsel, zijn voedsel, en hij weet
al dat anderen die oogst zullen binnenhalen, niet hij. Hij heeft een ander
'heden'.
Toch is er een troost voor hem: de Samaritanen - ja, die
Samaritanen - geloven in hem omdat ze zelf inzien, meemaken hoe hij is. Hun heden. God handelt ook bij hen - via de Messias.
Ik
hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je bent in je woestijn God wel eens
kwijt. Dat hoeft niet aan jou te liggen. God verbergt zijn gezicht wel eens. De
psalmist zegt dat ook:"Verberg Uw aanschijn niet
voor mij". Maar het gebeurt, en dan spreken we van 'verborgen God'. Maar
Jezus hoef je niet zo gauw kwijt te zijn. Er zijn veel gelegenheden om hem te
zien, thuis, op school, op je werk, noem maar op. Dan is een goed woord, een
goede gedachte, een goede daad, als een glas water in de woestijn. Hij schenkt
het voor je in; misschien schenk jij wel eens iets voor een ander in. Een
eerlijk woord uit je zelf kan alleen maar een woord van Waarheid en Geest zijn.
Kan het voor ons hier nu 'heden'
zijn ? Kunnen we de bron van levend
water in ons laten opborrelen, voedsel van de Messias ontvangen, persoonlijk
zoals de Samaritaanse: Hij - ik?
Zullen we ons een paar minuten gunnen?
Vierde
zondag veertigdagentijd A
6 maart 2005. ('08)
1Sam 16, 1b.6.7.10-13a; psalm 23; Joh 9, 1-41.
Psalm
23 De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat
mij in grazige weiden rusten, Hij voert mij naar vredig water,
daar geeft Hij mij nieuwe kracht.
Hij
leidt mij op het rechte spoor, omwille van zijn naam.
Al moet
ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang,
want U bent bij mij: uw knots en uw staf geven mij nieuwe moed.
Voor
mijn ogen dekt U de tafel, zodat ook mijn belagers het zien;
met olie zalft U mijn hoofd, mijn beker is tot de rand gevuld.
Ja, uw
goedheid en liefde blijven mij volgen alle dagen van mijn leven.
Zo mag ik telkens weer wonen in het huis van de HEER, tot in lengte van dagen.
Het evangelie hanteert water ter
reiniging. Ogen wassen, rein worden, rein zijn in gedachten en wensen, gericht
zijn op God, klaar zijn om met Hem te gaan leven. De eerste lezing hanteert
olie tot zalving, tot het leven met God zoals de Geest van de Heer vaardig is
over David. Vanuit de tekst kun je vermoeden dat David eigenlijk al rein was,
al gericht was op God, al ontvankelijk was, en nu gaat hij verder, groeit hij,
in de Geest, de Goede Geest.
Hij blijft bij zijn vader en kan
zodoende tot rijpheid komen. Bij het weiden van de schapen zal hij wel gedacht
hebben wat we zongen/baden: "Mijn herder is de Heer" en
"Gij zalft mij". Mijn herder is de Heer, bij Hem kom ik niets tekort,
bij Hem ben ik veilig, al moet ik door het duister van de dood, door donkere
kloven, "Onder uw hoede durf ik het aan". Is dat ook niet voor ons
van kracht? In de donkere kloof besef je dat meestal niet omdat je druk bent
met overleven; later kijk je in verwondering om: hoe kon ik daar uitkomen?
Gij zalft
mij. Is deze tijd geen goede gelegenheid om ons daarvan bewust te zijn? Na onze
doop, na onderdompeling in levend water, zijn we gezalfd met Chrisma, met de
Geest van Jezus, DE Gezalfde. Wij zijn en leven niet alleen in Gods
beschermende hand maar ook met Zijn be-Leving, onder
Zijn be-Geestering. Mogen deze veertig dagen ons
laten zien wat dat praktisch inhoudt.
Mogen we dat gaan zien, inzien,
want we kunnen
niet zonder inzicht, zonder weten. Het evangelie vertelt niet alleen een
spannend en - voor christenen - een fleurig verhaal, het illustreert ook de
noodzaak van inzien.
Jezus heeft in
de tempel Joodse leiders het vuur na aan de schenen gelegd en het scheelde niet
veel of ze hadden hem gestenigd. Toen hij de tempel verliet - misschien wel ontvluchtte -
toen zag hij de man, blind vanaf zijn geboorte. Er waren wel meer blinde
bedelaars maar Jezus grijpt als het ware die gelegenheid aan om het inzien
duidelijk te maken. En hoe! Hij maakt zo gezegd de ogen van de man vies en
noopt hem zo tot wassen in de vijver die 'gezondene' heet. De man moet aarde
van zijn ogen wassen, zijn aardse gerichtheid loslaten, rein worden: op God
gericht. Hij die zelf de Gezondene is gebruikt de naam van de vijver om
zichzelf aan te wijzen als DE Reinmaker. Zo eenvoudig
is het als je dat ziet, als je dat maar wil zien, als je maar ontvankelijk
bent.
Sommige mensen zien dat de man
inderdaad die bedelende blinde is, anderen willen eerst een bevestiging. Maar wie persé niet zien ondanks het teken niet zien, niet willen
zien, dat zijn de Farizeeën. Waren jullie maar blind zegt Jezus, dan zou
jullie niet worden aangerekend. Ligt hier geen punt voor ons? Zij er geen
tekens in onze tijd die we niet zien, niet zo graag zien? Zijn de veertig dagen
vóór Pasen geen gunstige tijd om daar eens over te denken?
Toen Jezus vernam dat de man -
net als hij - de synagoge was uitgegooid, zocht hij hem op. Hij laat zijn
lotgenoot, zijn schaap niet verloren lopen. Toen zag de man hem, stond hij oog
in oog met de Mensenzoon en hij had alle reden om te barsten van geluk, als hij
zijn ontroering al kon verdragen. Zou voor hem vanaf dat moment niet gelden "Overal komen geluk en genade mij tegemoet"
/ "Voorspoed en zegen verlaten mij nooit" ? Hij is veilig, ondervindt
de kracht van Jezus' staf en zijn beker is boordevol.
Ligt hier geen punt van troost
voor ons? God is mens geworden om lotgenoot te zijn tot in de dood toe. Mogen
wij dat zien en beleven.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Het is een koud kunstje om schamper te doen over die Farizeeën.
Misschien kom je in de verleiding om af te wachten tot iemand jou op een of
andere manier komt zalven. Vergeet niet dat je al gezalfd bent met Jezus'
Geest. Samuël wist niet wie hij moest zoeken, maar hij ging ervan uit dat God
hem zou aanwijzen. Jezus' Geest moge jou een gedachte of teken aanreiken. Een
gedachte die jou te binnenschiet waarop je je kunt
bezinnen of een 'teken' dat jou opvalt. Wie weet wat je in die Geest daarin
kunt zien. Ga er eens voor zitten.
'Je hebt hem ontmoet, al eerder. Het is degene die tot jou
sprak, en die je nu ziet'. Zullen we dat over ons laten komen om het te zien?
Vijfde
zondag in de veertigdagentijd A 17 maart 2002; '05
Ez 37, 12-14; psalm 130; Joh 11, 1-45 (Rom 8, 8-11, sluit
goed aan)
Psalm
130 Uit het
diepste diep roep ik U aan, HEER;
ach, Heer, hoor wat ik zeg, luister toch naar mijn bidden en
smeken.
Als U, HEER, de zonden in gedachte houdt blijft niemand overeind, o
Heer.
Maar bij
U, bij U is vergeving, daarom heeft men zo'n eerbied
voor U.
Ik kijk
uit naar de HEER, met heel mijn hart kijk ik naar Hem uit;
ik wacht in vertrouwen op zijn woord.
Mijn
hart kijkt uit naar de Heer, meer dan wachters uitkijken naar de ochtend,
dan wachters naar de ochtend.
Israël,
wacht in vertrouwen op de HEER; bij Hem is liefde, bij Hem is verlossing in
overvloed.
Hij is
het die Israël verlost van al zijn zonden.
De profeet Ezechiël spreekt tot de ballingen in Babylonië.
De bovenlaag van de bevolking in Jeruzalem en Juda is afgevoerd door de
Babyloniërs en de Joden hebben dat ervaren als een straf van hun God omdat zij
zich hadden misdragen. Nu zien zij dat in. En dan is er het berouw. 'Hadden we
maar'. De profeet spreekt over "graven", waarin dus doden liggen. Is
het dan zo erg? Kennelijk wel: de verzen vlak voor dit stukje lezing
luiden:"… Bij hen leeft de gedachte 'Onze beenderen zijn verdord, onze
hoop is vervlogen, het is gedaan met ons'." Dan ga je vragen om vergeving,
om kracht, want zo'n erbarmen moet toch van God komen.
Velen van ons kennen zo'n
situatie wel; als je ooit fluisterend om hulp heb gebeden, als je ooit een
dierbare hebt verloren, als je ooit spijt hebt gekend van een misstap, als je
ooit je God hebt verloren, als je ooit noem-maar-op,
dan weet je uit eigen ervaring hoe het is om te bidden/zingen "Uit de
diepten roep ik, Heer. Luister naar mijn stem. Wil aandachtig horen naar mijn
smeekgebed"/"Uit afgronden roep ik, Heer;
hoor mij, Heer: ik blijf vragen". Dan kun je uitzien naar je God,
"meer dan wachters naar de morgen".
Als wij zo iets hebben meegemaakt, meemaken, dan is ook
voor ons het woord van de profeet: "Zo spreekt de Heer: IK ga uw graven
openen". IK ga je terugbrengen naar de grond van je oorsprong en dan zul
je uit eigen ervaring "wéten dat IK de Heer ben". Uit eigen ervaring weten dat je
verlost bent uit die on-eigenheid, dat je niet meer
wordt tegengehouden, dat je in volle vrijheid met heel je persoon voor God kunt
staan.
Maar er is nog meer: "IK zal mijn Geest over u uitstorten
en gij zult leven". Het is niet alleen een zaak
van niet gehinderd worden maar ook nog eens leven in Gods Geest, je eigen leven
verbinden met de Geest, gevoed worden door de Geest, door goddelijk Leven. Als
je je God kwijt bent geraakt, als God Zich heeft
verborgen, weet je hoe je kunt verlangen naar die intensiteit van gekend zijn,
wil je nooit meer zonder, zonder die Geest, zonder die heerlijkheid.
In het evangelie kunnen we dat gegeven vinden als op een
speciale manier verwoord, verhaald, als een verhaal uit het leven gegrepen. Jezus is de 'protagonist', de man op de voorgrond die het
verhaal trekt. Hij heeft tegenspelers: niet Lazarus, niet de
Joden, niet de leerlingen maar twee vrouwen: Marta en Maria. Marta is de
'heerseres' zoals haar naam zegt, de bazin, de kordate: zij gaat naar Jezus toe
en zegt hem netjes de waarheid. Maar zij is ook de vrouw van de geloofsact. Als
zij het hare heeft gezegd, spreekt ze ook haar vertrouwen uit in hem:
"Maar zelfs nu - in dit verdriet, nu ik door u ben teleurgesteld - wéét ik
(! zo groot is haar vertrouwen dat ze weet) dat wat
Gij ook aan God vraagt, God het u zal geven". Kennelijk was haar ervaring
met Jezus zo groot. Als Jezus dan zegt: "Uw broer zal verrijzen",
geeft zij het Joodse geloofsantwoord dat hij zal verrijzen op de laatste dag,
de dag van het oordeel. Dan zegt Jezus tegen haar zo iets als: 'Nee, Marta, dat
was. Vanaf nu is het anders: ik ben de verrijzenis en het leven'… Marta,
geloof je dat? - Ik, geloof ik dat?
Als je in dit evangelie de naam van Maria onderstreept,
blijkt dat je haar vaker tegenkomt dan je denkt. Zij is de tegenpool van haar
zus, gevoelig, die aan zijn voeten gezeten luistert, de voeten van Jezus zalft
en met haar haren droogt; zij blijft thuis als Marta naar Jezus trekt, zij gaat
pas als Marta haar toefluistert "De meester is er
en vraagt naar je". Dan staat ze vlug op, "snelt weg". Zij valt
Jezus te voet en zij raakt hem diep als zij hem vraagt 'waarom Heer?' Bij de vraag, het verwijt van Marta
kan Jezus nog een antwoord geven "Hij zal
verrijzen" maar als Maria hem verwijt en hij haar verdriet ziet, houdt hij
zich niet meer in. Hij wordt emotioneel 'weg met de dood' en hij laat zien hoe
hij met de dood afrekent. Hij is immers de verrijzenis en het Leven richting de
Vader.
Beide vrouwen hebben uit de diepte, uit groot verdriet
geroepen. De Heer verhoort beiden. In onze geloofsact, ons geloofsbeleven
zijn beiden nodig: de vrouw die wil, die 'ja' zegt, en de vrouw die stille,
intense beleving kent, een intense band, de vrouw die - laat me zeggen - zijn luisterend Geest ontvangt, in zijn Geest leeft, de Geest
Gods die graven opent, die uit de doden opwekt. Zo zal zij ervaren hetgeen Jezus gaat doen.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Ook als je
jong bent zijn er misschien niet zoveel jaren, dan toch wel vele uren waarin je
je verloren voelt. Ook dan kun je uit de diepte
roepen om hulp. Ook dan leer je vertrouwen. Dan pas leer je wat vertrouwen moet
zijn.
Wij hebben een groter hulpmiddel dan de Joden in
ballingschap, die het woord van een profeet hoorden. Wij hebben het woord van
God in levende
lijve: Jezus, de Messias. Als je vertrouwen hebt geleerd, gevonden, hoor je
misschien nog een ander woord dat voor jou bestemd zou kunnen zijn of je nu wel
of niet in nood zit: "De meester is daar en vraagt naar je".
Beide vrouwen zijn nodig: de vrouw die wil en de vrouw die
- laat me zeggen - ontvangend in zijn Geest leeft. "Marta, geloof je
dat?" "Maria, ben je er?"
