e-mailadres

terug naar overzicht
terug naar inhoudsopgave

 

Overweging voor de weekendviering

 

 Zondagen in het jaar C

 

Advent

1e zondag      3 dec. 2000; '03
2e zondag      10 dec. 2000; '03
3e zondag      17 dec. 2000; '03
4e zondag      24 dec. 2000; '03

Kersttijd

Kerstdagmis C            2003

H.Familie        28 december 2003

Doop van de Heer 11 januari 2004

 

door het jaar

2e zondag      18 januari 2004; '07
3e zondag      21 januari 2001; '04
4e zondag     28 januari 2001; '04

5e zondag      8 februari '04
6e zondag      11 februari 2001;'04

7e zondag      22 februari '04; '07
8e zondag      25 februari 2001

 

veertigdagentijd

1e zondag      29 februari '04
2e zondag      11 maart '01; '04

3e zondag      14 maart '04   
4e zondag      25 maart '01; '04

5e zondag      28 maart '04
Palm/Passiezondag 8 april 2001;'04

Pasen

Paaswake C         7 april ’07

Paaszondag C     11 april '04 ('05)

2e zondag           18 april '04 ('06)
3e zondag           29 april 2001; '04

4e zondag           2 mei '04
5e zondag          13 mei 2001; '04

6e zondag           16 mei '04

7e zondag           27 mei '01;'04;'07

Pinksteren C       30 mei 2004 ('05)

Drievuldigheidszondag

                           10 juni 2001; '04

Sacramentsdag  17 juni 2001; '04

 

 

door het jaar

11e zondag    2004

12e zondag    20 juni '04

13e zondag    27 juni '04

14e zondag    8 juli 2001; '04

15e zondag    11 juli '04

16e zondag    22 juli '02; '04

17e zondag    25 juli '04

18e zondag    5 aug. 2001; '04
19e zondag    8 aug. 2004

20e zondag    2004

21e zondag    26 aug. 2001; '04

22e zondag    29 aug. 2001; '04

23e zondag    2 sept. 2001;'04

24e zondag    16 sept. 2001; '04

25e zondag    2001; 19 sept. '04;'07

26e zondag    26 sept. 2004

27e zondag    7 oktober 2001;'04

28e zondag    14 oktober 2001;'04

29e zondag    17 oktober ’04

30e zondag    28 oktober 2001;'04

31e zondag    1998; 31 okt. '04

32e zondag    11 nov. 2001;'04

33e zondag    1998; 14 nov.'04

Christus Koning  25 nov. 2001;'04

 

 © 1999 - 2006 P.Goris Epe; zie 'Ten geleide'.

 

P.S. Waar in de overwegingen sprake is van 'nieuwe vertaling' wordt de Willibrord  '95 bedoeld.

 

Eerste zondag van de Advent C   3 december 2000; '03
Jer 33, 14-16; psalm 25; Lc 21, 25-28.34-36.

Psalm 25

Mijn verlangen gaat uit naar U, HEER, U bent mijn God.

Leer mij uw wegen kennen, HEER; maak mij wegwijs op uw paden,

wijs mij het spoor van trouw aan U, wees voor mij een meester;

U bent de God die mij redt, ik bouw altijd op U.

De HEER is goed, de HEER is rechtvaardig, zelfs zondaars wijst Hij de ware weg.

Hij brengt de armen op het rechte spoor, Hij leert hun zijn weg.

Al de wegen van de HEER zijn liefde en trouw

voor wie zijn verbond en geboden onderhouden.

Wie ontzag kent voor de HEER hoort tot zijn kring,

Hij maakt hun zijn verbond bekend.

 

De kerkelijke kalender van de feesten van de heiligen begint op 1 januari van ieder jaar; die van de zondagen en jaarfeesten op de 1e zondag van de Advent. Daar zit een betekenis achter nl. dat we nu al, nu we nog -in onze streken- in de donkere dagen zitten, nu al uitzien naar ... Dat is niet vreemd, uitzien naar, verlangen naar is mensen eigen. We zijn gevoelig voor 'nieuw', voor 'beter'; we zijn er mee bezig. Dus, we wáchten niet op maar vérwachten, zien uit naar, verlangen. Soms moet je afwachten maar als het gaat om Advent - dan is het goed om iets te verwachten, bezig te zijn met. Een zieke hoopt op genezing; ook al voelt hij die misschien niet, hij weet dat er iets is, iets dat 'beter' is. De meesten van ons voelen misschien niet veel inzake Advent, maar we mogen wéten dat er iets is, iets beters dan we al hebben.

Wat we doorgaans al hebben is gezelligheid, intimiteit bij de kerstboom en wat dies meer zij. Is er meer?

In de 1e lezing hebben we de profetie van Jeremia gehoord. Jeremia profeteerde als het ware op de puinhopen van Jeruzalem, dat door de Babyloniërs werd aangevallen en zou worden verwoest als dat toen nog niet gebeurd was. Hij profeteert kort en krachtig: de belofte zal worden vervuld, de stad zal heten 'Heer, onze Gerechtigheid'.

Dat is hoop, maar dat zal niet vanzelf tot stand komen. Daartoe is nodig wat we hebben gezongen/gebeden in de tussenzang "Naar u gaat mijn verlangen, Heer"/"Tot U in den hoge richt ik mijn geest". Jeremia is er zeker van dat hij op goede grond staat - om dat zo maar te zeggen. Hij zit niet neer op de puinhopen en in de ellende maar staat op en doet, in zijn geval doet hij zijn mond open. Als wij verwachten, zullen we ook doen, nl. ons richten naar ... "Naar U gaat mijn verlangen Heer/Tot u in den hoge richt ik mijn geest". Maar, hoe je dat?

 

In het evangelie speelt uitzien naar ook een grote rol. De terugkeer uit de ballingschap was allang vervuld, de tempel was herbouwd, groter dan eerder. Wat nu bij de gelovige Jood speelde was wat wij noemen het laatste oordeel, de jongste dag, -wij zeggen de laatste dag- als iedereen weer ontwaakte om te worden beoordeeld. Dat hebben we twee weken geleden gezien bij de profeet Daniël. Daarnaast leefde bij hen actueel de hoop op de komst van de Messias, die alles weer goed zou maken, vrijheid zou bewerken. De Joden hadden het niet goed onder de Romeinse bezetting en op godsdienstig gebied liep ook e.e.a. nogal mank. Hun godsdienst werd belaagd door partijvorming in godsdienstige kringen en een dodende invulling van de Wet belemmerde hun geloofsbeleving.
De volgelingen van Jezus hebben in hem de beloofde gezien, de Messias, en in hem ook de rechter op het einde der tijden die allen zou beoordelen. Dat was ook het evangelie van twee weken geleden. Na zijn dood hadden zij maar één uitzicht, één verlangen, nl. dat hij zou komen om zijn Rijk, het beloofde Rijk van zijn Vader definitief te vestigen; een Rijk nog groter dat dat van David. Bij al hun samenkomsten spraken zij die hoop uit: Maranatha: kom Heer/ de Heer komt. Op dat ene verlangen stelden zij hun hoop, de tempel was weer verwoest en hij was hun nieuwe definitieve en onverwoestbare tempel.

Het is voor ons misschien wat moeilijk om ons in te leven in hun situatie. De hele wereld om hen heen was 'heidens', men kende God, de Abba van Jezus, en Zijn waarheid niet en of het er allemaal zo sociaal  aan toeging is de grote vraag. ("Hebt elkander lief" was niet voor niets het grote gebod van Jezus.) Middenin die wereld brandde een klein vlammetje van Gerechtigheid: zijn volgelingen. Zij wilden niets liever dan dat hun vlammetje een vuur werd dat de wereld rond zou gaan. Wellicht kunnen wij in onze situatie ons iets in denken dat overeenkomt met hun verlangen.
Hun uitzien naar betrof niet alleen sociaal gebied, waar Jeremia het over had, maar ook het geestelijke "... om hem te dienen in heiligheid en rechtvaardigheid" zingt Zacharias na de geboorte van zijn zoon Johannes. Als Jezus dan in het evangelie zegt "Wanneer dit alles zich begint te voltrekken, sta dan op recht en fier want uw verlossing is dichtbij" geldt dit ook voor ons gééstelijk onvermogen, beperktheid, onvolwassenheid; een verlossing uit een tekort omdat we uitzien naar, verlangen. Uitzien naar goed kunnen bidden, uitzien naar hem leren kennen, uitzien naar je in Hem geborgen weten, uitzien naar een besef dat Jezus Christus met je meetrekt, uitzien naar ... zegt u het zelf maar.
Jezus zegt "Weest daarom waakzaam bidt ..." Als wij ons verlangen willen leren kennen, willen honoreren, is het consequent om iets te doen. Zou het niet goed zijn om in deze adventtijd iedere dag een (extra) gebedje te zeggen, te bidden, in je binnenkamer? "Het stil gesprek met de Heer is weggelegd voor wie Hem vrezen" vertaalt de dichteres. Wie ontzag hebben voor Hem, weten dat HijZ hen ontziet. Een stil gesprek door je geest omhoog te richten, je handen te openen om op te vangen, te ontvangen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je zoekt wellicht iets nieuws, dat is zeker jongeren eigen. Het is echt niet verkeerd om bij je zelf te beginnen, vanuit jezelf je geest naar omhoog te richten. "Als je de wéreld wilt verbeteren, begin bij jezelf". Begin bij jezelf te verlangen naar ... Is dat in te vullen? Of is het beter om het open te laten en af te wachten wat het is? Het sluit vast en zeker bij jou zelf aan.

 

Naar U gaat mijn verlangen, Heer/Tot U in den hoge richt ik mijn geest. Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen om daarvan iets te proeven?

 

 

Tweede zondag van de advent C  10 december 2000; '03

Bar 5, 1-9; psalm 126 (1-9); Lc 3, 1-6

Psalm 126

Toen de HEER het tij voor Sion liet keren, was dat voor ons als een droom.

Onze mond bleef lachen, onze keel bleef zingen.

En de volken erkenden: 'De HEER verricht wonderen voor hen.'

Ja, wonderen verrichtte de HEER voor ons; wij waren buiten onszelf van blijdschap.

Laat het tij voor ons keren, HEER: een waterloop in de woestijn gaat weer stromen.

Degene die in tranen zaait zal blij zingend de oogst binnenhalen.

Degene die in tranen op weg gaat, de zaaizak om de schouder,

zal blij zingend naar huis teruggaan met schoven op zijn rug.

 

Het zal je maar gezegd worden: sta op, en bekleed je voor altijd met Gods heerlijke schoonheid! Voor altijd zul je heten "Vrede-door-Gerechtiheid" en "Glorie-door-vroomheid", Gerechtigheidsvrede en Godsvruchtheil. Het zijn eretitels, beloften aan Gerechten, aan mensen die het goede willen. Die oproep "Sta op" geldt voor 'Jeruzalem', het Joodse volk, nadat zij hun boete hebben gedaan in de ballingschap in Babylon. Te voet werden zij weggesleept door de vijand, door God gedragen keren zij terug. Ik denk dat we allemaal wel zo'n ervaring hebben meegemaakt: na een moeilijke periode merken dat je er doorheen bent en je geweldig opgelucht en vrij voelen. Met ons lied in de tussenzang/gebed in de psalm bevestigen we die genade dat God zelf ons net als het Joodse volk barmhartig en genadig vergezelt.

Maar dat is wel een geloofsbelijdenis: dat God ons barmhartig en genadig vergezelt. Dat is een erkennen, een weten en een inhoud, nl. Gerechtigheidsvrede en Godsvruchtheil. Gerechtigheid is een wijd begrip. Gerechtigheid zie je aan de hemel waar de sterren hun altijddurende loop hebben, waar continuïteit heerst, rust en verhevenheid. Die gerechtigheid van de hemel maak je op aarde waar door rechtvaardigheid. Door rechtvaardigheid blijft de samenleving in stand, blijft zij in vrede. Door rechtvaardigheid maak je hemelse gerechtigheid op aarde waar. Zo kom je bij 'heil door godsvrucht'. Je kunt rechtvaardigheid als een nuttig overlevingsprincipe zien - je kunt ook met rechtvaardigheid God willen eren, en zeggen dat Hij Zijn heil, aan de hemel te zien, Zijn heil van de hemel aan ons op aarde schenkt als wij rechtvaardig zijn - Zijn heil dat ons uitnodigt zó die weg van hemel en aarde te gaan. Dan vergezelt HijZ ons, barmhartig en genadig, worden heuvels geslecht en dalen gevuld.

Als je wat verder durft te denken, ga je zeggen dat Hij via zijn Gerechtigheid een stukje hemel in ons heeft gelegd. Godsvrucht wil niet zeggen braaf bidden of zo - het zij meer: God in jou zijn vrucht, zijn genade laten leggen, iets van Gods droom in jou waar laten worden; en dan Zijn droom waar maken.

 

Lucas plaatst het toppunt van Gods heil, heil van de hemel, meteen in de geschiedenis: in het 15e regeringsjaar van, toen die en die er waren, aanwijsbaar, hier en nu, toen kwam het woord van God over Johannes. In de 1e lezing hebben we gehoord dat God Zelf de weg gereed liet maken voor hen die uit hun ballingschap terugkeerden en nu roept Johannes daartoe op. Johannes brengt de profetie a.h.w. weer in vervulling. Want na de ballingschap is het volk, is 'Jeruzalem', op de lange duur weer in de versukkeling geraakt. Die Gerechtigheid was volkomen zoek en er moest een oplossing komen: het volk verwachtte kennelijk de Messias.

Hoe vervult Johannes die profetie? Door te verkondigen en toe te passen "een doopsel van bekering tot vergeving van zonden", de boodschap van het evangelie, van het goede nieuws. Een bekeringsdoop opdat/zodat zonden worden vergeven. Kennelijk is bekering, het anders willen doen, al genoeg voor het wegdoen van zonden; "wegzenden van zonden" staat er in het Grieks. De zonde is weg; het O.T. spreekt van 'uitwissen van zonden'. Dan zal de weg van de mensen een weg van God zijn, dan zijn de dalen gevuld en de heuvels geslecht. Hoe komt Johannes daar aan?

Een paar verzen verder in het evangelie heeft Johannes het over de komende toorn, het onontkoombare oordeel, wat wij noemen het laatste oordeel. Dan werd men geoordeeld over zijn daden en de gelovige Jood zou natuurlijk mogen hopen op zijn God, die rechtvaardig is maar nog barmhartiger, maar daartoe moest er nu wel 'iets' uitkomen. Dán, bij dat oordeel, was er geen kans meer om het nog eens over te doen. Als je nú vergeving van zonden kon verkrijgen was dat wel zo veilig maar ook wel zo mooi, dan kon je met God verder trekken over Gods geëffende weg, dan vergezelt HijZ je. Dus moest er nu iets gebeuren: opnieuw gaan leven, ondergedompeld worden in stromend water, het oude weglaten vloeien en klaar voor het nieuwe omhoog komen uit het water, met als praktische inhoud Gerechtigheid doen. Dat heil geldt universeel, voor alle volken: "heel de mensheid zal Gods redding zien".

Wij hier bijeen bereiden ons voor om het feest van de Menswording te vieren. Wij hebben het doopsel al gehad en wij weten van Gods wegen. Dus geldt ook voor ons de oproep 'sta op Jeruzalem', sta op stad van God, sta op gemeenschap, sta op parochie, bisdom, Kerk (sta op intentie Solidaridad) en weet u bekleed met Gods heerlijke schoonheid.

We zijn ons daarvan nou bepaald niet altijd bewust. Zou het daarom niet goed zijn als we ons deze week elke dag een kleinigheid onthouden? Niet om een offertje te brengen of hoe dat mag heten maar om ons even het 'nu' te laten voelen, gewoon een psychisch werkend verkeersbord op onze weg aan te brengen: Weet je nog?  Je draagt op je hoofd "de schitterende kroon van de Eeuwige".

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. 'Vrede-door-Gerechtigheid', heil-door-godsvrucht' lijken nogal dikke woorden, die ver weg zijn. Het gaat erom dat je bij de pinken blijft, je niet te veel laat afleiden door 'aardse' zaken maar je in jezelf ook die roepstem toelaat, in jezelf die roep hoort van Degene die jou op Zijn weg uitnodigt, Zijn weg naar ... vul zelf maar in.

 

God Zelf begeleidt ons met Zijn barmhartigheid en Zijn genade op Zijn geëffende weg op weg naar ... Zullen ons een paar minuten tijd gunnen om dat een beetje 'hier en nu' te laten zijn?

terug naar begin pagina

 

Derde zondag van de Advent C  17 december 2000; '03
Sef 3, 14-17; tussenzang/gebed naar Jes 12; Lc 3, 10-18.

'Ik loof U, HEER; U was woedend op mij, maar uw woede is bedaard en U hebt mij getroost.

God is mijn redding! Ik vrees niet, ik ben vol vertrouwen:

de HEER is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geworden.'

'Loof de HEER, roep zijn naam,

maak onder de volken zijn daden bekend, verkondig zijn hoogverheven naam.

Zing voor de HEER, want Hij deed grootse dingen, laat het bekend zijn over heel de aarde!

Juich en jubel, bewoners van Sion: de Heilige van Israël is groot in uw midden!'

 

De vorige week hebben we de profeet Baruch horen zeggen: "Op, Jeruzalem, ga op de hoogte staan en zie naar het Oosten". Nu hebben we de profeet Sefanja gehoord, die wat eerder actief was dan Baruch maar die in dezelfde situatie verkeerde van onrecht door de leiders begaan en de dreiging van de Babyloniërs. Sefanja gaat nog verder dan Baruch, hij roept: "Sion, jubel van vreugde, juich Israël, wees blij met heel uw hart". Die oproep, belofte, geldt voor hen die nederig zijn, die willen luisteren naar Gods woord. Sefanja voorzegt 'de Dag van de Heer', de dag waarop het kwaad aan de kaak wordt gesteld maar ook de dag dat God voor de bekeerden komt als reddende held, de dag dat er geen onrecht meer is en Jeruzalem een vrije stad is. Die dag van de Heer is voor de getrouwen: God zal komen als "de reddende held". Dat staat er letterlijk. Het roept gedachten op als de fiere ridder die de jonkvrouw uit haar benardheid redt en dat sluit best wel aan bij wat we een beetje romantisch allemaal wel in ons mee dragen: de reddende held die het allemaal kan.

Wij zijn ook Sion, ook Jeruzalem - maar dan het Jeruzalem dat Jezus van Nazaret heeft gebouwd op zijn rots en dat door de Vader is geaccepteerd. Ook wij mogen juichen om de belofte die Sefanja geeft en die voor ons nog meer dicht bij is in de komst van de Messias, in Jezus van Nazaret. Op dat feest bereiden we ons voor, op die dag van de Heer, waarop God op een speciale manier toont dat Hij ons lief heeft, door zijn liefde ons nieuw maakt.

Het is best mogelijk dat we ons kritisch afvragen of we dat wel waard zijn, of wij wel het recht hebben om blij te zijn "met heel ons hart". Maar, hebben we dat recht, die vrijheid niet gekregen door in de tussenzang te zingen/bidden dat we troost en vergeving hebben gekregen omdat we daar direct of indirect om vroegen? Laat het dan nu die vrede zijn die wij mogen genieten omdat Israëls heilige in ons midden woont, omdat wij de Sion bewonen, het Jeruzalem van Jezus Christus hier in ons midden. Die vrede die we gaan vieren met Kerstmis en die door het vieren groter moge worden. Het is toch wat als tegen je wordt gezegd: "Hij jubelt van vreugde om u".

(Inhaakpunt voor Solidaridad: De profeet voorzegt midden in de ellende/dreiging de dag van de Heer. Kunnen wij als christenen die dag niet verhaasten voor hen?)

 

Het lijkt wel of Johannes veel harder is dan wat in de 1e lezing staat. Hij gebruikt een bekend beeld uit de akkerbouw en zegt: "De wan heeft hij in zijn hand om zijn dorsvloer op te schonen, om het kaf van de korrels te scheiden", m.a.w. nu gaat er een beslissing vallen, nu moet je wat doen, nu is het de hoogste tijd. Wij kunnen dat zien als: er is een moment gekomen van beoordeling maar ook als: nu is het de goede tijd om de komst van de Heer te gaan vieren, zijn komst in te vullen, waar te maken. Wij hebben immers gebeden om vergeving en we rekenen er op. Nu is dus de tijd gekomen dat die belofte van toen en nu weer een stukje meer vervuld gaat worden, ieder jaar een stukje meer - vervuld in ons. Hoe?
Johannes gebruikt twee 'niveaus' van gerechtigheid: tegen de tollenaars en de soldaten zegt hij: geen onrecht plegen, niet meer vragen dan mag en niet plunderen. Tegenover "de mensen", gelovigen, gaat hij uit van een gerechtigheid die verder gaat dan 'geen onrecht', geen kwaad. Iemand kan nl. een dubbele kleding verdiend hebben en is dus gerecht om die te bezitten, daar is geen onrecht bij. Maar bij gelovigen gaat hij uit van de gedachte dat de behoeftige die iets wezenlijks als kleding niet heeft, daar recht op krijgt op basis van bekering, op basis van barmhartigheid, zoals God barmhartig is. Wij kunnen daaraan toevoegen: op basis van het Rijk, het Jeruzalem van Jezus Christus. Dat is een hoger niveau van gerechtigheid dan geen onrecht plegen. Dat is hemels recht. Immers "door Zijn liefde maakt Hij u nieuw"!

Geen wonder dat de mensen, die "vol verwachting" zijn, hem vragen of hij de Messias is. Geen wonder? Wel een wonder! want de Joodse verwachting was dat de Messias als een grote reddende held zou komen, liefst te paard, en met veel roem het rijk van David zou herstellen. En nu vragen ze aan die schamele in zijn kameelhuid of hij de Messias is! Komt dat misschien door bekering, hun nieuwe manier van leven, omdat ze hun hart anders hebben gericht en nu merken dat er meer is?

Johannes gaat inderdaad verder dan zichzelf: die na mij komt zal dopen (niet 'met' heilige Geest en 'met' vuur. Dopen is onderdompelen; het gaat dus om dopen 'in'.) in heilige Geest en in vuur. Vuur staat in tegenstelling met water. Mogen we hieruit niet begrijpen dat het doopwater van Johannes in tegenstelling staat met het doopvuur van Jezus, maar wel begrijpen dat dit veel en veel sterker is dan wat Johannes kan doen.

Is dat iets wat wij ons wel beseffen? De meesten van ons zijn al zo lang gelovend dat ons denken plichtmatig geworden kan zijn, een beetje routine is geworden. Het is nogal wat - maar wel iets waar we ons op mogen richten, wat we mogen beleven: ondergedompeld worden in de Heilige Geest, leven zoals Jezus leefde en nog leeft, leven bij God, de Abba van Jezus, onze Schepper, die naar ons toe komt in Immanuël, God-met-ons, die mens werd als wij. Zo zeer heeft Hij de wereld lief gehad, zo zeer "heeft Hij zich verheugd om u". Dat is de blijde boodschap die Johannes verkondigde en die nog steeds geldt. Is het niet de moeite waard om daarover deze week eens extra na te denken? In stilte Wellicht net als Johannes, die die Geest in de woestijn zal hebben leren kennen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerstmis vieren zie ik bepaald niet als zoetigheid en romantiek maar ook niet als een zaak van geen onrecht, van geen wapens en dús vrede. Het is meer een mentaliteitsverandering, een bewustwording van leven met God, ondergedompeld zijn in, deel hebben aan goddelijk leven. Dat leeft in je en blijkt naar buiten, en als je het laat blijken, als je het doet, vier je het en wordt het van binnen groter.

