Terug naar overzicht
Terug naar inhoudsopgave

emailadres

Overwegingen voor de weekendvieringen


Vaste feestdagen in het jaar

 

Kerstmis nachtmis (2000; '03)

Kerstmis dagmis    (2001; A)

Kerstmis dagmis    (2002; B)

Kerstmis dagmis    (2003; C)

Feest H. Familie     (2002; B. Gen15)

Feest H. Familie     (2003; C)

Feest H. Familie      (2004; A)

H.Maria, Moeder van God  2006

Driekoningen  7 januari 2001 - 2003

Opdracht van de Heer  2003

 

Witte Donderdag  17 april '03; '04; '06;'07   

Goede Vrijdag       18 april '03; '04

Paaszondag A        2005
Paaszondag B        2003 

Paaszondag C        2004

2e Paasdag            2008 ochtendgebed

Pinksteren   A        2002 ; '05 ('08)

Pinksteren   B        2003 ('05)

Pinksteren   C        2004  ('05)

Drie-Eenheid A      2005                     

Sacramentsdag  A  2 juni 2002; '05

Sacramentsdag  B  (22 juni '03)

Sacramentsdag  C (17 juni 2001; '04)

Johannes de Doper  (24 juni 2001)

Petrus en Paulus  (29 juni 2003)

Gedaanteverandering van de Heer 6 aug. 2006

Maria Tenhemelopneming  1994,  1995,  2001

Kruisverheffing  14 september 2003

Allerheiligen/Allerzielen  2002;'03;'04

Kerkwijding St. Jan van Lateranen 1997; '03

St. Willibrord  7 november '04

Maria Onbevlekt Ontvangen december 2006

 

Sommige feestdagen staan ook onder jaar A, B of C met dezelfde tekst.

P.S. Waar in de overwegingen sprake is van 'nieuwe vertaling' wordt de Willibrord  '95 bedoeld.

© Copyright P.Goris Epe 2000-2006

 

 

Kerstmis (nachtmis)
Jes 9, 1-3.5.6; psalm 96, 1-3.11-13; Lc2, 1-14

 

Heden is ons een redder geboren, Christus de Heer.

Psalm 96  Zing van de HEER een nieuw lied, heel de aarde, zing van de HEER.

Zing van de HEER en verheerlijk zijn naam, verkondig zijn heil alle dagen.

Vertel de volken het verhaal van zijn glorie, het verhaal van zijn wonderen aan alle naties.

Laat de hemel verheugd zijn, laat de aarde juichen,

laat de zee bulderen met alles wat erin is;

de velden jubelen met alles wat er groeit; de bomen in het bos, zij jubelen mee,

voor het aanschijn van Hem, van de HEER die komt, die komt om over de aarde te heersen.

Rechtvaardig zal Hij de wereld regeren, de volken besturen met de trouw, Hem eigen.

 

Wij mensen leven in een jaarcyclus. Dat merken we aan de seizoenen - hoe we die beleven. Dat merken we aan de feesten die al vanouds met seizoenen te maken hebben. Van al de feesten die we telkens weer vieren, is Kerstmis wel het grootste. Onze beleving is groter dan het feest van de lente, van Pasen. Waarom toch? Wat brengt ons er toe om - ook nog 's nachts - bij elkaar te komen en iets te willen beleven? Ook als mensen niet geloven (zoals we dat gewoonlijk verstaan), toch zoeken we allen iets met Kerstmis. Degene die Kerstmis en de beleving daarvan wil afdoen als sentimenteel gedoe of folklore e.d., is nu niet hier. Er moet iets zijn dat ons allemaal trekt en wel fundamenteel trekt, tot in ons hart toe, iets dat met ons mens-zijn te maken heeft. Iets dat de moeite waard is om 's nachts te beginnen in de wetenschap dat er een dageraad zal zijn?


Wat is dat iets dan? Is het hoop op een nieuw begin? op een zich oprichten, zoals de zon doet? Zijn we op zoek naar een intensiteit die dieper gaat dan een zoet gevoel? Het kenmerkende van Kerstmis is wel dat het gaat om iets persoonlijks, om een stukje van je zelf, misschien wel om helemaal jezelf. Weliswaar binnen een gemeenschap maar om je zelf. Wat mag dat zijn?
Als we kijken naar de lezingen vinden we die intensiteit terug in de 1e lezing in woorden als "helder" (een helder licht tegenover duisternis) en "stralend", in het evangelie in woorden als "heerlijkheid" en "omstraalde hen" - de herders. De inhoud, het iets dat wij zoeken, kunnen we vinden in bevrijding ("het juk dat zwaar drukt, het blok op zijn nek, de stok van de slavendrijver" - dat alles is weg), en het evangelie zegt het kort "Uw Redder". Die naam moest Jozef het kind geven: Jezus, in het Hebreeuws Jo shua: God redt. Zacharias zingt dan ook na de geboorte van Johannes: "Dat wij, bevrijd uit de hand van de vijand, U kunnen dienen in heiligheid en rechtvaardigheid". Wij mensen zoeken naar redding, bevrijding, verlossing uit wat wij als ons tekort ervaren. We zouden zo graag allerlei goeds willen zien en doen en meemaken, maar lukt dat? leidt het ergens toe?

Is dat 'iets' 'allerlei goeds' ?  - in de 1e lezing staat het woord "David", Davids rijk, het huis van David. Hem gold een belofte nl. dat zijn rijk voor altijd zou zijn gevestigd op rechtvaardigheid en gerechtigheid, onbeperkte welvaart en vrede. Klopt dat beeld met wat we zoeken, ook al is de vrede wel eens ver? Heeft dat te maken met ons weten dat er iets is maar dat we niet kunnen grijpen?
In het evangelie staat wat anders, hoewel het daar op lijkt. Maria en Jozef vinden de verblijfruimten in de herberg vol en uit noodzaak gaan ze naar de binnenplaats van de herberg waar de dieren staan. Daar is stilte, daar is geen gepraat of gelal, daar zijn alleen maar dieren. Daar wordt Jezus geboren. Dat doet niet direct denken aan het rijk van David maar eerder aan intimiteit, aan intensiteit. Is er iets puurders en intensers dan een kind na de gemeenschap van de ouders? Dat zijn van die dingen die eigenlijk heel lang moesten duren, waar je heel lang stil bij moet zijn. Ieder jaar een beetje meer.


Maar heel lang duren vraagt om meer: niet de herberggasten worden uitgenodigd maar mensen die van stilte weten, herders die de sterrenhemel zien met haar continuïteit, haar indrukwekkendheid, die iets oproept, gerechtigheid van de hemel die naar boven uitnodigt - voor altijd. Mensen die nieuw leven vaak beleven in hun kudde en zo de link zien tussen  hemel en aarde, die zullen een kind vinden, in een kribbe. Kribbe, hun terrein. Voedsel - leven.
Het iets dat wij zoeken wordt wellicht het meest aangeraakt door wat de herders beleven: intens, intiem en inzicht biedend. Inzien waar het om gaat in ons mensenleven: het gaat om een hoop die in ons is gelegd, in ons groeit, om  een uitzien naar continuïteit, naar -zeggen we het maar- naar goddelijkheid. Als we van God komen, zou dan "iets" van Hem niet in ons liggen? Iets dat buiten ons gestalte krijgt in een bijzonder nieuw Leven, een kind? Als wij dat inzien, in dat licht zien, tasten we niet meer in duisternis maar hebben we een belofte te pakken die al voor onze jaartelling gold. Heden is ons een redder geboren, de Messias, de beloofde. Hij is immers degene die "naar voren treedt in heilig gewaad als dauw uit de schoot van de morgen" zoals psalm 110 zegt (graduale), als een kind in een kribbe voor ons met namen als "wonderbare Raadsman, goddelijke Held, vader voor eeuwig, Vredevorst" - als je dat tenminste ziet, kunt zien, graag wil zien. Ieder jaar een stukje meer.

 

Een vraag ligt misschien nu niet zo voor de hand maar geldt wel: is dat kind God? Wellicht staan we in deze geest van Kerstmis er wat opener tegenover, de herders vroegen zich dat niet af - denk ik. Maar toch. Het beeld dat wij van God hebben vervult een belangrijke rol:

( Als vooral God de grote Almachtige is, kunnen we ons dat niet indenken. Het is absurd om te bedenken dat God mens wordt. Dat zei Tertulianus in ca 200 al. Niettemin, juist daarom, omdat geen mens op het idee gekomen zou zijn, daarom gelooft hij het.)
Als God vooral de god van bezorgdheid is, die Zijn Schepping, Zijn schepselen, niet los wil laten, Zich met hen conformeert, dan is het niet zo absurd, dan is het niet onlogisch dat Hij zelf onder mensen komt en dan ook helemaal mens wordt als wij. Kan God korter bij zijn mensen zijn omwille van hen? Is er iets mooiers te bedenken dan pure, pretentieloze, vrije liefde, die aansluit bij wat in ons leeft? Is het beter voorstelbaar dan in een kind? "Zo heeft God de wereld lief dat Hij Zijn enige Zoon zendt".

En als die bezorgde God overal aanwezig is waar Zijn schepselen zijn en bij Zijn schepselen is, is het dan vreemd  te bedenken dat HijZ een 'gegeven' moment in een mens wil "wonen met al Zijn volheid"? Als die bezorgde God mij omgeeft, mij met open handen omvat - als Zij handen zo open zijn dat ik de hele wereld in kan zien - als die God mij Zijn Kracht geeft vanuit Zijn handen om in die wereld van Hem te zijn, is het dan zo verwonderlijk dat God Zich een keer helemaal uit om ons, Zijn mensen?

Maar het mensbeeld telt ook mee: de mens in het verlengde van God, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. De Reinlandse mysticus, Meister Eckhardt, stelde ook de vraag naar de menswording: Waarom werd God mens? Het antwoord dat hij vond was: opdat de mens god wordt. Dat is heel sterk samengevat maar geeft wel het uiteindelijk 'iets' aan dat hij vond. Het besef, de beleving dat God 'iets' van Zich in de mens heeft gelegd, Zijn Woord in hem gesproken heeft; dat besef, die beleving noemt hij de geboorte van Gods Woord in de ziel. Astublieft. En ieder jaar een beetje meer ontzag voor het geheim in ons.

 

Ik ben ervan overtuigd dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In een wirwar van vragen en gevoelens, onzekerheden en teleurstellingen is er maar één punt waar je je aan vast kunt houden, waar je je ook aan vast mag houden: dat ben je zelf. Van jezelf weten, accepteren dat je iets in je draagt dat van de Allerhoogste is moge je eigen zekerheid geven, moge je inspireren, je zoeken richting en inhoud geven voor je zelf en voor de wereld voor zover jij die aankunt. Een zoet gevoel is bedrieglijk; als dat het enige is, dan zijn kribbe en kruis van hetzelfde hout gemaakt. Kerstmis gaat verder dan een zoet gevoel, dieper, het raakt jezelf en wat Hij aanraakt, is Zijn heiligdom. Ieder jaar wat intenser.

 

Jezus, de Redder, de Beloofde, hij treedt naar voren "in heilig gewaad als dauw in de schoot van de morgen". Ieder jaar een stukje meer. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen om dat heel lang te laten duren?

Zalig Kerstfeest.

Kerstmis dagmis 2001; '04  A

Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18

Psalm 98  Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:

zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.

De HEER heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.

Zijn liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:

zelfs de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.

Heel de aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en zingen.

Zing voor de HEER en speel om Hem te eren, speel op de lier, zing met luide stem.

Onder het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.

 

We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te komen. Op de 1e zondag hebben we vernomen de oproep van Jesaja "Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer" en " Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer". De 2e week was er die mooie vergelijking over de stronk die nog met haar wortel in goede aarde lag en waaruit een nieuwe twijg opbloeit waarop de Geest des Heren rust. Op de 3e zondag hebben we gelezen hoe Jesaja het waagde in de ballingschap een vreugdekreet te uiten naar een volk dat uitziet naar de Komende, een volk dat zich richt op gerechtigheid en dus hoopt; en afgelopen zondag zagen we hoe Jesaja het gelovende volk zwanger noemt van die hoop, die in de mensen is gelegd. Nu is het zover, we staan zelf in het beleven van die hoop.

Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat zij gestalte heeft gekregen, zichtbaar is geworden en effectief. Ook voor ons geldt dat die hoop al bij onze schepping in ons is gelegd - een aansluitpunt naar wat boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle poes-pas erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknopt bij ons eigenste en ons meeneemt naar Boven.

 

Je zou misschien wel kunnen zeggen dat ook Johannes de evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.

Dat is wat Johannes in zijn leven heeft geleerd, een geloofsbelijdenis: 'In begin was het Woord', wat vrijer vertaald: beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was, en ook hoe het was nl. naar God toe toegewend, bij God (de Vader); het Woord is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort geloofsbelijdenis als waarmee de bijbel begint: 'Punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen in geloof in het Hogere, het Hogere dat de mens in zich herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht, om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht, geloofslicht, geloofszicht.

Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel niet zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons. "Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan hoe goddelijke liefde is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als mens vanuit een man afkomstig maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.

Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt in een kind, dat kind.

 

Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft maar ook inspireert om goed  te doen. Zo - kun je zeggen - zal de Heer via het doen van mensen regeren, zal Sion's God Zijn kracht laten zien, die verlossing uit de ballingschap voor de Joden bewerkte tot hun grote vreugde. Maar die kracht, zo'n heil, is voor de hele aarde, voor alle schepselen bestemd. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

Als wij hier nu het feest van de menswording vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog eens met groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars aansteken en ons zo laten raken?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer nieuw maakt? Dat jou raakt? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is, jouw licht?

 

"Al wat door God wordt aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn. Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?

 

 

Kerstmis dagmis B (als 2001 maar aan B aangepast)

Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18

 

Psalm 98  Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:

zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.

De HEER heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.

Zijn liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:

zelfs de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.

Heel de aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en zingen.

Zing voor de HEER en speel om Hem te eren, speel op de lier, zing met luide stem.

Onder het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.

 

We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te komen. Op de 1e zondag hebben we de noodkreet van Jesaja gehoord en beleefd "Scheur toch de hemel open", "Lach ons weer toe en we zullen gered zijn", want we zijn in nood . De tweede zondag was er het troostwoord van God: "Troost toch mijn volk", "Spreek tot het hart van Jeruzalem". Haar ongerechtigheid is dubbel uitgeboet en nu zal het op de hoge berg uitroepen dat God komt. De derde zondag hebben we het grote lied van Maria gezongen want de Geest van de Heer rustte op haar en zij die gelooft kan hopen. De vierde zondag hebben we gehoord: "Wat de liefde van de Heer heeft gedaan, daarvan wil ik zingen, steeds weer, van uw trouw getuigen voor alle generaties. En dit zijn uw eigen woorden: mijn liefde is een blijvend onderpand, mijn trouw staat vast als de hemel". De engel kondigde het definitieve onderpand ervan aan.

Nu is het zover, we staan zelf in het beleven van die trouw en liefde.

Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat liefde en trouw gestalte hebben gekregen, zichtbaar zijn geworden en effectief. Ook voor ons geldt dat liefde en trouw al bij onze schepping in ons is gelegd - een aansluitpunt naar wat Boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle poes-pas erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknoopt bij ons eigenste en ons meeneemt naar Boven.

 

Je zou misschien wel kunnen zeggen dat ook Johannes de evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.

