terug
naar overzicht
terug
naar inhoudsopgave
Overweging voor de weekendviering
Zondagen
in het jaar C
|
Advent 1e zondag 3
dec. 2000; '03 Kersttijd Kerstdagmis C 2003 H.Familie 28 december 2003 Doop van de Heer 11
januari 2004 door het jaar 2e zondag 18
januari 2004; '07 5e zondag 8
februari '04 7e zondag
22 februari '04; '07 veertigdagentijd 1e zondag 29 februari '04 3e zondag 14 maart '04 5e zondag 28 maart '04 |
Pasen Paaswake C 7
april ’07 Paaszondag C 11 april '04
('05) 2e zondag 18 april '04
('06) 4e zondag 2 mei '04 6e zondag 16 mei '04 7e zondag
27 mei '01;'04;'07 Pinksteren C 30 mei 2004 ('05) 10
juni 2001; '04 Sacramentsdag 17 juni 2001; '04 |
door het jaar 11e zondag 2004 12e zondag 20 juni '04 13e zondag 27 juni '04 14e
zondag 8 juli 2001; '04 15e
zondag 11 juli '04 16e
zondag 22 juli '02; '04 17e zondag 25 juli '04 18e zondag 5 aug. 2001; '04 20e zondag 2004 21e zondag 26 aug. 2001; '04 22e zondag 29 aug. 2001; '04 23e zondag 2 sept. 2001;'04 24e zondag 16 sept. 2001; '04 25e zondag 2001; 19 sept. '04;'07 26e zondag 26 sept. 2004 27e zondag 7 oktober 2001;'04 28e zondag 14 oktober 2001;'04 29e zondag 17 oktober ’04 30e zondag 28 oktober 2001;'04 31e zondag 1998; 31 okt. '04 32e zondag 11 nov. 2001;'04 33e zondag 1998; 14 nov.'04 Christus Koning 25 nov. 2001;'04 |
© 1999 - 2006 P.Goris
Epe; zie 'Ten geleide'.
P.S. Waar
in de overwegingen sprake is van 'nieuwe vertaling' wordt de Willibrord '95 bedoeld.
Eerste zondag van de Advent C 3
december 2000; '03
Jer 33, 14-16; psalm 25; Lc 21, 25-28.34-36.
Psalm 25
Mijn verlangen gaat uit naar U,
HEER, U bent mijn God.
Leer mij uw wegen kennen, HEER;
maak mij wegwijs op uw paden,
wijs mij het spoor van trouw aan U, wees
voor mij een meester;
U bent de God die mij redt, ik bouw
altijd op U.
De HEER is goed, de HEER
is rechtvaardig, zelfs zondaars wijst Hij de ware weg.
Hij brengt de armen op het rechte
spoor, Hij leert hun zijn weg.
Al de wegen van de HEER
zijn liefde en trouw
voor wie zijn verbond en geboden
onderhouden.
Wie ontzag kent voor de HEER
hoort tot zijn kring,
Hij
maakt hun zijn verbond bekend.
De kerkelijke kalender van de
feesten van de heiligen begint op 1 januari van ieder jaar; die van de zondagen
en jaarfeesten op de 1e zondag van de Advent. Daar zit een betekenis achter nl. dat we nu al, nu we nog -in onze streken- in de donkere
dagen zitten, nu al uitzien naar ... Dat is niet
vreemd, uitzien naar, verlangen naar is mensen eigen. We zijn gevoelig voor
'nieuw', voor 'beter'; we zijn er mee bezig. Dus, we wáchten niet op maar
vérwachten, zien uit naar, verlangen. Soms moet je afwachten maar als het gaat
om Advent - dan is het goed om iets te verwachten, bezig te zijn met. Een zieke
hoopt op genezing; ook al voelt hij die misschien niet, hij weet dat er iets is,
iets dat 'beter' is. De meesten van ons voelen
misschien niet veel inzake Advent, maar we mogen wéten dat er iets is, iets
beters dan we al hebben.
Wat we doorgaans al hebben is
gezelligheid, intimiteit bij de kerstboom en wat dies meer zij. Is er meer?
In de 1e lezing hebben we de
profetie van Jeremia gehoord. Jeremia profeteerde als het ware op de puinhopen
van Jeruzalem, dat door de Babyloniërs werd aangevallen en zou worden verwoest
als dat toen nog niet gebeurd was. Hij profeteert kort en krachtig: de belofte
zal worden vervuld, de stad zal heten 'Heer, onze
Gerechtigheid'.
Dat is hoop, maar dat zal niet
vanzelf tot stand komen. Daartoe is nodig wat we hebben gezongen/gebeden in de
tussenzang "Naar u gaat mijn verlangen, Heer"/"Tot U in den hoge
richt ik mijn geest". Jeremia is er zeker van dat hij op goede grond staat
- om dat zo maar te zeggen. Hij zit niet neer op de puinhopen en in de ellende
maar staat op en doet, in zijn geval doet hij zijn mond open. Als wij
verwachten, zullen we ook doen, nl. ons richten naar
... "Naar U gaat mijn verlangen Heer/Tot u in den
hoge richt ik mijn geest". Maar, hoe je dat?
In het evangelie speelt uitzien
naar ook een grote rol. De terugkeer uit de ballingschap was allang vervuld, de
tempel was herbouwd, groter dan eerder. Wat nu bij de gelovige Jood speelde was
wat wij noemen het laatste oordeel, de jongste dag, -wij
zeggen de laatste dag- als iedereen weer ontwaakte om te worden
beoordeeld. Dat hebben we twee weken geleden gezien bij de profeet Daniël.
Daarnaast leefde bij hen actueel de hoop op de komst van de Messias, die alles
weer goed zou maken, vrijheid zou bewerken. De Joden hadden het niet goed onder
de Romeinse bezetting en op godsdienstig gebied liep ook e.e.a. nogal mank. Hun
godsdienst werd belaagd door partijvorming in godsdienstige kringen en een
dodende invulling van de Wet belemmerde hun geloofsbeleving.
De volgelingen van Jezus hebben in hem de beloofde gezien, de Messias, en in
hem ook de rechter op het einde der tijden die allen zou beoordelen. Dat was
ook het evangelie van twee weken geleden. Na zijn dood hadden zij maar één
uitzicht, één verlangen, nl. dat hij zou komen om
zijn Rijk, het beloofde Rijk van zijn Vader definitief te vestigen; een Rijk
nog groter dat dat van David. Bij al hun samenkomsten
spraken zij die hoop uit: Maranatha: kom Heer/ de
Heer komt. Op dat ene verlangen stelden zij hun hoop, de tempel was weer
verwoest en hij was hun nieuwe definitieve en onverwoestbare tempel.
Het is voor ons misschien wat
moeilijk om ons in te leven in hun situatie. De hele wereld om hen heen was
'heidens', men kende God, de Abba van Jezus, en Zijn waarheid niet en of het er
allemaal zo sociaal aan toeging is de grote
vraag. ("Hebt elkander lief" was niet voor
niets het grote gebod van Jezus.) Middenin die wereld brandde een klein
vlammetje van Gerechtigheid: zijn volgelingen. Zij wilden niets liever dan dat
hun vlammetje een vuur werd dat de wereld rond zou gaan. Wellicht kunnen wij in
onze situatie ons iets in denken dat overeenkomt met hun verlangen.
Hun uitzien naar betrof niet alleen sociaal gebied,
waar Jeremia het over had, maar ook het geestelijke "... om hem te dienen
in heiligheid en rechtvaardigheid" zingt Zacharias na de geboorte van zijn
zoon Johannes. Als Jezus dan in het evangelie zegt
"Wanneer dit alles zich begint te voltrekken, sta dan op recht en fier
want uw verlossing is dichtbij" geldt dit ook voor ons gééstelijk
onvermogen, beperktheid, onvolwassenheid; een verlossing uit een tekort omdat
we uitzien naar, verlangen. Uitzien naar goed kunnen bidden, uitzien naar hem
leren kennen, uitzien naar je in Hem geborgen weten, uitzien naar een besef dat
Jezus Christus met je meetrekt, uitzien naar ... zegt
u het zelf maar.
Jezus zegt "Weest
daarom waakzaam bidt ..." Als wij ons verlangen willen leren kennen,
willen honoreren, is het consequent om iets te doen. Zou het niet goed zijn om
in deze adventtijd iedere dag een (extra) gebedje te zeggen, te bidden, in je
binnenkamer? "Het stil gesprek met de Heer is weggelegd voor wie Hem vrezen"
vertaalt de dichteres. Wie ontzag hebben voor Hem,
weten dat HijZ hen ontziet. Een stil gesprek door je geest omhoog te richten,
je handen te openen om op te vangen, te ontvangen.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Je zoekt wellicht iets nieuws, dat is zeker jongeren eigen. Het is
echt niet verkeerd om bij je zelf te beginnen, vanuit jezelf je geest naar
omhoog te richten. "Als je de wéreld wilt verbeteren, begin bij
jezelf". Begin bij jezelf te verlangen naar ...
Is dat in te vullen? Of is het beter om het open te laten en af te wachten wat
het is? Het sluit vast en zeker bij jou zelf aan.
Naar U gaat mijn
verlangen, Heer/Tot U in den hoge richt ik mijn geest. Zullen we ons een
paar minuten de tijd gunnen om daarvan iets te proeven?
Tweede zondag van de advent C 10
december 2000; '03
Bar
5, 1-9; psalm 126 (1-9); Lc 3, 1-6
Psalm
126
Toen de HEER
het tij voor Sion liet keren, was dat voor ons als een droom.
Onze mond bleef
lachen, onze keel bleef zingen.
En de volken
erkenden: 'De HEER verricht wonderen voor hen.'
Ja, wonderen
verrichtte de HEER voor ons; wij waren buiten onszelf van
blijdschap.
Laat het tij voor
ons keren, HEER: een waterloop in de woestijn gaat
weer stromen.
Degene die in
tranen zaait zal blij zingend de oogst binnenhalen.
Degene die in
tranen op weg gaat, de zaaizak om de schouder,
zal blij zingend naar huis teruggaan met
schoven op zijn rug.
Het zal je maar gezegd worden:
sta op, en bekleed je voor altijd met Gods heerlijke schoonheid! Voor altijd
zul je heten "Vrede-door-Gerechtiheid"
en "Glorie-door-vroomheid", Gerechtigheidsvrede en Godsvruchtheil. Het zijn eretitels,
beloften aan Gerechten, aan mensen die het goede willen. Die oproep "Sta
op" geldt voor 'Jeruzalem', het Joodse volk, nadat zij hun boete hebben
gedaan in de ballingschap in Babylon. Te voet werden zij weggesleept door de
vijand, door God gedragen keren zij terug. Ik denk dat
we allemaal wel zo'n ervaring hebben meegemaakt: na
een moeilijke periode merken dat je er doorheen bent en je geweldig opgelucht
en vrij voelen. Met ons lied in de tussenzang/gebed in
de psalm bevestigen we die genade dat God zelf ons net als het Joodse volk
barmhartig en genadig vergezelt.
Maar dat is wel een
geloofsbelijdenis: dat God ons barmhartig en genadig vergezelt. Dat is een erkennen,
een weten en een inhoud, nl. Gerechtigheidsvrede
en Godsvruchtheil. Gerechtigheid is een wijd begrip. Gerechtigheid zie je aan
de hemel waar de sterren hun altijddurende loop hebben, waar continuïteit
heerst, rust en verhevenheid. Die gerechtigheid van de hemel maak je op aarde
waar door rechtvaardigheid. Door rechtvaardigheid blijft de samenleving in
stand, blijft zij in vrede. Door rechtvaardigheid maak je hemelse gerechtigheid
op aarde waar. Zo kom je bij 'heil door godsvrucht'. Je kunt rechtvaardigheid
als een nuttig overlevingsprincipe zien - je kunt ook met rechtvaardigheid God
willen eren, en zeggen dat Hij Zijn heil, aan de hemel te zien, Zijn heil van
de hemel aan ons op aarde schenkt als wij rechtvaardig zijn - Zijn heil dat ons
uitnodigt zó die weg van hemel en aarde te gaan. Dan vergezelt HijZ ons,
barmhartig en genadig, worden heuvels geslecht en dalen gevuld.
Als je wat verder durft te
denken, ga je zeggen dat Hij via zijn Gerechtigheid een stukje hemel in ons
heeft gelegd. Godsvrucht wil niet zeggen braaf bidden of zo -
het zij meer: God in jou zijn vrucht, zijn genade laten leggen, iets van Gods
droom in jou waar laten worden; en dan Zijn droom waar maken.
Lucas plaatst het toppunt van
Gods heil, heil van de hemel, meteen in de geschiedenis: in het 15e
regeringsjaar van, toen die en die er waren, aanwijsbaar, hier en nu, toen kwam
het woord van God over Johannes. In de 1e lezing hebben we gehoord dat God Zelf
de weg gereed liet maken voor hen die uit hun ballingschap terugkeerden en nu
roept Johannes daartoe op. Johannes brengt de profetie a.h.w. weer in
vervulling. Want na de ballingschap is het volk, is
'Jeruzalem', op de lange duur weer in de versukkeling geraakt. Die
Gerechtigheid was volkomen zoek en er moest een oplossing komen: het volk
verwachtte kennelijk de Messias.
Hoe vervult Johannes die
profetie? Door te verkondigen en toe te passen "een doopsel van bekering
tot vergeving van zonden", de boodschap
van het evangelie, van het goede nieuws. Een bekeringsdoop opdat/zodat zonden
worden vergeven. Kennelijk is bekering, het anders willen doen, al genoeg voor het wegdoen van zonden;
"wegzenden van zonden" staat er in het Grieks. De zonde is weg; het
O.T. spreekt van 'uitwissen van zonden'. Dan zal de weg van de mensen een weg
van God zijn, dan zijn de dalen gevuld en de heuvels geslecht. Hoe komt
Johannes daar aan?
Een paar verzen verder in het
evangelie heeft Johannes het over de komende toorn,
het onontkoombare oordeel, wat wij noemen het laatste oordeel. Dan werd men
geoordeeld over zijn daden en de gelovige Jood zou natuurlijk mogen hopen op
zijn God, die rechtvaardig is maar nog barmhartiger, maar daartoe moest er nu
wel 'iets' uitkomen. Dán, bij dat oordeel, was er geen kans meer om het nog
eens over te doen. Als je nú vergeving van zonden kon verkrijgen was dat wel zo
veilig maar ook wel zo mooi, dan kon je met God verder trekken over Gods
geëffende weg, dan vergezelt HijZ je. Dus moest er nu iets gebeuren: opnieuw
gaan leven, ondergedompeld worden in stromend water, het
oude weglaten vloeien en klaar voor het nieuwe omhoog komen uit het water, met
als praktische inhoud Gerechtigheid doen. Dat heil geldt universeel, voor alle
volken: "heel de mensheid
zal Gods redding zien".
Wij hier bijeen bereiden ons
voor om het feest van de Menswording te vieren. Wij hebben het doopsel al gehad
en wij weten van Gods wegen. Dus geldt ook voor ons de oproep 'sta op
Jeruzalem', sta op stad van God, sta op gemeenschap, sta op parochie, bisdom,
Kerk (sta op intentie Solidaridad) en weet u bekleed
met Gods heerlijke schoonheid.
We zijn ons daarvan nou bepaald
niet altijd bewust. Zou het daarom niet goed zijn als
we ons deze week elke dag een kleinigheid onthouden? Niet om een offertje te
brengen of hoe dat mag heten maar om ons even het 'nu' te laten voelen, gewoon
een psychisch werkend verkeersbord op onze weg aan te brengen: Weet je nog? Je draagt op je
hoofd "de schitterende kroon van de Eeuwige".
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. 'Vrede-door-Gerechtigheid', heil-door-godsvrucht' lijken
nogal dikke woorden, die ver weg zijn. Het gaat erom dat je bij de pinken
blijft, je niet te veel laat afleiden door 'aardse' zaken maar je in jezelf ook
die roepstem toelaat, in jezelf die roep hoort van Degene die jou op Zijn weg
uitnodigt, Zijn weg naar ... vul zelf maar in.
God Zelf begeleidt ons met Zijn
barmhartigheid en Zijn genade op Zijn geëffende weg op weg naar ... Zullen ons een paar minuten tijd gunnen om dat een beetje
'hier en nu' te laten zijn?
Derde zondag van de Advent C 17 december 2000; '03
Sef 3, 14-17; tussenzang/gebed naar Jes 12; Lc 3,
10-18.
'Ik loof U, HEER;
U was woedend op mij, maar uw woede is bedaard en U hebt mij getroost.
God is mijn
redding! Ik vrees niet, ik ben vol vertrouwen:
de HEER is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn
redding geworden.'
'Loof de HEER,
roep zijn naam,
maak onder de volken zijn daden bekend,
verkondig zijn hoogverheven naam.
Zing voor de HEER,
want Hij deed grootse dingen, laat het bekend zijn over heel de aarde!
Juich en jubel,
bewoners van Sion: de Heilige van Israël is groot in uw midden!'
De vorige week hebben we de
profeet Baruch horen zeggen: "Op, Jeruzalem, ga op de hoogte staan en zie
naar het Oosten". Nu hebben we de profeet Sefanja gehoord, die wat eerder
actief was dan Baruch maar die in dezelfde situatie verkeerde van onrecht door
de leiders begaan en de dreiging van de Babyloniërs. Sefanja gaat nog verder
dan Baruch, hij roept: "Sion, jubel van vreugde, juich Israël, wees blij
met heel uw hart". Die oproep, belofte, geldt voor hen die nederig zijn,
die willen luisteren naar Gods woord. Sefanja voorzegt 'de Dag van de Heer', de
dag waarop het kwaad aan de kaak wordt gesteld maar ook de dag dat God voor de
bekeerden komt als reddende held, de dag dat er geen onrecht meer is en
Jeruzalem een vrije stad is. Die dag van de Heer is voor de getrouwen: God zal
komen als "de reddende held". Dat staat er letterlijk. Het roept
gedachten op als de fiere ridder die de jonkvrouw uit haar benardheid redt en
dat sluit best wel aan bij wat we een beetje
romantisch allemaal wel in ons mee dragen: de reddende held die het allemaal
kan.
Wij zijn ook Sion, ook Jeruzalem
- maar dan het Jeruzalem dat Jezus van Nazaret heeft gebouwd op zijn rots en
dat door de Vader is geaccepteerd. Ook wij mogen juichen om de belofte die
Sefanja geeft en die voor ons nog meer dicht bij is in de komst van de Messias,
in Jezus van Nazaret. Op dat feest bereiden we ons voor, op die dag van de
Heer, waarop God op een speciale manier toont dat Hij ons lief heeft, door zijn
liefde ons nieuw maakt.
Het is best mogelijk dat we ons
kritisch afvragen of we dat wel waard zijn, of wij wel het recht hebben om blij
te zijn "met heel ons hart". Maar, hebben we dat recht, die vrijheid niet
gekregen door in de tussenzang te zingen/bidden dat we troost en vergeving
hebben gekregen omdat we daar direct of indirect om vroegen? Laat het dan nu
die vrede zijn die wij mogen genieten omdat Israëls heilige in ons midden
woont, omdat wij de Sion bewonen, het Jeruzalem van Jezus Christus hier in ons
midden. Die vrede die we gaan vieren met Kerstmis en die door het vieren groter
moge worden. Het is toch wat als tegen je wordt gezegd: "Hij jubelt van
vreugde om u".
(Inhaakpunt voor Solidaridad: De profeet voorzegt midden in de
ellende/dreiging de dag van de Heer. Kunnen wij als christenen die dag niet
verhaasten voor hen?)
Het lijkt wel of Johannes veel
harder is dan wat in de 1e lezing staat. Hij gebruikt een bekend beeld uit de
akkerbouw en zegt: "De wan heeft hij in zijn hand
om zijn dorsvloer op te schonen, om het kaf van de korrels te scheiden",
m.a.w. nu gaat er een beslissing vallen, nu moet je wat doen, nu is het de
hoogste tijd. Wij kunnen dat zien als: er is een moment gekomen van beoordeling
maar ook als: nu is het de goede tijd om de komst van de Heer te gaan vieren,
zijn komst in te vullen, waar te maken. Wij hebben immers gebeden om vergeving
en we rekenen er op. Nu is dus de tijd gekomen dat die belofte van toen en nu
weer een stukje meer vervuld gaat worden, ieder jaar een stukje meer - vervuld
in ons. Hoe?
Johannes gebruikt twee 'niveaus' van gerechtigheid: tegen de tollenaars en de
soldaten zegt hij: geen onrecht plegen, niet meer vragen dan mag en niet
plunderen. Tegenover "de mensen", gelovigen, gaat hij uit van een
gerechtigheid die verder gaat dan 'geen onrecht', geen kwaad. Iemand kan nl. een dubbele kleding verdiend hebben en is dus gerecht
om die te bezitten, daar is geen onrecht bij. Maar bij gelovigen gaat hij uit
van de gedachte dat de behoeftige die iets wezenlijks
als kleding niet heeft, daar recht op krijgt
op basis van bekering, op basis van barmhartigheid, zoals God barmhartig is.
Wij kunnen daaraan toevoegen: op basis van het Rijk, het Jeruzalem van Jezus
Christus. Dat is een hoger niveau van gerechtigheid dan geen onrecht plegen.
Dat is hemels recht. Immers "door Zijn liefde maakt Hij u nieuw"!
Geen wonder dat de mensen, die
"vol verwachting" zijn, hem vragen of hij de Messias is. Geen wonder?
Wel een wonder! want de Joodse verwachting was dat de
Messias als een grote reddende held zou komen, liefst te paard, en met veel
roem het rijk van David zou herstellen. En nu vragen ze aan die schamele in
zijn kameelhuid of hij de Messias is! Komt dat misschien door bekering, hun
nieuwe manier van leven, omdat ze hun hart anders hebben gericht en nu merken
dat er meer is?
Johannes gaat inderdaad verder
dan zichzelf: die na mij komt zal dopen (niet 'met' heilige Geest en 'met'
vuur. Dopen is onderdompelen; het gaat dus om dopen 'in'.) in heilige Geest en in vuur. Vuur staat in tegenstelling
met water. Mogen we hieruit niet begrijpen dat het doopwater van Johannes in
tegenstelling staat met het doopvuur van Jezus, maar wel begrijpen dat dit veel
en veel sterker is dan wat Johannes kan doen.
Is dat iets wat wij ons wel
beseffen? De meesten van ons zijn al zo lang gelovend dat ons denken
plichtmatig geworden kan zijn, een beetje routine is geworden. Het is nogal wat
- maar wel iets waar we ons op mogen richten, wat we mogen
beleven: ondergedompeld worden in de Heilige Geest, leven zoals Jezus
leefde en nog leeft, leven bij God, de Abba van Jezus, onze Schepper, die naar
ons toe komt in Immanuël, God-met-ons, die mens werd
als wij. Zo zeer heeft Hij de wereld lief gehad, zo zeer "heeft Hij zich
verheugd om u". Dat is de blijde boodschap die Johannes verkondigde en die
nog steeds geldt. Is het niet de moeite waard om daarover deze week eens extra
na te denken? In stilte - Wellicht net als
Johannes, die die Geest in de woestijn zal hebben
leren kennen.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Kerstmis vieren zie ik bepaald niet als zoetigheid en romantiek
maar ook niet als een zaak van geen onrecht, van geen wapens en dús vrede. Het
is meer een mentaliteitsverandering, een bewustwording van leven met God,
ondergedompeld zijn in, deel hebben aan goddelijk leven. Dat leeft in je en
blijkt naar buiten, en als je het laat blijken, als je het doet, vier je het en
wordt het van binnen groter.
"Uitermate verheugt Hij
zich om u, door Zijn liefde maakt Hij u nieuw". We wonen immers op de
Sion, het Jeruzalem van Jezus Christus. Zullen we ons een paar minuten stilte
gunnen om dat over ons te laten komen? In de stilte dat Woord een kans geven?
"Uitermate verheugt Hij zich om u, door Zijn liefde maakt Hij u
nieuw".
Vierde
zondag van de Advent C 24 december 2000; '03
Mi 5, 1-4a; psalm 80; Lc 1, 39-45
Psalm 80
Aanhoor ons, U die
Israël weidt, U die Jozef voorgaat als een herder zijn kudde.