Hoe is dat met ons? Zullen we ons daarvoor even tijd
gunnen?
Mt 21, 1-11; Jes 50, 4-7; psalm
22; Mt 26, 14 - 27, 66
Psalm
22 Iedereen die
mij ziet lacht en spot met mij, gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:
'Hij
bouwt op de HEER, die zal hem redden, die zal hem bevrijden, Hij houdt toch
van hem.'
De
honden staan al om mij heen, een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,
ze hebben mijn handen en voeten doorboord.
Mijn
beenderen kan ik tellen, één voor één, en zij maar kijken en zich om mij
vermaken;
zij verdelen mijn kleren onder elkaar en dobbelen om wat ik
aan heb.
HEER, houd u niet ver van mij; mijn kracht, haast u
en help mij.
Ik zal
uw naam verkondigen bij mijn broeders en zusters, en U prijzen in de
gemeenschap:
Wie de HEER vreest, prijs Hem,
alle
nazaten van Jakob, eer Hem alle nazaten van Israël, vrees Hem,
Het lijdensverhaal lezen we
ieder jaar verscheidene malen telkens weer en telkens weer met eerbied. Met
eerbied en verwondering en bewondering. De evangelisten hebben niet allen
precies hetzelfde verhaal en af en toe loopt het niet goed door maar we
accepteren graag de geloofsbelijdenis, de geloofservaring die de mensen toen
hebben meegekregen en zo uitgesproken. We vieren een geheim, het on-zeglijke. We vieren met Kerstmis een geheim, een geheim
met Pasen en met Pinksteren een wonder. Maar nu vieren we het geheim van God
die meelijdt met Zijn schepsels. God is mens geworden, helemaal mens, inclusief
mensen-lijden, ook smadelijk lijden, vernedering,
inclusief mensen-dood, zelfs een dood van schande.
Voor iedereen zichtbaar, en hoorbaar in de schreeuw: "God, mijn God,
waarom toch?" En dat omwille van Zijn schepselen. Dan ga je denken: God moet toch wel
gek zijn.
Paulus zegt
"Wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot,
voor heidenen een dwaasheid maar voor de geroepenen God kracht en Gods
wijsheid". Ja, als God een maximaal wezen is, moet HijZ ook maximaal in
liefde zijn. Voor ons niet te bevatten. God die ook mee lijdt.
Maar ook God die Kracht geeft.
De eerste lezing gaat over de Dienaar van de Heer die luistert naar zijn Heer
en Kracht ontvangt om bij te staan, die niet terugdeinst als hij hoort wat hij
moet doen: zijn rug, zijn wangen en zijn gezicht bloot geven. Om te kunnen
bijstaan. Om te leren hoe hij moet bijstaan, of beter: om ons te leren dat hij bijstaat.
Ook in idioot lijden.
Dit gehoor geven zoals Jezus
doet staat wel in schril contrast met wat zijn tegenstanders doen. Ze hebben
een list nodig om Jezus in handen te krijgen, zelfs een Judaskus. Kennelijk
kennen ze Jezus niet, hebben ze nooit naar hem geluisterd. Ze komen in het
geniep met zwaarden en knuppels tegen éen ongewapende, die dagelijks openlijk
in de tempel sprak, zelfs openlijk Jeruzalem binnenkwam. Bij Pilatus halen ze
het volk over om voor een rover en moordenaar te kiezen en niet voor iemand die
weldoende rondging. Ze bespotten een weerloze, ze bespotten hem als goddeloze.
En zo gaat het verhaal door tot op het laatste - als je aan de hand van de
gebruikte getallen kunt bedenken dat op het zesde uur de duisternis toch nog
een bekering moge oproepen - tot het negende uur; dan scheurt de voorhang van
de tempel. Dan heeft de Dienaar alles gedaan wat hij heeft gehoord. Volgens de
Schriften, die Hij vervult.
Er zullen wel mensen zijn die
kunnen luisteren, misschien net zo goed als Jezus. Die ook in verdrukking en verdriet
horen. En dan ook kunnen dóen tegen de verdrukking en het verdriet in. Al zou
het maar een machteloze schreeuw tot God zijn. Misschien zeggen zij wel dat je
verdrukking en verdriet nodig hebt om daaroverheen iets te kunnen doen dat te
maken heeft met Gods geheim. Dat je pas dan iets gaat vermoeden hoe God is. Wat
Zijn Kracht is.
Er zullen wel mensen zijn die zo
iets kunnen, die gaan begrijpen. Maar altijd geldt voor jong en oud dat we niet
op de eerste plaats hoeven te be-vatten, te be-grijpen. De Dienaar biedt ons aan; we kunnen beginnen
met te ontvangen, begrip te kríjgen voor het Geheim van God.
Zullen we ons daarvoor
openstellen? Het goede uur is gekomen.
Gen
1,1 - 2,2; Ex 14,15 - 15,1; psalm Ex 15; Ez 26,16-28; Rom 6, 3-11; Mt 28,1-10.
Psalm Ex 15
Ik wil
zingen voor de HEER, want Hij is de Hoogste:
paard en berijder dreef Hij in zee.
De HEER is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geweest.
Hij is
mijn God en Hem wil ik loven;
de God van mijn vader, Hem zal ik prijzen.
De HEER is een strijder, HEER is zijn naam.
De
wagens van de farao, zijn machtige legers, Hij wierp ze in zee;
de keur van zijn mannen, door de Rietzee verzwolgen.
Zij zijn
door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt.
Uw hand,
HEER, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand neer.
U hebt
hen gebracht, U hebt hen geplant op de berg die uw domein is,
waar U, o HEER, uw verblijf hebt gevestigd, het heiligdom,
Heer, dat uw hand heeft gemaakt.
De HEER is koning, voor altijd en eeuwig!
We vieren vannacht een geheim, we
beleven het ieder jaar weer opnieuw, een geheim van ons leven. Lang geleden is
dat mysterie, dat onzeglijke, opgeschreven als 'Toen zei God: "er moet
Licht zijn" en er was Licht'. De eerste invulling van de schepping: licht.
Het toppunt van de schepping op de zesde dag: wij, mensen, en bestemd om in dat
licht te leven.
Dagelijkse ervaring van het
natuurlijke licht, tegenhanger van duisternis, wordt gebruikt om een inzicht
aan te geven op geestelijk niveau, een verhelderend zicht op de vraag wat wij
hier op aarde te betekenen hebben, op aarde met als tegenhanger de hemel, met
zicht op de hemel. Natuurlijk licht als symbool voor het inzicht, geloofszicht,
dat wij zijn geschapen naar Zijn Beeld en Gelijkenis. Zijn Beeld opdat wij
weten hoe wij goed kunnen zijn, 'te recht' kunnen zijn; Zijn Gelijkenis opdat
wij Hem kunnen bereiken, een aansluitpunt hebben, dat we kunnen leven naar Hem
toe. We zijn immers voor het goede bestemd. We behoren Hem toe. Voor altijd.
We vieren vannacht een geheim, we
beleven het ieder jaar weer opnieuw. Het geheim van ons geloof naar God toe.
Ons leven op
aarde kent ook gevaar, ook onderdrukking, die ons belemmert om Hem toe te
behoren, naar Hem toe te leven. We willen daaruit worden bevrijd om door te
kunnen gaan in vrijheid van denken en doen. Het Joodse volk belijdt dat zij
Gods volk zijn geworden toen zijn Egypte uittrokken en op een wonderlijke
manier zijn gered van hun achtervolgers via de hand van de man Gods, Mozes.
Water maakt vrij baan voor hen en als zij veilig zijn vernietigt het hun
belagers. In Gods Kracht waait de wind eerst in de reddende richting over het
water en trekt zich dan terug. God redt. Ligt hier geen ervaring voor ons,
groot of klein, waarvan wij zeggen "Ik ben uit
die nood gered"? Lichamelijk nood of geestelijke nood die mij
belemmert/belemmerde om Hem toe te behoren?
Maar er is nog een gevaar waaraan wij zelf debet zijn als
we uit gemakzucht of afkeer niet meer naar God toe leven, als wij doen wat de
Joden - naar eigen zeggen - tot hun ballingschap bracht: zich niet meer aan
Gods wetten houden, als wij uit gemakzucht of wat dan ook niet meer naar Hem
toe leven, Zijn Naam ontheiligen, de aarde voorrang geven boven de hemel. Maar ook in dat gevaar wil God niet om Zijn Naam heen en -
nu wordt het expliciet gezegd: "IK zal mijn Geest over u uitstorten … U
zult wonen in het land dat IK uw vaderen heb gegeven, dat IK voor u heb
bestemd". Zo spreekt de profeet, die ene man die we nodig hebben om tot inkeer
te komen.
Ieder jaar
opnieuw beleven we het heil dat de Schepper voor ons heeft bedoeld. We zijn
vannacht ook weer begonnen met het Licht, nu het Licht van Christus, een nieuw
licht, nog sterker dan het licht van de schepping. Zijn licht leek immers
gedoofd maar - als je het ziet - het brandt, anders, eeuwig, van Boven. Dit
licht van hem moge ook voor inzicht staan maar dan inzicht in Gods bedoeling
met Jezus. Twee vrouwen gaan naar het graf, om te kijken. Zij kunnen Jezus niet
loslaten en dan in confrontatie met de dood komt als een donderslag bij heldere
hemel het inzicht dat hun God niet bedoeld kan hebben dat Jezus, die weldoende
en als gerechte rondging, vernietigd was door het duistere. Dan zou het Verbond
waardeloos zijn, dan zou het woord van Ezechiël "U zult Mijn volk zijn en
IK zal u God zijn" niet gelden; De Eeuwige zou het laten afweten. Dan
dringt een conclusie zich op: Jezus moest dus leven, hoe dan ook: Jezus komt
hun tegemoet, Verrezen. Levend. Echt waar. Dat is een nieuw Licht dat op een nieuwe
manier een eind maakt aan duisternis, uitzichtloosheid, aan niksheid
en doelloosheid: de nieuwe schepping.
Wij hier bijeen: als Jezus niet was verrezen waren wij
niet bij elkaar, konden we ook niet éen zijn in zijn Naam, was hij niet in ons
midden. Wij vieren zijn verrijzenis op grond
van de getuigenis van de apostelen maar ook de H.
Geest getuigt
in ons van de verrijzenis zoals Petrus tegen het zegt.
Wij zijn immers
gedoopt in water. Nu geen water dat vernietigt of afschermt maar stromend water
dat het oude wegspoelt en het nieuwe mogelijk maakt. Water waarin de Paaskaars driemaal is neergelaten met de bede "Moge de
kracht van de H.Geest neerdalen in de volheid van deze bron". Nu niet meer
een algemeen water waar de Geest Gods boven zweefde bij de schepping maar nu
toegespitst op het doopwater: nieuwe schepping. Wij zijn ondergedompeld in
levend water, ondergedompeld in de H.Geest, het begin van ons eeuwig leven als
Godkind met Jezus, de Christus.
Als
sterfelijke mensen delen wij wel de dood van Jezus maar omdat wij gedoopt zijn
delen wij niet alleen in zijn doop - die dood - maar delen wij ook in zijn
leven, eeuwig leven naar zijn God toe. Want uit zijn verrijzenis blijkt dat hij
de dood heeft overwonnen. Om ons heil. Omdat God zo graag zijn Beeld en
Gelijkenis wil zien.
Nieuw in
Christus Jezus. Goddelijk Aanbod. Zullen we dat over ons laten komen?
Paaszondag 31 maart 2002; 27 maart 2005 (toegespitst op A)
Hand 10, 34a. 37-43; psalm 118; Joh 20, 1- 9
Psalm
118 Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.
Israël,
kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
De
rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de HEER overwint.'
Ik ben niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;
De steen door de bouwers afgekeurd,
die steen is hoeksteen geworden.
Dat is
het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.
Dit
is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en
vreugde.
Bij de grote feestdagen, Kerstmis, Pasen, Pinksteren en
Allerheiligen/Allerzielen merken we dat we in een jaarcyclus leven en we zijn
dan wat meer geneigd om na te denken: hoe was het vorig jaar Kerstmis, Pasen
enz. We denken zelfs vooruit: hoe zal het het volgend
jaar zijn?
Het zijn goede gelegenheden om te denken over ons leven,
het kostbaarste dat we hebben omdat het met ons eigen zelf te maken heeft. We
weten dat we bestaan, dat we eten en drinken; we weten niet alleen dat we bestaan
maar we weten ook dat er een 'meer' is, dat er een 'nog niet' is. Als gelovigen
richten we dat weten op God, de Vader van Jezus, die Hem uit de doden heeft
opgewekt. M.a.w. we denken na niet alleen over dat we bestaan maar ook over wát
we zijn, hoe ons bestaan, hoe ons leven is. Voor ons: hoe ons gelovend Leven
met God is. En het is niet zo gek om na het begin van dat leven met Kerstmis te
hebben gevierd, nu in de lente te denken aan nieuw leven, toenemend Leven.
Ieder jaar weer een stukje nieuw Leven verwerven, verworven hebben, ieder jaar
weer een stapje vérder naar het 'meer', want er is een 'nog niet', nog niet
volledig.
De eerste zondag van de voorbije veertigdagentijd was het
thema dat wij niet van brood alleen leven, er is meer. De tweede zondag zijn we met
Jezus de hoge berg op gegaan, spiritueel leven. Op de derde zondag hebben we
gedacht over hoe de bron van levend water in ons kan opwellen. Daarna was het
de ontmoeting van de blindgeborene met Jezus "Je hebt Hem eerder ontmoet.
Het is degene die tot je spreekt". En tenslotte
de bij de opwekking van Lazarus: "Marta, geloof je dat? Maria, ben je
er?" Allemaal thema's waarmee Jezus ons tot God voert. Nu zijn
we dan gekomen bij zijn féest van zijn bereiken van
God, zijn verhoging tot Gods rechterzijde, zijn Abba, Leven met God, in God,
Zijn goddelijk Leven. Hij is er, nu wij nog.