Dat is wat Johannes in zijn leven heeft geleerd, een geloofsbelijdenis: 'In begin was het Woord', wat vrijer vertaald: beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was, en ook hoe het was nl. naar God toe toegewend, bij God (de Vader); het is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort geloofsbelijdenis als 'Punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen binnen geloof in het Hogere, dat de mens in zich herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht, om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht, geloofslicht, geloofszicht.

Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel niet zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons. "Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan wat goddelijke liefde is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als mens vanuit 'een man afkomstig' maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan bewust bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.

Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt al in een kind, dat kind.

 

Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft maar ook inspireert om goed  te doen. Zo - kun je zeggen - zal de Heer via het doen van mensen regeren, zal Sion's God Zijn kracht laten zien, die verlossing uit de ballingschap voor de Joden bewerkte tot hun grote vreugde. Maar die kracht, zo'n heil, is voor de hele aarde, voor alle schepselen bestemd. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

Als wij hier nu het feest van de menswording vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog eens met groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars aansteken en ons zo laten raken?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer nieuw maakt? Dat jou raakt? Ieder jaar een beetje meer? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is, jouw licht?

 

"Al wat door God wordt aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn, dank zij trouw en liefde. Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?

terug naar begin pagina

Kerstmis dagmis 2003  C; als 2001 maar aangepast aan C

Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18

Psalm 98  Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied, want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:

zijn rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.

De HEER heeft zijn zege geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.

Zijn liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:

zelfs de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.

Heel de aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en zingen.

Zing voor de HEER en speel om Hem te eren, speel op de lier, zing met luide stem.

Onder het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.

 

We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te komen. Op de 1e zondag hebben we de profetie van Jeremia gehoord: "De tijd komt - godsspraak van de Heer - dat ik de belofte vervul die ik Israël en Juda heb gedaan" , een belofte waar de houding onder ligt "Naar U gaat mijn verlangen, Heer". Op de 2e zondag week was er die oproep van Baruch: "Sta op Jeruzalem", je zult heten 'Vrede door Gerechtigheid', 'Heil door Godsvrucht'. Zo moet u uw roeping invullen. Op de 3e zondag hebben we gelezen hoe Sefanja het waagde midden in de zorglijke toestand  een  vreugdekreet te uiten om de dag van de Heer voor Zijn getrouwen en afgelopen zondag zagen we hoe Micha duidelijk maakt wat nodig is: eenvoud en waarheid: 'U, Betlehem in Efrata, al bent u klein onder Juda's stammen, toch zal er, zeg Ik, … want Hij die troont op de cherubs, roept Zijn Kracht wakker en maakt het pure, eenvoudige vruchtbaar. Hoop komt tot leven.

Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat hoop gestalte heeft gekregen, zichtbaar is geworden en effectief. Ook voor ons geldt dat die hoop in ons is gelegd vanaf onze schepping; ze is een aansluitpunt naar wat boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én we vieren dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle poes-pas erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknoopt bij ons eigenste en ons meeneemt naar Boven.

 

Je zou kunnen zeggen dat ook Johannes de evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.

Dat is wat Johannes in zijn leven heeft geleerd, heeft leren inzien, en zijn geloofsbelijdenis werd: 'In begin was het Woord'. Wat vrijer vertaald: 'beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was', en ook hoe het was nl. 'naar God toe toegewend, bij God (de Vader); het is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort geloofsbelijdenis als 'Punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen in geloof in het Hogere, dat de mens in zich herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht, geloofslicht, geloofszicht. Hoop is tot leven gekomen.

Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel niet zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons. "Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan wat goddelijke liefde is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als mens vanuit een man afkomstig maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.

Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt in een kind, dat kind. Wat een geloofszicht!

 

Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft, vrede brengt en alle reden biedt om te juichen want de belofte wordt vervuld: de vrede van de Heer zal regeren in Jeruzalem. Voor de joden was dat de verlossing uit de ballingschap, voor ons dat wij ons Godskinderen mogen weten via het kind van Betlehem. De hele aarde moge dat weten, alle schepselen zijn bestemd om uit God geboren te worden en te zijn. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

Als wij hier nu het feest van de menswording vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog eens met groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars aansteken en ons zo laten raken?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer nieuw maakt? Dat jou raakt? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is, jouw licht?

 

"Al wat door God wordt aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn. Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?

 

H. Familie A  26 december 2004

Sir 3, 2-6.12-14; psalm 128; Mt 2, 13 -15.19-23

Psalm 128  Gelukkig de man die ontzag kent voor de HEER, en de wegen van de HEER bewandelt.

Van de vruchten van je arbeid zul je leven, je zult gelukkig zijn en het zal goed met je gaan.

Je vrouw is een vruchtbare wingerd die bloeit binnen in je huis;

je kinderen staan rond de tafel geschaard als jonge olijfbomen.

Ja, die zegen is voor de man die ontzag kent voor de HEER.

Ontvang vanuit Sion de zegen van de HEER;

verheug je bij het zien van Jeruzalems geluk, alle dagen van je leven.

En zelfs de kinderen van je kinderen zul je nog zien.

Vrede over Israël.

 

"De Heer heeft aan de vader aanzien gegeven bij zijn kinderen en Hij heeft het oordeel van de moeder bindend gemaakt voor haar zonen." Een standpunt, een geloofsbelijdenis van de vrome, die zo de natuurlijke situatie van vader-moeder-kind optilt, die zo zijn ervaring en die van de zijnen binnen het gezin als gekregen duidt, als van God gegeven.

Natuurlijk kan de niet-vrome die uitspraak ook misbruiken maar binnen het geloof geeft dat standpunt een enorme lading aan wat in een gezin gebeurt. Er is sprake van recht, vooral waar het de moeder betreft: zelfs over haar zonen heeft zij bevoegdheid. Evenwel, boven het recht uit krijgt de binding die God aanbiedt gestalte in wat in het gezin gebeurt aan goede ervaringen. HijZ is daar. Recht is een basis waarop Gods genade voortbouwt.

De 1e lezing vervolgt met een aantal voordelen voor degene die zijn vader en moeder eert, o.a. beleeft hij vreugde aan zijn eigen kinderen. En dan staat er als afsluiting een soort slagzin: "Wie ontzag heeft voor de Heer, eert zijn ouders": ook weer een houding die uitgaat van de bond van God met Zijn volk, weer een eeuwigheidswaarde voor een aards gegeven.

"Eert uw vader en uw moeder" is niet alleen terecht omdat jij je leven aan hen dankt omdat zij voor je zorgen en leren te leven maar ook omdat zij jou over God leren, hun geloof voorleven en zo jou de gelegenheid geven ook daarin zelf God te leren kennen. Is er een bodem die vruchtbaarder is dan de intimiteit van het gezin? Intimiteit die een ontvankelijkheid voor dat onzeglijke uitspreidt. Intimiteit die tot God voert.

 

Die intimiteit, geborgenheid, zekerheid blijft niet steken in een kleine kring. In de tussenzang hebben we de psalm gezongen die de man gelukkig prijst die de Heer vreest. Zijn werk slaagt, zijn vrouw en kinderen zijn zijn trots en dan blikt de psalm naar buiten: geluk voor Jeruzalem, Gods volk, de samenleving. Het gezin als de kleinste cel van de maatschappij. Maar ook als kern voor de parochie, de Kerk.

 

Onze samenleving kent verschillende soorten kernen en gemeenschappen. Kan daar geen intimiteit van God afkomstig functioneren, zij het in een variant, en ook geen verbond  met God dienen? Ook in een  geloofsgemeenschap zal persoonlijke ervaring van intimiteit met God vruchtbaar kunnen zijn voor de leden ervan.

 

Het evangelie verhaalt de opdracht die Jozef krijgt: "sta op". Jozef is een tsaddiek, een gerechte, hij wilde zelfs zonder ophef, in stilte van Maria scheiden. Een gerechte staat in verbond met de Heer en doet wat Die zegt, plichtsgetrouw, bezorgd. We kennen de afbeeldingen die de vlucht van die drie naar Egypte voorstellen. Ook op die vlucht functioneert intimiteit: zij gedrieën. Staat dat verhaal dan niet voor de zorg die God heeft om de Zijnen, beeldt Jozef zo niet uit hoe God is? Is het dan niet ergens een eer voor een vader om de spreekbuis, een goede handlanger te Zijn van de goede God? Is de verbondenheid die de moeder voelt met haar kind geen beeld van Gods Verbond?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In geen enkel gezin gaat dat ideaal beeld helemaal op. Er zijn zelfs gezinnen waar intimiteit en geborgenheid (te) gering zijn. Maar is het dan toch niet de moeite waard om het - zodra je de kans krijgt - dat ideaal na te streven? Je mag je gesteund weten door het kerstverhaal, door het verhaal van Gods zorg.

 

"Sta op, neem het kind en zijn moeder …" Welke betekenis geven wij daar aan?

 

Feest van de heilige Familie (B)  29 december 2002  

Gen 15, 1-6; 21,1-3; psalm 105 gebeden, psalm 34 gezongen; Lc 2, 22-40

Psalm 105

Prijs de HEER, roep luid zijn naam, verkondig zijn daden onder de volken.

Zing voor Hem en speel voor Hem, spreek over de wonderen die Hij verrichtte.

Stel uw roem in zijn heilige naam, wees blij, u die de HEER zoekt.

Blijf uitzien naar de macht van de HEER, houd niet op zijn gelaat te zoeken.

Denk aan de wonderen die Hij verrichtte, aan zijn machtig woord, van tekens vergezeld,

u, kinderen van zijn dienaar Abraham, u, kinderen van Jakob die Hij verkoos.

Die HEER, die HEER is onze God; zijn woord is beslissend voor heel de aarde.

Indachtig blijft Hij zijn verbond, voor duizend generaties geldt zijn belofte:

dat verbond, gesloten met Abraham, die eed, aan Isaak gedaan.

 

Beide lezingen van vandaag staan in het teken van verwachten: Abram krijgt een belofte en na lang verwachten wordt zij vervuld: hij krijgt een zoon van Sara. Simeon heeft ook een belofte gekregen en ook die wordt vervuld: hij heeft hét kind in zijn armen, de toekomst van Gods volk.

Maar er is een belangrijk verschil in sfeer.

- Abram zit in zijn tent te kniezen, een hoofdman als hij is met veel bezit moet toch een eigen opvolger hebben. Dan leidt God hem naar buiten en laat hem de sterrenhemel zien. Zo zal God zijn belofte aan hem vervullen. Later sluit HijZ een verbond met Abram - met hem persoonlijk.

- Bij het evangelie worden we verplaatst van de stal bij de herberg naar de grote tempel in Jeruzalem, van het intieme naar het grootse, en het kind gaat van de kribbe naar de armen van Simeon, van de stilte naar de verkondiging. Het persoonlijk accent dat eerst min of meer met Abram werd verbonden heeft nu via Simeon een algemeen karakter: het geloofsverbond met Abram is ontwikkeld tot een Verbond met het volk: Gij Mijn volk, Ik uw God. Simeon verklaart het Joodse heil tot heil voor alle volken, heel de wereld. Bovendien: in het kind krijgt het Verbond een nieuwe inhoud: 'Gij Mijn volk, Ik uw God' gaat nu via het kind. Het verwachten dat eerst aan een persoon was gebonden geldt nu voor de hele wereld. Zowel Isaak als het kind zijn vervulling van verbondsbelofte maar het kind zal zelf het Verbond vernieuwen. En wij staan in het Nieuwe Verbond.

 

Zo moge hetgeen we in de tussenzang hebben gebeden/gezongen "De Heer, Hij is onze enige God - voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht"/"Ervaart het en ziet: mild is de Heer" niet alleen een dankzegging zijn van Joden maar ook van ons. "Gaat groot op de heilige Naam van de Heer"/"Mijn ziel zal in trots de Heer prijzen" zijn dankzeggingen die de verdrukte en de weer opgerichte verstaan.

 

Het danklied van Simeon heeft een andere, een nieuwe ondergrond. De inhoud is op zich niet zo nieuw; dat het heil voor alle geslachten zou gelden was aan Abraham al gezegd maar Simeon heeft zijn belofte en daarmee zijn danklied gekregen via de H.Geest. Driemaal wordt de Geest genoemd. Eerst staat er letterlijk dat 'een (zijn) geest was heilig op hem'; dan dat de godsspraak van de Heilige Geest afkomstig was en vervolgens dat hij in die Geest naar de tempel ging.

Simeon verwachtte in die Geest de vertroosting van Israël en ook Hanna zag uit naar de verlossing van Jeruzalem. Het moet wel dezelfde Geest zijn die haar bezielde bij haar danken en verkondigen, want zij was 84 jaar en zo had zij twaalf maal een levensperiode van zeven jaar doorgemaakt en was haar heilstijd aangebroken. (getallensymboliek)

De Geest die in het begin bij Maria kwam, de Geest die Simeon leidde, de Geest die het kind later aan de Kerk doorgaf. Die Geest moge ook ons bezielen. Gods heil wordt door mensen gedragen, mensen die in een menselijk verband functioneren. De kern van dat verband moge de H.Geest zijn. Dat begint in het gezin waar intimiteit haar dienst moge hebben, waar geloof en godsdienst spontaan moge groeien, waar Gods heil werkelijkheid worde, zijn Verbond worde voortgezet. Maar het feest van de H.Familie is groter dat het gezin, het gaat ook om andere verbanden, kleinere en grotere gemeenschappen waar die Goede Geest heerst - met vallen en opstaan zoals in het gezin; misschien niet zo natuurlijk als in het gezin maar wel met die verbondswaarde.

Het lijkt wel alsof in het evangelie het kind uit de armen van Jozef en Maria wordt gehaald maar dat is maar even. Zij gingen met het kind terug naar Nazaret, nadat … Het stukje evangelie van vandaag begint en eindigt met de Wet van Mozes. Volgens de Wet moest het kind worden opgedragen en toen alle voorschriften van de wet waren vervuld, gingen ze weer met het kind, gedrieën. De Wet van het Eerste Verbond "Gij Mijn volk, Ik uw God", vervuld in de kleinste cel van de samenleving, in een kostbaar levenseenheid, belevingseenheid, van het Verbond.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Opgroeien in een gezin waar de Goede Geest heerst is een geweldige weldaad, een geschenk, dat niet altijd en wellicht nu ook niet zo aan iedereen is gegeven. Maar als je het hebt meegekregen, zul je met veel plezier het doorgeven aan jouw kinderen en als je het niet of minder hebt meegekregen, kun je er naar uitzien, het verwachten, want de Goede Geest is voor ieder. En als je in een andere gemeenschap gaat leven, dan zul je die Goede Geest ook hard nodig hebben en ook daar van Hem genieten.

 

"En zie, … " staat er letterlijk. "En zie, in Jeruzalem leefde een zekere Simeon …"  "En zie, hier in onze gemeenschap, in ons gezin, …" - hoe zouden wij die zin voltooien?  Zullen we ons daarvoor even tijd gunnen?

 

 

H.Familie C  28 december 2003 ('06)

1Sam 1,20-22.24-28; psalm 84; Lc 2, 41-52 (Voor elementen van de Sirach-keuze zie jaar A)

 

psalm 84

Hoe dierbaar is mij uw huis, HEER van de machten.

Ik word verteerd door heimwee naar de voorhof en de tempel van de HEER.

Met heel mijn wezen schreeuw ik het uit van heimwee naar de levende God.

Gelukkig de mens die in uw huis woont: zonder ophouden kan hij U prijzen.

Gelukkig de mens die zijn kracht vindt bij U: hij droomt van opgaan naar U;

Ach, luister naar mijn smeken, HEER van de machten, luister, God van Jakob.

Vestig uw ogen, God, op uw gezalfde, zie liefdevol op hem neer, ons schild.

