emailadres

terug naar overzicht
terug naar inhoudsopgave

 

Overweging voor de weekendviering

 

Zondagen in het jaar B

 

Advent/Kersttijd

1e zondag  1999; 2002

2e zondag  1999; 2002    

3e zondag  1999; 2002   
4e zondag  1999; 2002

Kerstdagmis B  2002

Heilige Familie  29 december 2002

Doop van de Heer 12 januari 2003

 

Door het jaar

2e zondag  16 jan. 2000; '03

3e zondag  26 januari 2003
4e zondag  30 jan. 2000; '03

5e zondag    9 februari 2003;'06
6e zondag  13 febr. 2000; '06

7e zondag  23 febr. 2003

8e zondag    2 maart 2003
9e zondag    5 maart 2000

 

 

Veertigdagentijd

1e zondag  12 maart 2000; '03
2e zondag  19 maart 2000; '03

3e zondag  23 maart 2003
4e zondag   2 april 2000;'03

5e zondag 16 april '97; '03; '09

palmzondag B   13 april '03

 

 

Pasen

Paaswake B  2006

Paaszondag B  20 april '03
2e zondag  30 april 2000; '03;'06

3e zondag    7 mei 2000; '03

4e zondag  11 mei '03

5e zondag  21 mei 2000; '03

6e zondag  25 mei '03
7e zondag   4 juni 2000; '03

Pinksteren  8 juni '03 ('05)

Drievuldigheidszondag

(18 juni 2000; '03)

Sacramentsdag

(22 juni 2003)

Door het jaar

12e zondag   22 juli 1997

13e zondag     2 juli 2000

14e zondag     6 juli 2003
15e zondag   17 juli 2000;'03;'06

16e zondag   20 juli 2003; '06
17e zondag   30 juli 2000; 03

18e zondag    3 aug. 2003; '06
19e zondag  13 aug. 2000; '03

20e zondag  17 augustus 2003
21e zondag  27 aug. 2000; '03

22e zondag  31 aug. 2003; '06

23e zondag  10 sept. 2000;'03

24e zondag  17 sept. '03 ('06) 
25e zondag  24 sept. 2000;'03

26e zondag  28 sept. '03; '06
27e zondag  7 okt.2000;'03;'06

28e zondag   12 okt.2003 ('06)
29e zondag   22 okt. 2000; '03

30e zondag   26 okt. 2003
31e zondag     5 nov. 2000; '03

32e zondag   12 november '03

33e zondag   19 nov. 2000; '03

Christus, Koning van het Heelal  

 

© 1999 - 2006 P.Gorise Epe; zie 'Ten geleide'.

 

P.S. Waar in de overwegingen sprake is van 'nieuwe vertaling' wordt de Willibrord  '95 bedoeld.

 

Eerste zondag van de advent B  1 december 2002

Jes 63, 16b.17.19b; 64, 3b-8; psalm 80;Mc 13, 33-37

 

Psalm 80 Aanhoor ons, U die Israël weidt, U die troont op de kerubs, verschijn in uw schitterend licht,

roep al uw kracht wakker, trek uit voor onze redding.

God van de machten, ach, kom terug, zie toch neer vanuit uw hemel,

zorg voor deze wijnstok, de stek van uw rechterhand, de zoon wie U uw kracht hebt verleend.

Leg uw hand op uw uitverkorene, de Mensenzoon wie U uw kracht hebt verleend.

Dan zullen wij U nooit meer verlaten: U laat ons leven, wij vereren uw naam.

HEER, God van de machten, herstel ons, laat uw aanschijn oplichten en wij zijn gered.

 

Bij het begin van het nieuwe kerkelijke jaar neemt de liturgie een fundamenteel gegeven in het menselijk bestaan op: de roep om hulp in nood. Een baby huilt om de fles, een kind om zijn moeder, een volwassene in onmacht, een wereld in nood, een gelovige in vertwijfeling. Jesaja roept Degene aan die van oudshér de Verlosser is van Zijn volk: U bent het toch altíjd geweest en nu … Hij vervolgt met een klacht die onredelijk is: 'waarom liet u ons afdwalen? U gooit toch uw eigen glazen in, want niemand toont uw heerlijkheid'. Nee, de ménsen dwalen af, dat is niet de schuld van hem die hun Verlosser is, van oudsher; zij zijn zelf schuld. Maar dat spreekt dan niet. De kreet "Scheur toch de hemelen open" verraadt ook de nood waarin het volk zich bevindt, en/of de onmacht van de profeet. 'U kunt toch het onmogelijke doen. U bent toch de God die degene bijstaat die op u durft te hopen'.

Degene die durft, die het waagt om ondanks zijn tekortschieten, ondanks zijn zonde, toch op Zijn Verlosser te hopen, dat Die uit de hemel komt en hem vrij maakt. Ook al is hij zelf schuld aan zijn misstand. Hoe kom je aan die durf?

 

Na de klacht volgt een soort gewetensonderzoek: U was boos en desondanks volhardden wij in het kwaad i.p.v. gewaarschuwd te zijn. Daarmee maakten we het nog erger en kunnen we dan nog wel redding vinden bij u? Kunt u dan nog wel een Redder sturen? We zijn niet meer op U gericht en onze goede werken zijn als vuile kleren. We zijn het contact met u kwijt en i.p.v. op de wind van uw geest voort te gaan worden we weggeblazen door de wind van onze gebrekkigheid, zelfs onze zonden, als verwelkte  bladeren. Niemand die er aan dacht dat hij het mocht durven om u aan te roepen. Uw aangezicht was immers afgewend.

 

Dan komt de profeet met een soort overgave: doe met ons wat U goed dunkt, we zijn immers het leem, U de boetseerder; we zijn allemaal het werk van uw handen. Wij allemaal, waar ook ter wereld. 'Kijk naar ons God, keer uw aangezicht weer naar ons toe. Wij zijn het toch, uw volk'.

Daarbij, bij dat gebed, hebben we ons aangesloten in de tussenzang: "God van de heerscharen", grote almachtige God, "richt ons weer op; lach ons weer toe en we zullen gered zijn". We zijn immers "het stekje dat Gij hebt gekweekt ". "Met uw eigen handen". "Uw kind dat Gij hebt groot gebracht". Dat ligt even gevoelig, heeft ook zo'n lading als 'Scheur toch de hemel open".

 

Als we deze lezing van Jesaja overzien, ligt een bekering voor de hand, een terugkeer naar eerdere goede toestanden, naar een situatie waarin woede, onmacht, teleurstelling, zonde, geen rol speelde, waarin je gelukkig was. Wellicht ligt er ook een redding, een opgericht worden uit een leegte waarin je niets kunt, niet kunt, niet durft te bidden: "Richt ons weer op". Dat alles zij gebaseerd op 'en toch', op hoop. "Toch zijt gij, Heer, onze Vader". Dat is een intens beeld, een innig beeld. "Abba",  zegt Jezus, 'Vadertje, paps'.

Kan zo'n hoop ons niet helpen om dit jaar weer naar het feest van het begin van de redding tot te groeien. Een redding die in ons zelf ligt, intiem, om vervolgens naar buiten te gaan. Of omgekeerd: dat van buiten bij ons binnen komt. Dat de redder komt is zeker: dat hoeft niet bij het feest van Kerstmis te zijn. Jezus waarschuwt iedereen dat de heer des huizes komt, desnoods onverwacht, en hij vraagt om waakzaamheid; dat onze aandacht bij hem blijve, Jezus - de Redder.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als je Kerstmis wilt vieren, moet dat ergens op gebaseerd zijn. Dan is het vruchtbaar. Hoop op, uitzien naar, is typisch iets dat bij jonge leeftijd hoort, je wilt naar iets toe. Zou het goed zijn om bij jezelf na te gaan waarom je dat wilt, wat de basis daarvoor is voor jou persoonlijk?  Waar je naar toe wilt kan duidelijk zijn voor je, maar het kan ook wel veranderen gedurende je leven. Daarbij zal teleurstelling, gebrekkigheid, fout zitten, ook een rol spelen. Blijft dan de hoop?

 

"Scheur toch de hemel open". Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen om dat bij ons door te laten dringen?

 

 

Tweede zondag van de advent B  8 december 2002

Jes 40, 1-5.9-11; psalm 85; Mc 1, 1-8

 

Psalm 85 Toon ons, HEER, uw liefde. Schenk ons, HEER, uw heil.

Ik wil aanhoren wat God tegen ons zegt, hoe de HEER spreekt over vrede.

Zijn redding is nabij voor degenen die Hem vrezen: zijn glorie woont in ons land.

Liefde en trouw ontmoeten elkaar, heil en vrede omhelzen elkaar.

Trouw ontkiemt uit de aarde, rechtvaardigheid daalt neer uit de hemel.

En de HEER schenkt almaar zegen, en onze aarde geeft vruchten in overvloed.

Rechtvaardigheid is zijn heraut, zij gaat voor Hem uit waar Hij komt.

 

De Heer geeft zijn profeet opdracht om te troosten: 'Troost, troost, mijn volk … Spreek tot het hart van Jeruzalem (Will.'95) … Haar ongerechtigheid is vergeven.' De ballingschap gaat voorbij; hoop, waarover we het de vorige week hebben gehad, gaat ingevuld worden. Zo'n tweeduizend jaar geleden wordt dat aan de oever van de Jordaan opnieuw gezegd: 'Blijde Boodschap' …  'vergiffenis van de zonden'. Nooit meer een ballingschap, nooit meer geen vergeving, hoop wordt ingevuld, definitief, want God wordt nu Zelf actief.

Zoals er staat geschreven in Exodus: "Zie ik zend mijn engel voor u uit om onderweg te beschermen en u naar de plaats te brengen die Ik heb vastgesteld". Zoals er staat geschreven in Maleachi: "Zie Ik zend mijn bode om voor Mij uit een weg te banen". Zoals staat geschreven in Jesaja: "Zie God de Heer komt". En dan 'Zie'! "Zoals er staat geschreven bij Jesaja: "Bereid de weg van de Heer" zie, zo gebeurt het nu: kijk dan, daar is hij: Johannes de Doper, de Voorloper. Het geschiedde zo'n tweeduizend jaar geleden in de geschiedenis, onze geschiedenis.

 

"Spreek tot het hart van Jeruzalem", spreek het volk Gods aan op de plaats waar zijn leven zetelt, zijn Leven naar Mij toe. Baan een weg voor de Heer in het dorre land opdat het een vallei worde, door Hem. Vul het tekort op en ruim obstakels uit de weg die ons het zicht op Hem benemen. Laat angst vallen, maak geen bezwaren, geef aandacht aan je naaste, geef aandacht aan je zelf, aan je goede mogelijkheden, laat je eerlijk mens willen zijn toe, vraag vergeving waar nodig en laat Hem komen naar de plaats waar jouw leven zetelt, jouw Leven naar Hem toe.

 

Als de profeet de oproep heeft gedaan om te effenen, het dal op te vullen en de berg te slechten, komt een tweede beeld. Nu een berg, de hoogste berg, waar Jeruzalem op moet staan en aan de steden in Juda moet verkondigen: "Hier is uw God". 'Hij voert Zijn werk mee, Zijn verloste volk voert Hij aan'. Een roep die de hele wereld rond moge gaan, voor allen die hopen dat het toch goed komt met onze wereld. Een roep die blijft gelden, ook nu.

Na de oproep om de weg te bereiden komt nog een derde beeld, heel anders dan dat van de berg maar wel na het effenen van de weg: dat van de herder die zijn schapen weidt, die lammeren aan zijn borst (Will.'95) draagt. Nu een intiem beeld, dat verstild de basis aangeeft, kort bij de plaats waar het hart leeft, de basis van het Leven naar Hem toe. Liefdeszorg. Daar leidt die weg ook naar toe.

Dat bedenkend letten we wellicht niet meer zo op het gegeven van vergeving van zonden. Het klinkt zo negatief. Maar dat gegeven is nodig om mogelijk te maken wat we gezongen/gebeden hebben in de tussenzang: "Zij ontmoeten elkaar, genade en waarheid, gerechtigheid en vrede zij kussen elkaar. Dan wast waarheid op uit de aarde, reikt gerechtigheid neer van de hemel"/"Als trouw en erbarmen elkaar tegemoet gaan, als vrede en recht elkaar omhelzen; dan zal de trouw uit de aarde ontspruiten, en ziet uit de hemel gerechtigheid neer". Hemel en aarde werken samen omdat er geen obstakels meer zijn tussen die twee.

 

"Zo trad Johannes op." Nu spreekt híj als het Jeruzalem van Jesaja, en alle steden van Judea, de hele landstreek incl. Jeruzalem, komt naar hem toe. Hij gaat gekleed als Elia, de profeet die terug zou komen en die een groot gezag had onder de Joden. Kennelijk spreekt hij aan. Kennelijk spreekt hij hoop aan: als onze zonden zijn vergeven is er ruimte, is er heil, want zij zijn de obstakels. Hij doopte de mensen terwijl zij hun zonden openlijk beleden. Kennelijk was er zoveel vertrouwen dat intimiteit een plaats kreeg, liefdeszorg, lammeren aan het hart. En dan hanteert hij op zijn beurt een groots beeld. Niet op de berg staan maar het zich bukken - want diegene die na mij komt, degene die riep in de woestijn, is zo groot … Ik heb u in water ondergedompeld tot vergeving - de obstakels zijn weg - maar hij dompelt u onder in Geest, zijn Geest van het Nieuwe Leven. En dan zal er nooit meer geen hoop zijn. Dan zal er altijd leven zijn aan de borst waar het hart van het Leven klopt.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Enthousiasme kan je het gevoel geven van op de berg gaan staan en - bij wijze van spreken - je oproep rondbazuinen. Ook intimiteit kan je een heel goed gevoel geven. Hoe is het met zich bukken om vergeving te vragen, om naar een ander, iets anders, te luisteren, om een weg recht te maken?

 

"Zie, Ik zend …". Zullen we ons even tijd gunnen om ons af te vragen wat wij graag toegezonden willen krijgen op de weg naar kerstmis?

 

 

Derde zondag van de Advent jaar B  12 dec.'99  (bewerkt in '02)
Jes. 61,1.2a.10.11; Lc 1,46-50.53-54; Joh 1,6-8.19-28. 

 

Lucas      Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om God, mijn redder;

want Hij heeft omgezien naar zijn dienares in haar geringheid.

Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig, want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan.

Heilig is zijn naam,

Barmhartig is Hij, iedere generatie weer, voor wie Hem eerbiedigen.

 Hongerigen overlaadde Hij met het beste, rijken heeft Hij met lege handen weggestuurd.

Hij heeft het opgenomen voor Israël, zijn knecht, indachtig de barmhartigheid die Hij,

 

Er zijn van die woorden of zinnen die je bij blijven. Ze hebben wat te zeggen. Misschien hebt u er vandaag ook weer een paar gehoord. Ik bedoel zo'n zin als "In het begin was het Woord". Daar ben je een poosje mee bezig. "Er trad een mens op, gezonden door God" - zo'n zin staat als een paal of een toren. Iedereen mag/kan hem zien en je weet meteen in welke hoek je zit: die van God. In de 1e lezing staat ook zo'n zin "De Geest van de Heer rust op mij". Als je dat zegt, dan ben je een gezondene, van God. In de tussenzang hebben we het 'Magnificat' gezongen/gebeden, misschien wel de bekendste zin, "magnificat anima mea Dominum". Lastig te vertalen: 'groot maken', op een voetstuk zetten, 'hoog verheffen', 'van ganser harte zingen'. Het klinkt een beetje banaal maar als je het duidelijk wil krijgen, moet je misschien wel vertalen 'ik ontplof van geluk om mijn God'.


"De Geest van de Heer God rust op mij", de tekst waarmee Jezus zijn prediking begon. Gezalfd en gezonden: d.w.z. hij heeft kracht gekregen en een opdracht: om aan de armen de blijde boodschap te brengen. 'Arm' betekent niet gebrek aan geld; de boodschap geldt ook voor rijken. Het gaat om mensen die behoeftig zijn, die  merken dat ze iets zoeken, nodig hebben. Dat iets is ín hen gelegd. Voor ons gaat het erom -dacht ik- dat we ons van zo'n zoeken bewust zijn en proberen te zeggen wat het is. Is het wat wordt uitgedrukt met het kind in een kribbe?  Is het een woordloze diepgang die met 'van boven' te maken heeft? En alleen maar puur is? Is het je kind van God weten? Daarvoor moet je hart niet gebroken zijn en moet je vrij zijn. Dan rest stilte. Totdat je ontdekt dat je iets hebt, iets van datgene wat met dat kind wordt gezegd, en dan kun je jubelen omdat HijZ je de mantel der gerechtigheid heeft omgehangen. De tekst laat niet toe dat die mantel wat moet verhullen, nee, ze omgeeft je als met warmte en schoonheid.


In  de tussenzang zingt Maria het uit. Net als Elisabeth - het klinkt oneerbiedig maar ik dacht dat het de beste uitdrukking was: net als Elisabeth 'barst' zij van de Geest; zij draagt 'iets' van dat kind, ze draagt dat kind, ze is zelf het 'iets' van dat kind. Zij die eerst 'arm' was, nederig. Ook hier zitten we weer met vertalen: nederige dienstmaagd, vernederde dienares. Ik dacht dat je het beste kon vertalen met nederig. Nederig wil niet zeggen klein, of zielepoot, e.d. maar betekent je eigen ideeënkader los (kunnen) laten en luisteren naar de ander: gehoor geven. Hier gehoor geven aan wat al in je is, aan verlangen, ideaal, gehoor geven aan God. Als je dat ontdekt, komt jouw vreugde om jouw God omhoog, die wondere dingen aan je doet. Er zijn mensen vernederd, grof vernederd; dat hoeft niet verbloemd te worden, maar hou dat kind in je wakker, houd het vast want het heeft met God van doen. Zou je ook niet gezalfd zijn, kracht hebben gekregen, al was het maar een beetje?


"Er trad een mens op, gezonden".
Johannes, Jo chanan: God is genadig. Wat is zijn boodschap en zijn juichkreet? Zijn boodschap is 'Licht'. Licht voor hen die "in duisternis zitten, in de schaduw van de dood". Hoop. 'De' Joden (uit Jeruzalem) laten aan hem vragen wie hij is en vervolgens hoe hij het in zijn hoofd haalt om te dopen? Johannes zegt dan zo ongeveer: "Wacht maar tot 'Hij' er is; dan zul je wat meemaken. Hij doopt met de Geest dat is nog meer dan met water". Het is nóg meer dan dat. Dopen geschiedt door onderdompeling: het oude weg, het nieuwe komt boven.  Het is dus dopen ín water. Zo ook dopen ín de H.Geest, onderdompeling in de Geest. Dat gaat komen; daarom juicht Johannes nog niet. Hij ziet er wel naar uit.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je kunt de weg naar het kerstfeest in zekere zin zien als de weg van je leven, je echte leven dat altijd is. Je 'gewone' leven verandert vaak maar je echte leven blijft. De intimiteit van het kerstfeest moge je een aanzet zijn voor je intimiteit met je leven met God, zo puur als je maar wenst.


Onderdompeling in de Geest, als je gehoor geeft, gehoor aan dat pure. Nu vrij zijn en zoeken. Laat de goede Geest maar werken. Mogen de teksten van  vandaag, wellicht ook het Onze Vader, een goede gids zijn naar puurheid. Zullen we ons daarvoor een paar minuten de tijd gunnen?

 

 

Vierde zondag van de Advent jaar B  22 december 2002

2Sam 7, 1-5.8b-11.16; psalm 89; Lc 1, 26-38

Opm. In "Zie de dienst maagd van de Heer"wordt 'zie' als gebiedende wijs gezien met 'de dienstmaagd' als lijdend voorwerp (of hoe heet dat tegenwoordig?). Maar 'de dienstmaagd' staat in de eerste naamval, is dus onderwerp.

Psalm 89 Wat de liefde van de HEER heeft gedaan, daarvan wil ik zingen, steeds weer,

van uw trouw getuigen voor alle generaties.

En dit zijn uw eigen woorden:

'Mijn liefde is een blijvend onderpand, mijn trouw staat vast als de hemel.

Ik sloot een verbond met de man van mijn keus, David, mijn dienaar, heb Ik gezworen:

Ik vestig voor altijd uw dynastie, voor uw troon sta Ik borg van generatie op generatie.'

Hij roept tot Mij: "Mijn vader bent U, mijn God en de rots die mij redt.''

Voor altijd bewaar Ik mijn liefde voor hem, Ik blijf mijn verbond met hem trouw.

 

(Begin tekst:)

- Indien de tussenzang gebeden:

Of: in de tussenzang hebben we gebeden "Uw gunsten, Heer, wil ik bezingen, uw trouw verkondigen aan elk geslacht. Gij hebt gezegd: mijn gunst blijft eeuwig duren, de hemel is de grondslag van mijn trouw."

Of: de tekst van de tussenzang in de nieuwe vertaling luidt: "Wat de liefde van de Heer heeft gedaan, daarvan wil ik zingen, steeds weer, van uw trouw getuigen voor alle generaties. En dit zijn uw eigen woorden: mijn liefde is een blijvend onderpand, mijn trouw staat vast als de hemel".

- Indien de tussenzang gezongen:

In de tussenzang hebben we gezongen: "Wat de Heer genadig verleende, dat drage mijn lied door de tijden; moge ik van geslacht op geslacht uw trouw door mijn mond openbaren. En het luidt: de genade staat eeuwig; in de hemel fundeert Gij uw trouw".

 

De ouden hadden alle reden om zo te zingen/bidden. Zij baseerden zich op de belofte die profeet Natan aan David overbracht. David heeft zijn rijk gevestigd, er is rust; hij heeft een mooie woning en nu wil hij een mooi huis voor de Heer bouwen waar de ark van het verbond een waardige plaats heeft. De ark als teken van de trouw die God de Joden heeft betoond bij hun lange weg van Egypte tot Davids rijk. De ouden hebben een basis voor die trouw, ze hebben ervaren dat zij zo vast is als de hemel. Wie is niet onder de indruk van de sterrenhemel en haar standvastigheid?  De trouw van de hemel blijkt op aarde.

Als David dat aan Natan heeft verteld, blijkt de trouw nog groter. De Heer herinnert er aan wat Hij allemaal met en voor David heeft gedaan en vervolgens wat Hij voor zijn volk heeft gedaan via David, en dan belooft Hij dat Hij een huis voor David bouwt, een huis van David dat stand houdt als de sterrenhemel, hét huis van David: "Zo zal uw huis en uw koninklijke macht altijd stand houden.

Maar dat is niet de enige reden voor de ouden om zo te zingen. Hun mooiste reden zal wel zijn wat in de tussenzang staat:"Wat de liefde van de Heer mij verleende". De liefde heeft gedaan. Trouw die gebaseerd is op liefde is zo vast als de hemel. Wat is dan de inhoud van die liefde? Zien we naar het laatste vers van de tussenzang. De Heer zegt: "hij roept tot Mij: Gij zijt mijn Vader". David zegt tegen God "Gij zijt mijn vader". David is Godskind, liefdeskind. Hij is voor het volk liefdeswerktuig in Gods handen.

 

Mogen we in die sfeer van trouw en liefde naar het verhaal van de Aankondiging kijken: via Jozef ligt het gegeven van het huis van David klaar en daarmee ook de trouw en liefde. De engel Gabriël groet een gelovige vrouw. Gabriël - God is mijn Kracht, in het Jiddisch: God is mijn gabber, mijn makker. Geen wonder dat Maria verward raakt als ze te horen krijgt "De Heer is met u, begenadigde". En alsof dat nog niet genoeg is, stapelt de engel de ene genade op de andere: je zult zwanger worden, een zoon krijgen die groot zal zijn, die de troon van David zal krijgen zodat aan zijn koningschap nooit een einde komt. En dan als toppunt niet dat ook hij - volgens de psalm - zal zeggen tegen God "Gij zijt mijn Vader" maar dat hetgeen geboren wordt "heilig" zal worden genoemd, van God. Dat kan niet zomaar, dat is kostbaar, dat kan alleen in die trouw en die liefde. God kan zo iets bij Maria, kijk maar naar Elisabet.

 

De eerste lezing gaat over de grote tempel die Salomon inderdaad zal bouwen maar toen de tempel na de ballingschap - veel kleiner - herbouwd zou worden, zegt de Heer via Jesaja(66) zo ongeveer: "Wil je een tempel voor Mij bouwen? Ik die alles bezit, de aarde als voetbank heb? Wat verbeeld je je wel? Het gaat mij niet om de mens die een grote tempel bouwt, maar die gekwetst is en berouwvol en vol ontzag voor mijn wóórd". Respect voor de mens die wil luisteren, die zijn eigen gedachtekader opzij wil zetten, die nederig is. Dat telt ook.

God heeft zich een derde - definitieve - tempel uitgezocht, laten ontstaan, waar Hij wil wonen, waar plaats voor Hem is, plaats voor Zijn Woord. Maria, ook al is ze verward, kan ze het niet vatten, geeft haar antwoord aan Gabriël: "Zie"! Het woord dat we twee weken geleden uitgebreid hebben gehoord: "Zie, ik zend mijn engel voor u uit", "Zie, Ik zend mijn bode om voor Mij uit een weg te banen", "Zie, God de Heer komt", "Zie", Johannes de Doper preekt. 'Zie' markeert sterk: "Zie, ik wil dienares van de Heer zijn". Over de dienaar van de Heer zegt Jesaja(42): "Zie hier, mijn dienstknecht die Ik ondersteun. Mijn uitverkorene die Ik met genoegen gadesla. Ik heb mijn geest op hem gelegd en hij maakt het recht, de goede wereldorde, bekend aan de volken. Hij roept niet, hij schreeuwt niet en laat zijn stem niet horen op straat …". Nee, de dienaar en de dienares van de Heer luisteren op de eerst plaats en ontvangen van Hem. Kan dat anders dan in trouw en in liefde?