U die troont op de
kerubs, verschijn in uw schitterend licht
voor Efraïm, Benjamin en Manasse; roep al
uw kracht wakker, trek uit voor onze redding.
Breng ons herstel,
o God, laat uw aanschijn oplichten en wij zijn gered.
God van de machten,
ach, kom terug, zie toch neer vanuit uw hemel, zorg voor deze wijnstok,
de stek van uw rechterhand, de zoon wie U
uw kracht hebt verleend.
Leg uw hand op uw
uitverkorene, de mensenzoon wie U uw kracht hebt
verleend.
Dan zullen wij U
nooit meer verlaten: U laat ons leven, wij vereren uw naam.
Micha trad op in Jeruzalem nog voor
de profeten Baruch en Sefanja die we de vorige weken hebben gelezen. Maar de situatie was weer dat Jeruzalem werd bedreigd. 'Eigen
schuld' zegt Micha, hadden jullie je maar aan Gods geboden moeten houden.
Jeruzalem die trotse stad, de stad van de verwachting, kon die verwachting niet
meer waar maken; ze stond bol van onrecht. Maar toch heeft de profeet hoop,
alleen het zal anders zijn dan verwacht: uit het kleinste onder Juda's geslachten, voorgesteld door een dorpje, Betlehem
(huis van brood), zal de nieuwe heerser komen. Wij kennen dat beeld ook wel:
alles moet eerst weg voordat het sprankelende nieuwe omhoog kan komen, voordat
dat bloemetje in de woestijn de kans krijgt om onverwachts daar het pure te
laten zien, een sprankje hoop zeggen wij, hoop op vrede.
Maar die hoop is niet alleen
gericht op vrede in de zin van 'geen oorlog'. Vrede betekent in de profetie ook
vrede met God door Zijn levensregels te volgen. Beide betekenissen leven in de
mens. De mens ziet in de verdrukking uit naar oplossing, in verlangen naar
Godsbesef uit naar een invulling; dat leeft onder ons. Die hoop wordt in de
profetie weergegeven door "Degene die baren zal, haar kind gebaard
heeft", m.a.w. wat in de mens is gelegd zal manifest worden. In de
tussenzang hebben we gebeden/gezongen "het stekje dat Gij hebt
gekweekt" ; zo kun je ook hetgeen in ons is
gelegd noemen; ook dat moge tot groei komen, naar buiten komen. Als je dat een
beetje te pakken hebt, begrijp je dat de profeet Jesaja spreekt over
"Dauwt, hemelen van boven en wolken regent de gerechtigheid. Aarde, open
uw schoot, laat het heil bloeien en de gerechtigheid ontkiemen"? Is
er mooier en completer vrede te bedenken dan harmonie tussen hemel en aarde,
tussen God en mens, harmonie in jezelf? Dan zal die "kracht van God, de
verheven Naam van de Heer ons hoeden". De macht van dat kind, die hoop, is
voor alle mensen, gaat over de hele aarde: "God van de heerscharen,
richt ons weer op. Lach ons weer toe en we zullen gered zijn". Dat moge
gelden voor de hele wereld maar ook voor ons persoonlijk.
Dan, ineens lijkt het wel, het
evangelie van Lucas, kort, maar bij nader inzien boordevol. Maria gaat van
Nazaret, van het vlakke land, naar het bergland. De internationale
verbindingswegen liepen niet door die lastige heuvels maar door het vlakke
land. De inwoners in het vlakke land zagen meer dan die in het bergland en zij
waren wat vooruitstrevender dan die in het bergland, zij zagen eerder iets
nieuws. Maar die van het bergland hielden oude tradities meer in stand: Juda -
in het bergland - staat zo min of meer voor 'de ouden'. Daar gaat Maria, die
nieuwelinge, naar toe. Een stapje verder zetten: het Nieuwe
Verbond sluit aan bij, is gebaseerd op het Eerste Verbond; het zet voort wat er
al was maar nu op een nieuwe manier die zich niet beperkt tot het Jodendom maar
over de hele wereld gaat, tot de uiteinden der aarde zoals Micha zei.
Die nieuwe manier is ook anders
in intensiteit. Als zij die baren zal heeft gebaard, is
'God-met-ons' zichtbaar naar buiten gekomen, kunnen wij zien en aanraken wat in
ons is gelegd, opdat het zal groeien in een sprekend contact met elkaar.
Maria reist met spoed af,
"enkele dagen" na de aankondiging door de engel. Waarom met spoed?
Twee redenen denkbaar: de eerste ligt voor de hand, ze wist dat Elisabeth ook
in verwachting was en dan wil je als 'jong ding' - zoals we ons Maria
voorstellen - best eens met je veel oudere nicht
praten. De tweede is nog sterker: zij was op wonderlijke wijze in verwachting
en Elisabeth op haar hoge leeftijd ook. Kunnen we ons een beetje voorstellen
hoe die twee op elkaar reageren, naar elkaar reageren? De een verbaasd dat
'het' haar zomaar en zo intens is aangewaaid, de ander die zo verschrikkelijk
lang heeft gehoopt. Dan heb je geen theologie of wat dan ook nodig. Dan is er
alleen maar emotie, grote vreugde. Elisabeth schreeuwde het uit - zo staat in
het Grieks. Haar juichkreet "Gelukkige vrouw, zij die gelooft! Wat haar
namens de Heer is gezegd zal in vervulling gaan", gold voor Maria maar net
zo goed voor haarzelf. Beiden zijn zij door God
aangeraakt, door Zijn Geest. En wat Hij heeft aangeraakt is onaantastbaar, is
Zijn heiligdom.
"Gelukkig, zij die
gelooft"! We spreken over het Nieuwe Verbond en het Eerste Verbond maar
het zijn mensen die dat laten zien, mensen die laten zien wat in hen leeft. Wat
voor Maria -en Elisabeth- geldt, is ook voor ons.
Gelukkig wij die geloven! Wat geloven we? Wij geloven in de hoop die in ons
leeft, in onze eerlijke verwachting, het hoogste dat haalbaar is. Het zal best wel zijn dat dat niet altijd
spreekt maar bij gelegenheid kan dat ineens heel duidelijk zijn. Dan lacht God
ons toe. Mogen wij dan ook niet voorzichtig spreken
van in verwachting zijn, zwanger zijn van iets dat in ons is gelegd? En dat dat zich zal manifesteren? Wel voorzichtig maar als we dat
kunnen en durven, durven laten gebeuren misschien, dan vullen wij ook het
Nieuwe Verbond in.
Maria als beeld van de Kerk is een bekende gedachte. Er zijn verscheidene
argumenten om dat beeld te hanteren maar de eerste Christenen, de nieuwe Kerk
zou dat beeld nooit gehanteerd hebben als Maria daartoe geen reden had gegeven.
Zij herkenden in Maria wat ze zelf mee maakten: mag dat dan ook niet voor ons
gelden? Iets in je dragen dat van God is?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. De lezingen zijn rijk aan beelden - misschien springt er een uit.
Maria gaat naar Elisabeth. Oud en nieuw ontmoeten elkaar en dan is er grote
vreugde ... omdat beiden hetzelfde ervaren. Wat in een
oude beleving zit is net zoveel waard, is wel hetzelfde als wat in de nieuwe
zit. Als je kunt zien waaróm ouderen zus of zo deden/doen, krijg je de grond te
pakken, en die grond geldt altijd. Ook voor het nieuwe.
Zalig zij
die geloven in wat in hen leeft. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen dat
over ons te laten komen?
Kerstmis
dagmis 2003
C; als 2001 maar aangepast aan C
Jes 52,
7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18
Psalm 98
Zing voor de HEER
een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:
zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn
eigen machtige arm.
De HEER
heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de
volken.
Zijn liefde en
trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:
zelfs de uiterste grens van de aarde heeft
de redding van onze God aanschouwd.
Heel de aarde,
juich voor de HEER, breek uit in jubelen en zingen.
Zing voor de HEER
en speel om Hem te eren, speel op de lier, zing met luide stem.
Onder het schallen
van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van
de HEER, onze koning.
We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te
komen. Op de 1e zondag hebben we de profetie van Jeremia gehoord:
"De tijd komt - godsspraak van de Heer - dat ik de belofte vervul die ik
Israël en Juda heb gedaan" , een belofte waar de houding onder ligt "Naar U gaat mijn verlangen, Heer". Op de 2e
zondag week was er die oproep van Baruch: "Sta op Jeruzalem", je zult
heten 'Vrede door Gerechtigheid', 'Heil door
Godsvrucht'. Zo moet u uw roeping invullen. Op de 3e zondag hebben
we gelezen hoe Sefanja het waagde midden in de zorglijke toestand een vreugdekreet te uiten om de dag van de
Heer voor Zijn getrouwen en afgelopen zondag zagen we hoe Micha duidelijk maakt
wat nodig is: eenvoud en waarheid: 'U,
Betlehem in Efrata, al bent u klein onder Juda's stammen, toch zal er, zeg Ik, … want Hij die
troont op de cherubs, roept Zijn Kracht wakker en maakt het pure, eenvoudige
vruchtbaar. Hoop komt tot leven.
Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat
hoop gestalte heeft gekregen, zichtbaar is geworden en effectief. Ook voor ons
geldt dat die hoop in ons is gelegd vanaf onze schepping; ze is een
aansluitpunt naar wat boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We
vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én we vieren dat God van Zich heeft
laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle poes-pas
erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknoopt bij ons
eigenste en ons meeneemt naar Boven.
Je zou kunnen zeggen dat ook Johannes de evangelist
dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in de
Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het wel
of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de hand
is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en plaatst
hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en
Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees
geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën oorspronkelijk
één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.
Dat is wat Johannes in zijn leven heeft geleerd,
heeft leren inzien, en zijn geloofsbelijdenis werd: 'In begin was het Woord'.
Wat vrijer vertaald: 'beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was', en ook
hoe het was nl. 'naar God toe toegewend, bij God (de
Vader); het is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft
voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort
geloofsbelijdenis als 'Punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat
is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen in geloof in het Hogere, dat
de mens in zich herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is
via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven.
Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij
zijn inzicht om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven
geeft licht, geloofslicht, geloofszicht. Hoop is tot leven gekomen.
Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel
niet zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal
machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf
in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons.
"Het Woord dat vlees geworden is, het groot en
goddelijk begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan wat
goddelijke liefde is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden
uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel
begonnen als mens vanuit een man afkomstig maar worden dan 'van omhoog
geboren', sluiten aan bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.
Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft
aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol
genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt in
een kind, dat kind. Wat een geloofszicht!
Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in
het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft, vrede brengt en
alle reden biedt om te juichen want de belofte wordt vervuld: de vrede van de
Heer zal regeren in Jeruzalem. Voor de joden was dat de verlossing uit de
ballingschap, voor ons dat wij ons Godskinderen mogen
weten via het kind van Betlehem. De hele aarde moge dat weten, alle schepselen
zijn bestemd om uit God geboren te worden en te zijn. Daarvan hebben we
gebeden/gezongen in de tussenzang.
Als wij hier nu het feest van de menswording
vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog
eens met groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars
aansteken en ons zo laten raken?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst
vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook
niet om iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou
weer nieuw maakt? Dat jou raakt? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht
is, jouw licht?
"Al wat door God wordt aangeraakt, is puur en
helder als een maagd" en kan een Godskind zijn. Zullen we ons even tijd
gunnen dat over ons te laten komen?
H.Familie
C 28
december 2003 ('06)
1Sam
1,20-22.24-28; psalm 84; Lc 2, 41-52
(Voor elementen van de Sirach-keuze zie jaar A)
psalm 84
Hoe dierbaar is mij uw huis, HEER van de machten.
Ik word verteerd
door heimwee naar de voorhof en de tempel van de HEER.
Met heel mijn wezen
schreeuw ik het uit van heimwee naar de levende God.
Gelukkig de mens
die in uw huis woont: zonder ophouden kan hij U prijzen.
Gelukkig de
mens die zijn kracht vindt bij U: hij droomt van opgaan naar U;
Ach, luister naar
mijn smeken, HEER van de machten, luister, God van
Jakob.
Vestig uw ogen,
God, op uw gezalfde, zie liefdevol op hem neer, ons schild.
"En met de jaren nam Jezus
toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en bij de mensen". Het klinkt
als "en ze leefden nog lang en gelukkig". Einde sprookje. Ook een
zekere geruststelling, Jezus gaat weer netjes met zijn ouders mee 'het probleem
is voorbij'.
Zou hier dan een
probleem zijn? Wellicht. Als je een gewoon katholiek gezin zou
vragen wat voor een lezingen het uit zou kiezen voor
dit feest, zal het niet direct aan dit evangelie-stukje
gedacht hebben en zeker niet aan het verhaal van Hanna. Wellicht zal ook
gedacht hebben: "Heilige familie? Wij heilig? Reserveer dat maar
voor Jozef en Maria en het kind". Tenslotte is
het mogelijk dat het zich afvroeg waarom een jaarfeest voor het gezin gevierd
moet worden. Er zijn toch meer vormen van levenswijze in onze maatschappij;
denk maar aan leefgemeenschappen, kinderloze echtparen, homofiele
banden en alleenstaanden. Wanneer vieren we hun feest?
Zullen we eens kijken naar die
eerste vraag: welke lezingen zou een gezin gekozen hebben? Het is praktischer
om de zaak een beetje om te draaien: wat hebben ze aan deze lezingen die zijn
voorgelezen? Hoe dichtbij zijn die?
De beslissing van Hanna, die eerst God smeekt om een kind te mogen hebben en
het vervolgens afgeeft aan God - die beslissing ligt bij ons niet bepaald zo
voor de hand. Maar bij Hanna en haar man ook niet. Kinderloos zijn gold als een
straf, een oneer. Zij moet dus wel een bepaalde reden hebben gehad. Haar man
hield zielsveel van haar, meer dan van haar rivale die haar bespotte. Ook al
zei haar man Elkana dat zij hem liever was dan tien
zonen, ze was ontroostbaar. Iedere keer bij hun jaarlijks offer aan de tempel
in Silo moest Hanna die vernedering doorstaan en een gegeven moment deed ze een
gelofte aan de Heer: "Heer van de machten, als u omziet naar de ellende
van uw dienstmaagd en aan mij denkt, als u naar uw dienares omziet en haar een
zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn hele leven aan de Heer afstaan".
Hij zal niet worden vrijgekocht zoals de Wet aangeeft maar worden afgestaan.
Kunnen we ons iets voorstellen
bij het verdriet van zo iemand die binnen een gemeenschap - in welke vorm dan
ook - vernederd en bespot wordt op een zo doordringend punt, op haar vrouw
zijn?
Kunnen we ons voorstellen hoe
zij haar magnificat zingt als de Heer haar schoot
heeft geopend?
Kunnen we ons iets voorstellen
over haar vertrouwen in de Heer als zij haar schat aan de Heer toevertrouwt?
Die jongen moet wel in goede handen zijn in het huis van de Heer.
"Gelukkig zij die wonen in uw huis, Heer", zegt
de psalm immers. Als slotzin staat er:"En zij bogen zich daar voor God de
Heer neer". Waarna Hanna haar Magnificat zingt.
Ligt hier een punt waar het
gezin iets aan heeft? Toegewijd zijn aan God ligt er voor iedereen maar hier
gaat het om het paar Hanna - Elkana; de relatie is
toegewijd aan, gericht op God. Heilige familie. Dat is nog al wat, maar wel
mogelijk, wel waar. We denken bij heilig al gauw aan buitenissigheid. Heilig
betekent heel gewoon: aan God gewijd, op God gericht. Wij mensen kunnen op God
gericht zijn -met vallen en opstaan- maar goed
bedoeld. Is dat niet ons geloof, zoals Hanna en Elkana
ook geloofden? Als je op God gericht bent, naar Hem toedenkt en werkt, ben je
vruchtbaar, in je relatie op een speciale manier.
Geldt dat ook niet voor kinderloze paren? Niet dat echtparen of niet op
voortplanting gerichte gemeenschappen ineens eigen kinderen gaan krijgen omdat
ze op God gericht zijn. Maar mogelijk is wel dat ze door hun op God gericht
denken en doen vruchtbaar kunnen zijn voor kinderen, groten en kleinen, door
gebed, voorbeeld, steun, ieder naar eigen omstandigheden en mogelijkheden. Dit
niet als een soort zoethouder of surrogaat maar een als een mogelijkheid, die
Hanna eerst niet had maar kreeg door haar geloof, haar vertrouwen. En geloof
dus niet als opgelegd maar als een band met God die vanzelf, van binnen uit
leeft omdat het uit de hemel is gekomen. Desnoods spreken we van geestelijke
nakomelingen, hetgeen ook bijbels is. Moge die
mogelijkheid ook gelden voor de alleenstaande, naar zijn of haar situatie en
kunnen.
Dan kan er geluk zijn zoals we dat hebben gezongen in de tussenzang: dan moge
ook daar het huis van de Heer zijn.
Het huis van de Heer. "Huis
van mijn Vader", zei Jezus. De eerste keer dat Jezus in de tempel was, was
bij zijn opdracht aan God. Daar had hij zelf geen hand in, dat deden zijn
ouders, die hem vrij kochten met een koppel tortels. De tweede keer dat Jezus
in de tempel was, was toen hij twaalf jaar was, nu zeggen ze Bar Mitswa, zoon der Wet. Hij had er wel zelf de hand in. Hij
discussieerde met leraren tot verbazing van iedereen. Nog meer aan God
toegewijd dan zijn ouders dachten. Het toppunt is wel dat Jezus later zichzelf
tempel noemt. Als onze gezinnen en gemeenschappen het huis van God willen zijn,
kleinste cel van zijn Kerk, zou Jezus dan niet meegaan als met zijn ouders?
Hij, zelf de tempel.
Het sprookje is niet uit, het
gaat door.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Komen uit een goed nest, leven in een gelovend gezin - je hebt het
niet altijd door totdat je ziet dat er ook andere dingen gebeuren. Als je zelf
dan een relatie aangaat, laat zij op God gericht zijn, laat Jezus Christus
daarin meegaan. Hoe - dat ervaar je zelf in vallen en opstaan, dat vul je deels
zelf in. Maar met hem, de maximale tempel, bouw jíj een huis van God, waar
vertrouwen is en Godsliefde. Waar intimiteit en
liefde wordt geleerd en ervaren als weg naar God, als weg van God. Intens.
"Gelukkig zij de wonen in uw huis, o Heer". Zullen we ons een paar
minuten tijd gunnen daarover na te denken?
"En met de jaren nam Jezus
toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en bij de mensen". Het klinkt
als "en ze leefden nog lang en gelukkig". Einde sprookje. Ook een
zekere geruststelling, Jezus gaat weer netjes met zijn ouders mee 'het probleem
is voorbij'.
Zou hier dan een probleem zijn? Wellicht. Als je een gewoon
katholiek gezin zou vragen wat voor een lezingen het
uit zou kiezen voor dit feest, zal het niet direct aan dit evangelie-stukje
gedacht hebben en zeker niet aan het verhaal van Hanna. Wellicht zal ook
gedacht hebben: "Heilige familie? Wij heilig? Reserveer dat maar
voor Jozef en Maria en het kind". Tenslotte is
het mogelijk dat het zich afvroeg waarom een jaarfeest voor het gezin gevierd
moet worden. Er zijn toch meer vormen van levenswijze in onze maatschappij;
denk maar aan leefgemeenschappen, kinderloze echtparen, homofiele
banden en alleenstaanden. Wanneer vieren we hun feest?
Zullen we eens kijken naar die
eerste vraag: welke lezingen zou een gezin gekozen hebben? Het is praktischer
om de zaak een beetje om te draaien: wat hebben ze aan deze lezingen die zijn
voorgelezen? Hoe dichtbij zijn die?
De beslissing van Hanna, die eerst God smeekt om een kind te mogen hebben en
het vervolgens afgeeft aan God, die beslissing ligt bij ons niet bepaald zo
voor de hand. Maar bij Hanna en haar man ook niet. Kinderloos zijn gold als een
straf, een oneer. Zij moet dus wel een bepaalde reden hebben gehad. Haar man
hield zielsveel van haar, meer dan van haar rivale die haar bespotte. Ook al
zei haar man Elkana dat zij hem liever was dan tien
zonen, ze was ontroostbaar. Iedere keer bij hun jaarlijks offer aan de tempel
in Silo moest Hanna die vernedering doorstaan en een gegeven moment deed ze een
gelofte aan de Heer: "Heer van de machten, als u omziet naar de ellende
van uw dienstmaagd en aan mij denkt, als u naar uw dienares omziet en haar een
zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn hele leven aan de Heer afstaan".
Hij zal niet worden vrijgekocht zoals de Wet aangeeft maar worden afgestaan.
Kunnen we ons iets voorstellen
bij het verdriet van zo iemand die binnen een gemeenschap - in welke vorm dan
ook - vernederd en bespot wordt op een zo doordringend punt, op haar vrouw
zijn?
Kunnen we ons voorstellen hoe
zij haar magnificat zingt als de Heer haar schoot
heeft geopend?
Kunnen we ons iets voorstellen
over haar vertrouwen in de Heer als zij haar schat aan de Heer toevertrouwd?
Die jongen moet wel in goede handen zijn in het huis van de Heer.
"Gelukkig zij die wonen in uw huis, Heer", zegt
de psalm immers. Als slotzin staat er:"En zij bogen zich daar voor God de
Heer neer". Waarna Hanna haar Magnificat zingt.
Ligt hier een punt waar het
gezin iets aan heeft? Toegewijd zijn aan God ligt er voor iedereen maar hier
gaat het om het paar Hanna - Elkana; de relatie is
toegewijd aan, gericht op God. Heilige familie. Dat is nog al wat, maar wel
mogelijk, wel waar. We denken bij heilig al gauw aan buitenissigheid. Heilig
betekent heel gewoon: aan God gewijd, op God gericht. Wij mensen kunnen op God
gericht zijn -met vallen en opstaan- maar goed
bedoeld. Is dat niet ons geloof, zoals Hanna en Elkana
ook geloofden? Als je op God gericht bent, naar Hem toedenkt en werkt, ben je
vruchtbaar, in je relatie op een speciale manier.
Geldt dat ook niet voor kinderloze paren? Niet dat echtparen of niet op
voortplanting gerichte gemeenschappen ineens eigen kinderen gaan krijgen omdat
ze op God gericht zijn. Maar mogelijk is wel dat ze door hun op God gericht
denken en doen vruchtbaar kunnen zijn voor kinderen, groten en kleinen, door
gebed, voorbeeld, steun, ieder naar eigen omstandigheden en mogelijkheden. Dit
niet als een soort zoethouder of surrogaat maar een als een mogelijkheid die
Hanna eerst niet had maar kreeg door haar geloof, haar vertrouwen. En geloof
dus niet als opgelegd maar als een band met God die vanzelf, van binnen uit
leeft omdat het uit de hemel is gekomen. Desnoods spreken we van geestelijke
nakomelingen, hetgeen ook bijbels is. Moge die
mogelijkheid ook gelden voor de alleenstaande, naar zijn of haar situatie en
kunnen.
Dan kan er geluk zijn zoals we dat hebben gezongen in de tussenzang: dan moge
ook daar het huis van de Heer zijn.
Het huis van de Heer. "Huis
van mijn Vader", zei Jezus. De eerste keer dat Jezus in de tempel was, was
bij zijn opdracht aan God. Daar had hij zelf geen hand in, dat deden zijn
ouders, die hem vrij kochten met een koppel tortels. De tweede keer dat Jezus
in de tempel was, was toen hij twaalf jaar was, nu zeggen ze Bar Mitswa, zoon der Wet. Hij had er wel zelf de hand in. Hij
discussieerde met leraren tot verbazing van iedereen. Nog meer aan God
toegewijd dan zijn ouders dachten. Het toppunt is wel dat Jezus zichzelf tempel
noemt. Als onze gezinnen en gemeenschappen het huis van God willen zijn,
kleinste cel van zijn Kerk, zou Jezus dan niet meegaan als met zijn ouders?
Hij, zelf de tempel.
