emailadres

terug naar overzicht
terug naar inhoudsopgave

 

Overweging voor de weekendviering

 

Zondagen in het jaar A

 

Advent

1e zondag   2 december 2001;'04 

2e zondag   9 dec. 2001;'04; 2007

3e zondag   16 december.2001;'04

4e zondag   23 december 2001;'04

 

Kersttijd

Kerstmis dagmis       2001;'04

H.Familie    26 dec. '04

Doop van de Heer  13 jan. '02;'05

 

door het jaar

2e zondag   20 januari 2002; 05

3e zondag   23 januari 2005

4e zondag   3 februari 2002; '05

5e zondag   6 februari 2005

6e zondag   2005

Veertigdagentijd:

1e zondag     17 febr. 2002;'05

2e zondag     20 februari 2005

3e zondag    3 maart  2002; '05

4e zondag     6 maart 2005

5e zondag    17 maart 2002; '05

palmzondag  20 maart 2005

 

Paastijd:

Paaswake      2005

Paaszondag  27 maart 2005

2e zondag     3 april 2005; '08

3e zondag     14 april 2002; '05

4e zondag     21 april 2002; '05

5e zondag     24 april 2005

6e zondag     5 mei 2002; '05

7e zondag     8 mei 2005

Pinksteren    19 mei 2002; '05('08)

Drie-Eenheid   22 mei 2005;

Sacramentsdag  2 juni 2002; '05

Zondagen door het jaar:

9e zondag     2005

10e zondag   5 juni 2005; '08

11e zondag  16 juni '02;'05; '08

12e zondag   19 juni 2005

13e zondag   30 juni '02;'05;'08

14e zondag   3juli 2005

15e zondag  14 juli 2002; '05

16e zondag   17 juli 2005

17e zondag   22 juli 2002; '05

18e zondag   31 juli 2005

19e zondag   11 aug. '02;'05

20e zondag   14 augustus 2005

21e zondag   25 aug. '02; '05

22e zondag   28 augustus 2005

23e zondag   8 sept. '02; '05

24e zondag   11 september '05

25e zondag  22 sept.'02; '05;'08

26e zondag   25 september '05

27e zondag   6 oktober '02;'05

28e zondag   9 oktober 2005

29e zondag   20 oktober '02;'05

30e zondag   23 oktober 2005

31e zondag   30 oktober 2005

32e zondag   6 november 2005

33e zondag   17 nov. 2002; '05

Christus Koning  november '05

 

© 1999 - 2005 P.Goris Epe; zie 'Ten geleide'.

 

P.S. Waar in de overwegingen sprake is van 'nieuwe vertaling' wordt de Willibrord  '95 bedoeld.

 

1e Zondag van de Advent   2 december 2001; '04

Jes 2, 1-5; psalm 122; Mt 24, 37-44

 

Psalm 122  Verheugd was ik toen mij werd gezegd: We gaan naar het huis van de HEER.

Nu staan we dan werkelijk hier, Jeruzalem, binnen uw poorten.

Jeruzalem, prachtig gebouwde stad, in hechte gemeenschap verbonden,

alle stammen komen naar u toe, alle stammen van Hem, van de HEER,

want in Israël hoort men zo de naam van de HEER te vieren.

Kijk, daar staat de rechterstoel, de zetel van Davids huis.

Bid voor Jeruzalem, bid om vrede en laat uw vrienden daar veilig zijn.

Vrede binnen uw muren, veiligheid binnen uw vesting.

Omwille van mijn familie en bekenden bid ik om vrede in uw midden.

Omwille van de tempel van de HEER onze God bid ik om voorspoed voor u.

 

In dit nieuwe kerkelijk jaar A lezen we de evangelies vooral uit Matteüs. We beginnen direct met een waarschuwing: na het verhaal over de intocht in Jeruzalem plaatst Matteüs onderrichtingen en parabels die over die waarschuwing gaan: wees alert. Het is net alsof hij zijn lezers/toehoorders erop wijst dat als Jezus weg is, zij zijn aansporingen tot waakzaamheid ter harte moeten nemen.

Zo ook het evangelie dat we hebben gelezen. De Mensenzoon komt een gegeven moment echt en dan is het zover. Als je niet alert bent, als je gewoon doorgaat met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, met de dingen van iedere dag en je eigen plannen zonder visie op zijn komst, word je overdonderd. Er valt geen staat op te maken, er is geen regel waarom de een wel en de ander niet aan de beurt zou zijn, je kunt het ook niet beïnvloeden  - een gegeven moment is het zo of je buiten of binnen bent: de Mensenzoon is er voor jou. De huisvader weet niet wanneer de dief komt; als hij het wel wist, bleef hij waken. Zo moeten jullie dus voortdurend erop gericht zijn de Mensenzoon te ontvangen omdat je niet op welk moment hij komt.

De woorden dief en Mensenzoon staan in zekere zin naast elkaar in de vergelijking. Maar met het element van het 'onverwachte' is de vergelijking op: de Mensenzoon verwachten is geladen met spanning, uitzien naar. Als je je hele leven leeft op Hem gericht, ben je altijd bereid. Als je doet als hij deed, zul je hem graag hem verwachten - ook al vind je het wellicht moeilijk het leven los te laten. Als je deelt in zijn visioen, zijn visioen in stand houdt, het Rijk der hemelen, zul je er graag binnen gaan.

 

Jezus heeft vast het profetenboek Jesaja gekend en dus ook het visioen dat deze beschrijft. "Op het einde der dagen", als het zover is, zal blijken waarom het gaat. Dan zal de berg van de Heer de hoogste blijken te zijn, het kortst bij de hemel. Alle volken trekken naar haar op want daar worden de wegen gewezen die je moet gaan om het Rijk waar te maken. Als je Zijn paden bewandelt, kom je bij Hem uit. Op die berg is Gods Woord te horen. Op die berg heerst vrede. Op die berg: als je op God bent gericht, op Zijn Woord, op Jezus, de Gezalfde.

Die vrede begint bij het niet meer strijden; oorlog voeren hoeft niet meer want overal is rechtvaardigheid. Doordat al die harten op God gericht zijn, wordt de samenleving gedragen door gerechtigheid van omhoog. En die vrede gaat nog verder want op die berg staat de tempel van de Heer. Daar krijgen die harten de kans zich uit te leven naar God, daar verheffen de gelovigen hun hart tot God, daar erkennen zij Zijn Grootheid, daar zingen zij Hem toe vol vreugde en smeken zij Hem om Zijn Kracht. Zijn Kracht om het visioen waar te maken en in stand te houden tot het einde der dagen toe.

In de tekst van Jesaja is 'de berg' Jeruzalem en 'het huis van Jacobs God' (!) de tempel in Jeruzalem, die op de tempelberg is gebouwd. Zijn wij hier, nu, ook niet in de tempel, in het huis van God? En - weliswaar in bescheidenheid - is er niet nog meer? Zijn wij ook zelf niet de tempel die door Jezus Christus wordt gebouwd?

Kunnen wij in verwachting van 'het einde der dagen' niet nu reeds zingen/bidden "Hoe blij was ik toen zij mij zeiden Wij gaan op naar het huis van de Heer"/"Hoe blij was ik, toen men mij riep: wij trekken naar Gods huis"? Voor ons geldt toch ook dat wij "loven de naam van de Heer" en "de zetels ten gerechte" benutten en nuttig maken. Wij bewandelen toch ook Zijn paden om hier te komen. Is dan niet de mooiste wens die we mogen horen en zelf kunnen zeggen "Om mijn broeders en om wie mij nazijn laat mij spreken 'vrede over u'! In het huis van de Heer onze God, vraag ik dat gij gezegend zult zijn"/"Ter wille van mijn broeders en mijn makkers wens ik u vrede toe; ter wille van het huis van onze God bid ik om zegen voor u"? En dat in hoopvolle verwachting van … gericht op … wandelend in het Licht van de Heer. De tempel van de Heer en wij zelf beginnen samen te vallen in Jezus Christus.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je kunt met van alles bezig zijn, plannen maken en leuke dingen doen, maar als er geen visie is, geen toekomstbeeld is, als er geen toekomst een beeld geeft, uitbeeldt, wat is er dan? Gaat het dan weer als toen met de zondvloed? Zondvloed is niet wat alleen maar toen en daar gebeurde, ze is altijd mogelijk; dat kunnen we om ons heen zien. Moge het visioen van Jezus jou een inhoud bieden. Samen met hem kun je het waar maken voor zover in jouw vermogen. Samen met hem er vreugde aan beleven.

 

De 1e lezing besloot met "Huis van Jakob, laat ons wandelen in het Licht van de Heer". 'Huis van Jakob' - voor de Jood een plechtige oproep. Hoe zou zo'n plechtige oproep voor ons in hoopvolle verwachting luiden? Voor ons - voor alle volken. Zullen we ons daarvoor een paar minuten gunnen?

 

 

2e  zondag van de Advent jaar A  9 december 2001; '04; 2007

Jes 11, 1-10; psalm 72; Mt 3, 1-12.

 

Psalm 72 Rechtvaardig zal hij uw volk besturen en opkomen voor het recht van de armen.

De rechtvaardige kan in zijn dagen ontluiken in een wereld vol vrede, tot de maan niet meer glanst.

En heersen zal hij van zee tot zee, van de Grote Rivier tot aan het einde van de aarde.

Hij redt de misdeelde die om hulp smeekt, de verdrukte, door niemand geholpen.

Wie achtergesteld zijn, toont hij erbarmen, wie zwak en onderdrukt is redt hij het leven.

Laat zijn naam voor eeuwig blijven, en weerklank vinden waar de zon ook maar schijnt.

Alle volken zullen zich om hem gezegend noemen en zullen hem gelukkig prijzen.

 

De vorige week hebben we in de 1e lezing de oproep gehoord "Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer" en "Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer". Die oproep wordt nu wat concreter ingevuld doordat aangegeven wordt dat het om iets fundamenteels gaat, iets dat diep in ons aan de hand is, om een wortel. Jesaja hanteert een beeld dat men kende: van de boom rest niets meer dan een stronk, d.w.z. Israël (de boom) is gekapt, vernietigd om haar ongerechtigheid. Als dan alles opgeruimd is, rest een stronk met de goede wortel, in goede aarde. Daaruit wordt iets geboren dat - laat me noemen - echt is, is zoals bedoeld, puur, góede vrucht, een nieuwe twijg.

Want de Geest van de Heer rust er op, op die twijg - persoonlijk gezien: de Geest des Heren rust op een hem en wij zeggen dan net zo goed: ook op een haar. Die twijg moge staan voor ieder die uit de stronk van Isaï is, die gevoed wordt door Gods Geest. Gods Geest die bij de  schepping was, toen de mens werd geschapen. Hij biedt Zijn zes gereedschappen aan om te handelen in de praktijk en dan straalt de Vreze des Heren naar buiten, want Die rust op een mens. Zes scheppingsdagen om actief te zijn en dan te genieten en te schijnen. Zes geesteseigenschappen die vernieuwend zijn, ruimte maken, een bestaand kader overstijgen.

 

Het geldt voor ieder die uit de stronk van Isaï is, wil zijn. Het gaat om iets dat diep in ons bestaan aan de hand is, in onze wortels. Als we alles wat aan onze buitenkant zit, uiterlijkheid, weglaten, krijgt de Geest van de Heer kans om met wijsheid, verstand, goede raad, moed, liefde en vreze in ons te werken en zal zowel ons ontzag voor de Heer als ook zorg van de Heer voor ons uitgestraald worden door ons, want Die Geest rust op hem, op haar, op ons.

Dan schorten wij ons kleed op met de gordel van gerechtigheid en zo gaan we aan het werk. Dan is er geluk en - zou je kunnen zeggen - dan is er niet eens vrijheid nodig; er is immers geen enkel probleem; het kind steekt immers zijn hand gewoon in het hol van de slang. Dan geldt dat intense beeld: als die vrede heerst, zal de gehele aarde vervuld zijn met liefde tot God, zijn wij omhuld, bedekt, ondergedompeld in Liefde zoals het zeewater de aardbodem bedekt. Een oerbeeld.

Het klinkt allemaal heel mooi, de praktische uitvoering is wat taaier, maar mogen we dat beeld, dat uitzicht, dat visioen niet koesteren en hanteren? Het leeft toch diep in ons! Stukje voor stukje dat waar maken, erin groeien, want het belooft dat, als ons het lukt, in zoverre als ons het lukt, dat "op die dag" die wortel van Isaï voor alle volken een banier zal zijn, zal de hele wereld zien wat in de Geest des Heren mogelijk is.

 

Het evangelie maakt nog meer concreet dan de 1e lezing, het kondigt aan dat Het Rijk der hemelen nabij is, dat op handen is datgene dat mogelijk wordt in de Geest des Heren. Na de oproep van Jezus om waakzaamheid - de vorige week - wordt ook hier meer uitgewerkt waar het om gaat. Johannes predikte in de woestijn. De woestijn soms voorgesteld als een plaats van eenzaamheid en verschrikking, nu een plaats waar het gewone leven niet overheerst, waar stilte is en ingetogenheid, waar het diepe in ons aangeboord kan worden, waar een stem gehoord kan worden: de vervulling is nabij. "In die tijd", toen Johannes bezig was, verwijst naar "op die dag" als de banier van de wortel van Isaï wappert voor alle volken.

Via hetgeen Johannes aan kleding droeg wordt verwezen naar de profeet Elia, die terug moest komen, een hoop op wat komen moest. Daarnaast was  de Messias­verwachting van het joodse volk nogal actueel vanwege de Romeinse bezetting. Mocht toch het Rijk van David worden hersteld ! Veel mensen trokken dan ook naar op Johannes als naar de berg van de Heer en ze zijn bereid zich te bekeren en … hun zonden te belijden. 

Johannes vraagt wel naar diepgang: mensen die niet tot het hart gaan, die zich afschermen met de gedachte dat zij vanwege hun afkomst eigenlijk al veilig zijn, die Abraham tot vader hebben, van afkomst Jood zijn, die mensen wijst hij af. Zij geven zich niet bloot. Johannes hanteert het O.T.-ische gegeven van 'de toorn van God'; die dringt diep door, door alle uiterlijkheid heen. En nu gebruikt hij ook het beeld van de wortel maar nog verregaander dan in de 1e lezing, waar nog sprake is van een stronk. Als de bijl aan de wortel ligt, is zelfs de stronk in het geding. Zelfs die moet weg zodat de twijg zo nieuw mogelijk is. Daar gaf de wortel nieuw leven, in goede grond; ook hier kan de twijg groeien op grond van bekering. Johannes vraagt om de wortel, radix, radicaal, diep, echt. Het Rijk van David dat Johannes voor ogen had, ligt kennelijk niet aan de oppervlakte. Water is nog maar het begin; vuur en Heilige Geest dringen dieper door.

 

De 1e lezing ziet uit naar een nieuwe persoon, op wie ook de Geest des Heren rust. Jesaja doelt op het herstel van het Rijk van David, de jongste zoon van Isaï, die als koning zorg zou dragen voor gerechtigheid en vrede. De tussenzang, psalm 72, gaat dan ook over hem en over een nieuwe rechtvaardige koning die in Naam van God heil brengt. Wij - in het N.T. - hebben de psalm gezongen/gebeden als zijnde van toepassing op Jezus, zoon van David. Maar hebben we haar ook niet gezongen/gebeden met iedere rechtvaardige in ons achterhoofd die het Rijk der hemelen, van Jezus, nabij brengt, waar maakt ?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Mensen groeien voortdurend maar in je jeugd groei je het snelst. Nu reeds diepgang bereiken in je groei naar je leven, in je groei naar God, naar het koninkrijk, geeft je een voorsprong. De Geest des Heren moge je daarbij helpen en als je niet goed weet waar je op moet letten, let op Jezus. Hij heeft diepgang,  de Geest, maximaal.

 

'Op die dag zal de banier wapperen', 'in die tijd kondigde Johannes het Rijk aan'. Zien wij uit naar die tijd, zien we haar?

Zullen we ons daarvoor een paar minuten tijd gunnen?

 

 

Derde zondag van de Advent jaar A  16 december 2001; '04

Jes 35, 1-6a.10; psalm 146; Mt 11, 2-11

 

Psalm 146  Kom, Heer, om ons te redden.

Hij blijft bedacht op trouw voor altijd, voor het recht van de onderdrukten komt Hij op,

Hij geeft de hongerigen brood, de HEER maakt gevangenen vrij,

de HEER opent blinden de ogen, de HEER richt verslagenen op,

de HEER heeft de rechtvaardigen lief;

de HEER neemt de vreemdeling in bescherming,

wees en weduwe staat Hij bij; maar de bozen zet Hij op een dwaalspoor.

De HEER is koning, koning voor altijd; Sion, de HEER is jullie God, van generatie op generatie.

 

In de ballingschap, in Babylonië, in den vreemde, in ellende, klinkt de vreugdekreet van een profeet: "De Heer zegt: woestijn en steppe zullen zich verheugen … de mensen zullen de glorie van de Heer aanschouwen". Waarop stoelt Jesaja dat? We weten dat zo iets niet per parachute wordt gedropped. Hoe komt een vólk er bij om te accepteren dat een 'Beloofde' zal komen en daarnaar uit te zien?  Is het gewoon hoop die iedereen koestert die in moeilijkheden zit, zoals de ouderen onder ons hebben gehoopt in de oorlog, zoals een zieke hoopt, een kinderloze, iedereen die de hoop (nog) niet heeft opgegeven? Dat zou je nog onder het motto levensbescherming kunnen plaatsen; ieder mens wil zijn leven in stand houden.

 

Er is echter nóg meer aan de hand omdat een profeet het zegt, die in de Naam van de Heer spreekt, in de Kracht van de Heer. Dan hebben we te maken met wat we de vorige week hebben gelezen over de Geest, de Geest van wijsheid en inzicht, van beleid en sterkte, van kennis en ontzag voor de Heer. Dat een volk uitziet naar 'de Komende' heeft ook met die Geest te maken. Het gaat om meer dan hoop om te overleven, het gaat om hoop die gevormd wordt in een leven dat is gebaseerd op gerechtigheid. Gerechtigheid is een levensinvulling die 'naar boven' reikt. Dat leeft in het hart van de gerechte persoon, van een gerecht volk. Dat heeft God in hen gelegd, wekt HijZ in hen op, dat is Zijn Kracht.

 

In die Kracht gaan de ogen van de blinde weer open, horen doven, dansen lammen en spreken stommen: de wereld gaat op zijn kop, het onmogelijke gebeurt. Degenen die verlost zijn keren toch terug naar Jeruzalem, naar hun basis, waarvan ze alleen maar droomden. Over dat verlost zijn hebben we (of) gezonden in de tussenzang "Een loflied voor de Heer, heel mijn leven", gedurende mijn leven zing ik een loflied voor Hem - mijn leven is een loflied voor hem geworden, aan het worden (of) … gebeden in de tussenzang in hoop op redding omdat de Heer altijd zijn woord gestand doet. Bij verlossing/redding denken we al gauw aan eigen ervaringen, hetzij in het vlak van lichamelijke, hetzij in het vlak van psychische nood, als we niet meer kunnen, als we moeten afwachten, loslaten, overgeven. Maar weer: er is meer aan de hand.

 

In het evangelie wordt verteld hoe Johannes in nood is, niet zo zeer dat hij in nood is maar vooral hoe. Hij is onterecht  gevangen genomen omdat hij als gerechte optrad tegenover Herodes. Natuurlijk hoopt hij op verlossing uit dat onrecht maar zijn vraag is een van geloof, een geloof waarvoor hij zich heeft ingezet: verlossing door vergeving van zonden, van invulling van de belofte over 'de Komende', die die verlossing en vergeving waar zou maken, die ruimte zou maken voor Gods gerechtigheid, zonder welke de aarde niet kan leven. Zou Johannes zich hebben vergist, zou zijn levensinzet voor niets zijn, zijn leven niets waard zijn, zou datgene waarvan hij vond dat in hem was gelegd, dat in hem leefde, onwaar zijn? Waar is zijn profeet die hem uit die onzekerheid verlost?

Jezus laat hem zeggen dat de blinden, lammen, doven, melaatsen genezen, zelfs doden staan op. Dat zijn de mensen die in de 1e lezing van Jesaja worden genoemd. Gerechtigheid ontluikt. Hij voegt er ook nog een categorie mensen aan toe: de armen, mensen die arm aan Geest zijn, behoeftig, die de goede boodschap van vergeving en verlossing ontberen, die uitzien naar, die verlangen naar de Geest waarin Jezus doopt. Mensen die daarin herkennen wat al in hen is gelegd en wat niet alleen geboren moet worden maar ook na de geboorte moet kunnen leven in het Rijk der hemelen. Jezus troost Johannes, bevestigt hem: neem geen aanstoot aan mij, integendeel. Kijk maar en hoor: Ik ben degene die je verwacht, waarop je hoopt, voor wie je je hebt ingezet.

 

Jezus bevestigt Johannes ook t.o.v. zijn toehoorders: hebben ze iemand gezien wiens jasje naar de wind waait, iemand met mooiigheid aan de buitenkant? Nee, mensen met mooiigheid aan de buitenkant, de Joden uit Jeruzalem die het zo goed wisten, die Abraham als vader claimden - die wijst hij af, en als Johannes' jasje naar de wind  had gewaaid, was hij niet gevangengezet. Ze hebben nog meer gezien dan een Jesaja, en wel iemand over wie geschreven staat: "Zie Ik zend Mijn engel voor u uit om de weg te bereiden, onderweg te beschermen … want in hem is Mijn Naam geschreven", Mijn Kracht. Zo iemand hebben ze gezien.

Daarmee houdt het nog niet op. Het Rijk der hemelen is nóg meer dan wat Johannes bracht: God is daar Zelf in Jezus, die Johannes ongetwijfeld daarin heeft opgenomen, ook omdat Johannes daarnaar uitzag, omdat hij herkende wat al in hem was gelegd: gerecht zijn, een Godskind zijn.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In je groei naar volwassenheid komen authentieke elementen aan bod, de vraag wat en hoe je eigen-lijk, echt bent, wilt zijn. Het zij je gegund dat je merkt dat je reikt naar het oneindige, De Oneindige. Wellicht kan Johannes je daarbij inspireren. Wie weet wordt jouw leven een loflied.

 

We zijn onderweg naar het Kerstfeest. Ligt er in ons iets wat we herkennen als zijnde van God afkomstig, waarnaar we verlangen, authentiek ?

 

 

 Vierde zondag van de Advent jaar A  23 december 2001; '04 ('07)

Jes 7, 10-14; psalm 24; Mt 1, 18-24  (Voor O.T. de Willibrord '95 aangehouden; voor catechese jonge vrouw = gelovend volk zie aldaar. Over Meister Eckhardt zie artikel Peter Raedts in NRC d.d. 21-12-01, boeken)

 

Psalm 24 De Heer moet de poorten binnengaan,want Hij is de koning der glorie.

Aan de HEER behoort de aarde en al wat zij omvat, het vaste land en zijn bewoners:

Hijzelf heeft haar op de zeeën vastgelegd en op de stromen verankerd.

'Wie mag de berg  van de HEER bestijgen? Wie mag op zijn heilige plaats staan?'

'Wie zijn handen schoon en zijn hart zuiver houdt, wie niet tot afgoden bidt

Hij ontvangt zegen van de HEER, welvaart van God, zijn helper.'

Ja, zo is de mens die Hem zoekt en die dingt om uw gunst, o Jakob.

 

De vorige week hebben we de oproep van Jesaja gehoord: "Maak de bevende knieën sterk". Dat was in de ballingschap. Nu stelt hij dat het volk Gods, Israël, sterk is, in ieder geval hoopt - een sterke hoop want zij zal vrucht brengen. Het is die hoop die hun God in hen heeft gelegd. Tegen Achaz, die niet weet wat hij moet doen in de politieke situatie van dat moment, tegen die aarzelende koning zegt Jesaja dat hij niet bang hoeft te zijn: 'vraag maar een teken, het zij uit de diepte der onderwereld, hetzij uit de hoogte daarboven.' Maar Achaz ontwijkt met een smoes. Dan zegt Jesaja zo ongeveer: 'ben jij nou een koning uit Davids huis? De mensen verwachten iets van je en nu terg je ook God nog met je getalm. Het teken is er allang nl. het volk - de jonge vrouw -, dat leeft in de hoop van de gerechte. Uit dat volk, uit die stronk, komt voort de nieuwe twijg, de zoon, een van hen, die 'God-met-ons' zal laten zien'.

 

Zo is het volk waarvan we hebben gebeden/gezongen in de tussenzang. Het volk met reine handen en zuiver van hart. Het volk dat gerechtigheid kent, die erkent als van God afkomstig, als door Hem in hen gelegd. Daarom herkennen zij het ook als zijnde goed. Het volk dat de berg van de Heer mag bestijgen omdat het aan die gerechtigheid gehoor geeft. Zo willen ook wij graag zijn, wij die dat hebben beaamd in de tussenzang.