 

Het huis van David staat eeuwig, zo is de belofte. Maar ten tijde van Jezus was er geen sprake meer van dat koninkrijk van David en toch is dat Rijk verder gegaan, maar dan als Rijk van geloof, het Rijk der hemelen. Wij vragen ons in deze tijd wel eens af hoe het allemaal verder moet, of het nog wel goed zal gaan met de mensheid, hoe de wereldorde zal zijn. Toentertijd stond daar de dienares van de Heer die met haar 'Zie' een houding markeert. Niet met groot vertoon maar in de stilte, in verwachting, heel intens. Zo begon het. Behoren ook wij niet tot dat huis van David nieuwe stijl? Ligt er voor ons geen dienaar/dienares van de Heer zijn? Wij staan nu kort voor het feest van die verwachting, van de invulling van die verwachting. Maar dat feest kan alleen worden gevierd als ook wij in die trouw en liefde staan, open willen staan zonder invulling vooraf.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je bent al gauw geneigd actief te zijn en in te vullen zoals jij denkt. Je kunt Kerstmis niet maken door nu al een kerstboom te installeren en er kunstlichtjes in te doen branden. Misschien is wel het moeilijkste van Kerstmis dat je moet verwachten, niet invullen hoe en wat. Maar niet wachten op, nee verwachten in trouw en liefde. Open zijn en rekenen op God.

 

Zie, de dienstmaagd/dienstknecht des Heren in trouw en liefde. Is er een 'zie!' van ons? Markeert het? Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?

Terug naar begin pagina

Kerstmis dagmis B (als 2001 maar aan B aangepast)

Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18

 

Psalm 98   Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:

zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.

De HEER heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.

Zijn liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:

zelfs de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.

Heel de aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en zingen.

Zing voor de HEER en speel om Hem te eren, speel op de lier, zing met luide stem.

Onder het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.

 

We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te komen. Op de 1e zondag hebben we de noodkreet van Jesaja gehoord en beleefd "Scheur toch de hemel open", "Lach ons weer toe en we zullen gered zijn", want we zijn in nood . De tweede zondag was er het troostwoord van God: "Troost toch mijn volk", "Spreek tot het hart van Jeruzalem". Haar ongerechtigheid is dubbel uitgeboet en nu zal het op de hoge berg uitroepen dat God komt. De derde zondag hebben we het grote lied van Maria gezongen want de Geest van de Heer rustte op haar en zij die gelooft kan hopen. De vierde zondag hebben we gehoord: "Wat de liefde van de Heer heeft gedaan, daarvan wil ik zingen, steeds weer, van uw trouw getuigen voor alle generaties. En dit zijn uw eigen woorden: mijn liefde is een blijvend onderpand, mijn trouw staat vast als de hemel". De engel kondigde het definitieve onderpand ervan aan.

Nu is het zover, we staan zelf in het beleven van die trouw en liefde.

Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat liefde en trouw gestalte hebben gekregen, zichtbaar zijn geworden en effectief. Ook voor ons geldt dat liefde en trouw al bij onze schepping in ons is gelegd - een aansluitpunt naar wat Boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle poes-pas erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknoopt bij ons eigenste en ons meeneemt naar Boven.

 

Je zou misschien wel kunnen zeggen dat ook Johannes de evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.

Dat is wat Johannes in zijn leven heeft geleerd, een geloofsbelijdenis: 'In begin was het Woord', wat vrijer vertaald: beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was, en ook hoe het was nl. naar God toe toegewend, bij God (de Vader); het is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort geloofsbelijdenis als 'Punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen binnen geloof in het Hogere, dat de mens in zich herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht, om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht, geloofslicht, geloofszicht.

Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel niet zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons. "Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan wat goddelijke liefde is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als mens vanuit 'een man afkomstig' maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan bewust bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.

Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt al in een kind, dat kind.

 

Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft maar ook inspireert om goed  te doen. Zo - kun je zeggen - zal de Heer via het doen van mensen regeren, zal Sion's God Zijn kracht laten zien, die verlossing uit de ballingschap voor de Joden bewerkte tot hun grote vreugde. Maar die kracht, zo'n heil, is voor de hele aarde, voor alle schepselen bestemd. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

Als wij hier nu het feest van de menswording vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog eens met groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars aansteken en ons zo laten raken?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer nieuw maakt? Dat jou raakt? Ieder jaar een beetje meer? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is, jouw licht?

 

"Al wat door God wordt aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn, dank zij trouw en liefde. Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?

 

 

Feest van de heilige Familie B  29 december 2002  

Gen 15, 1-6; 21,1-3; psalm 105 gebeden, psalm 34 gezongen; Lc 2, 22-40

Psalm 105

Prijs de HEER, roep luid zijn naam, verkondig zijn daden onder de volken.

Zing voor Hem en speel voor Hem, spreek over de wonderen die Hij verrichtte.

Stel uw roem in zijn heilige naam, wees blij, u die de HEER zoekt.

Blijf uitzien naar de macht van de HEER, houd niet op zijn gelaat te zoeken.

Denk aan de wonderen die Hij verrichtte, aan zijn machtig woord, van tekens vergezeld,

u, kinderen van zijn dienaar Abraham, u, kinderen van Jakob die Hij verkoos.

Die HEER, die HEER is onze God; zijn woord is beslissend voor heel de aarde.

Indachtig blijft Hij zijn verbond, voor duizend generaties geldt zijn belofte:

dat verbond, gesloten met Abraham, die eed, aan Isaak gedaan.

 

Beide lezingen van vandaag staan in het teken van verwachten: Abram krijgt een belofte en na lang verwachten wordt zij vervuld: hij krijgt een zoon van Sara. Simeon heeft ook een belofte gekregen en ook die wordt vervuld: hij heeft hét kind in zijn armen, de toekomst van Gods volk.

Maar er is een belangrijk verschil in sfeer.

- Abram zit in zijn tent te kniezen, een hoofdman als hij is met veel bezit moet toch een eigen opvolger hebben. Dan leidt God hem naar buiten en laat hem de sterrenhemel zien. Zo zal God zijn belofte aan hem vervullen. Later sluit HijZ een verbond met Abram - met hem persoonlijk.

- Bij het evangelie worden we verplaatst van de stal bij de herberg naar de grote tempel in Jeruzalem, van het intieme naar het grootse, en het kind gaat van de kribbe naar de armen van Simeon, van de stilte naar de verkondiging. Het persoonlijk accent dat eerst min of meer met Abram werd verbonden heeft nu via Simeon een algemeen karakter: het geloofsverbond met Abram is ontwikkeld tot een Verbond met het volk: Gij Mijn volk, Ik uw God. Simeon verklaart het Joodse heil tot heil voor alle volken, heel de wereld. Bovendien: in het kind krijgt het Verbond een nieuwe inhoud: 'Gij Mijn volk, Ik uw God' gaat nu via het kind. Het verwachten dat eerst aan een persoon was gebonden geldt nu voor de hele wereld. Zowel Isaak als het kind zijn vervulling van verbondsbelofte maar het kind zal zelf het Verbond vernieuwen. En wij staan in het Nieuwe Verbond.

 

Zo moge hetgeen we in de tussenzang hebben gebeden/gezongen "De Heer, Hij is onze enige God - voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht"/"Ervaart het en ziet: mild is de Heer" niet alleen een dankzegging zijn van Joden maar ook van ons. "Gaat groot op de heilige Naam van de Heer"/"Mijn ziel zal in trots de Heer prijzen" zijn dankzeggingen die de verdrukte en de weer opgerichte verstaan.

 

Het danklied van Simeon heeft een andere, een nieuwe ondergrond. De inhoud is op zich niet zo nieuw; dat het heil voor alle geslachten zou gelden was aan Abraham al gezegd maar Simeon heeft zijn belofte en daarmee zijn danklied gekregen via de H.Geest. Driemaal wordt de Geest genoemd. Eerst staat er letterlijk dat 'een (zijn) geest was heilig op hem'; dan dat de godsspraak van de Heilige Geest afkomstig was en vervolgens dat hij in die Geest naar de tempel ging.

Simeon verwachtte in die Geest de vertroosting van Israël en ook Hanna zag uit naar de verlossing van Jeruzalem. Het moet wel dezelfde Geest zijn die haar bezielde bij haar danken en verkondigen, want zij was 84 jaar en zo had zij twaalf maal een levensperiode van zeven jaar doorgemaakt en was haar heilstijd aangebroken.   (getallensymboliek)

De Geest die in het begin bij Maria kwam, de Geest die Simeon leidde, de Geest die het kind later aan de Kerk doorgaf. Die Geest moge ook ons bezielen. Gods heil wordt door mensen gedragen, mensen die in een menselijk verband functioneren. De kern van dat verband moge de H.Geest zijn. Dat begint in het gezin waar intimiteit haar dienst moge hebben, waar geloof en godsdienst spontaan moge groeien, waar Gods heil werkelijkheid worde, zijn Verbond worde voortgezet. Maar het feest van de H.Familie is groter dat het gezin, het gaat ook om andere verbanden, kleinere en grotere gemeenschappen waar die Goede Geest heerst - met vallen en opstaan zoals in het gezin; misschien niet zo natuurlijk als in het gezin maar wel met die verbondswaarde.

Het lijkt wel alsof in het evangelie het kind uit de armen van Jozef en Maria wordt gehaald maar dat is maar even. Zij gingen met het kind terug naar Nazaret, nadat … Het stukje evangelie van vandaag begint en eindigt met de Wet van Mozes. Volgens de Wet moest het kind worden opgedragen en toen alle voorschriften van de wet waren vervuld, gingen ze weer met het kind, gedrieën. De Wet van het Eerste Verbond "Gij Mijn volk, Ik uw God", vervuld in de kleinste cel van de samenleving, in een kostbare levenseenheid, belevingseenheid, van het Verbond.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Opgroeien in een gezin waar de Goede Geest heerst is een geweldige weldaad, een geschenk, dat niet altijd en wellicht nu niet zo aan iedereen is gegeven. Maar als je het hebt meegekregen, zul je met veel plezier het doorgeven aan jouw kinderen en als je het niet of minder hebt meegekregen, kun je er naar uitzien, het verwachten, want de Goede Geest is voor ieder. En als je in een andere gemeenschap gaat leven, dan zul je die Goede Geest ook hard nodig hebben en ook daar van Hem genieten.

 

"En zie, … " staat er letterlijk. "En zie, in Jeruzalem leefde een zekere Simeon …"  "En zie, hier in onze gemeenschap, in ons gezin, …" - hoe zouden wij die zin voltooien?  Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?

Terug naar begin pagina

 

Doop van de Heer  12 jan 2003 (als in 2000, enigszins aangepast)
Jes 55,1-11; tussenzang Jes 12 "verheugt u en juicht"; Mc 1, 7-11

Ik loof U, HEER; U was woedend op mij, maar uw woede is bedaard en U hebt mij getroost.

God is mijn redding! Ik vrees niet, ik ben vol vertrouwen:

de HEER is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geworden.'

En u zult vol vreugde water putten uit de bronnen van de redding.

Op die dag zult u zeggen:

'Loof de HEER, roep zijn naam, maak onder de volken zijn daden bekend,

verkondig zijn hoogverheven naam.

Zing voor de HEER, want Hij deed grootse dingen, laat het bekend zijn over heel de aarde!

Juich en jubel, bewoners van Sion: de Heilige van Israël is groot in uw midden!'

 

Het 1e deel van het boek Jesaja is van vóór de joodse ballingschap; daarin heel vaak wordt gewaarschuwd voor het naderde onheil, dat in de ballingschap uitmondde. Jeruzalem werd verwoest en het belangrijke deel van het volk werd naar Babylon gevoerd. Het tweede gedeelte van Jesaja ademt in een heel andere sfeer: de ellende is nl. voorbij, de ballingschap loopt ten einde, het nieuwe begint: Kom maar, ik heb iets goeds voor jullie, de zondaar bekere zich, bij mij is altijd vergeving, hoe gek jullie dat misschien vinden, want Ik denk nu eenmaal heel anders dan jullie, Ik geef jullie mijn vruchtbarend woord, dat pas naar Mij terugkeert als het zijn werk heeft gedaan.

 

Als je daaraan denkt, aan die nieuwe tijd, heilstijd voor de Joden, is het niet vreemd om die profetie van Jesaja te combineren met de doop van Jezus: nu gaat er ook iets nieuws beginnen, God manifesteert Zich weer. Johannes verkondigde een doopsel van bekering tot vergeving van zonden: het grote thema van Jesaja wordt herhaald: vergeving, nu nieuw in Jezus. Jezus laat zich dopen maar vergeving was voor hemzelf niet terzake. Wel is het voor hem natuurlijk een hele ervaring om zo bevestigd te worden: 'Jij bent mijn kind, Ik hou van jou'. Maar, wat is dan de betekenis van Jezus' doop voor ons ? Heel eenvoudig: hadden wij gedoopt kunnen worden als hij zich niet had laten dopen? Hadden wij zó op vergeving kunnen rekenen als hij niet zelfs díe rol op zich had genomen? We rekenen zelfs op meer: niet alleen op vergeving maar ook op gedoopt worden met de H.Geest: gedoopt worden met goddelijk leven. We lezen dat Johannes doopte met water. Maar dat gebeurde door onderdompeling: dus onderdompeling in water maar dan ook onderdompeling in de H.Geest, in goddelijk leven. Dat is nog nieuwer dan wat Jesaja zei.

 

Het klinkt misschien wat onwennig maar het is echt zo: dit thema vind je veel bij de evangelist Johannes: gedompeld in, deel hebben aan goddelijk leven, uit God geboren zijn. Is dat niet het wonderlijkste besef dat een mens kan overkomen: deel krijgen aan wat hem overstijgt ? Je opgenomen weten in wat we voorzichtig GOD gaan noemen ? Merken dat je gedachten bediend worden door iets dat met 'volheid' te maken heeft?

 

Terug naar de 1e lezing: zij eindigde met de voorstelling van het woord dat pas terugkeert als het vrucht heeft voortgebracht, zoals water uit de hemel pas terugkeert als het de aarde heeft gedrenkt en vruchtbaar is. Dan komt een beeld op dat datzelfde bij de doop in de Jordaan aan de hand is. Jezus komt uit het water ophoog, water van de schepping, water dat uit de hemel is gekomen om vruchtbaar te zijn, en dan klinkt uit de hemel het Woord van de Vader. Het beeld is dat van een boog die alles omvat, hemel en aarde, en wij, wij zitten als door Jezus gedoopten, als zijn volgeling, in die boog, we hebben deel. Blijvend, zonder honger of dorst, deel krijgend aan zijn vruchtbaarheid. God, de Heer, de Vader van Jezus is het die ons uitnodigt: "Komt allen naar het water, gij allen die dorst lijdt". Daar zul je beleven wat je nooit zelf kunt bedenken want "Zo als de hemel hoog boven de aarde is zo hoog gaan Mijn wegen uw wegen te boven en Mijn gedachten uw gedachten". God, Vader, Jezus, Geest, wij; in éen grote boog.

 

In de tussenzang hebben we gedankt om de profetie van Jesaja. We hebben gebeden/gezongen "Verheugt u en juicht, gij die Sion bewoont, want Israëls Heilige woont in uw midden"/want Israëls heilige is groot onder u". Zijn we hier niet in het centrum van ons parochie-zijn, ons Kerk-zijn, in de Tempel, op Sion? Kunnen we dan toelaten dat God hier in ons midden is, de Vader van Jezus Christus. Want waar Hij is, weten we zijn Vader aanwezig en hun goede Geest. Kunnen we ons daarin verheugen ? Als we daarin kunnen leven wordt ons samen-zijn een feest.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Er is veel vraag naar het grotere, het meer dan ik, naar wat mij overstijgt, waar ik naar verlang. Denk maar aan New-age-achtige lectuur, e.d. Ons verlangen naar is meer dan behoefte hebben aan. Het reikt zuiverden en hoger, naar Oneindigheid. Kijk eens of materiaal dat al meer dan 2000 oud is, je niet kan inspireren in je zoeken naar Dat ..... naar Die... "Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden, roept Hem aan nu Hij nabij is". Hoe? Begin eens met een heel gewoon, heel eerlijk, heel eigen, gebed. En ... je hoeft niet bang te zijn. O.L.Heer kan wel tegen een stootje.
 

"Verheugt u en juicht, gij die Sion bewoont, want Israëls Heilige woont in ons midden/want Israëls heilige is groot onder u". Zullen we ons even de tijd gunnen dat hier over ons te laten komen?

Terug naar begin pagina


Tweede zondag door het jaar B  16 jan. 2000  (In 2003 iets uitgebreid)
1Sam 3, 3b-10.19; Ps 40; Joh 1, 35-42

 

Vurig zag ik uit naar de HEER; Hij boog zich en hoorde mijn roepen.

Een nieuw lied gaf Hij mij in de mond, een lofzang voor onze God.

Velen zien wat de HEER heeft gedaan, en vertrouwen op Hem, vol ontzag.

U wenst geen slachtoffers en geen geschenken;

om te luisteren hebt U mij oren gegeven, brandoffers en zoenoffers vraagt U niet.

Daarom zeg ik: 'Hier ben ik, ik sta klaar'; over mij staat in de boekrol geschreven:

'Uw wil uitvoeren, mijn God, is alles wat ik wens, uw Wet is voor mij vlees en bloed'.

Van uw heil ben ik de blijde verkondiger binnen de grote gemeenschap.

Mijn lippen houd ik niet gesloten, dat weet U, HEER:

ik houd uw heil niet geheim diep in mijn hart: van uw trouw en redding maak ik melding;

ik verzwijg voor de grote gemeenschap niet het verhaal van uw liefde en trouw.

En U, HEER, zult uw hart niet sluiten voor mij;

uw liefde en trouw zullen mij altijd beschermen,

 

Het verhaal van de roeping van de leerlingen is bij Joh anders dan bij de andere evangelisten. Zijn evangelie is veel later opgeschreven. Het gaat Joh er niet om hoe het precies historisch is gebeurd maar hij wil een betekenis aangeven. Welke?
In de 1e lezing hebben we gehoord dat pas toen de derde keer werd geroepen, Eli begreep dat het de Heer was. Dat was doorslaggevend want toen zei Elia tegen Samuël wat hij moest doen. Dat zit in het getal drie. Joh laat Petrus als derde geroepen worden: dat was doorslaggevend. Hij is de rots waarop Jezus zijn kerk bouwt, vanwege diens geloof en -zoals later bleek- vanwege diens liefde voor Jezus.

Toen de Heer Samuël riep, noemde Hij alleen diens naam: "Samuël". Bij Joh noemt Jezus ook de naam, een nieuwe: "Voortaan zul je Kefas heten". Samuël antwoordt; van Kefas staat geen antwoord vermeld. Dan komt de gedachte op dat dat antwoord er al lag toen Joh schreef. De Kerk functioneerde; de verwachting van het O.T. was in vervulling gegaan.

Er is nog iets. Toen de Heer Samuël na de derde keer riep zei tweemaal zijn naam: "Samuël, Samuël". Als dat gebeurt, is er iets bijzonders aan de hand. Hier gaat het om een indringende oproep, waar je eigenlijk niet onderuit kunt, bij nader inzien misschien wel niet onderuit wilt. Ook bij Simon, de zoon van Johannes, ging het om een indringende oproep, niet alleen om hem te volgen maar ook zijn wil te doen, zijn 'job' over te nemen. Dat ging niet vanzelf maar het is er wel van  gekomen. De wil van Jezus te doen, zijn 'klus' te klaren, kon alleen maar in liefde. "Bemint ge mij meer dan de anderen?" Een indringende oproep om zijn wil te doen, gerijpt, in liefde, wordt een vreugde. "Hier ben ik God,/Ja, ik kom" "Uw wil te doen is mijn vreugde". Het woord dat oproept gaat in vervulling.

 

Dat 'in vervulling gaan' ligt ook in het bezoek dat de twee leerlingen brengen - die vervolgens de hele dag bij hem blijven. En dan staat er "Het was ongeveer het tiende uur". Tien staat voor compleet, alles. Toen ging voor hen de belofte, de verwachting, in vervulling. De zaak was rond, zeggen we en gebaren we met twee handen: plèroma. Maar die verwachting leefde al in het Joodse volk, in die twee, anders was er geen vervulling, was er toen niets compleet. Johannes had Jezus aangewezen als Lam Gods en zij vertalen dat later naar Petrus als "We hebben de Messias gevonden", de beloofde Gezalfde. De belofte helemaal vervuld.

 

In beide verhalen speelt intimiteit een rol. In de eerste lezing staat eerst dat de Heer riep; bij de laatste keer staat er "De Heer kwam bij hem staan". Kunnen we, durven we ons daarbij iets voor stellen? Je ligt in bed en de Heer komt bij je staan. De eerste gedachteassociatie zal wel zijn dat je vader of je moeder bij je komt staan als je bijv. ziek, kwetsbaar, in bed ligt. Dat spreekt, dat is tussen jou en je ouder. In dit geval: tussen Samuël en de Heer. Maar zou dat alleen voor Samuël kunnen? Niet voor ons?
Als Petrus bij Jezus komt, staat er "Jezus zag hem en keek hem aan". In het Grieks staat er zo iets als 'Jezus keek in hem'. In zijn hart? Als ons dat nu eens overkwam, zouden we bang zijn, zouden het fijn vinden?  Maar intiem, intens is het wel.
Die intimiteit kun je ook zien in het verblijf van de twee leerlingen. Waar zou Jezus zich ophouden? Hij die de afbeelding van de Vader is, woont in het huis van de Vader, het huis van de Liefde. Als je al denkt aan een kamer met meubilair, dan is het liefdesmeubilair. Waar verblijft u? Dan kunnen wij u vaak bezoeken en proberen te ontdekken waarin u verblijft. "Dit ene vroeg ik aan de Heer, dat is al mijn verlangen - daar te zijn in het huis van de Heer" zegt de psalm (27). Voor zo'n intimiteit, liefdesintimiteit, hoef je niet bang te zijn. Het is genieten. Wij mogen er zelfs blijven wonen. Gaan we dan ook een nieuw lied zingen zoals we in de tussenzang hebben gezegd?

 

Als we dat alles overzien, zouden we dan niet nog eens die tussenzang willen zingen (zeggen)? "Ik heb de Heer vurig verbeid. Toen boog Hij zich over tot mij"/"Met groot vertrouwen heb ik op de Heer gehoopt. Hij heeft zich tot mij neergebogen". Groeit ons antwoord dan in ons?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Intimiteit, intensheid, daadkracht, leeft heel sterk in je zeker als je jong bent. Kunnen deze teksten een aanleiding zijn om je daarover te buigen?  Zijn wil te doen, niet omdat het moet maar omdat het zo goed, plezierig, vreugdevol is.

 

Ik heb de Heer vurig verbeid. Toen boog Hij Zich over mij. Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen dat over ons te laten komen?



Derde zondag door het jaar B  26 januari 2003

Jona 3, 1-5.10; psalm 25; Mc 1, 14-20

 

Psalm 25  Leer mij uw wegen kennen, HEER; maak mij wegwijs op uw paden,

                 wijs mij het spoor van trouw aan U, wees voor mij een meester;

U bent de God die mij redt, ik bouw altijd op U.

                 HEER, denk aan uw barmhartigheid en uw liefde van eeuwen geleden.

                 HEER, vergeet mijn zonden en wat ik verkeerd deed in mijn jeugd;

denk aan mij in liefde, want U, HEER, bent goed.

                 De HEER is goed, de HEER is rechtvaardig, zelfs zondaars wijst Hij de ware weg.

                 Hij brengt de armen op het rechte spoor, Hij leert hun zijn weg.

Al de wegen van de HEER zijn liefde en trouw voor wie zijn verbond en geboden onderhouden.

 

Het valt misschien niet zo op maar beide lezingen beginnen in een spanning. Jona wil de opdracht van de Heer ontlopen en gaat de andere kant op, niet naar Nineve. Dan komt hij na drie dagen en nachten in diepe duisternis te hebben doorgebracht tot inkeer en - volgens het verhaal spuwt de grote vis hem aan land. Hij heeft weer vaste grond onder de voeten en gaat naar den vreemde, naar het grote buitenland om de opdracht van de Heer uit te voeren. Jezus heeft zich na de doop teruggetrokken in de woestijn en daar het nodige doorstaan. Als hij verneemt dat Johannes de Doper gevangen is genomen gaat hij weg uit Juda, het gebied waar de Joodse godsdienst het duidelijkst wordt beleden. Hij gaat weg uit veiligheidsoverweging naar een - godsdienstig gezien - een min of meer vreemd land, Galilea, wel zijn thuisland maar minder godsdienstig dan Juda. Beiden komen in een nieuwe situatie terecht. En beiden zullen zij zijn gegaan met de woorden van de psalm in hun achterhoofd "Wijs mij uw wegen, Heer, leer mij uw paden kennen. Leid mij volgens uw woord, want Gij zijt mijn God en Verlosser". Als je dat kunt bidden, zit je goed. Als je dat meedraagt in den vreemde, ben je sterk.

 

Beiden hebben dezelfde boodschap van de Heer, van de Vader, meegekregen om te verkondigen: "Bekeert u!" Jona zegt 'als ge u niet bekeert zal Nineve over veertig dagen vergaan'. Dreiging. Jezus dreigt niet, hoeft niet. Hij zegt dat de tijd is vervuld en het eindelijk zover is dat het Rijk komende is, het Rijk waarnaar al zo lang wordt uitgezien. Hij vraagt om bekering en om geloof in de blijde boodschap, het goede nieuws van de vergeving der zonden; hij biedt uitzicht. Meer dan Jona heeft hij de tekst in gedachten "Bewaar, Heer, uw erbarmen, uw goedheid: in de eeuwigheid zijn zij gegrond … zie mij in ontferming aan". Dat is de Blijde Boodschap.