Wij baseren dat Leven met God op de geloofsbelijdenis van
Petrus: hij is de eerste en/of voornaamste getuige van dat geloof in de
verrijzenis - de verrijzenis van Jezus én onze verrijzenis. In de eerste lezing
hebben we gehoord hoe hij kort weergeeft zijn eigen ervaringen, zijn omgaan met
Jezus gedurende diens leven - "hij ging weldoende rond"- en wat voor een verschrikkelijke dingen gebeurden in Jeruzalem - ze
hebben hem als een misdadiger aan een schandpaal genageld en vermoord. Maar -
belijdt Petrus - God heeft hem doen opstaan en hem laten verschijnen. Evenwel, alleen laten verschijnen aan
mensen "die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de doden was
opgestaan". Zij moesten verkondigen dat Jezus de Rechter is voor de Joodse
z.g. jongste dag, het laatste oordeel, en ook dat hij behalve Rechter ook de
Vergever is, degene die zonden van mensen vergeeft, zelfs van degenen die hem
aan het kruis hebben laten slaan, als ze het maar inzien en hem willen volgen.
Behalve Vergever is hij ook degene die mensen open maakt,
die van hem willen leren hoe naar God toe te leven. En als je dat in de gaten
krijgt, is er alle reden om vandaag te juichen /(en te zingen) "Dit is dé
dag die de Heer heeft gemaakt"/ "Zie, deze dag schiep de Heer, laat
ons hem vieren in blijdschap". Want God die Jezus van de doden heeft
opgewekt, de ten Leven roepende Vader, vult het 'meer' en 'nog niet' in op een
wonderlijke wijze, toont Zijn bezorgdheid om Zijn schepsels voor hun eeuwig heil, eeuwig Leven met Hem.
Maar, hoe komt Petrus daarbij? Hij die driemaal zegt Jezus
niet te kennen, hij die met zijn medegetuigen op de vlucht slaat, Jezus in de
steek laat, terwijl hij nog te voren had gezegd met hem zullen sterven. Hoe
komt Petrus aan dat inzicht, dat geloof in Jezus als de Rechter en Vergever?
Iedereen heeft kunnen zien dat Jezus leefde (en hoe!), dat
hij werd veroordeeld en leed en stierf aan een kruis. Daarna kan niet iedereen
hem zien. Hij is alleen te 'zien' in geloof.
Hoe het en wat er historisch precies is gebeurd, weten we
niet; de verrijzenisverhalen verschillen nogal van elkaar. Maar waarin ze alle
vier overeenkomen is dat vrouwen de aanzet zijn. Het evangelie van Johannes
vertelt hoe Maria Magdalena naar het graf gaat. Wat moet
zij daar doen? De mannen zijn er vandoor maar zij heeft wat, zij zoekt Jezus
nog, zij staat nog in relatie met hem, misschien heel simpel gevoelsmatig -
maar toch. Later zegt ze tegen de tuinman dat ze 'haar' heer hebben weggehaald,
ze zoekt haar Heer.
's Morgens vroeg gaat ze - "het is nog donker" -
typisch Johannes: ze 'zag' nog niet. En dan gebruikt de evangelist driemaal het
word 'zien'. De eerste keer in de betekenis 'constateren': Maria constateerde
dat de steen was weggerold en automatisch denkt ze dat het lijk van Jezus is
gestolen. Ze rent naar Petrus en Johannes, vertelt wat ze heeft geconstateerd,
Johannes rent vooruit en "vooroverbukkend"
constateert hij iets over de zwachtels.
Dan komt Petrus en hij gaat het graf wel binnen: hij durft
de confrontatie met de dood nu aan. In het graf, in de wereld van de dood,
'beschouwt' hij, zegt de evangelist, de tweede betekenis van 'zien'. Hij
'overweegt' n.a.v. de zwachtels en de zweetdoek. Misschien dacht hij aan
Lazarus, die de zweetdoek nog voor had, terwijl die van Jezus apart lag,
opgerold. Hoe kan dat?
Dan gaat ook Johannes het graf in en hij 'ziet in', de
derde betekenis van zien, hij doorziet. Toen pas, want ze hadden nog niet
begrepen, nog niet ingezien dat e.e.a. al in de
schrift lag opgesloten. In de Schrift lag dat iemand die een Gerechte is, die
goed heeft geleefd, niet door de God van het Verbond in de steek wordt gelaten.
Niet in de steek wordt gelaten op het definitieve moment, op 'de derde dag',
voor Jezus was dat na zijn offerdood.
Dat móést wel volgens de Schriften zijn, kon niet anders.
MAAAR, maar dat wil dan ook zeggen dat inzet van Jezus voor het Rijk van God
terecht was en dat in die vernederde aan het kruis dat Rijk begonnen is. De
Messias is dus geen grote figuur die het machtige rijk van David even herstelt
maar een - laat me zeggen - stille, persoonlijk inspirerende Kracht, die in
ieder mens werkt en vraagt om hem te volgen. Dat was de Joodse gedachte over de
Messias op zijn kop. Geen wonder dat Petrus 'beschouwde', eens goed moest
nadenken. Johannes, de leerling die Jezus lief had, 'ziet' vanuit spontane
liefde. Petrus moest nadenken over de consequenties; Johannes - even geholpen
door Petrus - wist het eigenlijk al - op een andere manier, een manier die
vrouwen beter kennen.
Om verrijzenis te zien zitten, om in te zien dat ons leven
een bovenkant heeft, om ons 'meer' en een 'nog niet' definitief in te kunnen
vullen hebben we geloof nodig. Om recht te doen aan ons goed-zijn
moet er een stap over het gewone leven heen gemaakt kunnen worden, een stap die
niet af te dwingen is, maar een overtuiging die alleen maar in vrijheid
ontstaat en die een eerlijke en verantwoorde beslissing aanreikt: op een of
andere manier weten dat goed zijn als Jezus, met hem leven, eeuwigheidswaarde
heeft. Het is immers een naar God toe leven. Zo kun je rekenen op een gunstig
oordeel van de Rechter op jouw derde dag. Zo kun je ook ervaren hoe het is
samen met hem te zijn, voor je werken naar buiten, voor je weten naar binnen.
Geloof is niet aannemen op gezag, geloof is veel meer dan
iets voor waar houden. Geloof is met hoop en liefde, zoals die vrouw had, leven
naar God toe. Ieder jaar een stukje meer verlangen, vertrouwen, leren kennen,
in het Licht gaan staan en weer een korrel in de aarde van onze liefde
ontvangen.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Verrijzenis
kun je niet gewoon zien. Verrijzenis is niet dat een lijk weer levend wordt.
Eeuwig leven is niet te bewijzen - gelukkig maar, dan was de 'lol' ervan af. Verrijzenis, eeuwig leven, hemel is gebaseerd
op willen zien, op inzet, waarmee je ervaart dat het een goede zaak is. Net als
Jezus. Je kunt ook zeggen dat het wel zo móet zijn vanwege de liefde, zoals die
vrouw(en) dat aanvoelde(n). Hij had immers zijn leven ervoor over.
Geloof is leven naar God toe, naar Hem die ten Leven wekt.
Wij kunnen dat samen doen met Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Zullen we
ons even tijd gunnen om wat vrouw te zijn en dat te binnen laten komen, naar
God toe ?
Tweede Zondag van
Pasen A 3 april 2005; '08
Hand 2, 42-47; Ps 118; Joh 20,19-31
Psalm
118 Dank
de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.
Israël,
kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
Huis van
Aäron, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
Jullie
die de HEER vrezen, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
Zij
duwden en stootten en ik viel bijna, maar de HEER kwam mij te hulp.
De HEER, mijn kracht, de HEER, mijn beschermer, de HEER is mijn redder gebleken.
Hoor de
juichkreten over mijn redding in de tenten van de rechtvaardigen:
De steen door de bouwers afgekeurd,
die steen is hoeksteen geworden.
Dat is
het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.
Dit is
de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.
Verrijzenis is typisch een
geloofszaak, een wezenlijk geloofsgegeven; ons hele geloof draait daarom. Als
hij niet was verrezen, zaten we niet hier. Geloof is evenwel
niet te bewijzen. Als het om bewijs gaat, bewijs je aan jezelf jouw
geloof in Jezus door te geloven in zijn verrijzenis. Paulus zegt: "… en uw
hart gelooft dat hij is opgestaan uit de doden …". Hart en bewijs? Dat
vraagt om nadere verklaring.
Iedereen heeft Jezus kunnen zien
vanaf de doop in de Jordaan t/m zijn kruisdood; daarvoor had je geen geloof
nodig, je zag hem. Vóór zijn doop in de Jordaan hebben mensen in zijn omgeving
hem natuurlijk gezien, maar dan als een gewone jongen, jongeman en zo. Ná zijn
dood verscheen hij niet aan iedereen maar aan een aantal mensen
die vanaf Galilea met hem naar Jeruzalem waren opgetrokken, getuigen die
tevoren door God waren uitgekozen, zoals Handelingen dat formuleert. Als het
mogelijk was geweest in die tijd, had men van Jezus video-opnamen kunnen maken
t/m zijn graflegging. Daarna niet meer.
Verrijzenis is niet natuurlijk
zichtbaar. Bij verrijzenis gaat het om een andere natuur, een andere
werkelijkheid dan de gewone. Verrijzenis is geen kwestie van het weer levend
worden van een lijk. Verrijzenis onttrekt zich aan de gewone natuur. Kun je dan
niet van alles bedenken? Nee. De leerlingen geloven eerst niet dat het Jezus is
die plotseling in hun midden staat en hij verwijt hun dan ook hun ongeloof. Ze
denken aan een schim of spook. Dan pas als ze zien dat hij echt eet, dat hij
wonden heeft, dan dringt langzaam maar onweerstaanbaar de conclusie zich op
'Hij is het echt' en niemand anders, dezelfde als eerst. Het gaat dus niet
zomaar om een vrome gedachte of een vurige wens of een psychologisch
verklaarbare behoefte maar om een werkelijkheid die weliswaar anders is dan
'gewoon' maar wel een werkelijkheid anders at hij niet.
Het verhaal van Tomas geeft dat
ook nog eens duidelijk aan. Wij zijn geneigd om te denken dat Jezus Tomas op
het matje roept. Maar laten we voorzichtig zijn. Tomas zal net als de anderen
gehoopt hebben dat het Rijk van David werd hersteld, dat er vrede zou zijn, dat
de inspirerende figuur van Jezus zou leiden tot iets geweldigs. Hij geloofde in Jezus. En dan ....
weg ... weg alle hoop .... het onheil diende zich aan, was niet meer te vermijden
en totale ontreddering volgde. Iemand die groot een
verlies heeft geleden, weet wat dat is. Er is niets meer dan een groot gat. Als
dan zijn maatjes tegen Tomas zeggen dat ze echt Jezus echt gezien hebben,
"de Heer is waarlijk verrezen" - wellicht laat hij zich dan geen
tweede keer bedonderen, niet nog eens die hoop
koesteren. En als ze aanhouden, zegt hij die beroemde woorden "Als ik mijn
vinger niet in de plaats van zijn nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde
kan leggen ..." Zien we wat hier gebeurt ? Tomas vraagt om werkelijkheid, hij wil graag
geloven, weer geloven, maar hij beschermt zijn geloof wel tegen
oppervlakkigheid, tegen wensgeloof. Die keiharde
realiteit die er bij het lijden was, die moet nu ook gelden. Hij heeft groot
gelijk. En dan komt Jezus! Kijk maar Tomas, voel maar Tomas, het is echt, ik
ben het, ik op wie je zo hoopte. Ik ben het werkelijk. Dezelfde die heeft
geleden en aan een kruis is gestorven. Dan spreekt Tomas' hart: "Mijn Heer en mijn God"
Geloof in de verrijzenis komt
niet zomaar uit de hemel vallen. De leerlingen die met hem van Galilea zijn
opgegaan naar Jeruzalem hebben Jezus leren kennen en hebben de gelegenheid
gehad om in hem te gáan geloven. Zó kunnen wij ook in
zijn verrijzenis gáan geloven. We kunnen beginnen met
te zeggen dat Verrijzenis mogelijk is en redelijk. Als God een maximaal Wezen
is, is HijZ ook maximaal in wat mensen liefde noemen. Die maximale liefde wil
zich manifesteren, moet zich wel uiten en dringt zich a.h.w. de schepping
binnen in Jezus van Nazaret. God werd mens. Maar dan kan de Vader die Zijn Zoon
zond, die Godmens niet laten vallen en móet Hij hem wel opwekken met zijn
lichaam. Zo is Liefdes-Eenheid, zo is hun beider
Geest.
Verrijzenis is geen bewijsbaar
gegeven omdat het van een andere werkelijkheid is, een geloofswerkelijkheid.
Dus kan het alleen maar bestaan als persoonlijke overtuiging. Het gaat om een
eigen overtuiging die in je gaat groeien, jouw overtuiging, daar helpt geen
moedertje lief aan en jij staat er zelf voor, het is jouw eigen geloof, vanuit
je zelf, niet van buiten. Het is vanuit je hart, het is van je hart, omdat je
zo graag wilt, omdat je hart zegt dat het invult, je geloof invult, je leven
invult. Dit geloof is nooit af, je bent er voortdurend mee bezig en dat geeft groei.
Wij hebben niet de gelegenheid
gehad Jezus te leren kennen zo als de leerlingen. De bemoediging die ligt in
'Zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben' -wat een geluk als je dat
kunt - die bemoediging spreekt ons niet altijd zo aan. Hebben wij dan niets
tastbaars voor onze handen, niets zichtbaars voor onze ogen ?
Mij lijkt dat we dat wel hebben. Zonder hem gezien te hebben zijn al zo'n 2000 jaar mensen bezig in Zijn Naam, gebruiken hoofd en
handen om het ideaal van Jezus waar te maken. Het Lichaam van Christus mag
gewond zijn als het is - de Kerk is echt niet volmaakt - maar wat goed is, is
goed en is gedaan in Zijn Naam. Je kunt er voor kiezen om te doen in Zijn Naam.