 

De kern is dat wij als gelovenden accepteren, weten, dat die gerechtigheid, die hoop, bij onze schepping in ons is gelegd, in ieder mens aanwezig is, en dat de volgelingen van Jezus Christus dat tot uiting brengen, zichtbaar maken, baren, met behulp van hem. Als het niet reeds in ons aanwezig was, niet in ons mens-zijn lag, geen aansluitpunt in ons zou hebben, zouden wij het niet herkennen, zeker niet als van God afkomstig. Het is Gods Geest - reeds actief bij de schepping - het is Gods Geest die dat in ons wakker roept. We zijn geneigd om dat zwanger zijn te beperken tot Maria, een keer in de geschiedenis. Maar Maria staat voor Gods volk, voor ieder die in geloof, in zijn op God gericht zijn, kan zeggen en ook zegt: "Zie de dienstmaagd - of dienstknecht - van de Heer"; Maria staat voor ieder die die hoop erkent als van God afkomstig, voor ieder die - zoals de Rijnlandse mysticus meester Eckhardt zegt - de geboorte van God in zijn ziel zoekt, ontdekt; Maria staat voor ieder die het Godskind zijn helemaal in zich laat binnenkomen en het vervolgens naar buiten draagt, naar buiten laat blijken in zijn handelen.

 

Jozef is een gerechte zoals Johannes de Doper ook was. Als hij - volgens het verhaal - merkt dat Maria ten onrechte zwanger is, sleept hij haar niet voor het gerecht zodat ze gestenigd kon worden, maar besluit hij in stilte van haar te scheiden, zonder ophef. Een gerechte wordt hier heel typisch getypeerd. Jozef hield vast van Maria en zijn liefde gaat zover dat hij niet voor een of ander recht van hem opkomt maar zijn teleurstelling, haar ontrouw, verbijt, draagt. Liefde die het beste met de ander voor blijft houden, ook al wordt ze door de ander aangevallen. Wie doet hem dat na? Het past kennelijk niet in zijn houding, in zijn op God gericht zijn, om door God gewilde levens te vernietigen. Wie doet hem dat na, in onze tijd?

Als Jozef met die gedachte aan scheiding rondloopt, krijgt hij een droom zoals Jakob een droom kreeg op reis naar het land waar hij zijn vrouw zou verwerven: engelen daalden af naar de aarde en stegen weer op naar de hemel via een ladder en ineens stond JHWH bij hem en beloofde hem land en nakomelingen. In zíjn droom wordt Jozef aangesproken met 'zoon van David'. Eenzelfde lading als toen Achaz werd aangesproken met 'huis van David'. Officieel. Jozef moet dragen, draagt het rijk van David, waaraan geen einde aan zou komen - volgens de belofte via de profeet Natan door JHWH aan David gegeven. Zíjn engel zegt zo ongeveer: "Jozef, Gerechte, via haar zal het Rijk zich voorzetten, het Rijk van de Goede Geest, van vergeving en redding. Wees niet bang om haar op te nemen. Het is immers al voorzegd door de profeet van de hoop." De gerechte neemt haar op en dient zo het komende Rijk. Wij weten dat via haar zich een heel nieuw Rijk heeft ontwikkeld - nog groter dan het rijk van David.

 

Het zij ons gegeven dat wij ons gaan herkennen in zowel Maria als Jozef. In Jozef die zorgde en beschermde; Jozef die er is. In Maria die is; zij is die door God is aangeraakt, "want die door God wordt aangeraakt, is tot Zijn heiligdom gemaakt; zij is een ark van het Verbond, een tempel waar de Geest in woont".

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Juist in de jaren waarin je opgroeit, ben je ontvankelijk voor dat pure, eerlijke, voor datgene wat je kern raakt, voor wat je bent - graag wilt zijn - en dan denk ik aan Maria. Maar ook ben je bereid te doen, je bent er om de wereld te verbeteren of hoe je dat wilt noemen en dan denk ik aan Jozef. Beide staan in Gods dienst.

 

Accepteren, weten dat er een oerpunt van God in je is gelegd en uitzien naar de geboorte ervan, naar de inwerking­treding ervan. Zullen we ons daarvoor even de tijd gunnen?

 

 

Kerstmis dagmis A  2001; '04 

Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18

 

Psalm 98  Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:

zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.

De HEER heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.

Zijn liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:

zelfs de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.

Heel de aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en zingen.

Zing voor de HEER en speel om Hem te eren, speel op de lier, zing met luide stem.

Onder het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.

 

We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te komen. Op de 1e zondag hebben we vernomen de oproep van Jesaja "Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer" en " Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer". De 2e week was er die mooie vergelijking over de stronk die nog met haar wortel in goede aarde lag en waaruit een nieuwe twijg opbloeit waarop de Geest des Heren rust. Op de 3e zondag hebben we gelezen hoe Jesaja het waagde in de ballingschap een vreugdekreet te uiten naar een volk dat uitziet naar de Komende, een volk dat zich richt op gerechtigheid en dus hoopt; en afgelopen zondag zagen we hoe Jesaja het gelovende volk zwanger noemt van die hoop, die in de mensen is gelegd. Nu is het zover, we staan zelf in het beleven van die hoop.

Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat zij gestalte heeft gekregen, zichtbaar is geworden en effectief. Ook voor ons geldt dat die hoop al bij onze schepping in ons is gelegd - een aansluitpunt naar wat boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle poes-pas erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknopt bij ons eigenste en ons meeneemt naar Boven.

 

Je zou misschien wel kunnen zeggen dat ook Johannes de evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.

Dat is wat Johannes in zijn leven heeft geleerd, een geloofsbelijdenis: 'In begin was het Woord', wat vrijer vertaald: beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was, en ook hoe het was nl. naar God toe toegewend, bij God (de Vader); het Woord is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort geloofsbelijdenis als waarmee de bijbel begint: 'Punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen in geloof in het Hogere, het Hogere dat de mens in zich herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht, om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht, geloofslicht, geloofszicht.

Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel niet zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons. "Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan hoe goddelijke liefde is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als mens vanuit een man afkomstig maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.

Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt in een kind, dat kind.

 

Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft maar ook inspireert om goed  te doen. Zo - kun je zeggen - zal de Heer via het doen van mensen regeren, zal Sion's God Zijn kracht laten zien, die verlossing uit de ballingschap voor de Joden bewerkte tot hun grote vreugde. Maar die kracht, zo'n heil, is voor de hele aarde, voor alle schepselen bestemd. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

Als wij hier nu het feest van de menswording vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog eens met groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars aansteken en ons zo laten raken?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer nieuw maakt? Dat jou raakt? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is, jouw licht?

 

"Al wat door God wordt aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn. Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?

 

H. Familie A  26 december 2004

Sir 3, 2-6.12-14; psalm 128; Mt 2, 13-15.19-23

 

Psalm 128  Gelukkig de man die ontzag kent voor de HEER, en de wegen van de HEER bewandelt.

Van de vruchten van je arbeid zul je leven, je zult gelukkig zijn en het zal goed met je gaan.

Je vrouw is een vruchtbare wingerd die bloeit binnen in je huis;

je kinderen staan rond de tafel geschaard als jonge olijfbomen.

Ja, die zegen is voor de man die ontzag kent voor de HEER.

Ontvang vanuit Sion de zegen van de HEER;

verheug je bij het zien van Jeruzalems geluk, alle dagen van je leven.

En zelfs de kinderen van je kinderen zul je nog zien.

Vrede over Israël.

 

"De Heer heeft aan de vader aanzien gegeven bij zijn kinderen en Hij heeft het oordeel van de moeder bindend gemaakt voor haar zonen." Een standpunt, een geloofsbelijdenis van de vrome, die zo de natuurlijke situatie van vader-moeder-kind optilt, die zo zijn ervaring en die van de zijnen binnen het gezin als gekregen duidt, als van God gegeven.

Natuurlijk kan de niet-vrome die uitspraak ook misbruiken maar binnen het geloof geeft dat standpunt een enorme lading aan wat in een gezin gebeurt. Er is sprake van recht, vooral waar het de moeder betreft: zelfs over haar zonen heeft zij bevoegdheid. Evenwel, boven het recht uit krijgt de binding die God aanbiedt gestalte in wat in het gezin gebeurt aan goede ervaringen. HijZ is daar. Recht is een basis waarop Gods genade voortbouwt.

De 1e lezing vervolgt met een aantal voordelen voor degene die zijn vader en moeder eert, o.a. beleeft hij vreugde aan zijn eigen kinderen. En dan staat er als afsluiting een soort slagzin: "Wie ontzag heeft voor de Heer, eert zijn ouders": ook weer een houding die uitgaat van de bond van God met Zijn volk, weer een eeuwigheidswaarde voor een aards gegeven.

"Eert uw vader en uw moeder" is niet alleen terecht omdat jij je leven aan hen dankt omdat zij voor je zorgen en leren te leven maar ook omdat zij jou over God leren, hun geloof voorleven en zo jou de gelegenheid geven ook daarin zelf God te leren kennen. Is er een bodem die vruchtbaarder is dan de intimiteit van het gezin? Intimiteit die een ontvankelijkheid voor dat onzeglijke uitspreidt. Intimiteit die tot God voert.

 

Die intimiteit, geborgenheid, zekerheid blijft niet steken in een kleine kring. In de tussenzang hebben we de psalm gezongen die de man gelukkig prijst die de Heer vreest. Zijn werk slaagt, zijn vrouw en kinderen zijn zijn trots en dan blikt de psalm naar buiten: geluk voor Jeruzalem, Gods volk, de samenleving. Het gezin als de kleinste cel van de maatschappij. Maar ook als kern voor de parochie, de Kerk.

 

Onze samenleving kent verschillende soorten kernen en gemeenschappen. Kan daar geen intimiteit van God afkomstig functioneren, zij het in een variant, en ook geen verbond  met God dienen? Ook in een  geloofsgemeenschap zal persoonlijke ervaring van intimiteit met God vruchtbaar kunnen zijn voor de leden ervan. Is die intimiteit ook geen dragende kracht om het Kerstfeest te beleven?

 

Het evangelie verhaalt de opdracht die Jozef krijgt: "sta op". Jozef is een tsaddiek, een gerechte, hij wilde zelfs zonder ophef, in stilte van Maria scheiden. Een gerechte staat in verbond met de Heer en doet wat Die zegt, plichtsgetrouw, bezorgd. We kennen de afbeeldingen die de vlucht van die drie naar Egypte voorstellen. Ook op die vlucht functioneert intimiteit: zij gedrieën. Staat dat verhaal dan niet voor de zorg die God heeft om de Zijnen, beeldt Jozef zo niet uit hoe God is? Is het dan niet ergens een eer voor een vader om de spreekbuis, een goede handlanger te Zijn van de goede God? Is de verbondenheid die de moeder voelt met haar kind geen beeld van Gods Verbond?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In geen enkel gezin gaat dat ideaal beeld helemaal op. Er zijn zelfs gezinnen waar intimiteit en geborgenheid (te) gering zijn. Maar is het dan toch niet de moeite waard om het - zodra je de kans krijgt - dat ideaal na te streven? Je mag je gesteund weten door het kerstverhaal, door het verhaal van Gods zorg.

 

"Sta op, neem het kind en zijn moeder …" Welke betekenis geven wij daar aan?

 

 

Doop van de Heer  13 januari 2002; '05

Jes 42, 1-4.6.7; psalm 29; Mt 3, 13-17 (voor 'gerechtigheid' zie desgewenst 'bijbelse begrippen')

 

Psalm 29      Zonen van God, huldig de HEER, huldig de glorie en macht van de HEER,

huldig de heerlijke naam van de HEER, buig diep voor de HEER

als Hij verschijnt in zijn heiligheid.

De stem van de HEER over de wateren, de HEER over de machtige wateren,

de HEER met zijn machtige stem, de HEER met zijn ontzagwekkende stem.

En in zijn paleis zegt ieder: 'Glorie de heer'.

De HEER troont op de bandeloze vloed,

de HEER troont als koning voor altijd.

de HEER zegent zijn volk met vrede.

 

De 1e lezing uit het O.T. is van de profeet Jesaja als het einde van de ballingschap nadert: het heil is aanstaande. Dat heil is nu definitief begonnen met de doop van Jezus in de Jordaan.

Misschien is in de lezing de zinsnede opgevallen "Ik, de Heer, roep u in gerechtigheid". De nieuwe vertaling zegt: "Ik, de Heer, roep u om heil te brengen". Beide elementen gelden: Ik, de Heer, mijn Naam is 'JHWH': 'Hij-is-er' - om Zijn volk heil te brengen, en het tweede: Ik, de Heer, doe mijn Naam gestand, zo ben Ik gerecht; Ik, de Heer, ben zo. Dat heil hebben we  bezon­gen/geroemd in de tussenzang "huldigt Hem om Zijn glorie en macht, huldigt Hem om de roem van Zijn Naam". In zijn tempel op aarde en aan de hemel geldt Zijn gerechtigheid. Rechtvaardigheid op aarde mag een nuttig overlevings­principe zijn - als men haar weerspiegelt ziet aan het firmament, kan hemelse gerechtigheid door rechtvaardigheid op aarde worden waargemaakt en kan andersom hemelse gerechtigheid die op aarde inspireren. Dat is Gods heil. Zo zegent HijZ Zijn volk met vrede.

Aan het firmament staat niet geschreven dat zij gerechtigheid weerspiegelt. Mensen voelen aan, zien in dat Gods gerechtigheid moet zijn als het firmament. Een geloofsduiding, geloofsbeleving: God laat aan mensen zien hoe heerlijk Zijn gerechtigheid is, zoals het firmament, en HijZ roept mensen om haar te laten stralen: Zijn dienaar die HijZ steunt om overal op aarde sterk en voorzichtig, eerlijk en onvermoeid die leer uit te dragen, aan te bieden, te laten spreken, want God is met hem en maakt hem tot een licht voor alle volken.

 

Met dat beeld komen we bij het evangelie. Misschien is de zinsnede opgevallen "Laat het nu zo zijn: want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen". De nieuwe vertaling zegt:"Laat nu maar, want zo past het ons de gerechtigheid volledig te vervullen". De gerechtigheid die God bedoelt met Zijn schepping, waarmee God Zijn Naam waar maakt, die gerechtigheid zal nu volledig worden vervuld; meer dan vanaf nu geschiedt kan niet, vanaf nu als Johannes doopt tot vergeving van zonden, voortgezet en voltooid door Jezus uit Galilea.

In die zinsnede zit ook een ander element: "Zo past het ons …". Matteüs is de enige evangelist die dat vermeldt. Het past ons. Er wordt een reeds bestaande band verondersteld tussen Jezus en Johannes, ze kennen elkaar al, in ieder geval hebben ze dezelfde taak op zich genomen en zijn ze zo bekend met elkaar. Mag men in zo'n situatie van dezelfde hemelse gerichtheid ook spreken over een intimiteit? Beiden dienaars van de Heer, op wie HijZ Zijn Geest uitstort.

De een nog nederiger dan de ander. Als Johannes Jezus ziet, zegt hij natuurlijk dat Jezus hem niet nodig heeft, maar andersom dat hij Jezus nodig heeft. Maar Jezus beroept zich op hun gezamenlijk doel: gerechtigheid volledig waar maken. Is intimiteit dan zo vreemd? Het gaat immers verder dan kameraadschap omdat het om Gods Gerechtigheid gaat, om Gods Liefde voor Zijn volk.

Als Jezus zijn intimiteit met zijn Vader ervaart, als hij de hemelen open ziet gaan en Gods Geest op zich neer voelt komen, ervaart hij zijn intimiteit met zijn Abba en wordt daardoor zijn intimiteit met Johannes nog verder ingevuld. Is er groter genieten van heil mogelijk? Meer vrede?

 

Wij zijn ook gedoopt, met het doopsel van Jezus. De intimiteit van Jezus wordt ons aangeboden, die van hem met Johannes, die van hem met Zijn Vader. Is er meer om van te genieten? Geldt 'dienaar/dienares van de Heer' dan ook niet voor ons - inclusief ons menselijk tekort? De Geest is er ook voor ons - ook Diens voorzichtigheid, sterkte, eerlijkheid en onvermoeidheid. God neemt ons bij de hand, gerecht, intiem.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In je groei naar volwassenheid voel je intimiteit wellicht soms als een rem, soms als een stimulans want het gaat om je eigenheid. Moge die nabijheid zoals die was tussen Jezus en Johannes een goede mogelijkheid bieden, een invulling zijn hoe 'gerecht' nabijheid kan zijn, ook Gods nabijheid.

 

Zullen we ons gedoopt geworden zijn en ons gevormd geworden zijn voor de geest halen en zien of we ervan kunnen genieten? Dan spreekt het vanzelf.

 

 

Tweede zondag door het jaar A  20 januari 2002; '05

Jes 49, 3.5.6; psalm 40; Joh 1, 29-34

 

Psalm 40 Vurig zag ik uit naar de HEER; Hij boog zich en hoorde mijn roepen.

Een nieuw lied gaf Hij mij in de mond, een lofzang voor onze God.

Velen zien wat de HEER heeft gedaan, en vertrouwen op Hem, vol ontzag.

U wenst geen slachtoffers en geen geschenken; om te luisteren hebt U mij oren gegeven,

brandoffers en zoenoffers vraagt U niet.

Daarom zeg ik: 'Hier ben ik, ik sta klaar'; over mij staat in de boekrol geschreven:

'Uw wil uitvoeren, mijn God, is alles wat ik wens, uw Wet is voor mij vlees en bloed'.

Van uw heil ben ik de blijde verkondiger binnen de grote gemeenschap.

Mijn lippen houd ik niet gesloten, dat weet U, HEER: ik houd uw heil niet geheim diep in mijn hart:

van uw trouw en redding maak ik melding;

ik verzwijg voor de grote gemeenschap niet

het verhaal van uw liefde en trouw.

En U, HEER, zult uw hart niet sluiten voor mij; uw liefde en trouw zullen mij altijd beschermen,

 

In de bijbeltekst voorafgaand aan wat we hebben gelezen zegt de profeet Jesaja dat de Heer iets met hem heeft: toen hij nog in de moederschoot was, heeft God hem geroepen, hem bij zijn naam genoemd. En in de 1e lezing hebben we gehoord dat de Heer hem tot Zijn dienaar heeft geroepen om Israël te redden - ook reeds in de moederschoot. Dat is nogal wat. Als je dat durft te zeggen, moet je wel heel zeker van je zaak zijn. In vers 4 zegt Jesaja dan ook dat hij vol heeft moeten houden en daardoor is beproefd. Door die beproeving is hij zeker geworden dat hij dienaar van de Heer is, wil zijn, zo zeker hij dat hij zegt "Ik sta bij de Heer in ere en mijn God is mijn sterkte". In die beproeving heeft hij "Jakob", het Joodse volk, willen redden; dat is misschien nog niet of nauwelijks gelukt maar toch wil hij verder. God zegt nl. dat hij ook nog een licht voor de andere volken moet zijn, tot de grenzen der aarde. De profeet is kennelijk tot het inzicht gekomen dat Gods heil zo groot is dat de hele wereld ervan kan genieten - ervan móet genieten want liefde wil alles. Hij accepteert dat inzicht als van God afkomstig; hij mag en wil immers Zijn dienaar zijn.

Is Jesaja's zekerheid fanatisme of een heilig moeten en kunnen? Later blijkt wat hij eigenlijk in zichzelf al wist: geroepen zijn vanaf de moederschoot. Is er meer intimiteit mogelijk? Meer beproefde zekerheid?

 

Die intimiteit, zekerheid, die wil om dienaar te zijn hebben we bezongen/ - daarvan hebben we gebeden in de tussenzang: de zinnen "Toen heb ik gesproken: Hier ben ik" en Gij, Heer, weet dit van mij"/"Dus zei ik: ja, ik kom" en "Heer, Gij weet het", die zinnen spreken boekdelen voor de profeet, maar ze liggen ook voor ons klaar. Gods wil te doen betekent dat je dat goede gevoel van zekerheid en intimiteit niet in jezelf gevangen houdt maar daarmee naar buiten treedt. Met intimiteit naar buiten treden? Dat doe je niet zomaar, maar die intimiteit voedt wel je zekerheid.

 

In het evangelie komt ook zo iets naar voren. Voordat Johannes werd geboren kreeg zijn vader Zacharias van de engel al te horen waartoe Johannes bestemd was. Ook hij zou dienaar zijn van de Heer opdat Israël werd gered. Ook hij is (later) beproefd door Herodes. Ook hij heeft kennelijk eerst gezegd "Uw wil te doen is mijn vreugde". Maar Johannes ontdekte ook dat hij was komen dopen opdat er meer zou gebeuren dan zijn doopsel van bekering tot vergeving van zonden, het doopsel in water.

Er komt nl. een nieuwe dienaar, ook reeds vanaf de moederschoot bestemd om Israël te redden; daarom is Jezus zijn naam. Hij laat zich dopen om zo - wat we de vorige week hebben gelezen - om zo 'gerechtigheid vollédig te vervullen': "Uw wil te doen is mijn vreugde". Na die doop zegt Johannes dat hij gelijk heeft gekregen: hij ziet de Geest als een duif uit de hemel neerdalen en op Jezus rusten. Nu gaat het niet meer alleen om een doop in water maar om een doop in de heilige Geest - door Jezus. De Geest die waait waar hij wil, universeel, over de hele aarde, voor alle volken. Eindelijk is het zover.

 

'Dopen in water', 'in de heilige Geest' zegt de Willibrord; ondergedompeld worden in Gods Geest, omsloten worden door de Heilige - ligt daarin ook geen intimiteit, zoals in de moederschoot? Als wij zo van ons gedoopt en gevormd zijn kunnen genieten, ligt er voor ons dan geen "Uw wil te doen is mijn vreugde"?

En er is meer. De 1e lezing begint met - je zou haast zeggen - een verspreking. "De Heer had mij gezegd: Mijn dienaar zijt Gij, Israël, …" De Heer zegt dat tegen de profeet, maar hij zegt niet "Jesaja" of zo, maar "Israël". Zo wordt aangegeven dat de profeet voor het hele volk staat. Heel Israël, heel Gods volk, is het door wie God Zijn glorie gaat tonen.

Als Jezus het Lam Gods is dat de zonden van de héle wereld wegneemt, rest dan niet voor ons dat wij Gods glorie zullen tonen? - als zijn volgeling. Daartoe zijn we in water gedoopt en vervolgens gezalfd met chrisma: gedoopt in de Heilige Geest door Jezus.

En vervolgens - we kennen het beeld van een lam in de armen of op de schoot van de herder. Jezus is het Lam Gods. Kan zijn intimiteit met de Vader, zijn Zoon zijn, puurder, ongerepter en zorgvoller worden weergegeven? Maar als wij door hem in de Heilige Geest daarbij worden betrokken, delen we dan ook geen intimiteit - als die van de moederschoot? als van op schoot zitten bij de Vader? Bij al ons werken voor Gods glorie kunnen we toch ook genieten van die goddelijke intimiteit?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je zult nu reeds bewust of nog afwachtend willen weten wat je wil, wat je zoekt in je leven. Als je het 'dienaar zijn' een kans geeft, niet uitsluit, zal het zich op een of andere manier, in een of ander mate van zich laten horen - hoe? wist ook Johannes niet van te voren. En dan kun je kiezen - vanuit je eigenheid, jouw intiem zijn met God. Ook al kun je niet de hele wereld bereiken, via gebed in de Geest, de Heilige Geest, kom je een heel eind.

 

'Ik ben gekomen om …' is dat een zin die ons te denken geeft in ons binnenste, onze intimiteit?

 

Derde zondag door het jaar A 23 januari 2005

Jes 8, 23b-9,3; psalm 27; Mt 4, 12-23

 

Psalm 27 De HEER is mijn licht, mijn heil - voor wie zou ik vrezen?

De HEER is mijn burcht, mijn behoud - voor wie zou ik beven?

 Want ik heb één verzoek aan de HEER, ik ken slechts één verlangen:

wonen in het huis van de HEER, al de dagen van mijn leven,

om te genieten van de pracht van de HEER, met vreugde zijn heiligdom in mij op te nemen.

Wie zou ik zijn als ik er niet op had vertrouwd

de goedheid van de HEER te genieten in dit land van de levenden?

Wacht in vertrouwen op de HEER met een dapper, standvastig gemoed;

wacht in vertrouwen op de HEER.

 

Het gaat deze zondag om het uitzicht op heil dat heel lang geleden is begonnen, om de invulling er van die zo'n 2000 jaar oud is en de doorwerking ervan tot op de dag van vandaag. In het O.T. spreekt een profeet midden in de ellende woorden van hoop uit, in het N.T. vult Jezus die woorden in en wij, vandaag en hier, hebben dat heil bezongen/beleden in de tussenzang.

 

Jesaja durft het aan om midden in de onderdrukking op te staan. Het begint in het Noorden van Israël dat wordt veroverd door de Assyriërs; de Joodse stammen Zebulon en Naftali ervaren on-heil, smaad. Jesaja houdt hun hoop op heil  staande. Hij is een profeet en gaat uit van JHWH, die het recht  van Zijn volk handhaaft. Hun God is immers een God van de vreugde, van het goede, van menswaardigheid. Hij profeteert het Licht dat stralend opgaat over die stammen die in duisternis dwalen, niet zien waar ze heen moeten, hoe ze nog kunnen denken over toekomst. Hij spreekt de bekende profetie die we ook met Kerstmis hebben gelezen, waarin een kind wordt beloofd, een zoon gegeven. Een persoon die het heil van Godswege waar maakt. De profeet, man Gods, die zo zeker is van zijn zaak, een goede zaak, dat hij durft en doet.