 

Jezus biedt meer dan Jona, die op een heuvel gaat kijken hoe het met Nineve zal aflopen. Hij wil eigenlijk zijn gelijk halen. Maar Jezus blijft niet bij de Boodschap, hij gaat invullen, organiseren om de verkondiging effectief te maken: Hij zoekt volgelingen uit, mensen die hij bezig ziet.

De enige kwalificatie van zijn volgelingen is dat ze hem volgen en dat ze vissers zijn - ze zullen mensenvissers worden op zijn woord. We denken al gauw aan vissen die in een net worden gevangen en bekneld raken. Aan vissen die in grote getale op een dek worden uitgeschud en spartelend hun einde tegemoet gaan. Maar het beeld dat hierachter zit is dat men in de oudheid het idee van de reddende vis kent, de vis die schipbreukelingen redt van de verdrinkingsdood. Zo ook de volgelingen die in zijn Naam, samen met Hem, mensen redden van de eeuwige dood, want zo is de God die Zich ontfermt.

 

Volgens de traditie schreef Marcus op wat Petrus verkondigde. Petrus was er zelf bij maar een reden om hem te volgen geeft hij dan niet op, Marcus noteert in ieder geval niets. Redelijkerwijs hebben zij Jezus' boodschap in de synagoge gehoord en zijn ze gepakt door het idee dat de tijd vervuld was, het Rijk op handen was. Dat zal een verlangen in hen losgemaakt hebben - hoe precies weten we niet maar ieder zal zijn eigen doorslaggevende reden hebben gehad om hem te volgen. Het gaat om een persoonlijke band met Jezus, om een spreken en denken van hart tot hart, anders hadden ze het niet zo volgehouden als ze hebben gedaan, tot het uiterste zijn paden gevolgd, paden die in zijn waarheid leiden - een voortdurend proces. Is het vreemd om dan te denken aan de regel waarmee psalm 25 begint: "Tot U Heer, stijgt mijn verlangen op. Op U, mijn God is mijn vertrouwen". God kreeg spijt dat Hij Nineve met ondergang had gedreigd. Hij ontfermde Zich toen zij hun bekeringsproces hadden doorgemaakt. En later, toen de tijd vervuld was, werd de verpersoonlijking van Zijn ontferming  tastbaar, want God verlangt ook - naar zijn schepsels.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongen aanspreekt. Jullie staan in zekere zin aan het begin van jullie leven zoals de leerlingen aan het begin stonden van hun leven met Jezus. Er zou nog heel wat gebeuren, waarvan ze zelf geen idee hadden. Is er een aanleiding om op een of andere manier en op een of ander moment een roep te horen van  "Volg Mij". En dan 'volg mij om mensen te redden'? In zijn Naam, samen met hem. Ieder naar vermogen maar vooral in verlangen, met eigen verlangen.

 

Bekering en geloof in de Blijde Boodschap - monden die niet uit in "Tot u Heer, stijgt mijn verlangen ?  Zullen we ons enkele ogenblikken gunnen dat te laten komen?

 

 

Vierde zondag door het jaar B  30 januari 2000 (2006)
Deut 18, 15-20; psalm 95; Mc 1,21-28 

Psalm 95 Kom, laat ons juichen om de HEER te eren, met vreugde zingen van die rots, onze redder,

met lofzangen voor zijn aanschijn komen, met volle stem inzetten op Hem:

Ga naar binnen, laten wij buigen, diep buigen, en neerknielen voor de HEER, onze maker:

Hij is onze God en wij zijn zijn volk, dat Hij weidt, de kudde in zijn hand.

Luister heden naar zijn stem:

'Verhard uw hart niet zoals eens in Meriba, als in de dagen van Massa in de woestijn,

toen uw vaderen Mij beproefden en tartten, ofschoon zij mijn daden gezien hadden.'

 

Het is wel opvallend dat een onreine geest belijdt dat Jezus de Heilige Gods is; hij schreeuwt het in ieder geval uit. Vergeleken met wat we in Deuteronomium lezen is er iets vreemds aan de hand. Daar wordt - laat me zeggen - omzichtig gesproken over de ontzagwekkende stem van de Heer, over de profeet die in naam van de Heer spreekt en over een z.g. profeet die niet in de Naam van de Heer spreekt maar in wie de Heer Zelf spreekt. En in het evangelie knalt een onreine geest er een geloofsbelijdenis uit, midden in de synagoge: "Gij zijt de Heilige Gods". Wat is hier aan de hand? Spreekt zelfs een onreine geest alsof hij een profeet was, als Gods stem? Hij was dan wel onrein, dom was hij niet. Was het Jezus' aanwezigheid die hem dat doet inzien en doet zeggen? Heeft hij begrepen wat Jezus daar leerde? Wat heeft Jezus dan dat er zo iets gebeurt?

Die geest doet wat de toehoorders ook deden: Jezus als een groot iemand erkennen. De man zegt het alleen hardop, en de reactie van Jezus bevestigt nog eens dat hij inderdaad wat heeft te zeggen; hij zegt niet alleen, hij onderricht niet alleen, hij doet ook: hij stuurt hem weg. En hij doet het ook nog -laten we zeggen- bescheiden want hij geeft die onreine geest geen gelijk, hij zegt niet: "ja het is waar ik ben de heilige Gods" maar snoert hem duidelijk de mond. Als je het Grieks goed vertaalt, staat er zo iets als 'hij bekt hem af'. Wil Jezus een geheim bewaren? Voor later?

En dan zijn de toehoorders helemaal verbaasd. Er gebeurt iets met hen wat in het O.T. al is toegezegd, er komt iemand uit eigen kring, die hun taal spreekt en hun vragen kent. In de 1e lezing staat dat de Joden bang waren voor de stem van God, die kwam van buiten. Voor Jezus zijn ze niet bang; die is van binnen en langzamerhand ontdekken ze dat hij toch van God komt. De leer die hij verkondigt spreekt hen direct aan, die leer heeft een aansluitpunt in hun eigen ervaring, zij kennen die leer gezag toe. Het ligt voor de hand nu te denken aan wat de profeet Jeremia zei als Gods woord: "Ik schrijf mijn wet in hun binnenste. Ik grif ze in hun hart". Jezus legt die wet van het verbond, die leefregel van liefde bloot, hij ont-dekt haar in hun binnenste.

 

Waar ze ook over verbaasd zijn is dat onreine geesten hem gehoorzamen. Dat wil zeggen dat Jezus kan bevrijden van onreinheid, hij is redder en zo doet hij zijn naam eer aan. Dat woord onrein heeft in onze taal de ongelukkige betekenis van 'vies'. Dat is niet de bijbelse betekenis. Die is meer 'ongeschikt', 'niet in staat om'. Wat Jezus dus doet is die ongeschiktheid, die barrière weghalen zodat die man weer open wordt; Jezus maakt die verharding, halsstarrigheid los, die in de tussenzang is genoemd. Dan kun je muziek maken voor de Heer, hem lofzingen.

Je kunt de lezingen nog voor kennisgeving aannemen, die zou je nog buiten je kunnen houden, maar als je psalm 95 hebt gezongen/gebeden, ben je het eens met die toehoorders van Jezus: het geldt ook voor ons. Laten wij ons hart niet verharden, niet onrein maken of onrein laten, maar open zetten opdat we kunnen horen, kunnen laten bloot leggen, wat in ons leeft, al in ons is gelegd.  Laat hem het dek van die onreinheid weghalen want hij heeft gezag, hij kan dat - hij mag dat, hem kun je dat toestaan. Zodat je gaat zingen.

 

Ik denk dat dat iets is wat geldt voor jong en oud. Natuurlijk zal de jongere anders willen horen, iets anders zoeken dan de oudere en andersom, het kind anders dan de ouder. Maar voor iedereen geldt dat hij mag kijken naar wat diep in zijn hart ligt. Jezus moge ons daarbij helpen. Hij heeft gezag. Geven wij hem gehoor.
Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen om dat over ons te laten komen?

 

 

Vijfde zondag door het jaar B  9 februari 2003

Job 7, 1-4.6.7; psalm 146; Mc 1, 29-39

Psalm 147 Hoe goed is het om te spelen voor onze God, hoe feestelijk is het om een lofzang te zingen

voor de HEER, die Jeruzalem herbouwt, die het verspreide volk van Israël bijeenbrengt.

Hij heelt hun hart, dat gebroken is, Hij verbindt hun wonden.

Het aantal van de sterren bepaalt Hij, Hij geeft ze allemaal een naam.

Groot is onze Heer en veelzijdig is zijn kracht, zijn inzicht kent geen grenzen.

De HEER is een steun voor de armen, maar de hoogmoedigen laat Hij in het zand buigen.

 

De eerste lezing uit het boek Job plaatst ons middenin het grote probleem van de mens: het lijden. Zolang er mensen zijn op aarde is er lijden, ook geluk, maar het lijden dringt sneller door tot onze beleving. Geen wonder dat dat ook in de bijbel is te vinden. Niet alleen Job, maar ook de psalm kent de klacht, tot op het kruis toe: "God, Mijn God waarom toch?". De bijbel, boek van de levenservaring, schuift de klacht niet onder tafel maar komt er eerlijk voor uit: de klacht bestaat en is menselijk en eerlijk. In het vervolg van het stukje tekst dat we hebben gelezen klaagt Job niet alleen zijn nood tegenover God maar hij klaagt Hem in zekere zin zelfs aan, noemt Hem zelfs 'cipier van mensen'. Heftig en eerlijk. Ook in de klacht kun je eigenlijk alleen maar eerlijk zijn. Dan is ze echt.

 

Het is waar dat er veel lijden is dat te vermijden was en is maar als je het ondergaat - ziekte, geweld, onrecht, verdriet - ben je al gauw geneigd te zeggen "Waaraan heb ik dat verdiend?". Waaraan heb ik dat verdiend? Nergens aan. Juist het boek Job is een groot betoog dat lijden geen straf is voor zonde, Job was immers een rechtvaardige. Iemand die over het lijden nadenkt, zal misschien denken dat je kunt stellen dat lijden 'nut' heeft omdat het een of andere vorm van bekering tot gevolg kan hebben. Het kwade kan ten goede worden gewend. Kun je zeggen dat lijden nut heeft? Voor degene die lijden ondergaat, is dat een schrale troost en het dekt eerder een onmacht van de gezonde dan dat het uitzicht biedt aan degene die lijdt.

Of lijden ergens toe leidt, kan alleen degene die het ondergaat zeggen, alleen hij/zij kan ervan getuigen. Is er dan geen troost, bemoediging, als je in nood zit? De eerste troost moge zijn dat God heeft meegeleden met de mens in Jezus van Nazaret, met iedereen die lijdt. God trekt Zich niet terug van de lijdende; lijden noch dood betekent een verwijdering tussen God en de mens - ondanks de ellende en de pijn. Dat veronderstelt wel een groot geloof, misschien bewerkt het wel dat groot geloof. Het heeft te maken met het verwerven, krijgen, van een inzicht dat er 'Iets' is dat boven lijden uitgaat en blijvend is. Dat 'Iets' accepteren, ondanks alles daarop vertrouwen is geloof. De perikoop over Job die we hebben gelezen duidt typisch op psychisch lijden, uitzichtloosheid, doelloosheid, nietswaardigheid. Degene die op zijn knieën fluisterend zijn God om hulp heeft gebeden, kan zeggen of dat hem heeft gesterkt, zijn geloofsbeleving heeft verdiept. Job zegt op het eind van zijn lange verhaal "Ik kende u alleen van horen zeggen, nu heb ik U gezien met eigen ogen". Zo getuigen kan alleen degene die het heeft ondergaan.

Er is nog een ander, bijbels, aspect dat evenwel een nog groter geloof veronderstelt: dat van het plaatsvervangend lijden, het lijden ondergaan en - laat me zeggen - offeren ten behoeve van het heil van een ander, andere mensen. Met je lijden als inzet aan God vragen dat HijZ anderen Zijn heil biedt, Zijn genade a.h.w. opdringt. Je 'ongemak' niet als negatief willen zien maar ten goede wenden, niet willen stil staan bij eigen ellende maar daarboven uit het goede willen zoeken. Dat vraagt om een geloofsbeleving, om een band met de Goede die het gewone op aarde overstijgt, die de hemel zoekt. Je gaat met inzet van je zelf aan God iets vragen. Dat veronderstelt groot vertrouwen, een kennen van God, weten hoe HijZ is.

 

In het evangelie lezen we dat Jezus zieken geneest, zelfs op Sjabbat. 'Nogal logisch' denken we dan want hij is gekomen om te redden, te genezen; dat hoort bij hem. Maar een gegeven moment trekt hij zich terug en bidt alleen tot zijn Abba. Als de leerlingen hem hebben gevonden, zeggen ze dat iedereen hem zoekt. Jezus gaat er niet op in. Waarom hij dat niet doet, wordt niet vermeld. We kunnen het vermoeden. Wel is duidelijk dat hij dat zo doet na het gebed met zijn Abba. De band met zijn Vader inspireert hem - hem van wie de leerlingen na zijn dood getuigden dat hij de lijdende dienaar des Heren uit Jesaja was, bij uitstek was. Moge het dan een troost zijn voor degene die lijden ondergaat dat hij of zij het lijden kan verenigen met dat van Jezus, zijn/haar lijden bij dat van Jezus kan voegen - hij die bij uitstek plaatsvervangend leed - omwille van de mensen - binnen zijn groot vertrouwen in zijn 'Abba', zijn kennen van Hem. Het moge een troost zijn voor degene die lijdt dat hij/zij samen met Jezus zijn/haar inzet kan aanbieden om iets van Abba gedaan te krijgen. De Vader kan immers Zijn Zoon niets weigeren.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Lijden is niet 'in' maar wel waar. Het gebeurde op een klein-seminarie. Een student moest een beenamputatie ondergaan. Toen de dokters hem daartoe toestemming vroegen, kreeg hij het klaar om te zeggen: "Goed, voor de jongens van het seminarie."

 

In de tussenzang hebben we gebeden/gezongen "Prijs nu de Heer, gebroken harten geneest Hij weer"/"Een loflied voor de Heer heel mijn leven". Kennen wij zo'n loflied ?  Even nadenken ?

 

 

Zesde zondag door het jaar B  (13 febr. 2000; '03)
Lev 13, 1.2.45.46; psalm 32; Mc 1, 40-45

Psalm 32  Gelukkig de mens van wie een misstap is vergeven, en van wie de zonde is toegedekt.

Gelukkig de mens wiens zonde de HEER niet aanrekent, van wie het geweten tot rust is gekomen.

Toen heb ik mijn zonden bekend, niet langer mijn schuld toegedekt,

ik dacht: 'Ik ga mezelf beschuldigen en mijn misstappen aan de Heer belijden',

en zonder uitstel hebt U al mijn schulden en al mijn zonden vergeven.

'U bent mijn beschermer, U vrijwaart mij tegen nood en druk; U laat mij leven in jubel en vrijheid.'

Voor de boze is er overal ellende, maar geluk omarmt degene die op de HEER vertrouwt.

Rechtvaardigen, wees opgetogen om de HEER en zing een lied, oprechten van hart.

 

Zoals het vandaag in de lezingen wordt gebracht is er een duidelijk vervolg van het eerste Verbond naar het Nieuwe Verbond.
In het Eerste moet Mozes ervoor waken dat het volk gezond blijft. Daarvoor zijn een heel stel hygiënische regels nodig maar ook regels voor de volksgezondheid. De priester moet op omschreven gronden beslissingen nemen over het al of niet gezond zijn. Hij heeft een soort dubbelfunctie, niet alleen voor de eredienst -waar ook veel mensen bijeen zijn- maar in het verlengde daarvan ook voor het gewone maatschappelijk verkeer.
Wat Jezus doet is meer: hij geneest en hij geneest omdat die man daarom vraagt, heel uitdrukkelijk: "Heer, als gij wilt …" en Jezus wil. Daarmee maakt hij het Eerste Verbond completer, hij vervolmaakt, vervult het; hij, zelf vervuld van Goede Geest. Vroeger moest men afwachten of men wel beter werd (en men bad er voor), nu maakt hij beter. Zo maakt hij zijn naam 'de Redder' waar, de van God gezondene.

 

Wij zijn geneigd 'onrein' te bestempelen als 'vies' en een onreine als een verschoppeling. Of dat ook voor de Jood zo was is maar de vraag. Onrein betekent - simpel gezegd - niet geschikt, niet in gewone doen; in dit geval niet in gewone doen om contact te maken. De man kan zo schoon zijn als wat, hij was onrein, ongeschikt voor normale contacten. Zou de Jood geen zorg hebben om zo iemand? Jezus heeft in ieder geval wel zorg om de man: hij toont zijn beroemde "diepbewogen zijn", letterlijk: in je ingewanden voelen, hij laat het hier spreken net zo als die barmhartige Samaritaan. Diep bewogen zijn wil zeggen impulsief of intuïtief handelen: hij denkt - bij wijze van spreken - niet na maar doet en geneest. In het O.T. is de priester een vakkundige beoordelaar. In het N.T. is Jezus als een vakkundige genezer en ook nog met hart en ziel.
Jezus houdt de Wet hoog: de man moet zich bij de priester melden ter controle, maar hij heeft ook iets gedaan wat volgens de wet niet mocht: hij raakte hem aan, hem, een melaatse. Twee weken geleden hebben we gelezen van die man in de synagoge die bezeten door een onreine geest begon te schreeu­wen. Hij wordt in het evangelie als het ware voor het voetlicht gezet als voorbeeld voor alle bezetenen, als concreet persoon. Zo iets gebeurt nu weer. Deze melaatse staat als een concrete uitbeelding voor alle melaatsen. Dan is er aanleiding tot iets persoonlijks. Jezus breekt door die wetsregel heen dat je een melaatse niet mag aanraken. Hij doet dat uit diep medelijden, die de wet passeert. Hij kan met de Wet omgaan, hij maakt haar nieuw, geeft een nieuw gezicht aan barmhartigheid, en kennelijk mocht hij dat want de man was meteen genezen. Ging er een kracht van hem uit zoals bij die vrouw die even de zoom van zijn kleed aanraakte? Wat die vrouw zo graag wilde speelt hier ook. De Griekse tekst gebruikt een woord dat betekent dat die man op Jezus af kwam, in de geest van 'die moet ik hebben', 'hij kan het': "Heer, als u wil … ". Natuurlijk wil Jezus. Hij is ontroerd omdat de man hem aanspreekt op datgene waarvoor hij is gekomen. Om met een reine hand te raken. Ook de niet-melaatse.

 

Dat komt ook in de tussenzang naar voren. Eerst, als ik moeilijk zit, onrein ben, is het "Mijn toevlucht zijt Gij"/"Gij mijn schutse, onthef mij van druk", en dan, als ik verlost ben van mijn zonde, is het "Gij hult mij in voorspoed en vreugde"/"bevrijding schept Gij rondom mij". "Heer, als Gij wilt …" alstublieft! In die vertrouwelijkheid van toevlucht, van overgave, is vergeving mogelijk. Die man zal wel geen zondaar geweest zijn - vertrouwen had hij wel. Is dat iets waaraan wij ons kunnen optrekken? Iemand die in zonde zit is ook niet geschikt om …. dus niet geschikt om contact te maken met God. Via Jezus en samen met Jezus lukt dat wel.

 

Maar het gaat niet alleen om een zonde, ook om onmacht, psychisch niet in staat zijn, zelfs niet in staat zijn om hulp te vragen. Moge de Heer dan een redder zenden die die wet doorbreekt. Iemand die kundig ont-dekt waar je onreinheid zit. Ook dat is genade die je kunt ontvangen en waarvoor je samen met Jezus kunt danken.

Het is ook mogelijk dat inzicht ontbreekt, inzicht in wat er met je gaande is zodat je niet eens aan reiniging denkt. Moge dan te horen zijn wat ook elders in de psalm staat (vs 8) "Ik (de Heer) let op u. Ik geef u aanwijzingen voor de weg die ge moet gaan; Ik wil u raad geven en met mijn ogen u volgen"/"Inzicht geef ik u, onderricht, omtrent de weg die ge moet gaan. Ik geef raad. Mijn oog is op u". De reinen hebben de mogelijkheid voor degene die geen oog heeft de Heer te bidden dat hij/zij het graag wil, geloofszicht moge krijgen. Zodat ook hij/zij gaat danken.

 

Er is nog een ander aspect, dat de vorige week ook al op tafel kwam. Je kunt zeggen dat Jezus een wonder doet en meteen vragen: waarom zij toen wel en wij nu niet meer? Er is aanleiding genoeg voor. Vervolgens komt de vraag naar het lijden weer op tafel. Uiteindelijk (!) (!) weet ik maar één antwoord: mensen lijden door ziekte, natuurrampen en - misschien wel het ergste - door onrecht. De Vader verhoedt dat niet maar Hij laat zijn mensen ook niet in de steek: zelfs zijn eigen, veel geliefde, enige, eerstgeborene ondergaat het lijden tot en met het bittere eind. Als hij niet het ergste vrijwillig op zich had genomen, had ondergaan, hadden we de Vader aan kunnen klagen om het leed in de wereld. Nu rest er hoop, hard gemaakt voor de volgelingen van Jezus: God lijdt mee en redt. Net zo als Jezus die man redde - uit mede-lijden.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Er ís verdriet en i.p.v. de samenleving aan te klagen kun je, gesteund door Jezus, proberen iets aan dat leed, pijn en verdriet te doen. Als je dat samen met hem kunt doen, maak je zijn Naam waar: de Redder.

 

Aangeraakt worden door Jezus en dan ... Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen dat over ons te laten komen?

 

 

Zevende zondag door het jaar B  23 februari 2003  ('09)

Jes 43, 18.19.21.22.24b.25; psalm 41 (38/41); Mc 2, 1-12

Psalm 41  Gelukkig degene die voor de arme zorgt: als hij zelf in nood is, brengt de HEER hem uitkomst.

De HEER zal hem beschermen en in leven houden; men prijst hem gelukkig in heel het land:

U levert hem niet aan zijn vijanden uit.

De HEER zal aan zijn ziekbed staan: U brengt degene die ligt weer op de been.

'Ach - zeg ik - HEER, wees mij genadig, genees mij, al heb ik misdaan tegen U.'

Wees mij genadig, HEER, help mij op de been, dat ik het hun mag vergelden.

U houdt mij ongedeerd overeind. U geeft mij voor eeuwig een plaats voor uw aanschijn.

Gezegend is Israëls God, de HEER, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen. Amen.

 

De lezing uit het O.T., van Jesaja, bestaat uit twee delen: het eerste bevat de heilsboodschap van 'de ellende is voorbij', het tweede zegt dat Israël dat heil niet aan zich zelf heeft te danken.

Het eerste begint eigenlijk met "Wees niet bang, want Ik heb u verlost en u geroepen bij uw naam: u bent van Mij". God vraagt Zijn volk om vertrouwen: als Híj het heeft verlost, mogen ze de ellende van de ballingschap vergeten en kunnen ze letten op het nieuwe. Het nieuwe dat al is begonnen zonder dat ze het misschien merkten en dat onmogelijk leek als een rivier in de woestijn of als een voetpad over de bodem van de zee. Dat volk zal Gods lof verkondigen om het uitzicht dat Hij aan het volk heeft gegeven nu de ballingschap voorbij is.

In het tweede deel maakt de Heer Zijn Naam waar: het volk had de ballingschap verdiend door eigen schuld maar Hij heeft de zonde vergeven omdat Hij de ellende, die oneigenlijkheid, niet kon aanzien. Zijn volk hoort niet in ballingschap te zijn maar op eigen bodem te staan, waar het Zijn Naam vrij beleeft - Zijn Naam 'Hij-is-er'. Op eigen bodem is Zijn volk 'eigen'lijk. Hij denkt niet meer aan hun zonden: schone lei en vrij.

Ouderen onder ons weten wat bevrijding is en vluchtelingen weten wat het is om op eigen bodem te staan. Zo zullen ook mensen die door 'zonde' in de ruimste zin van het woord, door alles wat niet des mensen is, wat niet den mens eigen is worden beperkt, verlangen naar openheid, vrijheid, zorgeloosheid, gezondheid.

In die geest past ook tussenzang waar het klinkt "Genees mij - al heb ik misdaan tegen u"/"Heer, wees mij goedgunstig, genees mij."  Oftewel: 'Laat het a.u.b. niet weer gebeuren ook al ik fout ben geweest. Laat me niet in ballingschap. Laat me niet vallen. Laat me niet alleen, sta mij bij tot bij mijn ziekbed. Genees mij'. Een kreet uit lang vervlogen tijden, meer dan 2000 jaar oud en nog steeds actueel. Wie wil niet het nieuwe, wie wil niet vrij zijn?

 

Het evangelie staat in zekere zin tegenover die gedachten uit het O.T. Die lamme zal vast niet aan zondevergeving gedacht hebben - hij wou beter worden, vrij kunnen lopen zoals ieder mens, zelfstandig en fier. Het is niet onmogelijk dat hij zijn ellende als een straf ziet voor zonde van hem zelf of zijn voorgeslacht maar daarvan blijkt niets uit de tekst. Twee dingen vallen op: Jezus ziet hun vertrouwen en vervolgens vergeeft hij zonde i.p.v. dat hij geneest. Die lamme stond kennelijk niet alleen, zijn makkers deelden op een of andere manier zijn ongemak, zorgden voor hem en lieten zich niet weerhouden door tegenslag: ze deden iets onverwachts, iets nieuws. Ze klommen met de brancard het dak op, maakten een opening en lieten de lamme met brancard en al vieren, voor de voeten van Jezus. Daar kan Jezus niet tegen op. Hij die zich inzet voor anderen, herkent kameraadschap, herkent die volharding en ziet hun vertrouwen in hem.