Het sprookje is niet uit, het
gaat door.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Komen uit een goed nest, leven in een gelovend gezin - je hebt het
niet altijd door totdat je ziet dat er ook andere dingen gebeuren. Als je zelf
dan een relatie aangaat, laat zij op God gericht zijn, laat Jezus Christus
daarin meegaan. Hoe - dat ervaar je zelf in vallen en opstaan, dat vul je deels
zelf in. Maar met hem, de maximale tempel, bouw jíj een huis van God, waar
vertrouwen is en Godsliefde. Waar intimiteit en
liefde wordt geleerd en ervaren als weg naar God, als weg van God. Intens.
"Gelukkig zij de wonen in uw huis, o Heer". Zullen we ons een paar
minuten tijd gunnen daarover na te denken?
Doop van de Heer C 11
januari 2004 ('08)
Jes 40, 1-5.9-11; psalm 104; Lc
3, 15.16.21.22
Psalm 104 Prijs de HEER, o mijn ziel HEER
mijn God, U bent machtig groot,
met pracht
en met verhevenheid omkleed.
Hij gaat gehuld in een mantel van
licht, Hij heeft de hemel als zijn tentdak gespreid,
zijn zalen op het water gebouwd.
Hij maakt van de wolken zijn wagen en beweegt zich voort op de vleugels
van de wind.
Hij maakt de stormen tot zijn boden en
zijn dienaren de laaiende bliksems.
Hoe veelzijdig is wat U doet, o HEER,
alles hebt U met wijsheid gemaakt:
de aarde is vervuld van uw
kunstenaarschap.
Zo is daar de zee, groot en wijd
gespreid, ze krioelt van ontelbare dieren,
van zowel grote als kleine.
Zij allen verwachten van U dat U op de
juiste tijd voedsel schenkt.
En als U het geeft, eten ze gretig: U
opent uw hand en zij krijgen wat ze verlangen.
Als U uw gelaat
verbergt, vergaan zij van schrik:
ontneemt U hun de adem, dan snakken ze naar
lucht en keren tot stof terug.
Maar geeft U uw adem, dan worden zij
herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw.
Bij de Doop van de Heer wordt in
jaar A Jesaja 42 met Mt gecombineerd, dan gaat het om
de dienstknecht van God; in jaar B gaat Jes 55 samen met Mc met als thema
“Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden” en dit
jaar staat de vreugde van Jesaja 40 bovenaan. De ballingschap loopt ten einde,
er is weer uitzicht op hun eigen grond. Ze hebben hun zonden dubbel en dwars
uitgeboet en nu zal de weg des Heren worden bereid, Hij zal Zich openbaren.
“Klim op een hoge berg en roep 'Hier is uw God'." Hier, in ons land.
Mensen die in onze tijden in
ballingschap hebben moeten leven, hun land uit zijn gejaagd,
zonder eigen huis en haard, die weten wat en hoe zo’n vreugde is. De
ouderen onder ons die de bevrijding in ‘44/’45 hebben meegemaakt,
kunnen zich die opluchting voorstellen, eindelijk verlost te zijn van
onderdrukking en terreur. Maar ook mensen die in nood waren, een crisis hebben
doorgemaakt, problemen hebben doorstaan - wie niet? - zullen de tussenzang
herkennen: "Ik zing voor de Heer zolang ik leef", dankbaar om Gods
trouw en barmhartigheid.
Aan die sfeer wordt de lezing
van Lucas verbonden. “Het volk leefde in gespannen verwachting en allen
vroegen zich af of Johannes niet de Messias was”. Hun Messiasverwachting
zal op de eerste plaats politiek zijn geweest. Zij leefden onder de bezetting
van de Romeinen die hun vrijheid en leefruimte beknotten, zij waren
vreemdelingen die de Joodse tradities en godsdienst niet kenden en alleen uit
waren op geld en macht. Maar ook de Joodse leiders heulden met de Romeinen, de
tempelaristocratie - Hoge priesters en Sadduceeën – waren meer op macht
uit dan op Het Verbond, Farizeeën waren niet altijd eerlijk, Schriftgeleerden
keken meer naar het uiterlijk dan naar het beléven van de Wet.
In die sfeer treedt Johannes op
bij de Jordaan. Kennelijk maakte hij wat los bij de mensen, ze voelden dat er
wat te gebeuren stond: misschien nu toch dan de Messias, de gezalfde die het
Rijk van David zou herstellen? De Joden weer in hun éigen land? Zo zong
Zacharias in de tempel, vervuld van de Heilige Geest: “Gezegend de Heer,
de God van Israël, want Hij heeft Zich het lot van Zijn volk heeft aangetrokken
en het bevrijd. Hij heeft voor ons een reddende kracht opgewekt in het huis van
David, zijn dienstknecht … Hij zou er voor
zorgen dat wij - zonder angst en bevrijd uit de hand van de vijand - Hem konden
dienen in heiligheid en rechtvaardigheid …”. Politiek,
rechtvaardigheid, vrijheid in dienst van godsdienst.
Hoewel Johannes niet politiek
actief was, “liepen de mensen massaal uit om zich te laten dopen”.
Want hij verkondigde “een doop van bekering - het moest anders - een doop
van bekering tot vergeving van zonden”. Bekering - de tijden moesten zich
wenden, de mensen moesten anders gaan doen. Rechtvaardigheid werd het kenmerk
ervan.
Vergeven van zonden, letterlijk
‘wegzending’ van misslagen’, was
kennelijk een heikel punt. Hoe wist men dat zonden weg waren, niets meer van te
zien? Wie kon je van zondeschuld ontslaan? Johannes propageerde vergeving en
kennelijk had men vertrouwen in hem. Zo kon een persoonlijke vrijheid ontstaan,
zo kon het Verbond weer worden beleefd met vreugde en zou hun God weer met hen
zijn. Zij hadden immers ook de ballingschap ondergaan zij als een straf voor
hun goddeloosheid destijds. Nu konden zij zich weer met vertrouwen tot Hem
keren. Het is best mogelijk dat iemand die gedoopt was, die ondergedompeld was
in het sterk stromende water om zo zijn vernieuwing uit te drukken en te
ervaren - het is best mogelijk dat zo iemand ook psalm 104 zachtjes heeft
gezongen, misschien wel heeft uitgeroepen "Hier
is mijn God".
"Het hele volk liet zich
dopen en zo ook Jezus" zegt Lucas. Heel stil, zonder uitroepen vanaf een
hoge heuvel, komt Jezus - "Dat groot en goddelijk begin, dat loopt tussen
de mensen in". Een man van gebed, die na zijn onderdompeling ook bad
waarop de hemel openging, de Geest op hem neerdaalt en een stem hem aanspreekt
en hem "de geliefde Zoon" noemt. Vader, Zoon, H.Geest.
Waarom liet Jezus zich dopen? We
kunnen het hem niet meer vragen maar wel een betekenis vermoeden. Hij liet zich
dopen omdat hij mens was, wilde zijn. Jezus is geen
bemiddelaar, die buiten de partijen staat; hij is middelaar, is partij, zowel
aan de kant van God als aan de kant van mensen. Dus wilde hij ook gedoopt
worden, ook dat ondergaan, met dat nieuwe leven worden doorstroomd, bewust.
Vervolgens biedt hij ons mensen zo de mogelijkheid om in hém gedoopt te worden,
in zíjn leven. Hij doopt immers ín de H.Geest, hun beider Geest, die op hem
neerdaalde na zijn doop. Het stromende water geeft ons hun Leven, de Geest
voedt ons Leven zo lang we leven. Het gaat verder dan een apart soort Leven in
ons leven: ons Leven is hun Leven. Het is immers van de Vader en de Zoon en de
H.Geest. Tenslotte, als we
het zich laten dopen van Jezus een nederigheid noemen, dan mogen we zeggen dat
liefde dat ervoor over heeft, die ‘nedering’
ervoor over heeft om toch maar bij de mensen te kunnen komen - liefde wil zo
graag.
Kunnen we dan ook niet zachtjes
psalm 104 zingen: "Maar geeft Ge Uw Adem, dan worden zij herschapen: U
maakt de aarde weer helemaal nieuw". Nieuwe schepping, want liefde wil zo
graag.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Een idool hebben hoort er vaak bij, zeker
op jongere leeftijd. Maar als je wat verder bent, moge je aangesproken worden
door een Idool die nooit meer vervaagt, voortdurend
blijft, om Wie je ook wel eens moet vechten. Een stil Idool die niet van de
hoge berg roept maar in jou roept om jou. Hij wil zo graag. En reken maar, als
hij jou te pakken heeft en jij Hem, dan ga je vanzelf naar buiten naar anderen
- desnoods een hoge berg op, want Hij is onbeperkt.
De
tijd van vreugde is aangebroken in de Naam van de Vader en de Zoon en de
H.Geest: ons Leven is hun Leven. Zullen we ons even tijd gunnen dat door ons
heen te laten stromen?
Tweede
zondag door het jaar C
18 januari 2004; '07
Jes 62, 1-5; psalm 96; Joh 2, 1-12 (Voor 'zes' zie Getallensymboliek
onder 6)
Psalm 96
Zing van de HEER
een nieuw lied, heel de aarde, zing van de HEER.
Zing van de HEER
en verheerlijk zijn naam, verkondig zijn heil alle dagen.
Vertel de volken het verhaal van zijn glorie,
het verhaal van zijn wonderen aan alle naties.
Huldig de HEER,
alle stammen en volken, huldig de glorie en macht van de HEER.
Huldig de glorie
van zijn naam,
Buig voor de HEER
naar de aarde, als Hij verschijnt in zijn heiligheid;
heel de aarde, sidder voor Hem.
Zeg het de volken:
De HEER is koning; Hij bestuurt
de volken naar recht en gerechtigheid.'
In de eerste lezing zingt de
profeet het uit. Het betreffende hoofdstuk van Jesaja begint met de bekende
roepingswoorden die Jezus ook gebruikte: "De Geest van de Heer God rust op
mij want de Heer heeft mij gezalfd om …", om het blijde nieuws te
brengen, om vrij te laten, om te genezen. De profeet is zo vol van verwachting
dat hij in Jeruzalem de plaats ziet waar het resultaat van die roeping zal
culmineren, zijn typische plaats vindt als een lichtpunt voor de hele wereld.
Hij kan dan ook niet zwijgen uit liefde voor Jeruzalem, uit liefde voor zijn
God wiens Gerechtigheid daar schitterend zichtbaar zal
zijn voor alle koningen en volken. Daar laat God zien hoe goed Zijn
Gerechtigheid is, hoe goed Zijn goed-zijn klopt met hetgeen wij mensen ons daarvan mogen en kunnen voorstellen.
Wat in de verwachting van mensen leeft, waar we bewust of onbewust op hopen,
wat in ieder van ons gelegd is, zal daar en dan zichtbaar zijn.
Er is een nieuw Jeruzalem, het 'Jeruzalem van omhoog', zegt Paulus later. Is het dan
verwonderlijk dat er een psalm is die zingt van Gods wondere daden voor alle
naties? "Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zingt voor de Heer, alle
landen"/"Zingt voor de Heer een nieuw lied, een nieuw lied, zingt
voor de Heer aarde alom". Een nieuw lied want Hij maakt nieuw. Hij doet
iets wat nog niet eerder is gebeurd.
Jezus doet ook
iets nieuws, hij verandert water in wijn. Het feest dat vast dreigt te lopen
moet doorgaan, de vreugde mag niet stoppen want dat zou op dat ogenblik een
ramp zijn voor het bruidspaar dat juist in vertrouwen, in grote verwachting hun
toekomst viert. Ook een ramp voor alle meevierenden, die dat willen bevestigen
door mee te vieren en wellicht ook hun eigen verwachting vieren. En als Jezus
dan - wie zal het zeggen? - een hint krijgt van zijn moeder om met zijn clubje
af te nokken, wijst hij dat af. Het feest is nog niet afgelopen en wordt nog beter
voortgezet want de wijn is beter dan eerst. Er moet een gezalfde komen die de
Geest kent.
Johannes heeft altijd een
verborgen betekenis in zijn tekenverhalen. Als de interpretatie dat Maria haar
zoon een hint geeft al juist moge zijn - de eraan voorafgaande woorden zijn
beroemd geworden: "Ze hebben geen wijn meer". De wereld heeft geen
wijn meer, de wereld kan niet meer vieren. Zoveel ellende, onrecht, misdaad,
verdriet, de wereld kan het niet meer aan. Er moet iets nieuws gebeuren.
Kennelijk heeft Maria vertrouwen
in Jezus. Als hij wil blijven en door wil vieren, zal hij ook een oplossing
vinden: "Wat hij u ook maar zegt, doet het maar" (Willibrord). Jezus
laat zes kruiken vullen die daar stonden voor Joods reinigingsgebruik. Vol, tot
de rand toe. Zes! Johannes geeft daarmee aan dat Jezus uit het bestaande
(Joodse) kader breekt en iets nieuws doet, Gerechtigheid op een nieuwe manier
laat zien, nieuw laat zien hoe goed zijn goede boodschap klopt met hetgeen wij mensen daarover kunnen en mogen bedenken. Hij
overstijgt reiniging en zet vreugde bovenop. Hij geeft aan tot welk een vreugde
zijn reiniging ons brengt. "Zingt voor de Heer een nieuw gezang" -
een bruiloftsgezang van ons?
Mogen we die vreugde wat nader
benoemen, wat verder overdenken? De eerste lezing spreekt van "vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad". Maar het
bruiloftsverhaal van Kana geeft alle aanleiding om verder te gaan en de
bruiloftsmystiek op te pakken die Jesaja geeft in het vervolg op de eerste
lezing (Jes 62). We hebben nu gelezen over de herbouw van verwoeste steden en
dat vreemden de bewoners zullen dienen. Maar in de bruiloftsmystiek van Jesaja
heet de stad niet meer 'Verstotene', het land niet meer 'Verlatene'. De stad
heet nu 'Mijn Welbehagen' en het land 'Gehuwde'.
'Gehuwde' - de band van God de
Heer met het land waar zij leven wordt als huwelijk gekwalificeerd. Waar zij
wonen, dagelijks verkeren, werken, rusten, bidden, denken, hopen, leven, daar
moge hun band met de Heer, hun God, als een huwelijksleven functioneren. In dat
land steekt een stad boven de andere uit want zij wordt
"Mijn Welbehagen" genoemd. Zij is niet alleen een getrouwde vrouw,
wettelijk naar het Verbond, zij is nog meer: "Zijn Welbehagen", Zijn
Geliefde, zijn uitverkiezing. "Zoals een bruidegom zich verheugt in zijn
bruid." Zoals bruid en bruidegom eenheid zoeken. Zoals bruid en bruidegom
zich in elkaars liefde kunnen verliezen.
Jezus biedt ons als zijn
volgelingen zijn bruiloftsfeest aan. Hij maakt voor ons de verwachting van de
profeet waar. Zou de Kerk dan niet zijn bruid mogen zijn, kunnen zijn; de bruid
waar zijn gerechtigheid straalt ter ere van zijn Vader? En zouden wij
persoonlijk, ieder van ons niet "Mijn Welbehagen" mogen zijn, graag
willen zijn? Zijn geliefde. Als bruid of als vriend zoals vrienden elkaar aan
zien en kennen? Een flonkerende kroon in zijn handen. Een kroon die af en toe
wel gereinigd moet worden. Maar dat kan hij heel goed. Nieuw makend. Want het
feest moet doorgaan.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Huwelijksliefde, huwelijksfeest, liefde, verliefdheid, trouw,
genegenheid zijn allemaal zaken die ook op jongere leeftijd veel betekenen, die
zeker dan met goede verwachting te maken hebben, waarvan je aanneemt dat ze in
vervulling gaan. Kan niet anders. In het dagelijks
leven zul je voor de invulling van die goede verwachting best inspiratie nodig
hebben want het wordt telkens weer anders, telkens weer nieuw. Moge de Wijn van
Jezus je daarbij dienen.
"Mijn Welbehagen" van
Jezus zijn. We mogen het zijn, hij nodigt ons uit. We kunnen het zijn, gevoed
door zijn Wijn, zijn Bloed, zijn Leven. Zullen we ons daarvoor even tijd
gunnen?
Derde
zondag door het jaar C 25 januari 2004
Neh 8, 2-4a.5.6.8-10; psalm 19; Lc 1, 1-4; 4,14-21 (waarom Neh 8,
4b niet?)
Psalm 19
Uw woorden Heer,
zijn geest en leven.
De wet van de HEER
is volmaakt, een verademing voor de ziel.
Wat de HEER
zegt is betrouwbaar, het maakt de eenvoudige wijs.
Wat de HEER
voorschrijft is goed, een vreugde voor het hart.
Wat de HEER
verordent is helder, een licht voor de ogen.
Wat de HEER
zegt is zonder smet, het houdt stand voor altijd.
De voorschriften
van de HEER zijn betrouwbaar, rechtvaardig
allemaal;
Wat mijn mond zegt
en mijn hart overweegt, laat het U genoegen doen,
HEER,
mijn rots, mijn verlosser.
Lucas opent zijn evangelie zoals
toen in meer ontwikkelde kringen gebruikelijk was. Hij legt verantwoording af
hoe hij het heeft gedaan en geeft het doel aan nl. de
betrouwbaarheid van de gebeurtenissen, van het geloof dat doorgegeven wordt.
Hij heeft het over de overlevering door bepaalde personen die hij kwalificeert:
zij zijn ooggetuigen van het begin af en geven door wat Jezus leerde en deed.
Zij houden het vuur aan, zij leven door in de Geest van Jezus zoals we dat makkelijk zeggen. Maar dat kunnen ze niet op hun eentje, dat
kan alleen maar in een gemeenschap die die Geest
kent, een gemeenschap door die Geest gaande gehouden, Gods Geest.
Was die Geest er in het Eerste Verbond er dan niet?
Weldegelijk, alleen wordt Hij niet zo vaak, zo expliciet, genoemd als i.v.m.
Jezus. Kijken we naar de 1e lezing: de ballingschap is ten einde, koning Cyrus laat degenen die dat willen teruggaan naar Jeruzalem.
Dat is een lange tocht waarin ze zich richten op hun stad, en als ze daar
gekomen zijn, zijn ze dolgelukkig. Dat kun je nog heimwee noemen. De muren van
de stad en de poorten worden herbouwd; Nehemia, de landvoogd door Cyrus aangesteld, bouwde mee. Dat kun je nog bescherming
noemen. Maar als ze hun tempel -in afgeslankte vorm- herbouwen
is dat niet meer puur nostalgie en zeker niet als ze allemaal samen komen om te
luisteren naar de leer van hun God zoals Mozes die had geleerd en nu
opgeschreven was. Herbouwen van die Tempel, luisteren naar - dat kan alleen
maar gebeuren in een bepaalde geest, door de goede geest, de Geest van JHWH, de
Geest van Hem die zich laat noemen Hij-is-er.
Het wordt spannend beschreven: allen komen samen op de eerste dag van de
zevende maand, er werd een verhoging gebouwd, Ezra, de priester en schriftgeleerde, gaat erop staan, zes mannen aan zijn
rechterhand en zeven aan zijn linkerhand, iedereen ziet hem, en hij opent het
boek. Allen gaan staan op dat moment. Ezra zegt een zegenformule in de geest
van "Gezegend zijt Gij Heer, onze God, koning van het al, die ons de
vreugde van uw Wet hebt gegeven" en allen beamen dat. De mannen, de
levieten en Ezra gaan voorlezen en uitleggen, en toen werd het sommigen teveel
en begonnen zij te huilen. Ze worden getroost en aangespoord om er een feest
van de maken. Dat mocht best wel,
ze zullen vast ook wel psalm 19 gezongen hebben, "De wet van de HEER
is volmaakt, een verademing voor de ziel"maar ook: "de vreugde
die de Heer u schenkt zij uw kracht". Die kracht - is dat niet de Geest
Gods?
Zo'n kleine
500 jaar later is er nog een figuur die gedreven werd door de Geest. Hij had in
de woestijn zijn punten van uitgang gezocht en zijn programma gemaakt en nu,
weer gedreven door de Geest, gaat hij het land in, leerde en werd alom
geprezen. Kennelijk had hij het. Dan komt hij in Nazaret en nu begint weer zo'n spannende beschrijving: je ziet hem naar de synagoge
gaan en opstaan om te voor te lezen - dat mocht iedere Jood. De boekrol wordt
hem aangereikt, hij opent de rol, hij zoekt een stuk en vindt het. Hij leest
zijn programma voor, rolt het boek dicht, geeft het terug en gaat zitten.
"Aller ogen waren op hem gericht" en dan -zo stel
ik me voor- staat hij weer op, als "op een houten verhoging",
dat hij "boven iedereen uitsteekt", en begint hij te spreken. Hij
geeft zíjn programma, zijn Wet, nieuwe wet, nieuwe leer, die van vergeving,
verlossing en liefde, verlossende liefde. Die goede boodschap, dat goede nieuws
brengen aan hen die daarnaar uitzien, aan gevangenen hun vrijlating
aankondigen, aan blinden het licht in hun ogen, verdrukten in vrijheid laten
gaan en een tijd aankondigen die welgevallig is aan de Heer. Dat was
vernieuwing, "een verademing voor de ziel", en precies wat de mensen
nodig hadden. Er staat niet bij dat sommigen begonnen te huilen maar ze betuigden
wel hun bijval en verbaasden zich.
Wij hebben wellicht niet het gevoel dat wij 'door de Geest gedreven' hier bij
elkaar zijn gekomen maar toch kun je dat zeggen. Niet alleen gekomen om in Zijn
Naam één te zijn, te luisteren en te vieren maar ook gekomen om in de geest van
Jezus zijn werk voort te zetten, het door te geven. Wij hebben de tussenzang
als loflied op de 'Wet' gezongen/gebeden. Kunnen we dat zien als een loflied,
vertalen in een loflied op de 'Wet' van Jezus, op zijn leer? Dat moge ook een
uiting zijn van de H.Geest. Zou het in die Geest ook
niet vruchtbaar zijn als wij meer bezig zijn met die leer, meer daarin en
daarover lezen? Een vorm van zondagsheiliging, desnoods door de week. "Een
verademing voor de ziel".
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. De Geest is geen zoet gevoel of halleluia-geroep.
Hij zet je aan, tot iets goeds. Accepteren dat Hij in je leven de drijvende
kracht is moge voor jezelf persoonlijk goed werken maar ook voor jouw leven in
de wereld. Daar is nog heel wat te doen maar er valt ook wat te beluisteren.
Die nieuwe Wet.
"De
vreugde die de Heer u schenkt zij uw Kracht".
Zijn Wet een verademing voor de ziel. Zullen we ons een paar minuten de tijd
gunnen daarover na te denken?
Vierde zondag door het jaar C 28 januari 2001; '04
Jer 1, 4-5.17-19; Ps 71; Lc 4, 21-30.
Psalm 71
Ik zoek mijn
toevlucht bij U, HEER, beschaam mij nooit ofte nimmer.
Zwaar U
rechtvaardig bent, verlos mij, bevrijd mij, leg uw oor te luisteren en maak mij
vrij.
Wees de rots waarop
ik woon, waar ik altijd heen kan gaan;
zorg dat ik opnieuw word bevrijd, want mijn
rots en mijn vesting bent U.
Bevrijd mij, mijn
God, uit de hand van de boze, uit de greep van schurk
en geweldenaar.
Ja, U, o Heer, bent
mijn hoop, vanaf mijn jeugd mijn toevlucht, HEER.
Ik steun op U al
van voor mijn geboorte, U bent mijn beschermer vanaf de moederschoot:
mijn mond zal spreken van uw gerechtigheid.
Vanaf mijn jeugd
hebt U mij daaraan gewend,
tot op de dag van vandaag verkondig ik uw
wonderen.
Als je de eerste regels van de
1e lezing leest, word je automatisch in een sfeer van mystiek getrokken. Alleen
het idee al dat God je kent voordat HijZ je in de moederschoot vormt leidt
naar een besef, een vermoeden, van oneindigheid, tijdloze ruimteloosheid, van
zijn in het groot Geheel, zijn als het groot Geheel. Daarvoor hebben we geen
woorden, geen denkbeelden, alleen maar een vermoeden. We weten dat het is maar
kunnen alleen maar wijzen, reiken, creatief toelaten. Het
gegeven dat de Heer jou voor Zich heeft bestemd, geeft doel aan ons leven, is
basis voor ons zijn en een stimulans om te handelen: "Omgord uw
lendenen", wij zouden zeggen: "schort voor" of "stroop je
mouwen op". En dat wil je best wel omdat
het op liefde, op eenheid is gebaseerd.