 

Jezus, die persoon, de definitieve man Gods, gaat na zijn doop weg uit Judea omdat hij verwacht dat Herodes het hem lastig zal maken. Hij gaat naar het Noorden van Israël, het gewest - Galilea - van de heidenen. Dat was een politiek motief maar geldt ook niet een godsdienstig motief? Als hij in Judea was gebleven, in de omgeving van Jeruzalem, zou de tempelkliek, de Sadduceeën, degenen die Johannes de Doper 'de Joden uit Jeruzalem' noemt - zouden die het hem niet lastig gemaakt hebben? Hij had immers een nieuwe Boodschap, die wel eens tegen het bestaande kader van geloofsinterpretatie in kon gaan. Hij gaat naar Galilea waar meer internationaal verkeer is, waar men niet zo vast zit in een bestaand kader en waar hij dus meer ontvankelijkheid kon verwachten, opdat zijn Boodschap tot haar recht kon komen.

Matteüs ziet dat als een invulling van de oude profetie van Jesaja over het land van Zebulon en Naftali. Die wordt nu waar gemaakt. We hoeven daarbij niet uitsluitend aan politieke motieven te denken, ook aan godsdienstige. Het Joodse volk stond ook onder druk wat betreft zijn geloof. De geloofsbeleving werd onderdrukt door spitsvondigheden; was er nog een sprekende reactie tussen JHWH en zijn volk? Was JHWH nog de God van hun vreugde? Werden zij niet verdrukt door hun zondebesef? Een juk dat zwaar drukte? Ook toen was er een lading, net als tijde van Jesaja. Jezus brengt daar het Licht, Zijn Licht van de God die graag zonden vergeeft en God van Vreugde wil zijn. Een groot Licht straalt. Hij is zeker van zijn zaak, een goede zaak want JHWH is zijn licht en leidsman/heil.

 

Wij hebben hier samen de psalm gebeden/gezongen die Jezus ook heeft gezongen: "De Heer - JHWH - is mijn licht en mijn leidsman/heil: wie zou ik dan vrezen?" Zo zeker zijn wij van onze zaak, een goede zaak dat we niets meer te duchten hebben.

Maar daar blijft het niet bij. Als we onze vrees kwijt zijn, als we zeker zijn, als ons veilig weten, komen we haast vanzelf uit bij die ene bede: "Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang ik leef"/"Dat ene vroeg ik van de Heer, dat is al mijn verlangen: daar te zijn in het huis van de Heer, al de dagen mijns levens". Daar is die vreugde, daar is dat Licht dat al zo lang geleden is voorzegd.

Dan houdt de psalm niet op, kan eigenlijk niet: het Licht heeft een gezicht: "Gij zegt - en mijn hart spreek het na - zoek mijn Aanschijn". Staan in dat Licht en Zijn Aanschijn verwachten. Zou dat niet het toppunt mogen zijn van die blijde boodschap? Vrij staan voor Hem? Jezus verschaft ons die zekerheid daartoe en moge hij ook de leidsman zijn die laat spreken wat al in ons hart is gelegd.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als je het bovenstaande leest, kan het best zijn da je je afvraagt of het niet een onsje minder mag zijn; het is nogal wat om zo iets voor je hele leven vast te leggen. Het is best mogelijk dat je als jongere meer gericht bent op doen. Jezus heeft werkers nodig voor die boodschap. Misschien spreekt dat werk meer aan. En houdt dat van het Licht maar in je achterhoofd. Wie weet.

Misschien ben je toevallig toch aan het meer bezig of dacht je er over. Misschien heeft Iemand wat te zeggen.

 

Die grote belofte van dat stralende Licht - moge Jezus ons daar in leiden. Zullen we dat nu over ons laten komen?

 

 

Vierde zondag door het jaar A  3 februari 2002; 30 januari '05

Sef 2, 3; 3, 12-13; psalm 146; Mt 5, 1-12a

 

Zalig de armen van Geest want aan hen behoort her rijk der hemelen.

Psalm 146   Hij blijft bedacht op trouw voor altijd, voor het recht van de onderdrukten komt Hij op,

Hij geeft de hongerigen brood, de HEER maakt gevangenen vrij,

de HEER opent blinden de ogen, de HEER richt verslagenen op,

de HEER heeft de rechtvaardigen lief; de HEER neemt de vreemdeling in bescherming,

wees en weduwe staat Hij bij; maar de bozen zet Hij op een dwaalspoor.

De HEER is koning, koning voor altijd; Sion, de HEER is jullie God, van generatie op generatie.

 

Zowel in de 1e lezing als in het evangelie gaat het om het heil voor de mensen. Dat is nogal logisch maar de profeet Sefanja doet dat vanuit een ernstige bezorgdheid. Hij is een nogal sombere profeet die waarschuwt voor het gevaar: als jullie niet de Heer zoeken, zul je niet ontkomen aan zijn toorn. Hij heeft het vaak over 'de dag van de Heer', waarop de Heer Zijn oordeel uitspreekt over de mensen, of dat is op het eind van je leven of op het laatste oordeel of via een maatschappelijke of politieke gebeurtenis, is even punt twee: het gebeurt een keer en zorg er dan voor dat je veilig bent. Als je Heer zoekt in ootmoed, zul je gered zijn en heerst er recht en vrede.

 

Hoe anders het evangelie! Men kan de tien geboden een manifest noemen, een grondwet. Maar dan die van het eerste Verbond, waar de Wet tot een dwingeland is geworden, "De Wet en haar geboden en verordeningen" zegt Paulus (Ef 3, 15). Zo kan men de zaligsprekingen het manifest van het Nieuwe Verbond noemen, want de taal die hier wordt gebruikt is een heel andere. Geen dreiging of waarschuwing, geen "Gij zult"of "Gij zult niet", maar alleen zaligsprekingen: wat een geluk voor jou als je … Hier spreekt vrijheid, zegen, openheid. Hoe kan dat nu? Eerst gebod - eerste Verbond, nu aanbod - het nieuwe Verbond.

 

"Toen Jezus de menigte zag" … "De velden staan wit van de oogst" … "Zij hebben geen herder" … Daar zit een ontroering achter, een zorg. Toen Jezus al die mensen zag die iets goeds van hem wilden horen, al die mensen die zochten naar geestelijk voedsel, geestelijk leven, toen ging hij op zijn leerstoel zitten. Hij had iets te bieden. Nog steeds iets te bieden - aan ons, of dat is tussen twee mensen, in een gemeenschap of in een maatschappij - dat maakt geen principieel verschil.

Wat een geluk voor jou, wat een uitkomst voor jou, als je "arm aan Geest" bent, zegt de Griekse tekst, als je behoeftig bent naar geest, naar geestelijk leven; als je zoekt naar het Hogere, naar een denken naar God toe, dan  moet je in het Rijk der hemelen zijn. Ik ben immers daar thuis.

Als je treurt, hoef je niet bang te zijn want in het Rijk ligt troost voor jou. Je hebt mijn troost en elkaars troost. Je hoeft niet bang te zijn voor het verdriet, juist dan beleef je intens wat goddelijke steun is.

Wat goed als je zachtmoedig bent, want je hoeft niet met de ellebogen te werken of te vechten om land te hebben: je staat er al op. Wij onder elkaar hoeven niet te wedijveren. We hoeven ook niet zoveel mogelijk te hebben. Dan houden we energie over om op God gericht te zijn. Zo bouwen wij dat land van zachtmoedigheid ook nog op. Het is het land van overvloed, van de gezegenden, van de rechtvaardigen, van hen die zijn weg volgen.. (ps 73)

Als je hongert en dorst naar gerechtigheid, heb je een ideaal! Dat wordt bereikt, daarin word je verzadigd, in het Rijk, want mijn gerechtigheid betreft niet alleen maatschappelijk leven op aarde, ook de Kosmos, het mooi Geheel, allesomvattend, eeuwigheid.

Zalig de barmhartigen! Ja zalig zij die barmhartigheid betonen, die hun hart laten spreken boven het oordeel, die hun hart laten spreken vóór hun gelijk of recht, die weten wanneer dat kan of vruchtbaar is. Die bouwen het Rijk op, zo als ik doe, die vergelden geen kwaad met kwaad, maar kwaad met goed.

Als je zuiver van hart bent, zul je God zien, zien zo als HijZ is. Kan het mooier? Als je eerlijk en vrij bent, zuiver van hart bent, ben je van God, ben je in God. Als je je openstelt, als je mijn goede gedachten volgt, als je doe wat ik zeg, ben ik garant voor jouw God-zien. Ik leid jou daarnaar toe, naar Hem, mijn Abba. Ik neem jou, behoeftige, bij de hand. Zelfs nog meer: ik laat jou deel nemen aan mij.

Die vrede brengen - letterlijk: de vrededoeners - die betonen zich kind van De Vrede, kind van God. Niet alleen vrede in de zin van geen onrecht of strijd, ook in de zin van harmonie, heelheid; daarmee kun je vrede stichten en in stand houden, op aarde zó als in de hemel. Ik ben immers vanuit de Vader gekomen om op aarde Zijn wil te doen, om zijn vrede te brengen.

Als je wordt vervolgd om de gerechtigheid, hoef je niet bang te zijn: je zit goed. Ze kunnen je lichaam wel raken maar je geest is van de hemel. Ik zal je dat laten zien.

Als ze jou beschimpen om mij, krijgen ze met mij te doen en ik heb met jou te doen. Misschien kan men deze laatste zaligspreking wel de clou noemen van alle zaligsprekingen: het draait om Jezus, hij is de spil.

 

Toen straks is de vraag gesteld: Hoe kan dat nu? Eerst gebod (in het O.T.) nu aanbod! De zaligsprekingen gelden ook voor Jezus zelf. Hij is de kampioen ervan. Maar hij is ook bijzonder. In het Eerste Verbond spreekt God via mensen. In het Nieuwe Verbond spreekt HijZ zelf, HijZ spreekt in vrijheid, in een open aanbod spreekt HijZ woorden van vrijheid, van Liefde. Zalig jij: je hoeft maar te horen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Tegenwoordig wordt veel gesproken over normen en waarden, over rechten en plichten, verantwoordelijkheid en vrijheid. Terecht, je kunt geen bestendige samenleving opbouwen zonder dat. Maar de vraag is of je dat doet om zo goed mogelijk te overleven en straks dood te gaan of om een ideaal te volgen zo als Jezus, samen met Jezus een samenleving vormen die niet dood gaat, zijn Rijk. Daarvoor kun je alleen maar in vrijheid kiezen, eigen keuze.

 

Als we denken aan de zaligsprekingen van Jezus, is het dan verwonderlijk dat we in de tussenzang over "het Rijk der hemelen" hebben gezongen "Een loflied voor de Heer, heel mijn leven": Ik zing heel mijn leven een loflied of nog meer: heel mijn leven zij een loflied voor de Heer, met Jezus als voorganger een loflied om de zaligsprekingen. Zullen we ons even tijd gunnen om dat binnen te laten komen?

 

 

Vijfde zondag door het jaar A 6 februari 2005

Js 58, 7-10; psalm 112; Mt 5, 13-16

 

Psalm 112 Voor de rechtschapenen daagt licht in het duister: genadig, barmhartig, rechtvaardig.

                 Het gaat goed met degene die belangeloos uitleent en in eerlijkheid handel drijft.

                 Zo'n rechtvaardige wankelt nooit: men blijft altijd aan hem denken.

                 Voor slecht nieuws hoeft hij niet bang te zijn, ongeschokt blijft hij op de HEER vertrouwen.

                 Zijn hart kent geen twijfel, geen enkele angst,

                 met gulheid deelt hij aan armen uit.

                 Aan zijn voorspoed komt geen einde; zijn hoorn is hoog opgericht.

 

Zowel de eerste lezing als het evangelie hanteren het licht als beeld van het heil van Godswege. Maar in Jesaja lijkt het er meer op dat naastenliefde een voorwaarde is; pas als brood is gedeeld, de naakte gekleed, de dakloze is opgenomen, "zal uw licht doorbreken als de dageraad, uw genezing voorspoedig zijn." Daar is niks mis mee, maar wel valt op dat in het evangelie dat licht staat in de context van de zaligsprekingen, niet van voorwaarden: Wat een geluk als je naar geest zoekt, wat een geluk voor jou als je zachtmoedig bent. Wat een geluk … als je Jezus hebt ontmoet, leert ontmoeten, leert kennen in zijn deel hebben aan Geest, in zijn zachtmoedigheid.

Men kan de zaligsprekingen zien als een proclamatie, nieuw t.o.v. de tien geboden, acht zaligheden die de tien woorden omkransen, een geluksprogramma gebaseerd op wat nodig is, dat volgt op wat moet worden gedaan. Het Nieuwe Verbond is immers goed nieuws, een blijde Boodschap. De brenger van die boodschap brengt vreugde die uitgaat boven plicht, boven afspraak. Het gaat om een vrijheid, een vanzelfsprekendheid die zijn volgelingen als kinderen Gods kunnen beleven, "de glorierijke vrijheid van Gods kinderen"(Rom 8,21). Voedsel dat niet is gezouten, heeft wel voedingswaarde maar het genoegen ontbreekt. Leven op aarde zonder dat 'zout', is niet de moeite waard.

 

Nog meer genoegen, meer vreugde dan in het eerste Verbond, ofschoon wat Jesaja schrijft al niet mis is. Als hij directe zorg voor de medemens heeft genoemd, dan belooft hij licht dat doorbreekt als de dageraad; vervolgens begeeft hij zich meer op het maatschappelijk vlak: geen onderdrukking, dreigende vingers, kwaadsprekerij maar ruimhartigheid en dan belooft hij licht in de duisternis, als midden op de dag. Persoonlijk aspect is dageraad, toekomst, hoop; maatschappelijke invulling is daglicht.

De stad waar gerechtigheid en ruimhartigheid heersen is de stad van de Heer en zij staat op de heilige berg, wordt door iedereen gezien. In die stad brandt het licht voor de hele wereld, in de woningen van die stad brandt het licht bovenop de kandelaar voor de bewoners. Privé - maatschappelijk.

Hetzelfde licht waar Jesaja het al over had en dat nu typisch in handen van mensen is: gij zijt het licht der wereld. Mogen we voorzichtig verder denken aan wat later is geschreven in het Johannes-evangelie? "Ik ben het Licht der wereld". Als we die twee uitspraken combineren, betekent het dat Jezus zich legt in de handen van de leerlingen, zich met hen vereenzelvigt. 'Iedere Christen is eigenlijk Christus' (zegt de paus). Dat  klinkt ongelooflijk maar is het zo vreemd? Als Jesaja al zegt: "… wanneer gij dan - in die glorie en gerechtigheid - tot Hem roept, zal Hij - God - antwoorden:"Hier ben ik" - als Jesaja dat al zegt, ligt het dan niet kortbij om als zijn volgeling in de glorie en gerechtigheid van Jezus het 'Hier ben ik' te mee te krijgen?

 

Wij hebben immers de psalm gebeden "voor de rechtvaardige is er een licht in de nacht." Willen we daar geen deel aan hebben?

De lezing van Jesaja begint eigenlijk met "Is vasten niet: (uw brood delen met …)". Wij gebruiken liever het woord ascese, oefening, training, waarmee je voortdurend bezig bent; voortdurend goed doen omwille van dat Licht, dat mooie Licht.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Goed werk doen voor hongerigen, daklozen, naakten en noem maar op is het betere werk. Maar als je ook nog kunt doen in dat Licht, heb je er nog meer plezier aan. Nóg meer: dan ben je dat Licht op jouw manier. En let even op: de mensen zullen God verheerlijken, niet jou.

 

In de woning en van die stad brandt het Licht bovenop de kandelaar. "Hier ben ik". Hier waar wij nu bij een zijn. Zullen we dat nu over ons laten komen?

 

 

Zesde zondag door het jaar A  2005

Sir 15, 15 - 20; psalm 119; Mt 5,17-37

 

Psalm 119    Gelukkig degene die onberispelijk leeft, en de weg van de wet van de HEER volgt.

                    Gelukkig degene die zijn gebod onderhoudt, en Hem wil zoeken met heel zijn hart.

                    Gelukkig degenen die geen onrecht bedrijven, maar verder gaan op zijn weg.

                    Uzelf hebt immers opdracht gegeven uw bevelen strikt te onderhouden.

                    Ach, was mijn stap maar zo zeker dat ik uw wetten onderhield,

                    Behandel uw dienaar goed en hij zal leven om trouw uw woord te onderhouden.

Open mijn ogen en laat mij de wondere kracht van uw wet aanschouwen;

Wijs mij, HEER, de weg van uw wetten en ik zal hem volgen tot aan het einde.

Laat mij zien hoe ik uw wetten moet bewaren, onderhouden met heel mijn hart.

 

De zaligsprekingen hebben we twee weken geleden gelezen: 'Zalig de armen van Geest'. Die onthouden we het beste. De notie van 'eenvoudigen komen in de hemel' spreekt ons wel aan. Dan hoeven we ook niet zoveel verantwoording af te leggen …. Laten we niet vergeten dat de zaligsprekingen net zo goed voor Jezus gelden als voor zijn volgelingen. Van Jezus zeggen dat hij eenvoudig was in de betekenis van 'simpel' ligt niet bepaald voor de hand. Als je de betekenis 'behoeftig aan Geest' accepteert, dat het gaat om het verlangen naar en het vinden van Geest, dan ligt een sluitende en zinvolle verklaring op tafel en hebben we meteen het principe van de proclamatie te pakken: het gaat om geestelijk leven, om spiritualiteit, leven met God, zoals Jezus met zijn Vader leefde en nu nog met Hem leeft in de eenheid van de H.Geest.

Maar we leven wel op aarde en met twee benen op de grond. Dan kunnen we nog met God leven, in ieder geval naar Hem toe leven. We bidden in het Onze Vader dat Zijn wil geschiede op aarde zoals in de  hemel. Worden hemel en aarde dan niet verbonden? Voor Kerstmis hebben we gebeden dat de hemelen  van bovenaf zouden dauwen, de wolken de gerechtigheid zouden regenen en dat de aarde zich zou  openen om te ontvangen. Dan zijn hemel en aarde toch ook verbonden

We denken te gauw dat de hemel alleen iets is voor later, als we sterven. Nee, de hemel is er nu reeds als je spiritualiteit beoefent, streeft naar 'leven naar God toe', net zoals Jezus. Hoe doe je dat? Door gebeden en goede werken. Ora, labora et  cogita: bid, werk en denk na. In je denken, doen en ervaren   bewust met de Vader van Jezus om te gaan zoals hij zelf deed. Door  hem te volgen kunnen we zeggen dat we ons denken, doen en ervaren samen met Jezus mogen beleven; hij weet er alles van. Hoe beleven wij dat samen met hem, "de Verrezene, onze Heer?" Het antwoord kennen we: door zijn leer uit te voeren, zijn leefregels bewust te hanteren.

 

Nadat Jezus zijn zaligsprekingen heeft gelanceerd stelt hij de Wet veilig. De Zaligsprekingen mogen een krans om de tien Geboden heen zijn, om de Tora heen, die dus niet ontkracht wordt, integendeel. In de eerste lezing hebben we gelezen hoe de mens vrij is om te kiezen. De Wet is dus geen dwingelandij maar de eigen keuze van iedere mens. Het is wel een verstandige keuze, wijsheid, maar in vrijheid omdat alleen dan die mens tot eigen ontplooiing kan komen in zijn leven naar God toe. De psalm zingt dan ook van "Gelukkig degene … die de weg van de wet van de HEER volgt." Gelukkig hij die … Gelukkig in vrijheid en inzicht. De zaligsprekingen beginnen ook met "Gelukkig … '. Is het dan vreemd dat Jezus begint met 'Gelukkig de armen aan Geest'? De psalm zegt ook "Gelukkig degene die … en Hem wil zoeken met heel zijn hart." Zoeken met je hart - dan ben je gerecht en ga je de houding van Farizeeën en schriftgeleerden te boven. Zo als zij doen en denken staan zij niet in het koninkrijk der hemelen, want daar gaat het niet om spitsvondighe­den of geëerd worden maar om inzicht/wijsheid, originaliteit die aan het hart ontspringt, om het beleven van de leefregels naar God toe - het liefst zoals Jezus deed. Gelukkig de zuiveren van  hart …

 

Jezus geeft een paar voorbeelden van leven in de goede geest, in Zijn Geest: Tot de ouden is gezegd: Gij zult niet doden. (Bedoeld is wederrechtelijk, op je eigen houtje doden. Men kende de doodstraf.) Tot de nieuwen, die in het Rijk, zegt Jezus: Niet doden ? Er is nog meer. Ik zeg je dat als je in het Rijk der hemelen leeft, ben je zachtmoedig, draag je je broeder geen kwaad hart toe, want je hart neigt naar God. Als je in het Rijk leeft, zeg je niet eens iets lelijks tegen je broer. Als dat uit je hart komt, dood je eigenlijk al.

Kom je dus een offer brengen vanuit je hart en je denkt er ineens aan dat je broeder/zuster terecht iets tegen je heeft, zou het oneerlijk zijn om te offeren want je zit niet in het Rijk der hemelen. Afgezien daarvan - het is ook onwijs om een geldkwestie (dat kennelijk aan het offer verbonden is) niet te regelen zolang het nog kan. Gebruik dus je verstand en je hart.

Het tweede voorbeeld betreft echtbreuk. (Laten we de tekst niet uit haar verband halen. Het gaat om het verschil Koninkrijk of niet. Niet om hen die de pijn van mislukking dragen, nog een trap na te geven. In tegendeel. Als je de houding van Jezus zelfs t.o.v. de overspelige vrouw in je achterhoofd houdt, zul je de moed vinden om net zo goed samen met hem overeind te blijven en geluk te zoeken. Terug naar het onderwerp van echtbreuk) Jezus zegt: als je in het Rijk zit, kijk je niet naar een andere getrouwde vrouw om haar te begeren. Daar ben je niet op uit, daar is je hart niet op gericht. (Men kon aan de kleding van een vrouw zien of zij getrouwd was.) Als je dan toch haar bekijkt om haar te begeren, ben je niet gerecht. Die vrouw zal samen met haar man het Rijk zoeken en daar mag je niet tussenkomen, dat is iets van hen samen met God.

Houd dus je oog in de gaten! Jezus mag dan wel zachtmoedig zijn, een doetje is hij niet. In onze ogen wat overdreven maar qua geladenheid heel duidelijk: zelfs je rechteroog en je rechterhand - rechts, waarmee je goed doet, je eer wilt houden - zelfs die mag je verwijderen, als het om jouw behoud gaat. Het klinkt als wijsheid die het hart heeft verworven.

We weten dat seksualiteit sterk is en daardoor kan het zicht op het ideaal, zelfs op het recht worden vertroebeld. Wellicht spreekt het dan wat meer als je bedenkt dat sprake is van onrecht. Mensen mogen elkaar geen onrecht aandoen, binnen het huwelijk noch er buiten. Dat weet iedereen. Onrecht is vaak een duidelijk criterium als het gaat om huwelijkszaken. Voordat je aan een scheidingsbrief denkt, eerst kijken wat het onrecht is. En, waar het hier om gaat, als je met je hart naar je man/vrouw kijkt en met datzelfde hart God zoekt, is scheiding niet ter zake.

Het laatste voorbeeld in dit stukje is dat Jezus zegt: Zweren? Nergens voor nodig. Als je in het Rijk der hemelen zit, is jouw 'ja' ja en jouw is nee. Dat is goed genoeg. Je hebt God niet zomaar ter beschikking. Maar  als het terecht wordt gevraagd, is een eed afleggen bij de God die jij bemint en die jou bemint, misschien wel als een eer aan te voelen. Want HijZ is een god van gerechtigheid.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Wijsheid komt met de jaren maar je hoeft daar niet op te wachten, je hebt immers wel een hart. Je weet dat er dingen zijn die behoren gedaan of gedacht te worden maar als je daardoorheen, al doende, met je hart naar God zoekt zoals je naar je geliefde zoekt, ben je in het Rijk der hemelen. "Wat een Geluk als je …".

 

Leven in het Rijk der hemelen, waar geest is in overvloed, je ervan bewust zijn dat hemel en aarde verbonden kunnen zijn in jouw doen en denken en - hopelijk - ook in jouw ervaren. Dat is wijsheid en Geluk. Zullen we ons even tijd gunnen om daarover na te denken ?

 

 

Eerste zondag van de veertigdagentijd A  17 februari 2002; '05

Gen 2, 7-9; 3, 1-7; psalm 51; Mt 4, 1-11

Psalm 51 Wees mij genadig, God die liefde bent;

U, grenzenloze barmhartigheid, wis uit wat ik heb misdaan.

Was mij schoon van schuld, reinig mij van mijn zonde.

Ik beken: ik heb mij misdragen, mijn zonde klaagt mij voortdurend aan.

Tegen U alleen heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat in uw ogen slecht is.

God, schep in mij een zuiver hart, vernieuw mijn geest, maak hem standvastig.