Maar het eerste wat hij doet is tegen die man zeggen dat zijn zonden worden vergeven. Jezus zal best begrepen hebben dat die man voor zijn ziekte kwam maar hij zag kennelijk zo'n groot vertrouwen in hém dat zelfs zondever­geving mogelijk was. Dat klinkt wat vreemd maar dat is wel het grote nieuws van het Nieuwe Verbond: mensen vrij maken voor God door zondenvergeving, uitzicht bieden op heil, op liefde in vrijheid. Daarvoor is hij gekomen.

Wij zeggen nu achteraf dat Jezus inderdaad zonde mocht/kon vergeven maar voor een Jood is dat een onmogelijke gedachte. Alleen God kan vergeven. Maar Jezus heeft een nieuwe leer, hij legt een rivier in de woestijn. Hij maakt aanspraak op gezag, dat van de Mensenzoon; hij laat zien dat het waar is, dat de Mensenzoon de macht heeft op aarde om te vergeven:

'Ik zeg u' -  ik, de Mensenzoon, éen met de Vader, die Zijn wil ken, gekomen om te genezen

- ik zeg u:

'sta op' -  ga staan fier en vrij, op eigen benen voor God, zoals je bent bedoeld,

- ik zeg u:

'neem je bed op'  -  vergeet niet wat je is overkomen, het hoort bij jouw leven, onthoud hoe het was en weet hoe het nu voelt

- ik zeg u:

'ga naar huis' -  bouw een nieuw leven op op eigen grond en vergeet je makkers rondom je huis niet, de gemeenschap.

De man stond op, iedereen kon het zien.

En de mensen loofden God. Nog nooit zo iets gezien. Een voetpad over de bodem van de zee.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als je jong bent wil je iets nieuws, ben je niet meer zo in voor het oude, daar wil je niet gauw naar omkijken. Maar een verandering moet een verbetering zijn. Het nieuwe moet beter zijn dan het oude. Kijk wat er niet goed meer is bij het oude, waarom iets nu niet meer dienstig is. Als je dat in kameraadschap kunt ontdekken en kunt uitvoeren in dienst van je ideaal, vraag dan hulp aan hem die voorop liep in nieuw.

 

Sta op, Ik onderneem iets nieuws, leg een voetpad door de zee. Ik zeg u …, 'u bent toch van mij'? Zullen we ons daarvoor even de tijd gunnen?

 

 

 Achtste zondag door het jaar B 2 maart '03 ('06)

Hos2, 16b.17b.21.22; psalm 103; Mc 2, 18-22

Psalm 103 Prijs de HEER, o mijn ziel, zijn heilige naam uit het diepst van je hart.

Prijs de HEER, o mijn ziel, en vergeet zijn weldaden nooit.

Hij vergeeft al je misgrepen, Hij geneest al het leed dat je lijdt;

je leven koopt Hij vrij van het graf, en kroont je met liefde en erbarmen.

Barmhartig de HEER en genadig, geduldig, en in liefde groot.

Hij behandelde ons niet naar onze zonden, Hij vergold ons niet naar onze misgrepen.

Als van oost naar west, zo ver heeft Hij onze misdaden van zich af geworpen.

Zoals een vader zich over kinderen ontfermt, zo ontfermt de HEER zich over hen die Hem vrezen.

 

De combinatie van 'bruid' uit de eerste lezing en 'bruidegom' van het evangelie ligt voor de hand. Het is een geliefd bijbels beeld om de verhouding God en Zijn volk te karakteriseren. Bedenken we dat dat beeld niet per post of wat dan ook is bezorgd. Het kan best wakker zijn geroepen door het woord van een profeet, maar als het niet al in de harten van de mensen had gelegen, als het niet had aangesproken, was het bij een profetenwoord gebleven. Laten we bij dat beeld verwijlen.

 

De tekst van de profeet Hosea - iets ruimer genomen dan we hebben gelezen - is: "En daarom lok ik haar (Israël) binnenkort weer naar Mij toe, zorg ik dat zij naar de woestijn gaat en spreek ik tot haar hart". Dan geeft de Heer haar daar weer hoop en dan vervolgt de tekst: "Daar zal zij weer antwoorden, zoals in de dagen van haar jeugd, toen ze optrok uit Egypte". (Willibrord '95)  God lokt Zijn volk, dat afvallig was, andere goden achterna liep, zijn afkomst was vergeten - God lokt zijn volk weer naar Zich toe. In de woestijn waar geen afleiding door secundaire zaken is, geen verleiding door hebzucht e.d., waar alle aandacht gericht kan worden op het wezenlijke voor de mens. In de woestijn - daar zal God  Israël tot haar hart spreken. Daar zal zij haar antwoord vinden en geven.

 

Wat zal God tot haar hart zeggen? 'Ik ben de Heer uw God, naast Mij is er geen andere'. Ook nu weer geldt dat een profeet, redelijkerwijs Mozes, dat heeft gezegd maar als dat niet reeds in de harten van de mensen had gelegen, was het niet verder gegaan als leefregel. Als dat geen hoop had wakker gemaakt, als dat niet vruchtbaar was, geen vreugde had opgeroepen, was het een dood woord. 'Ik, de Heer, JHWH, die er is voor u, toen u in nood riep, toen door de woestijn trok veertig jaar, Ik ben uw God. Verder dan Mij hoeft ge niet te zoeken, Ik heb u gevormd, ik roep u tot leven.' Dat zal God tot haar hart gezegd hebben. En dan vindt zij haar antwoord vanuit haar hart - door te erkennen en door te doen, door in gedachte en daad die erkenning waar te maken. Niet alleen door offers in de eredienst maar ook door Zijn Gerechtigheid waar te maken op aarde. Door vanuit haar hart op Hem gericht te zijn. Door te leven in het besef van Zijn Aanwezigheid. Dat zal haar antwoord zijn.

 

Is het dan vreemd dat het beeld van de bruid - bruidegom opkomt?  Een grote intensiteit, een diepgang, een vergaande ervaring moet tot uitdrukking komen. Is er een beter beeld dan dat van bruid - bruidegom? Het gaat niet alleen om de ziel die vol is van Gods Geest zoals de bruid van haar bruidegom maar ook om de bruidegom die wordt beheerst door het denken aan zijn bruid. Zo denkt God aan Zijn volk. Ook hier weer: niet per post bezorgd maar opgeleefd in de harten van de mensen die zo over hun God durven en kunnen denken. En als de bruid dan zijn stem hoort, springt dan haar hart niet van vreugde op? En als hij haar adem voelt, is hij dan niet vertederd?

 

In recht en gerechtigheid, in goedheid en erbarming leert zij de Heer kennen. Het woordje goedheid duidt op het hebreeuwse chèsed, dat we proberen te vertalen met goedheid, genade, trouw. "Barmhartige Heer, genadige God"/ "De Heer is barmhartig en welgezind". Het gaat om de kwalificatie van 'relatie', verband, verbondenheid met iemand - om het onderhouden ervan. Chèsed heeft qua woord verband met baarmoeder. Is er een intensere relatie voor mensen denkbaar? Dat beelden als bruid - bruidegom en moeder - kind gebruikt worden door mensen om hun verhouding met God te kwalificeren - getuigt dat niet van een enorme ervaring? Van iets fundamenteels? Je moet maar durven  - en kunnen.

 

Als Jezus over zich zelf spreekt als van een bruidegom, doet hij dat vast vanuit zijn Jood zijn, vanuit teksten van profeten zoals Hosea. Maar dan moet er ook een bruid zijn. In de tekst van het evangelie worden alleen vrienden van de bruidegom genoemd. Maar ligt bruid er dan niet in opgesloten? De bruid komt er aan, zijn kerk, wij. "Ik ben uw bruidegom, naast mij is er geen ander". In trouw, dan zult u mij leren kennen.

Wat Jezus doet is nieuw. Tot nog toe was God de bruidegom en het joodse volk zijn bruid. Nu maakt hij zichzelf tot bruidegom. Dat is nieuwe wijn. Dan passen oude gewoontes niet zonder meer, dan spreekt hij tot het hart van zijn volgelingen, van zijn Kerk, tot ons hart, met zijn minnewoorden. Dan kunnen wij antwoorden in de sfeer van bruid - bruidegom, met de woorden van twee geliefden, in het besef van elkaars aanwezigheid. 

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Verliefdheid, liefde kan zeker als je jong bent heel enthousiast zijn, spontaan en inspirerend. Vraag hem zo om zijn aanwezigheid in jouw leven en in jouw activiteiten als vreugdebrengend, diepgaande vreugde. Vasten kan altijd nog.

 

Ik bruidegom - gij mijn bruid.  Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?

 

Negende zondag door het jaar B
Deut 5,12-15; tussenzang psalm 81, 3-8.10.11 of psalm 19 II ; Mc 2, 23 - 3, 6

 

Psalm 81  Jubel voor God die onze kracht is

Zing een lied en speel op de beltrom, op strelende citer en harp.

Blaas op de ramshoorn bij nieuwe maan, bij volle maan, op onze feestdag°,

want dat is regel in Israël, dat is ons gebruik om Jakobs God te eren,

de Wet, vroeger aan Jozef gegeven, toen hij Egypte achter zich liet.

Wat ongehoord was hoor ik hier:

'De last neem Ik weg van zijn schouders, de draagkorven blijven onaangeroerd staan.

U riep in uw nood en Ik heb u gered,

Luister, mijn volk, Ik bezweer het u; Israël, luister naar Mij:

U mag geen vreemde god hebben, niet buigen voor een vreemde god.

 

Als we de tekst van de 1e lezing bezien, krijgen we de indruk dat sabbat onderhouden maar een saaie gebeurtenis is: je mag niks, alleen uitrusten. Dat is niet waar, de regel geeft de ondergrens aan: in ieder geval niet werken want de mens is er niet om te werken, je moet geen slaaf van je werk zijn, dan mis je wat.
Wat doe je dan op sabbat? Bidden? Ja, maar de Jood bidt iedere dag. De sabbat begint op Vrijdag-avond na zonsondergang met de maaltijd thuis in huiselijke kring of een kring van vrienden. Daar neem je brood en spreek je het zegengebed en als je lekker hebt gegeten, neem je de beker en zeg je het dankgebed. Dan vertel je van het goede dat je hebt ervaren en zo dank je al voor het goede dat je die week hebt gekregen. Maar daarin ligt ook je hoop voor de komende week, de voortgaande schepping, die immers ook in zeven dagen werd voltooid. Overdag ga je naar de synagoge met zijn allen en ben je bij elkaar rondom de Schriften en Tora en de Profeten en praat je erover en denk je na. En prijs je je Schepper, zoals we gebeden/gezongen hebben in de tussenzang: "Huldigt de Heer, onze sterkte"/ "Helder water is zijn wet, hartverkwikkend". Daarna ga je verder met het genieten van het goede der aarde want dat is er voor de mens. Als je die ruimte niét neemt - en werkt, doe je jezelf tekort. Bovendien is de mens niet bedoeld om slaafs te leven, want de sabbat geldt ook voor de dienstknechten, zelfs voor de vreemdeling. Ook zij hebben het recht om te genieten van het goede der aarde. Jullie weten immers wat het is om in slavernij te zitten!


Israël springt eruit als het gaat om de weekcyclus. Grieken en Romeinen werkten in perioden van tien dagen en zij vonden het maar verkwisten van tijd om eens per zeven dagen een hele dag niet te werken. De sabbatviering is voor de Jood net zo wezenlijk als de besnijdenis. Op die manier denkt hij naar God toe, richt hij zijn leven al doende, al vierend, op zijn Schepper. In een Joods commentaar op het boek Genesis staat een verhalende toelichting die zegt dat de dagen van de week aan elkaar zijn gekoppeld: de eerste dag met de tweede, de derde met de vierde, de vijfde met de zesde. En dan beklaagt de zevende dag, de sabbat, zich bij de Schepper: de sabbat sprak tot de Heilige - Hij zij gezegend: "Meester van de wereld, allen hebben een gezel maar ik heb er geen!" De Heilige - Hij zij gezegend - sprak tot haar: "De gemeenschap van Israël zal jouw gezel zijn."
De sabbat als levensgezel. Een dag van vieren gedurende heel je leven. Dus niet alleen danken voor hetgeen reeds is genoten maar ook voor hetgeen nog komt, de toekomst vieren, dat is hoop vieren. En speciaal haar hoop op de Messias, die beloofd was. Israël viert haar hoop na het werk. De Christenen vieren hoop op de komende week, op de 1e dag van de nieuwe week, de nieuwe schepping, toen hun Heer verscheen als De Verrezene, hun Heer die zij als de Messias erkennen. Hun hoop is niet zo zeer gegrond op het genotene als wel op de vervulling van de belofte, op Messiaans heil. Toen en nog steeds.

 

Als je tegen deze achtergrond naar de reactie van de Farizeeën kijkt, is van die viering weinig over. Ze zijn bedolven onder regeltjes en Jezus moet zich verantwoorden dat hij niet tegen de Wet handelt; hij verwijst naar wat David deed toen zijn mannen honger hadden. God is niet tegen de mens en de Heilige - Hij zij gezegend - geeft geen regel tegen het leven. Lijkt die reactie niet een beetje op een verschrompelde hand? Mag je op sabbat goed doen? Ja, juist op sabbat ! Dan kun je de verschrompelde hand uitsteken, uit die benauwde regeltjesmentalitieit komen, en vieren zoals de Heer heeft bedoeld. Daar heeft Jezus plezier in. Dat geeft ook visie op de toekomst want die mag niet door regeltjes geblokkeerd worden.

Ouderen onder ons kennen nog wel die soms benepen zondagsviering met voorschriften. Het was allemaal een beetje netjes. Dat lag natuurlijk ook aan persoonlijke invulling en aan de geest van die tijd. Maar ook nu geldt de vraag of we de zondag gebruiken om te vieren dat we … ja, wat vieren we eigenlijk?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. De zondagsviering is vergeleken met vroeger behoorlijk veranderd. Ik kan me de vraag heel goed voorstellen wat er nu in de zondagsviering te beleven is. Maar ik heb ook wel eens de indruk dat jongeren door de week geld verdienen om het in het weekend  weer te besteden. Hoe je viert, het mooiste viert, moet je zelf uitzoeken maar geeft de lezing van vandaag geen aanwijzing wat je kunt vieren?

 

Wat vieren we hier in de kerk bij elkaar en wat vieren we straks buiten?  Zullen we ons hier een paar minuten tijd gunnen om daarover te denken? Naar God toe te denken?



Eerste zondag in de veertigdagentijd B  20 maart 2000; '03 ('06)
Gen 9, 8-15; psalm 25(II); Mc 1, 12-15

 

Psalm 25  Leer mij uw wegen kennen, HEER; maak mij wegwijs op uw paden,

wijs mij het spoor van trouw aan U, wees voor mij een meester;

U bent de God die mij redt,

HEER, denk aan uw barmhartigheid en uw liefde van eeuwen geleden.

HEER, vergeet mijn zonden en wat ik verkeerd deed in mijn jeugd; denk aan mij in liefde.

De HEER is goed, de HEER is rechtvaardig, zelfs zondaars wijst Hij de ware weg.

Hij brengt de armen op het rechte spoor, Hij leert hun zijn weg.

Al de wegen van de HEER zijn liefde en trouw voor wie zijn verbond en geboden onderhouden.

 

Het evangelie van Marcus dat we nu hebben gelezen geeft maar heel kort aan wat Jezus deed na zijn doop. De andere evangelisten vertellen veel meer maar wat hier naar voren komt lijkt wel een korte overspanning, een boog, vanaf de doop naar het begin van Jezus' verkondiging in Galilea en later met het opgaan naar Jeruzalem als afsluiting. Dat alles "Gedreven door de Geest". De Geest die hij heeft gezien bij zijn doop en die voortdurend die boog gespannen houdt tussen hem en zijn Abba. Een boog tussen hemel en aarde.
Dat doet natuurlijk ook denken aan de boog die in de 1e  lezing werd genoemd: de regenboog als teken van het verbond dat God met Noach en zijn zonen sloot, het teken tussen hemel en aarde, nooit meer vernietiging van het leven door een watervloed. Nu even een stapje terug zetten: wij lezen dat God de regenboog als teken opzette en daar is niks verkeerd mee, maar hoe is dat gegaan?  Er is geen briefje uit de hemel gedropt met een tekst erop. Het klinkt als een akelige, kale vraag, maar de vraag is reëel. Hoe komen zij er dan bij dat God een verbond sluit? Mij lijkt dat dat alleen maar kan door een overtuiging die in hen gegroeid is: zij voelen zich gered en dan wil je wel verder denken, voortaan alleen het goede doen. Die overtuiging, die inzet, die wil voor het goede krijg je. Van wie? Het is Gods Geest. Dezelfde Geest die hun via de profeten wordt toegezegd, dezelfde Geest die Jezus dreef naar de woestijn.


Beide lezingen gaan over een nieuw begin. De 1e lezing begint met het nieuwe leven na de zondvloed. Noach was de enige rechtvaardige in zijn wereld, hij alleen met zijn familie bleef over. Nu zou de wereld helemaal gerecht worden. Jezus begint het grote nieuws te verkondigen, dat Johannes de Doper vergeving van de zonden noemde. Jezus voegt daar het Rijk Gods aan toe en ook het geloven in de blijde boodschap. Wij staan aan het begin van de veertigdagentijd, voorbereiding op het nieuwe leven dat zich in de natuur manifesteert en ons nodigt om ons in te leven in het komende feest, het feest van de nieuwe schepping; het feest dat de dood niet het einde is.
In de lente is de kans wat groter dan anders dat we een regenboog zien. Zoals in de 1e lezing staat: "Wanneer ik de wolken samenpak en de boog in de wolken zichtbaar wordt, zal ik denken aan het verbond", zo kunnen wij iedere keer dat we een regenboog zien herinnerd worden aan dat verbond - dat uiteindelijk uitloopt in het nieuwe verbond in Jezus Christus. Het is wel goed daarbij ons ook te binnen te brengen dat dat verbond gebaseerd is op wat we in de tussenzang hebben gezongen/gebeden: "Naar U gaat mijn verlangen, Heer"/"De wegen van God zijn goed en betrouwbaar voor ieder die zijn verbond onderhoudt" en waarbij we ook op Gods barmhartigheid rekenen. Het briefje waarop staat dat het gaat om het verbond in Jezus, is in ons hart geschreven. In de veertigdagentijd kunnen we ons zelf steunpunten verschaffen om daaraan wat meer te denken, dat briefje nog eens te lezen. Punten uitzoeken die dágelijks in onze aandacht liggen. Zijn b.v. het bidden voor en na het eten niet zo'n punt? Vele punten vormen een lijn, een betrouwbare weg van God, de lijn naar de woestijn van Jezus. Daar waar ook het stil kan zijn. "Het stil gesprek met de Heer is weggelegd voor wie Hem vrezen". Naar U gaat mijn verlangen, Heer. Daar kiezen we dan zelf voor.

 

De redding van Noach en de zijnen was duidelijk maar een nieuw begin na redding kan ook inhouden dat je nieuw gebedsgereedschap, contactgereedschap, moet krijgen. Inderdaad: krijgen. Het stil gesprek met de Heer is dan wel erg stil. Arm aan woorden, zonder woorden. Ook als we moeten afwachten kunnen we op de Heer vertrouwen; als ons verlangen maar naar Hem uitgaat. Immers: "Hij brengt de armen op het rechte spoor, Hij leert hun zijn weg". Die krijg je.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als je jong bent, zeg je al gauw dat dit of dat toch moet kunnen. Ook al weet je dat dat niet altijd zo is, je bent vol energie om een ideaal waar te maken. In deze veertigdagentijd naar iets nieuws toe kun je jezelf bezinnen op de vraag wat jouw ideaal eigenlijk is. Heeft het Rijk Gods daarmee te maken ?

 

Naar U gaat mijn verlangen, Heer (de wegen van God, de weg naar God toe) aan het begin van deze tijd. Gedragen door een zegenboog. Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen dat over ons te laten komen?

 

 

Tweede zondag van de veertigdagentijd B  19 maart 2000; '03 ('06)
Gen 22, 1-2a.9a.10-13.15-18; psalm 116; Mc 9, 2-10

 

Vooraf bij de opening van de viering:
We luisteren straks naar het verhaal van het geofferd worden van Isaak, dat bij ons nogal vragen oproept. Zo van "wat is dat voor een God die een vader vraagt Hem zijn kind te offeren? Dat is vast geen Vader en al helemaal geen God". Er worden ook wel verklaringen aan gegeven dat God zo wilde aangeven dat Hij in tegenstelling tot andere godsdiensten geen mensenoffers hoefde, verklaringen van "Ja maar, Hij deed het toch niet". Mij lijkt maar één benadering goed en dat is accepteren dat 'de' Jood zo vertelde en nog vertelt. Mag hij? het is zijn verhaal waarmee hij iets wil zeggen en dan is het niet aan ons om met onze hedendaagse westerse maatstaven dat verhaal te beoordelen. De Jood weet nl. dat als Isaak geofferd was, hij dit verhaal niet kon vertellen; dan had hij niet bestaan. Isaak was immers de enige zoon. Het is zijn manier om te zeggen hoe hij op zijn God vertrouwt. We zullen daar straks op in gaan in de overweging.

(Het lijkt mij beter dit vooraf te zeggen opdat degenen die vreemd tegenover het verhaal staan, de gelegenheid krijgen dit even te laten binnenkomen.)

 

Psalm 116  Zo mag ik weer met God verkeren, terug in het land van de levenden.

Ik behield mijn vertrouwen, al moest ik ook zeggen: 'Hier lig ik zo diep vernederd';

Zwaar valt de HEER  het sterven van zijn getrouwen.

Ach, zie HEER, ik ben uw dienaar, uw dienaar ben ik, kind van uw dienares,

U hebt mijn boeien losgemaakt.

Ik draag een dankoffer aan U op en de naam van de HEER roep ik uit.

Mijn geloften aan de HEER kom ik na, zodat iedereen het ziet, voor heel zijn volk,

in de voorhof van het huis van de HEER, in uw midden, Jeruzalem.

 

Als je van de lezing van het O.T. de stap gaat maken naar de lezing van het N.T., denk je dat dan het kruisoffer wel ter sprake zal komen maar dan blijkt het de verheerlijking op de Tabor te zijn. Toch zit er iets gemeenschappelijk in beide lezingen nl. -laat me het noemen- 'de sfeer'.
Kijken we naar de 1e lezing: eigenlijk is het jammer dat zij is ingekort maar het begin geeft al een trefwoord: God zegt "Abraham" en hij zegt "Hinneni":  Hier ben ik". Hier ben ik om uw wil te doen zegt de psalm: Hinneni. Hier ben ik zei een lid van de Joodse Raad toen zijn naam werd afgelezen voor het transport naar Westerbork: "Hinneni". "Hinneni" als ik moet lijden. "Hinneni" als mij onrecht wordt aangedaan. "Hinneni" want ik vertrouw op U. Dat was het startpunt voor Abraham; hij wist nog niet wat God zou vragen.
En dan gaat het om Isaak, zijn zoon, zijn eniggeboren, die hij zo lief heeft. Als je zelf vader bent ….
Het verhaal wordt nog spannender in een stukje dat we niet hebben gelezen. Abraham zadelt zijn ezel, kapt hout … wat zal hij gedacht hebben? Op de derde dag ziet hij de plaats in de verte liggen. Dat 'de derde dag' houdt een heleboel in. Het is het moment van de beslissing. Natuurlijk heeft hij rondgelopen met de vraag of hij het wel zou doen. 'Je bent wel gek', zal hij gedacht hebben, maar als God het vraagt, wat dan? Kennelijk overwint zijn godsvertrouwen; hij beslist; het is wel in de verte, het komt nog, maar op een of ander manier … Dan laat hij de knechten achter en Isaak draagt het hout, zoals Jezus zelf het kruis droeg. Abraham draagt het vuur en het mes. Zo gingen zij samen…. Wat zal Abraham gedacht hebben? Wat zal de Vader gedacht hebben? Ging Hij samen met Zijn Zoon?

Dan vraagt Isaak waar het offerdier is: "God zal wel voorzien". En zo gingen zij samen … Wat zal Isaak gedacht hebben? Niks! God zal immers wel voorzien. Wat zal Jezus gedacht hebben, toen met dat kruis op zijn schouder? Voelde hij dat zijn vader bij hem was? Wist hij het alleen maar?

Als dan het altaar is gebouwd en je de hand van Abraham naar het mes ziet gaan: "Abraham, Abraham!" Als in de bijbel iemands naam tweemaal wordt genoemd, is er iets bijzonders aan de hand.
"Marta. Marta!" Eli, Eli …!" "Abraham, Abraham", 'raak die jongen niet aan; hij is van mij' - denken we er dan bij. "Abraham, Abraham" Ik weet nu hoe je op Mij vertrouwt maar … weet jij nu hoe jij op Mij vertrouwt? Hoe dicht jij bij Mij bent?

 

Dit verhaal is niet zomaar ontstaan; er zal wel een alledaagse aanleiding voor zijn geweest. Die aanleiding ligt waarschijnlijk het woord Moria dat letterkundig met 'God zal voorzien' te maken kan hebben of met 'God laat Zich zien'. De Jood heeft dat element dan gebruikt om zijn godsvertrouwen te verkondigen. Niet alleen toen … Isaak als brandoffer, als holocaust. Auswitsch. Abraham kreeg de belofte van een groot nageslacht. De Jood in Auswitsch? Heeft hij toen het verhaal van Isaaks binding geschrapt? Leest hij het nu niet meer?  Wij ?