Maar dan krijg je een tik op je neus: "Laat je niet afschrikken, anders
jaag Ik je de schrik op het lijf", ook nog "voor hun ogen", dan kun je je schamen. Het
goede gevoel is ineens weg. Kennelijk wordt het graag willen doen gehinderd
door de praktische situatie waarin wij mensen nu eenmaal verkeren. Het is dan
ook heel reëel dat we in de tussenzang hebben gezongen/gebeden om hulp t.o.v.
degenen die onrecht plegen. We zoeken hulp bij Degene die ons kent vanaf de
moederschoot, bij Wie we veilig waren en Die ons steunt. Maar HijZ steunt met
een flinke duw: aanpakken, niet teuten. Van de andere kant: HijZ zou 'Hij-is-er' niet zijn, als daar niet Zijn belofte was
van Zijn Sterkte, jouw beveiliging, tegenover koningen, edelen, priesters en
burgers: 'zij vermogen niets tegen jou want Ik ben bij je'.
Zo'n 600 jaar
na Jeremia begint een profeet te spreken die ook die woorden kent 'Voordat ge
geboren werd, kende Ik U'. Zo te zien hoeft hij geen aansporing om aan te
pakken. Hij geeft zijn programma uit: aan behoeftigen het goede nieuws brengen,
aan gevangenen hun vrijlating aan kondigen, aan blinden het licht in hun ogen,
aan verdrukten hun vrijheid en een jaar afkondigen dat aan de Heer welgevallig
is. Daartoe heeft de Geest hem gezalfd. Je moet maar durven - hij wist het. En
kennelijk brengt hij het zo dat aller ogen in de synagoge op hem gericht zijn
en iedereen bijval betuigt.
En dan komt een tik op hun neus. Jezus spreekt goede
worden en nu zal het op daden aankomen; daar vragen ze direct of indirect om: 'doe
hier in uw vaderstad al wat ge in Kafarnaüm gedaan hebt. Spiritualiteit uit
zich immers ook in daden. Als stadgenoten hebben wij daar toch zeker recht op.
Als u in Kafarnaüm geneest, dan zeker hier.'
Jezus geeft daar een tweeledig
antwoord op. Het eerste is dat een goed profeet niet is "welgevallig aan
zijn vaderstad" - zoals de nieuwe vertaling luidt. Het gaat dus niet om
het geëerd worden in zijn
vaderstad maar om het in zijn vaderstad populair doen met een wit voetje als
doel. Populair doen is een koud kunstje; een goed profeet is hard t.o.v.
zichzelf omdat hij hart heeft voor Gods woord. Dus geen vriendjes-wonder
in Nazaret. En dan maakt hij het nog erger in het tweede deel van zijn
antwoord: de profeet Elia hielp een arme weduwe buiten Israël, in Sidon, en
Elisa genas een Syriër, geen Israëliet. Toen al werden zij die tot de eigen
groep behoren, niet automatisch voor getrokken. Hij zegt dat heel stellig. "En het is waar wat ik zeg", hij windt er geen doekjes
omheen.
Kennelijk raakt Jezus een gevoelige
snaar want ze reageren furieus. Als ze nederig waren geweest, de lijn van de
profeet hadden gevolgd en bij zichzelf te rade waren
gegaan i.p.v. zich beledigd, betrapt, te voelen, hadden ze zijn boodschap
kunnen horen. Dat gebeurt vaker in het evangelie. Het gaat Jezus om de
luisterende, gelovende. Zelfs als hij met mensen heeft gepraat en een vrouw
heel spontaan uitroept: "Zalig de schoot die u heeft
gedragen en de borsten die u hebben gezoogd", dan is dat bij zijn
verkondiging dan niet dat ter zake. Het punt waar het op aankomt is "Gelukkig wie het woord van God horen en het
bewaren". Dat dat voor Maria zeker gold in even
punt twee. De inwoners van Nazaret mogen natuurlijk meedoen maar hebben geen
voorrang omdat ze in Nazaret wonen.
Jezus ondergaat de vernedering dat ze hem buiten de
synagoge gooien en uit zijn vaderstad. Maar hem ombrengen kunnen ze niet:
"Ik ben bij u met Mijn sterkte ... Ik ben bij u
om u te redden". Dat wist hij - op een of andere manier.
Mogen deze gebeurtenissen een
steun, een fundering, voor ons zijn. We zijn allemaal wel eens vernederd
geworden. Dat kan in zekere zin wel eens gezond zijn
maar echte vernedering die je persoon raakt - die moge ons in verbinding
brengen met wat Jezus heeft meegemaakt en heeft doorstaan en dus met hem
zelf. Hij heeft psalm 71 ook gekend "Bij uw Heer zoek ik toevlucht…
Neig uw oor naar tot mij en schenk mij uw heil". Dat geldt bij vernedering
en bij alle nood waarin je 'wan'-hopig om steun en
sterkte zoekt.
Wie van ons al eens in gevaar heeft verkeerd en eruit is gekomen, weet wat
opluchting is, en wellicht heeft hij ook wat meegekregen van dankbaarheid om de
bescherming, om Gods trouw. Een stapje verder: als we vanwege onze
geloofsinvulling, vanwege ons zicht op rechtvaardigheid in gevaar verkeren -
dan weten dat HijZ ons beschermt omwille van Zijn Naam - omdat HijZ ons kent
"vanaf de moederschoot" - dat zij de onverwoestbare basis van ons
geestelijk leven, van onszelf.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Twee elementen spelen hier; het ene is tegen anderen je mond durven
open doen als het gaat om recht, om het goede. Het tweede is: je kunt de wereld om je heen het mooiste, diepste, het
meest op je eigen manier benaderen vanuit een besef dat je van God af komt. Dat
is niet alleen mooi maar ook sterk. Het zij je gegeven dat ook te ervaren als
je een tik op je neus krijgt.
"Zo
spreekt de Heer: Want ik ben bij u om u te redden. Ik ken u immers".
Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen om met die woorden ons iets te
beseffen over ons eigen leven?
Vijfde
zondag door het jaar C 8
februari 2004
Jes 6,
1-2a.3-8;Psalm 138; Lc 5, 1-11
Psalm 138
Ik prijs U met heel
mijn hart; onder het oog van de goden zing ik een loflied op U.
Ik buig mij diep
naar uw heilige tempel, ik prijs U voor uw liefde en trouw;
groter dan verwacht is uw naam, is uw woord:
nauwelijks riep ik of U hebt geantwoord, en
levensmoed in mij opgeroepen.
Alle vorsten van de
aarde, HEER, moeten U prijzen, wanneer zij
vernemen wat uw mond heeft gezegd.
Zij moeten de wegen
van de HEER bezingen, want de glorie van de HEER
is groot.
U strekt uw hand
naar mij uit, uw rechterhand brengt mij redding.
HEER, die voor mij opkomt, uw liefde kent
geen grenzen:
HEER, laat wat uw hand gemaakt heeft niet
in de steek.
Iedereen zal in zijn leven wel
eens een ervaring hebben gehad waarbij je op jouw manier de tekst van de
tussenzang kunt beamen "Ik buig mij diep naar uw
heilige tempel". Na een ontsnapping uit gevaar, na een wonderlijke
gebedsverhoring, als je het gevoel hebt dat je bent 'bestuurd' - op zulke
momenten merk je dat 'dat andere', "Die Andere" mee doet. Misschien
is het wel een ervaring dat je het gevoel hebt dat zes serafs je boven je
gewone belevingskader uit tillen, je hebt dan geen eigen referentie waar je op
terug kunt vallen, je moet je overgeven, misschien voel je je
overweldigd door het onzegbare. Het is zo heel anders. Voel je je ook reddeloos verloren?
Nee, toch niet reddeloos
verloren zoals wij dat verstaan. Jesaja krijgt zijn roepingvisioen in de tempel
en onder de indruk daarvan roept hij wel "Wee mij! Ik ben verloren"
maar meteen geeft hij aan waar het hem aan schort: zijn lippen zijn niet rein - indirect
een bede om reine lippen. Zulke lippen dat zij de gedachten die in hem leven
kunnen uitspreken op een manier die op God is gericht, met een kracht die God
kan bereiken, in een geestelijke verbondenheid op goddelijk niveau. Met zulke
lippen kan hij beantwoorden aan hetgeen zijn ogen
hebben aanschouwd: "De koning, de Heer van de machten". Het gebeurt:
een van de serafs gaat naar het reukaltaar dat ter ere Gods brandt, op God is
gericht, in het heilige van de tempel. De seraf draagt
met behulp van een gloeiende kool van het reukaltaar de reinheid aan, het op
God gericht zijn aan, goddelijke ontvankelijkheid aan die hij nodig heeft:
'zijn zonde is verdwenen, zijn zondeschuld bedekt'. Hij is vrij in zijn contact
met God, bovenmenselijk gedragen; de adem vanuit zijn binnenste wordt
rechtstreeks door Gods Adem bewogen.
In zo'n
situatie ligt het voor de hand om - desnoods zachtjes - te bidden/zingen"
Prijzen wil ik u Heer uit heel mijn hart"/"Loven wil ik u met heel
mijn hart, prijzen uw Naam om uw goedheid en om uw trouw". En dat het
liefst met Gods adem.
Maar, is zo'n
geweldige ervaring als Jesaja meemaakte voor ons gewone mensen niet een beetje
te hoog gegrepen? We kunnen ons er wel wat bij voorstellen maar wie denkt dat
hij/zij zo'n groot profeet/profetes is? We mogen ons
gelukkig prijzen dat wij Jezus van Nazaret hebben, de gekruisigde maar
Verrezene, de Christus, die reine lippen heeft, die ons rein maakt door de woorden
die hij spreekt, die zijn volgelingen op God, zijn Vader, richt. Hij kent de
Koning, de Heer van de Machten. Daarom zijn we in vertrouwde handen. Hij biedt
ons in zijn leer zijn woorden aan en om voor iedereen verstaanbaar te zijn wil
hij vanaf een bootje allen toespreken. Iedereen wil hem horen; hij heeft wat,
hij maakt wakker wat in hen leeft, waarnaar zij verlangen. Hij geeft ruimte om
te ademen.
Dat is nog niet genoeg. Als hij
uitgesproken is, vraagt hij Simon naar diep water te gaan om te vangen. De
nacht is voorbij, door zijn woord is het dag. Op zijn
woord zal Simon de netten uitgooien, die ze zo juist hebben schoon gespoeld.
Hij moet ze in het diepe uitgooien, hij moet vangen in het diepe. In het diepe
van de mens, want daar ligt zijn inhoud die contact met God wil maken, daar
ligt zijn goddelijke vonk te wachten op het vuur, daar leeft hij zoals hij 'eigen'lijk door zijn schepper is bedoeld, daar is hij zó
zoals hij graag goed wil zijn. Ze halen de netten op en ze weten niet wat hun
overkomt. Net als Jesaja voelen ze zich onmachtig, te kort schietend; ze
ervaren die afstand tussen hen en het goddelijke: "Ga weg van mij, Heer,
ik ben een zondig mens".
Jezus is da gek! Hij gaat niet
weg. Hij heeft Simon en zijn makkers nodig om de gloeiende kool van het
reukaltaar overal aan te dragen om lippen rein te maken, om mensen te vangen in
het net van zijn woord, om overal op aarde de dankpsalm te laten klinken "Loven wil ik u met heel mijn hart". Alle
mensen moeten delen in zijn eredienst aan de Vader. Jezus
gaat niet weg, zij gaan hém na, en laten alles achter zich. Hij zingt met Gods
Adem.
Wij, mensen van hier en nu, als
zijn volgelingen, wij delen in een algemeen priesterschap van Hem afkomstig om
de Vader lof te zingen, eer te brengen met reine lippen en om daarmee Diens
zorg om Zijn schepselen te verkondigen. "Jullie zijn al rein door het
woord dat ik jullie heb verkondigd", zegt Hij tegen zijn leerlingen. Met
zijn woorden kunnen wij de Vader danken om Zijn goedheid en Zijn trouw. Dat
kunnen wij dus dank zij Jezus en wel binnen zijn Kerk die je zijn werkplaats
zou kunnen noemen, zijn genadeplaats. Ook dank zij al degenen die haar in stand
houden, mensen die hem achterna gaan. Speciaal dankzij mensen die een
specifieke eredienstbaarheid invullen m.b.v. zijn gereedschap, de sacramenten.
Mensen met een ideaal.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. De 1e lezing sluit met een woord van de profeet. Hij
hoort de Heer zeggen: "Wie zal Ik zenden? Wie zal in onze Naam gaan?"
Zijn antwoord is dan:"Hier ben ik, zend mij". In de brief aan de
Hebreeën wordt psalm 40 toegepast op Jezus: "Hier ben ik, ik sta
klaar". Dezelfde woorden als de profeet gebruikte gelden voor Jezus. Ook
hij heeft gezegd, in ieder geval het gedaan: 'Hier ben ik, zend mij'. Aan jou
de keuze of je die woorden ook wilt uitspreken, of je op een of andere manier,
de jouwe, in die dienst wilt treden met reine lippen. Geen lippendienst maar
dienst op God gericht. De dienst van Jezus. Ideaal ?
Met reine
lippen vanuit ons diepe eigenlijke zeggen en zingen
"Loven wil ik u met heel mijn hart, prijzen Uw Naam om uw goedheid en uw
trouw" - op Gods Adem. Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?
Zesde
zondag door het jaar C
11 februari 2001; 15 februari
'04
Jer 17, 5-8; psalm 1; Lc 6, 17. 20-26; incl. v18
& 19
Psalm 1
GELUKKIG de mens die op de Heer zijn hoop selt
die niet ingaat op de raad van bozen, niet
op de weg van zondaars staat,
niet in de kring van schampere spotters wil
zitten,
maar vreugde beleeft aan de wet van de HEER,
ja, dag en nacht daaruit zacht reciteert°.
Hij is als een
boom,
geworteld aan stromend water, die elk seizoen
opnieuw vrucht draagt;
nooit zullen zijn bladeren verdorren, alles
wat hij doet brengt hij tot een goed einde.
Maar ongelukkig
zullen de bozen zijn: zij lijken op kaf, opgejaagd door de wind.
Met zorg volgt de HEER
de weg van de rechtvaardigen, de weg van de bozen loopt uit op niets.
De profeet Jeremia geeft heel
direct en eenvoudig het principe aan waar het in het geloof op aan komt: je
vertrouwt op mensen of op de Heer. Als het om je basis gaat, richt je je dan naar mensen en je wendt je van de Heer af of
weet je je veilig bij God? Jeremia gebruikt daarvoor
het bekende beeld van dorheid, een kale struik in een onvruchtbaar gebied
tegenover een boom die tot in het water is geworteld en groen, vruchtbaar,
blíjft. Het is dan ook heel logisch dat we psalm 1 hebben gebeden/gezongen.
Daarin wordt degene gelukkig geprezen die zijn hoop op de Heer stelt/op de Heer
zijn vertrouwen heeft gegrond, zijn geluk vindt in de wet van zijn Heer, hij
die gerecht is.
Maar er is een zinnetje in de tekst dat een pointe heeft, het eerste: De Heer
spreekt tot de profeet en als er een profeet is geweest die de tragische zou
kunnen heten, dan is dat Jeremia. Hij profeteert en men gelooft hem niet. Men
vraagt om zijn boodschap en als die niet in goede aarde valt, scheldt men hem
uit. Tegen hem, die op de Heer vertrouwt, zegt de Heer die woorden, hem biedt Hij
Zíjn veiligheid tegenover mensen. Jeremia brengt zijn eigen profetie ten
uitvoer. De laatste zin van de tekst is voor hem: "Komt
er een tijd van droogte, het deert hem niet; altijd zal hij vrucht
dragen". Zijn wortels reiken immers tot in de Heer.
Wij kennen droogte nauwelijks uit ervaring maar als je wel eens echt dorst hebt
gehad, weet je hoe je lichaam schreeuwt om water. Je kunt het beeld van die
dorheid uitbreiden met het verlangen naar God. Zoals je lichaam schreeuwt om
water, zo kan je ziel schreeuwen om haar God, als een dorstig hert in een droge
bedding. Zijn beeld ligt immers in haar. Zij leeft immers van Hem. Haar wortels
zoeken naar haar altijddurende Bron.
Het evangelie is niet minder
spannend. Zoals ook Mozes was Jezus op de berg, bij zijn Heer. Hij heeft de
hele nacht in het gebergte gebeden tot God, zijn Abba, en 's morgens kiest hij
de twaalf uit de kring van zijn leerlingen. Met hen gaat hij vervolgens naar de
vlakte, waar zich een grote groep mensen bevindt, leerlingen, mensen uit het hele
joodse land, Jeruzalem, zelfs uit Tyrus en Sidon. Daar moet het werk worden
gedaan, het gebed van de berg ten uitvoer gebracht. Misschien mag je wel denken
aan die droge steppe uit de eerste lezing. Daar zijn de mensen die verlangen,
zoeken; zij willen horen wat hij zegt en zij willen worden genezen. Zij willen
zelfs zijn kleed aanraken want er gaat een kracht van hem uit. In die situatie
kijkt hij zijn leerlingen aan en zegt hij zijn zaligsprekingen. Daarmee leidt
hij zijn leerlingen naar de mensen. 'Laat je niet van de
wijs brengen als je arm bent. Wees niet ongelukkig als je hongerig bent. Huil
maar rustig want daarna komt de troost. Wees niet bang als mensen jullie om mij
door het slijk halen. Want jullie hebben nog iets om naar uit te zien.' Daarna spreekt hij over de hoofden van zijn leerlingen heen de
rijken en de voldanen, de lachers en de meepraters
aan: 'Kijk uit mensen; wat hebben jullie straks nog?'
Als je de zaligsprekingen van
Lucas vergelijkt met die van Matteüs lijkt het wel of Matteüs meer spiritueel
denkt en Lucas nogal praktisch is ingesteld. Misschien dat Matteüs als gelovige
Jood al gauw de stap naar de ziel zet en Lucas - als ongelovige bekeerd - de
eerste fase benadrukt, eerst de praktische houding voor de leerlingen noemt en
vervolgens op de noden van de mensen inhaakt; het lijkt wel dat hij begint bij
de rechtvaardigheid in de samenleving. Dat doet ook de man die niet zit
temidden der spotters/in de kring van de spotters. Daar begint het heil.
Maar ook Lucas kent die
wonderlijke koppeling van de leerling, de volgeling, aan Jezus zelf: 'als ze
jullie haten omwille van mij' - 'toch niet teleurgesteld zijn'. Dat gaat verder
dan dagelijkse rechtvaardigheid, dat raakt de ziel. "Jezus
keek zijn leerlingen aan"; misschien mag je wel zeggen 'hij keek naar hun
ziel'; misschien lieten ze wel toe dat hij in hun ziel keek. Hij is immers
geplant aan het water, zijn wortels reiken tot in zijn Abba-bron,
van hem ging immers een kracht uit. We kennen het moeizame werk van
profeten. Hij, de grote Profeet, bemoedigt zijn profeten, al zijn volgelingen.
Want zijn werk moet verder gaan. Van hem gaat immers een kracht uit - naar al
zijn volgelingen
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Er is heel wat te doen in de maatschappij maar laat je niet ontmoedigen
als het niet vlug genoeg gaat, als je met eigen ongemak zit. Houd je vast aan
je band met Jezus, de Messias, de Beloofde.
Hoe? Niet alleen door goed werk,
ook door tot hem te bidden, met hem te bidden, over hem te lezen, overlezen,
overwegen. Dat kan overdag, dat kan 's nachts, zoals die man in psalm 1.
Er gaat nog steeds een kracht
van hem uit omdat hij geworteld is in zijn Abba-bron
en wij in hem via hem en met hem - 'dorsten naar'.
Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen dat over ons te laten komen?
Zevende zondag door het jaar C 22
februari '04; 2007
1Sam 26, 2.7-9.12-13.22-23; psalm 103; Lc 6, 27-38
psalm 103
Prijs de HEER,
o mijn ziel, zijn heilige naam uit het diepst van je hart.
Prijs de HEER,
o mijn ziel, en vergeet zijn weldaden nooit.
Hij vergeeft al je
misgrepen, Hij geneest al het leed dat je lijdt;
je leven koopt Hij vrij van het graf, en kroont je met liefde en erbarmen.
Hij behandelde ons
niet naar onze zonden, Hij vergold ons niet naar onze misgrepen.
Als van oost naar
west, zo ver heeft Hij onze misdaden van zich af geworpen.
Zoals een vader
zich over kinderen ontfermt,
zo ontfermt de HEER
zich over hen die Hem vrezen.
Voor de
ouderen onder ons die de oorlog hebben meegemaakt, voor mensen aan wie grof
onrecht is aangedaan, voor nuchter denkende politici zijn de woorden "Als
iemand u op de ene wang slaat, keer hem dan ook de nader toe" ondenkbare
woorden, onnavolgbaar. Mag je je niet verdedigen?
Bestaat er geen recht, dat weerlozen moet beschermen? Recht dat gehandhaafd
moet worden om een gezonde samenleving in stand te houden? Daarvoor zijn toch
rechters nodig. Als deze woorden van Jezus absoluut zouden gelden, voor alle
situaties, zouden andere eigen woorden van hem daarmee in tegenstelling zijn, b.v. "Wie van een van deze kleinen aanstoot geeft, het
ware beter dat hij met een molensteen om zijn nek de zee in was gegooid."
Kennelijk houdt Jezus dan barmhartigheid ook voor onmogelijk. God is Zelf toch
ook rechtvaardig. Natuurlijk, anders zouden wij er een potje van kunnen maken.
Wat
kunnen wij met die woorden van Jezus? Zij staan in een bepaalde context. Pinchas Lapide heeft die joodse
context geschetst o.a. in zijn boekje De Bergrede - utopie of program? Hij
stelt dat Jezus geen nieuwe leer verkondigde en dat die leer nodig is voor het
tot stand komen van het Rijk der hemelen, nodig opdat dat Rijk overal in de
wereld tot uitdrukking komt. Jezus maakt die context
concreter "Maar tegen jullie die luisteren (naar mij) zeg ik
…" In dat luistergebied, die bereidheid om gehoor te geven, biedt
Jezus zelf een mogelijkheid, een ruimte, aan om te leven, een ruimte die ons
niet vreemd is.
"Vraagt
iemand je om iets …". Dat 'iemand' slaat op een behoeftige
wiens leven ter zake is. "Pakt iemand iets van je af …" - dat
geldt voor een arme die een brood pakt omdat hij hongerig is. "Slaat
iemand je op de wang, biedt hem ook de andere" heeft alleen maar zin als
je van de ander kunt verwachten dat hij door zo'n
ruimhartigheid gaat beseffen dat hij ook in dat luistergebeid leeft, dat hij
door zo'n vrijheidsaanbod merkt dat hij in woede gevangen zit. Als die
mogelijkheid niet aanwezig is, heeft het geen zin zo te handelen als beschreven
staat; dan komt het van kwaad tot erger.
Wat wil
Jezus? Waar gaat het in dat luistergebied om?
De eerste
lezing zet ons op een spoor. Saul achtervolgt David om hem te doden, uit
jaloezie. David is ontsnapt aan de dood maar Saul wil hem hebben, een
regelrechte bedreiging. Maar als God Saul aan David uitlevert zodat hij hem kan
doden, maakt hij daarvan geen gebruik uit ontzag voor de Heer, want Saul is
Gezalfde van de Heer. David gaat nog een stap verder: hij wijst Saul op de
rechtschapenheid en trouw die past bij de gezalfde van de Heer. Hij biedt Saul
de gelegenheid om zich te hervinden.
"De
Heer is barmhartig en welgezind"/"Barmhartige Heer, genadige
God" hebben we gebeden/gezongen in de psalm en voor die uitweg biedende
barmhartigheid zijn we dankbaar. Zij geldt ook voor ons.