 

"Uitermate verheugt Hij zich om u, door Zijn liefde maakt Hij u nieuw". We wonen immers op de Sion, het Jeruzalem van Jezus Christus. Zullen we ons een paar minuten stilte gunnen om dat over ons te laten komen? In de stilte dat Woord een kans geven? "Uitermate verheugt Hij zich om u, door Zijn liefde maakt Hij u nieuw".
 

 

Vierde zondag van de Advent C 24 december 2000; '03
Mi 5, 1-4a; psalm 80; Lc 1, 39-45

Psalm 80

Aanhoor ons, U die Israël weidt, U die Jozef voorgaat als een herder zijn kudde.

U die troont op de kerubs, verschijn in uw schitterend licht

voor Efraïm, Benjamin en Manasse; roep al uw kracht wakker, trek uit voor onze redding.

Breng ons herstel, o God, laat uw aanschijn oplichten en wij zijn gered.

God van de machten, ach, kom terug, zie toch neer vanuit uw hemel, zorg voor deze wijnstok,

de stek van uw rechterhand, de zoon wie U uw kracht hebt verleend.

Leg uw hand op uw uitverkorene, de mensenzoon wie U uw kracht hebt verleend.

Dan zullen wij U nooit meer verlaten: U laat ons leven, wij vereren uw naam.

 

Micha trad op in Jeruzalem nog voor de profeten Baruch en Sefanja die we de vorige weken hebben gelezen. Maar de situatie  was weer dat Jeruzalem werd bedreigd. 'Eigen schuld' zegt Micha, hadden jullie je maar aan Gods geboden moeten houden. Jeruzalem die trotse stad, de stad van de verwachting, kon die verwachting niet meer waar maken; ze stond bol van onrecht. Maar toch heeft de profeet hoop, alleen het zal anders zijn dan verwacht: uit het kleinste onder Juda's geslachten, voorgesteld door een dorpje, Betlehem (huis van brood), zal de nieuwe heerser komen. Wij kennen dat beeld ook wel: alles moet eerst weg voordat het sprankelende nieuwe omhoog kan komen, voordat dat bloemetje in de woestijn de kans krijgt om onverwachts daar het pure te laten zien, een sprankje hoop zeggen wij, hoop op vrede.

 

Maar die hoop is niet alleen gericht op vrede in de zin van 'geen oorlog'. Vrede betekent in de profetie ook vrede met God door Zijn levensregels te volgen. Beide betekenissen leven in de mens. De mens ziet in de verdrukking uit naar oplossing, in verlangen naar Godsbesef uit naar een invulling; dat leeft onder ons. Die hoop wordt in de profetie weergegeven door "Degene die baren zal, haar kind gebaard heeft", m.a.w. wat in de mens is gelegd zal manifest worden. In de tussenzang hebben we gebeden/gezongen "het stekje dat Gij hebt gekweekt" ; zo kun je ook hetgeen in ons is gelegd noemen; ook dat moge tot groei komen, naar buiten komen. Als je dat een beetje te pakken hebt, begrijp je dat de profeet Jesaja spreekt over "Dauwt, hemelen van boven en wolken regent de gerechtigheid. Aarde, open uw schoot, laat het heil bloeien en de gerechtigheid ontkiemen"?  Is er mooier en completer vrede te bedenken dan harmonie tussen hemel en aarde, tussen God en mens, harmonie in jezelf? Dan zal die "kracht van God, de verheven Naam van de Heer ons hoeden". De macht van dat kind, die hoop, is voor alle mensen, gaat over de hele aarde: "God van de heerscharen, richt ons weer op. Lach ons weer toe en we zullen gered zijn". Dat moge gelden voor de hele wereld maar ook voor ons persoonlijk.

 

Dan, ineens lijkt het wel, het evangelie van Lucas, kort, maar bij nader inzien boordevol. Maria gaat van Nazaret, van het vlakke land, naar het bergland. De internationale verbindingswegen liepen niet door die lastige heuvels maar door het vlakke land. De inwoners in het vlakke land zagen meer dan die in het bergland en zij waren wat vooruitstrevender dan die in het bergland, zij zagen eerder iets nieuws. Maar die van het bergland hielden oude tradities meer in stand: Juda - in het bergland - staat zo min of meer voor 'de ouden'. Daar gaat Maria, die nieuwelinge, naar toe. Een stapje verder zetten: het Nieuwe Verbond sluit aan bij, is gebaseerd op het Eerste Verbond; het zet voort wat er al was maar nu op een nieuwe manier die zich niet beperkt tot het Jodendom maar over de hele wereld gaat, tot de uiteinden der aarde zoals Micha zei.

Die nieuwe manier is ook anders in intensiteit. Als zij die baren zal heeft gebaard, is 'God-met-ons' zichtbaar naar buiten gekomen, kunnen wij zien en aanraken wat in ons is gelegd, opdat het zal groeien in een sprekend contact met elkaar.

Maria reist met spoed af, "enkele dagen" na de aankondiging door de engel. Waarom met spoed? Twee redenen denkbaar: de eerste ligt voor de hand, ze wist dat Elisabeth ook in verwachting was en dan wil je als 'jong ding' - zoals we ons Maria voorstellen best eens met je veel oudere nicht praten. De tweede is nog sterker: zij was op wonderlijke wijze in verwachting en Elisabeth op haar hoge leeftijd ook. Kunnen we ons een beetje voorstellen hoe die twee op elkaar reageren, naar elkaar reageren? De een verbaasd dat 'het' haar zomaar en zo intens is aangewaaid, de ander die zo verschrikkelijk lang heeft gehoopt. Dan heb je geen theologie of wat dan ook nodig. Dan is er alleen maar emotie, grote vreugde. Elisabeth schreeuwde het uit - zo staat in het Grieks. Haar juichkreet "Gelukkige vrouw, zij die gelooft! Wat haar namens de Heer is gezegd zal in vervulling gaan", gold voor Maria maar net zo goed voor haarzelf. Beiden zijn zij door God aangeraakt, door Zijn Geest. En wat Hij heeft aangeraakt is onaantastbaar, is Zijn heiligdom.

 

"Gelukkig, zij die gelooft"! We spreken over het Nieuwe Verbond en het Eerste Verbond maar het zijn mensen die dat laten zien, mensen die laten zien wat in hen leeft. Wat voor Maria -en Elisabeth- geldt, is ook voor ons. Gelukkig wij die geloven! Wat geloven we? Wij geloven in de hoop die in ons leeft, in onze eerlijke verwachting, het hoogste dat haalbaar is. Het zal best wel zijn dat dat niet altijd spreekt maar bij gelegenheid kan dat ineens heel duidelijk zijn. Dan lacht God ons toe. Mogen wij dan ook niet voorzichtig  spreken van in verwachting zijn, zwanger zijn van iets dat in ons is gelegd? En dat dat zich zal manifesteren? Wel voorzichtig maar als we dat kunnen en durven, durven laten gebeuren misschien, dan vullen wij ook het Nieuwe Verbond in.
Maria als beeld van de Kerk is een bekende gedachte. Er zijn verscheidene argumenten om dat beeld te hanteren maar de eerste Christenen, de nieuwe Kerk zou dat beeld nooit gehanteerd hebben als Maria daartoe geen reden had gegeven. Zij herkenden in Maria wat ze zelf mee maakten: mag dat dan ook niet voor ons gelden? Iets in je dragen dat van God is?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. De lezingen zijn rijk aan beelden - misschien springt er een uit. Maria gaat naar Elisabeth. Oud en nieuw ontmoeten elkaar en dan is er grote vreugde ... omdat beiden hetzelfde ervaren. Wat in een oude beleving zit is net zoveel waard, is wel hetzelfde als wat in de nieuwe zit. Als je kunt zien waaróm ouderen zus of zo deden/doen, krijg je de grond te pakken, en die grond geldt altijd. Ook voor het nieuwe.

 

Zalig zij die geloven in wat in hen leeft. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen dat over ons te laten komen?

terug naar begin pagina

 

Kerstmis dagmis 2003  C; als 2001 maar aangepast aan C

Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18

Psalm 98

Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:

zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.

De HEER heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.

Zijn liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:

zelfs de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.

Heel de aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en zingen.

Zing voor de HEER en speel om Hem te eren, speel op de lier, zing met luide stem.

Onder het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.

 

We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te komen. Op de 1e zondag hebben we de profetie van Jeremia gehoord: "De tijd komt - godsspraak van de Heer - dat ik de belofte vervul die ik Israël en Juda heb gedaan" , een belofte waar de houding onder ligt "Naar U gaat mijn verlangen, Heer". Op de 2e zondag week was er die oproep van Baruch: "Sta op Jeruzalem", je zult heten 'Vrede door Gerechtigheid', 'Heil door Godsvrucht'. Zo moet u uw roeping invullen. Op de 3e zondag hebben we gelezen hoe Sefanja het waagde midden in de zorglijke toestand  een  vreugdekreet te uiten om de dag van de Heer voor Zijn getrouwen en afgelopen zondag zagen we hoe Micha duidelijk maakt wat nodig is: eenvoud en waarheid: 'U, Betlehem in Efrata, al bent u klein onder Juda's stammen, toch zal er, zeg Ik, … want Hij die troont op de cherubs, roept Zijn Kracht wakker en maakt het pure, eenvoudige vruchtbaar. Hoop komt tot leven.

Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat hoop gestalte heeft gekregen, zichtbaar is geworden en effectief. Ook voor ons geldt dat die hoop in ons is gelegd vanaf onze schepping; ze is een aansluitpunt naar wat boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én we vieren dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle poes-pas erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknoopt bij ons eigenste en ons meeneemt naar Boven.

 

Je zou kunnen zeggen dat ook Johannes de evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.

Dat is wat Johannes in zijn leven heeft geleerd, heeft leren inzien, en zijn geloofsbelijdenis werd: 'In begin was het Woord'. Wat vrijer vertaald: 'beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was', en ook hoe het was nl. 'naar God toe toegewend, bij God (de Vader); het is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort geloofsbelijdenis als 'Punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen in geloof in het Hogere, dat de mens in zich herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht, geloofslicht, geloofszicht. Hoop is tot leven gekomen.

Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel niet zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons. "Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan wat goddelijke liefde is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als mens vanuit een man afkomstig maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.

Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt in een kind, dat kind. Wat een geloofszicht!

 

Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft, vrede brengt en alle reden biedt om te juichen want de belofte wordt vervuld: de vrede van de Heer zal regeren in Jeruzalem. Voor de joden was dat de verlossing uit de ballingschap, voor ons dat wij ons Godskinderen mogen weten via het kind van Betlehem. De hele aarde moge dat weten, alle schepselen zijn bestemd om uit God geboren te worden en te zijn. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

Als wij hier nu het feest van de menswording vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog eens met groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars aansteken en ons zo laten raken?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer nieuw maakt? Dat jou raakt? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is, jouw licht?

 

"Al wat door God wordt aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn. Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?

terug naar begin pagina

 

 

H.Familie C  28 december 2003 ('06)

1Sam 1,20-22.24-28; psalm 84; Lc 2, 41-52  (Voor elementen van de Sirach-keuze zie jaar A)

psalm 84

Hoe dierbaar is mij uw huis, HEER van de machten.

Ik word verteerd door heimwee naar de voorhof en de tempel van de HEER.

Met heel mijn wezen schreeuw ik het uit van heimwee naar de levende God.

Gelukkig de mens die in uw huis woont: zonder ophouden kan hij U prijzen.

Gelukkig de mens die zijn kracht vindt bij U: hij droomt van opgaan naar U;

Ach, luister naar mijn smeken, HEER van de machten, luister, God van Jakob.

Vestig uw ogen, God, op uw gezalfde, zie liefdevol op hem neer, ons schild.

 

"En met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en bij de mensen". Het klinkt als "en ze leefden nog lang en gelukkig". Einde sprookje. Ook een zekere geruststelling, Jezus gaat weer netjes met zijn ouders mee 'het probleem is voorbij'.

Zou hier dan een probleem zijn?  Wellicht. Als je een gewoon katholiek gezin zou vragen wat voor een lezingen het uit zou kiezen voor dit feest, zal het niet direct aan dit evangelie-stukje gedacht hebben en zeker niet aan het verhaal van Hanna. Wellicht zal ook gedacht hebben: "Heilige familie? Wij heilig?  Reserveer dat maar voor Jozef en Maria en het kind". Tenslotte is het mogelijk dat het zich afvroeg waarom een jaarfeest voor het gezin gevierd moet worden. Er zijn toch meer vormen van levenswijze in onze maatschappij; denk maar aan leefgemeenschappen, kinderloze echtparen, homofiele banden en alleenstaanden. Wanneer vieren we hun feest?

Zullen we eens kijken naar die eerste vraag: welke lezingen zou een gezin gekozen hebben? Het is praktischer om de zaak een beetje om te draaien: wat hebben ze aan deze lezingen die zijn voorgelezen? Hoe dichtbij zijn die?
De beslissing van Hanna, die eerst God smeekt om een kind te mogen hebben en het vervolgens afgeeft aan God - die beslissing ligt bij ons niet bepaald zo voor de hand. Maar bij Hanna en haar man ook niet. Kinderloos zijn gold als een straf, een oneer. Zij moet dus wel een bepaalde reden hebben gehad. Haar man hield zielsveel van haar, meer dan van haar rivale die haar bespotte. Ook al zei haar man Elkana dat zij hem liever was dan tien zonen, ze was ontroostbaar. Iedere keer bij hun jaarlijks offer aan de tempel in Silo moest Hanna die vernedering doorstaan en een gegeven moment deed ze een gelofte aan de Heer: "Heer van de machten, als u omziet naar de ellende van uw dienstmaagd en aan mij denkt, als u naar uw dienares omziet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn hele leven aan de Heer afstaan". Hij zal niet worden vrijgekocht zoals de Wet aangeeft maar worden afgestaan.

Kunnen we ons iets voorstellen bij het verdriet van zo iemand die binnen een gemeenschap - in welke vorm dan ook - vernederd en bespot wordt op een zo doordringend punt, op haar vrouw zijn?

Kunnen we ons voorstellen hoe zij haar magnificat zingt als de Heer haar schoot heeft geopend?

Kunnen we ons iets voorstellen over haar vertrouwen in de Heer als zij haar schat aan de Heer toevertrouwt? Die jongen moet wel in goede handen zijn in het huis van de Heer. "Gelukkig zij die wonen in uw huis, Heer", zegt de psalm immers. Als slotzin staat er:"En zij bogen zich daar voor God de Heer neer". Waarna Hanna haar Magnificat zingt.

 

Ligt hier een punt waar het gezin iets aan heeft? Toegewijd zijn aan God ligt er voor iedereen maar hier gaat het om het paar Hanna - Elkana; de relatie is toegewijd aan, gericht op God. Heilige familie. Dat is nog al wat, maar wel mogelijk, wel waar. We denken bij heilig al gauw aan buitenissigheid. Heilig betekent heel gewoon: aan God gewijd, op God gericht. Wij mensen kunnen op God gericht zijn -met vallen en opstaan- maar goed bedoeld. Is dat niet ons geloof, zoals Hanna en Elkana ook geloofden? Als je op God gericht bent, naar Hem toedenkt en werkt, ben je vruchtbaar, in je relatie op een speciale manier.
Geldt dat ook niet voor kinderloze paren? Niet dat echtparen of niet op voortplanting gerichte gemeenschappen ineens eigen kinderen gaan krijgen omdat ze op God gericht zijn. Maar mogelijk is wel dat ze door hun op God gericht denken en doen vruchtbaar kunnen zijn voor kinderen, groten en kleinen, door gebed, voorbeeld, steun, ieder naar eigen omstandigheden en mogelijkheden. Dit niet als een soort zoethouder of surrogaat maar een als een mogelijkheid, die Hanna eerst niet had maar kreeg door haar geloof, haar vertrouwen. En geloof dus niet als opgelegd maar als een band met God die vanzelf, van binnen uit leeft omdat het uit de hemel is gekomen. Desnoods spreken we van geestelijke nakomelingen, hetgeen ook bijbels is. Moge die mogelijkheid ook gelden voor de alleenstaande, naar zijn of haar situatie en kunnen.
Dan kan er geluk zijn zoals we dat hebben gezongen in de tussenzang: dan moge ook daar het huis van de Heer zijn.

 

Het huis van de Heer. "Huis van mijn Vader", zei Jezus. De eerste keer dat Jezus in de tempel was, was bij zijn opdracht aan God. Daar had hij zelf geen hand in, dat deden zijn ouders, die hem vrij kochten met een koppel tortels. De tweede keer dat Jezus in de tempel was, was toen hij twaalf jaar was, nu zeggen ze Bar Mitswa, zoon der Wet. Hij had er wel zelf de hand in. Hij discussieerde met leraren tot verbazing van iedereen. Nog meer aan God toegewijd dan zijn ouders dachten. Het toppunt is wel dat Jezus later zichzelf tempel noemt. Als onze gezinnen en gemeenschappen het huis van God willen zijn, kleinste cel van zijn Kerk, zou Jezus dan niet meegaan als met zijn ouders? Hij, zelf de tempel.

Het sprookje is niet uit, het gaat door.

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Komen uit een goed nest, leven in een gelovend gezin - je hebt het niet altijd door totdat je ziet dat er ook andere dingen gebeuren. Als je zelf dan een relatie aangaat, laat zij op God gericht zijn, laat Jezus Christus daarin meegaan. Hoe - dat ervaar je zelf in vallen en opstaan, dat vul je deels zelf in. Maar met hem, de maximale tempel, bouw jíj een huis van God, waar vertrouwen is en Godsliefde. Waar intimiteit en liefde wordt geleerd en ervaren als weg naar God, als weg van God. Intens.

 

"Gelukkig zij de wonen in uw huis, o Heer". Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen daarover na te denken?

 

"En met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en bij de mensen". Het klinkt als "en ze leefden nog lang en gelukkig". Einde sprookje. Ook een zekere geruststelling, Jezus gaat weer netjes met zijn ouders mee 'het probleem is voorbij'.

Zou hier dan een probleem  zijn?  Wellicht. Als je een gewoon katholiek gezin zou vragen wat voor een lezingen het uit zou kiezen voor dit feest, zal het niet direct aan dit evangelie-stukje gedacht hebben en zeker niet aan het verhaal van Hanna. Wellicht zal ook gedacht hebben: "Heilige familie? Wij heilig?  Reserveer dat maar voor Jozef en Maria en het kind". Tenslotte is het mogelijk dat het zich afvroeg waarom een jaarfeest voor het gezin gevierd moet worden. Er zijn toch meer vormen van levenswijze in onze maatschappij; denk maar aan leefgemeenschappen, kinderloze echtparen, homofiele banden en alleenstaanden. Wanneer vieren we hun feest?

Zullen we eens kijken naar die eerste vraag: welke lezingen zou een gezin gekozen hebben? Het is praktischer om de zaak een beetje om te draaien: wat hebben ze aan deze lezingen die zijn voorgelezen? Hoe dichtbij zijn die?
De beslissing van Hanna, die eerst God smeekt om een kind te mogen hebben en het vervolgens afgeeft aan God, die beslissing ligt bij ons niet bepaald zo voor de hand. Maar bij Hanna en haar man ook niet. Kinderloos zijn gold als een straf, een oneer. Zij moet dus wel een bepaalde reden hebben gehad. Haar man hield zielsveel van haar, meer dan van haar rivale die haar bespotte. Ook al zei haar man Elkana dat zij hem liever was dan tien zonen, ze was ontroostbaar. Iedere keer bij hun jaarlijks offer aan de tempel in Silo moest Hanna die vernedering doorstaan en een gegeven moment deed ze een gelofte aan de Heer: "Heer van de machten, als u omziet naar de ellende van uw dienstmaagd en aan mij denkt, als u naar uw dienares omziet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn hele leven aan de Heer afstaan". Hij zal niet worden vrijgekocht zoals de Wet aangeeft maar worden afgestaan.

Kunnen we ons iets voorstellen bij het verdriet van zo iemand die binnen een gemeenschap - in welke vorm dan ook - vernederd en bespot wordt op een zo doordringend punt, op haar vrouw zijn?

Kunnen we ons voorstellen hoe zij haar magnificat zingt als de Heer haar schoot heeft geopend?

Kunnen we ons iets voorstellen over haar vertrouwen in de Heer als zij haar schat aan de Heer toevertrouwd? Die jongen moet wel in goede handen zijn in het huis van de Heer. "Gelukkig zij die wonen in uw huis, Heer", zegt de psalm immers. Als slotzin staat er:"En zij bogen zich daar voor God de Heer neer". Waarna Hanna haar Magnificat zingt.

 

Ligt hier een punt waar het gezin iets aan heeft? Toegewijd zijn aan God ligt er voor iedereen maar hier gaat het om het paar Hanna - Elkana; de relatie is toegewijd aan, gericht op God. Heilige familie. Dat is nog al wat, maar wel mogelijk, wel waar. We denken bij heilig al gauw aan buitenissigheid. Heilig betekent heel gewoon: aan God gewijd, op God gericht. Wij mensen kunnen op God gericht zijn -met vallen en opstaan- maar goed bedoeld. Is dat niet ons geloof, zoals Hanna en Elkana ook geloofden? Als je op God gericht bent, naar Hem toedenkt en werkt, ben je vruchtbaar, in je relatie op een speciale manier.
Geldt dat ook niet voor kinderloze paren? Niet dat echtparen of niet op voortplanting gerichte gemeenschappen ineens eigen kinderen gaan krijgen omdat ze op God gericht zijn. Maar mogelijk is wel dat ze door hun op God gericht denken en doen vruchtbaar kunnen zijn voor kinderen, groten en kleinen, door gebed, voorbeeld, steun, ieder naar eigen omstandigheden en mogelijkheden. Dit niet als een soort zoethouder of surrogaat maar een als een mogelijkheid die Hanna eerst niet had maar kreeg door haar geloof, haar vertrouwen. En geloof dus niet als opgelegd maar als een band met God die vanzelf, van binnen uit leeft omdat het uit de hemel is gekomen. Desnoods spreken we van geestelijke nakomelingen, hetgeen ook bijbels is. Moge die mogelijkheid ook gelden voor de alleenstaande, naar zijn of haar situatie en kunnen.
Dan kan er geluk zijn zoals we dat hebben gezongen in de tussenzang: dan moge ook daar het huis van de Heer zijn.

 

Het huis van de Heer. "Huis van mijn Vader", zei Jezus. De eerste keer dat Jezus in de tempel was, was bij zijn opdracht aan God. Daar had hij zelf geen hand in, dat deden zijn ouders, die hem vrij kochten met een koppel tortels. De tweede keer dat Jezus in de tempel was, was toen hij twaalf jaar was, nu zeggen ze Bar Mitswa, zoon der Wet. Hij had er wel zelf de hand in. Hij discussieerde met leraren tot verbazing van iedereen. Nog meer aan God toegewijd dan zijn ouders dachten. Het toppunt is wel dat Jezus zichzelf tempel noemt. Als onze gezinnen en gemeenschappen het huis van God willen zijn, kleinste cel van zijn Kerk, zou Jezus dan niet meegaan als met zijn ouders? Hij, zelf de tempel.