 

"En met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en bij de mensen". Het klinkt als "en ze leefden nog lang en gelukkig". Einde sprookje. Ook een zekere geruststelling, Jezus gaat weer netjes met zijn ouders mee 'het probleem is voorbij'.

Zou hier dan een probleem zijn?  Wellicht. Als je een gewoon katholiek gezin zou vragen wat voor een lezingen het uit zou kiezen voor dit feest, zal het niet direct aan dit evangelie-stukje gedacht hebben en zeker niet aan het verhaal van Hanna. Wellicht zal ook gedacht hebben: "Heilige familie? Wij heilig?  Reserveer dat maar voor Jozef en Maria en het kind". Tenslotte is het mogelijk dat het zich afvroeg waarom een jaarfeest voor het gezin gevierd moet worden. Er zijn toch meer vormen van levenswijze in onze maatschappij; denk maar aan leefgemeenschappen, kinderloze echtparen, homofiele banden en alleenstaanden. Wanneer vieren we hun feest?

Zullen we eens kijken naar die eerste vraag: welke lezingen zou een gezin gekozen hebben? Het is praktischer om de zaak een beetje om te draaien: wat hebben ze aan deze lezingen die zijn voorgelezen? Hoe dichtbij zijn die?
De beslissing van Hanna, die eerst God smeekt om een kind te mogen hebben en het vervolgens afgeeft aan God - die beslissing ligt bij ons niet bepaald zo voor de hand. Maar bij Hanna en haar man ook niet. Kinderloos zijn gold als een straf, een oneer. Zij moet dus wel een bepaalde reden hebben gehad. Haar man hield zielsveel van haar, meer dan van haar rivale die haar bespotte. Ook al zei haar man Elkana dat zij hem liever was dan tien zonen, ze was ontroostbaar. Iedere keer bij hun jaarlijks offer aan de tempel in Silo moest Hanna die vernedering doorstaan en een gegeven moment deed ze een gelofte aan de Heer: "Heer van de machten, als u omziet naar de ellende van uw dienstmaagd en aan mij denkt, als u naar uw dienares omziet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn hele leven aan de Heer afstaan". Hij zal niet worden vrijgekocht zoals de Wet aangeeft maar worden afgestaan.

Kunnen we ons iets voorstellen bij het verdriet van zo iemand die binnen een gemeenschap - in welke vorm dan ook - vernederd en bespot wordt op een zo doordringend punt, op haar vrouw zijn?

Kunnen we ons voorstellen hoe zij haar magnificat zingt als de Heer haar schoot heeft geopend?

Kunnen we ons iets voorstellen over haar vertrouwen in de Heer als zij haar schat aan de Heer toevertrouwt? Die jongen moet wel in goede handen zijn in het huis van de Heer. "Gelukkig zij die wonen in uw huis, Heer", zegt de psalm immers. Als slotzin staat er:"En zij bogen zich daar voor God de Heer neer". Waarna Hanna haar Magnificat zingt.

 

Ligt hier een punt waar het gezin iets aan heeft? Toegewijd zijn aan God ligt er voor iedereen maar hier gaat het om het paar Hanna - Elkana; de relatie is toegewijd aan, gericht op God. Heilige familie. Dat is nog al wat, maar wel mogelijk, wel waar. We denken bij heilig al gauw aan buitenissigheid. Heilig betekent heel gewoon: aan God gewijd, op God gericht. Wij mensen kunnen op God gericht zijn -met vallen en opstaan- maar goed bedoeld. Is dat niet ons geloof, zoals Hanna en Elkana ook geloofden? Als je op God gericht bent, naar Hem toedenkt en werkt, ben je vruchtbaar, in je relatie op een speciale manier.
Geldt dat ook niet voor kinderloze paren? Niet dat echtparen of niet op voortplanting gerichte gemeenschappen ineens eigen kinderen gaan krijgen omdat ze op God gericht zijn. Maar mogelijk is wel dat ze door hun op God gericht denken en doen vruchtbaar kunnen zijn voor kinderen, groten en kleinen, door gebed, voorbeeld, steun, ieder naar eigen omstandigheden en mogelijkheden. Dit niet als een soort zoethouder of surrogaat maar een als een mogelijkheid, die Hanna eerst niet had maar kreeg door haar geloof, haar vertrouwen. En geloof dus niet als opgelegd maar als een band met God die vanzelf, van binnen uit leeft omdat het uit de hemel is gekomen. Desnoods spreken we van geestelijke nakomelingen, hetgeen ook bijbels is. Moge die mogelijkheid ook gelden voor de alleenstaande, naar zijn of haar situatie en kunnen.
Dan kan er geluk zijn zoals we dat hebben gezongen in de tussenzang: dan moge ook daar het huis van de Heer zijn.

 

Het huis van de Heer. "Huis van mijn Vader", zei Jezus. De eerste keer dat Jezus in de tempel was, was bij zijn opdracht aan God. Daar had hij zelf geen hand in, dat deden zijn ouders, die hem vrij kochten met een koppel tortels. De tweede keer dat Jezus in de tempel was, was toen hij twaalf jaar was, nu zeggen ze Bar Mitswa, zoon der Wet. Hij had er wel zelf de hand in. Hij discussieerde met leraren tot verbazing van iedereen. Nog meer aan God toegewijd dan zijn ouders dachten. Het toppunt is wel dat Jezus later zichzelf tempel noemt. Als onze gezinnen en gemeenschappen het huis van God willen zijn, kleinste cel van zijn Kerk, zou Jezus dan niet meegaan als met zijn ouders? Hij, zelf de tempel.

Het sprookje is niet uit, het gaat door.

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Komen uit een goed nest, leven in een gelovend gezin - je hebt het niet altijd door totdat je ziet dat er ook andere dingen gebeuren. Als je zelf dan een relatie aangaat, laat zij op God gericht zijn, laat Jezus Christus daarin meegaan. Hoe - dat ervaar je zelf in vallen en opstaan, dat vul je deels zelf in. Maar met hem, de maximale tempel, bouw jíj een huis van God, waar vertrouwen is en Godsliefde. Waar intimiteit en liefde wordt geleerd en ervaren als weg naar God, als weg van God. Intens.

 

"Gelukkig zij de wonen in uw huis, o Heer". Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen daarover na te denken?

 

 

H. Maria, Moeder van God; Nieuwjaar  2006 ('08)

Numeri 6, 22-27; psalm 67; Galaten 4, 4-7; Lucas 2, 16-21

 

Psalm 67

Wees ons genadig, schenk ons uw zegen, God, laat uw aanschijn over ons lichten,

zodat men op aarde uw wegen zal kennen:

uw wegen betekenen welzijn, laat de volken dat zien.

De volken zullen U danken, o God, alle volken zullen U danken.

De naties zullen verheugd om U juichen:

U regeert de volken in rechtvaardigheid, U bestuurt alle naties op aarde.

De volken zullen U loven, o God, alle volken zullen U loven.

De aarde brengt haar vruchten op; God, onze God, Hij zegent ons.

God zegent ons: de einders van de aarde zullen ontzag hebben voor Hem.

 

"Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht er over na". Maria en de herders verstaan elkaar - zij: eenvoudig, enkelvoudig, ongecompliceerd - herders: even eenvoudig, no-nonsens, direct bij het leven, zelfs kort bij het Leven in een voerbak. Toehoorders die verbaasd staan - Maria stil in haar hart. Het zou wel eens best waar kunnen zijn dat we net zo goed ongecompliceerdheid nodig hebben om te verstaan waar het nu om gaat: "God zond Zijn eigen Zoon, geboren uit een vrouw … " Wie geen moeder is moge bescheidenheid sieren. Niettemin proberen ook wij erover na te denken.

 

'H. Maria, moeder van God' als feest op de eerste dag van het nieuwe jaar - dat doet denken aan de eerste dag van de nieuwe week. De Sjabbat, de afsluiting, dankbaarheid, wordt vervangen door de dag des Heren, nieuwe hoop, het uitzicht. Zou dit feest niet ook een feest van hoop kunnen zijn? De wereld heeft altijd hoop nodig maar misschien nu wel het meest want er gebeurt zoveel en we weten er van. Wat eerder meer plaatselijk was, is nu wereldwijd. Natuurlijk gebeuren er hoopvolle dingen, en mogen zij gevoed worden, blijven worden, door de Hoop, die van Boven wordt aangereikt en die zó doende over de hele wereld moge gaan.

Hoop die begonnen is in een kleine stal ? Ja, dat moeten we accepteren - of we kunnen ons er in verheugen. Want God meldt Zich in Zijn wereld. Het is nog al wat. Als Wezen van maximale liefde wil Hij niet afzijdig blijven en afwachten. Hij doet mee, helemaal, vanaf de moederschoot. Moeders weten wat het dragen van nieuw leven is; dat is intens en direct beleefbaar. Zou Maria in werkelijkheid alleen maar geweten hebben dat ze 'gewoon' in verwachting was? Zou haar magnificat niet nog meer zijn dan wat de Kerk haar heeft toegeschreven? Eén ding weten we zeker: als Maria haar moeder-zijn, haar specifieke moeder-zijn, niet waar had gemaakt, zou zij van de Kerk niet die status hebben gekregen die ze nu heeft. Vóór zij moeder werd zal zij geleefd hebben in de verwachting van "de vertroosting van Israël", zoals Simeon, "in de verwachting van het Koninkrijk van God", zoals Jozef van Arimatea. Wanneer zíj wist dat 'het van Boven' in haar leefde als invulling van die vertroosting, weten we niet, maar wíj nu weten wel dat het zo is. Hoop die daarvandaan in ons leeft, moge voelbaar zijn als een nieuw leven. Hoop vanuit de kleine stal de wereld rond gegaan moge die verwachting voortdurend waar maken. De bede van de psalmist, die wij ook hebben gezegd, die al lang voor die tijd werd uitgesproken, krijgt een grote en reële kans op uitkomst.

 

Als we aan uitkomst denken, aan toekomst, komt wellicht ook het beeld van 'de Vrouw' van het boek Openbaring naar voren: "Een vrouw omkleed met de zon, de maan onder haar voeten …" Zon en maan, beide lichtend. Een wijs man moet eens diep nagedacht hebben op de vraag 'wat meer van belang is de zon of de maan?' en toen hebben geantwoord: "De maan, want de zon schijnt als het toch al licht is". Op zoek naar de wijsheid in dat antwoord kom je uit bij de gedachte dat de maan in de duisternis hoop levend houdt, uitzicht oproept. Als het licht is, is er geen probleem. Christelijke hoop, christelijk uitzicht is niet gefundeerd op mythe of instinct of zoet gevoel, maar op geloof in die God die mee wil doen met Zijn schepsels. De mee-Levende. Van hun kleinste begin af aan. Hij is er dank zij haar. Kan Hij er meer zijn dan als mens?

 

De maan in de nacht roept ook 'geheim' op, stilte, rust. Moeder van God zijn is alleen in stilte te beleven, alleen in je hart te overdenken; het is een onzegbaar geheim. Het is niet geheimzinnig want de zin ervan, de betekenis ervan, is voor ons allen duidelijk. Moge de moeder van God ons inspireren; zij is de grootste inspiratrice omdat de maximale Inspirator, de Heilige Geest op haar is gekomen. Het is geen kwestie meer van "De Heer zij u genadig" maar 'de Heer is u genadig', "U hebt genade gevonden bij God". Kan Hij Zijn aanschijn meer, dichterbij, inniger over iemand laten lichten?  Kan iemand anders dan Gods moeder dat Licht meer weerkaatsen? Wij zijn geen Maria maar we zijn wel kinderen van God zoals Paulus schrijft. Maria zal als een maan het uitzicht oproepen dat wij ook van de Geest hebben meegekregen.

 

Een nieuw jaar. De aarde heeft weer een ronde om de zon gedraaid en wij draaien met haar mee. Er is meer: wij draaien in een spiraal omhoog naar Boven omdat - mede dank zij haar - de 'Hij-met-ons' er is, de Zon, die ook aantrekt.

 

Moge dit uitzicht bieden aan jong en oud, het is zo diep menselijk, voor alle mensen. En dan zij het ons gegeven om met de herders God te verheerlijken en te loven om de invulling van wat zij hadden gezien. Ook zij hadden hun magnificat. Moge ieder van ons zijn eigen magnificat zingen, desnoods door tranen heen. Dan wordt het een goed jaar.

 

Driekoningen  7 januari 2001; ‘03 ('07)
Jes 60, 1-6; Ps 72; Mt 2, 1-12

 

Alle volken der aarde huldigen u, Heer.

Psalm 72  God, laat de koning regeren zoals U, geef de zoon van de koning uw rechtvaardigheid.

Rechtvaardig zal hij uw volk besturen en opkomen voor het recht van de armen.

De rechtvaardige kan in zijn dagen ontluiken in een wereld vol vrede, tot de maan niet meer glanst.

En heersen zal hij van zee tot zee, van de Grote Rivier tot aan het einde van de aarde.

De koningen van Tarsis, van de eilanden, zij dragen geschenken aan;

de koning van Saba, de koning van Seba, zij komen hun schatting betalen.

Zie, alle koningen bukken voor hem en alle volken zijn hem tot knecht.

Hij redt de misdeelde die om hulp smeekt, de verdrukte, door niemand geholpen.

Wie achtergesteld zijn, toont hij erbarmen, wie zwak en onderdrukt is redt hij het leven.

 

Officieel heet het feest ‘de Openbaring des Heren’ en daarmee wordt ook de clou aangegeven: Jezus kan 100 keer geboren zijn, als hij zich niet manifesteert, zich openbaart, weten we nog niks. Openbaring is praktisch gezien belangrijker dan geboorte; het werkzaam zijn belangrijker dan het zijn. Liturgisch was het feest ook meer bevoorrecht dan Kerstmis, dat pas uit de 4e eeuw bekend is.
Er zijn twee ‘soorten’ verhalen waarin de Heer zich manifesteert: enerzijds die van de herders en de drie wijzen/magiërs is het ene soort, anderzijds is die van de doop in de Jordaan en de bruiloft van Kana. Bij de laatste twee was Jezus zelf actief bij de eerste twee niet en dit geeft toch een bepaald cachet aan het verhaal; dat cachet zij een meditatief karakter van die verhalen, het geeft iets ter overweging, het lijkt meer een meditatieve, ‘verborgen’ verkondiging dan een openbare verkondiging. Een verborgen verkondiging, een openbaring in je innerlijk.


In die sfeer past ook de 1e lezing van Jesaja. In de O.T.-lezingen vóór Kerstmis hebben we profeten gehoord die a.h.w. op de puinhopen van Jeruzalem hoop uitspaken; nu zingt Jesaja over Jeruzalem het hoogste lied: de ballingschap is voorbij, “Sta op Jeruzalem want de zon gaat over u op”. Duisternis ligt op de andere volken maar u staat in het licht.
Dat woord ‘licht’ komt zo vaak voor, wordt zo vaak gebruikt, dat de betekenis ziet meer zo opvalt. De betekenis  ervan moge hier inzicht zijn.

Inzicht, weten, hoe we goed leven, nl. door rechtvaardigheid. Daarvan getuigt ook hetgeen we hebben gebeden/gezongen in de tussenzang: “Mijn God, verleen uw koning wijsheid: rechtvaardigheid zal bloeien tot de maan niet meer glanst, zolang de zon staat”. Dat duurt nog wel even. De koning die in dienst staat: hem eren alle volken maar hij gaat er niet verwaand bij zitten en steunt de arme.