Verstoot mij niet, weg van uw gelaat, neem uw heilige geest niet weg van mij.

HEER, geef mij de vreugde van uw verlossing, sterk mij met uw grootmoedige geest.

Heer, open mijn lippen en mijn mond zal uw lof verkondigen.

 

In de Paasnacht lezen we het 1e scheppingsverhaal als een startpunt voor de nieuwe schepping via de verrijzenis van Jezus. Nu bij het begin van de veertigdagentijd lezen we het tweede scheppingsverhaal als een startpunt van bezinning, waarbij de grote vraag aan de orde komt : hoe kan het toch dat er zoveel kwaad is in de wereld? Nog erger: dát er kwaad is in de wereld, terwijl de mens toch voor het goede is bestemd, terwijl de mens in het verlengde van God ligt, een Godskind is. De 1e lezing geeft ons de Joodse visie, geloofsbelijdenis op die vraag. Het is hun ervaring, hun duiding van de situatie waarin de mens zich bevindt. Als Godskind geschapen heeft hij een vrije wil; dat is zijn glorie, zijn heerlijkheid; zo kan hij voor God kiezen, voor zijn basis.

Maar hij moet wel kiézen, kiezen tussen … Als hij dan vergeet dat hij van de aarde én de hemel is, omdat de aarde dichterbij is, direct ervaarbaar en aanlokkelijk, als hij gehoor geeft aan de slang, het dier van de aarde, en dan tegen de hemel kiest, gaat het mis. Hij vergeet zijn afkomst, zijn basis, en denkt zelf te bepalen wat goed is en wat kwaad, denkt zelf te kunnen bepalen wat kan en wat niet kan. Daarbij zoekt hij steeds zijn grenzen, verlegt hij zijn grenzen. "Dat moet toch kunnen" zeggen we vaak, zonder dat we voldoende inzicht hebben. Een klein kind probeert al de grenzen t.o.v. zijn ouders uit. Dat zit in de aard van de mens: hij wil iets bereiken - maar hij vergeet dat hij naar De Oneindige kan reiken en stelt zichzelf als maatstaf. Met alle gevolgen van dien: het kwaad komt er en zijn doel blijkt het eindige te zijn, het loopt op niets uit. Ze zijn beiden naakt.

Dan realiseert de mens zich dat hij voor het goede is geschapen; de tegenstelling is wrang, de spijt groot en hij roept zijn God om erbarmen: God, maak mijn hart weer zoals het was, bedoeld is door U. "Geef mij weer de weelde van Uw zegen … dat mijn mond Uw lof kan zingen"/"Hergeef mij het geluk om Uw heil, laat bereide gezindheid mijn kracht zijn" hebben we beaamd in de tussenzang. Ook dat is Joodse geloofsbelijdenis: bij God is vergeving en uitkomst.

 

Als Jezus zijn openbaar leven begint gaat hij zich eerst bezinnen. Gedreven door de Goede Geest, De Geest van God, gaat hij in afzondering. En als hij klaar is, de aarde heeft verzaakt, komt de verleiding en moet hij kiezen inzake iets dat dan heel dichtbij is: honger; dan is een mens kwetsbaar, direct. 'Als gij de zoon van God zijt, hoeft gij nooit meer ongemak te ondergaan.' Jezus weet zijn basis, zijn punt van uitgang: hij is Godskind, hét Godskind en hij kiest daarvoor. Hij leeft niet alleen van Gods scheppings­macht dat leven op aarde voortbrengt en in stand houdt, hij leeft als Godskind ook van het woord, de gedachte, die in zijn geest spreekt, hem op God richt, góddelijk leven geeft.

Dan komt de tweede vraag, nu is het de verstoorder, de macht die onrust wekt, die onzeker maakt - 'het moet toch kunnen?' 'Als Gij de zoon van God zijt, zijt gij hier in het heilige, op uw eigen terrein, de tempel. Dan zal God toch zeker voor u kiezen, als godsdienstig fenomeen?' Voor wie zal Jezus dan dat fenomeen zijn? Voor de mensen, voor de aarde, die zullen vol bewondering staan. Maar een mens sterft, is eindig. Jezus kiest er voor om voor God fenomeen te zijn, voor de Eeuwige, de Volmaakte, en hij wil God niet misbruiken, uitdagen, tot een wonder dwingen. Hij wil zijn Godskind zijn in vrijheid beleven, zonder iets af te dwingen. Jezus weet, kent en kiest.

Als de verstoorder hem tenslotte de heerlijkheid van alle koninkrijken van de wereld laat zien, zoals de aanlokkelijkheid van de bomen en de heerlijkheid van de vruchten in de tuin zich voordeden aan de eerste mens, kwalificeert hij de onrustzaaier als zijn tegenstander: Satan. Weg jij, ik kies voor mijn basis. Zou hij op dat moment geweten hebben dat hij in de wereld van het kwaad daarmee koos voor het kruis? En er kwamen engelen om hem te dienen. Voor de laatste keer gebeurde dat in Getsemane, de hof van Olijven.

Jezus weet, kent en kiest. En hij trekt de wereld in om het goede nieuws van de vergeving van zonden te verkondigen.

 

Wij staan in een wereld die vol is van het kwade en vaak voelen ons machteloos om daar een eind aan te maken. We hoeven ons niet te verbeelden dat we dat kunnen, dat we de wereld kunnen verbeteren. Maar dat is geen reden om niets te doen. We kunnen in ieder geval het goede in stand houden. We kunnen ons bewust blijven van en ons meer richten op onze afkomst, op ons 'van de hemel en de aarde zijn' en zien hoe wij in onze praktische situatie daarop inspelen.

Voordat Jezus de wereld introk met zijn boodschap heeft hij zich bezonnen. Wij zetten zijn boodschap voort en is het dan niet goed om jaarlijks ons te bezinnen op wat we doen? Zijn voorbeeld te volgen, met zijn hulp?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het ligt niet zo in de lijn van de jongere om neer te zitten bij het negatieve maar als je je soms realiseert wat er allemaal gebeurt in onze wereld, wil je het boeltje er wel eens bij neer gooien. Jezus stond ook min of meer alleen in die wereld en hij deed wat hij kon en hield het hoofd omhoog gericht naar zijn Basis. Dat, Die was zijn houvast. Zo wist hij dat hij goed zat. Daartoe heeft hij zich bezonnen totdat hij het wist. Veertig dagen en nachten, een proces waarin hij zijn volwassenheid bereikte en er gevolg aan gaf. Hij had zijn Basis, zijn Godskind zijn bereikt.

 

Er staat geschreven - al heel lang - "Niet van brood alleen leeft de mens maar van élk woord dat komt uit de mond van God". Zullen we nu beginnen met dat over ons te laten komen?

 

 

Tweede zondag in de veertigdagentijd jaar A  20 februari 2005

Genesis 12, 1- 4a; psalm 33; Mt 17, 1-9

 

Psalm 33 Oprecht is het woord van de HEER, alles wat Hij doet getuigt van trouw.

Hij staat voor een rechtvaardig en vast bestel; de aarde is vervuld van de liefde van de HEER:

Nee, het oog van de HEER rust op degenen die Hem vrezen en die op zijn liefde vertrouwen.

Hij zal hen vrijwaren van de dood, hen bij hongersnood in leven houden.

Vol vertrouwen zien wij uit naar de HEER, Hij is ons schild, Hij is onze helper.

Uw liefde, HEER, zal over ons komen: wij wachten, wij wachten op U.

 

Het lijk wel dat de tussenzang vandaag centraal staat in de liturgie omdat daarin vertrouwen breeduit wordt  bezongen. De trouw van de Heer wordt gekoppeld aan de natuur, aan de bestendigheid van wat aan de hemel is te zien, maar ook aan de ervaring van mensen. Zij zien in wat hen omgeeft de trouw en liefde van hun schepper.

Abram was de eerste gelovende. Nergens staat waarom hij vertrouwde op het woord van de Heer dat hij zijn thuis, zijn stamverband zou los laten, waarom vertrouwde op de belofte dat de Heer een groot volk van hem zou maken. Wat er historisch precies is gebeurd weten we niet maar de geloofsbelijdenis is er niet minder om. En zijn naam is inderdaad een zegen geworden voor alle geslachten op aarde. Waarom? Omdat hij vertrouwde. Geen wonder dat eeuwen later de psalm ontstaat die wij nu ook weer hebben gebeden/gezongen: "Ja om Hem is ons hart verheugd, op Zijn heilige Naam vertrouwen wij."

 

Petrus, Jacobus en Johannes worden vaker apart genomen; Paulus noemt hen de steunpilaren van de Kerk. Jezus vertrouwde die drie leerlingen kennelijk. Je kunt ook zeggen dat Jezus hun iets toevertrouwde. Daartoe  gaat hij wel met hen een hoge berg op, waar zij alleen zijn. Hoe hij hen heeft voorbereid wordt niet vermeld maar duidelijk is dat er iets bijzondes gaat gebeuren. Het evangelie van vandaag begint met "Zes dagen later …" Redelijkerwijs zes dagen na de geloofsbelijdenis van Petrus. Zes duidt op het uitbreken uit een bestaand vast kader. Samen met Jezus overstijgen zij het normale zintuiglijke leven en begeven zich in geestelijke sfeer. Dan vertrouwt Jezus hun toe hoe hij leeft: zijn gezicht begint te stralen en zijn kleren worden glanzend als licht. Ze mogen zien.

Mozes en Elia praten met hem: hij leeft in de Wet en in de profeten, je kunt zelfs zeggen dat hij hen overstijgt en ook nog dat hij na Wet en Profeten de derde factor van de Joodse geloofsbeleving is: de Schriften maar dan glanzend als Licht. Een nieuw kader, een nieuwe functie in de eredienst: Hij staat voor Zijn Abba, een nieuwe eredienst.

De Vader laat Zich niet onbetuigd: Niet alleen de verklaring die bij de Doop in de Jordaan klonk weerklinkt nu weer maar ook "Luistert naar hem". De Zoon bouwt op de Vader, de Vader vertrouwt op de Zoon.

 

"Luistert naar Hem". Deze aansporing tot vertrouwen is nog steeds actueel en actief, moge zij ook naar ons doorklinken. Wij kunnen makkelijker vertrouwen dan Abram, wij hebben een hele traditie ter beschikking. Abram moest vooraan beginnen, zijn vertrouwensdaad doet meer moed, meer overtuiging veronderstellen dan wij nodig hebben. Tenzij er mensen zijn die net zo goed vooraan moeten beginnen omdat een normale basis voor vertrouwen  ontbreekt. Of zodanig zijn geschokt dat zij alleen maar kunnen wantrouwen. Mogen zij inspiratie ontvangen als Abram, mogen zij ervaren "Vanuit de hemel kijkt de HEER neer, Hij ziet al de kinderen van de mensen". Meer nog. Moge Jezus naar toe komen en hen aanraken: 'Sta op, je hoeft niet bang te zijn'.

 

Wij hebben een middelaar die tot in het diepst van zijn ziel vertrouwd heeft op zijn Vader. Direct na zijn verheerlijking op de berg brengt hij zijn lijden en dood ter sprake. Maar hij rekende op zijn Abba. Die was zijn schild en helper. Mogen wij in de aanloop naar het vieren van de verrijzenis putten uit zijn Kracht om te kunnen vertrouwen dat ook wij zijn glans mogen zien, in die glans mogen delen. Daarvoor deed hij al die moeite - om onze verrijzenis.

Het gaat niet alleen om ons, zijn volgelingen, dat we in Hem mogen delen maar alle geslachten, ook om de wereld waar honger is. Dat die mensen in leven gehouden worden. Daarvan hebben we immers ook gezongen/gebeden. Honger doet glans verbleken. Honger ziet geen glans.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je stamverband los laten, het huis uit gaan en zelfstandig gaan wonen, je eigen weg zoeken. Ik hoop dat je dan zoveel vertrouwen hebt ontwikkeld dat de Heer je jouw weg zal wijzen, dat je ook gaat vermoeden dat je gezegend bent met vertrouwen in Hem.

 

De hoge berg opgaan samen met Jezus en met hem alleen zijn. "Uw liefde, HEER, zal over ons komen: wij wachten, wij wachten op U." Richting Pasen. Zullen we dat over ons laten komen?

 

 

Derde zondag van de veertigdagentijd  A 3 maart 2002; '05

Ex 17, 1-7; psalm 95; Joh 4,5-42. Voor het getal zes zie desgewenst  getallensymboliek  maar het gaat me te ver om hier in te gaan op het aantal mannen dat de vrouw heeft gehad.

Psalm 95  Kom, laat ons juichen om de HEER te eren, met vreugde zingen van die rots, onze redder,

met lofzangen voor zijn aanschijn komen, met volle stem inzetten op Hem:

Ga naar binnen, laten wij buigen, diep buigen, en neerknielen voor de HEER, onze maker:

Hij is onze God en wij zijn zijn volk, dat Hij weidt, de kudde in zijn hand.

Luister heden naar zijn stem:

 'Verhard uw hart niet zoals eens in Meriba, als in de dagen van Massa in de woestijn,

toen uw vaderen Mij beproefden en tartten, ofschoon zij mijn daden gezien hadden.'

 

Het bindende element van de beide lezingen is natuurlijk water. Water is een levensbehoefte, een levensvoorwaarde, en vooral als je dorst hebt, hoeft dat geen betoog. Maar daarmee lijkt de binding gedaan te zijn want de dorstigen verschillen nogal: bij de eerste lezing is het het volk, in het evangelie is het Jezus, die om water vraagt. De bron in de 1e lezing is hoog en machtig, een rots; in het evangelie is ze diep, wordt ze diepgaand. Maar als het om de basis gaat, is er weer binding: in het evangelie is sprake van een persoonlijk contact tussen Jezus en de vrouw en dat ligt ook in de lezing uit het O.T.; Mozes heeft een persoonlijk contact met God en vandaar uit handelt hij.

Het valt hem tegen dat het volk het vertrouwen in zijn God verliest als het moeilijk wordt. Eerst hebben ze gejuicht en gedankt, toen ze verlost werden van Egypte: "Komt laat ons muziek maken voor de Heer" (zingt de tussenzang) maar nu het erop aan komt, nu "het heden is", geven ze het op. Ze laten hun hart verharden. In plaats van elkaar aanmoedigen of te bidden, gaan ze morren - dat doe je al gauw als je echt dorst hebt - laten we ons niets wijs maken. Gelukkig zij die in grote nood haar God behoudt, gehoor blijft geven en kracht ontvangt. Gelukkig hij die zijn hart niet laat verharden of zijn geest verdrogen.

God laat immers Zijn volk niet in de steek, ook al morren ze. HijZ zegt niet zo iets als "Kun je dat niet netjes vragen?" HijZ doet via Mozes. Mozes moet met getuigen voor het volk uitgaan en dan zal hij de Heer zien staan boven op een rots - de rots van hun vrijheid - en met het gereedschap waarmee hij de waterrijke Nijl onvruchtbaar sloeg, moet hij nu de rots slaan. Het onmogelijke gebeurt. Het is heden.

 

Het evangelie geeft een ander beeld. Niet meer dat machtige, majestueuze - zo zou ook de Messias zijn in de gedachten van de Joden. Het is een 'stil' beeld. Het lijkt wel of het O.T.-beeld  God - man (Mozes) wordt verzacht in God - vrouw, intens wordt zoals bij man - vrouw.

Jezus is moe en gaat zomaar (zegt de Griekse tekst) bij een bron zitten. Maar de lading is al getekend: in de buurt van een stuk grond dat Jacob, de aartsvader, aan zijn zoon Jozef had gegeven: geschiedenis van het Joodse volk, waarin God handelt.  En daar nog boven op zegt Johannes: "Het was ongeveer het zesde uur". Het getal zes heeft een - laat me zeggen - 'uitbrekende' lading. Het betekent dat het bestaande kader, de gewoonte, ook de goede gewoonte, op springen staat: er gaat iets nieuws gebeuren, het oude is voorbij. Maar het beeld is stilte, rust.

Een vrouw komt water putten en Jezus spreekt haar aan, je bent nog geneigd om te zeggen dat hij "zomaar" aanspreekt. Verwondering. Verwondering omdat hij - vrijgezel - een getrouwde vrouw aanspreekt en omdat een Jood een Samaritaanse aanspreekt. Maar die verwondering wordt wel de draagster van iets nieuws. Is het dan niet 'heden'? Zou Jezus op dat moment zelf wel beseft hebben dat hij iets ging aanboren? Hij was moe en zal ook wel gewoon dorst hebben gehad.

De vrouw reageert op Jezus' aanbod voor 'eeuwig' water nogal praktisch, reëel: "U heeft niet eens een emmer!" Als Jezus verder omschrijft dat het water is dat in de mens zelf opborrelt tot eeuwig leven, blijft ze binnen haar denkkader: "Geef me van dat water, dan hoef ik niet meer te sjouwen". Dan raakt Jezus haar persoonlijk door haar man ter sprake te brengen en haar te prijzen omdat ze waarheid spreekt. Nu stapt de vrouw in. Ze haalt weliswaar een ruzie-onderwerp aan maar het betreft een vraag naar waarheid: "Waar moet men God aanbidden?" Jezus' antwoord gaat boven de ruzie uit: er komt een tijd - ja ze is er al - heden -  dat men in geest en waarheid aanbidt; de plek doet er niet toe.

Nu brengt de vrouw de Messias ter sprake, die alle waarheid zal verkondigen. Ze leeft kennelijk in die geloofsverwachting maar weet nog niet dat die bron in haar al opborrelt. Dan - laat me zeggen - valt Jezus door de mand, nu wordt híj geraakt en maakt zich aan haar bekend: "Ik ben het". Een stil Messiasbeeld, heel direct, persoonlijk en onverwoestbaar.

De vrouw rent weg zonder kruik maar Jezus is op, ontroerd, zich bewust van wat er met hem gaande is. Als zijn leerlingen het gekochte voedsel aanreiken, begint hij over een ander voedsel, zijn voedsel, en hij weet al dat anderen die oogst zullen binnenhalen, niet hij. Hij heeft een ander 'heden'.

Toch is er een troost voor hem: de Samaritanen - ja, die Samaritanen - geloven in hem omdat ze zelf inzien, meemaken hoe hij is. Hun heden. God handelt ook bij hen - via de Messias.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je bent in je woestijn God wel eens kwijt. Dat hoeft niet aan jou te liggen. God verbergt zijn gezicht wel eens. De psalmist zegt dat ook:"Verberg Uw aanschijn niet voor mij". Maar het gebeurt, en dan spreken we van 'verborgen God'. Maar Jezus hoef je niet zo gauw kwijt te zijn. Er zijn veel gelegenheden om hem te zien, thuis, op school, op je werk, noem maar op. Dan is een goed woord, een goede gedachte, een goede daad, als een glas water in de woestijn. Hij schenkt het voor je in; misschien schenk jij wel eens iets voor een ander in. Een eerlijk woord uit je zelf kan alleen maar een woord van Waarheid en Geest zijn.

 

Kan het voor ons hier nu 'heden' zijn ?  Kunnen we de bron van levend water in ons laten opborrelen, voedsel van de Messias ontvangen, persoonlijk zoals de Samaritaanse: Hij - ik?

Zullen we ons een paar minuten gunnen?

 

 

Vierde zondag veertigdagentijd A  6 maart 2005. ('08)

1Sam 16, 1b.6.7.10-13a; psalm 23; Joh 9, 1-41.

 

Psalm 23  De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.

Hij laat mij in grazige weiden rusten, Hij voert mij naar vredig water,

daar geeft Hij mij nieuwe kracht.

Hij leidt mij op het rechte spoor, omwille van zijn naam.

Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang,

want U bent bij mij: uw knots en uw staf geven mij nieuwe moed.

Voor mijn ogen dekt U de tafel, zodat ook mijn belagers het zien;

met olie zalft U mijn hoofd, mijn beker is tot de rand gevuld.

Ja, uw goedheid en liefde blijven mij volgen alle dagen van mijn leven.

Zo mag ik telkens weer wonen in het huis van de HEER, tot in lengte van dagen.

 

Het evangelie hanteert water ter reiniging. Ogen wassen, rein worden, rein zijn in gedachten en wensen, gericht zijn op God, klaar zijn om met Hem te gaan leven. De eerste lezing hanteert olie tot zalving, tot het leven met God zoals de Geest van de Heer vaardig is over David. Vanuit de tekst kun je vermoeden dat David eigenlijk al rein was, al gericht was op God, al ontvankelijk was, en nu gaat hij verder, groeit hij, in de Geest, de Goede Geest.

Hij blijft bij zijn vader en kan zodoende tot rijpheid komen. Bij het weiden van de schapen zal hij wel gedacht hebben wat we zongen/baden: "Mijn herder is de Heer" en "Gij zalft mij". Mijn herder is de Heer, bij Hem kom ik niets tekort, bij Hem ben ik veilig, al moet ik door het duister van de dood, door donkere kloven, "Onder uw hoede durf ik het aan". Is dat ook niet voor ons van kracht? In de donkere kloof besef je dat meestal niet omdat je druk bent met overleven; later kijk je in verwondering om: hoe kon ik daar uitkomen?

Gij zalft mij. Is deze tijd geen goede gelegenheid om ons daarvan bewust te zijn? Na onze doop, na onderdompeling in levend water, zijn we gezalfd met Chrisma, met de Geest van Jezus, DE Gezalfde. Wij zijn en leven niet alleen in Gods beschermende hand maar ook met Zijn be-Leving, onder Zijn be-Geestering. Mogen deze veertig dagen ons laten zien wat dat praktisch inhoudt.

 

Mogen we dat gaan zien, inzien, want we  kunnen niet zonder inzicht, zonder weten. Het evangelie vertelt niet alleen een spannend en - voor christenen - een fleurig verhaal, het illustreert ook de noodzaak van inzien.

Jezus heeft in de tempel Joodse leiders het vuur na aan de schenen gelegd en het scheelde niet veel of ze hadden hem gestenigd. Toen hij de tempel  verliet - misschien wel ontvluchtte - toen zag hij de man, blind vanaf zijn geboorte. Er waren wel meer blinde bedelaars maar Jezus grijpt als het ware die gelegenheid aan om het inzien duidelijk te maken. En hoe! Hij maakt zo gezegd de ogen van de man vies en noopt hem zo tot wassen in de vijver die 'gezondene' heet. De man moet aarde van zijn ogen wassen, zijn aardse gerichtheid loslaten, rein worden: op God gericht. Hij die zelf de Gezondene is gebruikt de naam van de vijver om zichzelf aan te wijzen als DE Reinmaker. Zo eenvoudig is het als je dat ziet, als je dat maar wil zien, als je maar ontvankelijk bent.

Sommige mensen zien dat de man inderdaad die bedelende blinde is, anderen willen eerst een bevestiging. Maar wie persé niet zien ondanks het teken niet zien, niet willen zien, dat zijn de Farizeeën. Waren jullie maar blind zegt Jezus, dan zou jullie niet worden aangerekend. Ligt hier geen punt voor ons? Zij er geen tekens in onze tijd die we niet zien, niet zo graag zien? Zijn de veertig dagen vóór Pasen geen gunstige tijd om daar eens over te denken?

 

Toen Jezus vernam dat de man - net als hij - de synagoge was uitgegooid, zocht hij hem op. Hij laat zijn lotgenoot, zijn schaap niet verloren lopen. Toen zag de man hem, stond hij oog in oog met de Mensenzoon en hij had alle reden om te barsten van geluk, als hij zijn ontroering al kon verdragen. Zou voor hem vanaf dat moment niet gelden "Overal komen geluk en genade mij tegemoet" / "Voorspoed en zegen verlaten mij nooit" ? Hij is veilig, ondervindt de kracht van Jezus' staf en zijn beker is boordevol.

Ligt hier geen punt van troost voor ons? God is mens geworden om lotgenoot te zijn tot in de dood toe. Mogen wij dat zien en beleven.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het is een koud kunstje om schamper te doen over die Farizeeën. Misschien kom je in de verleiding om af te wachten tot iemand jou op een of andere manier komt zalven. Vergeet niet dat je al gezalfd bent met Jezus' Geest. Samuël wist niet wie hij moest zoeken, maar hij ging ervan uit dat God hem zou aanwijzen. Jezus' Geest moge jou een gedachte of teken aanreiken. Een gedachte die jou te binnenschiet waarop je je kunt bezinnen of een 'teken' dat jou opvalt. Wie weet wat je in die Geest daarin kunt zien. Ga er eens voor zitten.

 

'Je  hebt hem ontmoet, al eerder. Het is degene die tot jou sprak, en die je nu ziet'. Zullen we dat over ons laten komen om het te zien?

 

 

Vijfde zondag in de veertigdagentijd A  17 maart 2002; '05

Ez 37, 12-14; psalm 130; Joh 11, 1-45 (Rom 8, 8-11, sluit goed aan)

Psalm 130  Uit het diepste diep roep ik U aan, HEER;

ach, Heer, hoor wat ik zeg, luister toch naar mijn bidden en smeken.

Als U, HEER, de zonden in gedachte houdt blijft niemand overeind, o Heer.

Maar bij U, bij U is vergeving, daarom heeft men zo'n eerbied voor U.