 

In die "sfeer" maken we de overstap naar de lezing van het evangelie, het goede nieuws. Ook Jezus gaat een hoge berg op. Hij weet dat hij straks hetzelfde antwoord als Abraham zal geven: "Hinneni", hier ben ik om Uw wil te doen, tot op Golgotha toe. Maar nu geldt wat voor Isaak opging: vertrouwen in zijn Abba. Het vertrouwen in zijn Abba, zoals hij dat kende, moet ongerept zijn geweest, volledig, hij kent Hem immers als geen ander. Wat dat betekent zien die drie in een enorme geloofservaring: glanzend helder, het eerste Verbond, Wet en profeten, spreekt met het Nieuwe Verbond, met het nieuwe Offerdier in grenzeloos vertrouwen: Dé Wet, Dé Profeet, Dé Nieuwe Eredienst. Ze horen die Stem uit de wolk, de wolk die voor de Israëlieten uitging, die zich tussen hen de Egyptenaren stelde, de wolk boven de tent van de samenkomst in de woestijn, uit die wolk klinkt nu: "Mijn Welbeminde"; welbemind, net als Isaak. Ze zullen het wel met hun oren gehoord hebben maar als ze het niet in hun hart hadden gehoord, was het misschien weer weggeëbd. Zij hebben leren vertrouwen op die Welbeminde.

De vorige week was het "Naar u gaat mijn verlangen, Heer". Nu moge dat verlangen gesterkt worden door een diepgaand vertrouwen, steunend op Gods Voorzienigheid.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Zonder vertrouwen kun je niet leven, zonder vertrouwen in de toekomst, is het geen leven. Maar waar baseer je dat op? Hoe kom je eraan?

 

In de tussenzang hebben we gezongen/gebeden "ik bleef vertrouwen ook al  was ik gebroken." Ik ben immers kostbaar. Kostbaar als Isaak. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen daarover na te denken.

 


Derde zondag van de veertigdagentijd jaar B  23 maart 2003

Ex 20, 1-17; psalm 19; Joh 2, 13-25 

Deze tekst hanteert HijZ als aanduiding van God, bij wie geslacht niet terzake is, en de Naam "Hij-is-(er)", JHWH. Omdat die naam grammaticaal 3e persoon enkelvoud is, wordt 'Hij' en 'Zijn' gebruikt als de Naam in de betreffende zin staat. 'Hij-is-er' raakt Zijn actief zijn; 'Hij-is' duidt op Zijn hoedanigheid.

 

Heer, uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.

Psalm 19  De wet van de HEER is volmaakt, een verademing voor de ziel.

Wat de HEER zegt is betrouwbaar, het maakt de eenvoudige wijs.

Wat de HEER voorschrijft is goed, een vreugde voor het hart.

Wat de HEER verordent is helder, een licht voor de ogen.

Wat de HEER zegt is zonder smet, het houdt stand voor altijd.

De voorschriften van de HEER zijn betrouwbaar, rechtvaardig allemaal;

en begerenswaardiger dan goud, dan een schat aan puur goud;

en zoeter dan honing, dan honing zo uit de raat.

Daardoor laat zich ook uw dienstknecht aansporen, hij onderhoudt ze en wordt overvloedig beloond.

 

Op het eerste gezicht lijkt de combinatie van de tien geboden met de tempelreiniging niet zo voor de hand te liggen, maar zodra we lezen "de ijver voor Uw huis zal mij verteren" en dat psalmvers vervolgen met "de smaad van hen die U smaden is op mij neer gekomen", dan wordt er iets duidelijk. Jezus is verontwaardigd omdat hij een echte Jood is, een 'tsaddiek', een gerechte.

De gerechte Jood baseert zich op de Wet, de leefregels die hij zich eigen maakt, die in een ver verleden zijn ontstaan, zich hebben ontwikkeld en nog steeds gelden. De Wet is voor hem de levenslust, de levenskunst van het Verbond. Vooral de eerste drie van de tien 'geboden' gaan diep in die levenslust in. Zij zeggen wat goed is en vruchtbaar. De laatste zeggen wat fout is, zij geven een ondergrens aan.

 

"Ik ben de Heer, uw God". Ik ben de Hij-is-(er), ik ben uw God. Die zin staat, en iedere Jood kent hem. 'Hier spreekt uw Beginpunt, uw Bron, die u op Mij doet gelijken, hoe u bent, maar ook die er is voor u, die u heeft gered toen u om hulp schreeuwde in de slavernij'. In die ellende heeft Israël zijn God leren kennen, dat HijZ er voor hen is met Zijn bevrijdende macht. Dan leert Israël ook hoé HijZ is, dat HijZ heilig is, machtig is.

Dat verlost worden uit slavernij, uit Egypte worden gered, geeft opluchting, maar maakt ook ruimte voor Zijn Aanwezigheid, voor Zijn Binnenkomen in de mensenziel, opdat zij wordt als HijZ. Leven in het besef van Zijn Aanwezigheid, de 'Sjechina', is een diepgaande geloofsbeleving, geloofservaring voor de tsaddiek, voor de gelovige die zich richt naar God, De Eeuwige Bron, Bron die eeuwig Leven voedt.

De 'Hij-is', die iedere ziel ziet als Zijn bruid, die Hij wil maken zoals Hij Zelf is, vruchtbaar wil maken met Zijn Leven, de 'Hij-is' is als een jaloerse bruidegom omdat Hij de enige is die echt is, maximaal is. Alleen HijZ kan het Alles aan de ziel geven. "Mijn arm en mijn hals omringde Hij met kostbare stenen, deed aan mijn oren onschatbare parels".

 

De tsaddiek zal voorzichtig, met eerbied, omgaan met die Naam 'Hij-is-(er)', bewust van die grote ontzagwekkendheid, bewust van de kostbaarheid ervan voor hem, die ook zelf graag kostbaar wil zijn, nederig en ootmoedig om te ontvangen.

De Sjabbat is dé dag om daaraan te denken, dat te vieren en te laten voeden; daarom is die dag heilig, op God gericht, van God, van God voor Zijn mensen. Een dag die wezenlijk is voor het Joodse geloof, de Joodse godsdienst. Andere volken hebben zo'n  dag niet.

En natuurlijk eert hij zijn vader en moeder, eventueel zijn geestelijke ouder, die hem hebben ingeleid in dat geloof, in die geloofsbeleving. Zonder hen zou hij het niet hebben geweten, zonder hun voorleven zou hij het nooit hebben ingeschat. Het is de mooie droom die mensen in elkaar wakker roepen opdat het in ieder werkelijkheid wordt: Godskind zijn.

Is het verwonderlijk dat psalm 19 zingt over de Wet, het woord des Heren, als over zuiver goud, nog kostbaarder dan zuiver goud en dat wij spreken van een gouden hart? Jezus heeft die psalm vast gezongen met hart en ziel. "Wie de Wet des heren overweegt, draagt vruchten op zijn/haar tijd".

 

Is het dan nog verwonderlijk dat hij opvliegt als hij ziet hoe in het huis van zijn Abba om geldelijk gewin wordt gehandeld? Kunnen we dan ook gaan begrijpen dat hij zijn eigen lijf garant stelt voor de eer van zijn Vader, zijn eigen lijf voor de plaats waar wordt gebeden, waar contact wordt gemaakt met God? "Door hem en met hem en in hem …"

 

We kunnen ons afvragen of Jezus als hij op aarde zou zijn, niet weer iets zou schoon vegen. Maar voordat we naar de buurman/vrouw kijken kunnen we ook bij onszelf te rade gaan. Hoe is onze God? De God die ons uit Egypte heeft geleid, die ons uit moeilijkheden, ziekte, angst, depressie, obsessie, onvrijheid heeft geleid. Is er toen ruimte in ons gekomen om Hem te leren kennen?

Proberen wij Hem niet te gauw te beperken tot degene die mij heeft verlost, Hem enigszins voor mij te reserveren?

Proberen wij Hem niet te veel in eigen godsbeeld vast te houden in voorspoed, voldaanheid, van zijn-gangetje-gaan? Hebben we enig idee hoe wij Hem aanvoelen bij tegenspoed, als het niet goed gaat?

Hebben we geen afgod in ons streven naar een doel, in onze hebzucht, in amusement, in eigen gelijk, waarbij we Hém  vergeten? in aardse aangelegenheden, waarbij het ontzag voor zijn Naam niet eens meer bestaat, Zijn Aanwezigheid niet in tel is? M.a.w. vergeten we Hem niet te veel?

Hebben we een dag waarin we speciaal Hem vieren en hoe doen we dat dan?

Is er misschien aanleiding Jezus te vragen dat hij ons innerlijk reinigt en helpt bij het plaats maken voor zijn God?

 

Ik hoop dat e.e.a ook jongeren aanspreekt. Er zijn levensregels, 'wetten', richtlijnen, aanbevelingen en noem maar op. Maar die moeten allemaal de waarden dienen waar het om gaat, om waarden die blijven. Richtlijnen, normen enz. zonder waarde zijn waardeloos en levenloos. Zij moeten er op gericht zijn waarden te doen kennen, laten leren kennen. Als je wilt weten wat blijvende waarden zijn, let eens op Jezus. Hij stond ergens voor.

 

De eerste zondag was het thema verlangen naar God, op de tweede is dat gevestigd op vertrouwen op God, nu komt er het leren kennen van God bij. Willen wij leren Hem kennen via Jezus? Hoe? Zullen we ons voor die vraag even tijd gunnen?

 

 

Vierde zondag van de veertigdagentijd  2 april 2000; '03
2Kr 36, 14-16.19-23; psalm 137; Joh 3, 14-21

Psalm 137 Aan de stromen van Babel, daar zaten wij neer, daar weenden wij tranen, denkend aan Sion;

onze citers hingen al aan de wilgen.

En daar eisten juist die rovers gezang. Vrolijkheid wilden die beulen:

'Zing voor ons eens een lied op Sion.'

Hoe zouden wij het lied van de HEER kunnen zingen, zingen hier op vreemd grondgebied?

Jeruzalem, als ik u ooit vergeet, mag mijn rechterhand verdorren;

mijn tong mag aan mijn gehemelte kleven als ik niet meer aan u zou denken,

als Jeruzalem niet meer mijn alles is.

 

De verbinding tussen de lezing uit het O.T. en het evangelie is dat er gezanten worden gezonden nl. profeten en Jezus van Nazaret. Gezonden om het verbond tussen God en de mensen te hoeden.
In de 1e lezing gaat het niet om een incident, een kleinigheid. Dat blijkt uit de woorden " ook al de voornaamste priesters en het volk -  herhaaldelijk …" En ondanks dat de Heer medelijden had met zijn volk en … zijn tempel,  spotten zij met de  boodschap van de gezanten. Het Joodse volk heeft het verbond vrijwillig aanvaard. Het was een gedachte die bij hen opkwam toen ze ervoeren dat zij werden beschermd; die bescherming hebben zij geaccepteerd als gekregen van hun God. Logisch dat zij in die verhouding verder wilden leven. Daartoe hebben ze leefregels opgesteld. En nu het hun goed gaat, vergeten ze hun sociale leefregels en hun eredienst. Maar hun God wil Zijn verplichtingen wél nakomen en stuurt gezanten. Het gaat tenslotte niet om een kleinigheid maar om hun heil. Het gaat niet om zomaar een volk als vele andere, maar om Zijn volk van koningen en priesters, van gerechtigheid en eredienst.


Bij het evangelie gaat het ook niet om een kleinigheid. De Mensenzoon moet omhoog worden geheven - de Mensenzoon: de beste mens die ooit heeft geleefd, de mens aller mensen zou je kunnen zeggen, de maximale gezant. Dat is geen kleinigheid: het gaat om ons allemaal, om heil voor alle mensen.

'Omhoog geheven worden ' heeft een dubbele betekenis. Toen de Joden op hun woestijntocht eens ongeduldig werden, kwam er een slangenplaag over hen, om hen weer op het rechte pad te zetten, zoals ze dat zelf zagen. Mozes moest toen een bronzen slang maken en die hoog oprichten aan een paal opdat de mensen die slang konden zien en zouden genezen van de slangenbeten. De verwijzing is duidelijk: ook de Mensenzoon moest hoog opgericht worden … aan een kruis opdat iedereen hem kon zien en zou genezen, tot inzicht zou komen, zijn heilsaanbod zou zien. Mozes richtte dat kruis niet op, God ook niet. Het waren mensen die het kruis omhoog duwden. En dan hopelijk tot de ontdekking komen dat ze verkeerd hebben gedaan en gaan inzien. Dat is de létterlijke betekenis van 'omhoog geheven'.

Er is nog een andere: de Mensenzoon moet verheven worden tot aan de rechterhand van de Vader. Daar krijgt hij de ereplaats vanwege zijn inzet voor de goede zaak van de Vader. Ook die verhoging is nodig voor het heil van de mensen, want zó wéten zij wat en hoe ze moeten doen: als Jezus, die het goed deed. Die verhoging deed de Vader. Zo kunnen wij allen aan het heil komen. Dat is dan geen kwestie van alleen maar genezen worden, maar ook verder leven naar de Vader met de hulp van Jezus, die zelf als de omhoog geheven slang is, van wie een kracht uitgaat.

Terug naar de 1e lezing. De koning der Chaldeeën, de Babyloniërs, verwoestte de tempel en de stad, en degenen die over waren werden meegevoerd naar Babylon … om daar de koning en zijn zonen als slaaf te dienen. Kan het erger? Slaaf zijn! Uitzichtloos. We zijn geneigd te zeggen dat dat vroeger was, bij ons is de slavernij afgeschaft. Maar in het evangelie vind je hetzelfde: de duisternis beminnen, in de duisternis zitten. Slaaf zijn wordt je opgelegd, in duisternis zitten doe je zelf. Het is de duisternis van uitzichtloosheid, de duisternis van het graf, maar ook de duisternis van wan-daden, die nergens toe leiden. Dat is niet afgeschaft.
'Dat in de duisternis zitten doe je zelf'. Je kunt er dus ook uitkomen, je kunt in het licht zijn. Het licht is dat je gelooft in Jezus als Gods Zoon, de gezant van de Vader - ook al is hij gestorven aan een schandpaal. De Vader zet die schandpaal in Zijn Licht. Dat mag iedereen zien. Iedereen mag in dat Licht gaan staan en zijn werk doen. Dat is het criterium waarmee je over jezelf een goed oordeel uitspreekt, want in hem ligt het heil, redding uit uitzichtloosheid omdat hij verhoogd is tot naast de Vader.

Is dit niet een punt dat in deze veertigdagentijd terzake is? Je eigen doen en denken doorlichten met Jezus als lichtscherm. Dat we ons steeds meer bewust worden van de realiteitswaarde van ons geloof. We weten het wel, we zeggen de twaalf artikelen van het geloof wel op, maar wat beleven we ervan in ons dagelijks doen en denken? Hebben we het gevoel dat Jezus Christus, de Verhoogde, met ons mee gaat? Hebben we dat besef niet of niet altijd -gevoel is wel eens  wisselend-  dan toch wel het ínzicht dat hij meetrekt? Misschien dat we best een dagelijks herinneringsteken kunnen gebruiken om ons daarvan weer bewust te worden, er over na te denken. En dan ook iets te doen dat in dat licht staat. Al doende leren we, ook in geestelijke zaken.

Het gaat dan niet alleen om het gegeven dat we doen en denken als Jezus maar ook samen met hém doen en denken. Dat is niet uitzichtloos; dat biedt perspectief, ook over de dood heen. Het is een gegeven dat altijd geldt, niet alleen in deze veertigdagentijd. Als we ieder jaar ons daarin specifiek oefenen, komen we telkens een stapje verder. Dan wordt het licht groter. De Joden zongen in hun ballingschap van het verlangen naar Jeruzalem, hun stad op de hoogste berg. Wij hebben dat ook gezongen/-gebeden in de tussenzang. Is het voor ons misschien het verlangen naar dat licht, dat bewustzijn van God-met-ons, van de Mensenzoon, die meetrekt?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. De vraag naar toekomst, naar bestendigheid is groot: "Wat heb je eraan?" wordt kritisch gevraagd. Het criterium waarvoor je kunt kiezen, is dat van Jezus van Nazaret. Als je het gevoel hebt dat je daaraan wat hebt, probeer er moeite voor te doen. Het is niet uitzichtloos en dichterbij dan je misschien denkt. We vieren het hier toch! De Joden kwamen toch ook terug uit de ballingschap.

 

De eerste zondag was het thema verlangen naar God, op de tweede is dat gevestigd op vertrouwen op God, de vorige week kwam het leren kennen van God erbij. Nu gaan we naar het licht zodat van onze daden blijke dat zij in God zijn gedaan. Samen met Jezus, de maximale gezant. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen daarover na te denken?

 

 

 Vijfde zondag in de veertigdagentijd  16 maart 1997; herzien 6 april '03; '09

Jer 31, 31-34; psalm 51; Joh 12, 20-33

Psalm 51  Wees mij genadig, God die liefde bent; U, grenzenloze barmhartigheid,

wis uit wat ik heb misdaan.

Was mij schoon van schuld, reinig mij van mijn zonde.

God, schep in mij een zuiver hart, vernieuw mijn geest, maak hem standvastig.

Verstoot mij niet, weg van uw gelaat, neem uw heilige geest niet weg van mij.

HEER, geef mij de vreugde van uw verlossing, sterk mij met uw grootmoedige geest.

Dan zal ik verdwaalden uw weg kunnen wijzen, dan keren zondaars tot U terug.

 

Jeremia durft, het lijkt wel een waagstuk. De historische situatie is dat de inwoners van Jeruzalem bedreigd worden door de Babyloniërs die Jeruzalem hebben veroverd en een slappe koning hebben aangesteld, die zij naar hun hand zetten; maar die koning kan ook geen weerstand bieden aan de politieke intriges van de joodse vooraanstaanden. Bovendien is de eredienst in de tempel ontaard en Jeremia voorziet dat Israël geen houvast meer heeft, godsdienstig noch politiek. De tempel zal worden verwoest en de bovenlaag van de bevolking worden afgevoerd naar Babylon. Op de - laat me zeggen - puinhopen van het Eerste Verbond voorzegt Jeremia dan dat God een nieuw Verbond met Zijn volk zal sluiten, zelfs een nog inniger en diepgaander relatie dan het Eerste Verbond. 'Hij wel' denken we dan. Hoe weet Jeremia dat? Hoe komt hij aan dat waagstuk, die gedachte, die ingeving ?

Jeremia was geen figuur die het eventjes zei en er zeker van was dat hij het goed gedaan had. Hij zelf was wel zeker van zijn boodschap wel maar hij heeft heel wat afwijzing en spot over zich heen gekregen, waarover hij herhaaldelijk klaagde. Maar hij heeft volgehouden en is persoonlijk uitgegroeid. Ik denk dat hij in de situatie van Israël zijn eigen situatie herkende en toen van zijn eigen zekerheid heeft getuigd: de zekerheid dat het goed zou komen met Israël net zo als het met hem persoonlijk goed was gekomen: hij is bang geweest maar God heeft hem langzamerhand - zo te zeggen - op zijn poten gezet en nieuw gemaakt, een nieuw verbond met hem aangegaan, Zijn Wet in zijn binnenste gelegd - eigen ervaring, eigen overtuiging. Israël heeft het verbond met haar God verbroken o.a. door niet op Hem te vertrouwen, maar Jeremia weet gewoon dat God een nieuw verbond met haar zal sluiten, in haar binnenste, zodat zij zelf kan beamen, inniger verbonden met Hem dan eerst. God laat Zijn volk niet vallen - kan niet - ook niet Zijn tempel, HijZ laat Zijn verplichting, zijn verbond niet vallen. En als Israël dat ervaart en beaamt, telt HijZ geen zonden. Dat gaat vanzelf want het is het verbond van de Liefde, van het hart. Kan het mooier ?

 

De tussenzang, uit psalm 51, ademt dat ook. Er wordt veel om vergeving gevraagd omdat het nieuwe inzicht, de nieuwe ervaring duidelijk maakt hoe dom het was om de relatie met God te vergeten. We hebben er mee ingestemd en het gebeden/gezongen en vooral hebben we om een nieuw hart gevraagd: 'God, herschep mij hart' en dan gaat vergeving praktisch vanzelf volgens de 1e  lezing. Bovendien, dat 'herschep mijn hart' is meer dan vergeving. Het moge ook een kracht bieden om verder te gaan: 'Onttrek mij Uw Heilige Geest niet, geef mij weer een vastberaden Geest' ... dan kan ik in vrijheid en geluk genieten van Uw Aanwezigheid, van Uw Liefde.

 

In het evangelie is ook sprake van een dreiging: "de Hoge Priesters en de Farizeeën hadden intussen het bevel gegeven dat iedereen die te weten kwam waar Jezus was, daarvan aangifte moest doen zodat ze hem konden arresteren". Jezus is bij zijn eigen volk niet gewenst, "zijn eigen mensen hebben hem niet opgenomen", en als dan Grieken vragen om met hem te mogen praten, 'barst' Jezus 'los'. Net zoals bij die Kananese vrouw, die al tevreden was met de broodkruimeltjes die van tafel vallen, komt Jezus geloof tegen buiten Israël en ziet hij zijn boodschap opgenomen door vreemden. Het goede nieuws van de vergeving van zonden zal over de hele aarde gaan. Dat is zijn glorie: Israël, Gods volk, accepteert zijn boodschap niet, hij zal gedood worden, maar daardoor blijft zijn werk niet tot Israël beperkt; het breekt uit over de hele aarde.

Maar Jezus kan op zijn vingers uittellen dat zijn einde nabij is. Hij vlucht niet maar blijft op zijn post, in de stad waar de profeet thuishoort. Hij vraagt zijn Vader niet hem te redden uit dat uur maar hij bevestigt dat hij gekomen is met het oog op dit uur, waarop de Naam van de Vader moet worden verheerlijkt, Het Rijk over de hele aarde wordt gesticht – dat is de Wil van de Vader. Jezus vergelijkt zich zelf met de graankorrel in de akker: als ik sterf (en hij sterft voor een goede zaak) zal ik niet alleen blijven, niet slechts één persoon zijn, maar veel vrucht voortbrengen, veel volgelingen krijgen. Jezus is ontroerd, nogal logisch. Als je zo tegen je eigen dood aan kunt kijken, je totaal geeft, lijden op je neemt om de wil van de Vader te doen tot het uiterste …. Je dood, jouw leven raakt het innigste dat je hebt, het heeft met je binnenste te maken, het binnenste van Jezus, waar de Wet een wezenlijk deel is, de Joodse leefregels in is gegrift,  waar hij God kent .... en hij wordt bevestigd door de Vader.

 

De eerste zondag van deze veertigdagentijd was het thema verlangen naar God, op de tweede is dat verlangen gevestigd op vertrouwen op God, op de derde zondag kwam het leren kennen van God erbij en op de vierde zondag gingen we naar het licht zodat van onze daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan. Nu de vraag om daarop verder te bouwen aan de hand van deze lezingen. Moge de graankorrel ons van dienst zijn.

Eén van de mooiste beelden die wij nu in het voorjaar kunnen zien is wel de omgeploegde akker, donkere, vochtige aarde die op zaad wacht, of waarin reeds is gezaaid. De aarde, de donkere vochtige grond, waar de graankorrel in valt -  zou dat niet ons binnenste mogen zijn ? Dan is de korrel veilig want daar ligt Zijn wet, die van de Liefde. Zij maakt ons als de aarde vruchtbaar en vochtig. Voor Jezus geldt dat hij veel vruchten, veel gelovigen, voortbrengt. Voor ons moge gelden dat wij aan hem ontspruiten als wij bij zijn sterven de Geest mogen ontvangen, en dat wij vruchten laten voortbrengen zodra wij de schil van de zaadkorrel hebben laten losweken in die veilige grond.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook de jongeren aanspreekt. Altijd en in iedere leeftijd is men zoekende naar intimiteit, intense intimiteit, waar waarheid en bestendigheid, inspiratie ligt. Zeker als je groeiend bent, als iets wil, je eigen inbreng en beleving zoekt, kijk dan eens in je eigen binnenste, daar ligt vast wat. Wellicht ontdek je wat als je naar Jezus kijkt.

 

Kan de graankorrel in ons binnenste vallen, waar de wet van de Liefde ligt, waar wij God kennen? Zullen we ons daarvoor even de tijd gunnen ?

 

Palmzondag jaar B 13 april 2003

Jes 50; psalm 22; (Fil 2, 6-11); Mc 14, 1 - 14, 47

 

Psalm 22   Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?

Iedereen die mij ziet lacht en spot met mij, gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:

'Hij bouwt op de HEER, die zal hem redden, die zal hem bevrijden, Hij houdt toch van hem.'

De honden staan al om mij heen, een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,

ze hebben mijn handen en voeten doorboord. Mijn beenderen kan ik tellen, één voor één.

zij verdelen mijn kleren onder elkaar en dobbelen om wat ik aan heb.

HEER, houd u niet ver van mij; mijn kracht, haast u en help mij.

Ik zal uw naam verkondigen bij mijn broeders en zusters, en U prijzen in de gemeenschap:

Wie de HEER vreest, prijs Hem, alle nazaten van Jakob, eer Hem,

alle nazaten van Israël, vrees Hem.

 

Palm en passie - verwondering, hoe is het mogelijk? Galileeërs, die Jezus kennen, halen hem feestelijk binnen bij het grote pelgrimsfeest van Pasen. Een paar dagen later laten Joden uit Jeruzalem, de tempel-aristocratie, hem ter dood brengen, als een godslasteraar, als een stuk vuil dat opgeruimd moet worden.

Mensen roepen "Hosanna" een overwinningskreet voor de machtige koning die hen moet beschermen en redden en die n.b. niet glorieus op een paard gezeten maar op een ezelsveulen, zachtmoedig, zonder legermacht binnentrekt. Een paar dagen later bespotten anderen hem, de machthebbers, : "Koning der Joden! Red je zelf"! Kan het gemener? Hoe is het toch mogelijk?