En we merken dat dat goed voelt. Het spreekt in ons
hart. Het geeft een band waar wij zelf aan meewerken, een band met wat toen
gebeurde, een band met wat Jezus deed, een band met hem.
Kijken we naar de 1e lezing wat er gebeurt na de verrijzenis, hoe enthousiast
de leerlingen zijn; leerlingen aan wie Jezus niet is verschenen maar van wie
hun hart aangesproken wordt door het getuigenis van de apostelen. Zij leren en
delen en breken het brood en bidden tezamen. Nog meer:
'zij braken het brood in een of ander huis, genoten hun maaltijd en loofden
God'. Dat doen wij nu ook nog, al is de maaltijd zelf vervallen: wij zeggen het
zegengebed om het brood, zeggen het zegen- en dank- en smeekgebed om de wijn en
loven God met het Brood en de Beker in de hand "Door hem en met het en in
hem". Hij is immers verrezen. Zo spreekt ons hart dat wij hebben verheven.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. We leven in een wereld die geen geloof kent, die geloof niet kent,
als niet terzake afschuift. Misschien moet je je wel
eens verantwoorden voor je geloof. Maar dat kan alleen maar aan mensen die
ervoor openstaan, willen horen. Geloof is niet te bewijzen met verstandelijke
argumenten. Je kiést ervoor om te geloven; daarvoor heb je je
eigen redenen; omdat het goed voelt. Je kiest ervoor om je geloof te laten
zien, waar te maken op jouw manier. Je bent niet de eerste noch de enige. Jezus deed het voor, Tomas volgde hem. Doe
maar.
Of: In de tussenzang hebben we gezongen "de Hand
van de Heer toont zijn macht". De gewonde hand, die met die spijkergaten
erin. De macht van geloof. De macht van liefde.
Of: In de psalm hebben we gebeden "Mijn kracht is
de Heer". Hebben we Die Kracht dan niet toegelaten in ons hart? Een hart
dat geen bewijs van node heeft maar zelf weet.
Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen daarover na
te denken?
Derde zondag van Pasen A 14 april
2002; '05
Hand 2, 14.22-32; psalm 16; Lc 24, 13-35. Voor 60 en 3
(derde) zie getallensymboliek.
(De vertaling " … het is nu al twee dagen geleden …" honoreert de
getallensymboliek niet.)
Psalm
16 Bescherm
mij, o God, ik neem mijn toevlucht tot U.
Van de HEER zeg ik nu: `U bent mijn Heer, U bent mijn geluk, U gaat
boven alles.'
Nee, de HEER is mijn erfdeel, mijn levensbeker, mijn lotsbestemming ligt
in uw handen;
Ik prijs
de HEER die mijn leidsman is; zelfs 's
nachts spoort mijn hart mij daartoe aan.
Ik houd
de HEER voor ogen, de HEER altijd, Hij staat mij terzijde en ik wankel
niet.
Mijn
hart is dan ook verheugd, mijn innerlijk jubelt, mijn lichaam kent geen zorgen,
want U geeft mijn leven niet aan het dodenrijk prijs, U laat uw
vrome het graf niet zien.
U
maakt mij vertrouwd met de weg naar het leven, met overvloedige vreugde bij U,
met groot geluk aan uw rechterzijde, voorgoed.
Brandde ons hart niet? De
opgetogen, emotionele vraag van de twee leerlingen die de hele wereld rondgaat.
Brandde ons hart niet? Waarschijnlijk kunnen we ons daarbij wel wat
voorstellen; er was heel wat aan de hand.
Ze zijn op weg naar Emmaüs; niet
zo maar aan het wandelen of reizen - als je het Grieks letterlijk vertaalt. Ze
zijn onderweg, niet zo zeer 'op weg naar' als wel 'weg van'. Weg van Jeruzalem.
Het dorp lag 60 stadiën van Jeruzalem af. Het getal 60 heeft een betekenis nl. zes: weg uit een bepaald kader, tien: helemaal. Ze
gingen weg uit het bestaande Joodse kader, weg uit Jeruzalem en wel helemaal.
M.a.w. ze hielden het voor gezien.
Ze hadden zo gehoopt en alles
wees erop dat nu eindelijk de Wet tot haar recht zou komen zoals ze was
bedoeld, dat er verlossing zou zijn, dat dat Rijk zou
komen; de profeten hadden het immers voorzegd dat hun hoop zou worden ingevuld;
die man was op zijn minst een groot profeet - als hij al de Messias niet zou
zijn - en wat blijkt nu? Niets. Alles flauwe kul. Aan een kruis! Weg met de Wet
en de Profeten. Het is genoeg geweest. We hebben onze beslissing genomen, het
is de derde dag. We zoeken wel wat anders als we tenminste
nog willen zoeken. En we hadden zo gehoopt … Waarschijnlijk kunnen we ons
daarbij wel wat voorstellen…
Dan komt Jezus. Hij gaat met hen mee, ook al is het weg van Jeruzalem. Maar … we kennen het verhaal. Hij
legt hun de Wet, de Schrift en de Profeten uit. Het klopt wél. Krijgen ze het
in de gaten? Hebben ze Hem in de gaten? Nee. Jezus is
onherkenbaar als zodanig en wat hij doet is uniek. Hij spreekt niet vanuit zijn
gezag als groot profeet of Messias, nee, hij sluit aan bij hun hoop, bij wat in
hen zelf leeft. Dan gaat het om geloof, persoonlijk geloof, binnen in, van binnenuit
ervaarbaar, geloof aangesticht door hoop. En dan zet hij ook nog hun trage hart
in brand.
Hun hart in brand voor de God van Israël, die met hen
meetrok door de woestijn, die in Jeruzalem zijn heiligdom heeft, die Abba van
Jezus van Nazaret, de God van erbarmen, van vergeving, bevrijding. Die wonderlijke
God, die zijn Gezalfde laat lijden om Zijn meeleven met de mensen compleet te
tonen - volgens de Schriften. De God van het Verbond, dat HijZ met Abraham en
Mozes sloot. Die God treedt buiten het bestaande Joodse kader, HijZ vernieuwt
het Verbond in Zijn Messias, met een speciaal offerlam als onderpand. Zou dan
je hart niet gaan branden? Krijgen ze het in de gaten?
De leerlingen willen niet zomaar de avond ingaan, dan
wordt het wéér donker. Ze vragen hem om hen te blijven. Dat hoorde zo volgens de regels van de
gastvrijheid maar dan ze kunnen ook nog wat door praten. Dat doet Jezus. Als
hun gast is hij kennelijk de tafelvoorzitter want híj neemt het brood, híj
spreekt de zegen uit, breekt het en geeft het hun. Of hij er ook bij gezegd
heeft dat dat zijn Lichaam is wordt niet vermeld maar
kennelijk was zijn manier van het uitspreken van het zegengebed voldoende of de
manier waarop hij hen aankeek bij het toereiken van het brood. Hij verdwijnt
uit hun ogen maar is op zijn nieuwe manier bij hen. In hun hart. Juist op die
eerste dag van de nieuwe week, die ze zo somber was begonnen.
Terug bij de elf en hun metgezellen horen zij hún
juichkreet: het is echt waar! De Heer is wáárlijk verrezen. Het is geen schim
of hallucinatie maar een realiteit: Híj is het! Gekruisigd maar verrezen. Ze
zijn terug in Jeruzalem. Een nieuw Jeruzalem.
In de eerste lezing zien we hoe Petrus - 'officieel',
"met de elf", het Pinkstergebeuren had net plaats gevonden - hoe
Petrus naar voren treedt om de mensen te verkondigen dat die Jezus de Messias
is en dat die volgens Gods vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is
uitgeleverd - volgens de schriften dus. Want God trekt tot in het uiterste met
Zijn mensen mee - volgens de Schriften. Maar dat betekent ook dat die God hem
onmogelijk door de dood kon laten vasthouden want HijZ is een God van de
schepping dus de God van het Leven - volgens de schriften, en wel speciaal
volgens psalm 16 "Wegen ten Leven hebt gij mij
doen kennen".
Hebben wij niet in de tussenzang psalm 16 gezongen/gebeden
"Gij houdt in uw hand mijn leven vast"/"Gij zult mij de weg van
het Leven wijzen …" Beamen wij dan niet wat voor
Jezus zo'n zekerheid geweest moet zijn: Gij houdt in Uw Hand mijn leven vast ?
Dat kon wel niet anders want als iemands hart brandde voor zijn Abba, dan was
het wel Jezus' hart. Wellicht kunnen we ons daarbij wat voorstellen.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Zoeken,
onderweg zijn, ongeduldig, af en toe kort zijn - dat hoort een beetje bij de
jongere. Maar, als Jezus meetrekt met mensen die teleurgesteld zijn, misschien
wel wanhopig hem kwijt zijn, mensen die weg willen - hoeveel te meer zal hij
dan niet meetrekken met mensen die wel weten wat ze zoeken, hem bewust zoeken, maar misschien niet dat
contact van binnen kunnen leggen, of hoe je dat wilt noemen. Kijk eens of je
hém dat contact kunt laten leggen. Zoals bij de Emmaüs-gangers.
Wij vieren over de joodse Sabbat heen op de eerste dag van
de niéuwe week (of de vooravond ervan) onze Verrezen Heer, onze hoop. Laten wij
hém het brood nemen, het zegengebed zeggen, het breken en het ons aanreiken en
ons hart doen branden voor de God van het Leven zoals zijn hart. Zullen we dat
even over ons laten komen?
Vierde zondag van Pasen A 21 april 2002; '05
Hand 2, 14a.36-41; psalm 23; Joh 10, 1-10
Psalm
23 De
HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat
mij in grazige weiden rusten, Hij voert mij naar vredig water,
daar geeft Hij mij nieuwe kracht.
Hij
leidt mij op het rechte spoor, omwille van zijn naam.
Al moet
ik door dalen van duisternis en dood,
ik ben voor geen onheil bang, want U bent bij mij: uw knots
en uw staf geven mij nieuwe moed.
Voor
mijn ogen dekt U de tafel, zodat ook mijn belagers het zien;
met olie zalft U mijn hoofd, mijn beker is tot de rand gevuld.
Ja, uw
goedheid en liefde blijven mij volgen alle dagen van mijn leven.
Zo mag ik telkens weer wonen in het huis van de HEER, tot in lengte van dagen.
De vorige week hebben we gelezen hoe "Petrus met de elf" hun geloof in de Verrijzenis verkondigde en hoe
dat geloof was gebaseerd op persoonlijke ervaringen zoals o.a. beschreven in
het verhaal van de Emmaüsgangers. Ook nu weer lazen we dat Petrus met de elf
naar voren trad, het wonderlijke geloof verkondigde in de Persoon die aan een
kruis was geslagen en toch door God tot Heer en Gezalfde werd aangesteld.
Nu komt de reactie van de toehoorders aan de beurt: Wat
moeten we doen, mannen, broeders? Petrus geeft twee dingen aan: je laten dopen
tot vergeving van zonden. Dat was niet zo nieuw want dat deed Johannes de Doper
ook al. Het nieuwe is dopen in de Naam van Jezus, Gezalfde. Je laten dopen in
zijn Naam wil zeggen in zijn Kracht vergeving van zonden verkrijgen, en dan
komt het tweede: in zijn Naam de H.Geest ontvangen. De Geest door wie hij tot
Leven is gewekt, Gods Geest, ontvangen, én vergeving verkrijgen door hem die
zij hebben mishandeld, een schanddood hebben doen ondergaan. Gaat de
zaak dan niet op zijn kop? Vergeving verkrijgen omwille van hun slachtoffer en
dan ook nog worden verrijkt met de Geest van God, die zij hebben beledigd door
die uitgesproken goede mens te kruisigen! Geen wonder dat zij onder de indruk
zijn en ook geen wonder dat dat een heil is voor de
hele wereld omdat het zo groot en groots is. Zo'n
drieduizend man namen Petrus' woorden aan en lieten zich zo dopen. Drieduizend:
een doorslaggevend begin voor de Kerk.
Ook deze zondag weer een persoonlijk element zoals met de
Emmaüsgangers. Petrus maant hen "Redt u uit dit ontaarde geslacht".
De redding die hij bedoelt ligt in Jezus, de Redder en
het Evangelie geeft daarvoor een diepgang. Het Johannes-evangelie is veel later
opgeschreven dan de Handelingen van de apostelen. Het is een traditie waarin
veel is overdacht; je zou het een contemplatief evangelie kunnen noemen. Jezus noemt zichzelf de herder, de goede herder wel te
verstaan. Hij doet dat heel uitdrukkelijk met tweemaal 'voorwaar':
"Voorwaar, voorwaar ik zeg u". Hij gaat door de deur de
verblijfplaats van de schapen binnen. Het Griekse woord betekent zo iets als
'hof', een omheinde plaats bij het huis. Die plaats is omheind en geeft
bescherming, zij houdt het goede in stand. Een deur is de normale, eerlijke
opening in de bescherming, waar je gasten verwelkomt, waardoor je ergens
binnentreedt. Wie al eens een sleutel heeft gekregen van een huis van een
vriend en bij zijn afwezigheid het huis binnen gaat, ervaart dat hij een grens
passeert, ergens binnengaat -
ergens mogen binnengaan dat niet van jou is. De goede herder mag
binnengaan want hij heeft zorg: de poortwachter doet hem open. Wie zou de
poortwachter kunnen zijn?
De schapen luisteren naar zijn stem omdat hij hen bij naam
roept, omdat hij inhaakt op wat al in hen is gelegd, in hen leeft. Zo hebben
zij zijn stem leren kennen. Dat is persoonlijk, dat resoneert in je. Dat
'luisteren naar zijn stem' vinden we ook al in het eerste Verbond. Als de Joden
voor de Sinaï gelegerd zijn en JHWH Mozes naar boven roept, zegt Hij tegen
Mozes over de Joden o.a.: "Als jullie echt luisteren naar mijn stem,
zullen jullie mijn verbond in acht nemen en mijn bijzonder eigendom zijn".