Ik kijk uit naar de HEER, met heel mijn hart kijk ik naar Hem uit;

ik wacht in vertrouwen op zijn woord.

Mijn hart kijkt uit naar de Heer, meer dan wachters uitkijken naar de ochtend,

dan wachters naar de ochtend.

Israël, wacht in vertrouwen op de HEER; bij Hem is liefde, bij Hem is verlossing in overvloed.

Hij is het die Israël verlost van al zijn zonden.

 

De profeet Ezechiël spreekt tot de ballingen in Babylonië. De bovenlaag van de bevolking in Jeruzalem en Juda is afgevoerd door de Babyloniërs en de Joden hebben dat ervaren als een straf van hun God omdat zij zich hadden misdragen. Nu zien zij dat in. En dan is er het berouw. 'Hadden we maar'. De profeet spreekt over "graven", waarin dus doden liggen. Is het dan zo erg? Kennelijk wel: de verzen vlak voor dit stukje lezing luiden:"… Bij hen leeft de gedachte 'Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is gedaan met ons'." Dan ga je vragen om vergeving, om kracht, want zo'n erbarmen moet toch van God komen.

Velen van ons kennen zo'n situatie wel; als je ooit fluisterend om hulp heb gebeden, als je ooit een dierbare hebt verloren, als je ooit spijt hebt gekend van een misstap, als je ooit je God hebt verloren, als je ooit noem-maar-op, dan weet je uit eigen ervaring hoe het is om te bidden/zingen "Uit de diepten roep ik, Heer. Luister naar mijn stem. Wil aandachtig horen naar mijn smeekgebed"/"Uit afgronden roep ik, Heer; hoor mij, Heer: ik blijf vragen". Dan kun je uitzien naar je God, "meer dan wachters naar de morgen".

Als wij zo iets hebben meegemaakt, meemaken, dan is ook voor ons het woord van de profeet: "Zo spreekt de Heer: IK ga uw graven openen". IK ga je terugbrengen naar de grond van je oorsprong en dan zul je uit eigen ervaring "wéten dat IK de Heer ben".  Uit eigen ervaring weten dat je verlost bent uit die on-eigenheid, dat je niet meer wordt tegengehouden, dat je in volle vrijheid met heel je persoon voor God kunt staan.

Maar er is nog meer: "IK zal mijn Geest over u uitstorten en gij zult leven". Het is niet alleen een zaak van niet gehinderd worden maar ook nog eens leven in Gods Geest, je eigen leven verbinden met de Geest, gevoed worden door de Geest, door goddelijk Leven. Als je je God kwijt bent geraakt, als God Zich heeft verborgen, weet je hoe je kunt verlangen naar die intensiteit van gekend zijn, wil je nooit meer zonder, zonder die Geest, zonder die heerlijkheid.

 

In het evangelie kunnen we dat gegeven vinden als op een speciale manier verwoord, verhaald, als een verhaal uit het leven gegrepen. Jezus is de 'protagonist', de man op de voorgrond die het verhaal trekt. Hij heeft tegenspelers: niet Lazarus, niet de Joden, niet de leerlingen maar twee vrouwen: Marta en Maria. Marta is de 'heerseres' zoals haar naam zegt, de bazin, de kordate: zij gaat naar Jezus toe en zegt hem netjes de waarheid. Maar zij is ook de vrouw van de geloofsact. Als zij het hare heeft gezegd, spreekt ze ook haar vertrouwen uit in hem: "Maar zelfs nu - in dit verdriet, nu ik door u ben teleurgesteld - wéét ik (! zo groot is haar vertrouwen dat ze weet) dat wat Gij ook aan God vraagt, God het u zal geven". Kennelijk was haar ervaring met Jezus zo groot. Als Jezus dan zegt: "Uw broer zal verrijzen", geeft zij het Joodse geloofsantwoord dat hij zal verrijzen op de laatste dag, de dag van het oordeel. Dan zegt Jezus tegen haar zo iets als: 'Nee, Marta, dat was. Vanaf nu is het anders: ik ben de verrijzenis en het leven'… Marta, geloof je dat? - Ik, geloof ik dat?

Als je in dit evangelie de naam van Maria onderstreept, blijkt dat je haar vaker tegenkomt dan je denkt. Zij is de tegenpool van haar zus, gevoelig, die aan zijn voeten gezeten luistert, de voeten van Jezus zalft en met haar haren droogt; zij blijft thuis als Marta naar Jezus trekt, zij gaat pas als Marta haar toefluistert "De meester is er en vraagt naar je". Dan staat ze vlug op, "snelt weg". Zij valt Jezus te voet en zij raakt hem diep als zij hem vraagt  'waarom Heer?'  Bij de vraag, het verwijt van Marta kan Jezus nog een antwoord geven "Hij zal verrijzen" maar als Maria hem verwijt en hij haar verdriet ziet, houdt hij zich niet meer in. Hij wordt emotioneel 'weg met de dood' en hij laat zien hoe hij met de dood afrekent. Hij is immers de verrijzenis en het Leven richting de Vader.

Beide vrouwen hebben uit de diepte, uit groot verdriet geroepen. De Heer verhoort beiden. In onze geloofsact, ons geloofsbeleven zijn beiden nodig: de vrouw die wil, die 'ja' zegt, en de vrouw die stille, intense beleving kent, een intense band, de vrouw die - laat me zeggen - zijn luisterend Geest ontvangt, in zijn Geest leeft, de Geest Gods die graven opent, die uit de doden opwekt. Zo zal zij ervaren hetgeen Jezus gaat doen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Ook als je jong bent zijn er misschien niet zoveel jaren, dan toch wel vele uren waarin je je verloren voelt. Ook dan kun je uit de diepte roepen om hulp. Ook dan leer je vertrouwen. Dan pas leer je wat vertrouwen moet zijn.

Wij hebben een groter hulpmiddel dan de Joden in ballingschap, die het woord van een profeet hoorden. Wij hebben het woord van God  in levende lijve: Jezus, de Messias. Als je vertrouwen hebt geleerd, gevonden, hoor je misschien nog een ander woord dat voor jou bestemd zou kunnen zijn of je nu wel of niet in nood zit: "De meester is daar en vraagt naar je".

 

Beide vrouwen zijn nodig: de vrouw die wil en de vrouw die - laat me zeggen - ontvangend in zijn Geest leeft. "Marta, geloof je dat?" "Maria, ben je er?"

Hoe is dat met ons? Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?

 

 

Palmzondag  A  20 maart 2005

Mt 21, 1-11; Jes 50, 4-7; psalm 22; Mt 26, 14 - 27, 66

 

Psalm 22  Iedereen die mij ziet lacht en spot met mij, gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:

'Hij bouwt op de HEER, die zal hem redden, die zal hem bevrijden, Hij houdt toch van hem.'

De honden staan al om mij heen, een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,

ze hebben mijn handen en voeten doorboord.

Mijn beenderen kan ik tellen, één voor één,  en zij maar kijken en zich om mij vermaken;

zij verdelen mijn kleren onder elkaar en dobbelen om wat ik aan heb.

HEER, houd u niet ver van mij; mijn kracht, haast u en help mij.

Ik zal uw naam verkondigen bij mijn broeders en zusters, en U prijzen in de gemeenschap:

Wie de HEER vreest, prijs Hem,

alle nazaten van Jakob, eer Hem alle nazaten van Israël, vrees Hem,

 

Het lijdensverhaal lezen we ieder jaar verscheidene malen telkens weer en telkens weer met eerbied. Met eerbied en verwondering en bewondering. De evangelisten hebben niet allen precies hetzelfde verhaal en af en toe loopt het niet goed door maar we accepteren graag de geloofsbelijdenis, de geloofservaring die de mensen toen hebben meegekregen en zo uitgesproken. We vieren een geheim, het on-zeglijke. We vieren met Kerstmis een geheim, een geheim met Pasen en met Pinksteren een wonder. Maar nu vieren we het geheim van God die meelijdt met Zijn schepsels. God is mens geworden, helemaal mens, inclusief mensen-lijden, ook smadelijk lijden, vernedering, inclusief mensen-dood, zelfs een dood van schande. Voor iedereen zichtbaar, en hoorbaar in de schreeuw: "God, mijn God, waarom toch?" En dat omwille van Zijn schepselen.  Dan ga je denken: God moet toch wel gek zijn.

Paulus zegt "Wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid maar voor de geroepenen God kracht en Gods wijsheid". Ja, als God een maximaal wezen is, moet HijZ ook maximaal in liefde zijn. Voor ons niet te bevatten. God die ook mee lijdt.

Maar ook God die Kracht geeft. De eerste lezing gaat over de Dienaar van de Heer die luistert naar zijn Heer en Kracht ontvangt om bij te staan, die niet terugdeinst als hij hoort wat hij moet doen: zijn rug, zijn wangen en zijn gezicht bloot geven. Om te kunnen bijstaan. Om te leren hoe hij moet bijstaan, of beter: om ons te leren dat hij bijstaat. Ook in idioot lijden.

Dit gehoor geven zoals Jezus doet staat wel in schril contrast met wat zijn tegenstanders doen. Ze hebben een list nodig om Jezus in handen te krijgen, zelfs een Judaskus. Kennelijk kennen ze Jezus niet, hebben ze nooit naar hem geluisterd. Ze komen in het geniep met zwaarden en knuppels tegen éen ongewapende, die dagelijks openlijk in de tempel sprak, zelfs openlijk Jeruzalem binnenkwam. Bij Pilatus halen ze het volk over om voor een rover en moordenaar te kiezen en niet voor iemand die weldoende rondging. Ze bespotten een weerloze, ze bespotten hem als goddeloze. En zo gaat het verhaal door tot op het laatste - als je aan de hand van de gebruikte getallen kunt bedenken dat op het zesde uur de duisternis toch nog een bekering moge oproepen - tot het negende uur; dan scheurt de voorhang van de tempel. Dan heeft de Dienaar alles gedaan wat hij heeft gehoord. Volgens de Schriften, die Hij vervult.

 

Er zullen wel mensen zijn die kunnen luisteren, misschien net zo goed als Jezus.  Die ook in verdrukking en verdriet horen. En dan ook kunnen dóen tegen de verdrukking en het verdriet in. Al zou het maar een machteloze schreeuw tot God zijn. Misschien zeggen zij wel dat je verdrukking en verdriet nodig hebt om daaroverheen iets te kunnen doen dat te maken heeft met Gods geheim. Dat je pas dan iets gaat vermoeden hoe God is. Wat Zijn Kracht is.

Er zullen wel mensen zijn die zo iets kunnen, die gaan begrijpen. Maar altijd geldt voor jong en oud dat we niet op de eerste plaats hoeven te be-vatten, te be-grijpen. De Dienaar biedt ons aan; we kunnen beginnen met te ontvangen, begrip te kríjgen voor het Geheim van God.

Zullen we ons daarvoor openstellen? Het goede uur is gekomen.

 

 

Paaswake A 2005

Gen 1,1 - 2,2; Ex 14,15 - 15,1; psalm Ex 15; Ez 26,16-28; Rom 6, 3-11; Mt 28,1-10.

Psalm Ex 15

Ik wil zingen voor de HEER, want Hij is de Hoogste:

paard en berijder dreef Hij in zee.

De HEER is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geweest.

Hij is mijn God en Hem wil ik loven;

de God van mijn vader, Hem zal ik prijzen.

De HEER is een strijder, HEER is zijn naam.

De wagens van de farao, zijn machtige legers, Hij wierp ze in zee;

de keur van zijn mannen, door de Rietzee verzwolgen.

Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt.

Uw hand, HEER, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand neer.

U hebt hen gebracht, U hebt hen geplant op de berg die uw domein is,

waar U, o HEER, uw verblijf hebt gevestigd, het heiligdom, Heer, dat uw hand heeft gemaakt.

De HEER is koning, voor altijd en eeuwig!

 

We vieren vannacht een geheim, we beleven het ieder jaar weer opnieuw, een geheim van ons leven. Lang geleden is dat mysterie, dat onzeglijke, opgeschreven als 'Toen zei God: "er moet Licht zijn" en er was Licht'. De eerste invulling van de schepping: licht. Het toppunt van de schepping op de zesde dag: wij, mensen, en bestemd om in dat licht te leven.

Dagelijkse ervaring van het natuurlijke licht, tegenhanger van duisternis, wordt gebruikt om een inzicht aan te geven op geestelijk niveau, een verhelderend zicht op de vraag wat wij hier op aarde te betekenen hebben, op aarde met als tegenhanger de hemel, met zicht op de hemel. Natuurlijk licht als symbool voor het inzicht, geloofszicht, dat wij zijn geschapen naar Zijn Beeld en Gelijkenis. Zijn Beeld opdat wij weten hoe wij goed kunnen zijn, 'te recht' kunnen zijn; Zijn Gelijkenis opdat wij Hem kunnen bereiken, een aansluitpunt hebben, dat we kunnen leven naar Hem toe. We zijn immers voor het goede bestemd. We behoren Hem toe. Voor altijd.

We vieren vannacht een geheim, we beleven het ieder jaar weer opnieuw. Het geheim van ons geloof naar God toe.

 

Ons leven op aarde kent ook gevaar, ook onderdrukking, die ons belemmert om Hem toe te behoren, naar Hem toe te leven. We willen daaruit worden bevrijd om door te kunnen gaan in vrijheid van denken en doen. Het Joodse volk belijdt dat zij Gods volk zijn geworden toen zijn Egypte uittrokken en op een wonderlijke manier zijn gered van hun achtervolgers via de hand van de man Gods, Mozes. Water maakt vrij baan voor hen en als zij veilig zijn vernietigt het hun belagers. In Gods Kracht waait de wind eerst in de reddende richting over het water en trekt zich dan terug. God redt. Ligt hier geen ervaring voor ons, groot of klein, waarvan wij zeggen "Ik ben uit die nood gered"? Lichamelijk nood of geestelijke nood die mij belemmert/belemmerde om Hem toe te behoren?

 

Maar er is nog een gevaar waaraan wij zelf debet zijn als we uit gemakzucht of afkeer niet meer naar God toe leven, als wij doen wat de Joden - naar eigen zeggen - tot hun ballingschap bracht: zich niet meer aan Gods wetten houden, als wij uit gemakzucht of wat dan ook niet meer naar Hem toe leven, Zijn Naam ontheiligen, de aarde voorrang geven boven de hemel. Maar ook in dat gevaar wil God niet om Zijn Naam heen en - nu wordt het expliciet gezegd: "IK zal mijn Geest over u uitstorten … U zult wonen in het land dat IK uw vaderen heb gegeven, dat IK voor u heb bestemd". Zo spreekt de profeet, die ene man die we nodig hebben om tot inkeer te komen.

 

Ieder jaar opnieuw beleven we het heil dat de Schepper voor ons heeft bedoeld. We zijn vannacht ook weer begonnen met het Licht, nu het Licht van Christus, een nieuw licht, nog sterker dan het licht van de schepping. Zijn licht leek immers gedoofd maar - als je het ziet - het brandt, anders, eeuwig, van Boven. Dit licht van hem moge ook voor inzicht staan maar dan inzicht in Gods bedoeling met Jezus. Twee vrouwen gaan naar het graf, om te kijken. Zij kunnen Jezus niet loslaten en dan in confrontatie met de dood komt als een donderslag bij heldere hemel het inzicht dat hun God niet bedoeld kan hebben dat Jezus, die weldoende en als gerechte rondging, vernietigd was door het duistere. Dan zou het Verbond waardeloos zijn, dan zou het woord van Ezechiël "U zult Mijn volk zijn en IK zal u God zijn" niet gelden; De Eeuwige zou het laten afweten. Dan dringt een conclusie zich op: Jezus moest dus leven, hoe dan ook: Jezus komt hun tegemoet, Verrezen. Levend. Echt waar. Dat is een nieuw Licht dat op een nieuwe manier een eind maakt aan duisternis, uitzichtloosheid, aan niksheid en doelloosheid: de nieuwe schepping.

 

Wij hier bijeen: als Jezus niet was verrezen waren wij niet bij elkaar, konden we ook niet éen zijn in zijn Naam, was hij niet in ons midden. Wij vieren zijn verrijzenis op grond van de getuigenis van de apostelen maar ook de H. Geest getuigt in ons van de verrijzenis zoals Petrus tegen het zegt.

Wij zijn immers gedoopt in water. Nu geen water dat vernietigt of afschermt maar stromend water dat het oude wegspoelt en het nieuwe mogelijk maakt. Water waarin de Paaskaars driemaal is neergelaten met de bede "Moge de kracht van de H.Geest neerdalen in de volheid van deze bron". Nu niet meer een algemeen water waar de Geest Gods boven zweefde bij de schepping maar nu toegespitst op het doopwater: nieuwe schepping. Wij zijn ondergedompeld in levend water, ondergedompeld in de H.Geest, het begin van ons eeuwig leven als Godkind met Jezus, de Christus.

Als sterfelijke mensen delen wij wel de dood van Jezus maar omdat wij gedoopt zijn delen wij niet alleen in zijn doop - die dood - maar delen wij ook in zijn leven, eeuwig leven naar zijn God toe. Want uit zijn verrijzenis blijkt dat hij de dood heeft overwonnen. Om ons heil. Omdat God zo graag zijn Beeld en Gelijkenis wil zien.

 

Nieuw in Christus Jezus. Goddelijk Aanbod. Zullen we dat over ons laten komen?

 

 

Paaszondag    31 maart 2002; 27 maart 2005 (toegespitst op A)

Hand 10, 34a. 37-43; psalm 118; Joh 20, 1- 9

Psalm 118  Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

De rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de HEER overwint.'

Ik ben niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dat is het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.

Dit is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

 

Bij de grote feestdagen, Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Allerheiligen/Allerzielen merken we dat we in een jaarcyclus leven en we zijn dan wat meer geneigd om na te denken: hoe was het vorig jaar Kerstmis, Pasen enz. We denken zelfs vooruit: hoe zal het het volgend jaar zijn?

Het zijn goede gelegenheden om te denken over ons leven, het kostbaarste dat we hebben omdat het met ons eigen zelf te maken heeft. We weten dat we bestaan, dat we eten en drinken; we weten niet alleen dat we bestaan maar we weten ook dat er een 'meer' is, dat er een 'nog niet' is. Als gelovigen richten we dat weten op God, de Vader van Jezus, die Hem uit de doden heeft opgewekt. M.a.w. we denken na niet alleen over dat we bestaan maar ook over wát we zijn, hoe ons bestaan, hoe ons leven is. Voor ons: hoe ons gelovend Leven met God is. En het is niet zo gek om na het begin van dat leven met Kerstmis te hebben gevierd, nu in de lente te denken aan nieuw leven, toenemend Leven. Ieder jaar weer een stukje nieuw Leven verwerven, verworven hebben, ieder jaar weer een stapje vérder naar het 'meer', want er is een 'nog niet', nog niet volledig.

 

De eerste zondag van de voorbije veertigdagentijd was het thema dat wij niet van brood alleen leven, er is meer. De tweede zondag  zijn we met Jezus de hoge berg op gegaan, spiritueel leven. Op de derde zondag hebben we gedacht over hoe de bron van levend water in ons kan opwellen. Daarna was het de ontmoeting van de blindgeborene met Jezus "Je hebt Hem eerder ontmoet. Het is degene die tot je spreekt". En tenslotte de bij de opwekking van Lazarus: "Marta, geloof je dat? Maria, ben je er?" Allemaal thema's waarmee Jezus ons tot God voert. Nu zijn we dan gekomen bij zijn féest van zijn bereiken van God, zijn verhoging tot Gods rechterzijde, zijn Abba, Leven met God, in God, Zijn goddelijk Leven. Hij is er, nu wij nog.

 

Wij baseren dat Leven met God op de geloofsbelijdenis van Petrus: hij is de eerste en/of voornaamste getuige van dat geloof in de verrijzenis - de verrijzenis van Jezus én onze verrijzenis. In de eerste lezing hebben we gehoord hoe hij kort weergeeft zijn eigen ervaringen, zijn omgaan met Jezus gedurende diens leven - "hij ging weldoende rond"- en wat voor een verschrikkelijke dingen gebeurden in Jeruzalem - ze hebben hem als een misdadiger aan een schandpaal genageld en vermoord. Maar - belijdt Petrus - God heeft hem doen opstaan en hem laten verschijnen.  Evenwel, alleen laten verschijnen aan mensen "die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de doden was opgestaan". Zij moesten verkondigen dat Jezus de Rechter is voor de Joodse z.g. jongste dag, het laatste oordeel, en ook dat hij behalve Rechter ook de Vergever is, degene die zonden van mensen vergeeft, zelfs van degenen die hem aan het kruis hebben laten slaan, als ze het maar inzien en hem willen volgen.

Behalve Vergever is hij ook degene die mensen open maakt, die van hem willen leren hoe naar God toe te leven. En als je dat in de gaten krijgt, is er alle reden om vandaag te juichen /(en te zingen) "Dit is dé dag die de Heer heeft gemaakt"/ "Zie, deze dag schiep de Heer, laat ons hem vieren in blijdschap". Want God die Jezus van de doden heeft opgewekt, de ten Leven roepende Vader, vult het 'meer' en 'nog niet' in op een wonderlijke wijze, toont Zijn bezorgdheid om Zijn schepsels voor  hun eeuwig heil, eeuwig Leven met Hem.

 

Maar, hoe komt Petrus daarbij? Hij die driemaal zegt Jezus niet te kennen, hij die met zijn medegetuigen op de vlucht slaat, Jezus in de steek laat, terwijl hij nog te voren had gezegd met hem zullen sterven. Hoe komt Petrus aan dat inzicht, dat geloof in Jezus als de Rechter en Vergever?

Iedereen heeft kunnen zien dat Jezus leefde (en hoe!), dat hij werd veroordeeld en leed en stierf aan een kruis. Daarna kan niet iedereen hem zien. Hij is alleen te 'zien' in geloof.

Hoe het en wat er historisch precies is gebeurd, weten we niet; de verrijzenisverhalen verschillen nogal van elkaar. Maar waarin ze alle vier overeenkomen is dat vrouwen de aanzet zijn. Het evangelie van Johannes vertelt hoe Maria Magdalena naar het graf gaat. Wat moet zij daar doen? De mannen zijn er vandoor maar zij heeft wat, zij zoekt Jezus nog, zij staat nog in relatie met hem, misschien heel simpel gevoelsmatig - maar toch. Later zegt ze tegen de tuinman dat ze 'haar' heer hebben weggehaald, ze zoekt haar Heer.

's Morgens vroeg gaat ze - "het is nog donker" - typisch Johannes: ze 'zag' nog niet. En dan gebruikt de evangelist driemaal het word 'zien'. De eerste keer in de betekenis 'constateren': Maria constateerde dat de steen was weggerold en automatisch denkt ze dat het lijk van Jezus is gestolen. Ze rent naar Petrus en Johannes, vertelt wat ze heeft geconstateerd, Johannes rent vooruit en "vooroverbukkend" constateert hij iets over de zwachtels.

Dan komt Petrus en hij gaat het graf wel binnen: hij durft de confrontatie met de dood nu aan. In het graf, in de wereld van de dood, 'beschouwt' hij, zegt de evangelist, de tweede betekenis van 'zien'. Hij 'overweegt' n.a.v. de zwachtels en de zweetdoek. Misschien dacht hij aan Lazarus, die de zweetdoek nog voor had, terwijl die van Jezus apart lag, opgerold. Hoe kan dat?

Dan gaat ook Johannes het graf in en hij 'ziet in', de derde betekenis van zien, hij doorziet. Toen pas, want ze hadden nog niet begrepen, nog niet ingezien dat e.e.a. al in de schrift lag opgesloten. In de Schrift lag dat iemand die een Gerechte is, die goed heeft geleefd, niet door de God van het Verbond in de steek wordt gelaten. Niet in de steek wordt gelaten op het definitieve moment, op 'de derde dag', voor Jezus was dat na zijn offerdood.

Dat móést wel volgens de Schriften zijn, kon niet anders. MAAAR, maar dat wil dan ook zeggen dat inzet van Jezus voor het Rijk van God terecht was en dat in die vernederde aan het kruis dat Rijk begonnen is. De Messias is dus geen grote figuur die het machtige rijk van David even herstelt maar een - laat me zeggen - stille, persoonlijk inspirerende Kracht, die in ieder mens werkt en vraagt om hem te volgen. Dat was de Joodse gedachte over de Messias op zijn kop. Geen wonder dat Petrus 'beschouwde', eens goed moest nadenken. Johannes, de leerling die Jezus lief had, 'ziet' vanuit spontane liefde. Petrus moest nadenken over de consequenties; Johannes - even geholpen door Petrus - wist het eigenlijk al - op een andere manier, een manier die vrouwen beter kennen.

 

Om verrijzenis te zien zitten, om in te zien dat ons leven een bovenkant heeft, om ons 'meer' en een 'nog niet' definitief in te kunnen vullen hebben we geloof nodig. Om recht te doen aan ons goed-zijn moet er een stap over het gewone leven heen gemaakt kunnen worden, een stap die niet af te dwingen is, maar een overtuiging die alleen maar in vrijheid ontstaat en die een eerlijke en verantwoorde beslissing aanreikt: op een of andere manier weten dat goed zijn als Jezus, met hem leven, eeuwigheidswaarde heeft. Het is immers een naar God toe leven. Zo kun je rekenen op een gunstig oordeel van de Rechter op jouw derde dag. Zo kun je ook ervaren hoe het is samen met hem te zijn, voor je werken naar buiten, voor je weten naar binnen. 