Inzicht ook in wat waarheid is, wat echt is, blijvend. Het gaat niet om waarheid die op waarneming en redenering is gebaseerd, maar om de waarheid, realiteit van geestelijk leven, van wat we niet kunnen zien, horen enz. maar wel vermoeden, hopen, iets wat in ons leeft en wordt bevestigd.

Misschien wel het hoogste inzicht is hier in de lezing dat de mensen ervaren dat de Heer, hun God, bij hen is; Zijn Glorie gaat immers over hen op. Zij zijn het volk waaraan en waardoor de Heer zich bekend maakt. Daarmee wordt Jeruzalem gezien als het geloofscentrum van de hele wereld: al de andere volken die om het land van de Joden heen wonen, trekken naar Jeruzalem op. En vervolgens: hóe haar heerlijkheid is, de Heerlijkheid van de Heer, de Heer van het Verbond, de Heerlijkheid in de boeken van  Mozes, profeten en Schriften genoemd - hoe haar heerlijkheid is wordt verbeeld door de schatten die naar die stad worden gebracht, incl. goud en wierook. Als je zo over je stad kunt verkondigen, moet je toch wel van haar houden, toch wel een visie hebben over datgene waarvoor zij staat: God is met haar. Inzicht, geloofszicht.


Naar dat Jeruzalem komen drie wijzen, “magiërs” zegt de nieuwe vertaling. Maar dan magiërs die niet zelf het occulte regelen maar die openstaan voor licht, licht dat naar hen toekomt, de ster in het Oosten. Hoe ze weten dat het de ster van de nieuwe koning der Joden moet zijn, staat er niet bij maar zo zien ze het wel. “We hebben zijn licht gezien”. En voor de koning der Joden moet je in Jeruzalem zijn, dachten ze, daar trekken immers alle volken naar toe. Maar, over Jeruzalem schijnt het licht niet meer, het Licht dat naar alle volken toeschijnt is weg. De grote stad met grote verwachtingen is omgekomen in politiek gekonkel, verknoeide eredienst en corruptie; het inzicht is weg, er is geen geloofsinhoud meer, alleen uiterlijkheid, machtspolitiek, het onrecht van de sterkste. De koning die volgens de psalm recht hanteert tot de maan niet meer glanst, is nu een gevaar voor haar en haar leiders.
Maar Jeruzalem kent wel de oude profetieën waarin staat dat de Messias in een kleine landstreek geboren zal worden en dat daarom die landstreek volstrekt niet de kleinste is. Daar moeten de wijzen heen. Nederigheid als methode, niet als doel. De oude profetieën hanteren nog die waarden van het licht: ze bevelen de weg van de nederigheid aan, zoek bij het kleine, eenvoudige, laat je eigen ideeën los, buig je hoofd om te luisteren, om te ontvangen, om de kern van de zaak, je eigen kern te vinden. Dat zou best eens de betekenis van het weer gaan schijnen van de ster kunnen zijn: je eigenheid weer zien oplichten. Geen wonder dat die magiërs, die zich voor licht openstelden, zeer verheugd zijn; “overgrote vreugde” staat er. Wat ze zoeken vinden ze in een klein kind, tastbare invulling, tastbare belofte.


”Overgrote vreugde” bij het weer zien van het licht. Kunnen wij hier bij elkaar, één in zijn Naam, kunnen wij de profetie van Jesaja en het verhaal van de wijzen optillen en over tijdsgrenzen en ruimtegrenzen heen hier neer zetten? Kunnen wij niet het Jeruzalem zijn dat Jesaja voor ogen had, niet met veel tamtam maar wel met de intentie, met het licht dat hij bedoelde. Kunnen wij ons laten beschijnen, de Zon over ons laten opgaan, weten dat God met ons is? Wat toen voor Jeruzalem gold, geldt nog steeds, voor ons en voor wie allemaal niet, maar ook nu en hier. Het “Jeruzalem van omhoog”.

Voor ons mag er ook overgrote vreugde zijn als we met ons schamel goud, wierook en mirre ontdekken dat die belofte, dat verlangen in ons, hier gestalte krijgt in Naam van dat kleine kind. Sta op parochie, sta op gemeenschap en laat u beschijnen want de zon gaat over u op. Dat vraagt om innerlijkheid, om zo iets als die magiërs zochten, om bij jezelf thuis te komen en zien dat het kind er is, ons Godskind zijn.

 

En net zo goed geldt voor de enkeling die door een crisis heen is gegaan, die in het kind in de kribbe heeft herkend, zichzelf er in heeft gezien, zich bewust is geworden van eigenwaarde - net zo goed voor zo iemand: “Sta op, laat je beschijnen want de zon gaat over jou op”. Jij bent zijn moeite waard. Sta op, ga zijn stal of huis binnen en laat je beschijnen zo lang als je wilt. Godskind!

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Zeker als je jong bent verkeer je in je leven de ene keer in een dal van onrecht en ongeluk, de andere keer kun je de hele wereld aan omdat je op de top staat. Als je op de top staat, kijk of dan ook niet voor jou geldt wat de profeet zei over opstaan en je laten beschijnen. “Ik ben een blomme en bloeie voor Uw ogen, geweldig Zonnelicht”. Maar ook als je in het dal bent, zij het je vergund die ster te ontdekken die er voor jou is en die je bij je zelf thuis moge brengen, en dan in te zien dat het Zijn licht is...

 

“Overgrote vreugde” bij het weer zien van hun licht. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen een glimp van het licht op te vangen?

 

 

 

Opdracht van de Heer (Maria Lichtmis) 2 februari 2003 ('06)

Processie: Adorna, intr: Suscepimus; Mal 3, 1-4; psalm 24; Lc 2, 22-40

Adorna oorspronkelijk: Versier Sion, uw bruidsvertrek; omhels Maria, de hemels poort, die is als de troon van cherubijnen, waartussen JHWH woont: zij draagt de koning van de glorie; zij is als een lichtwolk, die in haar armen de zoon draagt: voor de morgenster geboren. (Liturgisch woordenboek)

 

Psalm 24  "Hef uw hoofden omhoog, jullie poorten, aloude poorten, omhoog:

de koning van de glorie komt binnen."

"Wie is toch die koning van de glorie?'

"De HEER, de dappere held, de HEER, de held in de strijd."

"Hef uw hoofden omhoog, jullie poorten, aloude poorten, omhoog:

de koning van de glorie komt binnen."

"Wie is toch die koning van de glorie?"

"De HEER van de machten, Hij is de koning van de glorie."

 

We hebben heel wat woorden gehoord en daarbijbehorende beelden aangereikt gekregen. Het 'adorna' van de processie roept in intimiteit en in liefde het wezenlijke van het mensenleven op, het bruidsvertrek. De intredezang zingt van het gedenken van Gods goedheid, gedenken - over je laten komen - in de tempel. De profeet Maleachi spreekt over het plotseling komen van de Heer in zijn heiligdom, de tussenzang roemt de Sterke, de Hemelse, en Lucas verhaalt hoe Simeon het kind ontvangt. Het gaat om het geloofsgegeven dat God, de Heer, zich manifesteert, Zich openbaart in Jezus van Nazareth, de Christus. Hiermee wordt ter afsluiting van de kerstkring nog eens extra onderstreept dat en -vooral - hoe God met zijn mensen bezig is.

 

Maleachi zegt dat de Heer zijn bode voor Zich uit zendt. Het heil wordt allang voorbereid, ook al zijn we er niet op verdacht of zien we het niet, maar het is er wel en plotseling staat het er: De Heer treedt binnen in zijn heiligdom, de Heer naar wie het volk heeft uitgezien. De Heer "de sterke in de strijd", noemt de psalm Hem, maar ook - met het accent dat Maleachi geeft - en vooral de Heer van de hemelse machten: Hij is de Koning der glorie.

Maar met die vreugde is het niet gedaan. Meteen komt immers de vraag wie zijn komst kan verdragen want Hij vraagt verantwoording, Hij vraagt wie op de vereiste wijze offergaven kan brengen. 'De vereiste wijze' - dat heeft niets met offerritueel te maken maar met het hart. Elders zegt de profeet nl. dat de Heer niets geeft om kreupele of blinde dieren, die geen waarde hebben. Met zo'n offer wordt Zijn Naam geminacht, wordt Zijn Aanwezigheid in de tempel beledigd. Zijn Naam "Hij is", "Hij is er", Hij de enige Eeuwige, de uniek Aanwezige. Bij de vreugde van Zijn komst, Zijn Aanwezigheid onder het volk hoort ook het echte, daadwerkelijke, eerlijke, het hart dat Hem zoveel mogelijk recht doet, het hart dat Hem kent.

 

Zo'n kritisch element vinden we ook in het evangelie. Als de ouders zich verbazen over wat over het kind wordt gezegd, zegt Simeon dat het kind bestemd is tot val of opstanding van velen. Val of opstanding, een teken dat weersproken wordt: er is een criterium voor de vreugde, nl. de waarheid, de waardigheid van het handelen, de levenswandel. Zelfs voor Maria heeft hij moeilijk nieuws: "door uw eigen ziel zal een zwaard gaan". Kennelijk is het geen triomftocht om de moeder van Jezus te zijn.

Niettemin, voor Simeon geldt wat Maleachi schreef over het volk dat verlangend uitziet naar de komst van de Heer. Hij was een gerechte die de vertroosting van Gods volk verwachtte. En wat de profeet voor een heel volk voorzegt, komt nu tot uiting in intimiteit, in een persoonlijke situatie: Simeon, Maria, kind. Het Eerste Verbond - Simeon - ontvangt de Belofte die het  Verbond nieuw maakt in persoonlijke ontmoeting, persoonlijke ervaring, stil en diepgaand, in de tempel van JHWH. "Nu, - nu met dit kind in mijn armen - nu laat Gij uw dienaar in vrede gaan, (inderdaad) zoals U gezegd hebt …". De grijsaard krijgt tenslótte het kind in zijn armen dankzij Maria, dankzij haar "Mij geschiede", dank zij de wetgetrouwheid van haar en haar man. In de tempel. 

Zij weten hoe een offer 'op de vereiste wijze' wordt gebracht: met het hart. Maar zij zullen zich wel niet hebben gerealiseerd tot welk oneindig hoog niveau zij met hun opdracht van het kind Zijn Aanwezigheid eren. Zo gaat niet alleen de belofte voor Gods volk in vervulling maar ook de belofte voor hele wereld. Maria staat toe dat Simeon het kind in zijn armen neemt. Misschien geeft zij het hem wel en hij noemt het de glorie voor het volk Israël en het beloofde heil en licht voor de hele wereld. Een licht dankzij Maria zichtbaar geworden en door een man van het Eerste verbond in de Goede Geest herkend. Een licht dat te zien is. De koningszoon der glorie.

 

Wat speelt hier toch allemaal? Is het een moment in de geschiedenis, daar en toen, of is het een voortgaande geloofs­belijdenis tot nu en hier toe en verder? Een geloofsbelijdenis en een geloofsbeleving, die het kritisch element kent maar net zo goed de vreugde en de diepgang. Als Maria het beeld is van de Kerk is, is geworden door haar houding, dragen wij samen met Jezus Christus dan niet Gods heil in onze armen om het ook aan anderen te aan te bieden? Om er samen van te genieten - ook in onze gezinnen, onze gemeenschap, onze parochies? Dankzij Maria.

Maar geldt die bodem, die basis voor het dragen van het kind dan ook niet voor ons? Die diepgang die voor Maria geldt, is die ook niet voor ons persoonlijk ter zake? "Versier, Sion - versier, volk van God - uw bruidsvertrek." Roep in intimiteit en in liefde het wezenlijke van het mensenleven op.  "Omhels Maria", doe als zij, wees als zij "de hemelse poort" voor anderen, Maria "die is als de troon van de Cherubijnen" op de ark van het Verbond in het heilige der heilige van de tempel "waartussen JHWH woont; zij draagt de koning van de glorie; zij is als een lichtwolk die in haar armen de zoon draagt: voor de morgenster geboren". Versier volk van God hier aanwezig uw bruidsvertrek om Leven te ontvangen, Gods Aanwezigheid op te nemen, om Licht te zien, om puurheid te leren kennen, om …

Als we het niet meer overzien, zullen we het dan maar gewoon over ons laten komen? Dat onzeglijke, Licht, Aanwezigheid. Hier in de tempel.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Geloofsleven is niet alleen heerlijkheid, ook een kritische houding. Is niet alleen diepgang, ook een zich manifesteren ervan. Beide zowel de heerlijkheid als de kritische houding zijn wezenlijk én voeden elkaar. Deed Maria ook. Diepgang kreeg ze, inzet gaf ze. Als er een heeft geloofd, dan is zij het. Tot onder het kruis toe.

 

"Midden in uw tempel gedenken wij uw goedheid Heer". Gedenken: hier en nu over ons laten komen. Die intimiteit, die diepgang, dat Licht. Gunnen we ons daartoe even een aanzet.

Terug naar begin pagina

 

Witte Donderdag  17 april '03; '04; '06

Ex 12, 1-8.11-14; psalm 116; Joh 13, 1-15

Psalm 116

Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen gemeenschap met het bloed van Christus?

Wat zal ik op mijn beurt aan de HEER geven voor al het goede aan mij besteed?

Ik hef de beker  tot dank voor uw weldaad, de naam van de HEER roep ik uit.

Zwaar valt de HEER  het sterven van zijn getrouwen.

Ach Heer, uw dienaar ben ik, kind van uw dienares, U hebt mijn boeien losgemaakt.

Ik draag een dankoffer aan U op en de naam van de HEER roep ik uit.

Mijn geloften aan de HEER kom ik na, zodat iedereen het ziet, voor heel zijn volk,

 

Voor de Jood begint het nieuwe jaar met een feest, het feest van het leven. Hij eet nieuw brood, waar geen oud desem in zit, en hij eet een nieuw dier, een lam. Door de betekenis die zij daaraan geven, wordt het een rite, een heilige handeling; het is het Lam van de Heer dat hen beschermt tegen de verderver, tegen de rampen die de Heer over Zijn tegenstrevers laat komen. Ze moeten het eten bij volle maan, op een hoogtepunt, als het licht maximaal in de duisternis schijnt. Ze moet het haastig eten en reisklaar want de Heer zal hen uit de slavernij wegleiden en hen in ere herstellen, in vrijheid als zijn Volk. Ze moeten het samen eten in gemeenschap tot de zon opgaat. Als er over is moet dat worden verbrand, want dat Lam is specifiek alleen voor die gelegenheid, met die betekenis, bovendien: restanten mogen niet bederven, want het is heilig. Het bloed van het Lam, het leven dat de Heer geeft, beschermt hun huis, houdt hen in leven. Ze moeten dat voorschrift blijven onderhouden; zo blijven ze in Leven en danken zij hun God met het Paasoffer voor de Heer. Zo vieren zij hun Verbond ieder jaar opnieuw. Zo krijgt het lam een betekenis van Godswege. Het gaat om Gods bemoeienis met Zijn mensen. Daarvoor heffen zij de beker, tot dank voor Zijn weldaad en roepen zij de Naam van de Heer uit.

 

Johannes noemt in het begin van zijn evangelie Jezus 'het lam Gods'. Dit Lam héeft zijn betekenis al van Godswege, het gaat nu om een innige verbinding met God, een éenheidslading. Het Lam Gods dat de zonden van de wereld op zich neemt. Nu niet zo zeer bescherming tegen een onderdrukker als wel een verlossing uit de macht van de zonde door zondevergeving; de zonde krijgt geen kans meer ons uit het Leven te houden omdat het Lam zijn leven geeft. Het Lam biedt ons tot het uiterste toe de gelegenheid, de mogelijkheid, om vrij voor God te leven door samen met hem te leven, samen met hem omdat het van God is. Daarvoor heffen wij de beker van het Lam tot dank voor zijn weldaad en roepen Zijn Naam aan.