De sterke man die geleerd heeft ontmoedigden moed in te spreken en die zijn rug biedt aan wie hem sloegen, die sterke man roept nu in wanhoop: "God, mijn God, waarom toch"? De kreet van de hele wereld.

Als we de verwoestingen zien die in oorlog en geweld worden aangericht, verminkingen en dood, als we denken aan al het onrecht  in de wereld, onderdrukking, vrijheidsberoving, vernedering, verkrachting, moord door mensen en aan mensen die toch voor het goede bestemd zijn … Wat is er in Godsnaam aan de hand?

Misschien dat die vraag, die verwondering, die tegenstellingen ons een beetje uit ons gewone kringetje haalt en opening biedt voor iets anders ongewoons: 'Hij die bestond in de gestalte van God,heeft zich er niet aan willen vástklampen gelijk aan God te zijn: hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft hij zich vernederd, Hij gaf gehoor tot en met de dood, zelfs de dood aan een kruis.' Hij heeft zijn goddelijk bestaan veranderd in het bestaan van een slaaf. God toont Zijn Aanwezigheid niet alleen als mens, hij wordt ook nog slaaf, de minste mens.

Een slaaf. Bezit van een mens. Hij moet doen wat de mens wil. God heeft hem overgeleverd aan mensen, God heeft toegelaten dat mensen met hem konden doen wat ze wilden. God heeft hem vrijwillig overgeleverd aan het helemaal mens zijn, inclusief onrecht, lijden en mensendood. En dat was nog niet genoeg: aan de dood aan een kruis, het bitterste einde want voor de Joden was dat een schandedood, buiten de muren van Jeruzalem, een ontkenning van zijn gelovig Jood zijn. Voor de Jood een schande, voor de heidenen een dwaasheid: zo een moét wel gek zijn. Wie heeft er dat nou voor over? Wie vraagt er nu om 'dit te doen om mij te gedenken'?

Een slaaf heeft geen wil. Wat wil de Vader? Hij wil wat de Zoon wil. Wat wil de Zoon?

Er bestaat een variant op een bepaalde uitdrukking: "Wie geeft wat hij heeft, is gek"

Laat God dan maar gek zijn. Hij wil zo graag. In Godsnaam.

Kunnen we ons een beetje indenken hoe Liefde is?

 

 

Paaswake B 2006

Gen 1,1 - 2,2; Ex 14,15 - 15,1; psalm Ex 15,2; Jes 55,1 -11; Rom 6,3-11; Mc 16,1-8.

 

We zijn bijeengekomen in de nacht om iets te vieren, te beleven, te be-amen, adem in te blazen. Waarom in de nacht? Als we 'de volheid der tijden' (Gal.4) vieren, met Kerstmis, doen we dat ook in de nacht. Misschien is het nodig dat de tijd even stil moet staan opdat wij ons kunnen voorstellen die volheid van Gods meeleven met ons, dat er even geen afleiding ons stoort. Bovendien moge dan de intimiteit van de kerststal onze intimiteit raken.

Als wij Pasen vieren, weten wij dat na de dood van Jezus zijn verrijzenis volgt. Maar voor de leerlingen was het nacht, leeg. Wíj kunnen als het ware in de nacht van het graf iets verwachten, iets dat onze intimiteit direct raakt, iets dat we vieren, be-amen, be-leven, als we leven hebben ontvangen.

 

Het grote scheppingsverhaal klinkt in de Paasnacht speciaal. De grote kosmos spitst zich toe op ons persoonlijk, onze intimiteit wordt gebaseerd op Gods Beeld en Gelijkenis: niet alleen dat we er zijn maar ook hoe we zijn. Niet alleen leven, ook goed leven, hoe goed dat kan zijn. Als we verwachten, ieder jaar weer opnieuw, dan moet er steeds weer iets met ons gebeuren, wat te maken heeft met 'cosmos', het schone geheel van de schepping. "God zag hoe goed het was". De nacht zij een geschikte situatie om daarbij stil te laten staan, om ons de basis van ons leven te laten beseffen. Waar staan wij zelf, wat is ons persoonlijk punt van uitgang? Dat wij van God afkomstig zijn. Dat is goed, heel goed.

 

Maar het leven is niet zonder meer goed. Wij mensen zitten wel eens gevangen in sleur, gewoontes die niet creatief zijn, dood lopen. Het leven vraagt om inzet tegen het niet goede, voor het goede. Het verhaal van de uittocht moge ons daarbij helpen. De Heer heeft Jozef en de Joden naar Egypte geleid maar toen de zij in Egypte niet zichzelf konden zijn en leidde Hij hen uit die slavernij want Hij had hun klagen gehoord en was afgedaald om 'Hij-is-er' te zijn: JHWH, voor zijn volk. Maar ook dan is het geen vanzelfsprekend gebeuren, het vraagt volhouden, geloven, tegen het gevoel in van "laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren. Het is beter om hen te dienen dan te sterven in de woestijn".

Kunnen dat voor ons dezelfde woorden zijn als 'Laten we maar gewoon mee blijven doen met de consumptiemaatschappij'? 'Laten we ons maar aanpassen aan de grootste gemene deler'? 'Een levensideaal is goed voor mooie dagen'? Het besef dat je van God afkomstig bent spreekt niet altijd en dan is weten nodig, willen geloven, een inzet. Het moge ons dan gegeven zijn om te ervaren dat de wolkkolom zich opstelt tussen ons ideaal en de verlokking van het gemak. En dat we het lied gaan horen: "Ik zing voor de Heer" ik, want "Hij is mijn sterkte", "mijn redding". Hij plant míj op Zíjn berg. Dat we zelf dat lied zingen.

 

De Heer zelf zal mij voeden op mijn weg naar Hem: "Kom wie dorst heeft, hier is water, eet en drinkt zonder te betalen". Jesaja beleed dit al. Zou dat zijn doorgegeven als mensen dat niet hadden beaamd? Dan hebben we het hier over een cruciaal gegeven in ons leven. Geloven is naar God toe leven en alleen HijZ kan ons, onze geest, onze houding naar Hem, daartoe voeden op weg naar Boven, naar Zijn gedachten. Daarvoor zond Hij ons zelfs zijn eigen Woord. Toen de volheid der tijden gekomen was, heeft Hij Zijn Woord uitgesproken. Een menselijk levend Woord.

 

Een lévend Woord - we hoeven maar te horen, het toe te laten en we worden erdoor overspoeld, erin ondergedompeld. Wij mogen er éen mee worden. Is meer goddelijkheid voor ons mogelijk? Eén worden met Christus Jezus in de doop, zegt Paulus, de doop die wij krijgen nadat Jezus is gestorven, omdat hij is gestorven om ons te laten zien wat God kan, waartoe Liefde in staat is, en wat Liefde is. Wij kunnen "leven voor God in Christus Jezus". Want na zijn dood heeft de Vader hem opgewekt uit de doden en verheven aan Zijn rechterhand; het Woord had zijn uitgesproken-zijn be-aamd. Het keert niet vruchteloos terug.

Op de eerste dag van de nieuwe week kregen draagsters van liefde dat het eerst in de gaten. Maar ze waren zo overspoeld dat ze eerst niets durfden te zeggen. Het is noga wat: "het leven dat hij leeft heeft alleen met God van doen". Via hem is dat leven ook voor ons. Daartoe zijn wij geschapen. Geschapen in een schepping die een uitgesproken vervolg heeft gekregen, hoger dan de aarde.

 

Zullen we ons dat bewust laten worden? Alleen dat zien? Het is realiteit. Het raakt ons diepste, onze intimiteit.

 

Paaszondag  31 maart 2002; aangepast aan B, 20 april '03

Hand 10, 34a.37-43; psalm 118; Joh 20, 1-9

Psalm 118  Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

De rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de HEER overwint.'

Ik ben niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dat is het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.

Dit is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

 

Bij de grote feestdagen, Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Allerheiligen/Allerzielen merken we dat we in een jaarcyclus leven en we zijn dan wat meer geneigd om na te denken: hoe was het vorig jaar Kerstmis, Pasen enz. We denken zelfs vooruit: hoe zal het het volgend jaar zijn?

Het zijn goede gelegenheden om te denken over ons leven, het kostbaarste dat we hebben omdat het met ons eigen zelf te maken heeft. We weten dat we bestaan, dat we eten en drinken; we weten niet alleen dat we bestaan maar we weten ook dat er een 'meer' is, dat er een 'nog niet' is. Als gelovigen richten we dat weten op God, de Vader van Jezus, die Hem uit de doden heeft opgewekt. M.a.w. we denken na niet alleen over dat we bestaan maar ook over wát we zijn, hoe ons bestaan, hoe ons leven is. Voor ons: hoe ons gelovend Leven met God is. En het is niet zo gek om na het begin van dat leven met Kerstmis te hebben gevierd, nu in de lente te denken aan nieuw leven, toenemend Leven. Ieder jaar weer een stukje nieuw Leven verwerven, verworven hebben, ieder jaar weer een stapje vérder naar het 'meer', want er is een 'nog niet', nog niet volledig.

 

De eerste zondag van de voorbije veertigdagentijd was het thema verlangen naar God, op de tweede is dat verlangen gevestigd op vertrouwen op God, de derde week kwam het leren kennen van God erbij. Op de vierde zondag zijn we  gegaan naar het licht zodat van onze daden blijke dat zij in God zijn gedaan. Op de vijfde zondag vroegen we ons af 'Kan de graankorrel in ons binnenste vallen, waar de wet van de Liefde ligt, waar wij God kennen? Nu zijn we dan gekomen bij het féest van Leven met God, in God.

 

Wij baseren dat Leven met God op de geloofsbelijdenis van Petrus: hij is de eerste en/of voornaamste getuige van dat geloof in de verrijzenis - de verrijzenis van Jezus én onze verrijzenis. In de eerste lezing hebben we gehoord hoe hij kort weergeeft zijn eigen ervaringen, zijn omgaan met Jezus gedurende diens leven - "hij ging weldoende rond"- en wat voor een verschrikkelijke dingen gebeurden in Jeruzalem - ze hebben hem als een misdadiger aan een schandpaal genageld en vermoord. Maar - belijdt Petrus - God heeft hem doen opstaan en hem laten verschijnen.  Evenwel, alleen laten verschijnen aan mensen "die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de doden was opgestaan". Zij moesten verkondigen dat Jezus de Rechter is voor de Joodse z.g. jongste dag, het laatste oordeel, en ook dat hij behalve Rechter ook de Vergever is, degene die zonden van mensen vergeeft, zelfs van degenen die hem aan het kruis hebben laten slaan, als ze het maar inzien en hem willen volgen. Behalve Vergever is hij ook degene die mensen open maakt die van hem willen leren hoe met God te leven. En als je dat in de gaten krijgt, is er alle reden om te juichen /(en te zingen) "Dit is dé dag die de Heer heeft gemaakt"/ "Zie, deze dag schiep de Heer, laat ons hem vieren in blijdschap". Want God die Jezus van de doden heeft opgewekt, de ten Leven roepende Vader, vult het 'meer' en 'nog niet' in op een wonderlijke wijze, toont Zijn bezorgdheid om Zijn schepsels voor  hun eeuwig heil, eeuwig Leven met Hem.

 

Maar, hoe komt Petrus daarbij? Hij die driemaal zegt Jezus niet te kennen, hij die met zijn medegetuigen op de vlucht slaat, Jezus in de steek laat, terwijl hij nog te voren had gezegd met hem zullen sterven. Hoe komt Petrus aan dat inzicht, dat geloof in Jezus als de Rechter en Vergever?

Iedereen heeft kunnen zien dat Jezus leefde (en hoe!), dat hij werd veroordeeld en leed en stierf aan een kruis. Daarna kan niet iedereen hem zien. Hij is alleen te 'zien' in geloof.

Hoe het en wat er historisch precies is gebeurd, weten we niet; de verrijzenisverhalen verschillen nogal van elkaar. Maar waarin ze alle vier overeenkomen is dat vrouwen de aanzet zijn. Het evangelie van Johannes vertelt hoe Maria Magdalena naar het graf gaat. Wat moet zij daar doen? De mannen zijn er vandoor maar zij heeft wat, zij zoekt Jezus nog, zij staat nog in relatie met hem, misschien heel simpel gevoelsmatig - maar toch. Later zegt ze tegen de tuinman dat ze 'haar' heer hebben weggehaald, ze zoekt haar Heer.

's Morgens vroeg gaat ze - "het is nog donker" - typisch Johannes: ze 'zag' nog niet. En dan gebruikt de evangelist driemaal het word 'zien'. De eerste keer in de betekenis 'constateren': Maria constateerde dat de steen was weggerold en automatisch denkt ze dat het lijk van Jezus is gestolen. Ze rent naar Petrus en Johannes, vertelt wat ze heeft geconstateerd, Johannes rent vooruit en "voorover bukkend" constateert hij iets over de zwachtels. Dan komt Petrus en hij gaat het graf wel binnen: hij durft de confrontatie met de dood nu aan. In het graf, in de wereld van de dood, 'beschouwt' hij, zegt de evangelist, de tweede betekenis van 'zien'. Hij 'overweegt' n.a.v. de zwachtels en de zweetdoek. Misschien dacht hij aan Lazarus, die de zweetdoek nog voor had, terwijl die van Jezus apart lag, opgerold. Hoe kan dat? Dan gaat ook Johannes het graf in en hij 'ziet in', de derde betekenis van zien, hij doorziet. Toen pas, want ze hadden nog niet begrepen, nog niet ingezien dat e.e.a. al in de schrift lag opgesloten. In de Schrift lag dat iemand die een Gerechte is, die goed heeft geleefd, niet door de God van het Verbond in de steek wordt gelaten. Niet in de steek wordt gelaten op het definitieve moment, op 'de derde dag', voor Jezus was dat na zijn offerdood.

Dat móést dus wel volgens de Schriften zijn, kon niet anders. MAAAR, maar dat wil dan ook zeggen dat inzet van Jezus voor het Rijk van God terecht was en dat in die vernederde aan het kruis dat Rijk begonnen is. De Messias is dus geen grote figuur die het machtige rijk van David even herstelt maar een - laat me zeggen - stille, persoonlijk inspirerende Kracht, die in ieder mens werkt en vraagt om hem te volgen. Dat was de Joodse gedachte over de Messias op zijn kop. Geen wonder dat Petrus 'beschouwde', eens goed moest nadenken. Johannes, de leerling die Jezus lief had, 'ziet' vanuit spontane liefde. Petrus moest nadenken over de consequenties; Johannes -even geholpen door Petrus - wist het eigenlijk al - op een andere manier.

 

Om verrijzenis te zien zitten, om in te zien dat ons leven een bovenkant heeft, om ons 'meer' en een 'nog niet' definitief in te kunnen vullen hebben we geloof nodig. Om recht te doen aan ons goed-zijn moet er een stap over het gewone leven heen gemaakt kunnen worden, een stap die niet af te dwingen is, een overtuiging die alleen maar in vrijheid ontstaat en die een eerlijke en verantwoorde beslissing aanreikt: op een of andere manier weten dat goed zijn als Jezus, met hem leven, eeuwigheidswaarde heeft. Zo kun je rekenen op een gunstig oordeel van de Rechter op jouw derde dag. Zo kun je ook ervaren hoe het is samen met hem te zijn, voor je werken naar buiten, voor je weten naar binnen. 

Geloof is niet aannemen op gezag, geloof is veel meer dan iets voor waar houden. Geloof is met hoop en liefde, zoals die vrouw had, leven naar God toe. Ieder jaar een stukje meer verlangen, vertrouwen, leren kennen, in het Licht gaan staan en weer een korrel in de aarde van onze liefde ontvangen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Verrijzenis kun je niet gewoon zien. Verrijzenis is niet dat een lijk weer levend wordt. Eeuwig leven is niet te bewijzen - gelukkig maar, dan was de 'lol' ervan af. Verrijzenis, eeuwig leven, hemel is gebaseerd op willen zien, op inzet, waarmee je ervaart dat het een goede zaak is. Net als Jezus. Je kunt ook zeggen dat het wel zo móet zijn vanwege de liefde, zoals die vrouw(en) dat aanvoelde(n). Hij had immers zijn leven ervoor over.

 

Geloof is leven naar God toe, naar Hem die ten Leven wekt. Wij kunnen dat samen doen met Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Zullen we ons even tijd gunnen om wat vrouw te zijn en dat te binnen laten komen, naar God toe ?

 

 

Tweede Zondag van Pasen  B 30 april 2000; '03; '06
Hand 4, 32-35; Ps 118 / Ps 118 uit Vijftig psalmen;  Joh 20,19-31

Psalm 118   Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

Huis van Aäron, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

Jullie die de HEER vrezen, kom en zeg: Zijn liefde kent geen grenzen.'

De rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de HEER overwint.'

Ik ben niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;

wel heeft de HEER mij pijnlijk beproefd, maar niet aan de dood prijsgegeven.

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dit  is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

 

Het evangelie vermeldt twee manieren van beleving van verrijzenis: een meer intuïtieve, directe beleving (de leerlingen) en een die via verkondiging tot stand komt, eerst aannemen van een gesproken woord, van gehoord hebben, en dan ervaren, vanuit een beperking tot de ruimte van geloof komen. Het verhaal van Thomas is typisch voor ons bedoeld. Verrijzenis is een geloofszaak, en een wezenlijk geloofsgegeven; onze hele geloof draait daarom. En geloof is niet te bewijzen.

 

Iedereen heeft Jezus kunnen zien vanaf de doop in de Jordaan t/m zijn kruisdood; daar had je geen geloof voor nodig, je zag hem. Vóór zijn doop in de Jordaan hebben mensen in zijn omgeving hem natuurlijk gezien, maar dan als een gewone jongen, jongeman en zo. Ná zijn dood verscheen hij niet aan iedereen maar aan een aantal mensen die vanaf Galilea met hem naar Jeruzalem waren opgetrokken, getuigen die tevoren door God waren uitgekozen, zoals Handelingen dat formuleert. Als het mogelijk was geweest in die tijd, had men van Jezus video-opnamen kunnen maken t/m zijn graflegging. Daarna niet meer. Misschien poetsen daarom sommigen verrijzenis weg als alleen maar een herinnering, een opleving onder de leerlingen of zo. Maar vanaf de graflegging gaat het om visie, om geloofszicht. Net zoals incarnatie - God wordt mens - een geloofsgegeven is dat de enorme betrokkenheid van God met Zijn schepsels weergeeft, zo is verrijzenis de consequéntie van Gods betrokkenheid met die Mens, de mens; verrijzenis is de consequentie van Zijn Aanwezigheid, Barmhartigheid, bemoeienis, begeestering. "Volgens de Schriften" heet dat dan. Jezus móest wel een ereplaats krijgen, aan de rechterhand van de Vader, en die verhoging kenbaar maken aan zijn leerlingen, alle mensen.

Verrijzenis is niet natuurlijk zichtbaar. Bij verrijzenis gaat het om een andere natuur, een andere werkelijkheid dan de gewone. Verrijzenis is geen kwestie van het weer levend worden van een lijk. Verrijzenis onttrekt zich aan de gewone natuur. Dan ben je geneigd om te zeggen dat je dan wel van alles kunt bedenken. Maar zo ligt het niet. De leerlingen geloven eerst niet dat het Jezus is die plotseling in hun midden staat, en hij verwijt hun dan ook hun ongeloof. Ze denken aan een schim of spook. Dan pas als ze zien dat hij echt eet, dat hij wonden heeft, dan dringt langzaam maar onweerstaanbaar de conclusie zich op 'Hij is het echt' en niemand anders, dezelfde als eerst. Het gaat dus niet zomaar om een vrome gedachte of een vurige wens of een psychologisch verklaarbare behoefte, maar om een werkelijkheid die wel is waar anders is dan 'gewoon' maar wel een werkelijkheid, anders at hij niet. Dan blijkt dat de hand van de Heer machtig is/ Dan blijkt wat een ruimte de Heer geeft.

 

Het verhaal van Thomas geeft ook duidelijk aan dat het om werkelijkheid gaat. Wij zijn geneigd om te denken dat Jezus Thomas op het matje roept. Maar laten we voorzichtig zijn. Thomas zal net als de anderen gehoopt hebben dat het Rijk van David werd hersteld, dat er vrede zou zijn, dat de inspirerende figuur van Jezus zou leiden tot iets geweldigs. En dan .... weg ... weg alle hoop .... het onheil diende zich aan, was niet meer te vermijden en totale ontreddering volgde. Iemand die groot een verlies heeft geleden weet wat dat is. Er is niets meer een groot gat. Als dan zijn maatjes tegen Thomas zeggen dat ze echt Jezus echt gezien hebben, "de Heer is wáarlijk verrezen" - wellicht laat hij zich geen tweede keer bedonderen, niet nog eens die hoop koesteren. En als ze aanhouden, zegt hij die beroemde woorden "Als ik mijn vinger niet in de plaats van zijn nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde kan leggen ..." Zien we wat hier gebeurt? Thomas vraagt om werkelijkheid, hij wil graag geloven, weer geloven, maar hij beschermt zijn geloof wel tegen onechtheid. Hij heeft groot gelijk. En dan komt Jezus! Kijk maar Thomas, voel maar Thomas, het is echt, ik ben het, ik op wie je zo hoopte. Ik ben het werkelijk.

Geloof in de verrijzenis komt niet zomaar uit de hemel vallen. De leerlingen die met hem van Galilea zijn opgegaan naar Jeruzalem hebben Jezus leren kennen en hebben de gelegenheid gehad om in hem te gáan geloven. Zó kunnen wij, die hem niet hebben gezien, ook in zijn verrijzenis gáan geloven. Voor de leerlingen was de geloofsact dat zij Hem erkenden, toch weer in Hem gingen geloven in een heel andere situatie, op een nieuwe manier. Voor ons is de geloofsact dat wij vertrouwen op hun getuigenis maar misschien wel het meest dat wij de verrijzenis accepteren als consequentie van de incarnatie, Gods betrokkenheid op ons mensen, Zijn schepselen.

Verrijzenis is geen bewijsbaar gegeven omdat het van een andere werkelijkheid is. Dus kan het alleen maar bestaan als persoonlijke overtuiging. Het gaat om een eigen overtuiging die in je gaat groeien, jouw overtuiging, daar helpt geen moedertje lief aan en jij staat er zelf voor, het is jouw eigen geloof, vanuit je zelf, niet van buiten. Dit geloof is nooit af, je bent er voortdurend mee bezig en dat geeft groei.

Wij hebben niet de gelegenheid gehad Jezus te leren kennen zoals de leerlingen. De bemoediging die ligt in 'Zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben' -wat een geluk als je dat kunt- spreekt ons niet altijd zo aan. Hebben wij dan niets tastbaars voor onze handen, niets zichtbaars voor onze ogen ? Mij lijkt dat we dat wel hebben. Zonder gezien te hebben zijn al zo'n 2000 jaar mensen bezig in Zijn Naam, gebruiken hoofd en handen om het ideaal van Jezus waar te maken. Het Lichaam van Christus mag gewond zijn als het is - de Kerk is echt niet volmaakt - maar wat goed is, is goed en is gedaan in Zijn Naam. Je kunt er voor kiezen om te doen in Zijn Naam. En we merken dat dat goed voelt.
Kijken we naar de 1e lezing wat er gebeurt als we één van hart en één van ziel zijn …"en een rijke genade rustte op hen allen en er was geen noodlijdende onder hen". Dat kun je zien als een tastbaar gegeven van verrijzenis en wij mogen ook ons pogen in het licht van verrijzenis plaatsen. We doen toch samen met hem.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. We leven in een wereld die geen geloof kent, die geloof niet kent, als niet terzake afschuift. Misschien moet je je wel eens verantwoorden voor je geloof. Maar dat kan alleen maar aan mensen die ervoor openstaan, willen horen. Geloof is niet te bewijzen met verstandelijke argumenten. Je kiést ervoor om te geloven; daarvoor heb je je eigen redenen. Je kiest ervoor om je geloof te laten zien, waar te maken op jouw manier. Je bent niet de eerste noch de enige. Jezus deed het voor, Thomas volgde hem. Doe maar.

 

In de tussenzang hebben we gebeden "de Hand van de Heer was machtig". De gewonde hand, die met die spijkergaten erin. De macht van die liefde biedt ons geloof aan.

Of:

In  de tussenzang hebben we gezongen: "Mijn God zijt Gij, ik wil U danken …"  "Mijn Heer en mijn God" zei Thomas, en ook hij zal Jezus innig dankbaar zijn dat hij hen uit het gevang van ongeloof en angst heeft gehaald en de ruimte van geloofszicht heeft gegeven. Incarnatie heeft verrijzenis als consequentie, want zo is onze God. Kan dat ook bij ons leven?

 

Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen daarover na te denken?

 

 

Derde zondag van Pasen B  7 mei 2000; '03
Hand. 3,13-15.17-19; tussenzang Ps 4; Lc 24,35-48

Psalm 4    Antwoord mij toch als ik roep, God mijn God die voor mij pleit;

geef mij ruimte waar ik klem zit, wees genadig, luister naar mijn bidden.

Weet wel: de Heer doet wonderen voor zijn vrome: de HEER verhoort mij als ik Hem roep.

Maar de massa blijft zeggen: 'Wie zal ons het geluk laten zien?'

HEER, laat het licht van uw gelaat over ons opgaan.

In vrede ga ik liggen en slaap terstond, U alleen, HEER, laat mij leven, ongestoord, vol vertrouwen.