Geloof is niet aannemen op gezag, geloof is veel meer dan iets voor waar houden. Geloof is met hoop en liefde, zoals die vrouw had, leven naar God toe. Ieder jaar een stukje meer verlangen, vertrouwen, leren kennen, in het Licht gaan staan en weer een korrel in de aarde van onze liefde ontvangen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Verrijzenis kun je niet gewoon zien. Verrijzenis is niet dat een lijk weer levend wordt. Eeuwig leven is niet te bewijzen - gelukkig maar, dan was de 'lol' ervan af. Verrijzenis, eeuwig leven, hemel is gebaseerd op willen zien, op inzet, waarmee je ervaart dat het een goede zaak is. Net als Jezus. Je kunt ook zeggen dat het wel zo móet zijn vanwege de liefde, zoals die vrouw(en) dat aanvoelde(n). Hij had immers zijn leven ervoor over.

 

Geloof is leven naar God toe, naar Hem die ten Leven wekt. Wij kunnen dat samen doen met Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Zullen we ons even tijd gunnen om wat vrouw te zijn en dat te binnen laten komen, naar God toe ?

 

 

Tweede Zondag van Pasen  A 3 april 2005; '08

Hand 2, 42-47; Ps 118;  Joh 20,19-31

Psalm 118  Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

Huis van Aäron, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

Jullie die de HEER vrezen, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

Zij duwden en stootten en ik viel bijna, maar de HEER kwam mij te hulp.

De HEER, mijn kracht, de HEER, mijn beschermer, de HEER is mijn redder gebleken.

Hoor de juichkreten over mijn redding in de tenten van de rechtvaardigen:

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dat is het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.

Dit is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

 

Verrijzenis is typisch een geloofszaak, een wezenlijk geloofsgegeven; ons hele geloof draait daarom. Als hij niet was verrezen, zaten we niet hier. Geloof is evenwel niet te bewijzen. Als het om bewijs gaat, bewijs je aan jezelf jouw geloof in Jezus door te geloven in zijn verrijzenis. Paulus zegt: "… en uw hart gelooft dat hij is opgestaan uit de doden …". Hart en bewijs? Dat vraagt om nadere verklaring.

Iedereen heeft Jezus kunnen zien vanaf de doop in de Jordaan t/m zijn kruisdood; daarvoor had je geen geloof nodig, je zag hem. Vóór zijn doop in de Jordaan hebben mensen in zijn omgeving hem natuurlijk gezien, maar dan als een gewone jongen, jongeman en zo. Ná zijn dood verscheen hij niet aan iedereen maar aan een aantal mensen die vanaf Galilea met hem naar Jeruzalem waren opgetrokken, getuigen die tevoren door God waren uitgekozen, zoals Handelingen dat formuleert. Als het mogelijk was geweest in die tijd, had men van Jezus video-opnamen kunnen maken t/m zijn graflegging. Daarna niet meer.

 

Verrijzenis is niet natuurlijk zichtbaar. Bij verrijzenis gaat het om een andere natuur, een andere werkelijkheid dan de gewone. Verrijzenis is geen kwestie van het weer levend worden van een lijk. Verrijzenis onttrekt zich aan de gewone natuur. Kun je dan niet van alles bedenken? Nee. De leerlingen geloven eerst niet dat het Jezus is die plotseling in hun midden staat en hij verwijt hun dan ook hun ongeloof. Ze denken aan een schim of spook. Dan pas als ze zien dat hij echt eet, dat hij wonden heeft, dan dringt langzaam maar onweerstaanbaar de conclusie zich op 'Hij is het echt' en niemand anders, dezelfde als eerst. Het gaat dus niet zomaar om een vrome gedachte of een vurige wens of een psychologisch verklaarbare behoefte maar om een werkelijkheid die weliswaar anders is dan 'gewoon' maar wel een werkelijkheid anders at hij niet.

Het verhaal van Tomas geeft dat ook nog eens duidelijk aan. Wij zijn geneigd om te denken dat Jezus Tomas op het matje roept. Maar laten we voorzichtig zijn. Tomas zal net als de anderen gehoopt hebben dat het Rijk van David werd hersteld, dat er vrede zou zijn, dat de inspirerende figuur van Jezus zou leiden tot iets geweldigs. Hij geloofde in Jezus. En dan .... weg ... weg alle hoop .... het onheil diende zich aan, was niet meer te vermijden en totale ontred­dering volgde. Iemand die groot een verlies heeft geleden, weet wat dat is. Er is niets meer dan een groot gat. Als dan zijn maatjes tegen Tomas zeggen dat ze echt Jezus echt gezien hebben, "de Heer is waarlijk verrezen" - wellicht laat hij zich dan geen tweede keer bedonderen, niet nog eens die hoop koesteren. En als ze aanhouden, zegt hij die beroemde woorden "Als ik mijn vinger niet in de plaats van zijn nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde kan leggen ..." Zien we wat hier gebeurt ? Tomas vraagt om werkelijkheid, hij wil graag geloven, weer geloven, maar hij beschermt zijn geloof wel tegen oppervlakkigheid, tegen wensgeloof. Die keiharde realiteit die er bij het lijden was, die moet nu ook gelden. Hij heeft groot gelijk. En dan komt Jezus! Kijk maar Tomas, voel maar Tomas, het is echt, ik ben het, ik op wie je zo hoopte. Ik ben het werkelijk. Dezelfde die heeft geleden en aan een kruis is gestorven. Dan spreekt Tomas' hart: "Mijn Heer en mijn God"

Geloof in de verrijzenis komt niet zomaar uit de hemel vallen. De leerlingen die met hem van Galilea zijn opgegaan naar Jeruzalem hebben Jezus leren kennen en hebben de gelegenheid gehad om in hem te gáan geloven. Zó kunnen wij ook in zijn verrijzenis gáan geloven. We kunnen beginnen met te zeggen dat Verrijzenis mogelijk is en redelijk. Als God een maximaal Wezen is, is HijZ ook maximaal in wat mensen liefde noemen. Die maximale liefde wil zich manifesteren, moet zich wel uiten en dringt zich a.h.w. de schepping binnen in Jezus van Nazaret. God werd mens. Maar dan kan de Vader die Zijn Zoon zond, die Godmens niet laten vallen en móet Hij hem wel opwekken met zijn lichaam. Zo is Liefdes-Eenheid, zo is hun beider Geest.

Verrijzenis is geen bewijsbaar gegeven omdat het van een andere werkelijkheid is, een geloofswerkelijkheid. Dus kan het alleen maar bestaan als persoonlijke overtuiging. Het gaat om een eigen overtuiging die in je gaat groeien, jouw overtuiging, daar helpt geen moedertje lief aan en jij staat er zelf voor, het is jouw eigen geloof, vanuit je zelf, niet van buiten. Het is vanuit je hart, het is van je hart, omdat je zo graag wilt, omdat je hart zegt dat het invult, je geloof invult, je leven invult. Dit geloof is nooit af, je bent er voortdurend mee bezig en dat geeft groei.

Wij hebben niet de gelegenheid gehad Jezus te leren kennen zo als de leerlingen. De bemoediging die ligt in 'Zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben' -wat een geluk als je dat kunt - die bemoediging spreekt ons niet altijd zo aan. Hebben wij dan niets tastbaars voor onze handen, niets zichtbaars voor onze ogen ? Mij lijkt dat we dat wel hebben. Zonder hem gezien te hebben zijn al zo'n 2000 jaar mensen bezig in Zijn Naam, gebruiken hoofd en handen om het ideaal van Jezus waar te maken. Het Lichaam van Christus mag gewond zijn als het is - de Kerk is echt niet volmaakt - maar wat goed is, is goed en is gedaan in Zijn Naam. Je kunt er voor kiezen om te doen in Zijn Naam. En we merken dat dat goed voelt. Het spreekt in ons hart. Het geeft een band waar wij zelf aan meewerken, een band met wat toen gebeurde, een band met wat Jezus deed, een band met hem.
Kijken we naar de 1e lezing wat er gebeurt na de verrijzenis, hoe enthousiast de leerlingen zijn; leerlingen aan wie Jezus niet is verschenen maar van wie hun hart aangesproken wordt door het getuigenis van de apostelen. Zij leren en delen en breken het brood en bidden tezamen. Nog meer: 'zij braken het brood in een of ander huis, genoten hun maaltijd en loofden God'. Dat doen wij nu ook nog, al is de maaltijd zelf vervallen: wij zeggen het zegengebed om het brood, zeggen het zegen- en dank- en smeekgebed om de wijn en loven God met het Brood en de Beker in de hand "Door hem en met het en in hem". Hij is immers verrezen. Zo spreekt ons hart dat wij hebben verheven.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. We leven in een wereld die geen geloof kent, die geloof niet kent, als niet terzake afschuift. Misschien moet je je wel eens verantwoorden voor je geloof. Maar dat kan alleen maar aan mensen die ervoor openstaan, willen horen. Geloof is niet te bewijzen met verstandelijke argumenten. Je kiést ervoor om te geloven; daarvoor heb je je eigen redenen; omdat het goed voelt. Je kiest ervoor om je geloof te laten zien, waar te maken op jouw manier. Je bent niet de eerste noch de enige. Jezus deed het voor, Tomas volgde hem. Doe maar.

 

Of: In de tussenzang hebben we gezongen "de Hand van de Heer toont zijn macht". De gewonde hand, die met die spijkergaten erin. De macht van geloof. De macht van liefde.

Of: In de psalm hebben we gebeden "Mijn kracht is de Heer". Hebben we Die Kracht dan niet toegelaten in ons hart? Een hart dat geen bewijs van node heeft maar zelf weet.

 

Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen daarover na te denken?

 

 

Derde zondag van Pasen A  14 april 2002; '05

Hand 2, 14.22-32; psalm 16; Lc 24, 13-35. Voor 60 en 3 (derde) zie getallensymboliek. (De vertaling " … het is nu al twee dagen geleden …" honoreert de getallensymboliek niet.)

Psalm 16  Bescherm mij, o God, ik neem mijn toevlucht tot U.

Van de HEER zeg ik nu: `U bent mijn Heer, U bent mijn geluk, U gaat boven alles.'

Nee, de HEER is mijn erfdeel, mijn levensbeker, mijn lotsbestemming ligt in uw handen;

Ik prijs de HEER die mijn leidsman is; zelfs 's nachts spoort mijn hart mij daartoe aan.

Ik houd de HEER voor ogen, de HEER altijd, Hij staat mij terzijde en ik wankel niet.

Mijn hart is dan ook verheugd, mijn innerlijk jubelt, mijn lichaam kent geen zorgen,

want U geeft mijn leven niet aan het dodenrijk prijs, U laat uw vrome het graf niet zien.

U maakt mij vertrouwd met de weg naar het leven, met overvloedige vreugde bij U,

met groot geluk aan uw rechterzijde, voorgoed.

Brandde ons hart niet? De opgetogen, emotionele vraag van de twee leerlingen die de hele wereld rondgaat. Brandde ons hart niet? Waarschijnlijk kunnen we ons daarbij wel wat voorstellen; er was heel wat aan de hand.

Ze zijn op weg naar Emmaüs; niet zo maar aan het wandelen of reizen - als je het Grieks letterlijk vertaalt. Ze zijn onderweg, niet zo zeer 'op weg naar' als wel 'weg van'. Weg van Jeruzalem. Het dorp lag 60 stadiën van Jeruzalem af. Het getal 60 heeft een betekenis nl. zes: weg uit een bepaald kader, tien: helemaal. Ze gingen weg uit het bestaande Joodse kader, weg uit Jeruzalem en wel helemaal. M.a.w. ze hielden het voor gezien.

Ze hadden zo gehoopt en alles wees erop dat nu eindelijk de Wet tot haar recht zou komen zoals ze was bedoeld, dat er verlossing zou zijn, dat dat Rijk zou komen; de profeten hadden het immers voorzegd dat hun hoop zou worden ingevuld; die man was op zijn minst een groot profeet - als hij al de Messias niet zou zijn - en wat blijkt nu? Niets. Alles flauwe kul. Aan een kruis! Weg met de Wet en de Profeten. Het is genoeg geweest. We hebben onze beslissing genomen, het is de derde dag. We zoeken wel wat anders als we tenminste nog willen zoeken. En we hadden zo gehoopt … Waarschijnlijk kunnen we ons daarbij wel wat voorstellen…

 

Dan komt Jezus. Hij gaat met hen mee, ook al is het weg van Jeruzalem. Maar … we kennen het verhaal. Hij legt hun de Wet, de Schrift en de Profeten uit. Het klopt wél. Krijgen ze het in de gaten? Hebben ze Hem in de gaten? Nee. Jezus is onherkenbaar als zodanig en wat hij doet is uniek. Hij spreekt niet vanuit zijn gezag als groot profeet of Messias, nee, hij sluit aan bij hun hoop, bij wat in hen zelf leeft. Dan gaat het om geloof, persoonlijk geloof, binnen in, van  binnenuit ervaarbaar, geloof aangesticht door hoop. En dan zet hij ook nog hun trage hart in brand.

Hun hart in brand voor de God van Israël, die met hen meetrok door de woestijn, die in Jeruzalem zijn heiligdom heeft, die Abba van Jezus van Nazaret, de God van erbarmen, van vergeving, bevrijding. Die wonderlijke God, die zijn Gezalfde laat lijden om Zijn meeleven met de mensen compleet te tonen - volgens de Schriften. De God van het Verbond, dat HijZ met Abraham en Mozes sloot. Die God treedt buiten het bestaande Joodse kader, HijZ vernieuwt het Verbond in Zijn Messias, met een speciaal offerlam als onderpand. Zou dan je hart niet gaan branden? Krijgen ze het in de gaten?

 

De leerlingen willen niet zomaar de avond ingaan, dan wordt het wéér donker. Ze vragen hem om hen te blijven. Dat hoorde  zo volgens de regels van de gastvrijheid maar dan ze kunnen ook nog wat door praten. Dat doet Jezus. Als hun gast is hij kennelijk de tafelvoorzitter want híj neemt het brood, híj spreekt de zegen uit, breekt het en geeft het hun. Of hij er ook bij gezegd heeft dat dat zijn Lichaam is wordt niet vermeld maar kennelijk was zijn manier van het uitspreken van het zegengebed voldoende of de manier waarop hij hen aankeek bij het toereiken van het brood. Hij verdwijnt uit hun ogen maar is op zijn nieuwe manier bij hen. In hun hart. Juist op die eerste dag van de nieuwe week, die ze zo somber was begonnen.

Terug bij de elf en hun metgezellen horen zij hún juichkreet: het is echt waar! De Heer is wáárlijk verrezen. Het is geen schim of hallucinatie maar een realiteit: Híj is het! Gekruisigd maar verrezen. Ze zijn terug in Jeruzalem. Een nieuw Jeruzalem.

 

In de eerste lezing zien we hoe Petrus - 'officieel', "met de elf", het Pinkstergebeuren had net plaats gevonden - hoe Petrus naar voren treedt om de mensen te verkondigen dat die Jezus de Messias is en dat die volgens Gods vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is uitgeleverd - volgens de schriften dus. Want God trekt tot in het uiterste met Zijn mensen mee - volgens de Schriften. Maar dat betekent ook dat die God hem onmogelijk door de dood kon laten vasthouden want HijZ is een God van de schepping dus de God van het Leven - volgens de schriften, en wel speciaal volgens psalm 16 "Wegen ten Leven hebt gij mij doen kennen".

Hebben wij niet in de tussenzang psalm 16 gezongen/gebeden "Gij houdt in uw hand mijn leven vast"/"Gij zult mij de weg van het Leven wijzen …" Beamen wij dan niet wat voor Jezus zo'n zekerheid geweest moet zijn: Gij houdt in Uw Hand mijn leven vast ? Dat kon wel niet anders want als iemands hart brandde voor zijn Abba, dan was het wel Jezus' hart. Wellicht kunnen we ons daarbij wat voorstellen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Zoeken, onderweg zijn, ongeduldig, af en toe kort zijn - dat hoort een beetje bij de jongere. Maar, als Jezus meetrekt met mensen die teleurgesteld zijn, misschien wel wanhopig hem kwijt zijn, mensen die weg willen - hoeveel te meer zal hij dan niet meetrekken met mensen die wel weten wat ze zoeken, hem  bewust zoeken, maar misschien niet dat contact van binnen kunnen leggen, of hoe je dat wilt noemen. Kijk eens of je hém dat contact kunt laten leggen. Zoals bij de Emmaüs-gangers.

 

Wij vieren over de joodse Sabbat heen op de eerste dag van de niéuwe week (of de vooravond ervan) onze Verrezen Heer, onze hoop. Laten wij hém het brood nemen, het zegengebed zeggen, het breken en het ons aanreiken en ons hart doen branden voor de God van het Leven zoals zijn hart. Zullen we dat even over ons laten komen?

 

 

Vierde zondag van Pasen  A    21 april 2002; '05

Hand 2, 14a.36-41; psalm 23; Joh 10, 1-10

 

Psalm 23  De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.

Hij laat mij in grazige weiden rusten, Hij voert mij naar vredig water,

daar geeft Hij mij nieuwe kracht.

Hij leidt mij op het rechte spoor, omwille van zijn naam.

Al moet ik door dalen van duisternis en dood,

ik ben voor geen onheil bang, want U bent bij mij: uw knots en uw staf geven mij nieuwe moed.

Voor mijn ogen dekt U de tafel, zodat ook mijn belagers het zien;

met olie zalft U mijn hoofd, mijn beker is tot de rand gevuld.

Ja, uw goedheid en liefde blijven mij volgen alle dagen van mijn leven.

Zo mag ik telkens weer wonen in het huis van de HEER, tot in lengte van dagen.

 

De vorige week hebben we gelezen hoe "Petrus met de elf" hun geloof in de Verrijzenis verkondigde en hoe dat geloof was gebaseerd op persoonlijke ervaringen zoals o.a. beschreven in het verhaal van de Emmaüsgangers. Ook nu weer lazen we dat Petrus met de elf naar voren trad, het wonderlijke geloof verkondigde in de Persoon die aan een kruis was geslagen en toch door God tot Heer en Gezalfde werd aangesteld.

Nu komt de reactie van de toehoorders aan de beurt: Wat moeten we doen, mannen, broeders? Petrus geeft twee dingen aan: je laten dopen tot vergeving van zonden. Dat was niet zo nieuw want dat deed Johannes de Doper ook al. Het nieuwe is dopen in de Naam van Jezus, Gezalfde. Je laten dopen in zijn Naam wil zeggen in zijn Kracht vergeving van zonden verkrijgen, en dan komt het tweede: in zijn Naam de H.Geest ontvangen. De Geest door wie hij tot Leven is gewekt, Gods Geest, ontvangen, én vergeving verkrijgen door hem die zij hebben mishandeld, een schanddood hebben doen ondergaan.  Gaat de zaak dan niet op zijn kop? Vergeving verkrijgen omwille van hun slachtoffer en dan ook nog worden verrijkt met de Geest van God, die zij hebben beledigd door die uitgesproken goede mens te kruisigen! Geen wonder dat zij onder de indruk zijn en ook geen wonder dat dat een heil is voor de hele wereld omdat het zo groot en groots is. Zo'n drieduizend man namen Petrus' woorden aan en lieten zich zo dopen. Drieduizend: een doorslaggevend begin voor de Kerk.

 

Ook deze zondag weer een persoonlijk element zoals met de Emmaüsgangers. Petrus maant hen "Redt u uit dit ontaarde geslacht". De redding die hij bedoelt ligt in Jezus, de Redder en het Evangelie geeft daarvoor een diepgang. Het Johannes-evangelie is veel later opgeschreven dan de Handelingen van de apostelen. Het is een traditie waarin veel is overdacht; je zou het een contemplatief evangelie kunnen noemen. Jezus noemt zichzelf de herder, de goede herder wel te verstaan. Hij doet dat heel uitdrukkelijk met tweemaal 'voorwaar': "Voorwaar, voorwaar ik zeg u". Hij gaat door de deur de verblijfplaats van de schapen binnen. Het Griekse woord betekent zo iets als 'hof', een omheinde plaats bij het huis. Die plaats is omheind en geeft bescherming, zij houdt het goede in stand. Een deur is de normale, eerlijke opening in de bescherming, waar je gasten verwelkomt, waardoor je ergens binnentreedt. Wie al eens een sleutel heeft gekregen van een huis van een vriend en bij zijn afwezigheid het huis binnen gaat, ervaart dat hij een grens passeert, ergens binnengaat -  ergens mogen binnengaan dat niet van jou is. De goede herder mag binnengaan want hij heeft zorg: de poortwachter doet hem open. Wie zou de poortwachter kunnen zijn?

De schapen luisteren naar zijn stem omdat hij hen bij naam roept, omdat hij inhaakt op wat al in hen is gelegd, in hen leeft. Zo hebben zij zijn stem leren kennen. Dat is persoonlijk, dat resoneert in je. Dat 'luisteren naar zijn stem' vinden we ook al in het eerste Verbond. Als de Joden voor de Sinaï gelegerd zijn en JHWH Mozes naar boven roept, zegt Hij tegen Mozes over de Joden o.a.: "Als jullie echt luisteren naar mijn stem, zullen jullie mijn verbond in acht nemen en mijn bijzonder eigendom zijn". Als jullie echt luisteren - daar zit geen stok achter de deur; daar ligt openheid, vrijheid, eigen keuze. Zo volgen de schapen de herder die hen naar buiten leidt, omdat ze hem kennende weten dat ze naar grazige weiden worden geleid, omdat zijn stem resoneert in hen. Persoonlijk.

Dat beeld van de herder met zijn kudde roept bij ons vrede op, romantiek en een volgzame stomme kudde. Dat is fnuikend voor de parabel, die op de eerste plaats over de herder gaat. De herder die altijd actief bezig is met leiden vooruitzien en hoeden. Behoeden tegen gevaar en zorgen voor het afgedwaalde. Als we bij de parabel ook de schapen betrekken, dus ons zelf, gaat het om het luisteren, het kennen, het leren kennen en herkennen van zijn stem. Daar kun je druk mee zijn. Maar het is ook vreugdevol zoals we gezongen/gebeden hebben in de tussenzang "Overal komen geluk en genade mij tegemoet"/"Voorspoed en zegen verlaten mij nooit". Zo zingen/bidden gaat echt niet altijd vanzelf, moet je wel eens leren. Persoonlijk.

 

Als de mensen hem niet begrijpen, hanteert Jezus een tweede beeld: Ik ben de deur. Nu gaat het er niet om dat de schapen naar buiten worden geleid maar naar binnen - evenwel niet de hof in - dacht ik - maar het Rijk in, het Rijk der hemelen. Jezus zegt: "Ik ben de deur". Wie wel eens via de boekenkastdeur van het Anne Frankhuis de trap is opgelopen, zal wel het heilige moment ervan ervaren hebben. Je treedt een ruimte binnen waar - zeg het maar - iets oneindigs, iets kostbaars, iets persoonlijks is ontstaan in het gevecht om de het goede in de mens. "En toch geloof ik in het goede van de mens", schreef zij. Dat is een deur naar het goede.

Jezus zelf is de deur die ons dat heilige van het Rijk binnenvoert, de trap op naar de Vader. Als we die deur door gaan, die grens over gaan, wordt de Geest actueel die we bij onze doop in zijn Naam hebben ontvangen. Als we doen als hij, als we zijn volgeling zijn, gaan we niet alleen met behulp van hem maar ook mét hem. Het evangelie zegt dat we in- en uitgaan en weide vinden. "Ik ken uw opstaan en gaan zitten, uw in- en uitgaan" zegt JHWH tegen zijn volk; HijZ weet alles, kent allen. Dan hoeven we niets te verbergen. Dan leven wij in volle vrijheid en openheid in het rijk van de Geest van Jezus. Wij leven met Hem voor de Vader. Een levensverbondenheid met hem die voortdurend met ons meetrekt. Wij gaan binnen in goddelijk leven. Nog veel meer dan alleen maar redding.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Er is veel hang naar geestelijk leven, naar spiritualiteit, naar bezinning ondanks dadendrang. Dat ongewone beeld van "Ik ben de deur", die je dagelijks tegenkomt, moge een stimulans zijn om dat besef van heiligheid, vrijheid, goedheid, zekerheid, voldaan zijn - noem maar op wat je vindt -  "Ik ben de deur" moge een stimulans zijn om dat besef te laten spreken en om je te laten luisteren.

 

In- en uitgaan en weide vinden opdat wij leven in overvloed. Zullen we ons even de tijd gunnen daarnaar te luisteren?

 

 

Vijfde zondag van Pasen A 24 april 2005

Hand 6, 1-7; psalm 33; Joh 14, 1-12

 

Psalm 33  Uw liefde, HEER, zal over ons komen: wij wachten, wij wachten op U.

Rechtvaardigen, juich om de HEER; wie oprecht is moet Hem eren.

Speel op de citer een danklied voor de HEER, maak muziek voor Hem op de harp.