Vergeten we dus niet dat de instelling van de Eucharistie plaats vond binnen het kader van zegening en danking en smeking. Dat geeft toch wel heel bijzonder aan hoe Jezus aan zijn leven de betekenis gaf van dank-aanbod aan zijn Abba. Terwijl hij wist dat hij op een gemene manier zou sterven, was zijn verhouding met zijn Vader dermate dat hij dankte. Dan moet die verhouding wel heel bijzonder zijn.

 

Het Johannes-evangelie verhaalt niet typisch de instelling van de Eucharistie - misschien omdat dat toen genoegzaam bekend was en hij het aspect van in dienst willen staan wilde benadrukken. Als iemand in dienst heeft gestaan was het toch wel Jezus - in dienst van de Vader, in dienst van de mensen. Omdat dit verbonden wordt met het Joodse Paasfeest, met de viering van het Verbond, met zijn laatste maaltijd met hen, krijgt het in dienst staan een wezenlijke lading, wordt het met hoofdletters geschreven. Maar wat houdt dat in dienst staan van Jezus in?

 

De dragende handeling is dat hij de voeten wast van zijn leerlingen, een slavenklus, niks voor een Heer en Meester. Toch doet Jezus het - het lijkt wel of hij het heel spontaan doet. De inhoud ervan wordt duidelijk als hij bij Petrus komt: hij biedt deelgenootschap aan, nederig, in dienst. Jezus doet dat in het bewustzijn dat hij van de Vader was uitgegaan zegt Joh uitdrukkelijk erbij, m.a.w. zo laat hij zien hoe zijn Vader is. God biedt deelgenootschap aan, gemeenschap met Hem - de mens kan komen bij zijn Bron, in zijn Bron. God doet dat dienend, Zich aanbiedend. Nu geen grote machtige die Zijn tegenstrevers de les leert maar een - laat me zeggen - een stille Aanwezigheid, wenkend, uitnodigend.

 

Zonder romantisch of sentimenteel te zijn kunnen we ons afvragen wat Jezus gedacht heeft toen hij Judas de voeten wies. Ook hem biedt hij gemeenschap aan, zijn gemeenschap. Hoe heeft hij de voeten van zijn verrader omvat? Hij heeft ook hem bemind tot het uiterste toe, tot het uiterste toe zijn gemeenschap aangeboden, wenkend, uitnodigend, misschien wel smekend. Zelfs na de voetwassing heeft hij hem nog het stukje vriendenbrood aangeboden. Maar het was en bleef nacht. Judas zag geen licht.

 

Als Jezus aan Judas, van wie hij weet dat die hem zal overleveren, nog gemeenschap aanreikt, zal hij dan ons die wel graag willen maar het niet altijd goed doen, zal hij dan ons dat niet aanreiken?  Moeten wij dan bang zijn om dat aan te nemen, om in dat Licht te gaan staan? Hij helpt ons of we ons waardig achten of niet. Hij is immers van God uitgegaan. Zullen we dat even over ons laten komen?

 

Goede Vrijdag 18 april '03; '04

Jes 52,13 - 53,12; psalm 31; Joh 18,1 - 19,42

(voor 'zes', zesde uur, zie desgewenst getallensymboliek )

psalm 31  Bij U, HEER, kom ik schuilen, beschaam mij nooit ofte nimmer, bevrijd mij in uw rechtvaardigheid.

Ik leg mijn geest in uw hand: red mij, HEER, getrouwe° God.

Mijn vijanden spotten met mij, buren wijzen mij na, kennissen schrikken van mij:

ze zien mij op straat en gaan op de loop.

Ik ben vergeten, als een dode, weg uit het hart, als een kruik die in scherven ligt.

 HEER, ik stel mijn vertrouwen in U;

ik houd eraan vast: U bent mijn God.

Mijn levenslot ligt in uw hand; maak mij los uit de greep van vijand en achtervolger.

Laat uw lichtend gelaat over uw dienaar schijnen, red mij, want U hebt mij lief.

Jullie, die wachten op de HEER, wacht met een dapper, standvastig hart.

 

De eerste lezing is het vierde lied van de dienstknecht. Ze is de moeilijkste, ze gaat over lijden. Ze staat terecht in deze context. Wij zijn geneigd snel over het lijden van Jezus heen te stappen omdat we de afloop kennen. Maar we kunnen het niet verdoezelen, we moeten het in de ogen kijken. Ook andere volken worstelen met de vraag van het lijden, en het Lied van de Dienaar is een Joodse benadering. Al dat lijden - moet het niet érgens goed voor zijn? Alle onrecht, geweld, ziekte, honger, armoede, verminking, ongeluk - van alle tijden, overal op aarde - wat moeten we ermee?

 

De eerste lezing gaat diep op lijden in, het verbergt niet, maar ziet voor die dienstknecht, die het vrijwillig op zich neemt, een heilsgegeven: hij lijdt voor anderen, in hun plaats. Zoals wij voor anderen bidden, zo neemt hij lijden op zich om anderen te redden, te redden van de zonde, van de schuld. De straf die zíj hebben verdiend, neemt híj op zich. Hij doet het als de dienstknecht van de Heer en zo toont hij de uitzichtloosheid van de zonde en biedt hij door zijn opoffering uitzicht aan, de weg tot een doel, tot de Heer. Hij lijdt voor een ideaal. Geen wonder dat deze visie op Jezus wordt toegepast. Zo lijdt hij volgens de Schriften. Zo vervult hij de Schriften.

 

Een kernpunt van het lijdensverhaal van Johannes is het koning zijn van Jezus. De 'scène' waarin Pilatus driemaal naar buiten komt, heen en weer tussen Jezus en de Joden, is opvallend. Pilatus zoekt naar recht maar de Joden willen Jezus niet: "kruisigt hem!" En dan is het het zesde uur. Het Joodse kader waarin Jezus optrad, is vervallen. De zending van Jezus als Messias breekt naar buiten: het Verlosserwerk, het heil van Godswege wordt voor de hele wereld.

Jezus heeft zich ingezet voor een ideaal. Maar, als we zien naar hem aan het kruis, als we zijn aftakeling aandurven, komt dan niet de vraag omhoog: "God, moet het nou zo?" Als we een dierbare dode na een lang ziekte proces zien, als we verminkten zien, uitgehongerden, vragen we dan niet "God, kon het niet anders?" Op die vraag komt geen antwoord, we kunnen alleen maar zeggen dat het zo is; zo gebeurt het.

Toch is er een antwoord: de Vader heeft niet ingegrepen toen het Jezus, Zijn eigen Zoon, het ook overkwam. Ook hij gaat de mensenweg. Zijn  "God, mijn God, waarom toch ?" is voor alle mensen, gaat over de hele wereld, nog steeds. Als de Vader toen had ingegrepen, had Hij ons nooit antwoord kunnen geven. Nu geeft Hij een indirect antwoord: Hij lijdt met mensen mee. Dank zij Jezus, die het in Zijn hand legde. Zo is Aanwezigheid. Zo is 'Hij-is-er'.

Moge het alle mensen die lijden gegeven zijn om zich daarin met Jezus verbonden te voelen. En zijn Kracht mee te krijgen. Dat ook voor hen de psalm inhoud krijgt: " Bij U, HEER, kom ik schuilen", " Ik leg mijn geest in uw hand: red mij, HEER, getrouwe God.".

 

 

 

Paaszondag    31 maart 2002; 27 maart 2005 (toegespitst op A)

Hand 10, 34a. 37-43; psalm 118; Joh 20, 1- 9

Psalm 118  Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

De rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de HEER overwint.'

Ik ben niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dat is het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.

Dit is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

 

Bij de grote feestdagen, Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Allerheiligen/Allerzielen merken we dat we in een jaarcyclus leven en we zijn dan wat meer geneigd om na te denken: hoe was het vorig jaar Kerstmis, Pasen enz. We denken zelfs vooruit: hoe zal het het volgend jaar zijn?

Het zijn goede gelegenheden om te denken over ons leven, het kostbaarste dat we hebben omdat het met ons eigen zelf te maken heeft. We weten dat we bestaan, dat we eten en drinken; we weten niet alleen dat we bestaan maar we weten ook dat er een 'meer' is, dat er een 'nog niet' is. Als gelovigen richten we dat weten op God, de Vader van Jezus, die Hem uit de doden heeft opgewekt. M.a.w. we denken na niet alleen over dat we bestaan maar ook over wát we zijn, hoe ons bestaan, hoe ons leven is. Voor ons: hoe ons gelovend Leven met God is. En het is niet zo gek om na het begin van dat leven met Kerstmis te hebben gevierd, nu in de lente te denken aan nieuw leven, toenemend Leven. Ieder jaar weer een stukje nieuw Leven verwerven, verworven hebben, ieder jaar weer een stapje vérder naar het 'meer', want er is een 'nog niet', nog niet volledig.

 

De eerste zondag van de voorbije veertigdagentijd was het thema dat wij niet van brood alleen leven, er is meer. De tweede zondag  zijn we met Jezus de hoge berg op gegaan, spiritueel leven. Op de derde zondag hebben we gedacht over hoe de bron van levend water in ons kan opwellen. Daarna was het de ontmoeting van de blindgeborene met Jezus "Je hebt Hem eerder ontmoet. Het is degene die tot je spreekt". En tenslotte de bij de opwekking van Lazarus: "Marta, geloof je dat? Maria, ben je er?" Allemaal thema's waarmee Jezus ons tot God voert. Nu zijn we dan gekomen bij zijn féest van zijn bereiken van God, zijn verhoging tot Gods rechterzijde, zijn Abba, Leven met God, in God, Zijn goddelijk Leven. Hij is er, nu wij nog.

 

Wij baseren dat Leven met God op de geloofsbelijdenis van Petrus: hij is de eerste en/of voornaamste getuige van dat geloof in de verrijzenis - de verrijzenis van Jezus én onze verrijzenis. In de eerste lezing hebben we gehoord hoe hij kort weergeeft zijn eigen ervaringen, zijn omgaan met Jezus gedurende diens leven - "hij ging weldoende rond"- en wat voor een verschrikkelijke dingen gebeurden in Jeruzalem - ze hebben hem als een misdadiger aan een schandpaal genageld en vermoord. Maar - belijdt Petrus - God heeft hem doen opstaan en hem laten verschijnen.  Evenwel, alleen laten verschijnen aan mensen "die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de doden was opgestaan". Zij moesten verkondigen dat Jezus de Rechter is voor de Joodse z.g. jongste dag, het laatste oordeel, en ook dat hij behalve Rechter ook de Vergever is, degene die zonden van mensen vergeeft, zelfs van degenen die hem aan het kruis hebben laten slaan, als ze het maar inzien en hem willen volgen.

Behalve Vergever is hij ook degene die mensen open maakt, die van hem willen leren hoe naar God toe te leven. En als je dat in de gaten krijgt, is er alle reden om vandaag te juichen /(en te zingen) "Dit is dé dag die de Heer heeft gemaakt"/ "Zie, deze dag schiep de Heer, laat ons hem vieren in blijdschap". Want God die Jezus van de doden heeft opgewekt, de ten Leven roepende Vader, vult het 'meer' en 'nog niet' in op een wonderlijke wijze, toont Zijn bezorgdheid om Zijn schepsels voor  hun eeuwig heil, eeuwig Leven met Hem.

 

Maar, hoe komt Petrus daarbij? Hij die driemaal zegt Jezus niet te kennen, hij die met zijn medegetuigen op de vlucht slaat, Jezus in de steek laat, terwijl hij nog te voren had gezegd met hem zullen sterven. Hoe komt Petrus aan dat inzicht, dat geloof in Jezus als de Rechter en Vergever?

Iedereen heeft kunnen zien dat Jezus leefde (en hoe!), dat hij werd veroordeeld en leed en stierf aan een kruis. Daarna kan niet iedereen hem zien. Hij is alleen te 'zien' in geloof.

Hoe het en wat er historisch precies is gebeurd, weten we niet; de verrijzenisverhalen verschillen nogal van elkaar. Maar waarin ze alle vier overeenkomen is dat vrouwen de aanzet zijn. Het evangelie van Johannes vertelt hoe Maria Magdalena naar het graf gaat. Wat moet zij daar doen? De mannen zijn er vandoor maar zij heeft wat, zij zoekt Jezus nog, zij staat nog in relatie met hem, misschien heel simpel gevoelsmatig - maar toch. Later zegt ze tegen de tuinman dat ze 'haar' heer hebben weggehaald, ze zoekt haar Heer.

's Morgens vroeg gaat ze - "het is nog donker" - typisch Johannes: ze 'zag' nog niet. En dan gebruikt de evangelist driemaal het word 'zien'. De eerste keer in de betekenis 'constateren': Maria constateerde dat de steen was weggerold en automatisch denkt ze dat het lijk van Jezus is gestolen. Ze rent naar Petrus en Johannes, vertelt wat ze heeft geconstateerd, Johannes rent vooruit en "vooroverbukkend" constateert hij iets over de zwachtels.

Dan komt Petrus en hij gaat het graf wel binnen: hij durft de confrontatie met de dood nu aan. In het graf, in de wereld van de dood, 'beschouwt' hij, zegt de evangelist, de tweede betekenis van 'zien'. Hij 'overweegt' n.a.v. de zwachtels en de zweetdoek. Misschien dacht hij aan Lazarus, die de zweetdoek nog voor had, terwijl die van Jezus apart lag, opgerold. Hoe kan dat?

Dan gaat ook Johannes het graf in en hij 'ziet in', de derde betekenis van zien, hij doorziet. Toen pas, want ze hadden nog niet begrepen, nog niet ingezien dat e.e.a. al in de schrift lag opgesloten. In de Schrift lag dat iemand die een Gerechte is, die goed heeft geleefd, niet door de God van het Verbond in de steek wordt gelaten. Niet in de steek wordt gelaten op het definitieve moment, op 'de derde dag', voor Jezus was dat na zijn offerdood.

Dat móést wel volgens de Schriften zijn, kon niet anders. MAAAR, maar dat wil dan ook zeggen dat inzet van Jezus voor het Rijk van God terecht was en dat in die vernederde aan het kruis dat Rijk begonnen is. De Messias is dus geen grote figuur die het machtige rijk van David even herstelt maar een - laat me zeggen - stille, persoonlijk inspirerende Kracht, die in ieder mens werkt en vraagt om hem te volgen. Dat was de Joodse gedachte over de Messias op zijn kop. Geen wonder dat Petrus 'beschouwde', eens goed moest nadenken. Johannes, de leerling die Jezus lief had, 'ziet' vanuit spontane liefde. Petrus moest nadenken over de consequenties; Johannes - even geholpen door Petrus - wist het eigenlijk al - op een andere manier, een manier die vrouwen beter kennen.

 

Om verrijzenis te zien zitten, om in te zien dat ons leven een bovenkant heeft, om ons 'meer' en een 'nog niet' definitief in te kunnen vullen hebben we geloof nodig. Om recht te doen aan ons goed-zijn moet er een stap over het gewone leven heen gemaakt kunnen worden, een stap die niet af te dwingen is, maar een overtuiging die alleen maar in vrijheid ontstaat en die een eerlijke en verantwoorde beslissing aanreikt: op een of andere manier weten dat goed zijn als Jezus, met hem leven, eeuwigheidswaarde heeft. Het is immers een naar God toe leven. Zo kun je rekenen op een gunstig oordeel van de Rechter op jouw derde dag. Zo kun je ook ervaren hoe het is samen met hem te zijn, voor je werken naar buiten, voor je weten naar binnen. 