Eigenlijk
zegt Jezus hetzelfde. Zoals hij De Wet, de Tora, beleeft, zo is ze bedoeld: De
woorden "Weest heilig want Ik ben heilig"
breidt hij uit met 'Weest barmhartig want Ik ben
barmhartig', "Wees barmhartig zoals jullie Vader het is", …
"dan word je kinderen van de Allerhoogste". Barmhartig, zoals jullie Vader.
Maar wij zijn niet even
barmhartig zijn als Hij; dan waren wij volmaakt, terwijl we onvolmaakt zijn
geschapen. Maar waar het Rijk er is, hoeft geen oordeel worden uitgesproken,
geen vonnis geveld, geen bezit in stand gehouden, bestaat geen vijandschap.
Daar zijn zelfs wetten overbodig, want barmhartigheid regeert.
Wat is
barmhartigheid? We denken steevast aan vergeving, maar in een goed leven, een
goede oogst, welzijn, bezorgdheid, meeleven en medelijden kun je ook Zijn
barmhartigheid zien; HijZ trekt in ons hele met ons mee.;
HijZ heeft zorg om ons. De barmhartige Samaritaan was niet rechtvaardig, hij
liet zijn hart spreken 'door medelijden bewogen'. De vraag 'vriend of vijand?'
speelde niet eens. Het is best mogelijk dat je geconfronteerd met zelfmoord
ineens een diepdoordringend medelijden voelt met het slachtoffer. Je kunt dat
accepteren, je mag dat duiden als van God afkomstig, in jou gelegd. Zo is HijZ
ook. Ook voor ons.
Bij
barmhartigheid kunnen we ook aan ruimhartigheid denken. God is geen kruidenier
die onsjes afweegt; HijZ geeft het liefst een goed geschudde, een overlopende
maat, zo maar in de schoot geworpen. Als wij in een gulle bui meer geven of
meer doen dan gevraagd is, laten we iets van God zien, Iets waarvan we kunnen
zeggen dat het in ons leeft. Ruimhartigheid is ook aanwezig als we geen kwaad
met kwaad vergelden, als we op iemand die boos op ons is niet met boosheid
reageren maar kunnen kalmeren met rust, hem de andere wang kunnen toekeren. Als
we voor een vijandig mens die in nood is, goed kunnen zijn. Zo heiligen wij
Zijn Naam.
Anderzijds,
de Vader is barmhartig, ook voor degene die niet (meer) ruimhartig kan zijn,
voor wie dat psychisch onmogelijk is geworden. Aan zo iemand vraagt Hij dan
niet om barmhartigheid; dat zou tegen Zijn Gerechtigheid zijn, dan zou Jezus
niet de molensteen noemen. Het slachtoffer moge ruimte krijgen binnen Zijn
barmhartigheid en mee-leven, en dat als vol-doende ervaren: "… je leven koopt Hij vrij van het graf, en kroont je met liefde en erbarmen." Zo toont
de Vader ook dat Hij rechtvaardig is.
Bergrede
- utopie of program? De vraag voor de politiek blijft staan. We kunnen ons
geloofsleven, onze gods-dienst, niet als een
privé-zaak beschouwen. We staan in de grote wereld, die bedoeld is voor het
heil, en we reiken vaker niet ver. Hoe het van geval mogelijk zal zijn is
moeilijk te bepalen maar uitgaande van het Rijk dat komen moet voor de hele
wereld, uitgaande van het Rijk waarbinnen barmhartigheid regeert, mogen we
rekenen op het mosterdzaadje, dat van klein groot wordt, op de Adem die waait
waar Hij wil door grenzen en barrières heen. Misschien krijgen we in alle
redelijkheid de kans goed te zijn voor onze vijand, zelfs de andere wang aan te
bieden. Zonder gerechtigheid en realiteit te kort te doen. Nieuw aan zijn leer
is dat Jezus zelf daartoe het voorbeeld heeft gegeven en zijn Kracht aanbiedt
aan degenen die luisteren naar hem.
Ik hoop
dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Een grote mond hebben,
macho-gedrag, ellebogenwerk is eigenlijk zielig,
enghartig. Dat wil niet zeggen dat je je als een
doetje moet gedragen. Natuurlijk werk je voor je zelf en geliefde, natuurlijk
wil je wat bereiken maar dat doen vanuit een innerlijke sterkte, die je met
vallen en opstaan leert, vanuit een ruimhartigheid die Jezus tekende - zo'n doen en denken kun je als van God afkomstig beschouwen.
Zo kun je Hem in staat stellen Zich te manifesteren.
God is
rechtvaardig maar nog barmhartiger. "Barmhartige Heer, genadige God".
Zullen we dat even tot ons door laten dringen?
Achtste zondag door het jaar C 25 februari 2001
Sir 27, 4-7; psalm 92; Lc 6, 39-45.
Psalm 92
Het is zo goed, de HEER te loven, over uw naam te zingen, o hoogste
God;
om in de ochtend uw liefde te melden en
uw blijvende trouw in de nacht,
De rechtvaardige
groeit als een palmboom op, hij schiet omhoog als een Libanonceder
Geplant in het huis
van de HEER en opgegroeid in de
voorhof van God
blijven ze zelfs in hun ouderdom welig en
sappig en groen.
Zo melden
zij: 'De HEER is rechtvaardig, de HEER
is mijn rots;
geen ongerechtigheid is er in Hem.'
De verplichte versie van Sir is zo onduidelijk en zonder clou dat ik de Willibrord
'95 gebruik en de perikoop wat groter neem, 27, 1-7:
"Uit winstbejag zondigen
velen en wie erop uit is om rijk te worden wendt zijn ogen af (van de nood).
Zoals een pin vast komt te zitten in de voegen tussen de stenen, zo wringt de
zonde zich tussen verkoop en koop.
Als iemand niet sterk staat in de vrees voor de Heer, zal snel en zonder uitstel
zijn huis te gronde gaan.
Als men een zeef schudt, blijft het afval liggen: zo is de kwalijke kant van
een mens in zijn (prijs)berekening te vinden.
Het vaatwerk van de pottenbakker wordt in de oven beproefd; zo toetst men een
mens aan zijn berekening.
De vrucht van de boom laat het werk van de kweker zien: zo toont de berekening
de plannen in het hart van een mens.
Vóór de berekening moet je een mens niet prijzen want daarin wordt de mens op
de proef gesteld."
Wijsheidsliteratuur vind je in
het O.T. typisch in boeken die speciaal daarvoor geschreven zijn. We kennen Spreuken, Prediker, het Boek der Wijsheid en De
Wijsheid van Jezus Sirach, waaruit we vandaag lezen. In het N.T. vind je ook
wijsheidsliteratuur maar niet zo in aparte boeken als in het O.T.; ze is meer
verweven in andere teksten. Dat zien we vandaag bij Lucas. Wij denken bij
'Wijsheid' al gauw aan een wijze man of vrouw die verstandige dingen zegt maar
in de bijbel is wijsheid iets dat begint met ontzag
hebben voor de Heer én weten dat de Heer ons, schamele mensen, ontziet. Kennis
hebben van God - je kunt ook zeggen kennis hebben aan God - begint met ontzag,
nederigheid, willen luisteren, en daarbij weten dat God Zich aanpast aan het
beperkt vermogen van Zijn schepselen. HijZ is al blij met onze goede wil, als
die reëel is.
De belangrijkste eigenschap van
wijsheid is dat zij in de praktijk tot uiting komt, dan blijkt zij.
De eerste lezing gaat over een situatie van handel; daarin blijkt of men op
winstbejag uit is of gewoon eerlijk verkoopt. Dat is een steen des aanstoots,
een criterium,nu blijkt iets. De tekst zegt het heel
indringend: "Zoals een pin vast komt te zitten in de voegen tussen de
stenen, zo wringt de zonde zich tussen verkoop en koop". Als je een goede
plaats zoekt om een pin vast te zetten, sla je haar in de voegen tussen de stenen, je ziet en voelt hoe zij vast gaat zitten. Zo wil
ook de zonde vast gaan zitten. Zo'n pin schop je niet
zomaar weg; je moet er hard aan rukken. Maar het is wel zo verstandig haar er
uit te krijgen en nog verstandiger ervoor te waken dat zij er niet tussen komt.
Dan blijkt hoe wijs je bent.
"Als men de zeef schudt,
blijft het afval op de zeef liggen", wordt afval zichtbaar m.a.w. als men
kritisch te werk gaat, blijkt wat die substantie waard is; zo ook als men
kritisch luistert naar het verkoopverhaal en op de prijs let, weet men of de
handelaar eerlijk is. Zo kijkt God kritisch naar hetgeen
de mens Hem aanbiedt.
'De kwaliteit van het werk van de pottenbakker blijkt in de oven'; zo let God
erop wat de bewering van de mens waard blijkt.
'De vrucht van de boom laat het werk van de kweker zien': wat de mens beoogt in
zijn hart moet wel naar buiten komen anders heeft het geen zin.
En als afsluiting, samenvatting, waarschuwt Jezus Sirach dat je een
mens niet moet prijzen voordat hij heeft laten blijken hoe hij is. Dat klinkt ons in de oren als pure wijsheid
maar bijbels gezien wijst het verder: je moet iemand
niet prijzen voordat hij heeft laten zien dat hij iets van God in zijn hart
draagt. Dat moge jouw contactpunt met hem zijn. Dan blijkt wijsheid, de goede
vrucht.
De vorige week hebben we bij
Lucas gelezen hoe Jezus zijn leerlingen leert om goed te zijn, geen kwaad met
kwaad te vergelden e.d. Dat kun je als verstandig beschouwen: het kwade niet
laten escaleren maar de cirkel doorbreken. Dat is dan een nuttigheidsprincipe,
zo overleven we het beste. Maar Jezus voegt zíjn wijsheid eraan toe: wees
barmhartig zoals immers uw Vader barmhartig is. Wees barmhartig dan heb je iets
van de Vader, dan lijk je een beetje op Hem.
Deze week gaat Jezus verder in een beeldspraak. Hij zegt dat we een leidsman
nodig hebben en dat we als een leerling nederig naar hem moeten luisteren.
Nederig in positieve zin: eerst je eigen ideeën opzij zetten en luisteren. Pas als
je volleerd bent, ben je als je leermeester. Als Jezus je leermeester is, dan
heb je een goeie. Zijn hart is beproefd
pottenbakkerswerk in de oven en waardig bevonden. Zijn instelling bleek tot op
het kruis toe. Uit zijn hart vloeide bloed, leven, goddelijk leven. Als Jezus
je leermeester is, weet je zeker dat je iets van God krijgt aangereikt, dat je
leert hoe je op zijn Vader kunt gaan lijken.
Dan weet je ook dat je nooit gelijk aan Jezus zult worden, we zullen nooit
volleerd zijn. Maar in de praktijk zijn leiders nodig. Als je dat wil of
daartoe wordt geroepen, moet je kritisch zijn op jezelf, moet je jezelf
waarnemen en eerst zien of je niet een balk in je eigen open hebt, eerst zien
of je eigen behoefte niet te groot is.
Dat is steen des aanstoots.
Nederig zijn, in dienst willen staan, goed willen zijn, zo goed mogelijk, zoals
je graag goed wilt zijn. Zoals Jezus, met zíjn instelling. Dan ben je als een
goed mens die het goede uit zijn hart te voorschijn haalt. Het goede in gebed,
in inzet, in verdragen, in ontzeggen ter wille van het Rijk. Zie dat jouw hart
is verbonden met het hart van Jezus, dan ben je zeker van het goede. Dat moge
je contactpunt zijn met God.
Hoe verbind je je hart met dat van Jezus? Door zijn leerling te zijn, te
doen als hij. Je met hem verbonden weten. Zo goed mogelijk. Hij begrijpt immers
net zo goed als God dat wij maar beperkte schepselen zijn.
In de tussenzang hebben we
gezongen/gebeden "Heerlijk is het te loven de Heer, te bezingen uw Naam,
Allerhoogste". Die Naam hanteert immers de goede prijsberekening en zij
roept de rechtvaardige op om als een Libanonceder te
gedijen, geplant in het huis van de Heer. Die brengt goede vruchten voort.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. In onze hedendaagse wereld worden vaak zoveel woorden gebruikt,
alle sjablonen worden afgedraaid en met stemverheffing geproduceerd, terwijl -
en daar gaat het me om - er geen inhoud is, niets nieuws wordt gezegd. Als je
naar wijsheid zoekt, moet je niet daar zijn - dat wist je al. Maar waar moet/mag/wil
je dan wel zijn? Bij iemand met een gouden hart, dat als in een smeltoven is
beproefd. Dat hart loopt over van goud. Ooit zo iemand ontmoet, van hem
gehoord?
Je zelf toetsen aan het hart van
de leermeester. Zullen we dat een paar minuten in gedachte vasthouden?
Eerste
zondag van de veertigdagentijd C
29 februari 2004
('07)
Deut
26, 4-10; psalm 91; Lc 4, 1-13.
Psalm 91
Wie onder de hoede
van de Hoogste woont,wie in de schaduw van de
Almachtige vertoeft
mag zeggen tegen de HEER: `Mijn
toevlucht,mijn vesting, mijn God, in U stel ik vertrouwen.'
Geen kwaad zal over
je komen, geen plaag dringt door tot je tent.
Zijn eigen boden
zal Hij opdragen om je te beschermen, waar je ook gaat.
Zij zullen jou op
handen dragen, zodat je voet zich niet aan een steen stoot.
Je zult adder en
leeuw vertrappen, leeuw en slang met voeten treden.
Omdat hij van Mij
houdt zal Ik hem redden; Ik bescherm hem, want hij eert mijn naam.
Als hij Mij
aanroept, geef Ik antwoord, Ik sta hem bij in zijn nood,
Ik maak hem vrij en
schenk hem aanzien.
De eerste lezing vertelt over de
Jood die ieder jaar bij het begin van de oogst voor zijn God gaat staan om Hem
te danken; zij riep een associatie op met de ballade van de boer. "En de
boer hij ploegde voort". In de ballade worden grote gebeurtenissen in de
mensengeschiedenis, goede en slechte, veldslagen, rampen genoemd, ook Golgotha,
en telkens weer: "en de boer hij ploegde voort", onverstoorbaar,
onmisbaar, beeld van het leven want uit de akker, de grond, moet het voedsel
voor de mens komen. De ballade eindigt met een visioen; de boer hoort een stem:
"omwille van de boer die ploegt, besta de wereld voort".
In die
geest kun je ook tegen de Jood aankijken die met zijn eerstelingen van de aarde
voor zijn God komt staan en zijn hele verhaal vertelt: "Mijn vader was een
zwervende Arameeër …". En als hij al de omzwervingen heeft verhaald
die hij heeft gemaakt, al die beproevingen heeft doorstaan voordat hij kon
leven van eigen grond, dankt hij zijn Heer voor de bescherming die hij van zijn
Heer heeft gekregen en voor de het land dat hij nu mag bezitten en dat zijn
voedsel voortbrengt.
We denken
er niet altijd aan maar hier wordt een stukje fundamentele mensenervaring op
tafel gelegd. De mens bewerkt de aarde om voedsel, Adam bewerkt de aarde, in
het hebreeuws: de adama;
Adam bewerkt de adama opdat zij dam geeft, bloed of
te wel leven. Zo is de geloofsbelijdenis van de Jood: Adam, adama, dam. Die grond is heilig want zij behoort JHWH
toe en daarmee toont JHWH zijn barmhartigheid. Dat heeft hij
gekregen, daarvoor dankt hij en buigt hij zich neer voor zijn God. En zo
draagt hij als individu bij aan de grote dank die aan God wordt gebracht. Voor
ieder mens gaat die mogelijkheid op. Bidden voor het eten is nog altijd ter zake.
De
tussenzang, psalm 91, zingt dan ook van bescherming maar ook van wonen; niet
alleen tegen gevaar en in gevaar maar ook van vertoeven, leven in zijn schaduw,
leven van wat God geeft. "Wie woont onder hoede van de Allerhoogste"en
"We zullen leven tot in lengte van dagen". Dat is de Joodse
levenshouding.
Als Jezus zijn tijd in de
woestijn heeft volbracht, wordt hij met twee benen op de grond gezet. De
geestesvervoering is voorbij: hij krijgt honger. Het is geen trek hebben in iets,
nee, honger hebben en dan schreeuwt je lichaam om voedsel. Dan ben je
kwetsbaar. Dan ligt de gedachte voor de hand: waarom zou ik moeite doen, de
aarde bewerken als ik van stenen brood kan maken? Maar Jezus houdt vast aan
zijn mens-zijn. Als hij brood eet, zal het uit de aarde moeten zijn
voortgekomen. Dat is niet alleen menselijk maar dat houdt ook erkenning in dat
hij het brood heeft gekregen. Erkentelijkheid. Niet zomaar brood eten, dat doet
een dier ook. Bij het eten hoort erkenning, dank. Ook daarvoor - om dank te
brengen - leeft hij, leeft hij voor zijn Vader. Dat is zijn levenshouding.
Als de duivel dan vraagt dat
Jezus hem aanbidt, betekent dat dat hij van de duivel
afhankelijk zal zijn omdat die hem alle rijkdom op aarde zal geven, omdat hij zich
dan nooit meer enige zorg hoeft te maken over voedsel enz. Jezus weigert dat. Het is
niet-menselijk; als hij van aardse rijkdom leeft, eindigt zijn leven eens,
loopt zijn leven uit op niets; hij wil uitlopen op zijn God, van Hem
afhankelijk zijn, Hem dus aanbidden. Dat is zijn levenshouding.
Tenslotte een heel
indringende gedachte: in de psalm staat dat engelen de mens zullen dienen, dan
toch zeker hem, altijd, ook als hij openlijk laat zien dat hij de zoon van God
is. Nu gebruikt de duivel een bijbeltekst om hem te
overreden. Maar weer houdt Jezus vast aan zijn mens-zijn; als méns wil hij
laten zien hoe God is, dat heeft doorslaggevende betekenis, eeuwigheidswaarde.
Maar dat betekent ook dat hij het ergste op zich zal nemen, het ergste dat een
mens kan overkomen. Dat neemt hij op zich, als hij maar voor zijn Vader kan
leven, naar zijn Vader toe kan leven en Diens wil kan doen. Als mens. Hij woont
onder de hoede van de Allerhoogste. En hij dankt voor het eten tot op het
laatste maal toe. Dat is zijn dankende levenshouding.
De beproeving van Jezus staat
als een soort principe-houding aan het begin van zijn
werk. Zo wil hij zich opstellen. Dat geldt niet alleen voor Jezus, ook voor
ieder die hem wil volgen, Christen wil zijn. De punten die in Jezus' beproeving
worden genoemd zijn met de nodige praktische varianten ook voor ons waardevol.
Geen stenen voor brood verkopen, dat is levensbedrog; geen ellebogenwerk ten
koste van anderen, nederig zijn in je geloofsbeleving anders hoor je niets
meer. Maar hoe dan ook, alles in de houding van voor God willen staan, naar hem
toe willen leven.
Wij gaan de veertigdagentijd in.
Zou het niet goed zijn om iedere dag een vast moment aan te houden als
vingerwijzing naar die houding, een reminder?
Moge Jezus Christus zijn ploeg
hanteren in de grond van onze ziel, opdat de Vader Zijn Zaad erin kan zaaien en
de H.Geest dat Leven kan opwekken.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. In een wereld vol van CD's, DVD's, I-modus, ADSL, ferme
jongens stoere knapen, enz. vergeet je wel eens dat brood uit de aarde
voortkomt, realiseer je je niet altijd dat je
daarvoor kunt danken. In de tijd naar Pasen kan het vruchtbaar zijn om je een
beetje in te houden en aandacht te geven aan wat fundamenteel is: we leven niet
van brood alleen. Als je wilt, kun je naar God toe leven, 'wonen onder de hoede
van de Allerhoogste'.
"Luistert heden naar Zijn stem" is een psalmvers in de
vastentijd. Als we luisteren, horen we misschien ook een stem zoals de boer die
ploegt.
J.W.F. Werumeus Buning
Er stonden drie kruisen op Golghota,
Maar de boer hij ploegde voort
Magdalena, Maria, Veronica,
Maar de boer hij ploegde voort
En toen zijn akker ten einde was,
Toen keerde de boer den ploeg
En hij knielde naast zijn ploeg in het gras,
En de boer, hij werd verhoord
Zo menigeen had een schonen droom,
Maar de boer hij ploegde voort
Thermopylae, Troje, Salamis,
Maar de boer hij ploegde voort
Het jonge graan werd altijd groen,
De sterren altijd licht,
Gods woord streed in de wereld voort
En de boer heeft het gehoord
Heer God! De boer lag in het gras,
Toen droomde hij dezen droom;
Dat er eindelijk een rustdag was
Naar apostel Johannes' woord
Een stem sprak tot aarde, hemel en zee
En de boer heeft haar gehoord:
- Terwille van de boer die ploegt
Besta
de wereld voort!
Tweede zondag in de veertigdagentijd C 11
maart '01; '04
Gen 15, 5-12. 17.18; psalm 27; Lc 9,
28b-36
Psalm 27
De HEER is mijn licht, mijn heil - voor wie zou ik vrezen?
De HEER
is mijn burcht, mijn behoud - voor wie zou ik beven?
Hoor, HEER,
hoe hard ik roep. Ontferm u en geef mij antwoord.
Tot U zegt mijn
hart: `Ik zocht uw gelaat.' Uw gelaat
blijf ik zoeken,
verberg uw gelaat niet voor mij. Wees niet
woedend, wijs uw dienstknecht niet af.
U bent mijn helper,
verstoot mij niet; laat mij niet in de steek, God, mijn heil.
Wie zou ik zijn als
ik er niet op had vertrouwd
de goedheid van de HEER
te genieten in dit land van de levenden?
Wacht in vertrouwen
op de HEER met een dapper, standvastig gemoed;
wacht in vertrouwen op de HEER.
De mens is een wezen dat met
twee voeten op de grond kan staan, met zijn hoofd in de hemel kan vertoeven en
een hart heeft om die twee bij elkaar te houden, in harmonie. Hij kan werken en
bidden. Wat zijn hoofd wil, moeten zijn benen kunnen dragen. Wat zijn hart
verlangt, moge zijn hoofd begrijpen en zien. Maar zijn hoofd kan ook ontvangen
in geloof, kan een gedachte, een inzicht, ontvangen
Dat gebeurt met Abram. Hij is
uit zijn land en familieverband weggegaan en in een nieuw land terecht gekomen
waarvan hij ziet dat God hem dat heeft gewezen. En nu zit hij in zijn tent te
kniezen want hij heeft veel vee en knechten maar geen eigen nakomeling. En als
God hem zegt dat HijZ zijn schild is en zijn loon groot zal zijn, reageert
Abram in de geest van 'ik merk er niets van'. En toch, en
toch, moet hij naar buiten en ziet hij de sterrenhemel: hij concludeert dat,
als God met hem is, zijn nageslacht talrijk zal zijn als de sterren. En
God is met hem, dat weet hij. En zo krijgt hij dat inzicht, ontvangt hij de
belofte.
Daarmee is het niet afgelopen.
God bekrachtigt die belofte, HijZ legt een eed af, HijZ sluit een verbond op
een plechtige manier zoals men dat toen en daar soms deed. Jonge maar volwassen
(het getal drie duidt daarop) dieren werden doormidden gesneden en tegenover
elkaar opgesteld evenals een jonge duif en een volwassen duif. Daartussendoor
liep degene die de eed zwoer en hij zei dan "zo verga het mij"
wanneer ik mijn belofte niet nakom. Tussen die dode dieren is de dood, daar is
het leven ter discussie, staat het bestaan op het spel, je eigen bestaan. De
benen dragen het hoofd dat iets bedoelt, de zintuiglijke werkelijkheid begeeft
zich op het terrein waar zintuigen niets vermogen - het zienlijke en het
onzienlijke tegelijkertijd.
Abram heeft het zienlijke klaar gemaakt - de beesten geslacht en tegenover
elkaar gelegd - en wacht nu in de avond op het onzienlijke. We kennen allemaal
wel de zonsondergang. Zij neigt 'ter kimme' zoals dat heet, en je ziet de
schijf steeds verder weg zakken. Die sfeer wordt ook in de hebreeuwse
tekst aangeduid. Een gegeven moment glimt de laatste straal; dat is een moment
van concentratie, dan raakt Abram in trance, in opperste spanning, en als het
helemaal donker is, ziet hij rook en vuur tussen de dieren doorgaan. "Op
die dag sloot God een verbond met Abram". Hemel en aarde raken elkaar.