Het sprookje is niet uit, het gaat door.

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Komen uit een goed nest, leven in een gelovend gezin - je hebt het niet altijd door totdat je ziet dat er ook andere dingen gebeuren. Als je zelf dan een relatie aangaat, laat zij op God gericht zijn, laat Jezus Christus daarin meegaan. Hoe - dat ervaar je zelf in vallen en opstaan, dat vul je deels zelf in. Maar met hem, de maximale tempel, bouw jíj een huis van God, waar vertrouwen is en Godsliefde. Waar intimiteit en liefde wordt geleerd en ervaren als weg naar God, als weg van God. Intens.

 

"Gelukkig zij de wonen in uw huis, o Heer". Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen daarover na te denken?

terug naar begin pagina

 

Doop van de Heer C 11 januari 2004 ('08)

Jes 40, 1-5.9-11; psalm 104; Lc 3, 15.16.21.22

Psalm 104   Prijs de HEER, o mijn ziel HEER mijn God, U bent machtig groot,

met pracht en met verhevenheid omkleed.

Hij gaat gehuld in een mantel van licht, Hij heeft de hemel als zijn tentdak gespreid,

zijn zalen op het water gebouwd.

Hij maakt van de wolken zijn wagen en beweegt zich voort op de vleugels van de wind.

Hij maakt de stormen tot zijn boden en zijn dienaren de laaiende bliksems.

Hoe veelzijdig is wat U doet, o HEER, alles hebt U met wijsheid gemaakt:

de aarde is vervuld van uw kunstenaarschap.

Zo is daar de zee, groot en wijd gespreid, ze krioelt van ontelbare dieren,

van zowel grote als kleine.

Zij allen verwachten van U dat U op de juiste tijd voedsel schenkt.

En als U het geeft, eten ze gretig: U opent uw hand en zij krijgen wat ze verlangen.

Als U uw gelaat verbergt, vergaan zij van schrik:

ontneemt U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.

Maar geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw.

 

Bij de Doop van de Heer wordt in jaar A  Jesaja 42  met Mt gecombineerd, dan gaat het om de dienstknecht van God; in jaar B gaat Jes 55 samen met Mc met als thema “Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden” en dit jaar staat de vreugde van Jesaja 40 bovenaan. De ballingschap loopt ten einde, er is weer uitzicht op hun eigen grond. Ze hebben hun zonden dubbel en dwars uitgeboet en nu zal de weg des Heren worden bereid, Hij zal Zich openbaren. “Klim op een hoge berg en roep 'Hier is uw God'." Hier, in ons land.

Mensen die in onze tijden in ballingschap hebben moeten leven, hun land uit zijn gejaagd, zonder eigen huis en haard, die weten wat en hoe zo’n vreugde is. De ouderen onder ons die de bevrijding in ‘44/’45 hebben meegemaakt, kunnen zich die opluchting voorstellen, eindelijk verlost te zijn van onderdrukking en terreur. Maar ook mensen die in nood waren, een crisis hebben doorgemaakt, problemen hebben doorstaan - wie niet? - zullen de tussenzang herkennen: "Ik zing voor de Heer zolang ik leef", dankbaar om Gods trouw en barmhartigheid.

 

Aan die sfeer wordt de lezing van Lucas verbonden. “Het volk leefde in gespannen verwachting en allen vroegen zich af of Johannes niet de Messias was”. Hun Messiasverwachting zal op de eerste plaats politiek zijn geweest. Zij leefden onder de bezetting van de Romeinen die hun vrijheid en leefruimte beknotten, zij waren vreemdelingen die de Joodse tradities en godsdienst niet kenden en alleen uit waren op geld en macht. Maar ook de Joodse leiders heulden met de Romeinen, de tempelaristocratie - Hoge priesters en Sadduceeën – waren meer op macht uit dan op Het Verbond, Farizeeën waren niet altijd eerlijk, Schriftgeleerden keken meer naar het uiterlijk dan naar het beléven van de Wet.

In die sfeer treedt Johannes op bij de Jordaan. Kennelijk maakte hij wat los bij de mensen, ze voelden dat er wat te gebeuren stond: misschien nu toch dan de Messias, de gezalfde die het Rijk van David zou herstellen? De Joden weer in hun éigen land? Zo zong Zacharias in de tempel, vervuld van de Heilige Geest: “Gezegend de Heer, de God van Israël, want Hij heeft Zich het lot van Zijn volk heeft aangetrokken en het bevrijd. Hij heeft voor ons een reddende kracht opgewekt in het huis van David, zijn dienstknecht … Hij zou er voor zorgen dat wij - zonder angst en bevrijd uit de hand van de vijand - Hem konden dienen in heiligheid en rechtvaardigheid …”. Politiek, rechtvaardigheid, vrijheid in dienst van godsdienst.

Hoewel Johannes niet politiek actief was, “liepen de mensen massaal uit om zich te laten dopen”. Want hij verkondigde “een doop van bekering - het moest anders - een doop van bekering tot vergeving van zonden”. Bekering - de tijden moesten zich wenden, de mensen moesten anders gaan doen. Rechtvaardigheid werd het kenmerk ervan.

Vergeven van zonden, letterlijk ‘wegzending van misslagen’, was kennelijk een heikel punt. Hoe wist men dat zonden weg waren, niets meer van te zien? Wie kon je van zondeschuld ontslaan? Johannes propageerde vergeving en kennelijk had men vertrouwen in hem. Zo kon een persoonlijke vrijheid ontstaan, zo kon het Verbond weer worden beleefd met vreugde en zou hun God weer met hen zijn. Zij hadden immers ook de ballingschap ondergaan zij als een straf voor hun goddeloosheid destijds. Nu konden zij zich weer met vertrouwen tot Hem keren. Het is best mogelijk dat iemand die gedoopt was, die ondergedompeld was in het sterk stromende water om zo zijn vernieuwing uit te drukken en te ervaren - het is best mogelijk dat zo iemand ook psalm 104 zachtjes heeft gezongen, misschien wel heeft uitgeroepen "Hier is mijn God". 

 

"Het hele volk liet zich dopen en zo ook Jezus" zegt Lucas. Heel stil, zonder uitroepen vanaf een hoge heuvel, komt Jezus - "Dat groot en goddelijk begin, dat loopt tussen de mensen in". Een man van gebed, die na zijn onderdompeling ook bad waarop de hemel openging, de Geest op hem neerdaalt en een stem hem aanspreekt en hem "de geliefde Zoon" noemt. Vader, Zoon, H.Geest.

Waarom liet Jezus zich dopen? We kunnen het hem niet meer vragen maar wel een betekenis vermoeden. Hij liet zich dopen omdat hij mens was, wilde zijn. Jezus is geen bemiddelaar, die buiten de partijen staat; hij is middelaar, is partij, zowel aan de kant van God als aan de kant van mensen. Dus wilde hij ook gedoopt worden, ook dat ondergaan, met dat nieuwe leven worden doorstroomd, bewust. Vervolgens biedt hij ons mensen zo de mogelijkheid om in hém gedoopt te worden, in zíjn leven. Hij doopt immers ín de H.Geest, hun beider Geest, die op hem neerdaalde na zijn doop. Het stromende water geeft ons hun Leven, de Geest voedt ons Leven zo lang we leven. Het gaat verder dan een apart soort Leven in ons leven: ons Leven is hun Leven. Het is immers van de Vader en de Zoon en de H.Geest. Tenslotte, als we het zich laten dopen van Jezus een nederigheid noemen, dan mogen we zeggen dat liefde dat ervoor over heeft, die ‘nedering’ ervoor over heeft om toch maar bij de mensen te kunnen komen - liefde wil zo graag.

Kunnen we dan ook niet zachtjes psalm 104 zingen: "Maar geeft Ge Uw Adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw". Nieuwe schepping, want liefde wil zo graag.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Een idool hebben hoort er vaak bij, zeker op jongere leeftijd. Maar als je wat verder bent, moge je aangesproken worden door een Idool die nooit meer vervaagt, voortdurend blijft, om Wie je ook wel eens moet vechten. Een stil Idool die niet van de hoge berg roept maar in jou roept om jou. Hij wil zo graag. En reken maar, als hij jou te pakken heeft en jij Hem, dan ga je vanzelf naar buiten naar anderen - desnoods een hoge berg op, want Hij is onbeperkt.

 

De tijd van vreugde is aangebroken in de Naam van de Vader en de Zoon en de H.Geest: ons Leven is hun Leven. Zullen we ons even tijd gunnen dat door ons heen te laten stromen?

 

 

terug naar begin pagina

 

 

Tweede zondag door het jaar C  18 januari 2004; '07

Jes 62, 1-5; psalm 96; Joh 2, 1-12  (Voor 'zes' zie Getallensymboliek onder 6)

Psalm 96

Zing van de HEER een nieuw lied, heel de aarde, zing van de HEER.

Zing van de HEER en verheerlijk zijn naam, verkondig zijn heil alle dagen.

Vertel de volken het verhaal van zijn glorie, het verhaal van zijn wonderen aan alle naties.

Huldig de HEER, alle stammen en volken, huldig de glorie en macht van de HEER.

Huldig de glorie van zijn naam,

Buig voor de HEER naar de aarde, als Hij verschijnt in zijn heiligheid;

heel de aarde, sidder voor Hem.

Zeg het de volken: De HEER is koning; Hij bestuurt de volken naar recht en gerechtigheid.'

 

In de eerste lezing zingt de profeet het uit. Het betreffende hoofdstuk van Jesaja begint met de bekende roepingswoorden die Jezus ook gebruikte: "De Geest van de Heer God rust op mij want de Heer heeft mij gezalfd om …", om het blijde nieuws te brengen, om vrij te laten, om te genezen. De profeet is zo vol van verwachting dat hij in Jeruzalem de plaats ziet waar het resultaat van die roeping zal culmineren, zijn typische plaats vindt als een lichtpunt voor de hele wereld. Hij kan dan ook niet zwijgen uit liefde voor Jeruzalem, uit liefde voor zijn God wiens Gerechtigheid daar schitterend zichtbaar zal zijn voor alle koningen en volken. Daar laat God zien hoe goed Zijn Gerechtigheid is, hoe goed Zijn goed-zijn klopt met hetgeen wij mensen ons daarvan mogen en kunnen voorstellen. Wat in de verwachting van mensen leeft, waar we bewust of onbewust op hopen, wat in ieder van ons gelegd is, zal daar en dan zichtbaar zijn. Er is een nieuw Jeruzalem, het 'Jeruzalem van omhoog', zegt Paulus later.  Is het dan verwonderlijk dat er een psalm is die zingt van Gods wondere daden voor alle naties? "Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zingt voor de Heer, alle landen"/"Zingt voor de Heer een nieuw lied, een nieuw lied, zingt voor de Heer aarde alom". Een nieuw lied want Hij maakt nieuw. Hij doet iets wat nog niet eerder is gebeurd.

 

Jezus doet ook iets nieuws, hij verandert water in wijn. Het feest dat vast dreigt te lopen moet doorgaan, de vreugde mag niet stoppen want dat zou op dat ogenblik een ramp zijn voor het bruidspaar dat juist in vertrouwen, in grote verwachting hun toekomst viert. Ook een ramp voor alle meevierenden, die dat willen bevestigen door mee te vieren en wellicht ook hun eigen verwachting vieren. En als Jezus dan - wie zal het zeggen? - een hint krijgt van zijn moeder om met zijn clubje af te nokken, wijst hij dat af. Het feest is nog niet afgelopen en wordt nog beter voortgezet want de wijn is beter dan eerst. Er moet een gezalfde komen die de Geest kent.

Johannes heeft altijd een verborgen betekenis in zijn tekenverhalen. Als de interpretatie dat Maria haar zoon een hint geeft al juist moge zijn - de eraan voorafgaande woorden zijn beroemd geworden: "Ze hebben geen wijn meer". De wereld heeft geen wijn meer, de wereld kan niet meer vieren. Zoveel ellende, onrecht, misdaad, verdriet, de wereld kan het niet meer aan. Er moet iets nieuws gebeuren.

Kennelijk heeft Maria vertrouwen in Jezus. Als hij wil blijven en door wil vieren, zal hij ook een oplossing vinden: "Wat hij u ook maar zegt, doet het maar" (Willibrord). Jezus laat zes kruiken vullen die daar stonden voor Joods reinigingsgebruik. Vol, tot de rand toe. Zes! Johannes geeft daarmee aan dat Jezus uit het bestaande (Joodse) kader breekt en iets nieuws doet, Gerechtigheid op een nieuwe manier laat zien, nieuw laat zien hoe goed zijn goede boodschap klopt met hetgeen wij mensen daarover kunnen en mogen bedenken. Hij overstijgt reiniging en zet vreugde bovenop. Hij geeft aan tot welk een vreugde zijn reiniging ons brengt. "Zingt voor de Heer een nieuw gezang" - een bruiloftsgezang van ons?

 

Mogen we die vreugde wat nader benoemen, wat verder overdenken?  De eerste lezing spreekt van "vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad". Maar het bruiloftsverhaal van Kana geeft alle aanleiding om verder te gaan en de bruiloftsmystiek op te pakken die Jesaja geeft in het vervolg op de eerste lezing (Jes 62). We hebben nu gelezen over de herbouw van verwoeste steden en dat vreemden de bewoners zullen dienen. Maar in de bruiloftsmystiek van Jesaja heet de stad niet meer 'Verstotene', het land niet meer 'Verlatene'. De stad heet nu 'Mijn Welbehagen' en het land 'Gehuwde'.

'Gehuwde' - de band van God de Heer met het land waar zij leven wordt als huwelijk gekwalificeerd. Waar zij wonen, dagelijks verkeren, werken, rusten, bidden, denken, hopen, leven, daar moge hun band met de Heer, hun God, als een huwelijksleven functioneren. In dat land steekt een stad boven de andere uit want zij wordt "Mijn Welbehagen" genoemd. Zij is niet alleen een getrouwde vrouw, wettelijk naar het Verbond, zij is nog meer: "Zijn Welbehagen", Zijn Geliefde, zijn uitverkiezing. "Zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid." Zoals bruid en bruidegom eenheid zoeken. Zoals bruid en bruidegom zich in elkaars liefde kunnen verliezen.

 

Jezus biedt ons als zijn volgelingen zijn bruiloftsfeest aan. Hij maakt voor ons de verwachting van de profeet waar. Zou de Kerk dan niet zijn bruid mogen zijn, kunnen zijn; de bruid waar zijn gerechtigheid straalt ter ere van zijn Vader? En zouden wij persoonlijk, ieder van ons niet "Mijn Welbehagen" mogen zijn, graag willen zijn? Zijn geliefde. Als bruid of als vriend zoals vrienden elkaar aan zien en kennen? Een flonkerende kroon in zijn handen. Een kroon die af en toe wel gereinigd moet worden. Maar dat kan hij heel goed. Nieuw makend. Want het feest moet doorgaan.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Huwelijksliefde, huwelijksfeest, liefde, verliefdheid, trouw, genegenheid zijn allemaal zaken die ook op jongere leeftijd veel betekenen, die zeker dan met goede verwachting te maken hebben, waarvan je aanneemt dat ze in vervulling gaan. Kan niet anders. In het dagelijks leven zul je voor de invulling van die goede verwachting best inspiratie nodig hebben want het wordt telkens weer anders, telkens weer nieuw. Moge de Wijn van Jezus je daarbij dienen.

 

"Mijn Welbehagen" van Jezus zijn. We mogen het zijn, hij nodigt ons uit. We kunnen het zijn, gevoed door zijn Wijn, zijn Bloed, zijn Leven. Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?

terug naar begin pagina

 

Derde zondag door het jaar C 25 januari 2004
Neh 8, 2-4a.5.6.8-10; psalm 19; Lc 1, 1-4; 4,14-21   (waarom Neh 8, 4b niet?)

Psalm 19 

Uw woorden Heer, zijn geest en leven.

De wet van de HEER is volmaakt, een verademing voor de ziel.

Wat de HEER zegt is betrouwbaar, het maakt de eenvoudige wijs.

Wat de HEER voorschrijft is goed, een vreugde voor het hart.

Wat de HEER verordent is helder, een licht voor de ogen.

Wat de HEER zegt is zonder smet, het houdt stand voor altijd.

De voorschriften van de HEER zijn betrouwbaar, rechtvaardig allemaal;

Wat mijn mond zegt en mijn hart overweegt, laat het U genoegen doen,

HEER, mijn rots, mijn verlosser.

 

Lucas opent zijn evangelie zoals toen in meer ontwikkelde kringen gebruikelijk was. Hij legt verantwoording af hoe hij het heeft gedaan en geeft het doel aan nl. de betrouwbaarheid van de gebeurtenissen, van het geloof dat doorge­geven wordt. Hij heeft het over de overlevering door bepaalde personen die hij kwalificeert: zij zijn ooggetuigen van het begin af en geven door wat Jezus leerde en deed. Zij houden het vuur aan, zij leven door in de Geest van Jezus zoals we dat makkelijk zeggen. Maar dat kunnen ze niet op hun eentje, dat kan alleen maar in een gemeenschap die die Geest kent, een gemeenschap door die Geest gaande gehouden, Gods Geest.

Was die Geest er in het Eerste Verbond er dan niet? Weldegelijk, alleen wordt Hij niet zo vaak, zo expliciet, genoemd als i.v.m. Jezus. Kijken we naar de 1e lezing: de ballingschap is ten einde, koning Cyrus laat degenen die dat willen teruggaan naar Jeruzalem. Dat is een lange tocht waarin ze zich richten op hun stad, en als ze daar gekomen zijn, zijn ze dolgelukkig. Dat kun je nog heimwee noemen. De muren van de stad en de poorten worden herbouwd; Nehemia, de landvoogd door Cyrus aangesteld, bouwde mee. Dat kun je nog bescherming noemen. Maar als ze hun tempel -in afgeslankte vorm- herbouwen is dat niet meer puur nostalgie en zeker niet als ze allemaal samen komen om te luisteren naar de leer van hun God zoals Mozes die had geleerd en nu opgeschreven was. Herbouwen van die Tempel, luisteren naar - dat kan alleen maar gebeuren in een bepaalde geest, door de goede geest, de Geest van JHWH, de Geest van Hem die zich laat noemen Hij-is-er.
Het wordt spannend beschreven: allen komen samen op de eerste dag van de zevende maand, er werd een verhoging gebouwd, Ezra, de priester en schriftgeleerde, gaat erop staan, zes mannen aan zijn rechterhand en zeven aan zijn linkerhand, iedereen ziet hem, en hij opent het boek. Allen gaan staan op dat moment. Ezra zegt een zegenformule in de geest van "Gezegend zijt Gij Heer, onze God, koning van het al, die ons de vreugde van uw Wet hebt gegeven" en allen beamen dat. De mannen, de levieten en Ezra gaan voorlezen en uitleggen, en toen werd het sommigen teveel en begonnen zij te huilen. Ze worden getroost en aangespoord om er een feest van de maken. Dat mocht best wel, ze zullen vast ook wel psalm 19 gezongen hebben, "
De wet van de HEER is volmaakt, een verademing voor de ziel"maar ook: "de vreugde die de Heer u schenkt zij uw kracht". Die kracht - is dat niet de Geest Gods?

Zo'n kleine 500 jaar later is er nog een figuur die gedreven werd door de Geest. Hij had in de woestijn zijn punten van uitgang gezocht en zijn programma gemaakt en nu, weer gedreven door de Geest, gaat hij het land in, leerde en werd alom geprezen. Kennelijk had hij het. Dan komt hij in Nazaret en nu begint weer zo'n spannende beschrijving: je ziet hem naar de synagoge gaan en opstaan om te voor te lezen - dat mocht iedere Jood. De boekrol wordt hem aangereikt, hij opent de rol, hij zoekt een stuk en vindt het. Hij leest zijn programma voor, rolt het boek dicht, geeft het terug en gaat zitten. "Aller ogen waren op hem gericht" en dan -zo stel ik me voor- staat hij weer op, als "op een houten verhoging", dat hij "boven iedereen uitsteekt", en begint hij te spreken. Hij geeft zíjn programma, zijn Wet, nieuwe wet, nieuwe leer, die van vergeving, verlossing en liefde, verlossende liefde. Die goede boodschap, dat goede nieuws brengen aan hen die daarnaar uitzien, aan gevangenen hun vrijlating aankondigen, aan blinden het licht in hun ogen, verdrukten in vrijheid laten gaan en een tijd aankondigen die welgevallig is aan de Heer. Dat was vernieuwing, "een verademing voor de ziel", en precies wat de mensen nodig hadden. Er staat niet bij dat sommigen begonnen te huilen maar ze betuigden wel hun bijval en verbaasden zich.


Wij hebben wellicht niet het gevoel dat wij 'door de Geest gedreven' hier bij elkaar zijn gekomen maar toch kun je dat zeggen. Niet alleen gekomen om in Zijn Naam één te zijn, te luisteren en te vieren maar ook gekomen om in de geest van Jezus zijn werk voort te zetten, het door te geven. Wij hebben de tussenzang als loflied op de 'Wet' gezongen/­gebeden. Kunnen we dat zien als een loflied, vertalen in een loflied op de 'Wet' van Jezus, op zijn leer? Dat moge ook een uiting zijn van de H.Geest. Zou het in die Geest ook niet vruchtbaar zijn als wij meer bezig zijn met die leer, meer daarin en daarover lezen? Een vorm van zondagsheiliging, desnoods door de week. "Een verademing voor de ziel".

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. De Geest is geen zoet gevoel of halleluia-geroep. Hij zet je aan, tot iets goeds. Accepteren dat Hij in je leven de drijvende kracht is moge voor jezelf persoonlijk goed werken maar ook voor jouw leven in de wereld. Daar is nog heel wat te doen maar er valt ook wat te beluisteren. Die nieuwe Wet.

 

"De vreugde die de Heer u schenkt zij uw Kracht". Zijn Wet een verademing voor de ziel. Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen daarover na te denken?

terug naar begin pagina

 

 

Vierde zondag door het jaar  C  28 januari 2001; '04
Jer 1, 4-5.17-19; Ps 71; Lc 4, 21-30.

Psalm 71

Ik zoek mijn toevlucht bij U, HEER, beschaam mij nooit ofte nimmer.

Zwaar U rechtvaardig bent, verlos mij, bevrijd mij, leg uw oor te luisteren en maak mij vrij.

Wees de rots waarop ik woon, waar ik altijd heen kan gaan;

zorg dat ik opnieuw word bevrijd, want mijn rots en mijn vesting bent U.

Bevrijd mij, mijn God, uit de hand van de boze, uit de greep van schurk en geweldenaar.

Ja, U, o Heer, bent mijn hoop, vanaf mijn jeugd mijn toevlucht, HEER.

Ik steun op U al van voor mijn geboorte, U bent mijn beschermer vanaf de moederschoot:

mijn mond zal spreken van uw gerechtigheid.

Vanaf mijn jeugd hebt U mij daaraan gewend,

tot op de dag van vandaag verkondig ik uw wonderen.