Oprecht is het woord van de HEER, alles wat Hij doet getuigt van trouw.

Hij staat voor een rechtvaardig en vast bestel; de aarde is vervuld van de liefde van de HEER:

Nee, het oog van de HEER rust op degenen die Hem vrezen en die op zijn liefde vertrouwen.

Hij zal hen vrijwaren van de dood, hen bij hongersnood in leven houden.

 

"In het huis van mijn Vader is plaats voor velen", d.w.z. voor iedereen. Jezus is trots op zijn Vader, zíjn Abba, ónze vader in de hemel. Zijn Vader heeft een heel groot huis; het zal vast ook heel  mooi zijn met intieme kamers waar je bij de Vader kunt in- en uitlopen en met gezellige zalen met blijde mensen vol goede Geest, met veel licht, een schitterende aankleding, met eetzalen waar het een feest is om aan te zitten en de heerlijkste gerechten te genieten en een tuin die nog mooier is dan het paradijs, en wat je ook maar kunt bedenken. En Jezus zorgt voor alles, hij bedient. (Lc 22,27.30)

Dat klinkt wellicht wat onrealistisch maar het gaat om de Heerlijkheid van de Vader en zo kunnen we wel de bedoeling van Jezus weergeven. Hij is uit op zo'n geluk voor ons. "Gelukkig alwie brood eet in het Rijk Gods" (Lc 14,15). Daar heeft Jezus alles voor over. Zozeer heeft God de mensen lief.

 

De eerste lezing gaat over het begin van de Kerk. In  het evangelie spreekt Jezus eigenlijk over het einde van de Kerk, als we in het koninkrijk zijn, dan is 'Kerk' niet meer nodig. Maar voor we zover zijn is er wél wat nodig: bediening van het woord, gebed en steun: onderrichten, vieren en zorgen.

Op zich was dat niets nieuws, ook de Joden kenden catechese, liturgie en diaconie, drie elementen op hun weg naar hun God. Voor die weg is vertrouwen nodig en psalm 33 zingt/bidt in de tussenzang "Volstrekt is het woord van de Heer, heel zijn handelen voltrekt zich in waarheid"/"Oprecht is immers het woord van de Heer en al wat Hij doet is betrouwbaar" en de natuur, de hemelen worden als bewijs gehanteerd voor die betrouwbaarheid. Als de natuur zo constant is, moet God zelf ook zo zijn. HijZ heeft haar immers gemaakt. Maar ook mensen kunnen de betrouwbaarheid van God tonen en wel door hulp aan behoeftigen. Je kunt hulp aanbieden zomaar, uit medelijden; je kunt dat ook doen in het besef dat je daarmee Zijn Naam heiligt, zijn faam van Hulp en Schild waar maakt. Dat je zo doende niet alleen gerechtigheid vestigt maar ook een ander helpt dat ook hij/zij God gaat loven als een gelukkig mens, opdat zijn Naam en Faam groter wordt.

 

Wij hebben als Christenen een pluspunt. Onze garantie van Gods betrouwbaarheid hoeven we niet alleen via de natuur te zoeken. Als we zijn leerling en volgeling zijn, we vinden haar ook in Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Door zijn verrijzenis toont hij de betrouwbaarheid van zijn Vader, die ten leven roept. Daarmee toont hij ook de betrouwbaarheid van hetgeen hij zelf heeft onderricht en beloofd. Door zijn verrijzenis geeft hij die betrouwbaarheid mee aan zijn Kerk, die immers een uitvloeisel van hem is.

Wat Jezus onderricht staat op hoogniveau te lezen in het evangelie van vandaag: "Wie mij ziet, ziet de Vader. De woorden die ik u zeg, spreek ik niet uit mezelf: het zijn de daden van de Vader, die in mij blijft. Ik ben in de Vader en de Vader is in mij".  Nogmaals: als Jezus niet was opgestaan uit de doden, waren deze woorden van hem goed voor mooie, blauwe lucht maar nu bieden zij ons stof tot nadenken, stof om ons te bezinnen. Zij blijven niet tot Jezus  beperkt maar hij draagt ze over aan ons, zijn volgelingen, zoals hij bij zijn sterven aan het kruis ons zijn Geest doorgaf volgens het Johannesevangelie. Via hem is de Vader, zijn Abba, met ons. Via hem hebben wij het mooist denkbare levensdoel dat wij ons kunnen indenken en dat geen einde heeft. Via Hem, via zijn Kerk.

Wat Jezus belooft is dat hij ons een plaats bereidt in dat grote huis van zijn Vader. Hij wil zo graag dat wij weer met hem verenigd zijn, dat hij ons zoals een kloek haar kuikens onder zijn vleugels bijeen brengt. Dan zijn we weer bij elkaar, definitief, volmaakt. Hij geeft ook aan hoe dat moet, langs welke weg we onderweg zijn naar het huis van de Vader. Hij is de weg voor zijn volgelingen, die doen als hij, zo goed mogelijk. Hij is ook de ware weg; zijn volgeling leert zijn realiteit, echtheid, betrouwbaarheid kennen. Hij is ook het leven die zijn volgeling onderweg geestelijk voedt, inspireert, moed inspreekt. Niet alleen in denken maar ook in praktisch doen als het b.v.  aankomt op ondersteuning, hulp bieden. Je doet immers in zijn Naam, in zijn Kracht, in zijn Kerk … opdat de Heerlijkheid van de Vader zichtbaar wordt in Zijn Huis.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als je hulp kunt bieden, denk je er doorgaans niet zo bij na: 'niet denken maar doen' denk je dan. Maar vergeet niet dat je hulp kunt bieden om Gods Naam te heiligen, om de Naam van de Vader waar te maken als 'de Betrouwbare'. Maar God heet ook "Hij die ten leven roept' en samen met 'de ten leven geroepene', de Verrezene, als de weg van leven kun je Gods-maximale-aanbod-van-steun beleven en honoreren. Dan laat je ook het woord Gods zich uitbreiden. Net zoals toen.

 

David zal psalm 33 hebben geschreven en gezongen. Zou hij enig idee hebben gehad hoe wij daarvan nu gebruik kunnen maken met Jezus als garantie? "Geef ons Heer uw barmhartigheid zoals wij op U vertrouwen"/"Uw genade, Heer, zij over ons gelijk wij U hoopvol verbeiden". Zullen we daar even over nadenken?

 

 

Zesde zondag van Pasen  A  5 mei 2002; 2005

Hand 8, 5-8.14-17; psalm 66; Joh 14, 15-21

Psalm 66  Heel de aarde, juich voor God,

zing een lied op zijn heerlijke naam, een loflied dat zijn glorie erkent;

en het luidt: `Hoe ontzagwekkend zijn uw daden;

Heel de aarde moet buigen voor U, zingen voor U, een lied zingen op uw naam.'

Kom en zie de werken van God, bij de mensen gevreesd door zijn daden.

Hij heeft de zee begaanbaar gemaakt, en te voet trokken zij door de stroom:

laten wij ons om Hem verheugen.

In zijn almacht heerst Hij over de wereld,

Kom dan en luister naar mijn verhaal, iedereen die ontzag kent voor God,

luister naar wat Hij gedaan heeft voor mij.

God is gezegend:

mijn gebed heeft Hij niet afgewezen en zijn liefde heeft Hij mij niet ontzegd.

 

Na de steniging van Stefanus zijn een aantal leerlingen verspreid en zo is Philippus is Samaria terecht gekomen. Hij 'predikt daar de Messias' zoals dat heet: hij beweert dat Jezus die lang verwachte beloofde was, de Gezalfde. Kennelijk overtuigt hij de mensen. Hij is zo begeesterd dat er iets wonderlijks gebeurt. De mensen worden 'gepakt' zoals dat heet  en zij ervaren eenstemmigheid. Zij richten hun aandacht op wat Philippus zegt en zien in, en zij maken mee wat hij teweegbrengt onder onreinen en kreupelen en lammen.

We kunnen wel eens jaloers worden op die mensen die gezamenlijk zo'n ervaring meemaken. De ouderen onder ons herinneren zich wel de bevrijding in '44/'45, de mensen in San Salvador ervoeren gezamenlijk het 'no passeran' tegen de verdrukkers en degenen die de val van de Berlijnse muur hebben meegemaakt vergeten dat nooit meer, vanwege de inhoud, hun bevrijding, én vanwege hun gezamenlijkheid. Zo'n ervaring hebben de mensen in Samaria ook opgedaan en geen wonder dat dan psalm 66 gezongen wordt "Steekt Gods loftrompet op aarde, zingt tot eer van Zijn Naam majesteitelijk"/psalm 66 gebeden wordt "Jubelt voor God alle landen, bezingt de heerlijkheid van Zijn Naam". Maar wij hebben vast wel een persoonlijke ervaring opgedaan in ons leven waarop wij persoonlijk psalm 66 beamen: 'verhalen wat God mij gedaan heeft in mijn leven'. "Hij wees mij niet af". En is het feit dat we hier bij elkaar zijn en samen onze hoop kunnen vieren geen reden om dank te zingen/zeggen? Zoals we hebben gedaan in de tussenzang. Is er dan ook geen sprake van begeestering?

Het werk van Philippus was niet af: Johannes en Petrus worden afgevaardigd om hen de handen op te leggen; ze waren immers alleen maar gedoopt. Dan ontvangen de mensen daar - na gebed - ook de H.Geest, "die Leven geeft". Zo zien we hoe doopsel en vormsel samenhangen: 'van Boven' worden geboren en vervolgens dat Leven voortzetten. Het Johannes evangelie geeft dat ook aan. Op de eerste plaats zegt het dat Jezus bij zijn sterven de Geest doorgeeft en vervolgens komt water en bloed uit zijn zijde. Water om het Leven in hem te ontvangen en Bloed om Leven in hem voort te zetten. Leven in hem, zijn Leven. En zegt u zelf maar: kunnen we mooier voor de Vader staan dan met zijn Leven? Gedoopt en gevormd in Zijn Naam?

 

In het evangelie hebben we de aanzet daartoe gezien. Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen, zijn dood komt dichterbij. Wat hij nu doet is het groot geheel van het Verbond betrekken bij zijn werk. Hij zegt: "Als ge mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden". Als de Joden in de woestijn voor de Sinaï gelegerd zijn, hoort Mozes hoe JHWH zegt: "Als jullie goed naar Mij luisteren, zullen jullie Mijn Verbond in acht nemen, …". "Als ge mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden" - "Als jullie goed naar Mij luisteren, zullen jullie Mijn Verbond in acht nemen".

De geboden voor de Joden zijn - kort gezegd - de tien geboden, de tien leefregels. De geboden van Jezus zijn - kort gezegd - de acht zaligprijzingen. Wat een geluk als je op zoek bent naar Geest - hoe goed als je troost biedt - wat een geluk als je zachtmoedig bent - wat goed als je opkomt voor de gerechtigheid - wat een geluk als je barmhartig bent - zalig ben je als je zuiver van hart bent, je zult God zien - wat goed als je vrede brengt - wat goed als je onrecht verdraagt. Zijn dit opgelegde geboden of 'geboden' als consequentie van liefde, als inhoud van liefde?

'Als je mij liefhebt, zul je dat alles kunnen'. Want ik ben bij je, zeker als men jullie beschimpt om mij. Want op mijn gebed, dat de Vader niet kan weigeren, op mijn gebed zendt de Vader jullie onze Geest. En jullie wéten dan dat dat onze Geest is want jullie kennen hem omdat je mij kent. Je kent mij omdat je mijn geboden onderhoudt. Het is de Geest die Zich manifesteerde toen Jezus zelf gedoopt was, die Jezus doorgaf bij zijn dood.

 

Jezus gaat nog verder. Hun Geest is niet alleen bij hen om hen te steunen, Hij is ook in hen. In hen omdat ze hem liefhebben. Die Geest en die liefde zijn zo sterk dat, als hij is verrezen, zij weten dat hij in zijn Vader is en zij in hem zijn en hij in hen. Eén innig verbond, verband, eenheid in liefde. En hij zal zich aan hen openbaren. Niet openbaren zoals hij nu is maar zó zoals hij bij de Vader is. Vallen we dan niet stil, staan onze gedachten dan niet stil, kunnen we anders dan afwachten wat ons zal overkomen, hoe dat zal zijn? We kunnen iets vermoeden afgaande op wat wij mensen als liefde ervaren, afgaande op wat wij als aanzet tot volledige eenheid zien. Voor de rest kunnen we ons alleen maar openstellen in ontvankelijkheid voor het onzegbare: zelfopenbaring van Jezus, eenheid in goddelijk leven. Al doende zoals hij.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je zult best wel het menselijk verschijnsel kennen dat je je mooi wilt maken, dat je mooi wilt zijn om op iemand indruk te maken of om iemand te eren. Is het dan ook niet reëel om - als je dat wilt - je voor God mooi te maken. De bijbel heeft het over 'zoals een bruid voor haar bruidegom'. Het 'mooi' zijn van Jezus kan je daarbij helpen, kan een maatstaf zijn.

 

Hij in de Vader, wij in hem, hij in ons. Zo sterk, zo één. Kunnen we dan nog wel over God spreken als over de Ander?

Gunnen we ons daartoe even de rust.

 

Zevende zondag van Pasen  8 mei 2005

Hand 1, 11112-14; psalm 27; Joh 17, 1-11a

Psalm 27  De HEER is mijn licht, mijn heil - voor wie zou ik vrezen?

De HEER is mijn burcht, mijn behoud - voor wie zou ik beven?

Want ik heb één verzoek aan de HEER, ik ken slechts één verlangen:

wonen in het huis van de HEER, al de dagen van mijn leven,

om te genieten van de pracht van de HEER, met vreugde zijn heiligdom in mij op te nemen.

Hoor, HEER, hoe hard ik roep. Ontferm u en geef mij antwoord.

Tot U zegt mijn hart: 'Ik zocht uw gelaat.' Uw gelaat blijf ik zoeken,

 

Wat er gebeurt in de eerste lezing en in het evangelie is eigenlijk heel spannend. Het gaat om het huis van de Heer, om Zijn Domein, om het zoeken van Zijn aanschijn. De apostelen gaan van de Olijfberg naar de bovenzaal in Jeruzalem, binnen sabbatsreis; zij blijven binnen het heilige dat zij hebben ervaren bij Jezus' Hemelvaart, binnen de belofte dat hij terugkomt. Het is een plechtig moment: alle apostelen worden met name genoemd en ook Maria, terwijl de vrouwen en zijn broeders niet worden vergeten.

Zij blijven eensgezind in gebed. Eensgezind bijeen. Dat is wat de Geest doet, wat de Geest kan doen als wij met die intentie bijeen zijn, als wij het huis van de Heer willen zijn. Ze bidden in verwachting: er moet iets gebeuren zodat Zijn Domein tot ontplooiing zal komen. Ze hebben een afscheid achter de rug dat geen einde inhoudt maar een voortzetting, een onbepérkt vervolg, niet meer afhankelijk van de plaatselijke aanwezigheid  van Jezus. Het was een afscheid maar dan wel een afscheid in liefde, die alomvattende verbondenheid insluit; 't is niet voorbij want liefde is blijvend. Ze zullen het beeld van Hem die opsteeg en hen zegende, zijn Aanschijn, niet vergeten; het zal hen bij blijven en inspireren.

 

In het eerste deel van het evangelie van vandaag zoekt Jezus  het Aanschijn van de Vader, hij zoekt het op. In de wereld die de Vader niet uit eigen kracht kan zien, wil hij Diens Aanschijn laten blijken, wil hij Diens Heerlijkheid laten zien. Hij moet nu afscheid nemen van de wereld, vooral van zijn leerlingen, en hij bidt eigenlijk alleen, in een persoonlijk gebed, om de Heerlijkheid die blijvend is, die eeuwig leven inhoudt, in hem persoonlijk zichtbaar wordt. We kunnen denken aan het gebed van Mozes, die ook alleen in een toppunt van Godservaring bad tot God: "Laat mij toch uw Heerlijkheid zien". Is groter intimiteit mogelijk? Hij neemt afscheid binnen liefde, liefde tot zijn Vader, liefde tot zijn leerlingen, liefde die blijvend is, maximale liefde die helemaal geen sabbatsafstand kent. Hoe zou Jezus op dat moment van zijn leven - bij het laatste Avondmaal - zich gevoeld hebben richting zijn Abba? Hij had zijn werk gedaan: "Verheerlijk mij nu, Vader …"

 

In het twee deel van het evangelie bidt Jezus ook voor zijn leerlingen, expliciet. Zij moeten het werk voortzetten waarmee hij die heerlijkheid heeft verdiend. Het huis van de Vader, zijn Domein, zijn Rijk moet ingevuld worden tot aan de grenzen der aarde, eeuwig leven voor iedere mens. De hele wereld moge het Aanschijn van de Vader zien, iets bemerken van de intimiteit tussen Vader en Zoon, basis voor onze intimiteit met hem.

Zijn leerlingen hoeven dat niet uit te voeren als een klus van buitenaf opgelegd, zij kunnen het beeld van Jezus meedragen: zij hebben de woorden, de boodschap van de Vader aangenomen, ze hebben erkend dat hij van de Vader is uitgegaan en ze hebben in zijn zending geloofd. Zo wordt hij in hen verheerlijkt, zo blijft hij bij hen, meer nog: zo blijft hij in hen, zo houdt hij hen binnen zijn Liefde, zijn Kracht.

Het pad van de apostelen leidde niet bepaald over rozen, ook nu is de Kerk een strijdende Kerk. Maar de troost moge altijd zijn dat wij in het huis van de Heer volhardend zijn Aanschijn mogen zoeken, het afscheid van Jezus telkens weer als een verbond in liefde mogen beleven, dat Kracht inhoudt.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het kan best zijn dat je moedeloos wordt omdat er nog zo veel moet gebeuren en niks opschiet; wanneer komt het nu eens klaar? Het komt nooit klaar. Het is altijd een verder gaan, een voortduren. Maar als je al doende en denkende je mag verheugen in het weten dat hij met jou bezig is, dat je mag weten dat je bezig bent met zijn Heerlijkheid, dat je in het huis van de Heer zijn Aanschijn zoekt - al doende en denkende - als je dat in de gaten hebt, kan het dan nog veel schelen of het werk klaar is? Je bent bezig in een liefde die grenzeloos is, ook voor jou.

 

Eensgezind volhardend in gebed, in verwachting van iets dat gaat gebeuren. Toen begonnen, nog steeds voortgaand, in een verwachting zoals liefde die kent. Binnen sabbatsbereik.

 

Pinksteren  A zondag 19 mei 2002; '05

Hand 2, 1-11; psalm 104; Joh 20, 19-23

Psalm 104   Prijs de HEER, o mijn ziel. HEER mijn God, U bent machtig groot,

Hoe veelzijdig is wat U doet, o HEER, de aarde is vervuld van uw kunstenaarschap.

Ontneemt U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.

Maar geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw.

Glorie zij de HEER voor immer en altijd;

dat Hij vreugde zal beleven aan alles wat Hij gemaakt heeft:

Mijn lied zal Hem bevallen, en ik vind mijn vreugde in de HEER.

 

Han Fortmann heeft eens geschreven dat een vis pas op de kar van de visboer zou ontdekken dat hij een waterdier is - als dat beestje kon ontdekken. Zo iets geldt ook voor ons. We zijn misschien verwend want we zouden pas ontdekken wat de Geest is als het een dooie boel is geworden. Geest is overal en altijd.

 

Natuurkundigen die bezig zijn met de kleinste delen in de natuur en hun beweging zien, vragen zich wel af hoe dat alles in beweging blijft. Biologen die het leven zich zien afspelen in de kleinste dingen, vragen zich wel af wie dat alles gaande houdt. En we hoeven niet ver te zoeken: wat is dat, dat leven wat ik zelf doe? Het is de geloofsbelijdenis van de Jood, de Christen dat hij beaamt, accepteert dat bij de schepping de Geest Gods boven de oerwateren zweefde, of het water tot leven bracht. "zweefde","bracht", verleden tijd? Gaat schepping niet continu door? Kunnen we binnen die geloofsbelijdenis niet zeggen dat de Geest van de Schepper de schepping gaande houdt? Ook mijn biologische leven? Tot op mijn gebeente toe zoals de bijbel wel schrijft.

 

De schepping is een zichtbare manifestatie, uitbundig, en net als bij de schepping is de Geest ook actief bij het begin van de Kerk. Hij uit Zich  met een gedruis en als een vuur die Zich van de aanwezigen meester maakt, de apostelen, Maria en anderen, die eensgezind volhardend in gebed bijeen waren. Wat in een besloten kring gebeurt, wordt naar buiten zichtbaar als de pelgrims vanuit de hele wereld en de bewoners van Jeruzalem te hoop lopen en zij worden overdonderd door al die talen waarin zij persoonlijk worden aangesproken. Toen werd het duidelijk naar buiten.

 

Maar net zo min als de Geest alleen bij het begin van de schepping actief is net zo min is Hij alleen actief bij het begin van de Kerk, Hij is het nog steeds. Hoe vaak lezen we niet in de bijbel dat mensen worden gedreven door de Geest, hoe profeten profeteren over de Geest, dat Jezus zijn Geest belooft aan de leerlingen, dat Paulus schrijft over de werken van de Geest: "Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid. Tegen zulke dingen kan de Wet niet op" - de Joodse Wet die zij als knellend ervoeren en de 'Wet' van de Geest (de Geest van Jezus) die zij als bevrijdend ervoeren. De Geest die actief is en blijft in de Kerk, de goede Geest die niet te vervangen is door een wet, die niet te vangen is in een wet. En dat geldt ook in onze huidige situatie.Een burgerlijke wet haalt het niet bij de 'wet' van de goede Geest. Voor het leven is meer nodig dan menselijke afspraken. Het is nog steeds een van de taken van de Kerk om maatschappelijk kritisch en relevant te zijn, om de goede geest te bevorderen, daarbij gesteund door Gods Geest, opdat ons leven goed is.

 

Is dat alles geen reden om eens per jaar, als het nieuwe leven in de natuur zich aandient, het Feest van de Geest te vieren? Zendt Gij Uw Geest, dan komt er weer leven - dan maakt Gij Uw schepping weer nieuw"/"Zend Gij Uw ademtocht, uw werken ontstaan; het gelaat van de aarde vernieuwt Gij" hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

 

Gods Geest uit Zich niet alleen naar buiten, Hij is ook een persoonlijke Kracht, naar binnen gericht, intiem. God geeft Hem aan ieder die erom vraagt. Hij getuigt bij mensen persoonlijk van de waarheid, geeft mensen persoonlijk een overtuiging mee, geeft mensen persoonlijk Kracht. Als we bedenken hoe Jezus zijn leerlingen de Geest belooft - we hebben het de vorige zondagen gelezen hoe hij in het hogepriesterlijk gebed vanuit zijn Intimiteit met Zijn Vader hun de Helper toezegt. Vandaag lazen we in het evangelie hoe hij in hun besloten kring binnen komt, hun vrede toewenst, 'sjaloom', vreugde schenkt en dan over hen blaast om hen de Heilige Geest te geven, niet in een stormwind maar in een bries, zijn zachte adem. Dan beginnen de woorden van Paulus te resoneren "U hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen 'Abba'", heel vertrouwelijk: 'Pappa'. De Géest doet ons uitroepen, de Geest is werkzaam in ons: "De Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hijdie de harten doorgrondt, weet wat de Geest bedoelt …" Als "Abba' ons hart doorgrondt, is dat dan niet de plek waar wij zijn zoals we graag goed willen zijn, waar we zijn zoals Hij ons heeft bedoeld? De plek waar Hij Zijn Woord heeft neergelegd, Zijn Levenswoord, voor mij? Het Woord, dat tot Leven komt, als ik vraag om de H.Geest. Het Woord dat door Jezus herkend wordt.

 

Als Jezus over de apostelen blaast om hun de Geest mee te delen, geeft hij hun de macht om zonden te vergeven. Zondevergeving is de blijde boodschap van het N.T. Zij maakt de weg naar God vrij voor hen die naar zijn Beeld zijn geschapen, niet alleen voor ons individueel ook voor de hele wereld. Op die vrije weg kan de Geest onze gelijkenis met God steeds meer vormen zodat wij Hem kunnen bereiken. Moge dit toch voor de hele wereld gelden.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het gaat om een ernstige en serieuze zaak: Jezus geeft niet alleen de macht om zonden te vergeven maar ook de bevoegdheid om zonden níet te vergeven.

Halleluja roepen is geen garantie voor de Geest. Geest is ook niet hetzelfde als een fijn of zoet gevoel. Het gaat om drijvende Kracht in je; je wilt er wat van maken, iets goeds van maken. Hoe je kunt weten dat het om de H. Geest gaat, merk je als je doet zoals Jezus deed, dan handel je in zijn Geest want het is de goede Geest. Dan ga je merken dat je samen met Jezus doet omdat zijn Geest meedoet. Je gaat ook denken zoals Jezus dacht en … bad. Zijn Geest bidt in ons. De Geest, Gods drijvende Kracht, Gods Adem, Gods Helper, die ook naar buiten waait waar Hij wil.

 

Het Feest van de Geest is als een uitslaande brand maar niet zonder die vonk in ons die wij tot vuur laten blazen. Zullen we daarvoor even open stellen?