Geloof is niet aannemen op gezag, geloof is veel meer dan iets voor waar houden. Geloof is met hoop en liefde, zoals de vrouw had, leven naar God toe. Ieder jaar een stukje meer verlangen, vertrouwen, leren kennen, in het Licht gaan staan en weer een korrel in de aarde van onze liefde ontvangen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Verrijzenis kun je niet gewoon zien. Verrijzenis is niet dat een lijk weer levend wordt. Eeuwig leven is niet te bewijzen - gelukkig maar, dan was de 'lol' ervan af. Verrijzenis, eeuwig leven, hemel is gebaseerd op willen zien, op inzet, waarmee je ervaart dat het een goede zaak is. Net als Jezus. Je kunt ook zeggen dat het wel zo móet zijn vanwege de liefde, zoals die vrouw(en) dat aanvoelde(n). Hij had immers zijn leven ervoor over.

 

Geloof is leven naar God toe, naar Hem die ten Leven wekt. Wij kunnen dat samen doen met Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Zullen we ons even tijd gunnen om wat vrouw te zijn en dat te binnen laten komen, naar God toe ?

 

2e Paasdag ochtendgebed. 2008

" Nee, zegt de Schrift, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart, het woord namelijk van het geloof, dat wij verkondigen. Want als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden. Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond brengt de redding".  Rom. 10.8vv

"uw hart gelooft" wat is dat? Geloven met je hart, in je hart, het geloof van je hart ….? We zijn begonnen met "Heer open mijn lippen en mijn mond zal uw lof verkondigen". 'Waar het hart van vol is loopt de mond van over'. Hoe komt het hart vol?

Bij lippen, mond, bij "als uw mond belijdt"  kun je denken aan geloofsbelijdenis, doopsel. Dan begin je op de weg van Hem, de weg van die Vrede. Maar je moet de weg wel nog gaan. Dan kun je denken aan het Vormsel, de Geest die je op die weg leidt.

We zouden het ochtendgebed ook kunnen beginnen met een spreuk als "Geest, grote Geest, leid mijn geest in Uw oneindigheid, opdat mijn hart kan ontvangen en mijn ziel rijker wordt". Ziel is je schatkamer, waarmee je voor God staat, waarin je kunt genieten, waarover God Zich verheugt. Schatten die je hebt verworven, gekregen, onvergankelijk. De Geest is ruimte, diepte, hoogte, overal, actief, doordringend.

Je hart is je leven, wat je doet, wat je verlangt. Wat ontvangt het hart? Wat ontvangt het graag van de Geest? Waarmee zal de Geest het hart vol maken? Dat is heel veel maar in ieder geval kun je zeggen dat het het geloof ontvangt, een gave van de Geest. Het geloof in de Christus ontvangen van de Geest van Christus. Dus ook het geloof in de opwekking uit de doden.

Maar is dat geloof te verantwoorden? Hoe weet ik, hoe weet mijn hart, dat dat goed zit? Wel, als we uitgaan van God als een maximaal Wezen, is HijZ ook maximaal in wat mensen liefde noemen. Maximaal in liefde voor Zijn schepsels. Die liefde dringt Zich op, moet naar buiten kunnen, wil Zich manifesteren in de schepping. Jezus van Nazaret is dan a.h.w. de poort waardoor Zij de schepping binnendringt en Zich uit. Ook dat kan Zij alleen maar maximaal: Jezus, God én mens, éen persoon; meer kan niet in de schepping. Maar, als - ondanks het feit dat Jezus de wil van zijn Vader heeft gedaan - zijn leven op de dood uitloopt, kan God dan vast lopen? Nee, wij zeggen dat de Vader hem uit de doden heeft opgewekt in hun beider Geest. De Vader ontkent het lichaam van Zijn Zoon niet, Jezus' persoon niet, Hij honoreert het met de verrijzenis van zijn lichaam. Dat is consequent; dat is Zijn Gerechtigheid. Hoe dat kan weten we niet, het heeft met bovennatuur te maken maar de natuur signaleert het: Ze hebben met Hem gegeten en gedronken na zijn dood.

Vrouwen ontdekken het eerst de verrijzenis van Jezus. Achteraf kun je bedenken dat zij dat intuïtief het liefst wilden. Zo kunnen wij zeggen dat wij in ons hart het liefst in de verrijzenis geloven, graag geloven; het is 'logisch', consequent, en te verantwoorden binnen ons geloof in God de Vader, zijn Zoon en hun beider Geest.

Onze harten kunnen geloven dat God hem uit de doden heeft opgewekt. Dat brengt ons de gerechtigheid want dan staat Christus Jezus garant voor onze verrijzenis. En dat willen we graag.

 

Paaszondag  31 maart 2002; aangepast aan B, 20 april '03

Hand 10, 34a.37-43; psalm 118; Joh 20, 1-9

Psalm 118  Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

De rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de HEER overwint.'

Ik ben niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dat is het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.

Dit is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

 

Bij de grote feestdagen, Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Allerheiligen/Allerzielen merken we dat we in een jaarcyclus leven en we zijn dan wat meer geneigd om na te denken: hoe was het vorig jaar Kerstmis, Pasen enz. We denken zelfs vooruit: hoe zal het het volgend jaar zijn?

Het zijn goede gelegenheden om te denken over ons leven, het kostbaarste dat we hebben omdat het met ons eigen zelf te maken heeft. We weten dat we bestaan, dat we eten en drinken; we weten niet alleen dat we bestaan maar we weten ook dat er een 'meer' is, dat er een 'nog niet' is. Als gelovigen richten we dat weten op God, de Vader van Jezus, die Hem uit de doden heeft opgewekt. M.a.w. we denken na niet alleen over dat we bestaan maar ook over wát we zijn, hoe ons bestaan, hoe ons leven is. Voor ons: hoe ons gelovend Leven met God is. En het is niet zo gek om na het begin van dat leven met Kerstmis te hebben gevierd, nu in de lente te denken aan nieuw leven, toenemend Leven. Ieder jaar weer een stukje nieuw Leven verwerven, verworven hebben, ieder jaar weer een stapje vérder naar het 'meer', want er is een 'nog niet', nog niet volledig.

 

De eerste zondag van de voorbije veertigdagentijd was het thema verlangen naar God, op de tweede is dat verlangen gevestigd op vertrouwen op God, de derde week kwam het leren kennen van God erbij. Op de vierde zondag zijn we  gegaan naar het licht zodat van onze daden blijke dat zij in God zijn gedaan. Op de vijfde zondag vroegen we ons af 'Kan de graankorrel in ons binnenste vallen, waar de wet van de Liefde ligt, waar wij God kennen? Nu zijn we dan gekomen bij het féest van Leven met God, in God.

 

Wij baseren dat Leven met God op de geloofsbelijdenis van Petrus: hij is de eerste en/of voornaamste getuige van dat geloof in de verrijzenis - de verrijzenis van Jezus én onze verrijzenis. In de eerste lezing hebben we gehoord hoe hij kort weergeeft zijn eigen ervaringen, zijn omgaan met Jezus gedurende diens leven - "hij ging weldoende rond"- en wat voor een verschrikkelijke dingen gebeurden in Jeruzalem - ze hebben hem als een misdadiger aan een schandpaal genageld en vermoord. Maar - belijdt Petrus - God heeft hem doen opstaan en hem laten verschijnen.  Evenwel, alleen laten verschijnen aan mensen "die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de doden was opgestaan". Zij moesten verkondigen dat Jezus de Rechter is voor de Joodse z.g. jongste dag, het laatste oordeel, en ook dat hij behalve Rechter ook de Vergever is, degene die zonden van mensen vergeeft, zelfs van degenen die hem aan het kruis hebben laten slaan, als ze het maar inzien en hem willen volgen. Behalve Vergever is hij ook degene die mensen open maakt die van hem willen leren hoe met God te leven. En als je dat in de gaten krijgt, is er alle reden om te juichen /(en te zingen) "Dit is dé dag die de Heer heeft gemaakt"/ "Zie, deze dag schiep de Heer, laat ons hem vieren in blijdschap". Want God die Jezus van de doden heeft opgewekt, de ten Leven roepende Vader, vult het 'meer' en 'nog niet' in op een wonderlijke wijze, toont Zijn bezorgdheid om Zijn schepsels voor  hun eeuwig heil, eeuwig Leven met Hem.

 

Maar, hoe komt Petrus daarbij? Hij die driemaal zegt Jezus niet te kennen, hij die met zijn medegetuigen op de vlucht slaat, Jezus in de steek laat, terwijl hij nog te voren had gezegd met hem zullen sterven. Hoe komt Petrus aan dat inzicht, dat geloof in Jezus als de Rechter en Vergever?

Iedereen heeft kunnen zien dat Jezus leefde (en hoe!), dat hij werd veroordeeld en leed en stierf aan een kruis. Daarna kan niet iedereen hem zien. Hij is alleen te 'zien' in geloof.

Hoe het en wat er historisch precies is gebeurd, weten we niet; de verrijzenisverhalen verschillen nogal van elkaar. Maar waarin ze alle vier overeenkomen is dat vrouwen de aanzet zijn. Het evangelie van Johannes vertelt hoe Maria Magdalena naar het graf gaat. Wat moet zij daar doen? De mannen zijn er vandoor maar zij heeft wat, zij zoekt Jezus nog, zij staat nog in relatie met hem, misschien heel simpel gevoelsmatig - maar toch. Later zegt ze tegen de tuinman dat ze 'haar' heer hebben weggehaald, ze zoekt haar Heer.

's Morgens vroeg gaat ze - "het is nog donker" - typisch Johannes: ze 'zag' nog niet. En dan gebruikt de evangelist driemaal het word 'zien'. De eerste keer in de betekenis 'constateren': Maria constateerde dat de steen was weggerold en automatisch denkt ze dat het lijk van Jezus is gestolen. Ze rent naar Petrus en Johannes, vertelt wat ze heeft geconstateerd, Johannes rent vooruit en "voorover bukkend" constateert hij iets over de zwachtels. Dan komt Petrus en hij gaat het graf wel binnen: hij durft de confrontatie met de dood nu aan. In het graf, in de wereld van de dood, 'beschouwt' hij, zegt de evangelist, de tweede betekenis van 'zien'. Hij 'overweegt' n.a.v. de zwachtels en de zweetdoek. Misschien dacht hij aan Lazarus, die de zweetdoek nog voor had, terwijl die van Jezus apart lag, opgerold. Hoe kan dat? Dan gaat ook Johannes het graf in en hij 'ziet in', de derde betekenis van zien, hij doorziet. Toen pas, want ze hadden nog niet begrepen, nog niet ingezien dat e.e.a. al in de schrift lag opgesloten. In de Schrift lag dat iemand die een Gerechte is, die goed heeft geleefd, niet door de God van het Verbond in de steek wordt gelaten. Niet in de steek wordt gelaten op het definitieve moment, op 'de derde dag', voor Jezus was dat na zijn offerdood.

Dat móést dus wel volgens de Schriften zijn, kon niet anders. MAAAR, maar dat wil dan ook zeggen dat inzet van Jezus voor het Rijk van God terecht was en dat in die vernederde aan het kruis dat Rijk begonnen is. De Messias is dus geen grote figuur die het machtige rijk van David even herstelt maar een - laat me zeggen - stille, persoonlijk inspirerende Kracht, die in ieder mens werkt en vraagt om hem te volgen. Dat was de Joodse gedachte over de Messias op zijn kop. Geen wonder dat Petrus 'beschouwde', eens goed moest nadenken. Johannes, de leerling die Jezus lief had, 'ziet' vanuit spontane liefde. Petrus moest nadenken over de consequenties; Johannes -even geholpen door Petrus - wist het eigenlijk al - op een andere manier.

 

Om verrijzenis te zien zitten, om in te zien dat ons leven een bovenkant heeft, om ons 'meer' en een 'nog niet' definitief in te kunnen vullen hebben we geloof nodig. Om recht te doen aan ons goed-zijn moet er een stap over het gewone leven heen gemaakt kunnen worden, een stap die niet af te dwingen is, een overtuiging die alleen maar in vrijheid ontstaat en die een eerlijke en verantwoorde beslissing aanreikt: op een of andere manier weten dat goed zijn als Jezus, met hem leven, eeuwigheidswaarde heeft. Zo kun je rekenen op een gunstig oordeel van de Rechter op jouw derde dag. Zo kun je ook ervaren hoe het is samen met hem te zijn, voor je werken naar buiten, voor je weten naar binnen. 

Geloof is niet aannemen op gezag, geloof is veel meer dan iets voor waar houden. Geloof is met hoop en liefde, zoals die vrouw had, leven naar God toe. Ieder jaar een stukje meer verlangen, vertrouwen, leren kennen, in het Licht gaan staan en weer een korrel in de aarde van onze liefde ontvangen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Verrijzenis kun je niet gewoon zien. Verrijzenis is niet dat een lijk weer levend wordt. Eeuwig leven is niet te bewijzen - gelukkig maar, dan was de 'lol' ervan af. Verrijzenis, eeuwig leven, hemel is gebaseerd op willen zien, op inzet, waarmee je ervaart dat het een goede zaak is. Net als Jezus. Je kunt ook zeggen dat het wel zo móet zijn vanwege de liefde, zoals die vrouw(en) dat aanvoelde(n). Hij had immers zijn leven ervoor over.

 

Geloof is leven naar God toe, naar Hem die ten Leven wekt. Wij kunnen dat samen doen met Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Zullen we ons even tijd gunnen om wat vrouw te zijn en dat te binnen laten komen, naar God toe ?

 

 

Paaszondag 11 april '04 (toegespitst op C)

Hand 10, 34a.37-43; psalm 118; Joh 20, 1-9

Psalm 118  Dank de HEER, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen.

Israël, kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'

De rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand van de HEER overwint.'

Ik ben niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik vertellen;

De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden.

Dat is het werk van de HEER, een wonder is het in onze ogen.

Dit is de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag van jubel en vreugde.

 

Wanneer wij staan bij een overledene van wie we veel houden, willen we geen afscheid van hem of haar nemen, geen afscheid voor goed. Op een of nadere manier zullen we elkaar weerzien zeggen we dan, en als we het niet zeker weten, dan hopen we het vurig. We kunnen ons afvragen of dat bij de leerlingen van Jezus ook het geval geweest zal zijn. Waarschijnlijk niet. De ramp was zo groot dat zij versuft, verslagen, verdoofd - noem maar op - zijn geweest. Wat daar gebeurd is op Golgota was zo absurd - dat had niemand verwacht. Hoe kon het nu dat iemand die alleen maar goed had gedaan, die weldoende rondging, hoe die als een misdadiger, zelfs als een ongelovige Jood, een godslasteraar, aan een schandkruis was gehangen en vermoord? Hun zekerheid, hoop, verwachting van het koninkrijk Gods, lag in puin.

Misschien kunnen we ons een beetje voorstellen wat het voor de leerlingen geweest moet zijn. Ook bij ons  stort onze wereld wel eens in elkaar als we een slecht bericht krijgen. Maar wij weten nu hoe het afliep met Jezus, zij niet.

En dan komt er een vrouw vertellen dat het graf open is. Het is de eerste dag van de week. Ook voor haar was het nog donker. Lucas vertelt dat de apostelen dat bericht als beuzelpraat afdoen. Johannes vertelt het anders.