 

Als je de eerste regels van de 1e lezing leest, word je automatisch in een sfeer van mystiek getrokken. Alleen het idee al dat God je kent voordat HijZ je in de moederschoot vormt leidt naar een besef, een vermoeden, van oneindigheid, tijdloze ruimteloosheid, van zijn in het groot Geheel, zijn als het groot Geheel. Daarvoor hebben we geen woorden, geen denkbeelden, alleen maar een vermoeden. We weten dat het is maar kunnen alleen maar wijzen, reiken, creatief toelaten. Het gegeven dat de Heer jou voor Zich heeft bestemd, geeft doel aan ons leven, is basis voor ons zijn en een stimulans om te handelen: "Omgord uw lendenen", wij zouden zeggen: "schort voor" of "stroop je mouwen op". En dat wil je best wel omdat het op liefde, op eenheid is gebaseerd.
Maar dan krijg je een tik op je neus: "Laat je niet afschrikken, anders jaag Ik je de schrik op het lijf", ook nog "voor hun ogen", dan  kun je je schamen. Het goede gevoel is ineens weg. Kennelijk wordt het graag willen doen gehinderd door de praktische situatie waarin wij mensen nu eenmaal verkeren. Het is dan ook heel reëel dat we in de tussenzang hebben gezongen/gebeden om hulp t.o.v. degenen die onrecht plegen. We zoeken hulp bij Degene die ons kent vanaf de moederschoot, bij Wie we veilig waren en Die ons steunt. Maar HijZ steunt met een flinke duw: aanpakken, niet teuten. Van de andere kant: HijZ zou 'Hij-is-er' niet zijn, als daar niet Zijn belofte was van Zijn Sterkte, jouw beveiliging, tegenover koningen, edelen, priesters en burgers: 'zij vermogen niets tegen jou want Ik ben bij je'.

Zo'n 600 jaar na Jeremia begint een profeet te spreken die ook die woorden kent 'Voordat ge geboren werd, kende Ik U'. Zo te zien hoeft hij geen aansporing om aan te pakken. Hij geeft zijn programma uit: aan behoeftigen het goede nieuws brengen, aan gevangenen hun vrijlating aan kondigen, aan blinden het licht in hun ogen, aan verdrukten hun vrijheid en een jaar afkondigen dat aan de Heer welgevallig is. Daartoe heeft de Geest hem gezalfd. Je moet maar durven - hij wist het. En kennelijk brengt hij het zo dat aller ogen in de synagoge op hem gericht zijn en iedereen bijval betuigt.
En dan komt een tik op hun neus. Jezus spreekt goede worden en nu zal het op daden aankomen; daar vragen ze direct of indirect om: 'doe hier in uw vaderstad al wat ge in Kafarnaüm gedaan hebt. Spiritualiteit uit zich immers ook in daden. Als stadgenoten hebben wij daar toch zeker recht op. Als u in Kafarnaüm geneest, dan zeker hier.'

Jezus geeft daar een tweeledig antwoord op. Het eerste is dat een goed profeet niet is "welgevallig aan zijn vaderstad" - zoals de nieuwe vertaling luidt. Het gaat dus niet om het geëerd worden in zijn vaderstad maar om het in zijn vaderstad populair doen met een wit voetje als doel. Populair doen is een koud kunstje; een goed profeet is hard t.o.v. zichzelf omdat hij hart heeft voor Gods woord. Dus geen vriendjes-wonder in Nazaret. En dan maakt hij het nog erger in het tweede deel van zijn antwoord: de profeet Elia hielp een arme weduwe buiten Israël, in Sidon, en Elisa genas een Syriër, geen Israëliet. Toen al werden zij die tot de eigen groep behoren, niet automatisch voor getrokken. Hij zegt dat heel stellig. "En het is waar wat ik zeg", hij windt er geen doekjes omheen.

Kennelijk raakt Jezus een gevoelige snaar want ze reageren furieus. Als ze nederig waren geweest, de lijn van de profeet hadden gevolgd en bij zichzelf te rade waren gegaan i.p.v. zich beledigd, betrapt, te voelen, hadden ze zijn boodschap kunnen horen. Dat gebeurt vaker in het evangelie. Het gaat Jezus om de luisterende, gelovende. Zelfs als hij met mensen heeft gepraat en een vrouw heel spontaan uitroept: "Zalig de schoot die u heeft gedragen en de borsten die u hebben gezoogd", dan is dat bij zijn verkondiging dan niet dat ter zake. Het punt waar het op aankomt is "Gelukkig wie het woord van God horen en het bewaren". Dat dat voor Maria zeker gold in even punt twee. De inwoners van Nazaret mogen natuurlijk meedoen maar hebben geen voorrang omdat ze in Nazaret wonen.
Jezus ondergaat de vernedering dat ze hem buiten de synagoge gooien en uit zijn vaderstad. Maar hem ombrengen kunnen ze niet: "Ik ben bij u met Mijn sterkte ... Ik ben bij u om u te redden". Dat wist hij - op een of andere manier.

Mogen deze gebeurtenissen een steun, een fundering, voor ons zijn. We zijn allemaal wel eens vernederd geworden. Dat kan in zekere zin wel eens gezond zijn maar echte vernedering die je persoon raakt - die moge ons in verbinding brengen met wat Jezus heeft meegemaakt en heeft doorstaan en dus met hem zelf. Hij heeft psalm 71 ook gekend "Bij uw Heer zoek ik toevlucht… Neig uw oor naar tot mij en schenk mij uw heil". Dat geldt bij vernedering en bij alle nood waarin je 'wan'-hopig om steun en sterkte zoekt.
Wie van ons al eens in gevaar heeft verkeerd en eruit is gekomen, weet wat opluchting is, en wellicht heeft hij ook wat meegekregen van dankbaarheid om de bescherming, om Gods trouw. Een stapje verder: als we vanwege onze geloofsinvulling, vanwege ons zicht op rechtvaardigheid in gevaar verkeren - dan weten dat HijZ ons beschermt omwille van Zijn Naam - omdat HijZ ons kent "vanaf de moederschoot" - dat zij de onverwoestbare basis van ons geestelijk leven, van onszelf.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Twee elementen spelen hier; het ene is tegen anderen je mond durven open doen als het gaat om recht, om het goede. Het tweede is: je kunt  de wereld om je heen het mooiste, diepste, het meest op je eigen manier benaderen vanuit een besef dat je van God af komt. Dat is niet alleen mooi maar ook sterk. Het zij je gegeven dat ook te ervaren als je een tik op je neus krijgt.

 

"Zo spreekt de Heer: Want ik ben bij u om u te redden. Ik ken u immers". Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen om met die woorden ons iets te beseffen over ons eigen leven?

terug naar begin pagina

 

Vijfde zondag door het jaar C 8 februari 2004

Jes 6, 1-2a.3-8;Psalm 138; Lc 5, 1-11

Psalm 138

Ik prijs U met heel mijn hart; onder het oog van de goden zing ik een loflied op U.

Ik buig mij diep naar uw heilige tempel, ik prijs U voor uw liefde en trouw;

groter dan verwacht is uw naam, is uw woord:

nauwelijks riep ik of U hebt geantwoord, en levensmoed in mij opgeroepen.

Alle vorsten van de aarde, HEER, moeten U prijzen, wanneer zij vernemen wat uw mond heeft gezegd.

Zij moeten de wegen van de HEER bezingen, want de glorie van de HEER is groot.

U strekt uw hand naar mij uit, uw rechterhand brengt mij redding.

HEER, die voor mij opkomt, uw liefde kent geen grenzen:

HEER, laat wat uw hand gemaakt heeft niet in de steek.

 

Iedereen zal in zijn leven wel eens een ervaring hebben gehad waarbij je op jouw manier de tekst van de tussenzang kunt beamen "Ik buig mij diep naar uw heilige tempel". Na een ontsnapping uit gevaar, na een wonderlijke gebedsverhoring, als je het gevoel hebt dat je bent 'bestuurd' - op zulke momenten merk je dat 'dat andere', "Die Andere" mee doet. Misschien is het wel een ervaring dat je het gevoel hebt dat zes serafs je boven je gewone belevingskader uit tillen, je hebt dan geen eigen referentie waar je op terug kunt vallen, je moet je overgeven, misschien voel je je overweldigd door het onzegbare. Het is zo heel anders. Voel je je ook reddeloos verloren?

Nee, toch niet reddeloos verloren zoals wij dat verstaan. Jesaja krijgt zijn roepingvisioen in de tempel en onder de indruk daarvan roept hij wel "Wee mij! Ik ben verloren" maar meteen geeft hij aan waar het hem aan schort:  zijn lippen zijn niet rein - indirect een bede om reine lippen. Zulke lippen dat zij de gedachten die in hem leven kunnen uitspreken op een manier die op God is gericht, met een kracht die God kan bereiken, in een geestelijke verbondenheid op goddelijk niveau. Met zulke lippen kan hij beantwoorden aan hetgeen zijn ogen hebben aanschouwd: "De koning, de Heer van de machten". Het gebeurt: een van de serafs gaat naar het reukaltaar dat ter ere Gods brandt, op God is gericht, in het heilige van de tempel. De seraf draagt met behulp van een gloeiende kool van het reukaltaar de reinheid aan, het op God gericht zijn aan, goddelijke ontvankelijkheid aan die hij nodig heeft: 'zijn zonde is verdwenen, zijn zondeschuld bedekt'. Hij is vrij in zijn contact met God, bovenmenselijk gedragen; de adem vanuit zijn binnenste wordt rechtstreeks door Gods Adem bewogen.

In zo'n situatie ligt het voor de hand om - desnoods zachtjes - te bidden/zingen" Prijzen wil ik u Heer uit heel mijn hart"­/"Loven wil ik u met heel mijn hart, prijzen uw Naam om uw goedheid en om uw trouw". En dat het liefst met Gods adem.

 

Maar, is zo'n geweldige ervaring als Jesaja meemaakte voor ons gewone mensen niet een beetje te hoog gegrepen? We kunnen ons er wel wat bij voorstellen maar wie denkt dat hij/zij zo'n groot profeet/profetes is? We mogen ons gelukkig prijzen dat wij Jezus van Nazaret hebben, de gekruisigde maar Verrezene, de Christus, die reine lippen heeft, die ons rein maakt door de woorden die hij spreekt, die zijn volgelingen op God, zijn Vader, richt. Hij kent de Koning, de Heer van de Machten. Daarom zijn we in vertrouwde handen. Hij biedt ons in zijn leer zijn woorden aan en om voor iedereen verstaanbaar te zijn wil hij vanaf een bootje allen toespreken. Iedereen wil hem horen; hij heeft wat, hij maakt wakker wat in hen leeft, waarnaar zij verlangen. Hij geeft ruimte om te ademen.

Dat is nog niet genoeg. Als hij uitgesproken is, vraagt hij Simon naar diep water te gaan om te vangen. De nacht is voorbij, door zijn woord is het dag. Op zijn woord zal Simon de netten uitgooien, die ze zo juist hebben schoon gespoeld. Hij moet ze in het diepe uitgooien, hij moet vangen in het diepe. In het diepe van de mens, want daar ligt zijn inhoud die contact met God wil maken, daar ligt zijn goddelijke vonk te wachten op het vuur, daar leeft hij zoals hij 'eigen'lijk door zijn schepper is bedoeld, daar is hij zó zoals hij graag goed wil zijn. Ze halen de netten op en ze weten niet wat hun overkomt. Net als Jesaja voelen ze zich onmachtig, te kort schietend; ze ervaren die afstand tussen hen en het goddelijke: "Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens".

 

Jezus is da gek! Hij gaat niet weg. Hij heeft Simon en zijn makkers nodig om de gloeiende kool van het reukaltaar overal aan te dragen om lippen rein te maken, om mensen te vangen in het net van zijn woord, om overal op aarde de dankpsalm te laten klinken "Loven wil ik u met heel mijn hart". Alle mensen moeten delen in zijn eredienst aan de Vader. Jezus gaat niet weg, zij gaan hém na, en laten alles achter zich. Hij zingt met Gods Adem.

Wij, mensen van hier en nu, als zijn volgelingen, wij delen in een algemeen priesterschap van Hem afkomstig om de Vader lof te zingen, eer te brengen met reine lippen en om daarmee Diens zorg om Zijn schepselen te verkondigen. "Jullie zijn al rein door het woord dat ik jullie heb verkondigd", zegt Hij tegen zijn leerlingen. Met zijn woorden kunnen wij de Vader danken om Zijn goedheid en Zijn trouw. Dat kunnen wij dus dank zij Jezus en wel binnen zijn Kerk die je zijn werkplaats zou kunnen noemen, zijn genadeplaats. Ook dank zij al degenen die haar in stand houden, mensen die hem achterna gaan. Speciaal dankzij mensen die een specifieke eredienstbaarheid invullen m.b.v. zijn gereedschap, de sacramenten. Mensen met een ideaal.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. De 1e lezing sluit met een woord van de profeet. Hij hoort de Heer zeggen: "Wie zal Ik zenden? Wie zal in onze Naam gaan?" Zijn antwoord is dan:"Hier ben ik, zend mij". In de brief aan de Hebreeën wordt psalm 40 toegepast op Jezus: "Hier ben ik, ik sta klaar". Dezelfde woorden als de profeet gebruikte gelden voor Jezus. Ook hij heeft gezegd, in ieder geval het gedaan: 'Hier ben ik, zend mij'. Aan jou de keuze of je die woorden ook wilt uitspreken, of je op een of andere manier, de jouwe, in die dienst wilt treden met reine lippen. Geen lippendienst maar dienst op God gericht. De dienst van Jezus.  Ideaal ?

 

Met reine lippen vanuit ons diepe eigenlijke zeggen en zingen "Loven wil ik u met heel mijn hart, prijzen Uw Naam om uw goedheid en uw trouw" - op Gods Adem. Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?

 

 

Zesde zondag door het jaar C  11 februari 2001; 15 februari '04
Jer 17, 5-8; psalm 1; Lc 6, 17. 20-26; incl. v18 & 19

Psalm 1

GELUKKIG de mens die op de Heer zijn hoop selt

die niet ingaat op de raad van bozen, niet op de weg van zondaars staat,

niet in de kring van schampere spotters wil zitten,

maar vreugde beleeft aan de wet van de HEER, ja, dag en nacht daaruit zacht reciteert°.

Hij is als een boom,

geworteld aan stromend water, die elk seizoen opnieuw vrucht draagt;

nooit zullen zijn bladeren verdorren, alles wat hij doet brengt hij tot een goed einde.

Maar ongelukkig zullen de bozen zijn: zij lijken op kaf, opgejaagd door de wind.

Met zorg volgt de HEER de weg van de rechtvaardigen, de weg van de bozen loopt uit op niets.

 

De profeet Jeremia geeft heel direct en eenvoudig het principe aan waar het in het geloof op aan komt: je vertrouwt op mensen of op de Heer. Als het om je basis gaat, richt je je dan naar mensen en je wendt je van de Heer af of weet je je veilig bij God? Jeremia gebruikt daarvoor het bekende beeld van dorheid, een kale struik in een onvruchtbaar gebied tegenover een boom die tot in het water is geworteld en groen, vruchtbaar, blíjft. Het is dan ook heel logisch dat we psalm 1 hebben gebeden/gezongen. Daarin wordt degene gelukkig geprezen die zijn hoop op de Heer stelt/op de Heer zijn vertrouwen heeft gegrond, zijn geluk vindt in de wet van zijn Heer, hij die gerecht is.
Maar er is een zinnetje in de tekst dat een pointe heeft, het eerste: De Heer spreekt tot de profeet en als er een profeet is geweest die de tragische zou kunnen heten, dan is dat Jeremia. Hij profeteert en men gelooft hem niet. Men vraagt om zijn boodschap en als die niet in goede aarde valt, scheldt men hem uit. Tegen hem, die op de Heer vertrouwt, zegt de Heer die woorden, hem biedt Hij Zíjn veiligheid tegenover mensen. Jeremia brengt zijn eigen profetie ten uitvoer. De laatste zin van de tekst is voor hem: "Komt er een tijd van droogte, het deert hem niet; altijd zal hij vrucht dragen". Zijn wortels reiken immers tot in de Heer.
Wij kennen droogte nauwelijks uit ervaring maar als je wel eens echt dorst hebt gehad, weet je hoe je lichaam schreeuwt om water. Je kunt het beeld van die dorheid uitbreiden met het verlangen naar God. Zoals je lichaam schreeuwt om water, zo kan je ziel schreeuwen om haar God, als een dorstig hert in een droge bedding. Zijn beeld ligt immers in haar. Zij leeft immers van Hem. Haar wortels zoeken naar haar altijddurende Bron.

 

Het evangelie is niet minder spannend. Zoals ook Mozes was Jezus op de berg, bij zijn Heer. Hij heeft de hele nacht in het gebergte gebeden tot God, zijn Abba, en 's morgens kiest hij de twaalf uit de kring van zijn leerlingen. Met hen gaat hij vervolgens naar de vlakte, waar zich een grote groep mensen bevindt, leerlingen, mensen uit het hele joodse land, Jeruzalem, zelfs uit Tyrus en Sidon. Daar moet het werk worden gedaan, het gebed van de berg ten uitvoer gebracht. Misschien mag je wel denken aan die droge steppe uit de eerste lezing. Daar zijn de mensen die verlangen, zoeken; zij willen horen wat hij zegt en zij willen worden genezen. Zij willen zelfs zijn kleed aanraken want er gaat een kracht van hem uit. In die situatie kijkt hij zijn leerlingen aan en zegt hij zijn zaligsprekingen. Daarmee leidt hij zijn leerlingen naar de mensen. 'Laat je niet van de wijs brengen als je arm bent. Wees niet ongelukkig als je hongerig bent. Huil maar rustig want daarna komt de troost. Wees niet bang als mensen jullie om mij door het slijk halen. Want jullie hebben nog iets om naar uit te zien.' Daarna spreekt hij over de hoofden van zijn leerlingen heen de rijken en de voldanen, de lachers en de meepraters aan: 'Kijk uit mensen; wat hebben jullie straks nog?'

Als je de zaligsprekingen van Lucas vergelijkt met die van Matteüs lijkt het wel of Matteüs meer spiritueel denkt en Lucas nogal praktisch is ingesteld. Misschien dat Matteüs als gelovige Jood al gauw de stap naar de ziel zet en Lucas - als ongelovige bekeerd - de eerste fase benadrukt, eerst de praktische houding voor de leerlingen noemt en vervolgens op de noden van de mensen inhaakt; het lijkt wel dat hij begint bij de rechtvaardigheid in de samenleving. Dat doet ook de man die niet zit temidden der spotters/in de kring van de spotters. Daar begint het heil.

Maar ook Lucas kent die wonderlijke koppeling van de leerling, de volgeling, aan Jezus zelf: 'als ze jullie haten omwille van mij' - 'toch niet teleurgesteld zijn'. Dat gaat verder dan dagelijkse rechtvaardigheid, dat raakt de ziel. "Jezus keek zijn leerlingen aan"; misschien mag je wel zeggen 'hij keek naar hun ziel'; misschien lieten ze wel toe dat hij in hun ziel keek. Hij is immers geplant aan het water, zijn wortels reiken tot in zijn Abba-bron, van hem ging immers een kracht uit. We kennen het moeizame werk van profeten. Hij, de grote Profeet, bemoedigt zijn profeten, al zijn volgelingen. Want zijn werk moet verder gaan. Van hem gaat immers een kracht uit - naar al zijn volgelingen

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Er is heel wat te doen in de maatschappij maar laat je niet ontmoedigen als het niet vlug genoeg gaat, als je met eigen ongemak zit. Houd je vast aan je band met Jezus, de Messias, de Beloofde.

Hoe? Niet alleen door goed werk, ook door tot hem te bidden, met hem te bidden, over hem te lezen, overlezen, overwegen. Dat kan overdag, dat kan 's nachts, zoals die man in psalm 1.

 

Er gaat nog steeds een kracht van hem uit omdat hij geworteld is in zijn Abba-bron en wij in hem via hem en met hem - 'dorsten naar'.
Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen dat over ons te laten komen?

terug naar begin pagina

 

Zevende zondag door het jaar C  22 februari '04; 2007

1Sam 26, 2.7-9.12-13.22-23; psalm 103; Lc 6, 27-38

 

psalm 103

Prijs de HEER, o mijn ziel, zijn heilige naam uit het diepst van je hart.

Prijs de HEER, o mijn ziel, en vergeet zijn weldaden nooit.

Hij vergeeft al je misgrepen, Hij geneest al het leed dat je lijdt;

je leven koopt Hij vrij van het graf, en kroont je met liefde en erbarmen.

Hij behandelde ons niet naar onze zonden, Hij vergold ons niet naar onze misgrepen.

Als van oost naar west, zo ver heeft Hij onze misdaden van zich af geworpen.

Zoals een vader zich over kinderen ontfermt,

zo ontfermt de HEER zich over hen die Hem vrezen.

 

Voor de ouderen onder ons die de oorlog hebben meegemaakt, voor mensen aan wie grof onrecht is aangedaan, voor nuchter denkende politici zijn de woorden "Als iemand u op de ene wang slaat, keer hem dan ook de nader toe" ondenkbare woorden, onnavolgbaar. Mag je je niet verdedigen? Bestaat er geen recht, dat weerlozen moet beschermen? Recht dat gehandhaafd moet worden om een gezonde samenleving in stand te houden? Daarvoor zijn toch rechters nodig. Als deze woorden van Jezus absoluut zouden gelden, voor alle situaties, zouden andere eigen woorden van hem daarmee in tegenstelling zijn, b.v. "Wie van een van deze kleinen aanstoot geeft, het ware beter dat hij met een molensteen om zijn nek de zee in was gegooid." Kennelijk houdt Jezus dan barmhartigheid ook voor onmogelijk. God is Zelf toch ook rechtvaardig. Natuurlijk, anders zouden wij er een potje van kunnen maken.

 

Wat kunnen wij met die woorden van Jezus? Zij staan in een bepaalde context. Pinchas Lapide heeft die joodse context geschetst o.a. in zijn boekje De Bergrede - utopie of program? Hij stelt dat Jezus geen nieuwe leer verkondigde en dat die leer nodig is voor het tot stand komen van het Rijk der hemelen, nodig opdat dat Rijk overal in de wereld tot uitdrukking komt. Jezus maakt die context concreter "Maar tegen jullie die luisteren (naar mij) zeg ik …" In dat luistergebied, die bereidheid om gehoor te geven, biedt Jezus zelf een mogelijkheid, een ruimte, aan om te leven, een ruimte die ons niet vreemd is.

"Vraagt iemand je om iets …". Dat 'iemand' slaat op een behoeftige wiens leven ter zake is. "Pakt iemand iets van je af …" - dat geldt voor een arme die een brood pakt omdat hij hongerig is. "Slaat iemand je op de wang, biedt hem ook de andere" heeft alleen maar zin als je van de ander kunt verwachten dat hij door zo'n ruimhartigheid gaat beseffen dat hij ook in dat luistergebeid leeft, dat hij door zo'n vrijheidsaanbod merkt dat hij in woede gevangen zit. Als die mogelijkheid niet aanwezig is, heeft het geen zin zo te handelen als beschreven staat; dan komt het van kwaad tot erger.

 

Wat wil Jezus? Waar gaat het in dat luistergebied om?