Als jullie echt luisteren - daar zit geen stok achter de deur; daar ligt
openheid, vrijheid, eigen keuze. Zo volgen de schapen de herder die hen naar
buiten leidt, omdat ze hem kennende weten dat ze naar grazige weiden worden geleid,
omdat zijn stem resoneert in hen. Persoonlijk.
Dat beeld van de herder met zijn kudde roept bij ons vrede
op, romantiek en een volgzame stomme kudde. Dat is fnuikend voor de parabel,
die op de eerste plaats over de herder gaat. De herder die altijd actief bezig
is met leiden vooruitzien en hoeden. Behoeden tegen gevaar en zorgen voor het
afgedwaalde. Als we bij de parabel ook de schapen betrekken, dus ons zelf, gaat
het om het luisteren, het kennen, het leren kennen en herkennen van zijn stem.
Daar kun je druk mee zijn. Maar het is ook vreugdevol zoals we gezongen/gebeden
hebben in de tussenzang "Overal komen geluk en genade mij
tegemoet"/"Voorspoed en zegen verlaten mij nooit". Zo
zingen/bidden gaat echt niet altijd vanzelf, moet je wel eens leren. Persoonlijk.
Als de mensen hem niet begrijpen, hanteert Jezus een
tweede beeld: Ik ben de deur. Nu gaat het er niet om dat de schapen naar buiten
worden geleid maar naar binnen - evenwel niet de hof
in - dacht ik - maar het Rijk in, het Rijk der hemelen. Jezus zegt: "Ik
ben de deur". Wie wel eens via de boekenkastdeur van het Anne Frankhuis de
trap is opgelopen, zal wel het heilige moment ervan ervaren hebben. Je treedt
een ruimte binnen waar - zeg het maar - iets oneindigs, iets kostbaars, iets
persoonlijks is ontstaan in het gevecht om de het goede in de mens. "En
toch geloof ik in het goede van de mens", schreef zij. Dat is een deur
naar het goede.
Jezus zelf is
de deur die ons dat heilige van het Rijk binnenvoert, de trap op naar de Vader.
Als we die deur door gaan, die grens over gaan, wordt de Geest actueel die we
bij onze doop in zijn Naam hebben ontvangen. Als we doen als hij, als we zijn
volgeling zijn, gaan we niet alleen met behulp van hem maar ook mét hem. Het
evangelie zegt dat we in- en uitgaan en weide vinden. "Ik ken uw opstaan en gaan zitten, uw in- en uitgaan" zegt JHWH
tegen zijn volk; HijZ weet alles, kent allen. Dan hoeven we niets te verbergen.
Dan leven wij in volle vrijheid en openheid in het rijk van de Geest van Jezus.
Wij leven met Hem voor de Vader. Een levensverbondenheid met hem die
voortdurend met ons meetrekt. Wij gaan binnen in goddelijk leven. Nog veel meer
dan alleen maar redding.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Er is veel
hang naar geestelijk leven, naar spiritualiteit, naar bezinning ondanks
dadendrang. Dat ongewone beeld van "Ik ben de deur", die je dagelijks
tegenkomt, moge een stimulans zijn om dat besef van heiligheid, vrijheid,
goedheid, zekerheid, voldaan zijn - noem maar op wat je vindt - "Ik ben de
deur" moge een stimulans zijn om dat besef te laten spreken en om je te
laten luisteren.
In- en uitgaan en weide vinden
opdat wij leven in overvloed. Zullen we ons even de tijd gunnen daarnaar te
luisteren?
Vijfde
zondag van Pasen A 24 april 2005
Hand 6, 1-7; psalm 33; Joh 14,
1-12
Psalm 33 Uw liefde, HEER, zal over ons komen: wij wachten, wij wachten op U.
Rechtvaardigen,
juich om de HEER; wie oprecht is moet Hem eren.
Speel op
de citer een danklied voor de HEER, maak muziek voor Hem op de harp.
Oprecht
is het woord van de HEER, alles wat Hij doet getuigt van trouw.
Hij
staat voor een rechtvaardig en vast bestel; de aarde is vervuld van de liefde
van de HEER:
Nee, het
oog van de HEER rust op degenen die Hem vrezen en die op zijn liefde vertrouwen.
Hij zal hen
vrijwaren van de dood, hen bij hongersnood in leven houden.
"In het huis van mijn Vader
is plaats voor velen", d.w.z. voor iedereen. Jezus is trots op zijn Vader,
zíjn Abba, ónze vader in de hemel. Zijn Vader heeft een heel groot huis; het
zal vast ook heel mooi
zijn met intieme kamers waar je bij de Vader kunt in- en uitlopen en met
gezellige zalen met blijde mensen vol goede Geest, met veel licht, een
schitterende aankleding, met eetzalen waar het een feest is om aan te zitten en
de heerlijkste gerechten te genieten en een tuin die nog mooier is dan het
paradijs, en wat je ook maar kunt bedenken. En Jezus zorgt voor alles, hij
bedient. (Lc 22,27.30)
Dat klinkt wellicht wat
onrealistisch maar het gaat om de Heerlijkheid van de Vader en zo kunnen we wel
de bedoeling van Jezus weergeven. Hij is uit op zo'n
geluk voor ons. "Gelukkig alwie brood eet in het
Rijk Gods" (Lc 14,15). Daar heeft Jezus alles voor over. Zozeer heeft God
de mensen lief.
De eerste lezing gaat over het
begin van de Kerk. In het evangelie
spreekt Jezus eigenlijk over het einde van de Kerk, als we in het koninkrijk
zijn, dan is 'Kerk' niet meer nodig. Maar voor we
zover zijn is er wél wat nodig: bediening van het woord, gebed en steun:
onderrichten, vieren en zorgen.
Op zich was dat niets nieuws,
ook de Joden kenden catechese, liturgie en diaconie, drie elementen op hun weg
naar hun God. Voor die weg is vertrouwen nodig en psalm 33 zingt/bidt in de
tussenzang "Volstrekt is het woord van de Heer, heel zijn handelen voltrekt zich in waarheid"/"Oprecht is
immers het woord van de Heer en al wat Hij doet is betrouwbaar" en de
natuur, de hemelen worden als bewijs gehanteerd voor die betrouwbaarheid. Als
de natuur zo constant is, moet God zelf ook zo zijn. HijZ heeft haar immers
gemaakt. Maar ook mensen kunnen de betrouwbaarheid van God tonen en wel door
hulp aan behoeftigen. Je kunt hulp aanbieden zomaar,
uit medelijden; je kunt dat ook doen in het besef dat je daarmee Zijn Naam
heiligt, zijn faam van Hulp en Schild waar maakt. Dat je zo doende niet alleen
gerechtigheid vestigt maar ook een ander helpt dat ook hij/zij God gaat loven
als een gelukkig mens, opdat zijn Naam en Faam groter wordt.
Wij hebben als Christenen een
pluspunt. Onze garantie van Gods betrouwbaarheid hoeven we niet alleen via de
natuur te zoeken. Als we zijn leerling en volgeling zijn, we vinden haar ook in
Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Door zijn verrijzenis toont hij de
betrouwbaarheid van zijn Vader, die ten leven roept. Daarmee toont hij ook de
betrouwbaarheid van hetgeen hij zelf heeft onderricht
en beloofd. Door zijn verrijzenis geeft hij die betrouwbaarheid mee aan zijn
Kerk, die immers een uitvloeisel van hem is.
Wat Jezus onderricht staat op
hoogniveau te lezen in het evangelie van vandaag: "Wie mij ziet, ziet de
Vader. De woorden die ik u zeg, spreek ik niet uit mezelf: het zijn de daden
van de Vader, die in mij blijft. Ik ben in de Vader en de Vader is in mij". Nogmaals:
als Jezus niet was opgestaan uit de doden, waren deze woorden van hem goed voor
mooie, blauwe lucht maar nu bieden zij ons stof tot nadenken, stof om ons te
bezinnen. Zij blijven niet tot Jezus beperkt maar hij draagt ze over aan
ons, zijn volgelingen, zoals hij bij zijn sterven aan het kruis ons zijn Geest
doorgaf volgens het Johannesevangelie. Via hem is de Vader, zijn Abba, met ons.
Via hem hebben wij het mooist denkbare levensdoel dat wij ons kunnen indenken
en dat geen einde heeft. Via Hem, via zijn Kerk.
Wat Jezus belooft is dat hij ons
een plaats bereidt in dat grote huis van zijn Vader. Hij wil zo graag dat wij
weer met hem verenigd zijn, dat hij ons zoals een kloek haar kuikens onder zijn
vleugels bijeen brengt. Dan zijn we weer bij elkaar, definitief, volmaakt. Hij
geeft ook aan hoe dat moet, langs welke weg we onderweg zijn naar het huis van
de Vader. Hij is de weg voor zijn volgelingen, die doen als hij, zo goed
mogelijk. Hij is ook de ware weg; zijn volgeling leert zijn realiteit,
echtheid, betrouwbaarheid kennen. Hij is ook het leven die zijn volgeling
onderweg geestelijk voedt, inspireert, moed inspreekt. Niet alleen in denken
maar ook in praktisch doen als het b.v. aankomt op ondersteuning, hulp bieden. Je
doet immers in zijn Naam, in zijn Kracht, in zijn Kerk … opdat de Heerlijkheid
van de Vader zichtbaar wordt in Zijn Huis.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Als je hulp kunt bieden, denk je er doorgaans niet zo bij na: 'niet
denken maar doen' denk je dan. Maar vergeet niet dat je hulp kunt bieden om
Gods Naam te heiligen, om de Naam van de Vader waar te maken als 'de Betrouwbare'.
Maar God heet ook "Hij die ten leven roept' en samen met 'de ten leven
geroepene', de Verrezene, als de weg van leven kun je Gods-maximale-aanbod-van-steun
beleven en honoreren. Dan laat je ook het woord Gods zich uitbreiden. Net zoals
toen.
David zal psalm 33 hebben
geschreven en gezongen. Zou hij enig idee hebben gehad hoe wij daarvan nu
gebruik kunnen maken met Jezus als garantie? "Geef ons Heer uw
barmhartigheid zoals wij op U vertrouwen"/"Uw genade, Heer, zij over
ons gelijk wij U hoopvol verbeiden". Zullen we daar even over nadenken?
Zesde zondag van Pasen A 5 mei 2002; 2005
Hand 8, 5-8.14-17; psalm 66; Joh 14, 15-21
Psalm 66 Heel de
aarde, juich voor God,
zing een lied op zijn heerlijke naam, een loflied dat zijn
glorie erkent;
en het luidt: `Hoe ontzagwekkend zijn uw daden;
Heel de
aarde moet buigen voor U, zingen voor U, een lied zingen op uw naam.'
Kom en
zie de werken van God, bij de mensen gevreesd door zijn daden.
Hij
heeft de zee begaanbaar gemaakt, en te voet trokken zij door de stroom:
laten wij ons om Hem verheugen.
In zijn
almacht heerst Hij over de wereld,
Kom dan
en luister naar mijn verhaal, iedereen die ontzag kent voor God,
luister naar wat Hij gedaan heeft voor mij.
God is
gezegend:
mijn gebed heeft Hij niet afgewezen en zijn liefde heeft Hij
mij niet ontzegd.
Na de steniging van Stefanus zijn een aantal leerlingen
verspreid en zo is Philippus is Samaria terecht
gekomen. Hij 'predikt daar de Messias' zoals dat heet: hij beweert dat Jezus
die lang verwachte beloofde was, de Gezalfde. Kennelijk overtuigt hij de
mensen. Hij is zo begeesterd dat er iets wonderlijks
gebeurt. De mensen worden 'gepakt' zoals dat heet en zij ervaren eenstemmigheid. Zij
richten hun aandacht op wat Philippus zegt en zien
in, en zij maken mee wat hij teweegbrengt onder onreinen
en kreupelen en lammen.
We kunnen wel eens jaloers worden op die mensen die
gezamenlijk zo'n ervaring meemaken. De ouderen onder
ons herinneren zich wel de bevrijding in '44/'45, de mensen in San Salvador
ervoeren gezamenlijk het 'no
passeran' tegen de verdrukkers en degenen die de val
van de Berlijnse muur hebben meegemaakt vergeten dat nooit meer, vanwege de
inhoud, hun bevrijding, én vanwege hun gezamenlijkheid. Zo'n
ervaring hebben de mensen in Samaria ook opgedaan en geen wonder dat dan psalm
66 gezongen wordt "Steekt Gods loftrompet op aarde, zingt tot eer van Zijn
Naam majesteitelijk"/psalm 66 gebeden wordt "Jubelt voor God alle
landen, bezingt de heerlijkheid van Zijn Naam". Maar wij hebben vast wel
een persoonlijke ervaring opgedaan in ons leven waarop
wij persoonlijk psalm 66 beamen: 'verhalen wat God mij gedaan heeft in mijn
leven'. "Hij wees mij niet af". En is het feit dat we hier bij elkaar
zijn en samen onze hoop kunnen vieren geen reden om dank te zingen/zeggen?
Zoals we hebben gedaan in de tussenzang. Is er dan ook geen sprake van
begeestering?
Het werk van Philippus
was niet af: Johannes en Petrus worden afgevaardigd om hen de handen op te
leggen; ze waren immers alleen maar gedoopt. Dan
ontvangen de mensen daar - na gebed - ook de H.Geest, "die Leven
geeft". Zo zien we hoe doopsel en vormsel samenhangen: 'van Boven' worden
geboren en vervolgens dat Leven voortzetten. Het Johannes evangelie geeft dat
ook aan. Op de eerste plaats zegt het dat Jezus bij zijn sterven de Geest
doorgeeft en vervolgens komt water en bloed uit zijn zijde. Water om het Leven
in hem te ontvangen en Bloed om Leven in hem voort te zetten. Leven in hem,
zijn Leven. En zegt u zelf maar: kunnen we mooier voor de Vader staan dan met zijn
Leven? Gedoopt en gevormd in Zijn Naam?