Zie lied desgewenst lied Gods Levenskracht

 

Drievuldigheidszondag A  22 mei 2005 ('08)

Ex 34, 4b-6.8.9; Dan 3, 52-55; 2Kor 13, 11-13; Joh 3, 16-18

Daniël

"Geroemd bent U, Heer, God van onze voorvaderen, geprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd is uw glorievolle en heilige naam, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd bent U in uw heilige en glorievolle tempel, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd bent U die op kerubs troont en de afgronden doorziet, geprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd bent U op uw koninklijke troon, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd bent U in het firmament van de hemel, geprezen en geroemd in eeuwigheid."

 

Degenen onder ons die van harte gregoriaans hebben gezongen en zij die het nog zingen vergeten die juichkreet niet meer: "Benedicta sit Sancta Trinitas", "Gezegend zij de Heilige Drie-heid". De 'tune' die God als bron van zegen erkent en die door de hele wereld gaat met het 'Heer, ontferm u' en 'Eer aan de Vader en de Zoon en de H.Geest'. In de tussenzang hebben wij het loflied van de drie mannen in de vuuroven gebeden/gezongen "Geprezen zijt Gij, Heer, God onzer vaderen.U komt de lof toe in alle eeuwen"/"Geprezen zijt Gij, Heer, God onzer vaderen. Lofwaardig en roemrijk voor eeuwig". Die drie mannen waren in nood en zij zijn gered: het vuur deerde hen niet. Wij hebben ons daarbij aangesloten. De hoogte en de diepte en de verten van de hele schepping zijn nog niet genoeg om aan te geven hoe geweldig onze God is, de God onzer vaderen - zeggen de Joden, de God van Abraham, Isaak en Jakob - en wij zeggen de Vader van Jezus, de Christus, onze Schepper.

 

Tegenover die uitbundigheid staat de stilte van wat gebeurt in de lezingen: God met Mozes en Jezus met Nicodemus. Zij alleen. In de 1e lezing uit Exodus hebben we gezien hoe Mozes de Sinaï op gaat; hij moest alleen komen, alleen voor God gaan staan. Even te voren staat geschreven dat de Heer tegen Mozes zegt: "Hier bij Mij is nog plaats, kom op de rots staan". God - Mozes; Heer - bemiddelaar. Alleen zij. Nu daalt de Heer neer in een wolk, de wolk van Zijn Aanwezigheid, en God laat Mozes horen dat Hij het is, Hij noemt zijn Naam, JHWH, Hij-is-er, de Al-om-tegenwoordige; vervolgens zegt Hij ook hóe Hij is: barmhartig, genadig, geduldig, groot in liefde en trouw.

In het evangelie praten Jezus en Nicodemus met elkaar, face-to-face zouden wij zeggen, onder vier ogen. Alleen zij beiden. Het is een diepzinnig gesprek, Jezus heeft het over 'van boven geboren worden', leven van uit de Geest. En ook nu komt naar voren hoe God is: Hij is zo gek - in onze termen - dat Hij zijn eniggeboren Zoon naar de mensen stuurt, aan de mensen schenkt om hen te redden, niet om te veroordelen maar opdat zij via de Zoon naar God toe kunnen leven. Zo groot in liefde is God - de God van de vaderen, de Abba van Jezus. De eerstgeboren zoon is de trots van de Joodse vader; wat moet de eniggeboren zoon dan wel niet zijn?  Hoe moet God dan wel niet zijn als Hij zelfs hem schenkt uit bezorgdheid?

In die stilte, die intimiteit groeit bij Mozes en Nicodemus persoonlijk het inzicht hoe God is. Maar Mozes komt niet voor zich zelf, hij heeft twee nieuwe stenen tafelen bij zich. Hij zit met een halsstarrig volk dat net een pas gesloten verbond heeft ontkracht en voor wie hij nu weer om genade komt vragen. En als God heeft gezegd dat Hij barmhartig is, valt Mozes direct op de knieën en vraagt of God toch a.u.b. met hen, dat volk, wil meetrekken. Ja, God trekt met hen mee, door de woestijn, door de Jordaan het Beloofde Land in. Ja, God trekt ook nog met Zijn volk mee in Zijn Zoon, de eniggeborene, die maximale liefde hanteert, want God is groot in liefde en trouw.

 

Mozes noch Nicodemus  hebben de indruk vergeten die dat gesprek op hen heeft gemaakt, de afdruk die in hun ziel is ontstaan en gebleven. Misschien kun je wel speken van de heilige kus, die Paulus noemt. Er was sprake van nood, een brandende vraag, en God heeft daaraan beantwoord. Als we het hun zouden vragen, zouden zij vast en zeker de lofzang van de drie mannen in de vuuroven vervolgen: Gezegend zijt Gij, Heer, want Gij hebt onze nood gezien, ons gered, onze vraag gehoord en beantwoord.

 

Wij hebben ook die lofzang gezongen/gebeden en dan ligt er nu de vraag of wij zijn gehoord en gered, of wij persoonlijk, vanuit eigen ervaring, vanuit eigen geloofsbeleving zo'n lofprijzing kunnen bidden. Met Kerstmis, de menswording - wij zijn Godskinderen -, met Pasen, de verrijzenis - ons eeuwig Leven - , met Pinksteren, de Geest die overal waait - ook in ons persoonlijk -, met die drie feesten kunnen we het complete verlossingswerk van onze God vieren: de Vader, eeuwig, onveranderlijk en barmhartig, de Zoon die goddelijke intimiteit aanbiedt, de Geest die ons naar hen toe drijft, over de hele wereld. Als je dat beseft, kun je dan niet voorzichtig spreken van 'de heilige Kus'? De Kus van de drie-ëne God die Zijn intieme eenheid meedeelt aan ons?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Misschien doet de Heilige Drie-Eenheid wat hoog gegrepen aan, iets wat zich boven je hoofd afspeelt, over jou heen. Misschien dat je je afvraagt  hoe dat nu kan met drie personen en toch éen God? Maak je niet druk om die vraag: een Joods, bijbels, gegeven is niet makkelijk met begrippen, laat me zeggen met 'westerse' ideeën te ontrafelen. De betékenis ervan is wezenlijk: 's Vaders continue goedheid voor ons, des Zoons inzet om ons en zijn intimiteit met ons, des Geestes levendigheid in ons. Als je dat zoekt of vindt, zij het je gegeven: Zo is onze God, HijZ zij geprezen.

 

"De genade van O.H.Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de H.Geest zij met ons allen". Zou dat voor ons de heilige kus mogen zijn. Zullen we even de tijd nemen?

 

 

Sacramentsdag  A  30 mei / 2 juni 2002; '05

Deut 8, 2.3.14b-16a; psalm 147; Joh 6, 51-58

 

Psalm 147   Loof de HEER, Jeruzalem, prijs je God, Sion:

Hij versterkt de grendels van je poorten, Hij zegent de kinderen binnen je muren;

Hij is de beveiliging van je grenzen en schenkt vette tarwe in overvloed.

Een boodschap  zendt Hij uit naar de aarde en haastig trekt zijn woord eropuit:

Aan Jakob verkondigt Hij zijn woord, het bestel van zijn wetten aan Israël.

Met geen ander volk heeft Hij zo gehandeld, zij kennen zijn wetten niet.

 

Eigenlijk is het gek dat wij hier nu nog gedenken wat zo'n 3000 jaar geleden is gebeurd. We herkennen de lading van wat toen aan de hand was. Dan krijgen de woorden van Mozes "blijft denken aan…" toch wel een bijzondere betekenis.

Als de Joden zich hebben gevestigd in het Beloofde Land, wordt de Wet van Mozes nog eens bij elkaar gezet - de Wet voor de tweede keer - zou je kunnen zeggen: Deuteronomium. Daarin wordt in herinnering geroepen hoe het allemaal is gekomen: de uittocht uit Egypte, de redding door de Rode Zee, in deze lezing: de beproevingen in de woestijn. Ze hebben honger en dorst geleden omdat hun God hen wilde beproeven, en hun God heeft Zijn Naam gestand gedaan 'JHWH': 'Hij is er'; Hij was aanwezig om hen te helpen in hun nood. Zo leerden zij Hem kennen. Een proces van veertig jaar, 'veertig', een ontwikkeling.

Dat was hun ervaring, de ervaring van een volk. Als de woorden van Mozes toentertijd nu actueel zijn, kunnen we niet zo spreken van een gemeenschappelijke ervaring, de ervaring van een volk. Kan, mag zo'n soort ervaring voor ons persoonlijk gelden? Ieder heeft in zijn leven wel zo'n tocht door eigen woestijn gemaakt in wat voor een vorm dan ook. Dan dringt zich de vraag op of jij dat hebt ervaren als beproeving van God, of je nu - desnoods achteraf - die ellende als beproeving wilt zien. M.a.w. dat God er toch was in jouw ellende doordat - toen de maat vol was - God jou iemand heeft laten zien, of doordat je je toen vast greep aan een strohalm die een boom bleek te zijn geplant aan het water, of doordat je een andere reddende gebeurtenis meemaakte. Die moeilijkheden als een beproeving willen en kunnen zien, erkennen dat je toen toch in Zijn hand was, dat HijZ niet wilde dat je verloren zou gaan, is een geloofszicht. En als je dan omkijkt in verwondering, komt de idee naar boven dat je God een beetje hebt leren kennen op jouw weg, op jouw manier, dat 'Hij-is-er-altijd', de Aanwezige is en ook de 'Hij-is-altijd' is, de onveranderlijke, betrouwbare, de Eeuwige.

Dan moge als in de tussenzang een loflied naar boven komen van: "Loof de Heer, Jeruzalem"/"Roem, Jeruzalem, de Heer". Jeruzalem, prijs de Heer, stad van God; jij zelf, prijs de Heer, kind van God. Verheerlijk de Aanwezige, de Eeuwige om Zijn verbond met ons, met mij.

 

Wat het evangelie van Joh ons vertelt is geen 3000 maar zo'n 2000 jaar geleden gebeurd, echter het gaat wel veel dieper. "De mens leeft van alles wat komt uit de mond van de Heer" zegt Deuteronomium. Niet alleen van de scheppingswoorden die ons leven en voedsel geven, maar ook van Het Woord dat een meer-leven bedient, dat Zijn Wezen openbaart, het Woord dat op aarde rondloopt, 'tussen de mensen in'. In de synagoge van Kafarnaüm zegt dat Woord dat hij het levende brood is dat uit de hemel is neergedaald, het echte, eeuwige Brood voor het echte onverwoestbare Leven. En dat niet alleen voor de Joden, die de Wet hebben, maar voor de hele wereld, die een nieuwe 'Wet' krijgt.

"De Joden geraakten daarover met elkaar aan het twisten", schrijft Joh. Een aantal vond dat dat niet kon; kennelijk begonnen anderen iets te vermoeden, ging hun een licht op. Wellicht bedachten zij: onze vaderen hadden het Manna ook nooit gezien, nooit ervaren; toch was het er, kwam het naar hen toe in hun nood. Zou het nu ook niet mogelijk zijn dat Hij ook Brood is, uit de hemel neergedaald? Dan zegt Jezus het uitdrukkelijk: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u". Als het erop aan komt, gebruikt Jezus niet de gebruikelijke Rabbi-formule 'maar ik zeg u', nee, hij zegt "voorwaar" en dan nog eens "voorwaar", "Ik zeg U: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet  en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u". "Het" Leven: de vaderen hebben het manna gegeten en zijn toch gestorven; Jezus doelt kennelijk op een meer-Leven, hoger dan het aardse. Daartoe strekt het Vlees van de Mensenzoon: tastbaar, zichtbaar, proefbaar, niet alleen maar een gedachte. Dat is al zoveel - en dan ook nog zijn bloed drinken - dat was voor een Jood volkomen nieuw, onmogelijk, zo niet godslasterlijk. Tenzij … God dat zegt. Brood en Wijn reiken tot in de hemel, tot in zijn Lichaam.

 

Jezus gaat door: "Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven. Eeuwig leven is niet iets dat nog komen zal, nee het is er reeds - zij het nog niet onbeperkt. Als wij 'goede werken' doen, als we bidden, als we ons van de Aanwezige bewust zijn, zijn we bezig met eeuwig leven. En nu zegt Jezus dat degene die door hem wordt gevoed dat Leven heeft. Dit gaat dieper dan een Aanwezigheid buiten ons, dit gaat nog verder dan wanneer een moeder haar kind voedt. Die twee blijven nog buiten elkaar. Jezus spreekt van in elkaar zijn, een Inwezigheid.

Zo gaat Jezus nóg verder door, het is niet 'alleen maar' zijn persoon, het is zijn wezen, zijn Goddelijkheid die hij deelt met Zijn Vader, zijn 'Abba'. 'Zoals ik gezonden ben door de Eeuwig Levende' zo ga ik door naar jullie, in jullie, met diezelfde eeuwigheid, met goddelijk Leven. Dat kan alleen God zeggen. God die de wereld wil redden, er is voor de hele wereld, de Aanwezige. Is meer mogelijk? Meer mogelijk dan God in mij? De nieuwe 'Wet'.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Jullie zijn niet zo groot gebracht met het heilige van de Communie zoals vroeger gewoon was. De vraag is vaak: het is wel mooi maar hoe kan dat? De vraag waarover de Joden twistten; heel normaal. Maar als je iets van een Aanwezigheid kent, hebt leren kennen in je leven, zou het dan verkeerd zijn om dat over je te laten komen? Als je bedenkt dat symbolen, dat heilige tekens, eeuwigheid en aardsheid met elkaar verbinden, is het dan niet mogelijk om - op zijn woord - het Lichaam van Christus in je handen te houden? Om zijn Bloed te drinken? Te delen in zijn leven?

 

"Blijft denken aan …", zei Mozes, "… tot mijn gedachtenis", zei Jezus. Niet als iets dat alleen maar ooit gebeurde maar wat altijd door is. Gunnen we ons de gelegenheid om daaraan te denken, niet alleen nu maar ook straks - iedere keer als we te Communie gaan: Aanwezige, Eeuwige, Inwezige, eeuwige Liefde.

 

 

Negende zondag door het jaar A 2005

Deut 11, 18.26-28; psalm 31 2-4.17.25; Mt 7, 21-27

 

Psalm  31

Bij U, HEER, kom ik schuilen, beschaam mij nooit ofte nimmer, bevrijd mij in uw rechtvaardigheid.

Leg uw oor te luisteren  en kom mij snel te hulp;

wees mijn machtige rots, de burcht die mij zal beschermen.

Ja, mijn rots en vesting bent U.

Omwille van uw naam, leid mij en geef mij rust;

Laat uw lichtend gelaat over uw dienaar schijnen, red mij, want U hebt mij lief.

Jullie, die wachten op de HEER, wacht met een dapper, standvastig hart.

 

De tekst van de 1e lezing komt al gauw over alsof je voor het blok wordt gezet: zegen als je gehoorzaamt en vloek als je niet gehoorzaamt. Maar in zo'n sfeer is Deuteronomium niet geschreven. Op het eind van het boek staat, als een soort afsluiting (30,19): "Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies het leven …". 'Kies het leven als invulling van wat jullie hebt ervaren vanaf Egypte tot nu toe in het Beloofde Land.' Dat is de teneur: kiezen.

Wat jullie hebt ervaren staat in de Tora bijeen gezet, verwoord. Prent die woorden in je hart, geef ze een plaats in je leven, zoals je vanuit je hart graag wilt leven. Leven, uitleven in denken en doen: houdt deze woorden in je hand als je doet, houdt deze woorden in je hoofd als je denkt, zoals een hoofdband je hoofddoek vasthoudt. Doe en denk naar de Heer toe, dan zit je goed.

Loop niet achter vreemde goden aan hier in Kanaän, goden die jullie niet hebt leren kennen zoals je de Heer hebt leren kennen; jaag niet consumptiedrang na, voorbijgaande dingen die geen voldoening geven, je leven niet invullen, je geen kracht geven. Zoek je heil bij de Heer bij wie je kunt schuilen, op Wie je kunt rekenen, van Wie je kunt vragen dat Hij je rots is. En als je dan weer hebt ontdekt, zelf hebt ontdekt dat Hij je rots en burcht is, dan is er geen sprake van dwang maar van eigen keus. Een keus die je in dankbaarheid maakt - omwille van Zijn Naam, JHWH, 'Ik-ben-er'. Zo is de sfeer van Deuteronomium.

 

Het evangelie kan ook de indruk wekken dat er dwang wordt uitgeoefend. Jezus heeft het over de wil doen van zijn Vader. Je zou nog kunnen zeggen dat als Jezus de wil van zijn Vader wil doen - dat moet hij dan zelf weten, maar … ik? Ja inderdaad: ik. Als ik zijn volgeling wil zijn, als hij mijn burcht is, is het dan gek om ook nog verstandig te zijn? Verstandig als de man die zijn leven bouwt op God? Jezus koos er zelf voor om de wil te doen van zijn vader in de hemel, helemaal, en hij biedt ons aan om ons op die rots te zetten - doordat wij naar Hem horen en doen wat hij zegt tilt hij ons op. Het stukje evangelie van vandaag is ook weer een soort afsluiting en wel van de het leergedeelte van Mt, dat de Bergrede als pronkstuk heeft. Ook hier weer een aanbod: als je doet als ik - we mogen zelfs zeggen als je doet samen met mij - dan stel ik je veilig, tast het kwaad, het onheil  jou niet aan.

Doen als Jezus is niet zo maar wat. Op de dag dat het erop aankomt, op "die dag", is men nogal gauw geneigd om hulp te roepen en argumenten te gebruiken als "Hebben wij niet in uw naam …. ? " Als het om mensen gaat die ooit wel eens iets hebben gedaan, is het logisch dat Jezus zegt dat hij hen niet kent. Maar als nou het om mensen gaat die echt in zijn naam hebben gedaan, zegt Jezus dan toch: "Nooit heb ik u gekend"? Wellicht is het mogelijk dat we daden in zijn naam kunnen verrichten die groot zijn omdat ze in zijn naam zijn verricht; dus hij deed het, niet wij. Maar meer voor de hand ligt dat we als criterium hanteren dat het om de wil van de Vader gaat en niet om eigen wil, eigen behoefte, maar in dienst van. Als wij in dienst van de Vader werken hebben verricht - met Jezus' naam als hulp - dan kent hij ons.

 

Er is nog iets: "Ik heb u gekend". 'Kennen' - meer dan 'leren kennen', bij Jezus is het ook 'erkennen' en 'herkennen'. Hij hoeft ons niet te 'leren kennen'. Hij ziet en weet en kent, helemaal.  "Laat uw lichtend gelaat over uw dienaar/dienares schijnen" hebben we gebeden in de psalm. Mogen we niet vragen of hij zijn Licht laat schijnen tot in onze ziel? Hij kent ons toch. We werden opgeroepen om die woorden in ons hart te prenten maar ook in onze ziel, waar het goddelijk levensbeginsel ligt, Het Woord. Is er dan geen herkennen, erkennen, kennen? "In 't zalig Licht van Aangezicht tot aangezicht". In stille allesomvattendheid.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als je jong bent, ligt dadendrang voor de hand - aanpakken! Niks mis mee. Maar houd in de gaten dat je het het vruchtbaarst werkt als je in dienst van de Vader doet. Dat vraagt om kritisch tegen je bedoeling aankijken; dat biedt troost als het anders gaat dan je dacht dat het zou moeten gaan; dat schept een band. Je hoeft het nl. niet alleen te doen en die band knelt niet.

 

Laat uw lichtend gelaat over mij schijnen bij denken en doen, tot in mijn ziel.

Zullen we ons even bezinnen?

 

Tiende zondag door het jaar A  5 juni 2005; '08

Hos 6, 6-9; psalm 50, 1.8.12-15; Mt 9, 9-13

 

Wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God

Psalm 50  De HEER, de God van de goden, spreekt

en heel de aarde roept Hij op, vanwaar de zon rijst tot waar zij daalt.

Om uw offers verwijt Ik u niets, geen brandoffer is Mij ontgaan,

Zou Ik het vlees van stieren soms eten? Of het bloed van bokken soms drinken?

Laat uw offer een dankoffer zijn, kom uw geloften aan de Hoogste na.

Dan mag u Mij roepen in dagen van nood,

en Ik zal redden, omdat u erkent wie Ik werkelijk ben.'

 

De sfeer in de lezingen en de tussenzang wordt gekenmerkt door tegenstellingen. Hosea, die graag huwelijks- en liefdesbeelden gebruikt, die over "de lenteregen die de aarde drenkt" spreekt, vraagt om kennis van God en stelt de priesters aan de kaak die moorden  op weg naar het heiligdom in Sichem. Psalm 50 smaalt over dierenoffers die eigenlijk dank offers moeten zijn en de mededogenloosheid van de Farizeeën steekt schril af tegen Jezus' barmhartigheid. Telkens worden we met twee benen op de grond gezet.

 

God zet ook Efraïm en Juda met twee benen op de grond. Ze zeggen dat ze moeite willen doen om Hem te kennen maar God stelt dat ze hoogstens verliefd zijn. Verliefdheid is zo mooi, maar is als de ochtendnevel, als de dauw die verdampt in de warmte van de dag. Ze houdt geen stand, zoals liefde wel doet. Daarom slaat de Heer op hen in met harde woorden. Ze zeggen wel en ze willen wel, maar ze doen niet.

In de psalm hetzelfde gegeven: men brengt wel offers, zelfs brandoffers die verzoening tussen God en de mensen moeten bewerken, maar de Heer hoeft niet nog een stier of een bok ter consumptie. Heel de aarde is al van Hem. Met smalende worden wijst Hij het af.

 

Wij weten het wel: Hosea zegt dat God barmhartigheid zoekt, het meelevende hart in het offer, het leven dat zich aan Hem toewijdt. Zelfs meer dan naar brandoffers kijkt  God uit naar mensen die uit zijn op kennis van Hem. En in de psalm wacht De Heer op iets anders dan wat ze aanbieden nl. op wat met het offer tot uitdrukking moet worden gebracht: afhankelijkheid erkennen, aanbidding vanuit het hart, ontzag voor Hem, dank aanbieden - God willen leren kennen.

Als we dit naar ons vertalen, is dan niet het zinnetje "Laat uw offer een dankoffer zijn" een goed aanknopingspunt? In de eucharistie brengen wij ook het dankoffer 'door Hem en met Hem en in Hem'. Maar zowel de lezing uit Hosea als de psalm leggen ons de kritische vraag voor wat ons aanbod waard is. Bieden wij inderdaad onze dank aan of zijn we hier uit gewoonte. Brengen we onze inzet, onszelf, mee naar de viering en nemen we, gesterkt en verrijkt, ons Christen-zijn mee naar huis? Of gaat de dienst vanzelf voorbij? Dringt het tot ons door waarmee we bezig zijn? Geldt ook hier voor ons niet het verschil tussen verliefdheid en liefde?

Een tweede aanknopingspunt zij wat Jezus tegen de Farizeeën zegt: "U moet maar eens leren wat dit zeggen wil 'Barmhartigheid wil en geen offer' ". Hun houding t.o.v. tollenaars en zondaars was negatief en indirect lieten ze zich laatdunkend over hen uit, terwijl Jezus juist bezig was om die mensen een hart onder de riem te steken, ook eens met hen maaltijd vierde, barmhartig was. Natuurlijk zijn wij geen farizeeërs - stel je voor zeg - maar is er voor ons geen aanleiding om kritisch te vragen hoe wij zij t.o.v. loosers, andersdenkenden, defecten, illegalen en noem maar op? Dat betreft vaak moeilijke situaties, niet zomaar in te vullen maar sluiten wij hen in? Wellicht zijn er persoonlijke situaties en ontmoetingen waarin we ons kunnen afvragen of we iets doen wat aansluit op die opmerking van Jezus:"Barmhartigheid vraag ik"?

 

Die opmerking is een "oordeel dat doorbreekt als het licht", dat "als de dageraad verschijnt". God is rechtvaardig - daarin hadden de Farizeeën gelijk - maar als HijZ even kan is Hij nog barmhartiger. Zonder barmhartigheid, zonder je hart, leer je God niet kennen. Zijn Naam is immers o.a. 'de Barmhartige'. "De barmhartigheid zegeviert over het oordeel" (Jak 2,13); zo voornaam is zij. Onze barmhartigheid haakt aan bij Gods barmhartigheid. Zij houdt de poort naar God open. Als wij een 'brandoffer' van verzoening aanbieden moge daarbovenuit kennis van God ontstaan in ons hart, zoals in de 1e  lezing staat. Nog meer: als wij hét Brandoffer van volkomen verzoening aanbieden, Jezus Christus, zij dat reeds de Eenwording waarnaar door die kennis wordt gestreefd.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. De kans is groot dat je vrij bent van gevestigde ideeën en meningen van ouderen, dat je onbevangen staat tegenover anderen die 'ziek' zijn. Gebruik je hersens maar zie wel dat je in de geest van Jezus handelt en dus met zijn steun jouw barmhartigheid hanteert. Dan blijft er een poortje open.

 

Barmhartigheid, hét Brandoffer, eenwording. Moge dat over ons komen als lenteregen die de aarde drenkt. Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?