De eerste lezing zet ons op een spoor. Saul achtervolgt David om hem te doden, uit jaloezie. David is ontsnapt aan de dood maar Saul wil hem hebben, een regelrechte bedreiging. Maar als God Saul aan David uitlevert zodat hij hem kan doden, maakt hij daarvan geen gebruik uit ontzag voor de Heer, want Saul is Gezalfde van de Heer. David gaat nog een stap verder: hij wijst Saul op de rechtschapenheid en trouw die past bij de gezalfde van de Heer. Hij biedt Saul de gelegenheid om zich te hervinden.

"De Heer is barmhartig en welgezind"/"Barmhartige Heer, genadige God" hebben we gebeden/gezongen in de psalm en voor die uitweg biedende barmhartigheid zijn we dankbaar. Zij geldt ook voor ons.

 

Eigenlijk zegt Jezus hetzelfde. Zoals hij De Wet, de Tora, beleeft, zo is ze bedoeld: De woorden "Weest heilig want Ik ben heilig" breidt hij uit met 'Weest barmhartig want Ik ben barmhartig', "Wees barmhartig zoals jullie Vader het is", … "dan word je kinderen van de Allerhoogste". Barmhartig, zoals jullie Vader.  Maar wij zijn niet even barmhartig zijn als Hij; dan waren wij volmaakt, terwijl we onvolmaakt zijn geschapen. Maar waar het Rijk er is, hoeft geen oordeel worden uitgesproken, geen vonnis geveld, geen bezit in stand gehouden, bestaat geen vijandschap. Daar zijn zelfs wetten overbodig, want barmhartigheid regeert.

Wat is barmhartigheid? We denken steevast aan vergeving, maar in een goed leven, een goede oogst, welzijn, bezorgdheid, meeleven en medelijden kun je ook Zijn barmhartigheid zien; HijZ trekt in ons hele met ons mee.; HijZ heeft zorg om ons. De barmhartige Samaritaan was niet rechtvaardig, hij liet zijn hart spreken 'door medelijden bewogen'. De vraag 'vriend of vijand?' speelde niet eens. Het is best mogelijk dat je geconfronteerd met zelfmoord ineens een diepdoordringend medelijden voelt met het slachtoffer. Je kunt dat accepteren, je mag dat duiden als van God afkomstig, in jou gelegd. Zo is HijZ ook. Ook voor ons.

Bij barmhartigheid kunnen we ook aan ruimhartigheid denken. God is geen kruidenier die onsjes afweegt; HijZ geeft het liefst een goed geschudde, een overlopende maat, zo maar in de schoot geworpen. Als wij in een gulle bui meer geven of meer doen dan gevraagd is, laten we iets van God zien, Iets waarvan we kunnen zeggen dat het in ons leeft. Ruimhartigheid is ook aanwezig als we geen kwaad met kwaad vergelden, als we op iemand die boos op ons is niet met boosheid reageren maar kunnen kalmeren met rust, hem de andere wang kunnen toekeren. Als we voor een vijandig mens die in nood is, goed kunnen zijn. Zo heiligen wij Zijn Naam.

Anderzijds, de Vader is barmhartig, ook voor degene die niet (meer) ruimhartig kan zijn, voor wie dat psychisch onmogelijk is geworden. Aan zo iemand vraagt Hij dan niet om barmhartigheid; dat zou tegen Zijn Gerechtigheid zijn, dan zou Jezus niet de molensteen noemen. Het slachtoffer moge ruimte krijgen binnen Zijn barmhartigheid en mee-leven, en dat als vol-doende ervaren: "… je leven koopt Hij vrij van het graf, en kroont je met liefde en erbarmen." Zo toont de Vader ook dat Hij rechtvaardig is.

 

Bergrede - utopie of program? De vraag voor de politiek blijft staan. We kunnen ons geloofsleven, onze gods-dienst, niet als een privé-zaak beschouwen. We staan in de grote wereld, die bedoeld is voor het heil, en we reiken vaker niet ver. Hoe het van geval mogelijk zal zijn is moeilijk te bepalen maar uitgaande van het Rijk dat komen moet voor de hele wereld, uitgaande van het Rijk waarbinnen barmhartigheid regeert, mogen we rekenen op het mosterdzaadje, dat van klein groot wordt, op de Adem die waait waar Hij wil door grenzen en barrières heen. Misschien krijgen we in alle redelijkheid de kans goed te zijn voor onze vijand, zelfs de andere wang aan te bieden. Zonder gerechtigheid en realiteit te kort te doen. Nieuw aan zijn leer is dat Jezus zelf daartoe het voorbeeld heeft gegeven en zijn Kracht aanbiedt aan degenen die luisteren naar hem.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Een grote mond hebben, macho-gedrag, ellebogenwerk is eigenlijk zielig, enghartig. Dat wil niet zeggen dat je je als een doetje moet gedragen. Natuurlijk werk je voor je zelf en geliefde, natuurlijk wil je wat bereiken maar dat doen vanuit een innerlijke sterkte, die je met vallen en opstaan leert, vanuit een ruimhartigheid die Jezus tekende - zo'n doen en denken kun je als van God afkomstig beschouwen. Zo kun je Hem in staat stellen Zich te manifesteren.

 

God is rechtvaardig maar nog barmhartiger. "Barmhartige Heer, genadige God". Zullen we dat even tot ons door laten dringen?

 

Achtste zondag door het jaar C  25 februari 2001
Sir 27, 4-7; psalm 92; Lc 6, 39-45.

Psalm 92

Het is zo goed, de HEER te loven, over uw naam te zingen, o hoogste God;

om in de ochtend uw liefde te melden en uw blijvende trouw in de nacht,

De rechtvaardige groeit als een palmboom op, hij schiet omhoog als een Libanonceder

Geplant in het huis van de HEER en opgegroeid in de voorhof van God

blijven ze zelfs in hun ouderdom welig en sappig en groen.

Zo melden zij: 'De HEER is rechtvaardig, de HEER is mijn rots;

geen ongerechtigheid is er in Hem.'

 

De verplichte versie van Sir is zo onduidelijk en zonder clou dat ik de Willibrord '95 gebruik en de perikoop wat groter neem, 27, 1-7:

"Uit winstbejag zondigen velen en wie erop uit is om rijk te worden wendt zijn ogen af (van de nood).
Zoals een pin vast komt te zitten in de voegen tussen de stenen, zo wringt de zonde zich tussen verkoop en koop.
Als iemand niet sterk staat in de vrees voor de Heer, zal snel en zonder uitstel zijn huis te gronde gaan.
Als men een zeef schudt, blijft het afval liggen: zo is de kwalijke kant van een mens in zijn (prijs)berekening te vinden.
Het vaatwerk van de pottenbakker wordt in de oven beproefd; zo toetst men een mens aan zijn berekening.
De vrucht van de boom laat het werk van de kweker zien: zo toont de berekening de plannen in het hart van een mens.
Vóór de berekening moet je een mens niet prijzen want daarin wordt de mens op de proef gesteld."

 

Wijsheidsliteratuur vind je in het O.T. typisch in boeken die speciaal daarvoor geschreven zijn. We kennen  Spreuken, Prediker, het Boek der Wijsheid en De Wijsheid van Jezus Sirach, waaruit we vandaag lezen. In het N.T. vind je ook wijsheidsliteratuur maar niet zo in aparte boeken als in het O.T.; ze is meer verweven in andere teksten. Dat zien we vandaag bij Lucas. Wij denken bij 'Wijsheid' al gauw aan een wijze man of vrouw die verstandige dingen zegt maar in de bijbel is wijsheid iets dat begint met ontzag hebben voor de Heer én weten dat de Heer ons, schamele mensen, ontziet. Kennis hebben van God - je kunt ook zeggen kennis hebben aan God - begint met ontzag, nederigheid, willen luisteren, en daarbij weten dat God Zich aanpast aan het beperkt vermogen van Zijn schepselen. HijZ is al blij met onze goede wil, als die reëel is.

De belangrijkste eigenschap van wijsheid is dat zij in de praktijk tot uiting komt, dan blijkt zij.
De eerste lezing gaat over een situatie van handel; daarin blijkt of men op winstbejag uit is of gewoon eerlijk verkoopt. Dat is een steen des aanstoots, een criterium,nu blijkt iets. De tekst zegt het heel indringend: "Zoals een pin vast komt te zitten in de voegen tussen de stenen, zo wringt de zonde zich tussen verkoop en koop". Als je een goede plaats zoekt om een pin vast te zetten, sla je haar in de voegen tussen de stenen, je ziet en voelt hoe zij vast gaat zitten. Zo wil ook de zonde vast gaan zitten. Zo'n pin schop je niet zomaar weg; je moet er hard aan rukken. Maar het is wel zo verstandig haar er uit te krijgen en nog verstandiger ervoor te waken dat zij er niet tussen komt. Dan blijkt hoe wijs je bent.

"Als men de zeef schudt, blijft het afval op de zeef liggen", wordt afval zichtbaar m.a.w. als men kritisch te werk gaat, blijkt wat die substantie waard is; zo ook als men kritisch luistert naar het verkoopverhaal en op de prijs let, weet men of de handelaar eerlijk is. Zo kijkt God kritisch naar hetgeen de mens Hem aanbiedt.
'De kwaliteit van het werk van de pottenbakker blijkt in de oven'; zo let God erop wat de bewering van de mens waard blijkt.
'De vrucht van de boom laat het werk van de kweker zien': wat de mens beoogt in zijn hart moet wel naar buiten komen anders heeft het geen zin.
En als afsluiting, samenvatting,  waarschuwt Jezus Sirach dat je een mens niet moet prijzen voordat hij heeft laten blijken hoe hij is. Dat klinkt ons in de oren als pure wijsheid maar bijbels gezien wijst het verder: je moet iemand niet prijzen voordat hij heeft laten zien dat hij iets van God in zijn hart draagt. Dat moge jouw contactpunt met hem zijn. Dan blijkt wijsheid, de goede vrucht.

 

De vorige week hebben we bij Lucas gelezen hoe Jezus zijn leerlingen leert om goed te zijn, geen kwaad met kwaad te vergelden e.d. Dat kun je als verstandig beschouwen: het kwade niet laten escaleren maar de cirkel doorbreken. Dat is dan een nuttigheidsprincipe, zo overleven we het beste. Maar Jezus voegt zíjn wijsheid eraan toe: wees barmhartig zoals immers uw Vader barmhartig is. Wees barmhartig dan heb je iets van de Vader, dan lijk je een beetje op Hem.
Deze week gaat Jezus verder in een beeldspraak. Hij zegt dat we een leidsman nodig hebben en dat we als een leerling nederig naar hem moeten luisteren. Nederig in positieve zin: eerst je eigen ideeën opzij zetten en luisteren. Pas als je volleerd bent, ben je als je leermeester. Als Jezus je leermeester is, dan heb je een goeie. Zijn hart is beproefd pottenbakkerswerk in de oven en waardig bevonden. Zijn instelling bleek tot op het kruis toe. Uit zijn hart vloeide bloed, leven, goddelijk leven. Als Jezus je leermeester is, weet je zeker dat je iets van God krijgt aangereikt, dat je leert hoe je op zijn Vader kunt gaan lijken.
Dan weet je ook dat je nooit gelijk aan Jezus zult worden, we zullen nooit volleerd zijn. Maar in de praktijk zijn leiders nodig. Als je dat wil of daartoe wordt geroepen, moet je kritisch zijn op jezelf, moet je jezelf waarnemen en eerst zien of je niet een balk in je eigen open hebt, eerst zien of je eigen behoefte niet te groot is.

 

Dat is steen des aanstoots. Nederig zijn, in dienst willen staan, goed willen zijn, zo goed mogelijk, zoals je graag goed wilt zijn. Zoals Jezus, met zíjn instelling. Dan ben je als een goed mens die het goede uit zijn hart te voorschijn haalt. Het goede in gebed, in inzet, in verdragen, in ontzeggen ter wille van het Rijk. Zie dat jouw hart is verbonden met het hart van Jezus, dan ben je zeker van het goede. Dat moge je contactpunt zijn met God.

Hoe verbind je je hart met dat van Jezus? Door zijn leerling te zijn, te doen als hij. Je met hem verbonden weten. Zo goed mogelijk. Hij begrijpt immers net zo goed als God dat wij maar beperkte schepselen zijn.

 

In de tussenzang hebben we gezongen/gebeden "Heerlijk is het te loven de Heer, te bezingen uw Naam, Allerhoogste". Die Naam hanteert immers de goede prijsberekening en zij roept de rechtvaardige op om als een Libanonceder te gedijen, geplant in het huis van de Heer. Die brengt goede vruchten voort.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In onze hedendaagse wereld worden vaak zoveel woorden gebruikt, alle sjablonen worden afgedraaid en met stemverheffing geproduceerd, terwijl - en daar gaat het me om - er geen inhoud is, niets nieuws wordt gezegd. Als je naar wijsheid zoekt, moet je niet daar zijn - dat wist je al. Maar waar moet/mag/wil je dan wel zijn? Bij iemand met een gouden hart, dat als in een smeltoven is beproefd. Dat hart loopt over van goud. Ooit zo iemand ontmoet, van hem gehoord?

 

Je zelf toetsen aan het hart van de leermeester. Zullen we dat een paar minuten in gedachte vasthouden?

terug naar begin pagina

 

Eerste zondag van de veertigdagentijd C  29 februari 2004  ('07)

Deut 26, 4-10; psalm 91; Lc 4, 1-13.

 

Psalm 91

Wie onder de hoede van de Hoogste woont,wie in de schaduw van de Almachtige vertoeft

mag zeggen tegen de HEER: `Mijn toevlucht,mijn vesting, mijn God, in U stel ik vertrouwen.'

Geen kwaad zal over je komen, geen plaag dringt door tot je tent.

Zijn eigen boden zal Hij opdragen om je te beschermen, waar je ook gaat.

Zij zullen jou op handen dragen, zodat je voet zich niet aan een steen stoot.

Je zult adder en leeuw vertrappen, leeuw en slang met voeten treden.

Omdat hij van Mij houdt zal Ik hem redden; Ik bescherm hem, want hij eert mijn naam.

Als hij Mij aanroept, geef Ik antwoord, Ik sta hem bij in zijn nood,

Ik maak hem vrij en schenk hem aanzien.

 

De eerste lezing vertelt over de Jood die ieder jaar bij het begin van de oogst voor zijn God gaat staan om Hem te danken; zij riep een associatie op met de ballade van de boer. "En de boer hij ploegde voort". In de ballade worden grote gebeurtenissen in de mensengeschiedenis, goede en slechte, veldslagen, rampen genoemd, ook Golgotha, en telkens weer: "en de boer hij ploegde voort", onverstoorbaar, onmisbaar, beeld van het leven want uit de akker, de grond, moet het voedsel voor de mens komen. De ballade eindigt met een visioen; de boer hoort een stem: "omwille van de boer die ploegt, besta de wereld voort".

In die geest kun je ook tegen de Jood aankijken die met zijn eerstelingen van de aarde voor zijn God komt staan en zijn hele verhaal vertelt: "Mijn vader was een zwervende Arameeër …". En als hij al de omzwervingen heeft verhaald die hij heeft gemaakt, al die beproevingen heeft doorstaan voordat hij kon leven van eigen grond, dankt hij zijn Heer voor de bescherming die hij van zijn Heer heeft gekregen en voor de het land dat hij nu mag bezitten en dat zijn voedsel voortbrengt.

We denken er niet altijd aan maar hier wordt een stukje fundamentele mensenervaring op tafel gelegd. De mens bewerkt de aarde om voedsel, Adam bewerkt de aarde, in het hebreeuws: de adama; Adam bewerkt de adama opdat zij dam geeft, bloed of te wel leven. Zo is de geloofsbelijdenis van de Jood: Adam, adama, dam. Die grond is heilig want zij behoort JHWH toe en daarmee toont JHWH zijn barmhartigheid. Dat heeft hij gekregen, daarvoor dankt hij en buigt hij zich neer voor zijn God. En zo draagt hij als individu bij aan de grote dank die aan God wordt gebracht. Voor ieder mens gaat die mogelijkheid op. Bidden voor het eten is nog altijd ter zake.

De tussenzang, psalm 91, zingt dan ook van bescherming maar ook van wonen; niet alleen tegen gevaar en in gevaar maar ook van vertoeven, leven in zijn schaduw, leven van wat God geeft. "Wie woont onder hoede van de Allerhoogste"en "We zullen leven tot in lengte van dagen". Dat is de Joodse levenshouding.

 

Als Jezus zijn tijd in de woestijn heeft volbracht, wordt hij met twee benen op de grond gezet. De geestesvervoering is voorbij: hij krijgt honger. Het is geen trek hebben in iets, nee, honger hebben en dan schreeuwt je lichaam om voedsel. Dan ben je kwetsbaar. Dan ligt de gedachte voor de hand: waarom zou ik moeite doen, de aarde bewerken als ik van stenen brood kan maken? Maar Jezus houdt vast aan zijn mens-zijn. Als hij brood eet, zal het uit de aarde moeten zijn voortgekomen. Dat is niet alleen menselijk maar dat houdt ook erkenning in dat hij het brood heeft gekregen. Erkentelijkheid. Niet zomaar brood eten, dat doet een dier ook. Bij het eten hoort erkenning, dank. Ook daarvoor - om dank te brengen - leeft hij, leeft hij voor zijn Vader. Dat is zijn levenshouding.

Als de duivel dan vraagt dat Jezus hem aanbidt, betekent dat dat hij van de duivel afhankelijk zal zijn omdat die hem alle rijkdom op aarde zal geven, omdat hij zich dan nooit meer enige zorg hoeft te maken over voedsel enz. Jezus weigert  dat. Het is niet-menselijk; als hij van aardse rijkdom leeft, eindigt zijn leven eens, loopt zijn leven uit op niets; hij wil uitlopen op zijn God, van Hem afhankelijk zijn, Hem dus aanbidden. Dat is zijn levenshouding.

Tenslotte een heel indringende gedachte: in de psalm staat dat engelen de mens zullen dienen, dan toch zeker hem, altijd, ook als hij openlijk laat zien dat hij de zoon van God is. Nu gebruikt de duivel een bijbeltekst om hem te overreden. Maar weer houdt Jezus vast aan zijn mens-zijn; als méns wil hij laten zien hoe God is, dat heeft doorslaggevende betekenis, eeuwigheidswaarde. Maar dat betekent ook dat hij het ergste op zich zal nemen, het ergste dat een mens kan overkomen. Dat neemt hij op zich, als hij maar voor zijn Vader kan leven, naar zijn Vader toe kan leven en Diens wil kan doen. Als mens. Hij woont onder de hoede van de Allerhoogste. En hij dankt voor het eten tot op het laatste maal toe. Dat is zijn dankende levenshouding.

 

De beproeving van Jezus staat als een soort principe-houding aan het begin van zijn werk. Zo wil hij zich opstellen. Dat geldt niet alleen voor Jezus, ook voor ieder die hem wil volgen, Christen wil zijn. De punten die in Jezus' beproeving worden genoemd zijn met de nodige praktische varianten ook voor ons waardevol. Geen stenen voor brood verkopen, dat is levensbedrog; geen ellebogenwerk ten koste van anderen, nederig zijn in je geloofsbeleving anders hoor je niets meer. Maar hoe dan ook, alles in de houding van voor God willen staan, naar hem toe willen leven.

Wij gaan de veertigdagentijd in. Zou het niet goed zijn om iedere dag een vast moment aan te houden als vingerwijzing naar die houding, een reminder?

Moge Jezus Christus zijn ploeg hanteren in de grond van onze ziel, opdat de Vader Zijn Zaad erin kan zaaien en de H.Geest dat Leven kan opwekken.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In een wereld vol van CD's, DVD's, I-modus, ADSL, ferme jongens stoere knapen, enz. vergeet je wel eens dat brood uit de aarde voortkomt, realiseer je je niet altijd dat je daarvoor kunt danken. In de tijd naar Pasen kan het vruchtbaar zijn om je een beetje in te houden en aandacht te geven aan wat fundamenteel is: we leven niet van brood alleen. Als je wilt, kun je naar God toe leven, 'wonen onder de hoede van de Allerhoogste'.

 

"Luistert heden naar Zijn stem" is een psalmvers in de vastentijd. Als we luisteren, horen we misschien ook een stem zoals de boer die ploegt.

 

Ballade van den boer

J.W.F. Werumeus Buning

 

Er stonden drie kruisen op Golghota,

Maar de boer hij ploegde voort

Magdalena, Maria, Veronica,

Maar de boer hij ploegde voort

En toen zijn akker ten einde was,

Toen keerde de boer den ploeg

En hij knielde naast zijn ploeg in het gras,

En de boer, hij werd verhoord

 

Zo menigeen had een schonen droom,

Maar de boer hij ploegde voort

Thermopylae, Troje, Salamis,

Maar de boer hij ploegde voort

Het jonge graan werd altijd groen,

De sterren altijd licht,

Gods woord streed in de wereld voort

En de boer heeft het gehoord

 

Heer God! De boer lag in het gras,

Toen droomde hij dezen droom;

Dat er eindelijk een rustdag was

Naar apostel Johannes' woord

Een stem sprak tot aarde, hemel en zee

En de boer heeft haar gehoord:

- Terwille van de boer die ploegt

Besta de wereld voort!

 

 Tweede zondag in de veertigdagentijd C 11 maart '01; '04
Gen 15, 5-12.
17.18; psalm 27; Lc 9, 28b-36

Psalm 27

De HEER is mijn licht, mijn heil - voor wie zou ik vrezen?

De HEER is mijn burcht, mijn behoud - voor wie zou ik beven?

Hoor, HEER, hoe hard ik roep. Ontferm u en geef mij antwoord.

Tot U zegt mijn hart: `Ik zocht uw gelaat.' Uw gelaat blijf ik zoeken,

verberg uw gelaat niet voor mij. Wees niet woedend, wijs uw dienstknecht niet af.

U bent mijn helper, verstoot mij niet; laat mij niet in de steek, God, mijn heil.

Wie zou ik zijn als ik er niet op had vertrouwd

de goedheid van de HEER te genieten in dit land van de levenden?

Wacht in vertrouwen op de HEER met een dapper, standvastig gemoed;

wacht in vertrouwen op de HEER.

De mens is een wezen dat met twee voeten op de grond kan staan, met zijn hoofd in de hemel kan vertoeven en een hart heeft om die twee bij elkaar te houden, in harmonie. Hij kan werken en bidden. Wat zijn hoofd wil, moeten zijn benen kunnen dragen. Wat zijn hart verlangt, moge zijn hoofd begrijpen en zien. Maar zijn hoofd kan ook ontvangen in geloof, kan een gedachte, een inzicht, ontvangen

Dat gebeurt met Abram. Hij is uit zijn land en familieverband weggegaan en in een nieuw land terecht gekomen waarvan hij ziet dat God hem dat heeft gewezen. En nu zit hij in zijn tent te kniezen want hij heeft veel vee en knechten maar geen eigen nakomeling. En als God hem zegt dat HijZ zijn schild is en zijn loon groot zal zijn, reageert Abram in de geest van 'ik merk er niets van'. En toch, en toch, moet hij naar buiten en ziet hij de sterrenhemel: hij concludeert dat, als God met hem is, zijn nageslacht talrijk zal zijn als de sterren. En God is met hem, dat weet hij. En zo krijgt hij dat inzicht, ontvangt hij de belofte.