"Op die dag sloot God een
verbond met Abram". Het staat er zo eenvoudig en duidelijk en plechtig.
Ook mensen kunnen zo'n verbond sluiten, kunnen
samen hemel en aarde verbinden. Als je zo'n verbond
hebt gesloten en er inhoud aan geeft en inhoud krijgt, weet je ook wat God met
mensen wil, hoe God met mensen doet. Het is liefde. "Daar te zijn in het
huis van de Heer; dat is al mijn verlangen" hebben we gezongen/gebeden.
Wat de drie apostelen overkwam,
is te vergelijken met wat Abram overkwam. Jezus hoeft
geen verbond te sluiten met zijn Abba; dat is er al en het wordt nu op een
speciale manier duidelijk. Ongeveer acht dagen na de beroemde geloofsbelijdenis
van Petrus "Gij zijt de Messias, de Zoon van de levende God" -
ongeveer acht dagen daarna is er iets nieuws aan de hand. Het getal acht duidt
daarop. Jezus is aan het bidden en zijn uiterlijk
veranderde evenals zijn kleren. De apostelen zijn in trance, ze slapen niet
maar blijven alert. Zo kun je nl. de originele tekst
ook vertalen. In die trance krijgen zij inzicht. Hetgeen
zij zien en ervaren, kun je duiden als dat De Vader zegt dat Hij zijn Verbond
met zijn volk in Jezus opnieuw aanbiedt: "Luistert naar hém".
Gesproken in de wolk van de 'Sjechina', Zijn Aanwezigheid.
Maar wat is nu het werkelijke,
het zienlijke? Het onzienlijke, verhevene, de heerlijkheid is duidelijk maar
wat dragen de benen? God biedt het verbond opnieuw aan in Jezus en wat hierbij
nieuw is, is dat het lijden daar wezenlijk bij hoort, want Mozes en Elia
spreken met Jezus over zijn uitgaan, over zijn dood, ondanks die heerlijkheid.
Misschien juist in die
heerlijkheid? Lijden is geen straf, geen vervloeking; God lijdt in Jezus met
mensen mee. Johannes schrijft "Wij hebben Zijn
heerlijkheid gezien"; ook de heerlijkheid als hij is gestorven aan een
kruis. Ook de lijdende is in Gods Hand.
Moge het zijn dat alle lijdenden
daarin steun vinden, dat zij verbonden zijn met Jezus in zijn lijden. Ook daar
is het huis van de Heer.
De vorige week was het
"Luistert héden naar Zijn Stem' opdat je hoort zoals die boer. Nu is het
'luistert naar hém' in wie God zijn verbond hernieuwd
aanbiedt.
Wij bereiden ons voor op het Paasfeest, dat niet zonder lijden, opofferingsgezindheid kan
bestaan. We kunnen ons concentreren op de inzet van Jezus, die dat allemaal
voor ons heeft over gehad. Zonder hem geen Paasvreugde.
Dat kan door gebed, overweging, lezing. Wij die niet
lijden kunnen ook proberen het lijden van mensen te verzachten, zoals Jezus
deed. Legio mogelijkheden. We kunnen ook door kleine
onthoudingen ons zelf duidelijk maken dat we onze luxe als normaal beschouwen,
dat we op luxe benen lopen. Misschien krijgen we dan meer ontzag voor de
kreupele.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Je zelf inhouden om je een ideaal meer voor ogen te krijgen, om
iets te gaan vermoeden van datgene waar de wereld behoefte aan heeft, je zelf
inhouden om iets van die grootheid te gaan zien die achter ons streven staat,
om iets van hemel en aarde in jezelf te laten spreken - dat kan een leidraad
zijn in deze voorbereidingstijd.
De Heer
is mij licht, die tussen de doorgesneden stukken door trekt; de Heer is mijn
heil tot en met zijn dood aan een kruis. Zullen
we een paar minuten proberen ons daaraan over te geven?
Derde
zondag in de veertigdagentijd C 14 maart '04
Ex
3, 1-8a.13-15; psalm 103; Lc 13, 1-9
Psalm 103
Prijs de HEER,
o mijn ziel, zijn heilige naam uit het diepst van je hart.
Prijs de HEER,
o mijn ziel, en vergeet zijn weldaden nooit.
Hij vergeeft al je
misgrepen, Hij geneest al het leed dat je lijdt;
je leven koopt Hij vrij van het graf, en kroont je met liefde en erbarmen.
De HEER
maakt waar wat Hij heeft beloofd: Hij komt op voor het recht van de
onderdrukten.
Hij openbaart zijn
wegen aan Mozes, maakt aan Israëls kinderen zijn daden bekend:
barmhartig de HEER en genadig, geduldig, en in liefde groot.
Als de hemel boven
de aarde, zo hoog welft zijn liefde boven degenen die
Hem vrezen.
"Ik daal af om mijn volk te
bevrijden".
Als de roeping van Mozes al niet
uniek is in de geschiedenis, het verhaal ervan is het zeker. Mozes is als baby
door een list behouden gebleven en opgevoed als een koningszoon. Via een
stommiteit van een van zijn geloofsgenoten moet hij vluchten, geraakt in de
woestijn, en ver in de woestijn, bij de berg van God, gebeurt het. Zijn
aandacht wordt getrokken door een vreemd verschijnsel en naderbij gekomen wordt
zijn naam genoemd, en wel tweemaal: "Mozes, Mozes!" Als in de bijbel een naam tweemaal wordt genoemd is er iets bijzonders
aan de hand. ("Abraham, Abraham", waag het niet een vinger naar die
jongen uit te steken; "Samuël, Samuël", je hoort het echt goed, Ik
roep je; "Marta, Marta", Maria heeft het betere deel;
"Simon, Simon, de satan heeft geëist …". "Mozes, Mozes!") Mozes
geeft antwoord en dan blijkt dat het gaat om heiligheid, 'De Heilige spreekt
tot jou' - een ontdekking bij de berg van God, bij de brandende struik, op
heilige grond. Het blijkt niet alleen te gaan om heiligheid ter aanbidding, ook
om heiligheid die zich bekommert om onrecht, De Heilige bekommert Zich.
Realiseren we ons wat hier wordt
verteld, wordt beweerd. Er is geen briefje uit de hemel komen vallen of een
postduif met een berichtje komen aanvliegen of wat dan ook. Er is niets meer
dan een mens die zegt wat er is gebeurd, wat hij heeft
meegekregen. Er is geen verifieerbaar gegeven dat rechtvaardigt t.o.v. anderen. Het
gaat dan ook om geloof, om iets dat niet te bewijzen is, maar om een
overtuiging, een zicht, en vervolgens om inzet. Een mens ervaart Gods
nabijheid, "Ik ben de God van uw vader", heel persoonlijk en
indringend; en als die Nabijheid inderdaad God is, moet Die Zich ook betónen
als een maximaal wezen en het goede bewerken.
Zo'n inzicht
geldt niet alleen voor Mozes, het geldt voor de Joden die toen in verdrukking
leefden, het geldt voor iedere gelovige, ook voor ons nu zo'n 3000 jaar later.
Ook Mozes zelf krijgt geen garantie dat het wel goed zit. Pas als hij met de Joden
uit Egypte weg is, zal hij het merken nl. wanneer zij
hun God op de Horeb aanbidden. De enige garantie die
Mozes heeft is zijn eigen overtuiging.
Het enige dat hij kan aanbieden
aan de Israëlieten, is de Naam, een nieuwe naam "JHWH": "Hij
is". Tegen hen moet hij zeggen "Híj-is zendt mij tot u". Maar De Heilige noemt Zich
voor hem persoonlijk in de eerste persoon: "Ík ben
waarvan geldt 'ik-ben'.
Ik ben van wie geldt 'ik-ben' m.a.w. je hoeft niet verder te zoeken dan Mij. IK
ben het begin en het einde van het zijn, ik ben de zijnde. Ik ben al het goede
dat je maar kunt bedenken, de Eeuwige en de Heilige. Mozes spreekt met zijn
Oorsprong, de Bron van zijn zijn, zoals hij graag wil
zijn, goed wil zijn. Later wordt gezegd dat hij van aangezicht
tot aangezicht spreekt. Twee personen tegenover elkaar, de Een t.o.v. de ander:
"Ik ben". Is er meer mogelijk?
Vervolgens: als God de Goede is,
is HijZ ook de rechtvaardige en de barmhartige en zal HijZ Zich dus bekommeren
om onrecht. Dan is HijZ er om Zich te betonen, dan laat HijZ zien dat HijZ
bestaat: "Ik daal af om Mijn volk te bevrijden." In hun nood krijgt
de nieuwe naam inhoud: Ik, JHWH, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de
God van Isaak, de God van Jakob, Ik jullie God, JHWH: Hij-is-er, de Levende.
"Verheerlijk mijn ziel,
JHWH, Zijn Heilige Naam, uit het diepste van uw wezen. Verheerlijk mijn ziel de
Heer, vergeet Zijn weldaden niet. Hij is het die u geneest, Hij is het die u
redt, hij is het die u omringt met zijn gunst en erbarmen". Het is hun gebed
van toen, toen ze gered waren uit hun nood. Zo hebben ook wij hier en nu
gebeden in de tussenzang. Het moge een dankgebed zijn
voor wie zich veilig voelt; het moge een gebed van hoop zijn voor wie daarnaar
uitziet. De Heilige, de Levende.
Maar de psalm gaat verder:
"Zo wijd als de hemel de aarde omspant, zo alomvattend is Zijn
erbarmen". Meer dan 1000 jaar na de bevrijding uit Egypte daalde God weer
af, nu met de naam "God redt". Nu niet zozeer redding uit slavernij
als wel redding uit uitzichtloosheid. Hij de die Naam draagt
"God redt" verkondigt het grote nieuws van vergeving, in het vervolg
van de doop tot bekering van vergeving van zonden in de Jordaan. Wie schuldig
is, mag op vergeving rekenen als hij berouw heeft.
Als mensen Jezus komen vertellen
over wat die Galileeërs is aangedaan, denken ze vanzelf aan een straf voor een
schuld. En een ongeluk dat anderen bij die toren overkwam, impliceert ook een
straf. Jezus pakt direct de koe bij de horens: denk
niet dat jullie dus geen schuld hebben omdat jullie niets is overkomen.
Bekering misstaat jullie niet.
Maar Jezus zet hen niet met
schuld in een hoek vast. Hij heeft hij in
gedachte:"Zo wijd als de hemel de aarde omspant, zo alomvattend is Zijn
erbarmen" en hij vertelt hoe God graag vergeeft. De heer zoekt in de
vijgenboom, die op arme grond al vrucht geeft, naar vruchten en als hij voor de
derde keer geen vrucht vindt, moet de boom weg. Logisch. Maar geldt dat nu ook
voor juist die ene boom? Heel persoonlijk zal de Wijngaardenier hem verzorgen;
we zijn geneigd om te zeggen dat hij persoonlijk met de boom zal praten en zal
toefluisteren: "Ik ben er, we redden het wel." Net zo intens, net zo
zeker, als "Ik ben van wie geldt 'ik-ben' ".
Maar als nou, ja als dat nu niet
helpt? Dan zégt de Wijngaardenier tegen de heer:"Dan hakt u hem maar
om" en hij dénkt: "ík doe het niet".
Zijn wij zulke zondaars dat wij zo'n aansporing, zo'n ruimte tot bekering nodig hebben? In ieder geval: zij misstaat niet. Zo'n aansporing om ons
meer tot onze God te wenden richting Pasen is altijd goed. We mogen ons zeker
weten van Jezus' hulp, hij heeft het doorstaan. Een aansporing om 'Zijn
erbarmen de aarde laten omspannen' mag er ook zijn. Zo betoonde JHWH zich voor
Zijn volk. Zo kunnen wij die Stem waar maken. Mogen wij zelf diezelfde Stem als
Mozes hoorde op een nieuwe manier horen via Jezus "Ik ben er, we redden
het wel." Via Jezus is het niet alleen "Hij-is-er" maar ook
"Ik ben het".
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Als je jong bent, heb je niet altijd rust en geduld om te luisteren
en al helemaal niet naar een stem die in de woestijn moet roepen. Maar als je
een gegeven moment denkt dat je iets ziet, iets vermoedt of iets hoort wat je
raakt … misschien is een tijd als deze goed om daarover te praten of na
te denken. Het heilige hoeft niet ver weg te zijn, het
kan jou ook raken. Je herkent het wel, want het ligt al in je.
De eerste
zondag dachten we aan een stem die die boer hoorde.
Zegt Jezus' stem ons … ? De vorige week klonk het "Luistert naar
Hém". Zullen we nu proberen te luisteren en te horen?
Vierde Zondag in de veertigdagentijd C 25 maart '01; '04; ('07)
Joz 5, 9a.10-12; psalm 34; Lc 15, 1-3.11-32
Psalm 34
De HEER
wil ik altijd prijzen, ik zing steeds een loflied op Hem.
Ik juich om de HEER,
laat de armen er verheugd naar luisteren.
Prijs de HEER
tezamen met mij, laat ons zijn naam verheerlijken.
Toen ik de HEER
zocht, gaf Hij antwoord, van al mijn angsten heeft Hij mij verlost.
Wie naar Hem opzien
stralen van geluk, geen blos van schaamte kleurt hun gelaat.
Deze arme mens
riep, en de HEER gaf gehoor, Hij heeft mij bevrijd uit
al mijn noden.
Proef en geniet: hoe zoet is de HEER.
Wie eens op een of andere manier
een nieuw leven is begonnen, kan zich voorstellen wat de Joden hebben gevierd
in Gilgal. Ze zijn uit Egypte gegaan na de nodige spanning en dreiging, de
Rietzee heeft hen beschermd, ze zijn door de woestijn getrokken met veel
ongemak, hebben zich door vijandig gebied heen geslagen, zijn droogvoets door
de Jordaan gegaan en nu zijn ze er, in het Beloofde Land, nieuw leven. De smaad
van Egypte, van slavendienst, is afgewenteld en ze kunnen nu vrij naar hun God
toe leven; de mannen worden besneden, ze zijn hun Heer toegewijd, het is lente
en ze vieren het Paasfeest, nieuw leven. De ouderen
onder ons die de bevrijding hebben meegemaakt, kunnen zich hierbij wel iets
voorstellen maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat jongeren geen eigen
ervaring in die richting hebben.
Ze vieren ook nieuw voedsel. Het
brood dat ze eerder hadden is niet meer nodig, ze willen het zelfs niet meer
als zuurdesem gebruiken want het nieuwe moet helemaal nieuw zijn. Het oude heeft afgedaan, nieuw voedsel van het nieuwe land
zelf. Is het dan nog verwonderlijk dat zij hun grond als heilig beschouwen?
Dankbaar gedenken ze het manna dat hen in leven heeft gehouden. Zo was hun Heer
bij hen; hun God die heet 'Hij-is-er-altijd' -ook in de woestijn- heeft hun roep om brood gehoord en hen
wonderlijk gevoed.
In de tussenzang hebben we
gebeden/gezongen "Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer en redt
hen uit hun ellende"/"Hij heeft hen verlost uit hun noden, de Heer
helpt de gebrokenen van hart, die verslagen van geest
zijn bevrijdt Hij". Wie eens op een of andere manier een nieuw leven is
begonnen, kan dat meezingen/meebidden. Misschien is dat wel nu gebeurd.
Wat Jezus doet is ook nieuw en
wel zo nieuw dat "tollenaars en zondaars van allerlei slag" kwamen
luisteren. 'Luisteren' want ze hadden iets opgevangen dat kennelijk nieuw was
voor hen. Niet voor de Farizeeën en Schriftgeleerden, die het
zo goed wisten: die man ontvangt niet alleen maar eet ook nog met hen, hij
treedt in gemeenschap: hoogst ongewoon, niet vernieuwend. Maar Jezus had
weldegelijk iets nieuws te brengen, iets nieuws dat levend maakte, leven
teruggaf. Lucas vertelt dan de vergelijking van de verloren drachme, het
verloren schaap en ook dat schitterende verhaal van de verloren zoon - de
vergevende vader. "Een man had twee zonen." Dat is zo'n
zin die staat als een gedenksteen, net als bij de barmhartige Samaritaan
"Iemand daalde af van Jeruzalem naar Jericho" en "Een zaaier
ging uit om te zaaien". Een begin-zin: er gaat
wat gebeuren.
Een man had twee zonen en de
jongste wilde het zelf wel eens doen. Hij ging ver weg en verkwistte zijn erfdeel.
Dan geraakt hij in de woestijn van ellende, "zwierf rond" zegt de
nieuwe vertaling en hij moet van armoede varkens hoeden. Varkens
! Hij komt tot de ontdekking dat hij de overvloed, genoeg te eten, van
zijn beloofde land kwijt is, het leven bij zijn vader. Het Rijk der hemelen.
Dan gaat terug op basis van een verstandelijke redenering: hij heeft het daar
als dagloner beter. Hij gaat en zijn weg terug kun je ook een boetetocht
noemen. Hij wil geen excuses aanbieden om het weer te hebben als vroeger, hij
neemt zijn verantwoording - zoals dat heet - en bekent schuld: "Ik heb
gezondigd tegen de hemel en tegen u".
Dat hij tegen zijn vader heeft
gezondigd, ligt min of meer voor de hand, want hij heeft diens bezittingen,
zijn eigen erfdeel, verbrast, is er bepaald niet 'eerbiedig' mee omgesprongen.
Maar hij heeft ook gezondigd tegen de hemel. Klinkt hier niet "Eert uw
vader en moeder" door? Hij gaat ver weg van zijn vader, heeft hem niet
meer nodig, wil anders staan in een ver-wegland, hij ont-kent zijn vader, ont-eert hem
ten onrechte. Een betekenis die je ook daaraan kunt toedenken is dat het
verkwisten een daad tegen de hemel is, a-gerecht, een
gerechte verkwist niet, hij viert wel feest maar verkwist niet. Is dat voor
ons, onderweg naar Pasen, niet een punt om op te letten?
En dan die vader! dat is pas een vader! Hij ziet hem al van verre komen.
Hebben wij, vaders en moeders, nooit op de uitkijk gestaan? Dat een moeder door
medelijden wordt bewogen, vinden we al gauw voor de hand liggen; zo zijn
moeders. Als een vader door medelijden wordt bewogen ...
toont God dan niet hoe Hij is? Hij wacht niks af en
rent meteen naar zijn zoon en liefkoost hem - nog voordat de jongen iets heeft
gezegd: medelijden, liefde, stelt geen voorwaarde, zij is spontaan. Zo is de
Vader in de hemel. De jongen is nu eerlijk, gerecht; hij
denkt niet van 'Goddank, ik ben er goed van af gekomen', hij bekent zijn schuld
en daarmee herstelt hij zijn openheid t.o.v. zijn vader, die hem prompt nieuw
leven geeft, zijn Beloofde Land hergeeft: met een feestkleed. Feest,
want het is nu nog beter tussen hen dan eerst. Beiden beleven zij bewuster dan
eerst wat hen bindt. De smaad is afgewenteld, de schande voorbij. Hij staat
weer op eigen grond.
Nu komt het tweede motief: de oudste zoon had gelijk. De afspraak was ieder de
helft en als zijn broer zijn helft heeft 'besteed', moet hij dat weten, daar
heeft hij, de oudste niets mee te maken. Hij wordt vergeleken met zijn broer
onrechtvaardig behandeld en wil niet delen in de vreugde. Als die knecht nou
niet had gezegd dat het (!) - het speciaal voor een feest bestemde kalf - geslacht was, was hij misschien nog uit
belangstelling mee naar binnen gegaan maar het probleem ligt meteen compleet op
tafel: hij voelt zich teruggesteld. Te recht. Wat evenwel
de oudste niet snapt of weet of niet kent is dat barmhartigheid, medelijden,
boven recht uit kan gaan.
We kennen het wel: na een ruzie
of zo het zonder voorwaarde weer goed willen maken en dan respons krijgen. Dat
geeft opluchting maar haalt ook iets van Boven op aarde: 'weest
barmhartig want uw hemelse Vader is barmhartig',
dan heb je iets van Hem. Dat is een heel menselijke ervaring, dat kan een
feest zijn. God is wel rechtvaardig maar nog barmhartiger. Is dat niet iets
voor ons, die die stem, dat woord van barmhartigheid
willen horen, voor het Rijk der hemelen? Een Vader die naar buiten komt om te
vragen of we a.u.b. niet binnen willen komen. "Proeft en geniet: hoe zoet
is de Heer."
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. In onze maatschappij gaat het er vaak hard aan toe en in de wedloop
naar succes moet je geen doetje zijn. Maar soms is er aanleiding om die vader
in de gaten te houden, soms is barmhartigheid te recht, gerecht, en kan het
goed zijn om niet op je rechten te staan maar dat recht van het Rijk der
hemelen voorrang te geven. Wedden dat je je dan
'voelt'? Zo is de Vader ook.
Ook al zijn we geen notoire verbrassers, ook voor ons geldt het thema 'op de uitkijk
staan om nieuw leven te geven, maar ook teruggaan om nieuw leven te ontvangen';
richting Pasen. Ook een omwenteling. Zullen we ons een paar minuten de tijd
gunnen daarover na te denken?
Vijfde
zondag veertigdagentijd C 28 maart ’04 ('07)
Jes
43, 16-21; psalm 126; Joh 8, 1-11
Psalm 126
Toen de HEER
het tij voor Sion liet keren, was dat voor ons als een droom.
Onze mond bleef
lachen, onze keel bleef zingen.
En de volken
erkenden: 'De HEER verricht wonderen voor hen.'
Ja, wonderen
verrichtte de HEER voor ons; wij waren buiten onszelf van
blijdschap.
Laat het tij voor
ons keren, HEER: een waterloop in de woestijn gaat
weer stromen.
Degene die in
tranen zaait zal blij zingend de oogst binnenhalen.
Degene die in
tranen op weg gaat, de zaaizak om de schouder,
zal blij zingend naar huis teruggaan
met schoven op zijn rug.
Israël kent twee grote
heilsfeiten: de uittocht uit Egypte met als hoogtepunt de tocht door de Rietzee, gevolgd door
de tocht door de woestijn, de doortocht door de Jordaan, t/m de vestiging in
Kanaän. Het tweede grote gebeuren is de terugkeer uit de ballingschap. Het
verblijf met haar gevolgen in Egypte kun je nog een ontwikkeling noemen die
niet zo goed verliep, de ballingschap waren ze zelf schuld - vonden zij - omdat
ze zich niet aan het Verbond hadden gehouden. Maar in die ballingschap hebben
zij ervaren dat hun God ook toen bij hen was: Hij hield Zijn Naam in ere - JHWH: Hij is er
altijd. Tegen de tijd dat hun schuld uitgeboet is, staat een profeet op als
Jesaja, van wie we nu hebben gelezen. De Heer die door de zee een weg legt, die
zegt dat dàt verleden tijd is: nu er komt iets
compleet nieuws, merk je het niet? - een weg door de steppen zodat Zijn volk
naar huis terug kan gaan, een rivier door de woestijn zodat het zich kan laven
op zijn tocht. Alles goed, zodat het volk, dat HijZ Zich heeft gevormd, Zijn
lof verkondigt.
Het lijkt wel of die heilsfeiten
altijd geldig zijn, voor alle volken, voor iedereen. Mensen en volken komen ook
nu in een ongelukkige situatie terecht door het kwade, mensen en volken zullen
ook nu kunnen inzien en erkennen dat zij verkeerd gedacht en gehandeld hebben.
Gods hulp en vergevingsgezindheid zijn zo groot dat HijZ ook voor hen uitweg
biedt als ze maar willen luisteren naar Zijn stem, Zijn Naam als de Gerechte
willen honoreren. "Degenen die in tranen op weg gaat, de zaaizak om zijn
schouder, zal blij zingend naar huis teruggaan, met schóven op zijn rug".
Dat moge ook nu gelden. We kunnen ervoor bidden.