Op de eerste plaats gaan er geen vrouwen naar het graf om het lichaam van Jezus te balsemen; dat heeft Jozef van Arimatea al gedaan. Deze vrouw gaat naar het graf puur omdat ze wat met Jezus heeft, iets speciaals. Op haar woord gaat Petrus ook, hij gaat vlug met de andere leerling, die nog harder loopt. Toch hoop? Kennelijk wel, maar het blijkt dan toch anders dan je zou verwachten, áls je al iets verwacht. Petrus gaat het openstaande graf in: d.w.z. hij gaat de confrontatie met de dood aan en daarbinnen ziet hij de zwachtels en de zweetdoek, hij beschouwt ze staat in het Grieks, hij overdenkt, hij ziet in.

Johannes beschrijft dat inzien met behulp van de zwachtels en de zweetdoek. Als we dit vergelijken met het verhaal van de opwerking van Lazarus, wordt inderdaad een verschil duidelijk: Lazarus komt naar buiten met zwachtels en al en een doek om het hoofd. Dat graf zou opnieuw kunnen worden gebruikt. In Jezus' graf liggen de zwachtels er nog, de tekenen van de dood liggen in de doodsplek, de dood is dood, het graf stopt, is leeg, heeft verder geen betekenis of doel meer. De zweetdoek krijgt een speciaal accent, ze ligt opgerold apart. Het gezicht waarin alle zintuigen van de mens samenkomen, waar zijn leven te zien is, is vrij van de dood. Jezus moet dus gezien kunnen worden, moet herkenbaar zijn.

Zo beschrijft Johannes dat. Maar wat is dat dan, hoe komt Petrus tot dat inzicht? Geloof krijg je. Die ene leerling ging ook het graf in, hij ziet in en hij gelooft. Dat Jezus de Christus is, de Zoon van de Levende God heeft de Vader in de hemel aan Petrus geopenbaard. Het inzicht van Petrus is dat als Jezus zich niet heeft vergist wat betreft het Koninkrijk, als het toch waar is, leeft hij bij God, Zijn Vader. Is hij niet gestopt in het graf. Dan kan het toch kloppen. Zou het waar zijn?

Maar dan gaat wel de wereld op zijn kop: de steen die de bouwers hebben versmaad, die is de hoeksteen geworden, de primaire steen waardoor de ligging van het hele gebouw wordt bepaald. De Heer greep in met krachtige hand, een wonder voor onze ogen, de hand van de Heer heeft mij opgericht.

Het ís waar, Petrus gelooft er in en gaat verkondigen dat Die Jezus de Messias was en nog is, dat in Hem de schriften werden vervuld, dat hij is opgestaan 'volgens de Schriften'  zegt Paulus uitdrukkelijk.

 

Johannes haakt daar ook op in: hij zegt zo ongeveer dat als zijn Petrus en Johannes de Schrift hadden begrepen dan hadden ze gewéten dat hij uit de doden móest opstaan. Dat kon niet anders, dat was consequent, volgens de Schriften.

Voor ons ligt er ook een consequentie. Wij leven in een jaarcyclus en ieder jaar als de zon zich weer in de hogere regionen van de lente en zomer bevindt, komt er nieuw leven om ons heen en is er alle aanleiding om die vraag weer te honoreren: hoe kan dat? Wat speelt er om ons heen, waarin bevinden wij ons dat leven voortgaat? Als gelovigen "zijn wij en leven wij" in Gods hand, in Zijn Aanwezigheid. Die Aanwezigheid is zo al omvattend, zo indringend dat wij er ons eigenlijk niet over hoeven te verbazen dat onze Schepper, onze God van Liefde, mens is geworden. We verbazen ons toch wel, niettemin is het wel een invulling, een uiting van maximale Liefde. Maar als God mens is geworden, is het dan niet consequent om te zeggen dat die eenheid van mens en God niet stuk kan gaan, dat de mens Jezus wel móest worden verhoogd tot aan Gods rechterhand, wel móest verrijzen? Het is een mogelijkheid, een inzicht, en als je het ziet, wil je graag geloven. Is er iets mooiers?

We zijn deze veertigdagentijd begonnen met de ballade van de boer die voort ploegde en die een stem hoorde, een stem uit de hemel. Wij werden geroepen ook te luisteren naar de stem van God. "Ik daal af om Mijn volk te redden". We hebben gelezen van de Vader die uitkeek naar zijn verloren zoon. We hoorden hoe Jezus die vrouw ook niet veroordeelde. Moeten we nog meer?

Met dat vertrouwen in dat geloof ligt de zaak ook voor ons open: zijn belofte is dat hij een plaats in de hemel maakt voor hen die zijn leerlingen zijn. Dat kan de grote troost zijn, de grond voor de verwachting bij het sterfbed van een dierbare. We doen ons best, wel krakkemikkerig maar toch willen we zijn leerling zijn. En krakkemikkerigheid wordt ons graag vergeven, als we maar graag willen.

 

Dit is dé dag die de Heer heeft gemaakt. Zo is onze God voor jong en oud: ons leven in Zijn Hand. Zullen we dat eens even vieren?

terug naar begin pagina

 

Pinksteren  A zondag 19 mei 2002; '05

Hand 2, 1-11; psalm 104; Joh 20, 19-23

Psalm 104   Prijs de HEER, o mijn ziel. HEER mijn God, U bent machtig groot,

Hoe veelzijdig is wat U doet, o HEER, de aarde is vervuld van uw kunstenaarschap.

Ontneemt U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.

Maar geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw.

Glorie zij de HEER voor immer en altijd;

dat Hij vreugde zal beleven aan alles wat Hij gemaakt heeft:

Mijn lied zal Hem bevallen, en ik vind mijn vreugde in de HEER.

 

Han Fortmann heeft eens geschreven dat een vis pas op de kar van de visboer zou ontdekken dat hij een waterdier is - als dat beestje kon ontdekken. Zo iets geldt ook voor ons. We zijn misschien verwend want we zouden pas ontdekken wat de Geest is als het een dooie boel is geworden. Geest is overal en altijd.

 

Natuurkundigen die bezig zijn met de kleinste delen in de natuur en hun beweging zien, vragen zich wel af hoe dat alles in beweging blijft. Biologen die het leven zich zien afspelen in de kleinste dingen, vragen zich wel af wie dat alles gaande houdt. En we hoeven niet ver te zoeken: wat is dat, dat leven wat ik zelf doe? Het is de geloofsbelijdenis van de Jood, de Christen dat hij beaamt, accepteert dat bij de schepping de Geest Gods boven de oerwateren zweefde, of het water tot leven bracht. "zweefde","bracht", verleden tijd? Gaat schepping niet continu door? Kunnen we binnen die geloofsbelijdenis niet zeggen dat de Geest van de Schepper de schepping gaande houdt? Ook mijn biologische leven? Tot op mijn gebeente toe zoals de bijbel wel schrijft.

 

De schepping is een zichtbare manifestatie, uitbundig, en net als bij de schepping is de Geest ook actief bij het begin van de Kerk. Hij uit Zich  met een gedruis en als een vuur die Zich van de aanwezigen meester maakt, de apostelen, Maria en anderen, die eensgezind volhardend in gebed bijeen waren. Wat in een besloten kring gebeurt, wordt naar buiten zichtbaar als de pelgrims vanuit de hele wereld en de bewoners van Jeruzalem te hoop lopen en zij worden overdonderd door al die talen waarin zij persoonlijk worden aangesproken. Toen werd het duidelijk naar buiten.

 

Maar net zo min als de Geest alleen bij het begin van de schepping actief is net zo min is Hij alleen actief bij het begin van de Kerk, Hij is het nog steeds. Hoe vaak lezen we niet in de bijbel dat mensen worden gedreven door de Geest, hoe profeten profeteren over de Geest, dat Jezus zijn Geest belooft aan de leerlingen, dat Paulus schrijft over de werken van de Geest: "Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid. Tegen zulke dingen kan de Wet niet op" - de Joodse Wet die zij als knellend ervoeren en de 'Wet' van de Geest (de Geest van Jezus) die zij als bevrijdend ervoeren. De Geest die actief is en blijft in de Kerk, de goede Geest die niet te vervangen is door een wet, die niet te vangen is in een wet. En dat geldt ook in onze huidige situatie. Een burgerlijke wet haalt het niet bij de 'wet' van de goede Geest. Voor het leven is meer nodig dan menselijke afspraken. Het is nog steeds een van de taken van de Kerk om maatschappelijk kritisch en relevant te zijn, om de goede geest te bevorderen, daarbij gesteund door Gods Geest, opdat ons leven goed is.

 

Is dat alles geen reden om eens per jaar, als het nieuwe leven in de natuur zich aandient, het Feest van de Geest te vieren? Zendt Gij Uw Geest, dan komt er weer leven - dan maakt Gij Uw schepping weer nieuw"/"Zend Gij Uw ademtocht, uw werken ontstaan; het gelaat van de aarde vernieuwt Gij" hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

 

Gods Geest uit Zich niet alleen naar buiten, Hij is ook een persoonlijke Kracht, naar binnen gericht, intiem. God geeft Hem aan ieder die erom vraagt. Hij getuigt bij mensen persoonlijk van de waarheid, geeft mensen persoonlijk een overtuiging mee, geeft mensen persoonlijk Kracht. Als we bedenken hoe Jezus zijn leerlingen de Geest belooft - we hebben het de vorige zondagen gelezen hoe hij in het hogepriesterlijk gebed vanuit zijn Intimiteit met Zijn Vader hun de Helper toezegt. Vandaag lazen we in het evangelie hoe hij in hun besloten kring binnen komt, hun vrede toewenst, 'sjaloom', vreugde schenkt en dan over hen blaast om hen de Heilige Geest te geven, niet in een stormwind maar in een bries, zijn zachte adem. Dan beginnen de woorden van Paulus te resoneren "U hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen 'Abba'", heel vertrouwelijk: 'Pappa'. De Géest doet ons uitroepen, de Geest is werkzaam in ons: "De Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet wat de Geest bedoelt …" Als 'Abba' ons hart doorgrondt, is dat dan niet de plek waar wij zijn zoals we graag goed willen zijn, waar we zijn zoals Hij ons heeft bedoeld? De plek waar Hij Zijn Woord heeft neergelegd, Zijn Levenswoord, voor mij? Het Woord, dat tot Leven komt, als ik vraag om de H.Geest. Het Woord dat door Jezus herkend wordt.

 

Als Jezus over de apostelen blaast om hun de Geest mee te delen, geeft hij hun de macht om zonden te vergeven. Zondenvergeving is de blijde boodschap van het N.T. Zij maakt de weg naar God vrij voor hen die naar zijn Beeld zijn geschapen, niet alleen voor ons individueel ook voor de hele wereld. Op die vrije weg kan de Geest onze gelijkenis met God steeds meer vormen zodat wij Hem kunnen bereiken. Moge dit toch voor de hele wereld gelden.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het gaat om een ernstige en serieuze zaak: Jezus geeft niet alleen de macht om zonden te vergeven maar ook de bevoegdheid om zonden niet te vergeven.

Halleluia roepen is geen garantie voor de Geest. Geest is ook niet hetzelfde als een fijn of zoet gevoel. Het gaat om drijvende Kracht in je; je wilt er wat van maken, iets goeds van maken. Hoe je kunt weten dat het om de H. Geest gaat, merk je als je doet zoals Jezus deed, dan handel je in zijn Geest want het is de goede Geest. Dan ga je merken dat je samen met Jezus doet omdat zijn Geest meedoet. Je gaat ook denken zoals Jezus dacht en … bad. Zijn Geest bidt in ons. De Geest, Gods drijvende Kracht, Gods Adem, Gods Helper, die ook naar buiten waait waar Hij wil.

 

Het Feest van de Geest is als een uitslaande brand maar niet zonder die vonk in ons die wij tot vuur laten blazen. Zullen we daarvoor even open stellen?

Zie lied Gods Levenskracht

 

Pinksteren  B 8 juni '03 ('05)

Hand 2, 1-11; psalm 104; Joh 15, 26.27; 16, 12-15

Psalm 104   Prijs de HEER, o mijn ziel. HEER mijn God, U bent machtig groot,

Hoe veelzijdig is wat U doet, o HEER, de aarde is vervuld van uw kunstenaarschap.

Ontneemt U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.

Maar geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw.

Glorie zij de HEER voor immer en altijd;

dat Hij vreugde zal beleven aan alles wat Hij gemaakt heeft:

Mijn lied zal Hem bevallen, en ik vind mijn vreugde in de HEER.

 

Han Fortmann heeft eens geschreven dat een vis pas op de kar van de visboer zou ontdekken dat hij een waterdier is - als dat beestje al kon ontdekken. Zo iets geldt ook voor ons. We zijn misschien verwend want we zouden pas ontdekken wat de Geest is als het een dooie boel is geworden. Geest is overal en altijd.

 

Natuurkundigen die bezig zijn met de kleinste delen in de natuur en hun beweging zien, vragen zich wel af hoe dat alles in beweging blijft. Biologen die zien hoe leven zich afspeelt in de kleinste dingen, vragen zich wel af wie dat alles gaande houdt. En we hoeven niet ver te zoeken: wat is dat, dat leven wat ik zelf doe? Het is de geloofsbelijdenis van de Jood, de Christen dat hij beaamt, accepteert dat bij de schepping de Geest Gods boven de oerwateren zweefde, of het water tot leven bracht. "Zweefde","Bracht"? Verleden tijd? Gaat schepping niet continu door? Kunnen we binnen die geloofsbelijdenis niet zeggen dat de Geest van de Schepper de schepping gaande houdt? Ook mijn biologische leven? Tot op mijn gebeente toe zoals de bijbel wel schrijft.

De schepping is een zichtbare manifestatie, uitbundig, en net als bij de schepping is de Geest ook actief bij het begin van de Kerk. Hij uit Zich  met een gedruis en als een vuur die Zich van de aanwezigen meester maakt, de apostelen, Maria en anderen, die eensgezind volhardend in gebed bijeen waren. Wat in een besloten kring gebeurt, wordt naar buiten zichtbaar als de pelgrims vanuit de hele wereld en de bewoners van Jeruzalem daar te hoop lopen en zij worden overdonderd door al die talen waarin zij persoonlijk worden aangesproken. Toen werd het duidelijk naar buiten.

 

Maar net zo min als de Geest alleen bij het begin van de schepping actief was, net zo min is Hij alleen actief bij het begin van de Kerk, Hij is het nog steeds. Hoe vaak lezen we niet in de bijbel dat mensen worden gedreven door de Geest, hoe profeten profeteren over de Geest, dat Jezus zijn Geest belooft aan de leerlingen, dat Paulus schrijft over de werken van de Geest: "Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid. Tegen zulke dingen kan de Wet niet op" - de Joodse Wet die zij als knellend ervoeren. Maar  'Wet' van de Geest (de Geest van Jezus) ervoeren zij als bevrijdend. De Geest die actief is en blijft in de Kerk, de goede Geest die niet te vervangen is dóor een wet, die niet te vangen is ín een wet. En dat geldt ook in onze huidige situatie. Het is nog steeds een van de taken van de Kerk om maatschappelijk kritisch en relevant te zijn, om de goede geest te bevorderen, daarbij gesteund door Gods Geest.

Is dat alles geen reden om eens per jaar, als het nieuwe leven in de natuur zich aandient, het Feest van de Geest te vieren? Zendt Gij Uw Geest, dan komt er weer leven - dan maakt Gij Uw schepping weer nieuw"/"Zend Gij Uw ademtocht, uw werken ontstaan; het gelaat van de aarde vernieuwt Gij" hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.