Daarmee is het niet afgelopen. God bekrachtigt die belofte, HijZ legt een eed af, HijZ sluit een verbond op een plechtige manier zoals men dat toen en daar soms deed. Jonge maar volwassen (het getal drie duidt daarop) dieren werden doormidden gesneden en tegenover elkaar opgesteld evenals een jonge duif en een volwassen duif. Daartussendoor liep degene die de eed zwoer en hij zei dan "zo verga het mij" wanneer ik mijn belofte niet nakom. Tussen die dode dieren is de dood, daar is het leven ter discussie, staat het bestaan op het spel, je eigen bestaan. De benen dragen het hoofd dat iets bedoelt, de zintuig­lijke werkelijkheid begeeft zich op het terrein waar zintuigen niets vermogen - het zienlijke en het onzienlijke tegelijkertijd.
Abram heeft het zienlijke klaar gemaakt - de beesten geslacht en tegenover elkaar gelegd - en wacht nu in de avond op het onzienlijke. We kennen allemaal wel de zonsondergang. Zij neigt 'ter kimme' zoals dat heet, en je ziet de schijf steeds verder weg zakken. Die sfeer wordt ook in de hebreeuwse tekst aangeduid. Een gegeven moment glimt de laatste straal; dat is een moment van concentratie, dan raakt Abram in trance, in opperste spanning, en als het helemaal donker is, ziet hij rook en vuur tussen de dieren doorgaan. "Op die dag sloot God een verbond met Abram". Hemel en aarde raken elkaar.

"Op die dag sloot God een verbond met Abram". Het staat er zo eenvoudig en duidelijk en plechtig. Ook mensen kunnen zo'n  verbond sluiten, kunnen samen hemel en aarde verbinden. Als je zo'n verbond hebt gesloten en er inhoud aan geeft en inhoud krijgt, weet je ook wat God met mensen wil, hoe God met mensen doet. Het is liefde. "Daar te zijn in het huis van de Heer; dat is al mijn verlangen" hebben we gezongen/gebeden.

Wat de drie apostelen overkwam, is te vergelijken met wat Abram overkwam. Jezus hoeft geen verbond te sluiten met zijn Abba; dat is er al en het wordt nu op een speciale manier duidelijk. Ongeveer acht dagen na de beroemde geloofsbelijdenis van Petrus "Gij zijt de Messias, de Zoon van de levende God" - ongeveer acht dagen daarna is er iets nieuws aan de hand. Het getal acht duidt daarop. Jezus is aan het bidden en zijn uiterlijk veranderde evenals zijn kleren. De apostelen zijn in trance, ze slapen niet maar blijven alert. Zo kun je nl. de originele tekst ook vertalen. In die trance krijgen zij inzicht. Hetgeen zij zien en ervaren, kun je duiden als dat De Vader zegt dat Hij zijn Verbond met zijn volk in Jezus opnieuw aanbiedt: "Luistert naar hém". Gesproken in de wolk van de 'Sjechina', Zijn Aanwezigheid.

Maar wat is nu het werkelijke, het zienlijke? Het onzienlijke, verhevene, de heerlijkheid is duidelijk maar wat dragen de benen? God biedt het verbond opnieuw aan in Jezus en wat hierbij nieuw is, is dat het lijden daar wezenlijk bij hoort, want Mozes en Elia spreken met Jezus over zijn uitgaan, over zijn dood, ondanks die heerlijkheid. Misschien juist in die heerlijkheid? Lijden is geen straf, geen vervloeking; God lijdt in Jezus met mensen mee. Johannes schrijft "Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien"; ook de heerlijkheid als hij is gestorven aan een kruis. Ook de lijdende is in Gods Hand.

Moge het zijn dat alle lijdenden daarin steun vinden, dat zij verbonden zijn met Jezus in zijn lijden. Ook daar is het huis van de Heer.

De vorige week was het "Luistert héden naar Zijn Stem' opdat je hoort zoals die boer. Nu is het 'luistert naar hém' in wie God zijn verbond hernieuwd aanbiedt.

Wij bereiden ons voor op het Paasfeest, dat niet zonder lijden, opofferingsgezindheid kan bestaan. We kunnen ons concentreren op de inzet van Jezus, die dat allemaal voor ons heeft over gehad. Zonder hem geen Paasvreugde. Dat kan door gebed, overweging, lezing. Wij die niet lijden kunnen ook proberen het lijden van mensen te verzachten, zoals Jezus deed. Legio mogelijkheden. We kunnen ook door kleine onthoudingen ons zelf duidelijk maken dat we onze luxe als normaal beschouwen, dat we op luxe benen lopen. Misschien krijgen we dan meer ontzag voor de kreupele.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je zelf inhouden om je een ideaal meer voor ogen te krijgen, om iets te gaan vermoeden van datgene waar de wereld behoefte aan heeft, je zelf inhouden om iets van die grootheid te gaan zien die achter ons streven staat, om iets van hemel en aarde in jezelf te laten spreken - dat kan een leidraad zijn in deze voorbereidingstijd.

 

De Heer is mij licht, die tussen de doorgesneden stukken door trekt; de Heer is mijn heil tot en met zijn  dood aan een kruis. Zullen we een paar minuten proberen ons daaraan over te geven?

 

Derde zondag in de veertigdagentijd C 14 maart '04

Ex 3, 1-8a.13-15; psalm 103; Lc 13, 1-9

Psalm 103

Prijs de HEER, o mijn ziel, zijn heilige naam uit het diepst van je hart.

Prijs de HEER, o mijn ziel, en vergeet zijn weldaden nooit.

Hij vergeeft al je misgrepen, Hij geneest al het leed dat je lijdt;

je leven koopt Hij vrij van het graf, en kroont je met liefde en erbarmen.

De HEER maakt waar wat Hij heeft beloofd: Hij komt op voor het recht van de onderdrukten.

Hij openbaart zijn wegen aan Mozes, maakt aan Israëls kinderen zijn daden bekend:

barmhartig de HEER en genadig, geduldig, en in liefde groot.

Als de hemel boven de aarde, zo hoog welft zijn liefde boven degenen die Hem vrezen.

 

"Ik daal af om mijn volk te bevrijden".

Als de roeping van Mozes al niet uniek is in de geschiedenis, het verhaal ervan is het zeker. Mozes is als baby door een list behouden gebleven en opgevoed als een koningszoon. Via een stommiteit van een van zijn geloofsgenoten moet hij vluchten, geraakt in de woestijn, en ver in de woestijn, bij de berg van God, gebeurt het. Zijn aandacht wordt getrokken door een vreemd verschijnsel en naderbij gekomen wordt zijn naam genoemd, en wel tweemaal: "Mozes, Mozes!" Als in de bijbel een naam tweemaal wordt genoemd is er iets bijzonders aan de hand. ("Abraham, Abraham", waag het niet een vinger naar die jongen uit te steken; "Samuël, Samuël", je hoort het echt goed, Ik roep je; "Marta, Marta",  Maria heeft het betere deel; "Simon, Simon, de satan heeft geëist …". "Mozes, Mozes!")  Mozes geeft antwoord en dan blijkt dat het gaat om heiligheid, 'De Heilige spreekt tot jou' - een ontdekking bij de berg van God, bij de brandende struik, op heilige grond. Het blijkt niet alleen te gaan om heiligheid ter aanbidding, ook om heiligheid die zich bekommert om onrecht, De Heilige bekommert Zich.

 

Realiseren we ons wat hier wordt verteld, wordt beweerd. Er is geen briefje uit de hemel komen vallen of een postduif met een berichtje komen aanvliegen of wat dan ook. Er is niets meer dan een mens die zegt wat er is gebeurd, wat hij heeft meegekregen. Er is geen verifieerbaar gegeven dat rechtvaardigt t.o.v.  anderen. Het gaat dan ook om geloof, om iets dat niet te bewijzen is, maar om een overtuiging, een zicht, en vervolgens om inzet. Een mens ervaart Gods nabijheid, "Ik ben de God van uw vader", heel persoonlijk en indringend; en als die Nabijheid inderdaad God is, moet Die Zich ook betónen als een maximaal wezen en het goede bewerken.

Zo'n inzicht geldt niet alleen voor Mozes, het geldt voor de Joden die toen in verdrukking leefden, het geldt voor iedere gelovige, ook voor ons nu zo'n 3000 jaar later. Ook Mozes zelf krijgt geen garantie dat het wel goed zit. Pas als hij met de Joden uit Egypte weg is, zal hij het merken nl. wanneer zij hun God op de Horeb aanbidden. De enige garantie die Mozes heeft is zijn eigen overtuiging.

Het enige dat hij kan aanbieden aan de Israëlieten, is de Naam, een nieuwe naam "JHWH": "Hij is". Tegen hen moet hij zeggen "Híj-is zendt mij tot u". Maar De Heilige noemt Zich voor hem persoonlijk in de eerste persoon: "Ík ben waarvan geldt 'ik-ben'.

Ik ben van wie geldt 'ik-ben' m.a.w. je hoeft niet verder te zoeken dan Mij. IK ben het begin en het einde van het zijn, ik ben de zijnde. Ik ben al het goede dat je maar kunt bedenken, de Eeuwige en de Heilige. Mozes spreekt met zijn Oorsprong, de Bron van zijn zijn, zoals hij graag wil zijn, goed wil zijn. Later wordt gezegd dat hij van aangezicht tot aangezicht spreekt. Twee personen tegenover elkaar, de Een t.o.v. de ander: "Ik ben". Is er meer mogelijk?

Vervolgens: als God de Goede is, is HijZ ook de rechtvaardige en de barmhartige en zal HijZ Zich dus bekommeren om onrecht. Dan is HijZ er om Zich te betonen, dan laat HijZ zien dat HijZ bestaat: "Ik daal af om Mijn volk te bevrijden." In hun nood krijgt de nieuwe naam inhoud: Ik, JHWH, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jakob, Ik jullie God, JHWH: Hij-is-er, de Levende.

 

"Verheerlijk mijn ziel, JHWH, Zijn Heilige Naam, uit het diepste van uw wezen. Verheerlijk mijn ziel de Heer, vergeet Zijn weldaden niet. Hij is het die u geneest, Hij is het die u redt, hij is het die u omringt met zijn gunst en erbarmen". Het is hun gebed van toen, toen ze gered waren uit hun nood. Zo hebben ook wij hier en nu gebeden in de tussenzang. Het moge een dankgebed zijn voor wie zich veilig voelt; het moge een gebed van hoop zijn voor wie daarnaar uitziet. De Heilige, de Levende.

 

Maar de psalm gaat verder: "Zo wijd als de hemel de aarde omspant, zo alomvattend is Zijn erbarmen". Meer dan 1000 jaar na de bevrijding uit Egypte daalde God weer af, nu met de naam "God redt". Nu niet zozeer redding uit slavernij als wel redding uit uitzichtloosheid. Hij de die Naam draagt "God redt" verkondigt het grote nieuws van vergeving, in het vervolg van de doop tot bekering van vergeving van zonden in de Jordaan. Wie schuldig is, mag op vergeving rekenen als hij berouw heeft.

 

Als mensen Jezus komen vertellen over wat die Galileeërs is aangedaan, denken ze vanzelf aan een straf voor een schuld. En een ongeluk dat anderen bij die toren overkwam, impliceert ook een straf. Jezus pakt direct de koe bij de horens: denk niet dat jullie dus geen schuld hebben omdat jullie niets is overkomen. Bekering misstaat jullie niet.

Maar Jezus zet hen niet met schuld in een hoek vast. Hij heeft hij in gedachte:"Zo wijd als de hemel de aarde omspant, zo alomvattend is Zijn erbarmen" en hij vertelt hoe God graag vergeeft. De heer zoekt in de vijgenboom, die op arme grond al vrucht geeft, naar vruchten en als hij voor de derde keer geen vrucht vindt, moet de boom weg. Logisch. Maar geldt dat nu ook voor juist die ene boom? Heel persoonlijk zal de Wijngaardenier hem verzorgen; we zijn geneigd om te zeggen dat hij persoonlijk met de boom zal praten en zal toefluisteren: "Ik ben er, we redden het wel." Net zo intens, net zo zeker, als "Ik ben van wie geldt 'ik-ben' ".

Maar als nou, ja als dat nu niet helpt? Dan zégt de Wijngaardenier tegen de heer:"Dan hakt u hem maar om" en hij dénkt: "ík doe het niet".

Zijn wij zulke zondaars dat wij zo'n aansporing, zo'n ruimte tot bekering nodig hebben? In ieder geval: zij misstaat niet. Zo'n aansporing om ons meer tot onze God te wenden richting Pasen is altijd goed. We mogen ons zeker weten van Jezus' hulp, hij heeft het doorstaan. Een aansporing om 'Zijn erbarmen de aarde laten omspannen' mag er ook zijn. Zo betoonde JHWH zich voor Zijn volk. Zo kunnen wij die Stem waar maken. Mogen wij zelf diezelfde Stem als Mozes hoorde op een nieuwe manier horen via Jezus "Ik ben er, we redden het wel." Via Jezus is het niet alleen "Hij-is-er" maar ook "Ik ben het".

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als je jong bent, heb je niet altijd rust en geduld om te luisteren en al helemaal niet naar een stem die in de woestijn moet roepen. Maar als je een gegeven moment denkt dat je iets ziet, iets vermoedt of iets hoort wat je raakt … misschien is een tijd als deze goed om daarover te praten of na te denken. Het heilige hoeft niet ver weg te zijn, het kan jou ook raken. Je herkent het wel, want het ligt al in je.

 

De eerste zondag dachten we aan een stem die die boer hoorde. Zegt Jezus' stem ons … ? De vorige week klonk het "Luistert naar Hém". Zullen we nu proberen te luisteren en te horen?

 

Vierde Zondag in de veertigdagentijd C 25 maart '01; '04; ('07)
Joz 5, 9a.10-12; psalm 34; Lc 15, 1-3.11-32

Psalm 34

De HEER wil ik altijd prijzen, ik zing steeds een loflied op Hem.

Ik juich om de HEER, laat de armen er verheugd naar luisteren.

Prijs de HEER tezamen met mij, laat ons zijn naam verheerlijken.

Toen ik de HEER zocht, gaf Hij antwoord, van al mijn angsten heeft Hij mij verlost.

Wie naar Hem opzien stralen van geluk, geen blos van schaamte kleurt hun gelaat.

Deze arme mens riep, en de HEER gaf gehoor, Hij heeft mij bevrijd uit al mijn noden.

 Proef en geniet: hoe zoet is de HEER.

 

Wie eens op een of andere manier een nieuw leven is begonnen, kan zich voorstellen wat de Joden hebben gevierd in Gilgal. Ze zijn uit Egypte gegaan na de nodige spanning en dreiging, de Rietzee heeft hen beschermd, ze zijn door de woestijn getrokken met veel ongemak, hebben zich door vijandig gebied heen geslagen, zijn droogvoets door de Jordaan gegaan en nu zijn ze er, in het Beloofde Land, nieuw leven. De smaad van Egypte, van slavendienst, is afgewenteld en ze kunnen nu vrij naar hun God toe leven; de mannen worden besneden, ze zijn hun Heer toegewijd, het is lente en ze vieren het Paasfeest, nieuw leven. De ouderen onder ons die de bevrijding hebben meegemaakt, kunnen zich hierbij wel iets voorstellen maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat jongeren geen eigen ervaring in die richting hebben.

Ze vieren ook nieuw voedsel. Het brood dat ze eerder hadden is niet meer nodig, ze willen het zelfs niet meer als zuurdesem gebruiken want het nieuwe moet helemaal nieuw zijn. Het oude heeft afgedaan, nieuw voedsel van het nieuwe land zelf. Is het dan nog verwonderlijk dat zij hun grond als heilig beschouwen? Dankbaar gedenken ze het manna dat hen in leven heeft gehouden. Zo was hun Heer bij hen; hun God die heet 'Hij-is-er-altijd' -ook in de woestijn- heeft hun roep om brood gehoord en hen wonderlijk gevoed.

In de tussenzang hebben we gebeden/gezongen "Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer en redt hen uit hun ellende"/"Hij heeft hen verlost uit hun noden, de Heer helpt de gebrokenen van hart, die verslagen van geest zijn bevrijdt Hij". Wie eens op een of andere manier een nieuw leven is begonnen, kan dat meezingen/meebidden. Misschien is dat wel nu gebeurd.

 

Wat Jezus doet is ook nieuw en wel zo nieuw dat "tollenaars en zondaars van allerlei slag" kwamen luisteren. 'Luisteren' want ze hadden iets opgevangen dat kennelijk nieuw was voor hen. Niet voor de Farizeeën en Schriftgeleerden, die het zo goed wisten: die man ontvangt niet alleen maar eet ook nog met hen, hij treedt in gemeenschap: hoogst ongewoon, niet vernieuwend. Maar Jezus had weldegelijk iets nieuws te brengen, iets nieuws dat levend maakte, leven teruggaf. Lucas vertelt dan de vergelijking van de verloren drachme, het verloren schaap en ook dat schitterende verhaal van de verloren zoon - de vergevende vader. "Een man had twee zonen." Dat is zo'n zin die staat als een gedenksteen, net als bij de barmhartige Samaritaan "Iemand daalde af van Jeruzalem naar Jericho" en "Een zaaier ging uit om te zaaien". Een begin-zin: er gaat wat gebeuren.

Een man had twee zonen en de jongste wilde het zelf wel eens doen. Hij ging ver weg en verkwistte zijn erfdeel. Dan geraakt hij in de woestijn van ellende, "zwierf rond" zegt de nieuwe vertaling en hij moet van armoede varkens hoeden. Varkens ! Hij komt tot de ontdekking dat hij de overvloed, genoeg te eten, van zijn beloofde land kwijt is, het leven bij zijn vader. Het Rijk der hemelen. Dan gaat terug op basis van een verstandelijke redenering: hij heeft het daar als dagloner beter. Hij gaat en zijn weg terug kun je ook een boetetocht noemen. Hij wil geen excuses aanbieden om het weer te hebben als vroeger, hij neemt zijn verantwoording - zoals dat heet - en bekent schuld: "Ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u".

Dat hij tegen zijn vader heeft gezondigd, ligt min of meer voor de hand, want hij heeft diens bezittingen, zijn eigen erfdeel, verbrast, is er bepaald niet 'eerbiedig' mee omgesprongen. Maar hij heeft ook gezondigd tegen de hemel. Klinkt hier niet "Eert uw vader en moeder" door? Hij gaat ver weg van zijn vader, heeft hem niet meer nodig, wil anders staan in een ver-wegland, hij ont-kent zijn vader, ont-eert hem ten onrechte. Een betekenis die je ook daaraan kunt toedenken is dat het verkwisten een daad tegen de hemel is, a-gerecht, een gerechte verkwist niet, hij viert wel feest maar verkwist niet. Is dat voor ons, onderweg naar Pasen, niet een punt om op te letten?

En dan die vader! dat is pas een vader! Hij ziet hem al van verre komen. Hebben wij, vaders en moeders, nooit op de uitkijk gestaan? Dat een moeder door medelijden wordt bewogen, vinden we al gauw voor de hand liggen; zo zijn moeders. Als een vader door medelijden wordt bewogen ... toont God dan niet hoe Hij is? Hij wacht niks af en rent meteen naar zijn zoon en liefkoost hem - nog voordat de jongen iets heeft gezegd: medelijden, liefde, stelt geen voorwaarde, zij is spontaan. Zo is de Vader in de hemel. De jongen is nu eerlijk, gerecht; hij denkt niet van 'Goddank, ik ben er goed van af gekomen', hij bekent zijn schuld en daarmee herstelt hij zijn openheid t.o.v. zijn vader, die hem prompt nieuw leven geeft, zijn Beloofde Land hergeeft: met een feestkleed. Feest, want het is nu nog beter tussen hen dan eerst. Beiden beleven zij bewuster dan eerst wat hen bindt. De smaad is afgewenteld, de schande voorbij. Hij staat weer op eigen grond.

Nu komt het tweede motief: de oudste zoon had gelijk. De afspraak was ieder de helft en als zijn broer zijn helft heeft 'besteed', moet hij dat weten, daar heeft hij, de oudste niets mee te maken. Hij wordt vergeleken met zijn broer onrechtvaardig behandeld en wil niet delen in de vreugde. Als die knecht nou niet had gezegd dat het (!) - het speciaal voor een feest bestemde kalf geslacht was, was hij misschien nog uit belangstelling mee naar binnen gegaan maar het probleem ligt meteen compleet op tafel: hij voelt zich teruggesteld. Te recht. Wat evenwel de oudste niet snapt of weet of niet kent is dat barmhartig­heid, medelijden, boven recht uit kan gaan.

We kennen het wel: na een ruzie of zo het zonder voorwaarde weer goed willen maken en dan respons krijgen. Dat geeft opluchting maar haalt ook iets van Boven op aarde: 'weest barmhartig want  uw hemelse Vader is barmhartig', dan heb je iets van Hem.  Dat is een heel menselijke ervaring, dat kan een feest zijn. God is wel rechtvaardig maar nog barmhartiger. Is dat niet iets voor ons, die die stem, dat woord van barmhartigheid willen horen, voor het Rijk der hemelen? Een Vader die naar buiten komt om te vragen of we a.u.b. niet binnen willen komen. "Proeft en geniet: hoe zoet is de Heer."

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In onze maatschappij gaat het er vaak hard aan toe en in de wedloop naar succes moet je geen doetje zijn. Maar soms is er aanleiding om die vader in de gaten te houden, soms is barmhartigheid te recht, gerecht, en kan het goed zijn om niet op je rechten te staan maar dat recht van het Rijk der hemelen voorrang te geven. Wedden dat je je dan 'voelt'? Zo is de Vader ook.

 

Ook al zijn we geen notoire verbrassers, ook voor ons geldt het thema 'op de uitkijk staan om nieuw leven te geven, maar ook teruggaan om nieuw leven te ontvangen'; richting Pasen. Ook een omwenteling. Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen daarover na te denken?

 terug naar begin pagina

 

Vijfde zondag veertigdagentijd C 28 maart ’04 ('07)

Jes 43, 16-21; psalm 126; Joh 8, 1-11

Psalm 126

Toen de HEER het tij voor Sion liet keren, was dat voor ons als een droom.

Onze mond bleef lachen, onze keel bleef zingen.

En de volken erkenden: 'De HEER verricht wonderen voor hen.'

Ja, wonderen verrichtte de HEER voor ons; wij waren buiten onszelf van blijdschap.

Laat het tij voor ons keren, HEER: een waterloop in de woestijn gaat weer stromen.

Degene die in tranen zaait zal blij zingend de oogst binnenhalen.

Degene die in tranen op weg gaat, de zaaizak om de schouder,

zal blij zingend naar huis teruggaan met schoven op zijn rug.

 

Israël kent twee grote heilsfeiten: de uittocht uit Egypte met als hoogtepunt de tocht door de Rietzee,  gevolgd door de tocht door de woestijn, de doortocht door de Jordaan, t/m de vestiging in Kanaän. Het tweede grote gebeuren is de terugkeer uit de ballingschap. Het verblijf met haar gevolgen in Egypte kun je nog een ontwikkeling noemen die niet zo goed verliep, de ballingschap waren ze zelf schuld - vonden zij - omdat ze zich niet aan het Verbond hadden gehouden. Maar in die ballingschap hebben zij ervaren dat hun God ook toen bij hen was: Hij hield Zijn Naam in ere -  JHWH: Hij is er altijd. Tegen de tijd dat hun schuld uitgeboet is, staat een profeet op als Jesaja, van wie we nu hebben gelezen. De Heer die door de zee een weg legt, die zegt dat dàt verleden tijd is: nu er komt iets compleet nieuws, merk je het niet? - een weg door de steppen zodat Zijn volk naar huis terug kan gaan, een rivier door de woestijn zodat het zich kan laven op zijn tocht. Alles goed, zodat het volk, dat HijZ Zich heeft gevormd, Zijn lof verkondigt.