Er is nog een derde heilsfeit
dat helaas niet heel Israël heeft gezien. God legt nu geen rivier of wat dan
ook, HijZ heeft weer iets nieuw, iets compleet nieuws: HijZ is Zelf naar Zijn
volk gekomen, met een nieuwe naam: Josjoewa, God
redt. God redt weer, God redt altijd, HijZ is nu eenmaal ook mensenredder die
Zijn schepsels niet laat verkommeren. Nu lazen we dat Jezus zichzelf redt uit
de strikvraag van de schriftgeleerden en Farizeeën,
hij redt ook die vrouw.
Zichzelf redden uit de
strikvraag van de schriftgeleerden en Farizeeën zal
hem niet zoveel moeite hebben gekost. Ze zijn als "heel de macht van het leger" en zullen
"als een vlaspitje uitgaan". De lafbekken die een vrouw
misbruiken om er zelf beter van te worden, om te scoren, om hem vast te zetten.
Zij zijn niet uit op het handhaven van de wet van Mozes, op gerechtigheid, ze
misbruiken de schrift waarin ze zo geleerd zijn voor
eigen belang. Daarvoor moet je net bij Jezus komen! Soms vaart hij tegen dat
soort mensen uit, nu zet hij hen zelf te kijk in hun onwaarachtigheid en
verliezen ze hun gezicht: als je het zo goed weet, als je zo bezorgd bent om de
Wet, gooi je maar de eerste steen. De oudsten gaan het eerst.
Waarom zijn ze niet aankomen
zetten met de man die de echtbreuk pleegde? Zou het soms zijn
dat Jezus dan niet in een verleiding gekomen zou zijn en desnoods ook nog zou
hebben geholpen om te stenigen? Dan hadden ze geen succes.
Redelijkerwijs weten ze dat Jezus als man gevoel heeft voor vrouwen en dus zou
twijfelen. Dan hadden ze hem te pakken.
Zeg maar eens dat Jezus geen
gevoel had voor vrouwen. Zie de vrouw voor wie hij opkomt tegen n.b. zijn
gastheer in: de notoire zondares, die zijn voeten wast met haar tranen en ze
met heur haar droogt en ze zalft met kostbare olie.
Zou hij voor zo'n typisch vrouwelijk gebaar, zo'n
vrouwelijke insteek, niet gevoelig zijn? "Haar wordt veel vergeven omdat
zij veel heeft bemind". Hoe wist hij dat?
Nu redt hij ook de vrouw die zij
bij hem brengen. Eigenlijk is het een heel spannend tafereel. Hij zwijgt, maar
niet passief, en tekent wat in het zand terwijl iedereen op hem kijkt. Hij zegt
pas wat als het niet anders kan. Zij druipen af en ze blijven samen over, hij
en de vrouw. De vrouw is blijven staan, ze maakte zich niet uit de voeten. Zou
hij, die zijn leerlingen aankeek op belangrijke momenten, zou hij haar niet
aangekeken hebben? Er staat niets over berouw van de vrouw of vergeving van
zonde, maar zou Jezus niet uit haar houding opmaken dat zij op hem hoopte en
vertrouwde en hij dus op haar? Hij veroordeelt haar ook niet. Alleen maar uit
medelijden omdat ze haar misbruiken, zoals ze ook met hem willen doen? Zou dat
ook niet kunnen komen doordat hij weet van menselijke hartstocht die hunkert
naar expressie, naar liefde, naar ontvankelijkheid? Dat kapt hij in ieder geval
niet af maar wijst haar wel terecht dat zij niet meer moet zondigen. Hij oordeelt
wel maar veroordeelt niet. Hij spreekt het bevrijdend woord. "Ik
veroordeel u ook niet". Denken we daar niet bij 'Ik begrijp
u'? Zijn stem, die redt. Hij durft op een nieuwe manier met de Wet om te gaan.
Gevoelig en barmhartig. "Zie, Ik ga
iets nieuws maken". Hoop gaat als een waterstroom door haar heen stromen, lafenis voor een dor land. Leven aan Hem.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Als je jong bent, wil je van alles nieuw maken en nieuw doen. Dat
is goed, de wereld en de Kerk moeten nieuw blijven. Maar zie in deze
veertigdagentijd ook dat nieuwe in het licht van Pasen, de opstandig die Jezus
heeft verworven, anders nieuw dan hij zelf wellicht had gedacht, gelouterd, in
eredienst.
Op weg naar Pasen van Jezus met
een God die menselijke hunkering begrijpt, die zelf hunkert. Zullen we ons
daarvoor even tijd gunnen?
Gerrit Achterberg "En
Jezus schreef in het zand"
Palm- of
Passiezondag in het jaar C
3 april 2004
Lc 19, 28-40; Jes 50, 4-7; psalm 22; Lc 22, 14 - 23, 56.
Psalm 22
Mijn God, mijn God,
waarom hebt U mij in de steek gelaten?
Iedereen die mij
ziet lacht en spot met mij, gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:
'Hij bouwt op de HEER,
die zal hem redden, die zal hem bevrijden, Hij houdt toch van hem.'
De honden staan al
om mij heen, een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,
ze hebben mijn handen en voeten
doorboord.
Mijn beenderen kan
ik tellen, één voor één;
Zij verdelen mijn
kleren onder elkaar en dobbelen om wat ik aan heb.
HEER, houd u niet ver van mij; mijn kracht,
haast u en help mij.
Ik zal uw naam
verkondigen bij mijn broeders en zusters, en U prijzen in de gemeenschap:
Wie de HEER
vreest, prijs Hem, alle nazaten van Jakob, eer Hem,
alle nazaten van
Israël, vrees Hem,
De naam zegt het al: palm of
passie, zegenroep of angstkreet. Het is beide:
uitroepen van vreugde en gebed in angst, vredesboodschap en onrecht, sterkte en
bekoring. Die tegenstellingen lopen door de hele viering heen.
Je kunt zeggen dat de drie
synoptici hun evangelie hebben opgebouwd als de tocht van Jezus vanuit Galilea
naar Jeruzalem. Een profeet hoort in Jeruzalem thuis; als hij moet sterven, dan
daar. Nu is het zover: zijn leerlingen inclusief zij die van Galilea naar
Jeruzalem waren gekomen om het Paasfeest te vieren,
verwelkomen hem enthousiast en roepen juichkreten "Gezegend de koning die
komt in de Naam van de Heer". Jezus belichaamt de
"vrede die in de hemel heerst" en daarom "maximale eer aan
God". Maar een paar dagen later spelen de tempelkliek en Sadduceeën het
klaar om Jeruzalemmers op te hitsen zodat zij hem
kunnen doden, laten doden aan een Romeins straftuig, een kruis dat voor
misdadigers en rebellen werd gebruikt. Ze willen hem uitschakelen als een
godslasteraar omdat ze bang zijn voor het volk. Geschreeuw gaf de doorslag. Hij
die komt als vredebrenger, niet als een koning op zijn strijdpaard of in een
strijdwagen door paarden getrokken, maar op een veulen. Zo voorzag de profeet Zacharia de komst van de Messias in Jeruzalem. De vredesman
wordt vermoord.
In de lezing van Jesaja zien we
hoe de 'Dienaar van de Heer' sterk staat omdat zijn God, de Heer - heel
plechtig - hem als Zijn leerling de gave van het woord heeft geschonken.
En elke morgen luistert hij met volle overgave. Hij is zo sterk dat hij zelfs
zijn rug bood aan degenen die slaan. Zo sterk is hij ...
In de tussenzang zongen/baden we de angst "God, mijn God, waarom
toch?" Tegenstellingen die we uit eigen ervaring wel kennen.
Nadat
Jezus gedurende het laatste Avondmaal heeft laten zien dat hij altijd bij zijn
volgelingen wil zijn en hoe hij bij hen wil zijn, dat hij degene is die dient
omdat zijn leerlingen hem trouw zijn gebleven in zijn moeilijke perioden -
daarna moet hij tegen Petrus zeggen dat Petrus hem zal loochenen.
Maar vanaf de Hof van Olijven is
Jezus de sterke. Een engel is hem komen sterken: hij heeft zijn oor geopend,
hij heeft geluisterd naar wat God de Heer, tot hem te zeggen had. 'De Heer
heeft gesproken'. Hij waarschuwt zijn leerlingen om het onheil onder ogen te
zien, niet in slaap te vallen. Hij waarschuwt voor de bekoring het af te laten
weten. Als iemand een van zijn belagers een oor afslaat, geneest hij de man
weer opdat hij nog kan luisteren en dat ene woord moge horen dat voor hem
geldt. Zo houdt Jezus de weg naar bekering open.
Jezus geeft indirect antwoord op de cruciale vragen,
hij weerstaat de bekoring om eronder uit te komen. De Heer heeft immers tot hem
gesproken. Hij maakt voor het Sanhedrin aanspraak op de ereplaats aan Gods
rechterhand en zegt ronduit dat hij de Zoon van God is. Ook tegenover Pilatus,
een 'heiden', krabbelt hij niet terug. Hij bepleit zijn zaak ook niet, hoewel
de Joden een verdraaide voorstelling van het koningschap aan Pilatus geven.
Jezus weerstaat de bekoring om bij Herodes, die
benieuwd was naar hem, een wonder te doen en zo een sympathie te winnen en de
aanklachten te ontkrachten.
Op zijn tocht naar Golgotha denkt Jezus meer aan de vrouwen dan aan zichzelf:
beklaag jezelf maar. Spreekt de Heer dan niet?
"Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen". Zo houdt
hij de mogelijkheid open voor de Vader om vergeving te schenken. En voor de
misdadiger 'Heden nog zult gij met mij zijn in het
paradijs' - dan heeft de Heer ook gesproken.
En als toppunt van het spreken zegt hij zelf: "Vader, in uw handen beveel
ik mijn geest".
Zelfs de Romein hoort het woord dat de Heer spreekt: 'Deze mens was een
Gerechte'.
Wij mensen leven in ons leven
passie en palm. Ongeluk overkomt ons, kwaad treft ons, we zwalken soms tussen
verdriet en vreugde. Dat kennen we. Mogen we, jong en oud, uit het
lijdensverhaal de hoop putten, de deugd van de Hoop, dat op een of andere
manier de Heer tot ons spreekt, dat we samen met Jezus sterk zijn. Bang zijn we
toch; de held die niet bang is, is geen held. Hij en zij die doorgaat en die op
een of andere manier weet dat Jezus degene is die ons dient - ons dient met
zijn woord, zijn sterkte - die kan de held zijn, de heldin. En doorgaan zoals
de boer doorploegde.
Zullen we ons daarvoor een paar
minuten tijd gunnen?
Gen 1, 1.26-31a; Gen 22, 1-8; Ex
14.15 - 15,1; Jes 54, 5-14; Jes 55, 1-11; Bar 3, 9-15.32-44; Ez 36, 16-28; Rom 6, 3-11; Lc 24, 1-12
Genesis
In het begin schiep God de
hemel en de aarde.
En
God zei: `Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij
zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de
tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond
kruipt.' En God
schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk
en vrouwelijk schiep Hij hen. God zegende hen, en God sprak
tot hen: `Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar;
heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.'
En God
zei: 'Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan
jullie, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij zullen jullie tot voedsel
dienen. Maar
aan alle wilde beesten, aan alle vogels van de lucht en aan alles wat over de
grond kruipt, aan alles wat dierlijk leven heeft, geef Ik al het groene gewas
als voedsel.' Zo gebeurde het. God bekeek alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag
dat het heel goed was.
Psalm 33
De aarde is vol van Zijn mildheid .
Oprecht is het woord van de HEER, alles wat Hij doet getuigt van trouw.
Hij staat voor een rechtvaardig en vast bestel; de aarde is
vervuld van de liefde van de HEER:
de hemel is gemaakt door het woord van
de HEER,
heel het heir
van de sterren door de adem van zijn mond;
als in een kruik verzamelt Hij het
water van de zee en in kelders bergt Hij de oceanen.
Gelukkig het volk waarvan de HEER god is, de natie die Hij tot zijn erfdeel koos.
Vanuit de hemel kijkt de HEER neer, Hij ziet al de kinderen van de
mensen;
Vol vertrouwen zien wij uit naar de HEER, Hij is ons schild, Hij is onze
helper.
Uw liefde, HEER, zal over
ons komen: wij wachten, wij wachten op U.
Genesis
Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: 'Abraham.' En hij antwoordde: 'Hier ben ik.' Hij zei: 'Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die u liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.' De volgende ochtend zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna ging hij op weg naar de plaats die God hem aangewezen had. Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen. Toen zei Abraham tegen zijn knechten: 'Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.' Daarop liet Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen op weg. Toen zei Isaak tegen zijn vader Abraham: 'Vader.' Hij antwoordde: 'Hier ben ik, mijn zoon.' Isaak zei: 'Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?' Abraham antwoordde: 'God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.' En samen gingen zij verder.
Psalm 16
Bescherm
mij, o God, ik neem mijn toevlucht tot U.
Nee, de HEER is mijn erfdeel, mijn
levensbeker, mijn lotsbestemming ligt in uw handen;
Ik houd de HEER voor ogen, de HEER altijd, Hij staat mij terzijde
en ik wankel niet.
Mijn hart
is dan ook verheugd, mijn innerlijk jubelt, mijn lichaam kent geen zorgen,
want U geeft mijn leven niet aan
het dodenrijk prijs, U laat uw vrome het
graf niet zien.
U maakt mij
vertrouwd met de weg naar het leven,
met overvloedige vreugde bij U,
met groot geluk aan uw rechterzijde, voorgoed.
Exodus
Toen sprak
de HEER tot Mozes: 'Wat roept u Mij
toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken. Uzelf moet uw hand opheffen, uw
staf uitstrekken over de zee en haar in tweeën splijten. Dan kunnen de
Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. Ik ga de Egyptenaren
halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik mijn heerlijkheid
bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners. De
Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEER
ben, als Ik mijn heerlijkheid bewijs ten koste van de farao, zijn wagens en
zijn wagenmenners.'
De engel
van God die aan de spits van het leger van de Israëlieten ging, veranderde van
plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en
stelde zich achter hen op. Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en
het leger van de Israëlieten in te staan. De wolk bleef donker zodat het die nacht
niet tot een treffen kwam.
Toen
strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de HEER
liet die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte
van de zee droog land en de wateren splitsten. Zo trokken de Israëlieten over
de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand
vormden.
De
Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van de farao, zijn wagens
en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in. Tegen de ochtendwake richtte de HEER vanuit de vuurzuil en de
wolkkolom zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring. Hij liet
de wielen van de wagens scheeflopen, zodat ze slechts met moeite vooruit
kwamen. De Egyptenaren riepen uit: 'Laten we vluchten voor de Israëlieten, want
de HEER strijdt voor hen tegen ons.'
Toen sprak
de HEER tot Mozes: 'Strek uw hand uit
over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en
hun wagenmenners.' Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht
begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. En omdat de
Egyptenaren er tegenin vluchtten dreef de HEER hen
midden in de zee. Het
water dat terugvloeide overspoelde de wagens en de wagenmenners, heel de
strijdmacht van de farao die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was
gegaan. Er bleef er niet één gespaard.
De
Israëlieten trokken over de droge bodem van de zee, terwijl de wateren links en
rechts van hen een wand vormden. Zo redde de HEER op
deze dag Israël uit de greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. Toen
Israël het machtige optreden van de HEER
tegen Egypte gezien had, kreeg het volk
ontzag voor de HEER; zij stelden vertrouwen in de HEER en in Mozes, zijn dienaar.
Toen zongen
Mozes en de Israëlieten ter ere van de HEER dit
lied:
Ik wil
zingen voor de HEER, want Hij is de Hoogste: paard en berijder dreef Hij
in zee.
De HEER is mijn sterkte en kracht, Hij
is mijn redding geweest.
Hij is mijn
God en Hem wil ik loven; de God van mijn vader, Hem zal ik prijzen.
De HEER is een strijder, HEER is zijn naam.
De wagens
van de farao, zijn machtige legers, Hij wierp ze in zee;
de keur van zijn mannen, door de
Rietzee verzwolgen.
Zij zijn
door de vloed overspoeld, als een steen
naar de diepte gezakt.
Uw hand, HEER, heeft zich machtig getoond;
uw hand sloeg de vijand neer.
U hebt hen
gebracht, U hebt hen geplant op de berg die uw domein is,
waar U, o HEER, uw verblijf hebt gevestigd,
het heiligdom, Heer, dat uw hand heeft gemaakt.
De HEER is koning, voor altijd en
eeuwig!
Jesaja
Want Hij
die u gemaakt heeft is uw man, de HEER van
de machten is zijn naam,
en uw verlosser is de Heilige van
Israël, die de God van heel de aarde heet.
Want u was
een verstoten en zielsbedroefde vrouw toen de HEER u
riep;
verstoot een man soms de vrouw van zijn
jeugd?' zegt uw God.
'Een kort
ogenblik heb Ik u in de steek gelaten, maar met groot medelijden breng Ik u
weer bijeen.
In een
stortvloed van toorn heb Ik een ogenblik mijn gezicht
voor u verborgen, maar met eeuwige liefde ontferm Ik mij over u', zegt de HEER, uw verlosser.
Het is voor
Mij zoals in Noachs dagen:
zoals Ik toen gezworen heb dat de
wateren van Noach de aarde nooit meer zullen overstromen,
zo zweer Ik dat Ik nooit meer
kwaad zal zijn op u, nooit meer schelden zal op u.
Al wijken
de bergen en wankelen de heuvels,
mijn gunst wijkt niet van u, en
mijn vredesverbond wankelt nooit',
zegt de HEER, uw Ontfermer.
U,
ongelukkige, opgejaagd en niet bemoedigd,
Ik leg uw
stenen op kleurrijke mortel, en uw grondvesten op saffier;
Ik maak uw
muurschilden van robijn, uw poorten van karbonkelsteen,
en heel uw ringmuur van kostbaar
gesteente.
Al uw
kinderen worden dan door de HEER onderricht, en voor uw
kinderen zal er diepe vrede zijn;
op een fundament van
gerechtigheid wordt u gebouwd.
Houd u ver van onderdrukking, want
u hoeft niet bevreesd te zijn;
ver ook van verschrikking, want
zij zal u niet naderen.
Psalm 30
Ik prijs U
hoog, HEER, want U hebt mij uit de put
omhoog gehaald;
geen vijand kan nog om mij lachen.
Uit het dodenrijk
hebt U mij opgehaald,
HEER, U hebt mij opnieuw laten
leven en mij weerhouden van de weg naar het graf.
Zing voor
de HEER, jullie, zijn getrouwen, loof
zijn heilige naam;
al duurt zijn toorn één moment,
daarop volgt zijn liefde, een leven lang;
al duurt het verdriet een avond
lang, daarop volgt een ochtend vol vreugde.
Luister, HEER, ontferm u over mij, laat zien
dat U mijn helper bent.'
En wat hebt
U gedaan?
mijn klacht in reidans omgezet,
mijn rouwkleed genomen en een feestkleed gegeven.
HEER, mijn God, U zal ik voor altijd eren.
Jesaja
Kom, wie
dorst heeft, hier is water; en allen die geen geld hebt,
kom, koop koren en
eet zonder geld, en drink wijn en melk zonder betaling.
Waarom
besteedt u geld aan wat geen
brood is, en
loon aan iets dat niet verzadigt?
Luister
aandachtig naar Mij, en u zult eten wat goed is, en uw honger stillen met
uitgelezen spijs.
Buig uw oor
en kom naar Mij, luister en u zult leven;
een eeuwig verbond zal Ik met u
sluiten, de gunstbewijzen die Ik aan David heb gezworen.
Zie, hem
had Ik tot getuige voor de volken aangesteld, tot vorst en gebieder over de
volksstammen.
Zie, een
volk dat u niet kent roept u op, en een volk dat u niet kent, snelt op u af,
omwille
van de HEER uw God, en wegens de Heilige
van Israël, omdat Hij u luister heeft verleend.
Zoek de HEER, nu Hij te vinden is, roep Hem
aan: Hij is dichtbij.
De
goddeloze moet zijn weg verlaten, de boosdoener zijn gedachten,
en terugkeren naar de HEER, die zich over hem ontfermen
zal;
naar onze God, want Hij vergeeft rijkelijk.
Want uw
gedachten zijn niet mijn gedachten, en mijn wegen zijn niet uw wegen
-
godsspraak van de HEER.
Want zoals
de hemel hoger is dan de aarde,
zo gaan ook mijn wegen uw wegen
te boven, en mijn gedachten uw gedachten.
Want zoals
de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen
en pas daarheen terugkeren
wanneer zij de aarde hebben gedrenkt,
haar hebben bevrucht en met planten
bedekt,
wanneer zij zaad hebben gegeven aan de
zaaier, en brood aan de
eter,
zo zal het ook gaan met mijn
woord.
Het komt voort
uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug,
maar pas wanneer het heeft gedaan
wat Mij behaagt,
en alles heeft volvoerd, waartoe
Ik het heb gezonden.
Jesaja 12
Ik loof U, HEER; U was woedend op mij, maar uw
woede is bedaard en U hebt mij getroost.
God is mijn
redding! Ik vrees niet, ik ben vol vertrouwen:
de HEER is
mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geworden.'
En u zult
vol vreugde water putten uit de bronnen van de redding.
'Loof de HEER, roep zijn naam,
maak onder de volken zijn daden
bekend,
verkondig zijn hoogverheven naam.
Zing voor
de HEER, want Hij deed grootse dingen,
laat het bekend zijn over heel de aarde!
Juich en
jubel, bewoners van Sion: de Heilige van Israël is groot in uw midden!'
Baruch
Luister,
Israël, naar de leer van het leven, luister goed en leer.
Waarom
leeft u in een vijandig land en wordt u oud tussen vreemde volken, Israël?
Waarom bent
u onrein als de doden, als de bewoners van de onderwereld?
U hebt de bron van de wijsheid verlaten.
Als u op
Gods weg was gebleven, dan had u voor altijd vrede gekend.
Waar
verstand is, kracht en inzicht,
daar vindt u leven en lengte van
dagen, licht voor de ogen en vrede.
Wie is
degene die haar verblijfplaats vindt, wie dringt haar schatkamers binnen?
Alleen de
Alwetende kent haar, zijn inzicht heeft haar ontdekt.
Voor altijd
heeft Hij de aarde geschapen en met dieren bevolkt.
Het licht
gaat op weg, wanneer Hij het uitzendt; het gehoorzaamt Hem bevend als Hij het
terugroept.
Alle
sterren stralen verheugd, elk vanaf zijn eigen plaats.
Hij roept
en ze zeggen: `Hier zijn wij!' Vol vreugde stralen ze voor Hem die hen schiep.
Dit is onze
God; niemand anders kan zich met Hem vergelijken.
Alle wegen
naar kennis komen van Hem;
Hij heeft
ze aan zijn dienaar Jakob gewezen, Israël, die Hij liefhad.
Daarom is
de wijsheid op aarde verschenen en leefde ze onder de mensen.
Ze is het
Boek van Gods geboden, ze is de Wet die eeuwig duurt.
Degenen die
haar onderhouden, verwerven het leven;
degenen die haar niet opvolgen, vinden
de dood.
Bekeer u, Jakob, en houd eraan vast,
koers naar de glans van haar licht!
Geef uw
trots niet aan anderen prijs, geef uw voorrecht niet aan vreemden.
Gelukkig
zijn wij, Israël: ons is geopenbaard wat God behaagt!
Psalm 19
Heer uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.
De wet van
de HEER is volmaakt, een verademing
voor de ziel.
Wat de HEER zegt is betrouwbaar, het maakt
de eenvoudige wijs.
Wat de HEER voorschrijft is goed, een
vreugde voor het hart.
Wat de HEER verordent
is helder, een licht voor de ogen.
Wat de HEER zegt is zonder smet, het houdt
stand voor altijd.
De
voorschriften van de HEER zijn betrouwbaar, rechtvaardig
allemaal;
en begerenswaardiger dan goud,
dan een schat aan puur goud;
en zoeter dan honing, dan honing
zo uit de raat.