In het evangelie hebben we de aanzet daartoe gezien. Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen, zijn dood komt
dichterbij. Wat hij nu doet is het groot geheel van het Verbond betrekken bij
zijn werk. Hij zegt: "Als ge mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden". Als de
Joden in de woestijn voor de Sinaï gelegerd zijn, hoort Mozes hoe JHWH zegt:
"Als jullie goed naar Mij luisteren, zullen jullie Mijn Verbond in acht
nemen, …". "Als ge mij liefhebt,
zult ge mijn geboden onderhouden" - "Als jullie goed naar Mij
luisteren, zullen jullie Mijn Verbond in acht nemen".
De geboden voor de Joden zijn - kort gezegd - de tien
geboden, de tien leefregels. De geboden van Jezus zijn - kort gezegd - de acht
zaligprijzingen. Wat een geluk als je op zoek bent naar Geest - hoe goed als je
troost biedt - wat een geluk als je zachtmoedig bent - wat goed als je opkomt
voor de gerechtigheid - wat een geluk als je barmhartig bent - zalig ben je als
je zuiver van hart bent, je zult God zien - wat goed als je vrede brengt - wat
goed als je onrecht verdraagt. Zijn dit opgelegde geboden of 'geboden' als
consequentie van liefde, als inhoud van liefde?
'Als je mij liefhebt, zul je dat
alles kunnen'. Want ik ben bij je, zeker als men jullie beschimpt om mij. Want
op mijn gebed, dat de Vader niet kan weigeren, op mijn gebed zendt de Vader
jullie onze Geest. En jullie wéten dan dat dat onze
Geest is want jullie kennen hem omdat je mij kent. Je kent mij omdat je mijn
geboden onderhoudt. Het is de Geest die Zich manifesteerde toen Jezus zelf
gedoopt was, die Jezus doorgaf bij zijn dood.
Jezus gaat nog verder. Hun Geest is niet alleen bij hen om
hen te steunen, Hij is ook in hen. In hen omdat ze hem liefhebben. Die Geest en
die liefde zijn zo sterk dat, als hij is verrezen, zij weten dat hij in
zijn Vader is en zij in hem zijn en hij in hen. Eén innig verbond, verband,
eenheid in liefde. En hij zal zich aan hen openbaren. Niet openbaren zoals hij
nu is maar zó zoals hij bij de Vader is. Vallen we dan niet stil, staan onze
gedachten dan niet stil, kunnen we anders dan afwachten wat ons zal overkomen,
hoe dat zal zijn? We kunnen iets vermoeden afgaande op wat wij mensen als
liefde ervaren, afgaande op wat wij als aanzet tot volledige eenheid zien. Voor
de rest kunnen we ons alleen maar openstellen in ontvankelijkheid voor het onzegbare: zelfopenbaring van Jezus, eenheid in
goddelijk leven. Al doende zoals hij.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je zult best wel het menselijk verschijnsel kennen dat je je mooi wilt maken, dat je mooi wilt zijn om op iemand
indruk te maken of om iemand te eren. Is het dan ook niet reëel om - als je dat
wilt - je voor God mooi te maken. De bijbel heeft het
over 'zoals een bruid voor haar bruidegom'. Het 'mooi' zijn van Jezus kan je
daarbij helpen, kan een maatstaf zijn.
Hij in de Vader, wij in hem, hij in ons. Zo sterk, zo één.
Kunnen we dan nog wel over God spreken als over de Ander?
Gunnen we ons daartoe even de rust.
Zevende
zondag van Pasen 8 mei
2005
Hand 1, 11112-14; psalm 27; Joh
17, 1-11a
Psalm
27 De HEER is mijn licht, mijn heil - voor wie zou ik vrezen?
De HEER is mijn burcht, mijn behoud - voor wie zou ik beven?
Want ik
heb één verzoek aan de HEER, ik ken slechts één verlangen:
wonen in het huis van de HEER, al de dagen van mijn leven,
om te genieten van de pracht van de HEER, met vreugde zijn heiligdom in mij op te nemen.
Hoor, HEER, hoe hard ik roep. Ontferm u en
geef mij antwoord.
Tot U
zegt mijn hart: 'Ik zocht uw gelaat.' Uw gelaat blijf ik zoeken,
Wat er gebeurt in de eerste
lezing en in het evangelie is eigenlijk heel spannend. Het gaat om het huis van
de Heer, om Zijn Domein, om het zoeken van Zijn aanschijn.
De apostelen gaan van de Olijfberg naar de bovenzaal in Jeruzalem, binnen
sabbatsreis; zij blijven binnen het heilige dat zij
hebben ervaren bij Jezus' Hemelvaart, binnen de belofte dat hij terugkomt. Het
is een plechtig moment: alle apostelen worden met name
genoemd en ook Maria, terwijl de vrouwen en zijn broeders niet worden vergeten.
Zij blijven eensgezind in gebed.
Eensgezind bijeen. Dat is wat de Geest doet, wat de Geest kan doen als wij met
die intentie bijeen zijn, als wij het huis van de Heer willen zijn. Ze bidden
in verwachting: er moet iets gebeuren zodat Zijn Domein tot ontplooiing zal
komen. Ze hebben een afscheid achter de rug dat geen einde inhoudt maar een
voortzetting, een onbepérkt vervolg, niet meer afhankelijk van de plaatselijke aanwezigheid van
Jezus. Het was een afscheid maar dan wel een afscheid in liefde, die alomvattende
verbondenheid insluit; 't is niet voorbij want liefde
is blijvend. Ze zullen het beeld van Hem die opsteeg en hen zegende, zijn Aanschijn, niet vergeten; het zal hen bij blijven en
inspireren.
In het eerste deel van het
evangelie van vandaag zoekt Jezus het Aanschijn van de Vader, hij zoekt het op. In de wereld die
de Vader niet uit eigen kracht kan zien, wil hij Diens Aanschijn
laten blijken, wil hij Diens Heerlijkheid laten zien. Hij moet nu afscheid
nemen van de wereld, vooral van zijn leerlingen, en hij bidt eigenlijk alleen,
in een persoonlijk gebed, om de Heerlijkheid die blijvend is, die eeuwig leven
inhoudt, in hem persoonlijk zichtbaar wordt. We kunnen denken aan het gebed van
Mozes, die ook alleen in een toppunt van Godservaring bad tot God: "Laat
mij toch uw Heerlijkheid zien". Is groter intimiteit mogelijk? Hij neemt
afscheid binnen liefde, liefde tot zijn Vader, liefde tot zijn leerlingen,
liefde die blijvend is, maximale liefde die helemaal geen sabbatsafstand kent.
Hoe zou Jezus op dat moment van zijn leven - bij het laatste Avondmaal - zich
gevoeld hebben richting zijn Abba? Hij had zijn werk gedaan: "Verheerlijk
mij nu, Vader …"
In het twee deel van het
evangelie bidt Jezus ook voor zijn leerlingen, expliciet. Zij moeten het werk
voortzetten waarmee hij die heerlijkheid heeft verdiend. Het huis van de Vader,
zijn Domein, zijn Rijk moet ingevuld worden tot aan de grenzen der aarde,
eeuwig leven voor iedere mens. De hele wereld moge het Aanschijn
van de Vader zien, iets bemerken van de intimiteit tussen Vader en Zoon, basis
voor onze intimiteit met hem.
Zijn leerlingen hoeven dat niet
uit te voeren als een klus van buitenaf opgelegd, zij kunnen het beeld van
Jezus meedragen: zij hebben de woorden, de boodschap van de Vader aangenomen,
ze hebben erkend dat hij van de Vader is uitgegaan en ze hebben in zijn zending
geloofd. Zo wordt hij in hen verheerlijkt, zo blijft hij bij hen, meer nog: zo
blijft hij in hen, zo houdt hij hen binnen zijn Liefde, zijn Kracht.
Het pad van de apostelen leidde
niet bepaald over rozen, ook nu is de Kerk een strijdende Kerk. Maar de troost
moge altijd zijn dat wij in het huis van de Heer volhardend zijn Aanschijn mogen zoeken, het afscheid van Jezus telkens weer
als een verbond in liefde mogen beleven, dat Kracht inhoudt.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Het kan best zijn dat je moedeloos wordt omdat er nog zo veel moet
gebeuren en niks opschiet; wanneer komt het nu eens klaar? Het komt nooit
klaar. Het is altijd een verder gaan, een voortduren. Maar als je al doende en
denkende je mag verheugen in het weten dat hij met jou bezig is, dat je mag
weten dat je bezig bent met zijn Heerlijkheid, dat je in het huis van de Heer
zijn Aanschijn zoekt - al doende en denkende - als je
dat in de gaten hebt, kan het dan nog veel schelen of het werk klaar is? Je
bent bezig in een liefde die grenzeloos is, ook voor jou.
Eensgezind volhardend in gebed,
in verwachting van iets dat gaat gebeuren. Toen begonnen, nog steeds
voortgaand, in een verwachting zoals liefde die kent. Binnen sabbatsbereik.
Pinksteren
A zondag
19 mei 2002; '05
Hand 2, 1-11; psalm 104; Joh 20, 19-23
Psalm
104 Prijs de HEER, o mijn ziel. HEER mijn God, U bent machtig groot,
Hoe
veelzijdig is wat U doet, o HEER, de aarde is vervuld van uw kunstenaarschap.
Ontneemt
U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.
Maar
geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal
nieuw.
Glorie
zij de HEER voor immer en altijd;
dat Hij vreugde zal beleven aan alles wat Hij gemaakt heeft:
Mijn
lied zal Hem bevallen, en ik vind mijn vreugde in de HEER.
Han Fortmann heeft eens
geschreven dat een vis pas op de kar van de visboer zou ontdekken dat hij een
waterdier is - als dat beestje kon ontdekken. Zo iets geldt ook voor ons. We
zijn misschien verwend want we zouden pas ontdekken wat de Geest is als het een
dooie boel is geworden. Geest is overal en altijd.
Natuurkundigen die bezig zijn met de kleinste delen in de
natuur en hun beweging zien, vragen zich wel af hoe dat alles in beweging
blijft. Biologen die het leven zich zien afspelen in de kleinste dingen, vragen
zich wel af wie dat alles gaande houdt. En we hoeven niet ver te zoeken: wat is
dat, dat leven wat ik zelf doe? Het is de geloofsbelijdenis van de Jood, de
Christen dat hij beaamt, accepteert dat bij de schepping de Geest Gods boven de
oerwateren zweefde, of het water tot leven bracht.
"zweefde","bracht", verleden tijd? Gaat schepping niet
continu door? Kunnen we binnen die geloofsbelijdenis niet zeggen dat de Geest
van de Schepper de schepping gaande houdt? Ook mijn biologische leven? Tot op
mijn gebeente toe zoals de bijbel wel schrijft.
De schepping is een zichtbare manifestatie, uitbundig, en
net als bij de schepping is de Geest ook actief bij het begin van de Kerk. Hij
uit Zich met
een gedruis en als een vuur die Zich van de aanwezigen meester maakt, de
apostelen, Maria en anderen, die eensgezind volhardend in gebed bijeen waren.
Wat in een besloten kring gebeurt, wordt naar buiten zichtbaar als de pelgrims
vanuit de hele wereld en de bewoners van Jeruzalem te hoop lopen en zij worden
overdonderd door al die talen waarin zij persoonlijk worden aangesproken. Toen
werd het duidelijk naar buiten.
Maar net zo min als de Geest
alleen bij het begin van de schepping actief is net zo min is Hij alleen actief
bij het begin van de Kerk, Hij is het nog steeds. Hoe vaak lezen we niet in de bijbel dat mensen worden gedreven door de Geest, hoe
profeten profeteren over de Geest, dat Jezus zijn Geest belooft aan de
leerlingen, dat Paulus schrijft over de werken van de Geest: "Maar de
vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid,
goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid. Tegen zulke dingen kan de Wet niet
op" - de Joodse Wet die zij als knellend ervoeren en de 'Wet'
van de Geest (de Geest van Jezus) die zij als bevrijdend ervoeren. De Geest die
actief is en blijft in de Kerk, de goede Geest die niet te vervangen is door
een wet, die niet te vangen is in een wet. En dat geldt ook in onze huidige
situatie.Een burgerlijke wet haalt het niet bij de 'wet' van de goede Geest.
Voor het leven is meer nodig dan menselijke afspraken. Het is nog steeds een
van de taken van de Kerk om maatschappelijk kritisch en relevant te zijn, om de
goede geest te bevorderen, daarbij gesteund door Gods Geest, opdat ons leven
goed is.
Is dat alles geen reden om eens per jaar, als het nieuwe
leven in de natuur zich aandient, het Feest van de Geest te vieren? Zendt Gij
Uw Geest, dan komt er weer leven - dan maakt Gij Uw schepping weer
nieuw"/"Zend Gij Uw ademtocht, uw werken ontstaan; het gelaat van de aarde vernieuwt Gij" hebben we
gebeden/gezongen in de tussenzang.
Gods Geest uit Zich niet alleen naar buiten, Hij is ook
een persoonlijke Kracht, naar binnen gericht, intiem. God geeft Hem aan ieder
die erom vraagt. Hij getuigt bij mensen persoonlijk van de waarheid, geeft
mensen persoonlijk een overtuiging mee, geeft mensen persoonlijk Kracht. Als we
bedenken hoe Jezus zijn leerlingen de Geest belooft - we hebben het de
vorige zondagen gelezen hoe hij in het hogepriesterlijk gebed vanuit zijn
Intimiteit met Zijn Vader hun de Helper toezegt. Vandaag lazen we in het
evangelie hoe hij in hun besloten kring binnen komt, hun vrede toewenst, 'sjaloom', vreugde schenkt en dan over hen blaast om hen de
Heilige Geest te geven, niet in een stormwind maar in een bries, zijn zachte
adem. Dan beginnen de woorden van Paulus te resoneren
"U hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen
'Abba'", heel vertrouwelijk: 'Pappa'. De Géest
doet ons uitroepen, de Geest is werkzaam in ons: "De Geest zelf pleit voor
ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hijdie de
harten doorgrondt, weet wat de Geest bedoelt …"
Als "Abba' ons hart doorgrondt, is dat dan niet de plek waar wij zijn
zoals we graag goed willen zijn, waar we zijn zoals Hij ons heeft bedoeld? De
plek waar Hij Zijn Woord heeft neergelegd, Zijn Levenswoord, voor mij? Het
Woord, dat tot Leven komt, als ik vraag om de H.Geest.