 

Wij hebben gemakkelijk praten, wij weten hoe het verder ging. Maar de leerlingen waren totaal verslagen door de kruisdood van Jezus, alle hoop was weg ... en als je dan bij elkaar bent en ineens hem voor je ziet staan, geloof je je ogen niet. Het is nogal logisch. De kruisdood is iets gruwelijks, je hangt te stikken en Jezus heeft dan ook gekrijst zoals Mt schrijft. Die oneer, die schande van het kruis, die verschrikking, die dood heeft iedereen kunnen zien: alles weg … en nu ineens is hij er toch, met zijn lichaam, met zijn wonden; hij eet zelfs voor hun ogen, hij is het echt. En dan zegt hij ook nog 'Vrede zij jullie'. Dan heb je wel even tijd nodig om bij te komen. Als je dan langzamerhand door krijgt dat e.e.a. toch klopt, dan  ...  ja dan ben je misschien nog verbaasder.

Wat klopte er dan tòch? De Messiasverwachting bij de Joden was er een van een groot koning, een machtig strijder, een alwijze rechter die de glans van het Rijk van David zou herstellen. Dat was nou bepaald niet met Jezus gebeurd - er was zelfs niks gebeurd, hij was afgeschreven. En dan toch dat inzicht dat Jezus hun gaf door aan de hand van de schriften -en dat is het punt- om aan de hand van de wet van Mozes, de profeten en de psalmen aan te tonen, begrijpelijk te maken dat de Messias moest lijden en  ......   op het beslissende punt zou verrijzen.

Conclusie: God, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van de Vaderen, de 'Abba' van Jezus, heeft het niet af laten weten, HijZ is niet weg geweest. HijZ was er in Egypte, bij de Rode Zee, in de woestijn, bij de doortocht door de Jordaan, in het Beloofde Land, in de ballingschap, HijZ was er bij Jezus, ondanks -of beter?- juist in alle vernedering en beproeving en marteling. En zo beginnen de leerlingen twee dingen te begrijpen nl. hoe diep de leer is gefundeerd die Jezus verkondigde, hoe een lange traditie actief bezig is, en  vervolgens hoe wezenlijk de band is tussen Jezus en de Vader, zijn 'Abba', Wiens wil hij volbracht tot het uiterste toe. Want Jezus heeft gedaan, klaar gekregen, wat van oudsher de bedoeling was, hij heeft de Wet ver-vuld, helemaal uitgediend, bij zijn inzet voor de zaak van zijn 'Abba'. De leerlingen kunnen verder gaan, de zaak vervolgen op grond van die lange traditie en op grond van wat Jezus deed en betekende. En zo zijn wij hier, nu.

 

Er is nog een tweede aspect. Jezus vroeg zijn leerlingen om geloof. Daarvoor hadden zij gezien hun situatie een flinke aanzet nodig. Tegenover de kruisdood moest een leven in heerlijkheid staan, een leven ... dat hebben zij gezien, niet voortdurend maar op belangrijke momenten, toen ze bij elkaar waren. Hij was levend in hun midden.
Van ons -hier bij elkaar- wordt ook geloof gevraagd maar toch wat anders dan van de leerlingen. Zij hebben hem in levende lijve meegemaakt en wij hebben hem nooit zo gezien. De vorige week hebben we gelezen 'zalig zij die niet hebben gezien en toch tot geloof komen', een aanmoediging, een zaligspreking voor ons: gelukkig jij, als je dat kunt. Aan ons om te geloven, te leren geloven, te leren zien dat God er toch is, dezelfde als Hij, die bij het Joodse volk is, bij Jezus is, diezelfde blijft ook ons trouw. Ook bij onrecht, vernedering, marteling. God trekt met Zijn mensen mee.

Hóe is HijZ er dan ? Hoe was HijZ er bij het kruis ? Hoe in Dachau? Hoe is HijZ bij ons persoonlijk verdriet? Dat kan een ander niet voor jou invullen, het kan alleen maar een eigen antwoord zijn, eigen geloof, overtuiging. We hebben in de tussenzang gezongen 'als ik U aanroep, geef mij dan antwoord'. Ik hoop van harte dat die vraag, zo'n noodkreet, laat ontdekken hoe God bij je is. Moge de noodkreet van Jezus aan het kruis ons daarbij een inspiratie zijn. Hij wist dat zijn Vader hem niet in de steek zou laten, ook al voelde hij dat niet op dat moment, ook al zag hij niet hoe. Het moeilijke van léren geloven is vanuit je geloof wéten dat God er is en vervolgens dat gaan zien, ervaren hòe HijZ er is. Als dat gebeurt, moge je dan ook de ruimte voelen die je krijgt in je benauwenis: 'Geef mij ruimte; doe mij wonen in U alleen'

Zo kunnen wij hier, nu, verrijzenis vieren. Zijn verrijzenis, onze verrijzenis.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je zult je best wel eens afvragen hoe dat moet met al die ellende in de wereld; je bent niet de eerste. Niettemin hoop ik dat je ziet wat geloof, overtuiging, kan betekenen: geloven dat Jezus het goed heeft gedaan en samen met hem iets doen voor de wereld. Getuigen door daden.

Wij zijn bijeen om de verrezen Heer te vieren, onze Heer, net zo goed voor ons als voor de leerlingen toen. Vragen we hem om zijn geloof, zijn overtuiging, zijn leven in zijn 'Abba'. Zullen we ons daartoe een paar minuten tijd gunnen ?

 

 

Vierde zondag van Pasen B  11 mei '03

Hand 4, 8-12; psalm 118; Joh 10, 11-18

Psalm 118     Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Beter is het te schuilen bij de HEER dan op mensen te vertrouwen.

Beter is het te schuilen bij de HEER dan op hoge heren te vertrouwen.

U dank ik, U hebt mij verhoord, U bent mijn redder gebleken.

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dat is het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.

'Gezegend die komt, met de naam van de HEER, wij zegenen u vanuit het huis van de HEER':

U bent mijn God, U wil ik danken, hoog zal ik U prijzen, mijn God.

Breng dank aan de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

 

We staan midden in het leven dat zich nu in de natuur weer ontplooit en degene die er oog voor heeft ziet in de telkens terugkerende seizoenen met hun vruchten Gods gerechtigheid. In de bijbel wordt vaak Gods trouw onwankelbaar als de hemel genoemd, wordt de natuur gezien als Zijn zorg om de mens, in de natuur Zijn Aanwezigheid ervaren.

Voor die bedelende verlamde, over wie de eerste lezing het heeft, ontplooide zich ook het leven. Petrus en Johannes keken hem aan; hij moest hen aankijken. Petrus zegt hem dat hij hem geeft wat hij zelf heeft: de naam van Jezus Christus. In die Naam zit de Kracht. De man staat op. Nieuw leven - Gods Gerechtigheid.

 

Góds Gerechtigheid want de naam van Jezus is Christus, Messias, Gezalfde van JHWH, Gezalfde van Hij-is-er. Bij 'naam' gaat het niet woord, om klanken, maar om inhoud, de betekenis: JHWH, Hij is er, de Eeuwige, de Aanwezige, de eeuwig Aanwezige, de aanwezige Eeuwige, de Levende. Is het dan vreemd als psalm 118 zegt "Gezegend die komt met de Naam van de Heer". Zeggen ook wij niet met de verlamde "Brengt dank aan de Heer want Hij is genadig", als wij iemand ontmoet hebben die komt met de Naam van de Heer, van JHWH, de Levende, iemand die ons Gods Gerechtigheid laat zien? de Gerechtigheid die Híj wil.

 

Petrus getuigt vervuld van de Heilige Geest dat door de Naam van Jezus, de Nazoreeër, de gekruisigde maar Verrezene, die man is gered. Hij is de hoeksteen geworden van de tempel. De hoeksteen waarmee de plaats en de richting van het gebouw wordt vastgelegd. Jezus is de tempel van Gods Levendheid, zijn echt God zijn, Zijn Heil dat zich voor alle mensen toont. Als wíj overeind zijn geholpen, zingen wij dan niet samen met hem "Mijn God zijt Gij, U wil ik danken"? Onze dank voegen bij de dank van Jezus om zijn verrijzenis.

 

In die lading, binnen zijn verbond met de Vader, noemt Jezus, de Nazoreeër, zich de goede herder. Dit beeld is vaak misbruikt in de zin dat het om de kudde zou gaan, die voetstoots de leider moet volgen. Het gaat om die herder die zijn leven geeft voor de schapen. Want hij kent hen en zij kennen hem. De herder kent hun geblaat, en zij kennen zijn signaal waarmee hij hen roept om uit te gaan. Hij weet wat zij nodig hebben. Maar Jezus gaat verder. Hij kent de zijnen en de zijnen kennen hem   zoals … de Vader hem kent en hij de Vader kent. Dat is nogal wat, het gaat uit boven wat nodig is, wat behoefte is. Het is een intens kennen, intense eenheid, die in liefde uitkomt. Van elkaar weten en kennen wat in je leeft. Wij worden via Jezus naar het goddelijk Leven binnen gezogen.

Voor die eenheid heeft Jezus alles over, zelfs zijn eigen leven. Maar niet alleen daarom heeft de Vader hem lief, hij heeft hem ook lief omdat Jezus zijn Leven weer terug neemt van, weer ontleent aan de Vader, hem erkent als de Levendmaker. Is er meer eenheid mogelijk tussen twee personen, meer wederzijdsheid dan tussen Jezus en de Vader? Meer Geest? En wij worden uitgenodigd daarin te delen omdat hij ons kent, nu reeds delen … zodra we overeind zijn geholpen.

 

Is het dan verwonderlijk dat Jezus zegt dat er nog meer schapen zijn die niet van zijn hof zijn? Ook voor hen geldt dat hij zijn leven om hen geeft, dat hij hen overeind wil helpen en hen wil laten delen in zijn goddelijk Leven. Gods Gerechtigheid is zo groot dat zij voor alle mensen moet opbloeien als lenteleven. Daarvoor zijn mensen nodig die komen  met Gods Naam. Daarvoor kunnen we ook bidden.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Petrus en Johannes keken de verlamde man aan. Het kan ook zijn dat ze jou aankijken en jou zijn Naam geven. Je kunt dan niet alleen komen mét de Naam van de Heer zoals de psalm zegt, je kunt dan ook ín Zijn Naam komen, in Jezus Naam, bezig zijn om het bouwwerk van het Leven te voltooien. In zijn Naam; hij kent je immers. Dat gaat niet vanzelf, het is niet altijd leuk, maar in zijn Naam is veel mogelijk, is een ideaal vruchtbaar. 

 

Hij heeft mij overeind geholpen. Is er een andere Naam, een andere Kracht, waardoor wij gered kunnen worden, willen worden? Waarin wij deel krijgen in goddelijk Leven. Zullen we daarover even nadenken?

 

 

Vijfde zondag van Pasen B  21 mei 2000; 18 mei 2003
Hand 9,26-31; psalm 22; Joh 15,1-8

 

Psalm 22  U vormt in de gemeenschap de bron van mijn lied,

te midden van de godvrezenden volbreng ik mijn geloften.

Zo kunnen armen eten en hun honger stillen.

Dat zij die Hem zoeken, de HEER loven, houd moed, voor altijd!

Laat alle einden van de aarde het bedenken en zich keren naar de HEER,

en buigen voor uw aanschijn, alle stammen van de volken,

Zelfs degenen die in de aarde slapen buigen voor Hem,

en degenen die in het stof neerliggen knielen voor Hem.

En als iemand zelf niet meer leeft, dan zullen zijn nazaten Hem dienen;

zij melden het weer aan de generatie na hen

en berichten over zijn heilbrengend werk aan het volk dat straks wordt geboren:

De HEER heeft het volbracht.

Het Johannes-evangelie is vrij laat opgeschreven, in ca 90, toen al een stuk of twee generaties na de dood van Jezus voorbij waren. Het zal zijn ontstaan in een gesloten groep die nogal meditatief was ingesteld en dan wordt de medita­tieve lading van Jezus' verkondiging natuurlijk voorop gesteld. We kunnen denken aan een soort van kloostergemeen­schap, die dan wel een beetje apart geweest zal zijn, maar wel bij de Kerk wilde horen - we kennen het verhaal van Petrus die in zijn eentje het net binnenhaalde zonder dat het scheurde. Dat verhaal staat alleen in het Johannes­evangelie.
Het moge opvallen dat die typische Johannes-stukjes na Pasen worden gelezen. De 1e lezingen, uit de Handelingen, vertellen van het ontstaan van de Kerk als een soort voorbereiding op het Pinksterfeest; de evangelies gaan over wat Jezus van zichzelf zegt. Nu, na Pasen, lijkt het wel of dat meer lading heeft, of de diepte van zijn relatie met de Vader nu na zijn verrijzenis meer spreekt. Het is ook nogal wat! Verrijzenis als bevestiging van de kant van de Vader dat hetgeen Jezus heeft gedaan en geleerd, goed was; "Jij bent mijn Zoon". "Jij hebt gedaan wat Ik graag wilde tot verlossing van de mensheid en dat heb je gedaan tot het uiterste toe".
Vandaag komt die intieme verhouding Vader - Zoon weer ter sprake. De vorige week hebben we gelezen: "Ik ken de mijnen en de mijnen kennen mij zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken." M.a.w. de eenheid, de intimiteit, die er is tussen de Vader en Jezus geldt ook tussen Jezus en zijn volgelingen. Toen ging het meer om 'kennen', nu gaat het meer om - laat me zeggen - praktijk, om vrucht voortbrengen … vanuit dat kennen.

Vandaag horen we: "Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Alleen wie met mij verbonden blijft -zoals ik in hem - draagt rijkelijk vrucht". De wijnstok geeft zijn sap aan de ranken, geeft van zijn eigen leven. Dat zegt nog meer dan wanneer een moeder haar kind voedt. Dat zijn toch twee aparte wezens. De band met Jezus wordt niet gehinderd door lichamelijke tweeheid zoals moeder - kind. De band met Jezus is spiritueel, maar niet vaag of onwerkelijk, nee het is die andere werkelijkheid, waarvan we allemaal weten dat ze bestaat. Het is dan ook niet te veel gezegd als we een beeld hanteren dat een rank volop levenssap opzuigt uit de wijnstok en dus is het ook niet te veel als we zeggen dat wij als Jezus' volgelingen zijn leven opzuigen; als we ons één met hem willen voelen. Dat kun je doen in meditatie, in gebed, in veel aan hem denken, met hem bezig te zijn, zo als twee verliefden ook met elkaar bezig zijn. Maar dat kun je ook doen door in het dagelijkse leven goed te doen en dat samen met hem te doen. Dat bindt net zoals wanneer twee vrienden of vriendinnen samen een moeilijke of langdurige klus opknappen. Een vriendschap kan dan op een hoger niveau komen, intimiteit worden. Ook vriendschap met Jezus.


Ja maar, zeggen we dan, kan dat wel?  Hoe weet ik of ik dat wel waard ben; hoe echt is het; maak ik mezelf niets wijs? Iedereen is kostbaar, kostbaar in de ogen van de Vader en van de Zoon; dat is de moeilijkheid niet. Daarvoor heeft Jezus zich juist ingezet. Hoe echt het is merk je vanzelf wel als je er meer mee bezig bent; we zijn niet de eersten. Al een kleine tweeduizend jaar zijn mensen zo bezig, het is niet kapot te krijgen omdat het diepe hoop is, eerlijk is. Waarom zou het niet?  Geestelijk leven is toch een menselijke mogelijkheid? Joh zegt (1 Joh 3, 24) "En dat Hij (God) in ons woont weten we door de Geest die Hij ons gegeven heeft". Dat ga je al doende vatten, leren kennen, leren begrijpen.

Het zij een troost, bemoediging, te noemen Jezus zegt dat zijn Vader de wijngaardenier is en dat Hij de ranken zuivert indien nodig opdat ze nog meer vruchten dragen. M.a.w. het is geen zoethoudertje maar een ideaal om na te streven. Een tweede troost zij dat Jezus zegt dat we rein zijn, door de Vader al gezuiverd zijn, door het woord dat hij verkondigd heeft - m.a.w. een 'goede rank' zijn kan, als we Jezus' woorden horen en doen. Dan hebben we een concreet houvast en een zekerheid dat we opgenomen worden in zijn eenheid. Als we zijn woorden horen en doen; er mee bezig zijn in denken aan, bidden, lezen, praten over, actief zijn in de maatschappij op zijn manier (hetgeen niet altijd eenvoudig is), in dienst willen staan.
Is er een mooiere mogelijkheid dan die die degene aanbiedt die onze weg heeft gelopen? Die weet wat verdriet is, geluk, moeite, volhouden, intimiteit, die ons kent. Die weet hoe de Vader wordt verheerlijkt.


Een voorbeeld hoe zo iets je te pakken kunt krijgen, hebben we gelezen in de 1e lezing, waar we zien hoe Paulus het te pakken heeft gekregen, hoe het rank-zijn hem te pakken heeft gekregen, "Voor heel de gemeente zal ik u prijzen"/"Dit is mijn lied in de kring der gemeente". We zien ook hoe hij met levensgevaar bezig is het woord door te geven. Je zou zeggen "hartstikke gek", maar het geeft de bezieling aan waarmee hij te werk gaat, als rank.
In de tussenzang hebben we gebeden/gezongen "Maar ik wil leven met hart en ziel"/"Mijn ziel zal voor zijn Aanschijn blijven leven". Dat kan samen met en in en via Jezus Christus. Dat hebben we beaamd door het zingen/bidden.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In je kijken naar toekomst zul je wel eens een moment van bezinning tegenkomen, een kritische vraag:  waarom zou ik? Waarom ik? Hoe weet ik dat?  Je zult ook wel eens verlangen naar denken, geestelijk zijn, naar zin. Misschien zoek je een rustpunt op. Probeer dan eens op te pikken wat Jezus bedoelt met 'ik ben de wijnstok, jullie de ranken'. Daar kun je ook in groeien.

 

Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen om iets van dat rank-zijn, dat Jezus bedoelt, over ons te laten komen, en dan via hem door de Vader te worden gezuiverd?

 


Zesde zondag van Pasen B  (25 mei '03)

Hand 10, 25.26.34.35.44-48; psalm 98; Joh 15, 9-17  (voor vierde, zesde en negende uur zie getallensymboliek.)

Psalm 98  Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:

zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.

De HEER heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.

Zijn liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:

Heel de aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en zingen.

 

Petrus heeft een visioen gehad over de verkondiging aan de heidenen toen hij op het zesde uur aan het bidden was. Ook voor hen is het heil bestemd. Het heil voor  de Joden moet naar buiten treden, het is uit de Joden voortgekomen voor álle volken. Het gaat om het visioen dat uit de hemel een laken neerdaalt met onreine dieren die Petrus moet slachten en eten. Als Cornelius, een heiden, dan zijn visioen heeft verteld, dat hij op het negende uur heeft gekregen, vier dagen geleden, en dat aansluit op het visioen van Petrus, zegt Petrus: "Nu besef ik pas goed dat er bij God geen aanzien des persoons bestaat, maar dat uit welk volk ook, ieder die Hem vreest en het goede doet, Hem welgevallig is." En die visie, dat hele gebeuren is dermate opwekkend, enthousiastmerend, allesomvattend, doorbrekend, dat de H.Geest zich manifesteert over allen die daar zijn.

De christenen uit de besnijdenis, de Joodse leerlingen, staan verbaasd. Hun Heilige Geest is ook voor hen, die uit de heidenen zijn. Petrus verwoordt het principe: de Heer vrezen, ontzag voor Hem hebben, Hem leren kennen plus het goede doen. Dat is het wezen van het leerling zijn. Het is als de Joodse regel: God liefhebben en je naaste als jezelf. God leren kennen en het goed doen is evenveel als - zo niet meer dan - het Jood zijn, alleen in de Joodse traditie staan.

Waarom meer dan Jood zijn? Omdat voor dat kennen en voor dat goede Jezus de maatstaf is, en niet alleen maatstaf maar ook aanzetter, drager, voorbeeld, voortrekker - hij, verheven aan Gods rechterhand, de ereplaats, één met de Vader, hij is uniek, nieuw, nog meer dan de Wet, Hij is Gods Liefde-beeld.

Is het dan vreemd om te zingen/bidden "Alle einden der aarde aanschouwen het heil van Hem, onze God"/"Gehéél de aarde aanschouwde wat onze God voor ons deed"  en  "Zingt voor de Heer een nieuw gezang omdat hij wonderen deed" ? We hebben allemaal wel ervaringen als die van verlost worden uit droefheid, ellende, gevaar e.d. Maar dan gaat het om bevrijding uit iets dat negatief is. Hier gaat het ook om een plusgegeven, boven het normale uit. Cornelius, een vroom man, kreeg een visioen waar hij niet om vroeg. Het ging niet om een behoefte die werd bevredigd maar om verlangen, dat hij misschien niet eens uitsprak. Hij kreeg iets extra's. Hij kreeg Jezus van Nazaret, de gestorvene maar Verrezene. Zing je dan niet nog enthousiaster?

 

Jezus, nog meer dan de Wet, Gods Liefde-beeld. In het evangelie koppelt Jezus niet alleen de liefde van de Vader  voor hem aan zijn liefde voor zijn leerlingen maar ook de mate waarmee bemind wordt "Zoals de Vader  - zo ook ik". Dat is volmaakte liefde, goddelijk, die hij zijn leerlingen, ook ons, aanbiedt. "Blijf in mijn liefde", maximale liefde die alles geeft, en mijn vreugde is in u, volkomen vreugde.

'Onderhoud mijn geboden' om in mijn liefde te blijven. Als we spreken over liefde, zijn geboden geen af te dwingen of opgelegde voorschriften. Het zijn eerder zijn liefde-dragers, die liefde laten blijken, zichtbaar en ervaarbaar maken en dus op mensen zijn gericht.

 

Praktisch herkennen we die liefde-dragers niet altijd. Het spreekt niet altijd zo duidelijk. Wij kennen een verschil in affiniteit t.o.v. van verschillende personen. Bij de een is affiniteit voor de handliggend, t.o.v de ander ontbreekt ze. Affiniteit is gevoelsmatig en geen maatstaf voor liefde, meer een gevolg ervan. Bovendien kunnen we niet de hele wereld ineens liefhebben. We zijn beperkt. We kunnen de ander ook niet met onze liefde achterna lopen.

Het gaat op de eerste plaats om een houding van liefde-betoon en vervolgens handelen naar mogelijkheden. Ook een betoon  dat niet aan affiniteit gepaard is, staat binnen het liefdes-gebod van Jezus, is net zo goed liefdes-drager als een gevoelsmatig aansprekend betoon. Ook voor dat betoon geldt: Zoals de Vader - zo ook ik.

Ook dan geldt 'Gij zijt mijn vrienden"; we zijn geen dienaars meer maar vrienden van Jezus omdat we doen wat hij zegt, wat heeft voorgedaan. We doen met hem en de vruchten zijn blijvend. Wijnstok - rank.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Enthousiast worden, de Geest meekrijgen is heerlijk. Maar bedenk dat die niet zomaar komt. Er is een basis voor nodig, een grondhouding. Ontzag hebben voor de Heer en het goede doen. A lá Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Met hem. Hij weet ervan.

 

Zonder Petrus en Cornelius hadden we hier niet gezeten. We zijn er wel:  "Opdat mijn vreugde in u moge zijn". Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen dat toe te laten?

Terug naar begin pagina

 

Zevende zondag van Pasen B  1 juni '03 ('06)
Hand 1, 15.16.17.20a.20c-26; psalm 103; Joh 17, 11b-19

Psalm 103  Prijs de HEER, o mijn ziel, zijn heilige naam uit het diepst van je hart.

Prijs de HEER, o mijn ziel, en vergeet zijn weldaden nooit.

Nee, als de hemel boven de aarde, zo hoog welft zijn liefde boven degenen die Hem vrezen.

Als van oost naar west, zo ver heeft Hij onze misdaden van zich af geworpen.

De HEER heeft zijn troon in de hemel gevestigd: Hij regeert als een koning over het heelal.

Prijs nu de HEER, jullie, zijn boden, die met macht zijn bevelen uitvoeren.

 

Het Johannes-evangelie is zo'n 30 jaar na de Handelingen geschreven. Maar de gebeurtenissen waarover het evangelie het heeft, zijn van vóór de Handelingen. Het evangelie laat ons de zorg zien van Jezus bij zijn afscheid, vóór zijn lijden en dood, zorg om zijn volgelingen, naaste medewerkers. Ook daar is weer zo veel jaar na dato te zien hoeveel Jezus van hen hield.
Afscheid nemen - we kennen het. Het begint al bij het los moeten laten van een huisdier dat je dierbaar is, en als je kind het huis uit gaat, kun je nog tegen jezelf zeggen dat het zo moet voor de goede toekomst. Het wordt erg als je een vriend of vriendin verliest, je sterft zelf een beetje. Praten we maar niet over je ouders, en helemaal niet over je partner of een kind. Dan sterf je wel twee keer. Omdat je zo veel van hen houdt. Ik denk dat de liefde van Jezus voor zijn volgelingen, die hij voortaan zijn vrienden noemt, vergelijkbaar is met de liefde ouder - kind. Zijn zorg-liefde, dat meevoelen, én dat kennen, zijn eenheidsliefde, gaat zelfs boven menselijk niveau uit. "Ik heb hen bewaard in uw Naam … opdat ze één mogen zij als wij". Is er groter éénheid denkbaar dan die tussen Jezus en zijn Vader?