Ezechiël
Het woord van de HEER werd tot mij gericht:
'Mensenkind, toen het volk van Israël nog op zijn eigen grond woonde, heeft het
die door zijn wangedrag verontreinigd. Zijn gedrag was in mijn ogen even onrein
als het menstruatiebloed. Omdat ze bloed vergoten hadden en het land door hun
afgoderij verontreinigd hadden, heb Ik mijn woede op hen gekoeld. Daarom heb Ik hen verspreid onder de
volken en zijn ze verstrooid over de landen; naar hun wangedrag heb Ik hen gevonnist. En bij
alle volken waar ze kwamen schonden ze mijn heilige naam. Want men zei over
hen: "Dit is het volk van de HEER, en
toch heeft het zijn land moeten verlaten.'' Maar de eer van mijn naam ging Mij aan
het hart, mijn heilige naam die door het volk van Israël ontheiligd is onder de
volken waar ze gekomen zijn.
Zeg daarom tegen het volk van
Israël: "Zo spreekt de Heer GOD: Ik
ga ingrijpen, doch niet omwille van u, maar omwille van mijn heilige naam, die
door u geschonden is bij de volken waar u terechtgekomen bent. Ik zal voor mijn grote naam, die geschonden
is onder de volken, die u bij hen geschonden hebt, weer eerbied afdwingen. Door
u zal Ik aan de volken tonen dat Ik de Heilige ben; zo
zullen ze erkennen dat Ik de HEER ben - godsspraak van de Heer GOD. Ik zal u terugvoeren uit de
volken, u samenbrengen uit alle landen en u leiden naar uw eigen grond. Ik zal u met
zuiver water besprenkelen en u zult rein worden van al uw oneerlijkheid en van
al uw afgoderij zal Ik u reinigen. Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe
geest in u uitstorten; Ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en u
een hart van vlees geven. Mijn geest zal Ik in u uitstorten en Ik zal ervoor
zorgen dat u mijn wetten nakomt en mijn voorschriften nauwkeurig onderhoudt. U
zult wonen in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb; u zult mijn volk zijn
en Ik zal uw God zijn.
Psalm 42&43
Zoals een
hinde om waterstromen schreeuwt, zo schreeuwt mijn keel naar U, God.
Mijn keel
dorst naar God, naar de lévende God.
Wanneer mag
ik bij God komen, en zijn aanschijn zien?
En ik laat
mijn gemoed de vrije loop:
wanneer ik optrek in de stoet, met de
anderen optrek naar Gods huis,
in een feestelijke stoet, waar
alles van dankbaarheid zingt en danst.
Zend uw
licht en uw trouw, zij zullen mij leiden, meevoeren naar uw heilige berg,
naar de tent waar U woont.
Dan ga ik
op naar het altaar van God, van God, mijn enige blijdschap.
Van
dankbaarheid zal ik zingen voor U, God mijn God, bij citerspel.
Romeinen
Weet u niet dat wij door de
doop, die ons één heeft gemaakt met Christus Jezus, delen in zijn dood? Door de doop in
zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de
macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt°, een nieuw leven zouden gaan leiden. Want indien wij als
het ware vergroeid zijn met zijn dood, moeten wij Hem ook volgen in zijn
opstanding, in de overtuiging dat onze oude° mens met Hem gekruisigd is. Daardoor is aan het bestaan° in de zonde een einde gekomen,
zodat wij niet langer dienstbaar zijn aan de zonde. Want wie gestorven is, is rechtens
vrij van de zonde.
Indien wij met Christus
gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. Want wij weten
dat Christus, eenmaal uit de doden opgewekt, niet meer sterft: de dood heeft
geen macht meer over Hem.
Door de dood die Hij is gestorven, heeft Hij afgerekend met de
zonde, eens en voorgoed; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van
doen. Zo moet u ook uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in
Christus Jezus.
Alleluja, alleluja, alleluja
overweging
Ieder jaar weer lente, leven dat opnieuw begint, zonlicht,
regen - het leven is niet tegen te houden, we maken het zelf mee, hebben er
zelf deel aan. 'Ik leef' leeft in ons.
Lente roept ook het beeld op van de boer die ploegt, de
korrel in de voor, het levenbrengend woord. Ieder jaar opnieuw de boer die voort ploegt, die een stem hoorde. Ieder jaar
weer: 'mensen, waar moet dat naar toe?' Mensen, wij mensen, waar gaan wij naar
toe? Waar leven wij naar toe? Kun je ook vragen waar komen we vandaan?
Wij kennen een heel oude geloofsbelijdenis, die vooraan
begint: Gód schiep hemel én aarde, dus ook ons mensen. Dat is het punt van
uitgang als wij ons bestaan willen plaatsen. Wij ontlenen ons bestaan niet aan
ons zelf. God sprak en het was er. God spreekt nog steeds en nog steeds is het
er. Zoals die ploegende boer, die dicht bij het leven staat, de stem hoorde:
"… de wereld besta voort". Als je je realiseert dat je leeft, ben je ontvankelijk voor die
stem. Als je gelooft zoals de Jood, begin je die stem te horen, te verstaan,
begin je te luisteren. "Ik wil dat jij bestaat". Luisteren naar het leven.
Maar niet alleen geschapen, ook onderhouden door God, ook
beschermd door God, je in Zijn Hand weten. En vertrouwen, zoals Abram
vertrouwde, zelfs toen hij de onmogelijke opdracht kreeg om Isaak te offeren.
Voor ons raar maar zo vertelt de Jood nog steeds dat en hoe hij op zijn God
vertrouwt. Als Isaak - de enige zoon van Abram - was geofferd, had de Jood dat niet
kunnen vertellen want dan had hij niet bestaan. Hij vertelt dat verhaal door;
het is zíjn verhaal: hij weet zich in Gods Hand.
Misschien is wel het hoogtepunt daarvan dat God Zijn volk
uit het land van slavernij voert; niet alleen wonderlijk beschermt via een
uitweg door de zee heen maar ook een verbond sluit: 'jullie Mijn volk, Ik
jullie God'. Paulus schrijft dat zo mooi in zijn 1e brief aan de
Korintiërs: "…. allemaal gedoopt naar de
Wet/Verbond van Mozes toe in de wolk en in de zee". Hij noem
het een doop, maar dan een doop zonder water, naar Gods Woord toe, naar de Wet.
God trekt hen los uit aardsgericht leven van
verslaving/consumptie in een tocht over de bodem van de zee. Kan het
indrukwekkender, geheimvoller? De zee bloot gelegd! Bovendien drenkt God hen in
goddelijk leven in de wolk van Zijn Aanwezigheid. Nu trekt HijZ een
scheidslijn: dat is voorbij: Ik jullie God, jullie Mijn volk'.
God wil ook dat wij mooi zijn. Na de ballingschap, die de
Joden als straf duidden, zegt Jesaja: "Want hij die u gemaakt heeft is uw
man", die voor u zorgt, die eigenlijk niet boos kan zijn op de vrouw van
Zijn jeugd. God bouwt een kostbare burcht van vrede op en stelt gratis voedsel
ter beschikking, opdat wij in vrede leven. Voortdurend gaat Zijn scheppend
woord rond en blijft onder ons totdat alles is volbracht tot vreugde en vrede
op aarde.
Maar dat is niet het einde. De profeet Baruch
zegt:"Luister, Israël"! Luister, volk van God, er klinkt een Stem,
een Woord wordt gesproken: Licht is verschenen en de sterren roepen verheugd
"hier zijn wij". Wijsheid is verschenen en is gelegd in "de Wet
die eeuwig duurt", die boven aardse gedachten uit omhoog trekt. Gelovigen
kunnen roepen "Hier zijn wij".
Als ze dat niet roepen,
als ze zoals de Joden toentertijd weer verkeerd hebben
gedacht en gedaan en de ballingschap ondergaan, kan God het toch niet aanzien
en brengt Hij hen weer terug naar eigen grond, waar ze geworteld zijn. Hij zal
hen besproeien met zuiver water, een hart van vlees geven en zelf Zijn Geest in
hen uitstorten zodat ze wel ontvankelijk moeten zijn.
En als toppunt voor hun geestelijk
Leven, Leven als Godskind, komt Zijn eigen Zoon om gedoopt te worden, te leven,
te lijden en te sterven opdat zijn volgelingen kunnen delen in zijn doop en met
hem mee kunnen leven, lijden en sterven. Johannes beëindigt het sterven van
Jezus met "En hij gaf de Geest door", dezelfde Geest als toen. Opdat
gelovigen zouden verrijzen met Hem, zoals Hij, om eeuwig Licht en Leven te
genieten.
En met dit voortploegend verhaal, dit voortdurend, leven brengend
Woord, zij het ons nu, hier, gegeven om ontvankelijk te zijn als vrouwen om het
inzicht te krijgen, die wijsheid, om dat Licht te zien dat God het zo heeft
gewild om onzentwille, omdat Hij bezorgd is om Zijn
schepsels, meetrekt. Het zij ons gegeven dat wij hier en nu zijn
verrijzenis toelaten in ons, mogen ontvangen. Het zij ons - bewust van ons
eigen 'ik leef' - gegeven dat wij die Stem horen: "Ik ben verrezen en ben
bij u". Mogen wij ieder persoonlijk dit verstaan. Omhoog. Ieder jaar weer
een beetje meer geestelijk Leven, totdat onze schepping is voltooid.
Het leven op aarde, ons
eigen leven, is al een geheim, een mysterie, dat we alleen maar kunnen
aanvaarden. Hoe zal het Leven van omhoog dan wel niet zijn?
Hand 10, 34a.37-43; psalm 118; Joh 20, 1-9
Psalm 118
Dank de HEER,
want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.
Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
De rechterhand van
de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de
HEER
overwint.'
Ik ben niet
gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;
De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.
Dat is het werk van
de HEER, een wonder is het in onze ogen.
Dit is de dag dat
de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en
vreugde.
Wanneer wij staan bij een overledene van
wie we veel houden, willen we geen afscheid van hem of haar nemen, geen
afscheid voor goed. Op een of nadere manier zullen we elkaar weerzien zeggen we
dan, en als we het niet zeker weten, dan hopen we het vurig. We kunnen ons
afvragen of dat bij de leerlingen van Jezus ook het geval geweest zal zijn.
Waarschijnlijk niet. De ramp was zo groot dat zij versuft, verslagen, verdoofd
- noem maar op - zijn geweest. Wat daar gebeurd is op Golgota
was zo absurd - dat had niemand verwacht. Hoe kon het nu dat iemand die alleen
maar goed had gedaan, die weldoende rondging, hoe die als een misdadiger, zelfs
als een ongelovige Jood, een godslasteraar, aan een schandkruis
was gehangen en vermoord? Hun zekerheid, hoop, verwachting van het koninkrijk
Gods, lag in puin.
Misschien kunnen we ons een beetje
voorstellen wat het voor de leerlingen geweest moet zijn. Ook bij ons stort onze wereld
wel eens in elkaar als we een slecht bericht krijgen. Maar wij weten nu hoe het
afliep met Jezus, zij niet.
En dan komt er een vrouw vertellen dat het
graf open is. Het is de eerste dag van de week. Ook voor haar was het nog
donker. Lucas vertelt dat de apostelen dat bericht als beuzelpraat afdoen.
Johannes vertelt het anders.
Op de eerste plaats gaan er geen vrouwen naar
het graf om het lichaam van Jezus te balsemen; dat heeft Jozef van Arimatea al gedaan. Deze vrouw gaat naar het graf puur
omdat ze wat met Jezus heeft, iets speciaals. Op haar woord gaat Petrus ook,
hij gaat vlug met de andere leerling, die nog harder loopt. Toch hoop?
Kennelijk wel, maar het blijkt dan toch anders dan je zou verwachten, áls je al
iets verwacht. Petrus gaat het openstaande graf in: d.w.z. hij gaat de
confrontatie met de dood aan en daarbinnen ziet hij de zwachtels en de
zweetdoek, hij beschouwt ze staat in het Grieks, hij overdenkt, hij ziet in.
Johannes beschrijft dat inzien met behulp
van de zwachtels en de zweetdoek. Als we dit vergelijken met het verhaal van de
opwerking van Lazarus, wordt inderdaad een verschil duidelijk: Lazarus komt
naar buiten met zwachtels en al en een doek om het hoofd. Dat graf zou opnieuw
kunnen worden gebruikt. In Jezus' graf liggen de zwachtels er nog, de tekenen
van de dood liggen in de doodsplek, de dood is dood, het graf stopt, is leeg,
heeft verder geen betekenis of doel meer. De zweetdoek krijgt een speciaal
accent, ze ligt opgerold apart. Het gezicht waarin alle zintuigen van de mens
samenkomen, waar zijn leven te zien is, is vrij van de dood. Jezus
moet dus gezien kunnen worden, moet herkenbaar zijn.
Zo beschrijft Johannes dat. Maar wat is
dat dan, hoe komt Petrus tot dat inzicht? Geloof krijg je. Die ene leerling
ging ook het graf in, hij ziet in en hij gelooft. Dat Jezus de Christus is, de
Zoon van de Levende God heeft de Vader in de hemel aan Petrus geopenbaard. Het
inzicht van Petrus is dat als Jezus zich niet heeft vergist wat betreft het
Koninkrijk, als het toch waar is, leeft hij bij God, Zijn Vader. Is hij niet
gestopt in het graf. Dan kan het toch kloppen. Zou het waar zijn?
Maar dan gaat wel de wereld op zijn kop:
de steen die de bouwers hebben versmaad, die is de hoeksteen geworden, de
primaire steen waardoor de ligging van het hele gebouw wordt bepaald. De Heer
greep in met krachtige hand, een wonder voor onze ogen, de hand van de Heer heeft
mij opgericht.
Het ís waar, Petrus gelooft er in en gaat
verkondigen dat Die Jezus de Messias was en nog is, dat in Hem de schriften
werden vervuld, dat hij is opgestaan 'volgens de Schriften' zegt Paulus uitdrukkelijk.
Johannes haakt daar ook op in: hij zegt zo
ongeveer dat als zijn Petrus en Johannes de Schrift hadden begrepen dan hadden
ze gewéten dat hij uit de doden móest opstaan. Dat kon niet anders, dat was
consequent, volgens de Schriften.
Voor ons ligt er ook een consequentie. Wij
leven in een jaarcyclus en ieder jaar als de zon zich weer in de hogere
regionen van de lente en zomer bevindt, komt er nieuw leven om ons heen en is
er alle aanleiding om die vraag weer te honoreren: hoe kan dat? Wat speelt er
om ons heen, waarin bevinden wij ons dat leven voortgaat? Als gelovigen
"zijn wij en leven wij" in Gods hand, in Zijn Aanwezigheid. Die
Aanwezigheid is zo al omvattend, zo indringend dat wij er ons eigenlijk niet
over hoeven te verbazen dat onze Schepper, onze God van Liefde, mens is geworden.
We verbazen ons toch wel, niettemin is het wel een invulling, een uiting van
maximale Liefde. Maar als God mens is geworden, is het dan niet consequent om
te zeggen dat die eenheid van mens en God niet stuk kan gaan, dat de mens Jezus
wel móest worden verhoogd tot aan Gods rechterhand, wel móest verrijzen? Het is
een mogelijkheid, een inzicht, en als je het ziet, wil je graag geloven. Is er
iets mooiers?
We zijn deze veertigdagentijd begonnen met
de ballade van de boer die voort ploegde en die een stem hoorde, een stem uit
de hemel. Wij werden geroepen ook te luisteren naar de stem van God. "Ik
daal af om Mijn volk te redden". We hebben gelezen van de Vader die
uitkeek naar zijn verloren zoon. We hoorden hoe Jezus die vrouw ook niet
veroordeelde. Moeten we nog meer?
Met dat vertrouwen in dat geloof ligt de
zaak ook voor ons open: zijn belofte is dat hij een plaats in de hemel maakt
voor hen die zijn leerlingen zijn. Dat kan de grote troost zijn, de grond voor
de verwachting bij het sterfbed van een dierbare. We doen ons best, wel krakkemikkerig maar toch willen we zijn leerling zijn. En krakkemikkerigheid wordt ons graag vergeven, als we maar
graag willen.
Dit is dé dag
die de Heer heeft gemaakt. Zo is onze God voor jong en oud: ons leven in Zijn
Hand. Zullen we dat eens even vieren?
Tweede zondag van Pasen C 18 april '04 ('06; '07)
Hand 5,
12-16; psalm 118; Joh 20, 19-31
Psalm 118
Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent
geen grenzen.
Israël, kom en zeg:
'Zijn liefde kent geen grenzen.'
Jullie die de HEER
vrezen, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.
Dit is de dag dat
de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en
vreugde.
Ach, breng ons
redding, HEER, HEER, breng ons toch voorspoed.
Vorm een
feestelijke rondedans, groene twijgen in de hand,
rond de hoeken van het altaar.
Het inzien en beleven van de verrijzenis
is voor ons kennelijk een kwestie van geloof. Die kwestie is niet nieuw. Het
Johannesevangelie werd opgeschreven toen de meesten die Jezus nog hadden gezien
overleden waren; toen was al er zake geworden
"Zalig die niet hebben gezien maar toch tot geloof komen". Wat een
geluk voor je als je dat kunt. Ook Petrus schrijft in zijn eerste brief
"Hem hebt gij lief zonder hem ooit gezien te
hebben. U gelooft in Hem hoewel u hem ook nu niet ziet …" (1Pe 1,8)
Een kwestie van
geloof. Geloven doe je niet alleen maar wel zelf. Je kunt tot geloof komen als
je ziet hoe enthousiast anderen zijn, zijn geworden; je kunt ook in je eentje
tot een overtuiging komen, maar - ook al heb je gekregen - jij moet voor jezelf
dat kunnen verantwoorden en dan ligt er best een vraag, dan kan het best ergens
tegen aan lopen, botsen: ik wil graag geloven maar hoe dan? Alsof je een berg
over moet: is het echt en hoe is het echt? 'Een kwestie van geloof' houdt ook
in dat het niet aan de buitenkant blijft; 'verrijzenis' moet naar binnen kunnen
slippen, je moet er ontvankelijk voor worden, willen zijn. Het echte moge zich
in je nestelen, gaan groeien; de verrezen Heer in je wonen.
Voorop gesteld zij dat verrijzenis niet zo
vreemd is. Het is geen 'los' gegeven in de geschiedenis. Voor de leerlingen
ging toén een licht op. Door hún verkondiging kunnen wíj nu zeggen dat
verrijzenis past in het basisgegeven voor christelijk geloof nl. dat God mens is geworden, incarnatie. Immers, wij
bevinden ons en wij leven ín een Tegenwoordigheid. Op zijn Joods heet dat de
Sjechina, de Aanwezigheid van de Schepper van hemel en aarde, 'we leven in Zijn
Hand' zeggen we. Een Hand die machtig is, een Hand die beschermt, een Hand die
ons Zijn Liefde leert. Zijn maximale Liefde, die zo met de schepselen begaan is
dat zij mens wordt. Weten dat je omgeven bent door Tegenwoordigheid vraagt om
een overgave, een uitzien naar God. Je openstellen voor
… zelfs voor 'God is mens geworden'. Als je daarvan uit
mag/durft/kunt/wilt gaan, is het niet zo verwonderlijk dat de mens Jezus na
zijn mensleven op aarde verder móest doorleven in eeuwigheid. God is van
altijd, God is van geen tijd, tijdloos dus ook de mens die God is.
Realiteit is evenwel
dat het God-zijn van Jezus pas heel duidelijk werd na
zijn dood. Gedurende zijn leven was het eigenlijk al duidelijk maar die
invulling via zijn lijden en dood riep toch twijfel op. God kan toch niet
lijden, zouden wíj zeggen. De léerlingen
vroegen zich af hoe een gerechte veroordeeld kon worden. Dat was de berg waar
zij overheen moesten. Voor ons is die berg misschien de constatering 'ik zie er
niets van'. Zíj waren direct betrokken, wíj staan op afstand. Zij hadden hun
verhaal dat werd bevestigd door "wij hebben met Hem gegeten en gedronken
na zijn dood", een klaarblijkelijke en directe ervaring, en een
gezamenlijke, collectieve, die doorborduurde op wat zij eerder hebben
meegemaakt. Wat hebben wij? Wat zien wij?
Wij hebben het voordeel dat we kunnen
úitgaan van incarnatie. Dat is misschien een zwaarwichtig punt maar het wordt
bevestigd door wat in het evangelie wordt verkondigd. Drie evangelies beginnen
met hun verkondiging van incarnatie. Dit is een geloofsgegeven en wij kunnen
onze berg beklimmen door ons te realiseren dat wij een geloof beleven en
belijden dat zo'n
2000 jaar bestaat en mede gebaseerd is op erfgoed van een dikke 3000 jaar.
Bestaat er iets langer? Dat kan niet zomaar. God-met-ons is realiteit. Het dóorleven van Jezus ligt in die lijn.
Heel concreet:
als Jezus niet was verrezen, waren we hier niet bij elkaar - zeker niet één in
zijn Naam. Dan mogen we toch een drijvende Kracht veronderstellen die ons
hier en nu samen brengt. Dat is ons gemeenschapsweten
en gemeenschapswillen. Als Jezus niet verrezen was,
was er ook geen "Door de handen van de apostelen geschiedden er vele
wondertekenen onder het volk". Dan kon "de hand van de Heer toont
zijn macht" niet zó concreet tot uiting komen.
Dat betreft gemeenschap; is er ook geen
persoonlijke ervaring voor ons, net zoals voor Maria Magdalena bij het graf en
voor Tomas?
Het Johannesevangelie stelt dat Jezus door
zijn handen heen is genageld. Heel gemeen, heel betekenisvol. Het doet denken
aan wat de profeet Habakuk over God zei: " Zijn luister overstraalt de
hemel, zijn glorie vervult de aarde. Hij schittert als de zon; twee stralen
gaan uit van Zijn handen: daarin is zijn kracht verborgen". Er zijn mensen
die zeggen dat sommigen een kracht in hun handen hebben. Mogen we dat dan niet
zeker van Jezus zeggen? Die kracht is bij Jezus doorboord maar niet kapot
gemaakt; er zit weer, toch, anders, een kracht in, een goddelijke kracht.
Als Tomas van zijn lotgenoten hoort dat
zij de Heer hebben gezien, stelt hij een persoonlijke eis. Zij hebben samen
zijn vredeswens vernomen, samen de Geesteszending ervaren; dat delen zij. Maar Tomas wil ook zelf ervaren en weten; hij wil
niet op gezag van anderen aannemen. Tomas stelt een eis van
klaarblijkelijkheid, hij moet zien en voelen, dan is het duidelijk. Hij wil
zijn vinger in de wonden kunnen steken, in de plaats van de nagelen. Maar, waarom stelt hij die eis inzake de wónden van Jezus? Hij had ook Jezus' hoofd of
schouder of - wat algemener - zijn lichaam als criterium kunnen stellen. Hij
had kunnen zeggen dat hij ook eerst zelf met Hem wilde eten en drinken. Waarom
zijn wonden? Was hijzelf gewond?
Dan komt Jezus. "Acht dagen
later": voor Tomas begint het nieuwe. Jezus stelt
zich als de gewonde op en beantwoordt aan Tomas' eis: 'kom maar met je hand,
voel maar. Ik ben het. Het is mijn Kracht. Geloof maar. Ik wil jou niet
missen.' Tomas antwoordt persoonlijk: 'Míjn Heer, míjn God'.
Is Tomas de enige gewonde? In de hele
wereld - van alle tijden? Via een kleine variant in de latijnse tekst ("et cognosce
loca clavorum" > clavium: herken de plekken van de spijkers > sleutels)
kun je bedenken dat de wonden van Jezus de sleutels zijn voor geloof in Hem.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Als Jezus niet was verrezen, kon hij geen ideaal voor je zijn. Het
ideaal van het evangelie wordt gerechtvaardigd omdat het door is blijven
werken, nog steeds. Dat kan niet zomaar. Jezus is voor
zijn ideaal van het Rijk gestorven, hij kan zelfs wonden laten zien. En hij is
bevestigd door zijn Vader Daarom kunnen wij voor leven voor dat ideaal. Samen
met hem.
Wíj hebben met
hem gegeten en gedronken na zijn dood. Met dezelfde Kracht waarmee hij zelf
leed, lijdt híj met ons persoonlijk mee, in zijn gewonde handen. Samen lijden.
Samen sterk. Zullen we ons even tijd gunnen: Is dat invoelbaar?