Het Woord dat door Jezus herkend wordt.
Als Jezus over de apostelen blaast om hun de Geest mee te
delen, geeft hij hun de macht om zonden te vergeven. Zondevergeving is de
blijde boodschap van het N.T. Zij maakt de weg naar God vrij voor hen die naar
zijn Beeld zijn geschapen, niet alleen voor ons individueel ook voor de hele
wereld. Op die vrije weg kan de Geest onze gelijkenis met God steeds meer
vormen zodat wij Hem kunnen bereiken. Moge dit toch voor de hele wereld gelden.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het gaat om
een ernstige en serieuze zaak: Jezus geeft niet alleen de macht om zonden te
vergeven maar ook de bevoegdheid om zonden níet te vergeven.
Halleluja roepen is geen garantie voor de Geest. Geest is
ook niet hetzelfde als een fijn of zoet gevoel. Het gaat om drijvende Kracht in
je; je wilt er wat van maken, iets goeds van maken. Hoe je kunt weten dat het
om de H. Geest gaat, merk je als je doet zoals Jezus deed, dan handel je in
zijn Geest want het is de goede Geest. Dan ga je merken dat je samen met Jezus
doet omdat zijn Geest meedoet. Je gaat ook denken zoals Jezus dacht en … bad.
Zijn Geest bidt in ons. De Geest, Gods drijvende Kracht, Gods Adem, Gods
Helper, die ook naar buiten waait waar Hij wil.
Het Feest van de Geest is als een uitslaande brand maar
niet zonder die vonk in ons die wij tot vuur laten blazen. Zullen we daarvoor
even open stellen?
Zie lied
desgewenst lied Gods
Levenskracht
Drievuldigheidszondag
A 22 mei
2005 ('08)
Ex 34, 4b-6.8.9; Dan 3, 52-55;
2Kor 13, 11-13; Joh 3, 16-18
Daniël
"Geroemd
bent U, Heer, God van onze voorvaderen, geprezen en hooggeroemd in
eeuwigheid.
Geroemd
is uw glorievolle en heilige naam, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.
Geroemd
bent U in uw heilige en glorievolle tempel, hooggeprezen en hooggeroemd in
eeuwigheid.
Geroemd
bent U die op kerubs troont en de afgronden doorziet, geprezen en hooggeroemd
in eeuwigheid.
Geroemd
bent U op uw koninklijke troon, hooggeprezen en
hooggeroemd in eeuwigheid.
Geroemd
bent U in het firmament van de hemel, geprezen en geroemd in eeuwigheid."
Degenen onder ons die van harte
gregoriaans hebben gezongen en zij die het nog zingen vergeten die juichkreet
niet meer: "Benedicta sit
Sancta Trinitas",
"Gezegend zij de Heilige Drie-heid". De
'tune' die God als bron van zegen erkent en die door de hele wereld gaat met
het 'Heer, ontferm u' en 'Eer aan de Vader en de Zoon
en de H.Geest'. In de tussenzang hebben wij het loflied van de drie mannen in
de vuuroven gebeden/gezongen "Geprezen zijt Gij,
Heer, God onzer vaderen.U komt de lof toe in alle eeuwen"/"Geprezen
zijt Gij, Heer, God onzer vaderen. Lofwaardig en roemrijk voor eeuwig".
Die drie mannen waren in nood en zij zijn gered: het vuur deerde hen niet. Wij
hebben ons daarbij aangesloten. De hoogte en de diepte en de verten van de hele
schepping zijn nog niet genoeg om aan te geven hoe geweldig onze God is, de God
onzer vaderen - zeggen de Joden, de God van Abraham, Isaak en Jakob - en wij
zeggen de Vader van Jezus, de Christus, onze Schepper.
Tegenover die uitbundigheid
staat de stilte van wat gebeurt in de lezingen: God met Mozes en Jezus met
Nicodemus. Zij alleen. In de 1e lezing uit Exodus hebben we gezien
hoe Mozes de Sinaï op gaat; hij moest alleen komen, alleen voor God gaan staan.
Even te voren staat geschreven dat de Heer tegen Mozes zegt: "Hier bij Mij
is nog plaats, kom op de rots staan". God - Mozes; Heer - bemiddelaar.
Alleen zij. Nu daalt de Heer neer in een wolk, de wolk van Zijn Aanwezigheid,
en God laat Mozes horen dat Hij het is, Hij noemt zijn Naam, JHWH, Hij-is-er,
de Al-om-tegenwoordige; vervolgens zegt Hij ook hóe
Hij is: barmhartig, genadig, geduldig, groot in liefde en trouw.
In het evangelie praten Jezus en
Nicodemus met elkaar, face-to-face zouden wij zeggen,
onder vier ogen. Alleen zij beiden. Het is een diepzinnig gesprek, Jezus heeft
het over 'van boven geboren worden', leven van uit de Geest. En ook nu komt
naar voren hoe God is: Hij is zo gek - in onze termen - dat Hij zijn
eniggeboren Zoon naar de mensen stuurt, aan de mensen schenkt om hen te redden,
niet om te veroordelen maar opdat zij via de Zoon naar God toe kunnen leven. Zo
groot in liefde is God - de God van de vaderen, de Abba van Jezus. De
eerstgeboren zoon is de trots van de Joodse vader; wat moet de eniggeboren zoon
dan wel niet zijn? Hoe
moet God dan wel niet zijn als Hij zelfs hem schenkt uit bezorgdheid?
In die stilte, die intimiteit
groeit bij Mozes en Nicodemus persoonlijk het inzicht hoe God is. Maar Mozes
komt niet voor zich zelf, hij heeft twee nieuwe stenen tafelen bij zich. Hij
zit met een halsstarrig volk dat net een pas gesloten verbond heeft ontkracht
en voor wie hij nu weer om genade komt vragen. En als God heeft gezegd dat Hij
barmhartig is, valt Mozes direct op de knieën en vraagt of God toch a.u.b. met
hen, dat volk, wil meetrekken. Ja, God trekt met hen mee, door de woestijn,
door de Jordaan het Beloofde Land in. Ja, God trekt ook nog met Zijn volk mee
in Zijn Zoon, de eniggeborene, die maximale liefde hanteert, want God is groot
in liefde en trouw.
Mozes noch Nicodemus hebben de indruk vergeten die dat
gesprek op hen heeft gemaakt, de afdruk die in hun ziel is ontstaan en
gebleven. Misschien kun je wel speken van de heilige kus, die Paulus noemt. Er
was sprake van nood, een brandende vraag, en God heeft daaraan beantwoord. Als
we het hun zouden vragen, zouden zij vast en zeker de lofzang van de drie
mannen in de vuuroven vervolgen: Gezegend zijt Gij, Heer, want Gij hebt onze
nood gezien, ons gered, onze vraag gehoord en beantwoord.
Wij hebben ook die lofzang
gezongen/gebeden en dan ligt er nu de vraag of wij zijn gehoord en gered, of
wij persoonlijk, vanuit eigen ervaring, vanuit eigen geloofsbeleving zo'n lofprijzing kunnen bidden. Met Kerstmis, de menswording
- wij zijn Godskinderen -, met Pasen, de verrijzenis
- ons eeuwig Leven - , met Pinksteren, de Geest die
overal waait - ook in ons persoonlijk -, met die drie feesten kunnen we het
complete verlossingswerk van onze God vieren: de Vader, eeuwig, onveranderlijk
en barmhartig, de Zoon die goddelijke intimiteit aanbiedt, de Geest die ons
naar hen toe drijft, over de hele wereld. Als je dat beseft, kun je dan niet
voorzichtig spreken van 'de heilige Kus'?
De
Kus van de drie-ëne God die Zijn intieme eenheid
meedeelt aan ons?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Misschien doet de Heilige Drie-Eenheid wat hoog gegrepen aan, iets
wat zich boven je hoofd afspeelt, over jou heen. Misschien dat je je afvraagt hoe dat nu kan met drie personen en
toch éen God? Maak je niet druk om die vraag: een Joods, bijbels,
gegeven is niet makkelijk met begrippen, laat me zeggen met 'westerse' ideeën
te ontrafelen. De betékenis ervan is wezenlijk: 's Vaders continue goedheid
voor ons, des Zoons inzet om ons en zijn intimiteit met ons, des Geestes levendigheid in ons. Als je dat zoekt of vindt, zij
het je gegeven: Zo is onze God, HijZ zij geprezen.
"De genade van O.H.Jezus
Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de H.Geest zij met ons
allen". Zou dat voor ons de heilige kus mogen zijn. Zullen we even de tijd
nemen?
Sacramentsdag A 30 mei / 2 juni 2002; '05
Deut 8, 2.3.14b-16a; psalm
147; Joh 6, 51-58
Psalm 147 Loof de HEER, Jeruzalem, prijs je God, Sion:
Hij
versterkt de grendels van je poorten, Hij zegent de kinderen binnen je muren;
Hij is
de beveiliging van je grenzen en schenkt vette tarwe in overvloed.
Een boodschap zendt Hij
uit naar de aarde en haastig trekt zijn woord eropuit:
Aan
Jakob verkondigt Hij zijn woord, het bestel van zijn wetten aan Israël.
Met geen
ander volk heeft Hij zo gehandeld, zij kennen zijn wetten niet.
Eigenlijk is het gek dat wij hier nu nog gedenken wat zo'n 3000 jaar geleden is gebeurd. We herkennen de lading
van wat toen aan de hand was. Dan krijgen de woorden van Mozes "blijft denken aan…" toch wel een
bijzondere betekenis.
Als de Joden zich hebben gevestigd in het Beloofde Land,
wordt de Wet van Mozes nog eens bij elkaar gezet - de Wet voor de tweede keer -
zou je kunnen zeggen: Deuteronomium. Daarin wordt in herinnering geroepen hoe
het allemaal is gekomen: de uittocht uit Egypte, de redding door de Rode Zee,
in deze lezing: de beproevingen in de woestijn. Ze hebben
honger en dorst geleden omdat hun God hen wilde beproeven, en hun God heeft
Zijn Naam gestand gedaan 'JHWH': 'Hij is er'; Hij was aanwezig om hen te helpen
in hun nood. Zo leerden zij Hem kennen. Een proces van veertig jaar,
'veertig', een ontwikkeling.
Dat was hun ervaring, de
ervaring van een volk. Als de woorden van Mozes toentertijd
nu actueel zijn, kunnen we niet zo spreken van een gemeenschappelijke ervaring,
de ervaring van een volk. Kan, mag zo'n soort ervaring
voor ons persoonlijk gelden? Ieder heeft in zijn leven wel zo'n
tocht door eigen woestijn gemaakt in wat voor een vorm dan ook. Dan dringt zich
de vraag op of jij dat hebt ervaren als beproeving van God, of je nu - desnoods
achteraf - die ellende als beproeving wilt
zien. M.a.w. dat God er toch was in jouw ellende doordat - toen de maat vol was
- God jou iemand heeft laten zien, of doordat je je
toen vast greep aan een strohalm die een boom bleek te zijn geplant aan het
water, of doordat je een andere reddende gebeurtenis meemaakte. Die
moeilijkheden als een beproeving willen en kunnen zien, erkennen dat je toen
toch in Zijn hand was, dat HijZ niet wilde dat je verloren zou gaan, is een
geloofszicht. En als je dan omkijkt in verwondering, komt de idee naar boven
dat je God een beetje hebt leren kennen op jouw weg, op jouw manier, dat 'Hij-is-er-altijd', de Aanwezige is en ook de 'Hij-is-altijd' is, de onveranderlijke, betrouwbare, de
Eeuwige.
Dan moge als in de tussenzang
een loflied naar boven komen van: "Loof de Heer,
Jeruzalem"/"Roem, Jeruzalem, de Heer". Jeruzalem, prijs de Heer,
stad van God; jij zelf, prijs de Heer, kind van God. Verheerlijk de Aanwezige,
de Eeuwige om Zijn verbond met ons, met mij.
Wat het evangelie van Joh ons
vertelt is geen 3000 maar zo'n 2000 jaar geleden
gebeurd, echter het gaat wel veel dieper. "De mens leeft van alles wat komt uit de mond van de
Heer" zegt Deuteronomium. Niet alleen van de scheppingswoorden die ons
leven en voedsel geven, maar ook van Het Woord dat een meer-leven
bedient, dat Zijn Wezen openbaart, het Woord dat op aarde rondloopt, 'tussen de
mensen in'. In de synagoge van Kafarnaüm zegt dat Woord dat hij het levende
brood is dat uit de hemel is neergedaald, het echte, eeuwige Brood voor het
echte onverwoestbare Leven. En dat niet alleen voor de Joden, die de Wet
hebben, maar voor de hele wereld, die een nieuwe 'Wet' krijgt.
"De Joden geraakten
daarover met elkaar aan het twisten", schrijft Joh. Een aantal vond dat dat niet kon; kennelijk begonnen anderen iets te vermoeden,
ging hun een licht op. Wellicht bedachten zij: onze vaderen
hadden het Manna ook nooit gezien, nooit ervaren; toch was het er, kwam het
naar hen toe in hun nood. Zou het nu ook niet mogelijk zijn dat Hij ook
Brood is, uit de hemel neergedaald? Dan zegt Jezus het uitdrukkelijk:
"Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u". Als het erop aan komt, gebruikt Jezus
niet de gebruikelijke Rabbi-formule 'maar ik zeg u',
nee, hij zegt "voorwaar" en dan nog eens "voorwaar",
"Ik zeg U: als gij het vlees van de Mensenzoon
niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt
gij het leven niet in u". "Het" Leven: de
vaderen hebben het manna gegeten en zijn toch gestorven; Jezus doelt kennelijk op
een meer-Leven, hoger dan het aardse. Daartoe
strekt het Vlees van de Mensenzoon: tastbaar, zichtbaar, proefbaar, niet alleen
maar een gedachte. Dat is al zoveel - en dan ook nog zijn bloed drinken - dat
was voor een Jood volkomen nieuw, onmogelijk, zo niet godslasterlijk. Tenzij …
God dat zegt. Brood en Wijn reiken tot in de hemel, tot in zijn Lichaam.