In die situatie bidt hij tot zijn 'Abba', zijn 'paps'. Twee elementen kunnen daarbij opvallen.
Het eerste is "Ik heb over hen gewaakt". Waken zoals een herder doet, waken zoals een ouder doet, behoeden zoals een echtpaar onderling of vrienden doen. Bewaakt tegen het kwaad dat er nu eenmaal is. En dan die zin "behalve de man des verderfs, opdat de Schrift werd vervuld". Hij die verderfelijk is, kwaad doet, gaat verloren; dat zegt de Schrift. Zo is ook daarin de Schrift bewaarheid. Maar hoeveel verdriet heeft Jezus daarvan!  Hij heeft ook Judas aangeboden om deel te hebben aan hem, net als aan Petrus en de anderen, door hem de voeten te wassen. Hij heeft aan zijn verrader nederig gevraagd, wel gesmeekt, om eenheid met hem te hebben; liefde tot het uiterste betoond. Ook aan Judas - vooral aan Judas?
Het tweede element is Waarheid, toewijding in Waarheid: "maak hen U toegewijd in de waarheid". De waarheid is iets dat  écht bestaat, geen fantasie of hallucinatie is, en dat blijft bestaan maar waarheid is ook iets dat goed is, maximaal goed is want het is van God. "Uw woord is waarheid", zegt Jezus tot de Vader. Gods woord is de waarheid waarnaar we streven want het is goed en blijvend; het is terzake, we zoeken het voor onze ziel, die de Schepper in ons heeft gelegd; we zoeken het voor ons eigenste Zelf, waarin we God kunnen bereiken. Daar ligt de vonk die Hij Zelf aansteekt opdat wij Zijn Licht zien. Misschien mag je wel zeggen dat Jezus de woorden van zijn Vader hoorde en herkende als van De Waarheid, van zijn Abba, en dat hij zich dus aan de Vader wijdde in die Waarheid. Die woorden gaf hij zijn vrienden mee; hij gaf zichzelf als hét Woord, als De Vonk in onze ziel.

Omwille van de Waarheid vraagt hij dan ook indirect aan zijn leerlingen dat zij door de Vader zich aan zijn Abba laten wijden. Is die waarheid dan niet het Woord, niet die eenheid Vader - Zoon? Is die waarheid dan ook niet eenheid Jezus - zijn vrienden zoals die primaire eenheid Vader - Zoon?
Als je die liefde, bezorgdheid, eenheid en waarheid kent, als je daarop wordt gewezen, onderwezen, als je ontdekt dat het ook voor jou geldt, is dan je vreugde niet volkomen?

Jezus zendt zijn vrienden de wereld in en daarvoor willen ze weer met hun twaalven zijn, want het heil is komende. Het heeft ook met volheid te maken vanwege het getal 10. Ze waren immers met ongeveer 120 personen bijeen. Ze kiezen iemand met een bepaald kenmerk, nl. iemand die mee was getrokken vanaf de doop in de Jordaan tot en met zijn Hemelvaart. Iemand die ook het Woord leerde kennen, het heeft gehoord en in zijn eigenste zelf de vonk wist, voelde ontsteken, die Waarheid.

Misschien denken we dat dit alles niet voor ons geldt maar hebben we in de tussenzang niet gezongen/gebeden "Eeuwige God, wij willen U zien - Gij kent ons toch"/"Verheerlijk, mijn ziel, de Heer vanuit het diepst van uw wezen" ? Dan onderstrepen we toch dat die vonk in ons eigenste ontsteekt, dat we op zijn minst er naar zoeken? Die vonk van goddelijke waarheid! Dat is onze belijdenis, ook onze vreugde.

 

Ik hoop dat een en ander ook jongeren aanspreekt. Zeker als je jong bent, ben je makkelijker vrij voor primaire indrukken, ontvankelijker. Als je ervan wilt uitgaan dat Waarheid in het evangelie is te vinden, in Jezus, de Christus, die zich voor die waarheid heeft ingezet, als je dat woord wilt horen, dan hoef je geen moeilijke vragen te stellen en kun je vertrouwen op liefde, eenheid die van Boven komt.

 

Als je die liefde, bezorgdheid, eenheid en waarheid kent, als je daarop wordt gewezen, onderwezen, is dan je vreugde niet volkomen? Zullen we ons een paar minuten gunnen om dat over ons te laten komen?



 

Pinksteren  B 8 juni '03 ('05)

Hand 2, 1-11; psalm 104; Joh 15, 26.27; 16, 12-15

Psalm 104  Prijs de HEER, o mijn ziel.

HEER mijn God, U bent machtig groot, met pracht en met verhevenheid omkleed.

Hij gaat gehuld in een mantel van licht,

Hoe veelzijdig is wat U doet, o HEER, alles hebt U met wijsheid gemaakt:

de aarde is vervuld van uw kunstenaarschap. Mijn ziel, mijn ziel, prijs de HEER.

Zij allen verwachten van U dat U op de juiste tijd voedsel schenkt.

En als U het geeft, eten ze gretig: U opent uw hand en zij krijgen wat ze verlangen.

Ontneemt U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.

Maar geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw.

 

Han Fortmann heeft eens geschreven dat een vis pas op de kar van de visboer zou ontdekken dat hij een waterdier is - als dat beestje al kon ontdekken. Zo iets geldt ook voor ons. We zijn misschien verwend want we zouden pas ontdekken wat de Geest is als het een dooie boel is geworden. Geest is overal en altijd.

 

Natuurkundigen die bezig zijn met de kleinste delen in de natuur en hun beweging zien, vragen zich wel af hoe dat alles in beweging blijft. Biologen die zien hoe leven zich afspeelt in de kleinste dingen, vragen zich wel af wie dat alles gaande houdt. En we hoeven niet ver te zoeken: wat is dat, dat leven wat ik zelf doe? Het is de geloofsbelijdenis van de Jood, de Christen dat hij beaamt, accepteert dat bij de schepping de Geest Gods boven de oerwateren zweefde, of het water tot leven bracht. "Zweefde","Bracht"? Verleden tijd? Gaat schepping niet continu door? Kunnen we binnen die geloofsbelijdenis niet zeggen dat de Geest van de Schepper de schepping gaande houdt? Ook mijn biologische leven? Tot op mijn gebeente toe zoals de bijbel wel schrijft.

De schepping is een zichtbare manifestatie, uitbundig, en net als bij de schepping is de Geest ook actief bij het begin van de Kerk. Hij uit Zich  met een gedruis en als een vuur die Zich van de aanwezigen meester maakt, de apostelen, Maria en anderen, die eensgezind volhardend in gebed bijeen waren. Wat in een besloten kring gebeurt, wordt naar buiten zichtbaar als de pelgrims vanuit de hele wereld en de bewoners van Jeruzalem daar te hoop lopen en zij worden overdonderd door al die talen waarin zij persoonlijk worden aangesproken. Toen werd het duidelijk naar buiten.

 

Maar net zo min als de Geest alleen bij het begin van de schepping actief was, net zo min is Hij alleen actief bij het begin van de Kerk, Hij is het nog steeds. Hoe vaak lezen we niet in de bijbel dat mensen worden gedreven door de Geest, hoe profeten profeteren over de Geest, dat Jezus zijn Geest belooft aan de leerlingen, dat Paulus schrijft over de werken van de Geest: "Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid. Tegen zulke dingen kan de Wet niet op" - de Joodse Wet die zij als knellend ervoeren. Maar  'Wet' van de Geest (de Geest van Jezus) ervoeren zij als bevrijdend. De Geest die actief is en blijft in de Kerk, de goede Geest die niet te vervangen is dóor een wet, die niet te vangen is ín een wet. En dat geldt ook in onze huidige situatie. Het is nog steeds een van de taken van de Kerk om maatschappelijk kritisch en relevant te zijn, om de goede geest te bevorderen, daarbij gesteund door Gods Geest.

Is dat alles geen reden om eens per jaar, als het nieuwe leven in de natuur zich aandient, het Feest van de Geest te vieren? Zendt Gij Uw Geest, dan komt er weer leven - dan maakt Gij Uw schepping weer nieuw"/"Zend Gij Uw ademtocht, uw werken ontstaan; het gelaat van de aarde vernieuwt Gij" hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

 

Gods Geest uit Zich niet alleen naar buiten, Hij is ook een persoonlijke Kracht, naar binnen gericht, intiem. God geeft Hem aan ieder die erom vraagt. Hij getuigt bij mensen persoonlijk van de waarheid, geeft mensen persoonlijk een overtuiging mee, geeft mensen persoonlijk Kracht. Als we bedenken wat er met Maria is gebeurd, hoe zij in haar lofzang haar volheid uitzingt - haar 'Magnificat' is nog sterker dan wat wij in de tussenzang hebben bezongen/gebeden. Als we bedenken hoe Jezus zijn leerlingen de Geest belooft - we hebben het de vorige zondagen gelezen hoe hij in het hogepriesterlijk gebed vanuit zijn Intimiteit met Zijn Vader hun de Helper toezegt. Vandaag lazen we in het evangelie hoe hij in besloten kring het heeft over de Geest. "Wanneer de Helper komt … zal Hij over mij getuigenis afleggen en ook jullie moeten getuigenis afleggen want - en nu komt het - vanaf begin zijn jullie bij mij". Vanaf begin, niet vanaf het begin, maar 'beginsel is', 'punt van uitgang is', principe is dat jullie bij mij zijn. En als de Geest van de Waarheid is gekomen over jullie, begrijp je dat en leef je er helemaal in. Jezus weet waar hij het over heeft. Hij is immers zelf van de Geest, de Kracht van de Allerhoogste die Maria overschaduwde. Is dit geen hoogtepunt van intimiteit? Persoonlijke intimiteit die hij aan zijn leerlingen meedeelt.

Dan beginnen de woorden van Paulus te resoneren "U hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen 'Abba'", heel vertrouwelijk: 'Pappa'. De Géest doet ons uitroepen, de Geest is werkzaam in ons: "De Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet wat de Geest bedoelt …". Als Hij ons hart doorgrondt, is dat dan niet de plek waar wij zijn zoals we graag goed willen zijn, waar we zijn zoals Hij ons heeft bedoeld? De plek waar Hij Zijn Woord heeft neergelegd, Zijn Levenswoord, voor mij? Het Woord, dat tot Leven komt, als ik vraag om de H.Geest. Het Woord dat door Jezus herkend wordt. Ook dat mogen we beleven binnen de Kerk. Is Maria daar geen voor-beeld van?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Halleluia roepen is geen garantie voor de Geest. Geest is ook geen fijn of zoet gevoel. En toch is er die drijvende Kracht in je; je wilt er wat van maken. Hoe je kunt weten dat het om de H.Geest gaat, merk je als je doet zoals Jezus deed, dan handel je in zijn Geest want het is de goede Geest. Dan ga je merken dat je samen met Jezus doet omdat zijn Geest meedoet. Je gaat ook denken zoals Jezus dacht en … bad. Diezelfde Geest bidt in ons. De Geest, Gods drijvende Kracht, Gods Adem, Gods Helper, die ook naar buiten waait waar Hij wil.

 

Het Feest van de Geest zij een feest dat van binnenuit komt, binnen in gevoed en dan naar buiten móet omdat het een wereldvreugde is. Zullen we daarvoor even open stellen?

 

Zie desgewenst lied Gods Levenskracht 

 

Drievuldigheidszondag (B)  18 juni 2000; 15 juni '03 ('06)
Feest van de Heilige Drie-Eenheid
Deut 4,32-34.39.40; psalm 33; Rom 8,14-17; Mt 28,16-20

 

Psalm 33  Oprecht is het woord van de HEER, alles wat Hij doet getuigt van trouw.

Hij staat voor een rechtvaardig en vast bestel; de aarde is vervuld van de liefde van de HEER:

De hemel is gemaakt door het woord van de HEER,

heel het heir van de sterren door de adem van zijn mond;

wat Hij uitsprak, dat ontstond, Hij beval, en het gebeurde.

Gelukkig het volk waarvan de HEER god is, de natie die Hij tot zijn erfdeel koos.

Nee, het oog van de HEER rust op degenen die Hem vrezen en die op zijn liefde vertrouwen.

Hij zal hen vrijwaren van de dood, hen bij hongersnood in leven houden.

Vol vertrouwen zien wij uit naar de HEER, Hij is ons schild, Hij is onze helper.

Uw liefde, HEER, zal over ons komen: wij wachten, wij wachten op U.

 

Degenen onder ons die vroeger met hart en ziel gregoriaans zongen zullen zich die triomfantelijke melodie van 'Benedicta sit sancta trinitas' nog wel herinneren. Het lijkt een soort juichkreet die over de hele aarde gaat. "Gezegend zij de heilige drievuldigheid", de heilige drie-igheid.
Het is al in het eerste verbond bekend: als Tobias zijn reisgezel, zijn gids, die hem bijgestaan heeft om een vrouw te vinden, wil bedanken met gaven, zegt die reisgezel: Loof God en dank Hém. Die reisgezel is de engel Rafaël, de boodschapper van God. Daarna schrijft Tobit, de vader die genezen is, een loflied: "Gezegend zij God die leeft door de eeuwen heen, en gezegend is Zijn koninkrijk".
Daniël zingt het lied van de drie jongelingen in de vuuroven: "Geroemd bent u die op cherubs troont en de afgronden doorziet, geprezen en hooggeroemd tot in eeuwigheid".
Paulus in het nieuwe verbond zegt het na: "O onpeilbare rijkdom van Gods kennis en wijsheid. Uit Hem en door Hem en voor Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen."
En wij zeggen het nog steeds "Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest zoals het altijd al was en nu is en voor goed zal blijven" .

 

Alleen, wíj zeggen: Vader, Zoon en H.Geest. Dat is typisch voor het nieuwe verbond dat via de Zoon is gesloten, maar we zeggen het met hetzelfde enthousiasme want we hebben evenveel reden om te juichen als de ouden van het eerste verbond.  Immers, onze redding, ons uitzicht op eeuwigheid, danken wij aan Vader, Zoon en H.Geest. Men heeft wel  eens geschreven dat de Drie-eenheid een uitvinding van het christendom is om het heilsgebeuren te gronden. Dan lijkt het erop dat men dat verzonnen heeft. Maar zo is het niet, het is wel degelijk een bijbels gegeven, een openbaring die ons gegeven wordt.

Jezus spreekt vooral bij Johannes maar ook bij Matteüs over zijn één zijn met de Vader en hun beider Geest. In de geloofsbelijdenis van Constantinopel, ons 'credo',  staat  wat wij kort zeggen "Eén God en drie Personen, Vader, Zoon en H.Geest". Op dat geloof, op die openbaring, is ons heil gevestigd. De Vader in de hemel, de constante, trouwe, onveranderlijke, eeuwige voor altijd, de beginnelijk-zijnde, de basis. De Zoon die naar ons gekomen is, in beweging kwam op aarde, die ons zijn 'Abba' heeft laten zien, ons Hem heeft doen kennen en die hun beider Geest doorgaf toen hij stierf aan het kruis. Zo - in de Geestkracht - kunnen wij die altijd Aanwezige, altijd Inspirerende, altijd Meetrekkende ervaren. Zo kunnen wij samen met Jezus, die door de Vader tot Heer en Gezalfde is aangesteld, eer brengen aan de Vader, die ons gebed niet kan weigeren als wij met Jezus doen. Dat is ons heil. Die betekenis vind ik belangrijker dan de vraag hoe of dat wel kan, drie personen en toch één God. Dit is meer een mensen-formule die ons voor verkeerd denken moet behoeden maar niet toereikend is om iets onzegbaars, ons hemels heil uit te leggen.

In dat heil zijn we bijeen, in die Kracht, in die Naam, de Naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest. Is er meer zicht mogelijk dan je gedoopt weten in de Kracht van de Vader-Zoon-Heilige Geest? Zij staan alle drie garant voor ons heil. En dat heil hebben we verbonden aan het kruisteken, want aan het kruis is dat heil bevestigd. Is er een hardere bevestiging mogelijk dan een bevestiging in/door/aan het kruis, een bevestiging die door het lijden heen gaat?
Is er een harder, een sprekender eerbetoon mogelijk dan dat van hem die de avond voor zijn lijden en dood het brood nam, het zegengebed uitsprak: "Gezegend zijt Gij Heer, onze God, koning van het al". Is er meer heil mogelijk dan die woorden met hem te mogen en kunnen zeggen?
Paulus heeft het in zijn brief aan de Romeinen over de Geest van God die ons het Godskind-zijn geeft. Dank zij die Geest kunnen wij nu samen met J.C. zeggen "Gezegend zijt Gij, Heer onze God', een juichkreet die nog steeds over de aarde gaat. Vroeger luidde formule "Eer aan de Vader via de Zoon in de H.Geest". Dat gaf de heilsstructuur beter aan. En nu nog zeggen we "Door hem en met hem en in hem zij U dank gebracht in de eenheid van de Heilige Geest".
Dank zij die Geest kunnen wij één zijn zodat J.C. in ons midden kan zijn. Met die plechtige juichkreet vieren we dat ons heil kort bij is, hier en nu.

Dat is hetzelfde heil dat Mozes voorlegde aan de Israëlieten in het boek Deuteronomium:  "Onze JHWH is dé God, de enige, de echte, die zich heeft laten zien, die alles heeft gemaakt, ook ons en die voor ons zorgt met grote daden. Als je Hem in ere houdt, zullen jullie en jullie kinderen gelukkig zijn". Dat geldt ook voor ons. Alleen, wíj kunnen het via J.C. bereiken.
In de tussenzang hebben we gebeden/gezongen: "Gelukkig is het volk van de Heer, het Gods volk, want het woord van God is oprecht en waar. Zo is Hij onze hulp en schild".  Daarmee onderschrijven we wat altijd al is geweest:  Eer aan de Vader door de Zoon in de Heilige Geest.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het idee dat je te maken hebt met drie personen en toch één God - je zult wel zeggen dat je er niets van merkt. Als je erover nadenkt, er mee bezig bent, ben je al bezig in die Geest, die van Jezus. En als drie personen zich met jou bemoeien, ben je het kennelijk waard.

 

"De genade van onze Heer J.C., de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met ons allen." Zullen ons daarvoor een paar minuten tijd gunnen?

 

Sacramentsdag B  22 juni '03

Ex 24, 3-8; psalm 116; Mc 14, 12-16. 22-26  (zie desgewenst symbool; de alinea hierboven voor 'offer')

 

Psalm 116  Wat zal ik op mijn beurt aan de HEER geven voor al het goede aan mij besteed?

Ik hef de beker tot dank voor uw weldaad, de naam van de HEER roep ik uit.

Zwaar valt de HEER het sterven van zijn getrouwen.

Ach, zie HEER, ik ben uw dienaar, U hebt mijn boeien losgemaakt.

Ik draag een dankoffer aan U op en de naam van de HEER roep ik uit.

Mijn geloften aan de HEER kom ik na, zodat iedereen het ziet, voor heel zijn volk.

 

In het 24e hoofdstuk van Exodus wordt iets bijzonders beschreven: een volk van nomaden bepaalt zijn houding tot Degene die het zijn God noemt, het legt zijn verhouding tot die God vast en viert dat. Andere volken kennen riten waarmee zij hun god gunstig willen stemmen, waarmee zij een goede oogst proberen te verkrijgen, kwaad af te wenden enz. De Israëlieten stellen dat zij als schepsels geheel afhankelijk zijn van die God, die hemel én aarde heeft gemaakt. Zij aanbidden Hem en erkennen dat hun leven bij Hem begint. Zij zeggen dan ook dat HijZ Zich met hen bemoeit want HijZ heeft gewild dat zij er zijn en HijZ wil ook hoe zij zijn: zij zullen goed zijn en liefst heilig als HijZ Zelf. Kort geformuleerd is het: Ik uw God, jullie Mijn volk. Het is een overeenkomst zoals een koning die toentertijd sloot met zijn vazal: Ik bescherm jou en jij handelt in mijn plaats. Zo'n godsdienstige verhouding vinden we alleen bij het Joodse volk.

 

Die verhouding gaat heel diep, ze is intens. Wij hebben van God gehoord via onze ouders, de school, de Kerk; een min of meer gevestigd beeld. Maar voor het Joodse volk was het een ontdekking, een groei, een nieuw ervaren, leren kennen. Wij krijgen Hem - oneerbiedig gezegd - a.h.w. op een presenteerblaadje aangeboden, zij moesten zelf inkleuren hoe HijZ moet zijn als HijZ God is, hoe HijZ moet zijn als dat maximale wezen dat hemel en aarde heeft geschapen. Dat ging wel onder leiding van Mozes maar werd ook gebaseerd op eigen ervaring. Is het dan een wonder dat zij beelden gebruikten die zij aan hun dagelijks leven ontleenden om uit te drukken waar het om ging? Levende have, vee, werd symbool  voor hun expressie, want het ging om hun eigen concrete leven richting God. Bloed was het definitieve teken van leven en dat zou dus ook staan voor hun leven met God, hun goddelijk leven. Je moet maar durven! Je moet het maar gegeven krijgen dat je dat zo mag zien, je eigen leven verbonden weten met God, jouw Oorsprong en jouw Toekomst. Het gaat om jou en wel zoals je graag wilt zijn: bemind en beminnend.

Als Mozes de woorden en bepalingen van de Heer ter kennis heeft gebracht en allen die hebben geaccepteerd, schrijft Mozes ze op. Dan worden stieren geslacht als brandoffer en als slachtoffer, d.w.z. als offer voor verzoening en als offer voor gemeenschapsmaaltijd. Na verzoening door God kan gemeenschap met God gevierd worden. Eerst wordt offerbloed over het altaar uitgegoten, waardoor het bloed aan God wordt gewijd, met God verbonden wordt. Dan wordt het verbondsboek voorgelezen en beaamt het volk de inhoud ervan. Vervolgens sprenkelt Mozes de helft van het offerbloed, het levensbloed, goddelijk leven, over het volk uit. Verbond in Bloed. Verbond in liefde, het mooiste leven.

 

Als we dat bedenken is het niet verwonderlijk dat de Jood iets moet uitzingen. In psalm 116 vraagt de Jood zich af wat hij terug kan geven aan de Heer voor al het goede dat Hij aan hem persoonlijk deed. Eigenlijk kan hij niets teruggeven want alles heeft hij gekregen en alles is al van de Heer. Eén ding kan hij wel geven: bij zijn offer voegt hij zijn dank."Ik hef de beker tot dank voor uw weldaad, de Naam van de Heer roep ik uit."

 

Het evangelie verhaalt ons wat Jezus doet. Dat staat in een bepaald, geladen kader nl. dat van Pasen, het belangrijkste feest voor de Jood; hij viert daarin de - laat me zeggen - de verjaardag van het Verbond. Het Verbond had een nieuwe impuls nodig, misschien wel omdat liefde als drijfveer, als begeestering, zoek was geraakt. Jezus maakt van dat eerste Verbond een nieuw Verbond want geen groter liefde heeft hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Hij zoekt de confrontatie niet op maar loopt ook niet voor haar weg; hij wil laten zien waartoe liefde in staat is, zijn liefde voor de leerlingen, voor zijn volgelingen, zijn liefde tot zijn Vader. Hij sluit het nieuwe verbond in zijn Bloed; nu niet meer dat van offerstieren maar zíjn bloed, zijn leven, zijn Leven met God, in God, van God.

Hij doet dat binnen het kader van de maaltijd, m.b.v. gewone, aan het dagelijks leven ontleende  maar wezenlijke ervaringen: eten en drinken. Voor de maaltijd neemt hij brood, heft het enigszins op en zegt de zegenbede tot de Vader, waarmee hem erkent als Bron van alle zegening. Na de maaltijd neemt hij de beker, heft hem enigszins op en zegt tot zijn Vader het zegen-/dank-/smeekgebed om hun leven, om hun land, om de toekomst. Hij dankt terwijl hij weet dat het met zijn leven slecht zal aflopen. Desondanks verbindt hij in uiterste hoop en liefde zijn lichaam en zijn leven, bloed, aan die twee symbolen van brood en wijn. Opdat wij samen met hem doen wat hij deed: zó de Vader danken.

Zo blijft hij bij zijn volgelingen aanwezig, tastbaar. Als wij dat brood met dat zegengebed in de hand nemen, hebben wij zijn Lichaam in de handen. Als wij die wijn met dat zegen-/dank-/smeekgebed drinken, delen wij zijn Leven en wel zó zoals hij volledige gemeenschap met zichzelf aanbood aan zijn leerlingen op die avond. Is er een mooier liefdesverbond denkbaar? Is er een diepgaander danking aan de Vader denkbaar dan die via hem, in hem en met hem? Is er een groter geheim dan de Vader danken met het mooiste dat Hij ons in handen heeft gegeven? De Vader heeft het dankaanbod van Zijn Zoon niet kunnen afwijzen. Als wij via hem, in hem en met hem danken, kan de Vader ons ook niet afwijzen; Hij wil het niet eens.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Bij ons tweede bezoek aan Auswitsch-Birkenau heb ik een natuursteen van crematorium III meegenomen naar huis, gemerkt en in de tuin gelegd. Waarom? Op een of andere manier vind ik dat ik daarbij hoor, of zij bij mij horen. "Herinner je". Misschien is zo iets ook voor jou herkenbaar, spreekt het je aan.

Maar er is meer: er is geen Jood die die steen daarvoor heeft bedoeld. Als dat wel zo was, was die steen daar en toen heilig gemaakt door hem. Jezus heeft dat brood en die wijn wél bedoeld als zijn "herinner je mij", als zijn 'ik ben er', 'Ik zelf'. Daarom mag je die symbolen heilig noemen, kun je ze heilig weten. Dan klinkt iets door van 'Wees heilig want Ik ben heilig' uit het Eerste Verbond. Dan kun je iets vermoeden van iets nieuws: 'Probeer liefde te zijn, want ik ben liefde, Gods liefde' van het Nieuwe Verbond.

 

Psalm 116: "Ik hef de beker tot dank voor uw weldaad, de naam van de Heer roep ik uit" via hem, met hem en in hem. Iets voor ons? Zullen we dat even laten binnenkomen?

 

 

Twaalfde zondag door het jaar B  22 juli '97  

Job 38,1.8-11; psalm 107; Mc 4,35-41

Psalm 107 Prijs de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Weer anderen varen met hun schepen op de zee, vervullen hun taak op het machtige water;

die