 

Het lijkt wel of die heilsfeiten altijd geldig zijn, voor alle volken, voor iedereen. Mensen en volken komen ook nu in een ongelukkige situatie terecht door het kwade, mensen en volken zullen ook nu kunnen inzien en erkennen dat zij verkeerd gedacht en gehandeld hebben. Gods hulp en vergevingsgezindheid zijn zo groot dat HijZ ook voor hen uitweg biedt als ze maar willen luisteren naar Zijn stem, Zijn Naam als de Gerechte willen honoreren. "Degenen die in tranen op weg gaat, de zaaizak om zijn schouder, zal blij zingend naar huis teruggaan, met schóven op zijn rug". Dat moge ook nu gelden. We kunnen ervoor bidden.

 

Er is nog een derde heilsfeit dat helaas niet heel Israël heeft gezien. God legt nu geen rivier of wat dan ook, HijZ heeft weer iets nieuw, iets compleet nieuws: HijZ is Zelf naar Zijn volk gekomen, met een nieuwe naam: Josjoewa, God redt. God redt weer, God redt altijd, HijZ is nu eenmaal ook mensenredder die Zijn schepsels niet laat verkommeren. Nu lazen we dat Jezus zichzelf redt uit de strikvraag van de schriftgeleerden en Farizeeën, hij redt ook die vrouw.

Zichzelf redden uit de strikvraag van de schriftgeleerden en Farizeeën zal hem niet zoveel moeite hebben gekost. Ze zijn als "heel de macht van het leger" en zullen "als een vlaspitje uitgaan". De lafbekken die een vrouw misbruiken om er zelf beter van te worden, om te scoren, om hem vast te zetten. Zij zijn niet uit op het handhaven van de wet van Mozes, op gerechtigheid, ze misbruiken de schrift waarin ze zo geleerd zijn voor eigen belang. Daarvoor moet je net bij Jezus komen! Soms vaart hij tegen dat soort mensen uit, nu zet hij hen zelf te kijk in hun onwaarachtigheid en verliezen ze hun gezicht: als je het zo goed weet, als je zo bezorgd bent om de Wet, gooi je maar de eerste steen. De oudsten gaan het eerst.

Waarom zijn ze niet aankomen zetten met de man die de echtbreuk pleegde? Zou het soms zijn dat Jezus dan niet in een verleiding gekomen zou zijn en desnoods ook nog zou hebben geholpen om te stenigen? Dan hadden ze geen succes. Redelijkerwijs weten ze dat Jezus als man gevoel heeft voor vrouwen en dus zou twijfelen. Dan hadden ze hem te pakken.

Zeg maar eens dat Jezus geen gevoel had voor vrouwen. Zie de vrouw voor wie hij opkomt tegen n.b. zijn gastheer in: de notoire zondares, die zijn voeten wast met haar tranen en ze met heur haar droogt en ze zalft met kostbare olie. Zou hij voor zo'n typisch vrouwelijk gebaar, zo'n vrouwelijke insteek, niet gevoelig zijn? "Haar wordt veel vergeven omdat zij veel heeft bemind". Hoe wist hij dat?

 

Nu redt hij ook de vrouw die zij bij hem brengen. Eigenlijk is het een heel spannend tafereel. Hij zwijgt, maar niet passief, en tekent wat in het zand terwijl iedereen op hem kijkt. Hij zegt pas wat als het niet anders kan. Zij druipen af en ze blijven samen over, hij en de vrouw. De vrouw is blijven staan, ze maakte zich niet uit de voeten. Zou hij, die zijn leerlingen aankeek op belangrijke momenten, zou hij haar niet aangekeken hebben? Er staat niets over berouw van de vrouw of vergeving van zonde, maar zou Jezus niet uit haar houding opmaken dat zij op hem hoopte en vertrouwde en hij dus op haar? Hij veroordeelt haar ook niet. Alleen maar uit medelijden omdat ze haar misbruiken, zoals ze ook met hem willen doen? Zou dat ook niet kunnen komen doordat hij weet van menselijke hartstocht die hunkert naar expressie, naar liefde, naar ontvankelijkheid? Dat kapt hij in ieder geval niet af maar wijst haar wel terecht dat zij niet meer moet zondigen. Hij oordeelt wel maar veroordeelt niet. Hij spreekt het bevrijdend woord. "Ik veroordeel u ook niet". Denken we daar niet bij 'Ik begrijp u'? Zijn stem, die redt. Hij durft op een nieuwe manier met de Wet om te gaan. Gevoelig en barmhartig. "Zie, Ik ga iets nieuws maken". Hoop gaat als een waterstroom door haar heen stromen, lafenis voor een dor land. Leven aan Hem.

 

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als je jong bent, wil je van alles nieuw maken en nieuw doen. Dat is goed, de wereld en de Kerk moeten nieuw blijven. Maar zie in deze veertigdagentijd ook dat nieuwe in het licht van Pasen, de opstandig die Jezus heeft verworven, anders nieuw dan hij zelf wellicht had gedacht, gelouterd, in eredienst.

 

Op weg naar Pasen van Jezus met een God die menselijke hunkering begrijpt, die zelf hunkert. Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?

 

Gerrit Achterberg "En Jezus schreef in het zand"

 

 

Palm- of Passiezondag in het jaar C   3 april 2004
Lc 19, 28-40; Jes 50, 4-7; psalm 22; Lc 22, 14 - 23, 56.

Psalm 22

Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?

Iedereen die mij ziet lacht en spot met mij, gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:

'Hij bouwt op de HEER, die zal hem redden, die zal hem bevrijden, Hij houdt toch van hem.'

De honden staan al om mij heen, een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,

ze hebben mijn handen en voeten doorboord.

Mijn beenderen kan ik tellen, één voor één;

Zij verdelen mijn kleren onder elkaar en dobbelen om wat ik aan heb.

HEER, houd u niet ver van mij; mijn kracht, haast u en help mij.

Ik zal uw naam verkondigen bij mijn broeders en zusters, en U prijzen in de gemeenschap:

Wie de HEER vreest, prijs Hem, alle nazaten van Jakob, eer Hem,

alle nazaten van Israël, vrees Hem,

 

De naam zegt het al: palm of passie, zegenroep of angstkreet. Het is beide: uitroepen van vreugde en gebed in angst, vredesboodschap en onrecht, sterkte en bekoring. Die tegenstellingen lopen door de hele viering heen.

Je kunt zeggen dat de drie synoptici hun evangelie hebben opgebouwd als de tocht van Jezus vanuit Galilea naar Jeruzalem. Een profeet hoort in Jeruzalem thuis; als hij moet sterven, dan daar. Nu is het zover: zijn leerlingen inclusief zij die van Galilea naar Jeruzalem waren gekomen om het Paasfeest te vieren, verwelkomen hem enthousiast en roepen juichkreten "Gezegend de koning die komt in de Naam van de Heer". Jezus belichaamt de "vrede die in de hemel heerst" en daarom "maximale eer aan God". Maar een paar dagen later spelen de tempelkliek en Sadduceeën het klaar om Jeruzalemmers op te hitsen zodat zij hem kunnen doden, laten doden aan een Romeins straftuig, een kruis dat voor misdadigers en rebellen werd gebruikt. Ze willen hem uitschakelen als een godslasteraar omdat ze bang zijn voor het volk. Geschreeuw gaf de doorslag. Hij die komt als vredebrenger, niet als een koning op zijn strijdpaard of in een strijdwagen door paarden getrokken, maar op een veulen. Zo voorzag de profeet Zacharia de komst van de Messias in Jeruzalem. De vredesman wordt vermoord.

 

In de lezing van Jesaja zien we hoe de 'Dienaar van de Heer' sterk staat omdat zijn God, de Heer - heel plechtig - hem als Zijn leerling de gave van het woord heeft geschonken.  En elke morgen luistert hij met volle overgave. Hij is zo sterk dat hij zelfs zijn rug bood aan degenen die slaan. Zo sterk is hij ... In de tussenzang zongen/baden we de angst "God, mijn God, waarom toch?" Tegenstellingen die we uit eigen ervaring wel kennen.

Nadat Jezus gedurende het laatste Avondmaal heeft laten zien dat hij altijd bij zijn volgelingen wil zijn en hoe hij bij hen wil zijn, dat hij degene is die dient omdat zijn leerlingen hem trouw zijn gebleven in zijn moeilijke perioden - daarna moet hij tegen Petrus zeggen dat Petrus hem zal loochenen.

 

Maar vanaf de Hof van Olijven is Jezus de sterke. Een engel is hem komen sterken: hij heeft zijn oor geopend, hij heeft geluisterd naar wat God de Heer, tot hem te zeggen had. 'De Heer heeft gesproken'. Hij waarschuwt zijn leerlingen om het onheil onder ogen te zien, niet in slaap te vallen. Hij waarschuwt voor de bekoring het af te laten weten. Als iemand een van zijn belagers een oor afslaat, geneest hij de man weer opdat hij nog kan luisteren en dat ene woord moge horen dat voor hem geldt. Zo houdt Jezus de weg naar bekering open.
Jezus geeft indirect antwoord op de cruciale vragen, hij weerstaat de bekoring om eronder uit te komen. De Heer heeft immers tot hem gesproken. Hij maakt voor het Sanhedrin aanspraak op de ereplaats aan Gods rechterhand en zegt ronduit dat hij de Zoon van God is. Ook tegenover Pilatus, een 'heiden', krabbelt hij niet terug. Hij bepleit zijn zaak ook niet, hoewel de Joden een verdraaide voorstelling van het koningschap aan Pilatus geven.
Jezus weerstaat de bekoring om bij Herodes, die benieuwd was naar hem, een wonder te doen en zo een sympathie te winnen en de aanklachten te ontkrachten.
Op zijn tocht naar Golgotha denkt Jezus meer aan de vrouwen dan aan zichzelf: beklaag jezelf maar. Spreekt de Heer dan niet?
"Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen". Zo houdt hij de mogelijkheid open voor de Vader om vergeving te schenken. En voor de misdadiger 'Heden nog zult gij met mij zijn in het paradijs' - dan heeft de Heer ook gesproken.
En als toppunt van het spreken zegt hij zelf: "Vader, in uw handen beveel ik mijn geest".
Zelfs de Romein hoort het woord dat de Heer spreekt: 'Deze mens was een Gerechte'.

 

Wij mensen leven in ons leven passie en palm. Ongeluk overkomt ons, kwaad treft ons, we zwalken soms tussen verdriet en vreugde. Dat kennen we. Mogen we, jong en oud, uit het lijdensverhaal de hoop putten, de deugd van de Hoop, dat op een of andere manier de Heer tot ons spreekt, dat we samen met Jezus sterk zijn. Bang zijn we toch; de held die niet bang is, is geen held. Hij en zij die doorgaat en die op een of andere manier weet dat Jezus degene is die ons dient - ons dient met zijn woord, zijn sterkte - die kan de held zijn, de heldin. En doorgaan zoals de boer doorploegde.

 

Zullen we ons daarvoor een paar minuten tijd gunnen?

 

 

Paaswake C  7 april '07

Gen 1, 1.26-31a; Gen 22, 1-8; Ex 14.15 - 15,1; Jes 54, 5-14; Jes 55, 1-11; Bar 3, 9-15.32-44;  Ez 36, 16-28; Rom 6, 3-11; Lc 24, 1-12

Genesis

In het begin schiep God de hemel en de aarde.

En God zei: `Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.' En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. God zegende hen, en God sprak tot hen: `Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.'

En God zei: 'Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan jullie, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij zullen jullie tot voedsel dienen. Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels van de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan alles wat dierlijk leven heeft, geef Ik al het groene gewas als voedsel.' Zo gebeurde het. God bekeek alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was.

Psalm 33

De aarde is vol van Zijn mildheid .

Oprecht is het woord van de HEER, alles wat Hij doet getuigt van trouw.

Hij staat voor een rechtvaardig en vast bestel; de aarde is vervuld van de liefde van de HEER:

de hemel is gemaakt door het woord van de HEER,

heel het heir van de sterren door de adem van zijn mond;

als in een kruik verzamelt Hij het water van de zee en in kelders bergt Hij de oceanen.

Gelukkig het volk waarvan de HEER god is, de natie die Hij tot zijn erfdeel koos.

Vanuit de hemel kijkt de HEER neer, Hij ziet al de kinderen van de mensen;

Vol vertrouwen zien wij uit naar de HEER, Hij is ons schild, Hij is onze helper.

Uw liefde, HEER, zal over ons komen: wij wachten, wij wachten op U.

 

Genesis

Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: 'Abraham.' En hij antwoordde: 'Hier ben ik.' Hij zei: 'Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die u liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.'  De volgende ochtend zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna ging hij op weg naar de plaats die God hem aangewezen had.  Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen. Toen zei Abraham tegen zijn knechten: 'Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.'  Daarop liet Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen op weg. Toen zei Isaak tegen zijn vader Abraham: 'Vader.' Hij antwoordde: 'Hier ben ik, mijn zoon.' Isaak zei: 'Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?'  Abraham antwoordde: 'God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.' En samen gingen zij verder.

Psalm 16

Bescherm mij, o God, ik neem mijn toevlucht tot U.

Nee, de HEER is mijn erfdeel, mijn levensbeker, mijn lotsbestemming ligt in uw handen;

Ik houd de HEER voor ogen, de HEER altijd, Hij staat mij terzijde en ik wankel niet.

Mijn hart is dan ook verheugd, mijn innerlijk jubelt, mijn lichaam kent geen zorgen,

want U geeft mijn leven niet aan het dodenrijk prijs,  U laat uw vrome het graf niet zien.

U maakt mij vertrouwd met de weg naar het leven,

met overvloedige vreugde bij U, met groot geluk aan uw rechterzijde, voorgoed.

 

Exodus

Toen sprak de HEER tot Mozes: 'Wat roept u Mij toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken. Uzelf moet uw hand opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en haar in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik mijn heerlijkheid bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners.  De Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEER ben, als Ik mijn heerlijkheid bewijs ten koste van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.'

De engel van God die aan de spits van het leger van de Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op. Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten in te staan. De wolk bleef donker zodat het die nacht niet tot een treffen kwam.

Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de HEER liet die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren splitsten. Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden.

De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in.  Tegen de ochtendwake richtte de HEER vanuit de vuurzuil en de wolkkolom zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring.  Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen, zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: 'Laten we vluchten voor de Israëlieten, want de HEER strijdt voor hen tegen ons.'

Toen sprak de HEER tot Mozes: 'Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners.' Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. En omdat de Egyptenaren er tegenin vluchtten dreef de HEER hen midden in de zee.  Het water dat terugvloeide overspoelde de wagens en de wagenmenners, heel de strijdmacht van de farao die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Er bleef er niet één gespaard.

De Israëlieten trokken over de droge bodem van de zee, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. Zo redde de HEER op deze dag Israël uit de greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. Toen Israël het machtige optreden van de HEER tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor de HEER; zij stelden vertrouwen in de HEER en in Mozes, zijn dienaar.

Toen zongen Mozes en de Israëlieten ter ere van de HEER dit lied:

Ik wil zingen voor de HEER, want Hij is de Hoogste: paard en berijder dreef Hij in zee.

De HEER is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geweest.

Hij is mijn God en Hem wil ik loven; de God van mijn vader, Hem zal ik prijzen.

De HEER is een strijder, HEER is zijn naam.

De wagens van de farao, zijn machtige legers, Hij wierp ze in zee;

de keur van zijn mannen, door de Rietzee verzwolgen.

Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt.

Uw hand, HEER, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand neer.

U hebt hen gebracht, U hebt hen geplant op de berg die uw domein is,

waar U, o HEER, uw verblijf hebt gevestigd, het heiligdom, Heer, dat uw hand heeft gemaakt.

De HEER is koning, voor altijd en eeuwig!

 

Jesaja

Want Hij die u gemaakt heeft is uw man, de HEER van de machten is zijn naam,

en uw verlosser is de Heilige van Israël, die de God van heel de aarde heet.

Want u was een verstoten en zielsbedroefde vrouw toen de HEER u riep;

verstoot een man soms de vrouw van zijn jeugd?' zegt uw God.

'Een kort ogenblik heb Ik u in de steek gelaten, maar met groot medelijden breng Ik u weer bijeen.

In een stortvloed van toorn heb Ik een ogenblik mijn gezicht voor u verborgen, maar met eeuwige liefde ontferm Ik mij over u', zegt de HEER, uw verlosser.

Het is voor Mij zoals in Noachs dagen:

zoals Ik toen gezworen heb dat de wateren van Noach de aarde nooit meer zullen overstromen,

zo zweer Ik dat Ik nooit meer kwaad zal zijn op u, nooit meer schelden zal op u.

Al wijken de bergen en wankelen de heuvels,

mijn gunst wijkt niet van u, en mijn vredesverbond wankelt nooit',

zegt de HEER, uw Ontfermer.

U, ongelukkige, opgejaagd en niet bemoedigd,

Ik leg uw stenen op kleurrijke mortel, en uw grondvesten op saffier;

Ik maak uw muurschilden van robijn, uw poorten van karbonkelsteen,

en heel uw ringmuur van kostbaar gesteente.

Al uw kinderen worden dan door de HEER onderricht, en voor uw kinderen zal er diepe vrede zijn;

op een fundament van gerechtigheid wordt u gebouwd.

Houd u ver van onderdrukking, want u hoeft niet bevreesd te zijn;

ver ook van verschrikking, want zij zal u niet naderen.

Psalm 30

Ik prijs U hoog, HEER, want U hebt mij uit de put omhoog gehaald;

geen vijand kan nog om mij lachen.

Uit het dodenrijk hebt U mij opgehaald,

HEER, U hebt mij opnieuw laten leven en mij weerhouden van de weg naar het graf.

Zing voor de HEER, jullie, zijn getrouwen, loof zijn heilige naam;

al duurt zijn toorn één moment, daarop volgt zijn liefde, een leven lang;

al duurt het verdriet een avond lang, daarop volgt een ochtend vol vreugde.

Luister, HEER, ontferm u over mij, laat zien dat U mijn helper bent.'

En wat hebt U gedaan?

mijn klacht in reidans omgezet, mijn rouwkleed genomen en een feestkleed gegeven.

HEER, mijn God, U zal ik voor altijd eren.

 

Jesaja

Kom, wie dorst heeft, hier is water; en allen die geen geld hebt,

 kom, koop koren en eet zonder geld, en drink wijn en melk zonder betaling.

Waarom besteedt u geld aan wat geen  brood is, en loon aan iets dat niet verzadigt?

Luister aandachtig naar Mij, en u zult eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs.

Buig uw oor en kom naar Mij, luister en u zult leven;

een eeuwig verbond zal Ik met u sluiten, de gunstbewijzen die Ik aan David heb gezworen.

Zie, hem had Ik tot getuige voor de volken aangesteld, tot vorst en gebieder over de volksstammen.

Zie, een volk dat u niet kent roept u op, en een volk dat u niet kent, snelt op u af,

omwille van de HEER uw God, en wegens de Heilige van Israël, omdat Hij u luister heeft verleend.

 

Zoek de HEER, nu Hij te vinden is, roep Hem aan: Hij is dichtbij.

De goddeloze moet zijn weg verlaten, de boosdoener zijn gedachten,

en terugkeren naar de HEER, die zich over hem ontfermen zal;

naar onze God, want Hij vergeeft rijkelijk.

 

Want uw gedachten zijn niet mijn gedachten, en mijn wegen zijn niet uw wegen

- godsspraak van de HEER.

Want zoals de hemel hoger is dan de aarde,

zo gaan ook mijn wegen uw wegen te boven, en mijn gedachten uw gedachten.

Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen

en pas daarheen terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt,

haar hebben bevrucht en met planten bedekt,

wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de eter,

zo zal het ook gaan met mijn woord.

Het komt voort uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug,

maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt,

en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden.

Jesaja 12

Ik loof U, HEER; U was woedend op mij, maar uw woede is bedaard en U hebt mij getroost.

God is mijn redding! Ik vrees niet, ik ben vol vertrouwen:

de HEER is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geworden.'

En u zult vol vreugde water putten uit de bronnen van de redding.

'Loof de HEER, roep zijn naam,

maak onder de volken zijn daden bekend,

verkondig zijn hoogverheven naam.

Zing voor de HEER, want Hij deed grootse dingen, laat het bekend zijn over heel de aarde!

Juich en jubel, bewoners van Sion: de Heilige van Israël is groot in uw midden!'

 

Baruch

Luister, Israël, naar de leer van het leven, luister goed en leer.

Waarom leeft u in een vijandig land en wordt u oud tussen vreemde volken, Israël?

Waarom bent u onrein als de doden, als de bewoners van de onderwereld?

 U hebt de bron van de wijsheid verlaten.

Als u op Gods weg was gebleven, dan had u voor altijd vrede gekend.

Waar verstand is, kracht en inzicht,

daar vindt u leven en lengte van dagen, licht voor de ogen en vrede.

Wie is degene die haar verblijfplaats vindt, wie dringt haar schatkamers binnen?

Alleen de Alwetende kent haar, zijn inzicht heeft haar ontdekt.

Voor altijd heeft Hij de aarde geschapen en met dieren bevolkt.

Het licht gaat op weg, wanneer Hij het uitzendt; het gehoorzaamt Hem bevend als Hij het terugroept.

Alle sterren stralen verheugd, elk vanaf zijn eigen plaats.

Hij roept en ze zeggen: `Hier zijn wij!' Vol vreugde stralen ze voor Hem die hen schiep.

Dit is onze God; niemand anders kan zich met Hem vergelijken.

Alle wegen naar kennis komen van Hem;

Hij heeft ze aan zijn dienaar Jakob gewezen, Israël, die Hij liefhad.

Daarom is de wijsheid op aarde verschenen en leefde ze onder de mensen.

Ze is het Boek van Gods geboden, ze is de Wet die eeuwig duurt.

Degenen die haar onderhouden, verwerven het leven;

degenen die haar niet opvolgen, vinden de dood.

Bekeer u, Jakob, en houd eraan vast, koers naar de glans van haar licht!

Geef uw trots niet aan anderen prijs, geef uw voorrecht niet aan vreemden.

Gelukkig zijn wij, Israël: ons is geopenbaard wat God behaagt!

 

Psalm 19

Heer uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.

De wet van de HEER is volmaakt, een verademing voor de ziel.

Wat de HEER zegt is betrouwbaar, het maakt de eenvoudige wijs.

Wat de HEER voorschrijft is goed, een vreugde voor het hart.

Wat de HEER verordent is helder, een licht voor de ogen.

Wat de HEER zegt is zonder smet, het houdt stand voor altijd.

De voorschriften van de HEER zijn betrouwbaar, rechtvaardig allemaal;

en begerenswaardiger dan goud, dan een schat aan puur goud;

en zoeter dan honing, dan honing zo uit de raat.