Jezus gaat
door: "Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven. Eeuwig leven is niet iets dat nog komen zal,
nee het is er reeds - zij het nog niet onbeperkt. Als
wij 'goede werken' doen, als we bidden, als we ons van de Aanwezige bewust
zijn, zijn we bezig met eeuwig leven. En nu zegt Jezus dat degene die door hem
wordt gevoed dat Leven heeft. Dit gaat dieper dan een Aanwezigheid buiten ons,
dit gaat nog verder dan wanneer een moeder haar kind voedt. Die twee blijven
nog buiten elkaar. Jezus spreekt van in elkaar zijn, een Inwezigheid.
Zo gaat Jezus nóg verder door,
het is niet 'alleen maar' zijn persoon, het is zijn wezen, zijn Goddelijkheid
die hij deelt met Zijn Vader, zijn 'Abba'. 'Zoals ik gezonden ben door de
Eeuwig Levende' zo ga ik door naar jullie, in jullie, met diezelfde eeuwigheid,
met goddelijk Leven. Dat kan alleen God zeggen. God die de wereld wil redden,
er is voor de hele wereld, de Aanwezige. Is meer mogelijk? Meer mogelijk dan
God in mij? De nieuwe 'Wet'.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Jullie zijn niet zo groot gebracht met het
heilige van de Communie zoals vroeger gewoon was. De vraag is vaak: het is wel
mooi maar hoe kan dat? De vraag waarover de Joden twistten; heel normaal. Maar
als je iets van een Aanwezigheid kent, hebt leren kennen in je leven, zou het
dan verkeerd zijn om dat over je te laten komen? Als je bedenkt dat symbolen,
dat heilige tekens, eeuwigheid en aardsheid met elkaar verbinden, is het dan
niet mogelijk om - op zijn woord - het Lichaam van Christus in je handen te
houden? Om zijn Bloed te drinken? Te delen in zijn leven?
"Blijft denken aan …",
zei Mozes, "… tot mijn
gedachtenis", zei Jezus. Niet als iets dat alleen maar ooit gebeurde maar
wat altijd door is. Gunnen we ons de gelegenheid om daaraan te denken, niet
alleen nu maar ook straks - iedere keer als we te Communie gaan: Aanwezige,
Eeuwige, Inwezige, eeuwige Liefde.
Negende
zondag door het jaar A 2005
Deut 11, 18.26-28; psalm 31
2-4.17.25; Mt 7, 21-27
Psalm 31
Bij U, HEER, kom ik schuilen, beschaam mij nooit ofte nimmer, bevrijd
mij in uw rechtvaardigheid.
Leg uw
oor te luisteren en
kom mij snel te hulp;
wees mijn machtige rots, de burcht die mij zal beschermen.
Ja, mijn
rots en vesting bent U.
Omwille
van uw naam, leid mij en geef mij rust;
Laat uw
lichtend gelaat over uw dienaar schijnen, red mij,
want U hebt mij lief.
Jullie,
die wachten op de HEER, wacht met een dapper, standvastig hart.
De tekst van de 1e
lezing komt al gauw over alsof je voor het blok wordt gezet: zegen als je gehoorzaamt en vloek als je niet gehoorzaamt. Maar in zo'n sfeer is Deuteronomium niet geschreven. Op het eind van
het boek staat, als een soort afsluiting (30,19): "Leven en dood houd ik u
voor, zegen en vloek. Kies het leven …". 'Kies het leven als invulling van
wat jullie hebt ervaren vanaf Egypte tot nu toe in het Beloofde Land.' Dat is
de teneur: kiezen.
Wat jullie hebt ervaren staat in
de Tora bijeen gezet, verwoord. Prent die woorden in je hart, geef ze een
plaats in je leven, zoals je vanuit je hart graag wilt leven. Leven, uitleven
in denken en doen: houdt deze woorden in je hand als je doet, houdt deze
woorden in je hoofd als je denkt, zoals een hoofdband je hoofddoek vasthoudt.
Doe en denk naar de Heer toe, dan zit je goed.
Loop niet
achter vreemde goden aan hier in Kanaän, goden die jullie niet hebt leren
kennen zoals je de Heer hebt leren kennen; jaag niet consumptiedrang na,
voorbijgaande dingen die geen voldoening geven, je leven niet invullen, je geen
kracht geven. Zoek je heil bij de Heer bij wie je kunt schuilen, op Wie je kunt rekenen,
van Wie je kunt vragen dat Hij je rots is. En als je dan weer hebt ontdekt,
zelf hebt ontdekt dat Hij je rots en burcht is, dan is
er geen sprake van dwang maar van eigen keus. Een keus die je in dankbaarheid
maakt - omwille van Zijn Naam, JHWH, 'Ik-ben-er'. Zo
is de sfeer van Deuteronomium.
Het evangelie kan ook de indruk
wekken dat er dwang wordt uitgeoefend. Jezus heeft het
over de wil doen van zijn Vader. Je zou nog kunnen zeggen dat als Jezus de wil
van zijn Vader wil doen - dat moet hij dan zelf weten, maar … ik? Ja inderdaad:
ik. Als ik zijn volgeling wil zijn, als hij mijn burcht is, is het dan gek om
ook nog verstandig te zijn? Verstandig als de man die zijn leven bouwt op God? Jezus koos er zelf voor om de wil te doen van zijn vader in
de hemel, helemaal, en hij biedt ons aan om ons op die rots te zetten - doordat
wij naar Hem horen en doen wat hij zegt tilt hij ons op. Het stukje evangelie
van vandaag is ook weer een soort afsluiting en wel van de het leergedeelte van
Mt, dat de Bergrede als pronkstuk heeft. Ook hier weer een aanbod: als je doet
als ik - we mogen zelfs zeggen als je doet samen met mij - dan stel ik je
veilig, tast het kwaad, het onheil jou niet aan.
Doen als Jezus is niet zo maar
wat. Op de dag dat het erop aankomt, op "die dag",
is men nogal gauw geneigd om hulp te roepen en argumenten te gebruiken als
"Hebben wij niet in uw naam …. ? " Als het om mensen gaat die ooit
wel eens iets hebben gedaan, is het logisch dat Jezus zegt dat hij hen niet
kent. Maar als nou het om mensen gaat die echt in zijn naam hebben gedaan, zegt
Jezus dan toch: "Nooit heb ik u gekend"? Wellicht is het mogelijk dat
we daden in zijn naam kunnen verrichten die groot zijn omdat ze in zijn naam
zijn verricht; dus hij deed het, niet wij. Maar meer voor de hand ligt dat we
als criterium hanteren dat het om de wil van de Vader gaat en niet om eigen
wil, eigen behoefte, maar in dienst van. Als wij in dienst van de Vader werken
hebben verricht - met Jezus' naam als hulp - dan kent hij ons.
Er is nog iets: "Ik heb u
gekend". 'Kennen' - meer dan 'leren kennen', bij Jezus is het ook
'erkennen' en 'herkennen'. Hij hoeft ons niet te 'leren kennen'. Hij ziet en
weet en kent, helemaal.
"Laat uw lichtend gelaat over uw
dienaar/dienares schijnen" hebben we gebeden in de psalm. Mogen we niet
vragen of hij zijn Licht laat schijnen tot in onze ziel? Hij kent ons toch. We
werden opgeroepen om die woorden in ons hart te prenten maar ook in onze ziel,
waar het goddelijk levensbeginsel ligt, Het Woord. Is er dan geen herkennen,
erkennen, kennen? "In 't zalig Licht van
Aangezicht tot aangezicht". In stille allesomvattendheid.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Als je jong bent, ligt dadendrang voor de hand - aanpakken! Niks
mis mee. Maar houd in de gaten dat je het het
vruchtbaarst werkt als je in dienst van de Vader doet. Dat vraagt om kritisch
tegen je bedoeling aankijken; dat biedt troost als het anders gaat dan je dacht
dat het zou moeten gaan; dat schept een band. Je hoeft het
nl. niet alleen te doen en die band knelt niet.
Laat uw lichtend gelaat over mij schijnen bij denken en doen, tot in mijn
ziel.
Zullen we ons even bezinnen?
Tiende
zondag door het jaar A
5
juni 2005; '08
Hos 6, 6-9; psalm 50, 1.8.12-15;
Mt 9, 9-13
Psalm 50 De HEER, de God van de
goden, spreekt
en heel de aarde roept Hij op, vanwaar de zon rijst tot waar
zij daalt.
Om uw offers verwijt
Ik u niets, geen brandoffer is Mij ontgaan,
Zou Ik het vlees van
stieren soms eten? Of het bloed van bokken soms drinken?
Laat uw offer een
dankoffer zijn, kom uw geloften aan de Hoogste na.
Dan mag u Mij roepen
in dagen van nood,
en Ik zal redden, omdat u erkent wie Ik werkelijk ben.'
De sfeer in de lezingen en de
tussenzang wordt gekenmerkt door tegenstellingen. Hosea, die graag huwelijks-
en liefdesbeelden gebruikt, die over "de lenteregen die de aarde drenkt"
spreekt, vraagt om kennis van God en stelt de priesters aan de kaak die moorden op weg naar
het heiligdom in Sichem. Psalm 50 smaalt over
dierenoffers die eigenlijk dank offers moeten zijn en de mededogenloosheid van
de Farizeeën steekt schril af tegen Jezus' barmhartigheid. Telkens worden we
met twee benen op de grond gezet.
God zet ook Efraïm en Juda met
twee benen op de grond. Ze zeggen dat ze moeite willen doen om Hem te kennen
maar God stelt dat ze hoogstens verliefd zijn. Verliefdheid is zo mooi, maar is
als de ochtendnevel, als de dauw die verdampt in de warmte van de dag. Ze houdt
geen stand, zoals liefde wel doet. Daarom slaat de Heer op hen in met harde
woorden. Ze zeggen wel en ze willen wel, maar ze doen niet.
In de psalm hetzelfde gegeven: men
brengt wel offers, zelfs brandoffers die verzoening tussen God en de mensen
moeten bewerken, maar de Heer hoeft niet nog een stier of een bok ter
consumptie. Heel
de aarde is al van Hem. Met smalende worden wijst Hij het af.
Wij weten het wel: Hosea zegt
dat God barmhartigheid zoekt, het meelevende hart in het offer, het leven dat
zich aan Hem toewijdt. Zelfs meer dan naar brandoffers kijkt God uit naar mensen die uit zijn op
kennis van Hem. En in de psalm wacht De Heer op iets anders dan wat ze aanbieden
nl. op wat met het offer tot uitdrukking moet worden
gebracht: afhankelijkheid erkennen, aanbidding vanuit het hart, ontzag voor
Hem, dank aanbieden - God willen leren kennen.
Als we dit naar ons vertalen, is
dan niet het zinnetje "Laat uw offer een dankoffer zijn" een goed
aanknopingspunt? In de eucharistie brengen wij ook het dankoffer 'door Hem en
met Hem en in Hem'. Maar zowel de lezing uit Hosea als de psalm leggen ons de kritische vraag voor wat ons aanbod waard is.
Bieden wij inderdaad onze dank aan of zijn we hier uit gewoonte. Brengen we
onze inzet, onszelf, mee naar de viering en nemen we, gesterkt en verrijkt, ons
Christen-zijn mee naar huis? Of gaat de dienst
vanzelf voorbij? Dringt het tot ons door waarmee we bezig zijn? Geldt ook hier
voor ons niet het verschil tussen verliefdheid en liefde?
Een tweede aanknopingspunt zij
wat Jezus tegen de Farizeeën zegt: "U moet maar eens leren wat dit zeggen wil 'Barmhartigheid wil en geen offer' ". Hun houding
t.o.v. tollenaars en zondaars was negatief en indirect lieten ze zich
laatdunkend over hen uit, terwijl Jezus juist bezig was om die mensen een hart
onder de riem te steken, ook eens met hen maaltijd vierde, barmhartig was.
Natuurlijk zijn wij geen farizeeërs - stel je voor zeg - maar is er voor ons
geen aanleiding om kritisch te vragen hoe wij zij
t.o.v. loosers, andersdenkenden, defecten, illegalen
en noem maar op? Dat betreft vaak moeilijke situaties, niet zomaar in te vullen
maar sluiten wij hen in? Wellicht zijn er persoonlijke situaties en ontmoetingen
waarin we ons kunnen afvragen of we iets doen wat aansluit op die opmerking van
Jezus:"Barmhartigheid vraag ik"?
Die opmerking is een
"oordeel dat doorbreekt als het licht", dat "als de dageraad
verschijnt". God is rechtvaardig - daarin hadden de Farizeeën gelijk -
maar als HijZ even kan is Hij nog barmhartiger. Zonder barmhartigheid, zonder
je hart, leer je God niet kennen. Zijn Naam is immers o.a. 'de Barmhartige'.
"De barmhartigheid zegeviert over het oordeel" (Jak 2,13); zo voornaam
is zij. Onze barmhartigheid haakt aan bij Gods barmhartigheid. Zij houdt de
poort naar God open. Als wij een 'brandoffer' van verzoening aanbieden moge
daarbovenuit kennis van God ontstaan in ons hart, zoals in de 1e lezing
staat. Nog meer: als wij hét Brandoffer van volkomen verzoening aanbieden,
Jezus Christus, zij dat reeds de Eenwording waarnaar
door die kennis wordt gestreefd.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. De kans is groot dat je vrij bent van gevestigde ideeën en meningen
van ouderen, dat je onbevangen staat tegenover anderen die 'ziek' zijn. Gebruik
je hersens maar zie wel dat je in de geest van Jezus handelt en dus met zijn
steun jouw barmhartigheid hanteert. Dan blijft er een poortje open.
Barmhartigheid, hét Brandoffer,
eenwording. Moge dat over ons komen als lenteregen die de aarde drenkt. Zullen
we ons daarvoor even tijd gunnen?