 

 

Ezechiël

Het woord van de HEER werd tot mij gericht: 'Mensenkind, toen het volk van Israël nog op zijn eigen grond woonde, heeft het die door zijn wangedrag verontreinigd. Zijn gedrag was in mijn ogen even onrein als het menstruatiebloed. Omdat ze bloed vergoten hadden en het land door hun afgoderij verontreinigd hadden, heb Ik mijn woede op hen gekoeld.  Daarom heb Ik hen verspreid onder de volken en zijn ze verstrooid over de landen; naar hun wangedrag heb Ik hen gevonnist.  En bij alle volken waar ze kwamen schonden ze mijn heilige naam. Want men zei over hen: "Dit is het volk van de HEER, en toch heeft het zijn land moeten verlaten.''  Maar de eer van mijn naam ging Mij aan het hart, mijn heilige naam die door het volk van Israël ontheiligd is onder de volken waar ze gekomen zijn.

Zeg daarom tegen het volk van Israël: "Zo spreekt de Heer GOD: Ik ga ingrijpen, doch niet omwille van u, maar omwille van mijn heilige naam, die door u geschonden is bij de volken waar u terechtgekomen bent.  Ik zal voor mijn grote naam, die geschonden is onder de volken, die u bij hen geschonden hebt, weer eerbied afdwingen. Door u zal Ik aan de volken tonen dat Ik de Heilige ben; zo zullen ze erkennen dat Ik de HEER ben - godsspraak van de Heer GOD. Ik zal u terugvoeren uit de volken, u samenbrengen uit alle landen en u leiden naar uw eigen grond.  Ik zal u met zuiver water besprenkelen en u zult rein worden van al uw oneerlijkheid en van al uw afgoderij zal Ik u reinigen. Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u uitstorten; Ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en u een hart van vlees geven. Mijn geest zal Ik in u uitstorten en Ik zal ervoor zorgen dat u mijn wetten nakomt en mijn voorschriften nauwkeurig onderhoudt. U zult wonen in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb; u zult mijn volk zijn en Ik zal uw God zijn.

Psalm 42&43

Zoals een hinde om waterstromen schreeuwt, zo schreeuwt mijn keel naar U, God.

Mijn keel dorst naar God, naar de lévende God.

Wanneer mag ik bij God komen, en zijn aanschijn zien?

En ik laat mijn gemoed de vrije loop:

wanneer ik optrek in de stoet, met de anderen optrek naar Gods huis,

in een feestelijke stoet, waar alles van dankbaarheid zingt en danst.

Zend uw licht en uw trouw, zij zullen mij leiden, meevoeren naar uw heilige berg,

naar de tent waar U woont.

Dan ga ik op naar het altaar van God, van God, mijn enige blijdschap.

Van dankbaarheid zal ik zingen voor U, God mijn God, bij citerspel.

 

Romeinen

Weet u niet dat wij door de doop, die ons één heeft gemaakt met Christus Jezus, delen in zijn dood?  Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt°, een nieuw leven zouden gaan leiden. Want indien wij als het ware vergroeid zijn met zijn dood, moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding, in de overtuiging dat onze oude° mens met Hem gekruisigd is. Daardoor is aan het bestaan° in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer dienstbaar zijn aan de zonde.  Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

Indien wij met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. Want wij weten dat Christus, eenmaal uit de doden opgewekt, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem.  Door de dood die Hij is gestorven, heeft Hij afgerekend met de zonde, eens en voorgoed; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet u ook uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.

 

Alleluja, alleluja, alleluja

 

overweging

Ieder jaar weer lente, leven dat opnieuw begint, zonlicht, regen - het leven is niet tegen te houden, we maken het zelf mee, hebben er zelf deel aan. 'Ik leef' leeft in ons.

Lente roept ook het beeld op van de boer die ploegt, de korrel in de voor, het levenbrengend woord. Ieder jaar opnieuw de boer die voort ploegt, die een stem hoorde. Ieder jaar weer: 'mensen, waar moet dat naar toe?' Mensen, wij mensen, waar gaan wij naar toe? Waar leven wij naar toe? Kun je ook vragen waar komen we vandaan?

Wij kennen een heel oude geloofsbelijdenis, die vooraan begint: Gód schiep hemel én aarde, dus ook ons mensen. Dat is het punt van uitgang als wij ons bestaan willen plaatsen. Wij ontlenen ons bestaan niet aan ons zelf. God sprak en het was er. God spreekt nog steeds en nog steeds is het er. Zoals die ploegende boer, die dicht bij het leven staat, de stem hoorde: "… de wereld besta voort". Als je je realiseert dat je leeft, ben je ontvankelijk voor die stem. Als je gelooft zoals de Jood, begin je die stem te horen, te verstaan, begin je te luisteren. "Ik wil dat jij bestaat". Luisteren naar het leven. 

Maar niet alleen geschapen, ook onderhouden door God, ook beschermd door God, je in Zijn Hand weten. En vertrouwen, zoals Abram vertrouwde, zelfs toen hij de onmogelijke opdracht kreeg om Isaak te offeren. Voor ons raar maar zo vertelt de Jood nog steeds dat en hoe hij op zijn God vertrouwt. Als Isaak - de enige zoon van Abram -  was geofferd, had de Jood dat niet kunnen vertellen want dan had hij niet bestaan. Hij vertelt dat verhaal door; het is zíjn verhaal: hij weet zich in Gods Hand.

Misschien is wel het hoogtepunt daarvan dat God Zijn volk uit het land van slavernij voert; niet alleen wonderlijk beschermt via een uitweg door de zee heen maar ook een verbond sluit: 'jullie Mijn volk, Ik jullie God'. Paulus schrijft dat zo mooi in zijn 1e brief aan de Korintiërs: "…. allemaal gedoopt naar de Wet/Verbond van Mozes toe in de wolk en in de zee". Hij noem het een doop, maar dan een doop zonder water, naar Gods Woord toe, naar de Wet. God trekt hen los uit aardsgericht leven van verslaving/consumptie in een tocht over de bodem van de zee. Kan het indrukwekkender, geheimvoller? De zee bloot gelegd! Bovendien drenkt God hen in goddelijk leven in de wolk van Zijn Aanwezigheid. Nu trekt HijZ een scheidslijn: dat is voorbij: Ik jullie God, jullie Mijn volk'.

God wil ook dat wij mooi zijn. Na de ballingschap, die de Joden als straf duidden, zegt Jesaja: "Want hij die u gemaakt heeft is uw man", die voor u zorgt, die eigenlijk niet boos kan zijn op de vrouw van Zijn jeugd. God bouwt een kostbare burcht van vrede op en stelt gratis voedsel ter beschikking, opdat wij in vrede leven. Voortdurend gaat Zijn scheppend woord rond en blijft onder ons totdat alles is volbracht tot vreugde en vrede op aarde.

Maar dat is niet het einde. De profeet Baruch zegt:"Luister, Israël"! Luister, volk van God, er klinkt een Stem, een Woord wordt gesproken: Licht is verschenen en de sterren roepen verheugd "hier zijn wij". Wijsheid is verschenen en is gelegd in "de Wet die eeuwig duurt", die boven aardse gedachten uit omhoog trekt. Gelovigen kunnen roepen "Hier zijn wij".

Als ze dat niet roepen, als ze zoals de Joden toentertijd weer verkeerd hebben gedacht en gedaan en de ballingschap ondergaan, kan God het toch niet aanzien en brengt Hij hen weer terug naar eigen grond, waar ze geworteld zijn. Hij zal hen besproeien met zuiver water, een hart van vlees geven en zelf Zijn Geest in hen uitstorten zodat ze wel ontvankelijk moeten zijn.

En als toppunt voor hun geestelijk Leven, Leven als Godskind, komt Zijn eigen Zoon om gedoopt te worden, te leven, te lijden en te sterven opdat zijn volgelingen kunnen delen in zijn doop en met hem mee kunnen leven, lijden en sterven. Johannes beëindigt het sterven van Jezus met "En hij gaf de Geest door", dezelfde Geest als toen. Opdat gelovigen zouden verrijzen met Hem, zoals Hij, om eeuwig Licht en Leven te genieten.

En met dit voortploegend verhaal, dit voortdurend, leven brengend Woord, zij het ons nu, hier, gegeven om ontvankelijk te zijn als vrouwen om het inzicht te krijgen, die wijsheid, om dat Licht te zien dat God het zo heeft gewild om onzentwille, omdat Hij bezorgd is om Zijn schepsels, meetrekt. Het zij ons  gegeven dat wij hier en nu zijn verrijzenis toelaten in ons, mogen ontvangen. Het zij ons - bewust van ons eigen 'ik leef' - gegeven dat wij die Stem horen: "Ik ben verrezen en ben bij u". Mogen wij ieder persoonlijk dit verstaan. Omhoog. Ieder jaar weer een beetje meer geestelijk Leven, totdat onze schepping is voltooid.

Het leven op aarde, ons eigen leven, is al een geheim, een mysterie, dat we alleen maar kunnen aanvaarden. Hoe zal het Leven van omhoog dan wel niet zijn?

 

 

Paaszondag C 11 april '04 

Hand 10, 34a.37-43; psalm 118; Joh 20, 1-9

Psalm 118

Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

De rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de HEER overwint.'

Ik ben niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dat is het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.

Dit is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

 

Wanneer wij staan bij een overledene van wie we veel houden, willen we geen afscheid van hem of haar nemen, geen afscheid voor goed. Op een of nadere manier zullen we elkaar weerzien zeggen we dan, en als we het niet zeker weten, dan hopen we het vurig. We kunnen ons afvragen of dat bij de leerlingen van Jezus ook het geval geweest zal zijn. Waarschijnlijk niet. De ramp was zo groot dat zij versuft, verslagen, verdoofd - noem maar op - zijn geweest. Wat daar gebeurd is op Golgota was zo absurd - dat had niemand verwacht. Hoe kon het nu dat iemand die alleen maar goed had gedaan, die weldoende rondging, hoe die als een misdadiger, zelfs als een ongelovige Jood, een godslasteraar, aan een schandkruis was gehangen en vermoord? Hun zekerheid, hoop, verwachting van het koninkrijk Gods, lag in puin.

Misschien kunnen we ons een beetje voorstellen wat het voor de leerlingen geweest moet zijn. Ook bij ons  stort onze wereld wel eens in elkaar als we een slecht bericht krijgen. Maar wij weten nu hoe het afliep met Jezus, zij niet.

En dan komt er een vrouw vertellen dat het graf open is. Het is de eerste dag van de week. Ook voor haar was het nog donker. Lucas vertelt dat de apostelen dat bericht als beuzelpraat afdoen. Johannes vertelt het anders.

Op de eerste plaats gaan er geen vrouwen naar het graf om het lichaam van Jezus te balsemen; dat heeft Jozef van Arimatea al gedaan. Deze vrouw gaat naar het graf puur omdat ze wat met Jezus heeft, iets speciaals. Op haar woord gaat Petrus ook, hij gaat vlug met de andere leerling, die nog harder loopt. Toch hoop? Kennelijk wel, maar het blijkt dan toch anders dan je zou verwachten, áls je al iets verwacht. Petrus gaat het openstaande graf in: d.w.z. hij gaat de confrontatie met de dood aan en daarbinnen ziet hij de zwachtels en de zweetdoek, hij beschouwt ze staat in het Grieks, hij overdenkt, hij ziet in.

Johannes beschrijft dat inzien met behulp van de zwachtels en de zweetdoek. Als we dit vergelijken met het verhaal van de opwerking van Lazarus, wordt inderdaad een verschil duidelijk: Lazarus komt naar buiten met zwachtels en al en een doek om het hoofd. Dat graf zou opnieuw kunnen worden gebruikt. In Jezus' graf liggen de zwachtels er nog, de tekenen van de dood liggen in de doodsplek, de dood is dood, het graf stopt, is leeg, heeft verder geen betekenis of doel meer. De zweetdoek krijgt een speciaal accent, ze ligt opgerold apart. Het gezicht waarin alle zintuigen van de mens samenkomen, waar zijn leven te zien is, is vrij van de dood. Jezus moet dus gezien kunnen worden, moet herkenbaar zijn.

Zo beschrijft Johannes dat. Maar wat is dat dan, hoe komt Petrus tot dat inzicht? Geloof krijg je. Die ene leerling ging ook het graf in, hij ziet in en hij gelooft. Dat Jezus de Christus is, de Zoon van de Levende God heeft de Vader in de hemel aan Petrus geopenbaard. Het inzicht van Petrus is dat als Jezus zich niet heeft vergist wat betreft het Koninkrijk, als het toch waar is, leeft hij bij God, Zijn Vader. Is hij niet gestopt in het graf. Dan kan het toch kloppen. Zou het waar zijn?

Maar dan gaat wel de wereld op zijn kop: de steen die de bouwers hebben versmaad, die is de hoeksteen geworden, de primaire steen waardoor de ligging van het hele gebouw wordt bepaald. De Heer greep in met krachtige hand, een wonder voor onze ogen, de hand van de Heer heeft mij opgericht.

Het ís waar, Petrus gelooft er in en gaat verkondigen dat Die Jezus de Messias was en nog is, dat in Hem de schriften werden vervuld, dat hij is opgestaan 'volgens de Schriften'  zegt Paulus uitdrukkelijk.

 

Johannes haakt daar ook op in: hij zegt zo ongeveer dat als zijn Petrus en Johannes de Schrift hadden begrepen dan hadden ze gewéten dat hij uit de doden móest opstaan. Dat kon niet anders, dat was consequent, volgens de Schriften.

Voor ons ligt er ook een consequentie. Wij leven in een jaarcyclus en ieder jaar als de zon zich weer in de hogere regionen van de lente en zomer bevindt, komt er nieuw leven om ons heen en is er alle aanleiding om die vraag weer te honoreren: hoe kan dat? Wat speelt er om ons heen, waarin bevinden wij ons dat leven voortgaat? Als gelovigen "zijn wij en leven wij" in Gods hand, in Zijn Aanwezigheid. Die Aanwezigheid is zo al omvattend, zo indringend dat wij er ons eigenlijk niet over hoeven te verbazen dat onze Schepper, onze God van Liefde, mens is geworden. We verbazen ons toch wel, niettemin is het wel een invulling, een uiting van maximale Liefde. Maar als God mens is geworden, is het dan niet consequent om te zeggen dat die eenheid van mens en God niet stuk kan gaan, dat de mens Jezus wel móest worden verhoogd tot aan Gods rechterhand, wel móest verrijzen? Het is een mogelijkheid, een inzicht, en als je het ziet, wil je graag geloven. Is er iets mooiers?

We zijn deze veertigdagentijd begonnen met de ballade van de boer die voort ploegde en die een stem hoorde, een stem uit de hemel. Wij werden geroepen ook te luisteren naar de stem van God. "Ik daal af om Mijn volk te redden". We hebben gelezen van de Vader die uitkeek naar zijn verloren zoon. We hoorden hoe Jezus die vrouw ook niet veroordeelde. Moeten we nog meer?

Met dat vertrouwen in dat geloof ligt de zaak ook voor ons open: zijn belofte is dat hij een plaats in de hemel maakt voor hen die zijn leerlingen zijn. Dat kan de grote troost zijn, de grond voor de verwachting bij het sterfbed van een dierbare. We doen ons best, wel krakkemikkerig maar toch willen we zijn leerling zijn. En krakkemikkerigheid wordt ons graag vergeven, als we maar graag willen.

 

Dit is dé dag die de Heer heeft gemaakt. Zo is onze God voor jong en oud: ons leven in Zijn Hand. Zullen we dat eens even vieren?

terug naar begin pagina


Tweede zondag van Pasen C 18 april '04 ('06; '07)

Hand 5, 12-16; psalm 118; Joh 20, 19-31

Psalm 118

Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

Jullie die de HEER vrezen, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dit is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

Ach, breng ons redding, HEER, HEER, breng ons toch voorspoed.

Vorm een feestelijke rondedans, groene twijgen in de hand,

rond de hoeken van het altaar.

 

Het inzien en beleven van de verrijzenis is voor ons kennelijk een kwestie van geloof. Die kwestie is niet nieuw. Het Johannesevangelie werd opgeschreven toen de meesten die Jezus nog hadden gezien overleden waren; toen was al er zake geworden "Zalig die niet hebben gezien maar toch tot geloof komen". Wat een geluk voor je als je dat kunt. Ook Petrus schrijft in zijn eerste brief "Hem hebt gij lief zonder hem ooit gezien te hebben. U gelooft in Hem hoewel u hem ook nu niet ziet …" (1Pe 1,8)

Een kwestie van geloof. Geloven doe je niet alleen maar wel zelf. Je kunt tot geloof komen als je ziet hoe enthousiast anderen zijn, zijn geworden; je kunt ook in je eentje tot een overtuiging komen, maar - ook al heb je gekregen - jij moet voor jezelf dat kunnen verantwoorden en dan ligt er best een vraag, dan kan het best ergens tegen aan lopen, botsen: ik wil graag geloven maar hoe dan? Alsof je een berg over moet: is het echt en hoe is het echt? 'Een kwestie van geloof' houdt ook in dat het niet aan de buitenkant blijft; 'verrijzenis' moet naar binnen kunnen slippen, je moet er ontvankelijk voor worden, willen zijn. Het echte moge zich in je nestelen, gaan groeien; de verrezen Heer in je wonen.

 

Voorop gesteld zij dat verrijzenis niet zo vreemd is. Het is geen 'los' gegeven in de geschiedenis. Voor de leerlingen ging toén een licht op. Door hún verkondiging kunnen wíj nu zeggen dat verrijzenis past in het basisgegeven voor christelijk geloof nl. dat God mens is geworden, incarnatie. Immers, wij bevinden ons en wij leven ín een Tegenwoordigheid. Op zijn Joods heet dat de Sjechina, de Aanwezigheid van de Schepper van hemel en aarde, 'we leven in Zijn Hand' zeggen we. Een Hand die machtig is, een Hand die beschermt, een Hand die ons Zijn Liefde leert. Zijn maximale Liefde, die zo met de schepselen begaan is dat zij mens wordt. Weten dat je omgeven bent door Tegenwoordigheid vraagt om een overgave, een uitzien naar God. Je openstellen voor … zelfs voor 'God is mens geworden'. Als je daarvan uit mag/durft/kunt/wilt gaan, is het niet zo verwonderlijk dat de mens Jezus na zijn mensleven op aarde verder móest doorleven in eeuwigheid. God is van altijd, God is van geen tijd, tijdloos dus ook de mens die God is.

Realiteit is evenwel dat het God-zijn van Jezus pas heel duidelijk werd na zijn dood. Gedurende zijn leven was het eigenlijk al duidelijk maar die invulling via zijn lijden en dood riep toch twijfel op. God kan toch niet lijden, zouden wíj zeggen. De léerlingen vroegen zich af hoe een gerechte veroordeeld kon worden. Dat was de berg waar zij overheen moesten. Voor ons is die berg misschien de constatering 'ik zie er niets van'. Zíj waren direct betrokken, wíj staan op afstand. Zij hadden hun verhaal dat werd bevestigd door "wij hebben met Hem gegeten en gedronken na zijn dood", een klaarblijkelijke en directe ervaring, en een gezamenlijke, collectieve, die doorborduurde op wat zij eerder hebben meegemaakt. Wat hebben wij? Wat zien wij?

 

Wij hebben het voordeel dat we kunnen úitgaan van incarnatie. Dat is misschien een zwaarwichtig punt maar het wordt bevestigd door wat in het evangelie wordt verkondigd. Drie evangelies beginnen met hun verkondiging van incarnatie. Dit is een geloofsgegeven en wij kunnen onze berg beklimmen door ons te realiseren dat wij een geloof beleven en belijden  dat zo'n 2000 jaar bestaat en mede gebaseerd is op erfgoed van een dikke 3000 jaar. Bestaat er iets langer? Dat kan niet zomaar. God-met-ons is realiteit. Het dóorleven van Jezus ligt in die lijn.

Heel concreet: als Jezus niet was verrezen, waren we hier niet bij elkaar - zeker niet één in zijn Naam. Dan mogen we toch een drijvende Kracht veronderstellen die ons hier en nu samen brengt. Dat is ons gemeenschapsweten en gemeenschapswillen. Als Jezus niet verrezen was, was er ook geen "Door de handen van de apostelen geschiedden er vele wondertekenen onder het volk". Dan kon "de hand van de Heer toont zijn macht" niet zó concreet tot uiting komen.

 

Dat betreft gemeenschap; is er ook geen persoonlijke ervaring voor ons, net zoals voor Maria Magdalena bij het graf en voor Tomas?

Het Johannesevangelie stelt dat Jezus door zijn handen heen is genageld. Heel gemeen, heel betekenisvol. Het doet denken aan wat de profeet Habakuk over God zei: " Zijn luister overstraalt de hemel, zijn glorie vervult de aarde. Hij schittert als de zon; twee stralen gaan uit van Zijn handen: daarin is zijn kracht verborgen". Er zijn mensen die zeggen dat sommigen een kracht in hun handen hebben. Mogen we dat dan niet zeker van Jezus zeggen? Die kracht is bij Jezus doorboord maar niet kapot gemaakt; er zit weer, toch, anders, een kracht in, een goddelijke kracht.

Als Tomas van zijn lotgenoten hoort dat zij de Heer hebben gezien, stelt hij een persoonlijke eis. Zij hebben samen zijn vredeswens vernomen, samen de Geesteszending ervaren; dat delen zij. Maar Tomas wil ook zelf ervaren en weten; hij wil niet op gezag van anderen aannemen. Tomas stelt een eis van klaarblijkelijkheid, hij moet zien en voelen, dan is het duidelijk. Hij wil zijn vinger in de wonden kunnen steken, in de plaats van de nagelen. Maar, waarom stelt hij die eis inzake de wónden van Jezus? Hij had ook Jezus' hoofd of schouder of - wat algemener - zijn lichaam als criterium kunnen stellen. Hij had kunnen zeggen dat hij ook eerst zelf met Hem wilde eten en drinken. Waarom zijn wonden? Was hijzelf gewond?

Dan komt Jezus. "Acht dagen later": voor Tomas begint het nieuwe. Jezus stelt zich als de gewonde op en beantwoordt aan Tomas' eis: 'kom maar met je hand, voel maar. Ik ben het. Het is mijn Kracht. Geloof maar. Ik wil jou niet missen.' Tomas antwoordt persoonlijk: 'Míjn Heer, míjn God'.

Is Tomas de enige gewonde? In de hele wereld - van alle tijden? Via een kleine variant in de latijnse tekst ("et cognosce loca clavorum" > clavium: herken de plekken van de spijkers > sleutels) kun je bedenken dat de wonden van Jezus de sleutels zijn voor geloof in Hem.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als Jezus niet was verrezen, kon hij geen ideaal voor je zijn. Het ideaal van het evangelie wordt gerechtvaardigd omdat het door is blijven werken, nog steeds. Dat kan niet zomaar. Jezus is voor zijn ideaal van het Rijk gestorven, hij kan zelfs wonden laten zien. En hij is bevestigd door zijn Vader Daarom kunnen wij voor leven voor dat ideaal. Samen met hem.

 

Wíj hebben met hem gegeten en gedronken na zijn dood. Met dezelfde Kracht waarmee hij zelf leed, lijdt híj met ons persoonlijk mee, in zijn gewonde handen. Samen lijden. Samen sterk. Zullen we ons even tijd gunnen: Is dat invoelbaar?

 

Derde zondag van Pasen C