 

Gods Geest uit Zich niet alleen naar buiten, Hij is ook een persoonlijke Kracht, naar binnen gericht, intiem. God geeft Hem aan ieder die erom vraagt. Hij getuigt bij mensen persoonlijk van de waarheid, geeft mensen persoonlijk een overtuiging mee, geeft mensen persoonlijk Kracht. Als we bedenken wat er met Maria is gebeurd, hoe zij in haar lofzang haar volheid uitzingt - haar 'Magnificat' is nog sterker dan wat wij in de tussenzang hebben bezongen/gebeden. Als we bedenken hoe Jezus zijn leerlingen de Geest belooft - we hebben het de vorige zondagen gelezen hoe hij in het hogepriesterlijk gebed vanuit zijn Intimiteit met Zijn Vader hun de Helper toezegt. Vandaag lazen we in het evangelie hoe hij in besloten kring het heeft over de Geest. "Wanneer de Helper komt … zal Hij over mij getuigenis afleggen en ook jullie moeten getuigenis afleggen want - en nu komt het - vanaf begin zijn jullie bij mij". Vanaf begin, niet vanaf het begin, maar 'beginsel is', 'punt van uitgang is', principe is dat jullie bij mij zijn. En als de Geest van de Waarheid is gekomen over jullie, begrijp je dat en leef je er helemaal in. Jezus weet waar hij het over heeft. Hij is immers zelf van de Geest, de Kracht van de Allerhoogste die Maria overschaduwde. Is dit geen hoogtepunt van intimiteit? Persoonlijke intimiteit die hij aan zijn leerlingen meedeelt.

Dan beginnen de woorden van Paulus te resoneren "U hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen 'Abba'", heel vertrouwelijk: 'Pappa'. De Géest doet ons uitroepen, de Geest is werkzaam in ons: "De Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet wat de Geest bedoelt …". Als Hij ons hart doorgrondt, is dat dan niet de plek waar wij zijn zoals we graag goed willen zijn, waar we zijn zoals Hij ons heeft bedoeld? De plek waar Hij Zijn Woord heeft neergelegd, Zijn Levenswoord, voor mij? Het Woord, dat tot Leven komt, als ik vraag om de H.Geest. Het Woord dat door Jezus herkend wordt. Ook dat mogen we beleven binnen de Kerk. Is Maria daar geen voor-beeld van?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Halleluia roepen is geen garantie voor de Geest. Geest is ook geen fijn of zoet gevoel. En toch is er die drijvende Kracht in je; je wilt er wat van maken. Hoe je kunt weten dat het om de H.Geest gaat, merk je als je doet zoals Jezus deed, dan handel je in zijn Geest want het is de goede Geest. Dan ga je merken dat je samen met Jezus doet omdat zijn Geest meedoet. Je gaat ook denken zoals Jezus dacht en … bad. Diezelfde Geest bidt in ons. De Geest, Gods drijvende Kracht, Gods Adem, Gods Helper, die ook naar buiten waait waar Hij wil.

 

Het Feest van de Geest zij een feest dat van binnenuit komt, binnen in gevoed en dan naar buiten móet omdat het een wereldvreugde is. Zullen we daarvoor even open stellen?

Zie desgewenst lied Gods Levenskracht 

 

Pinksteren  (C) 30 mei 2004 ('05) ('07)

Hand 2, 1-11; psalm 104; Joh14, 15.16.23b-26

Psalm 104

Prijs de HEER, o mijn ziel. HEER mijn God, U bent machtig groot,

met pracht en met verhevenheid omkleed.

Hoe veelzijdig is wat U doet, o HEER,

de aarde is vervuld van uw kunstenaarschap.

Ontneemt U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.

Maar geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw.

Mijn lied zal Hem bevallen, en ik vind mijn vreugde in de HEER.

 

Wij belijden en mogen leven in het geloof dat de Schepper van hemel en aarde Zijn schepping niet in de steek laat, dat HijZ Zich om ons, mensen, bekommert. God is trouw. We zijn niet alleen.

Met Kerstmis heet het Emmanuël, 'God met ons'. God heeft een belofte van hoop gegeven dat HijZ in een persoon zou laten zien wie en hoe HijZ is. Die belofte wordt ingelost door Jezus van Nazaret in wie HijZ mens werd en die weldoende rond ging. God is trouw. Met Pasen is het 'God voor ons' want HijZ stond toe dat zijn Zoon zelfs ten onrechte zou lijden en sterven om zijn waarheid. Alleen die waarheid kan de mens redden. HijZ verhoogde hem aan Zijn rechterhand, de Zoon tóonde zich als de Verrezene, als resultaat van Gods trouw. Met Pinksteren zij het 'God bij ons' want HijZ wil toch bij ons zijn als Zijn Dienaar, Zijn 'Levende-Lijve',  terug is gegaan naar Hem. Ook dan toont HijZ Zijn trouw en wel op twee manieren.

 

De eerste manier vinden we in het evangelie. Jezus zegt: "Als gij mij lief hebt … zal de Vader u een Helper geven om voor altijd bij u te blijven, de Geest van de waarheid" en "Hij zal U alles leren en u alles in herinnering brengen wat ik u heb gezegd". De Geest die geschonken wordt aan al wie gehoor geeft aan de Vader. De Geest, die getuigt, ons ingeeft, doet inzien dat Jezus bevestigd is door zijn 'Abba' om Israël te bekeren en het zijn zonden te vergeven, het Godvolk op God te richten. De H.Geest in ons, in ieder persoonlijk, de Geest die in ons bidt, die onze geest bevestigt. De Geest van de Waarheid die ons doet beseffen dat als God zijn eniggeboren Zoon de mensen-wereld binnen laat gaan, de Zoon wel móet opstaan uit de doden van het aarde-leven omdat de Zoon van eeuwigheid is. De Geest van de Waarheid die ons laat verblijven in de ruimte van die eeuwigheid.

De Schepper heeft in ons een geest gelegd van kind-van-Hem-zijn, een geest die ons doet uitroepen "Abba!", een geest van verlangen naar onze Oorsprong.  De H.Geest maakt ons daarvan bewust, hij bevestigt dat wij een Godskind zijn, Hij geeft ons "Abba!" een onweerstaanbare lading, begeestert onze roep, onze roep om God. De goddelijke vonk die in onze ziel is gelegd, wordt een vuur. Licht. Warmte. Fascinerend.

De H.Geest die één maakt wat in ons zelf verdeeld is, die onze aardsheid en onze hemelsheid bij elkaar brengt, die de nieuwe schepping van Pasen in ons bewerkt, die harmonie van ziel en lichaam oproept, die psychische wonden heelt, ons onvermogen te hulp komt,  opdat wij persoonlijk uitgroeien tot kind van de Allerhoogste, onze Oorsprong, zodat de Vader en de Zoon bij ons verblijf nemen, want HijZ is trouw aan zijn schepselen.

 

De tweede manier is maatschappelijk relevant. Als al die leerlingen bijeen zijn op één plaats, als ze één zijn in zijn Naam, laat God weer van Zich horen, zoals op de Sinaï, bij de Jordaan, op de Thabor. Nu laat HijZ zich horen als een gedruis uit de hemel, niet geconcentreerd in een stem maar rondom, overal. En er verschenen tongen, tongen als van vuur - licht, warmte, fascinerend - die zich als vanuit een centrum verdeelden over allen die daar bijeen waren. Bijeen, volhardend in gebed, in zijn Naam. Zou de brandende vonk in hun hart dan niet in vuur en vlam worden gezet?

Tongen zijn spraakgereedschap. Hoe het historisch precies is gegaan weten we niet maar kennelijk moest er iets uitbreken in alle talen, iets naar buiten komen voor de hele wereld. Het gaat nu niet meer om het Rijk van David, nee "Míjn getuigen zult ge zij vanuit Jeruzalem over de hele wereld" door de Kracht van de H.Geest. De Geest die ook één maakt wat door persoonlijke behoefte is verdeeld in de samenleving en die haar kan richten op die ene boodschap dat HijZ trouw is aan Zijn schepselen, maximaal belichaamd in Jezus, de gestorvene maar Verrezene.

 

Zo zijn ook wij hier bijeen en al is er geen gedruis en zijn er geen tongen als van vuur, in ons geloof kunnen wij de oude psalm bidden/zingen "Zendt ge uw geest, dan komt er weer leven - dan maakt Gij de schepping weer nieuw"/"Zendt Ge uw ademtocht, uw werken ontstaan: het gelaat van de aarde vernieuwt Gij". Het is een doorgaand proces, we leven in een voortdurende ontwikkeling van persoon en wereld naar nieuwheid. En God is bij ons: het feest van de Geest. Ieder jaar een beetje groter feest. De wereld en wij zelf kunnen het gebruiken. In de aanloop naar Pasen hebben we dit jaar gedacht aan de boer die een stem hoorde omdat hij voort ploegde. Ook wij ploegen voort, ploeteren voort en die stem … Die stem vervulde het hele huis, vervulle de hele wereld, ons hart helemaal.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je hebt beslist wel eens een neiging om de wijde wereld in te gaan zoals dat een beetje romantisch heet. Niks mis mee. Doen als je de kans krijgt. Het kan blijken dat die wereld korter bij je is dan je dacht en dat je ontdekt dat jij in de wereld staat. Misschien moet je wel bij je eigen wereld beginnen. 'Verbeter de wereld, begin bij je zelf'. Ook daarvoor is er gereedschap.

 

Die stem: God bij ons, licht, warmte, fascinerend, inspirerend. Zullen we ons even tijd gunnen om dat over ons te laten komen?

 

 

Zie desgewenst lied Gods Levenskracht

 

Drievuldigheidszondag A  22 mei 2005

Ex 34, 4b-6.8.9; Dan 3, 52-55; 2Kor 13, 11-13; Joh 3, 16-18

Daniël

"Geroemd bent U, Heer, God van onze voorvaderen, geprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd is uw glorievolle en heilige naam, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd bent U in uw heilige en glorievolle tempel, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd bent U die op kerubs troont en de afgronden doorziet, geprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd bent U op uw koninklijke troon, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.

Geroemd bent U in het firmament van de hemel, geprezen en geroemd in eeuwigheid."

 

Degenen onder ons die van harte gregoriaans hebben gezongen en zij die het nog zingen vergeten die juichkreet niet meer: "Benedicta sit Sancta Trinitas", "Gezegend zij de Heilige Drie-heid". De 'tune' die God als bron van zegen erkent en die door de hele wereld gaat met het 'Heer, ontferm u' en 'Eer aan de Vader en de Zoon en de H.Geest'. In de tussenzang hebben wij het loflied van de drie mannen in de vuuroven gebeden/gezongen "Geprezen zijt Gij, Heer, God onzer vaderen.U komt de lof toe in alle eeuwen"/"Geprezen zijt Gij, Heer, God onzer vaderen. Lofwaardig en roemrijk voor eeuwig". Die drie mannen waren in nood en zij zijn gered: het vuur deerde hen niet. Wij hebben ons daarbij aangesloten. De hoogte en de diepte en de verten van de hele schepping zijn nog niet genoeg om aan te geven hoe geweldig onze God is, de God onzer vaderen - zeggen de Joden, de God van Abraham, Isaak en Jakob - en wij zeggen de Vader van Jezus, de Christus, onze Schepper.

 

Tegenover die uitbundigheid staat de stilte van wat gebeurt in de lezingen: God met Mozes en Jezus met Nicodemus. Zij alleen. In de 1e lezing uit Exodus hebben we gezien hoe Mozes de Sinaï op gaat; hij moest alleen komen, alleen voor God gaan staan. Even te voren staat geschreven dat de Heer tegen Mozes zegt: "Hier bij Mij is nog plaats, kom op de rots staan". God - Mozes; Heer - bemiddelaar. Alleen zij. Nu daalt de Heer neer in een wolk, de wolk van Zijn Aanwezigheid, en God laat Mozes horen dat Hij het is, Hij noemt zijn Naam, JHWH, Hij-is-er, de Al-om-tegenwoordige; vervolgens zegt Hij ook hóe Hij is: barmhartig, genadig, geduldig, groot in liefde en trouw.

In het evangelie praten Jezus en Nicodemus met elkaar, face-to-face zouden wij zeggen, onder vier ogen. Alleen zij beiden. Het is een diepzinnig gesprek, Jezus heeft het over 'van boven geboren worden', leven van uit de Geest. En ook nu komt naar voren hoe God is: Hij is zo gek - in onze termen - dat Hij zijn eniggeboren Zoon naar de mensen stuurt, aan de mensen schenkt om hen te redden, niet om te veroordelen maar opdat zij via de Zoon naar God toe kunnen leven. Zo groot in liefde is God - de God van de vaderen, de Abba van Jezus. De eerstgeboren zoon is de trots van de Joodse vader; wat moet de eniggeboren zoon dan wel niet zijn?  Hoe moet God dan wel niet zijn als Hij zelfs hem schenkt uit bezorgdheid?

In die stilte, die intimiteit groeit bij Mozes en Nicodemus persoonlijk het inzicht hoe God is. Maar Mozes komt niet voor zich zelf, hij heeft twee nieuwe stenen tafelen bij zich. Hij zit met een halsstarrig volk dat net een pas gesloten verbond heeft ontkracht en voor wie hij nu weer om genade komt vragen. En als God heeft gezegd dat Hij barmhartig is, valt Mozes direct op de knieën en vraagt of God toch a.u.b. met hen, dat volk, wil meetrekken. Ja, God trekt met hen mee, door de woestijn, door de Jordaan het Beloofde Land in. Ja, God trekt ook nog met Zijn volk mee in Zijn Zoon, de eniggeborene, die maximale liefde hanteert, want God is groot in liefde en trouw.

 

Mozes noch Nicodemus  hebben de indruk vergeten die dat gesprek op hen heeft gemaakt, de afdruk die in hun ziel is ontstaan en gebleven. Misschien kun je wel speken van de heilige kus, die Paulus noemt. Er was sprake van nood, een brandende vraag, en God heeft daaraan beantwoord. Als we het hun zouden vragen zouden zij vast en zeker de lofzang van de drie mannen in de vuuroven vervolgen: Gezegend zijt Gij, Heer, want Gij hebt onze nood gezien, ons gered, onze vraag gehoord en beantwoord.

 

Wij hebben ook die lofzang gezongen/gebeden en dan ligt er nu de vraag of wij zijn gehoord en gered, of wij persoonlijk, vanuit eigen ervaring, vanuit eigen geloofsbeleving zo'n lofprijzing kunnen bidden. Met Kerstmis, de menswording - wij zijn Godskinderen, met Pasen, de verrijzenis - ons eeuwig Leven, met Pinksteren, de Geest die overal waait - ook in ons persoonlijk, met die drie feesten kunnen we het complete verlossingswerk van onze God vieren: de Vader, eeuwig, onveranderlijk en barmhartig, de Zoon die goddelijke intimiteit aanbiedt, de Geest die ons naar hen toe drijft, over de hele wereld. Als je dat beseft, kun je dan niet voorzichtig spreken van 'de heilige Kus'?

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Misschien doet de Heilige Drie-Eenheid wat hoog gegrepen aan, iets wat zich boven je hoofd afspeelt, over jou heen. Misschien dat je je afvraagt  hoe dat nu kan met drie personen en toch éen God? Maak je niet druk om die vraag: een Joods, bijbels, gegeven is niet makkelijk met begrippen, laat me zeggen met 'westerse' ideeën te ontrafelen. De betékenis ervan is wezenlijk: 's Vaders continue goedheid voor ons, des Zoons inzet om ons en zijn intimiteit met ons, des Geestes levendigheid in ons. Als je dat zoekt of vindt, zij het je gegeven: Zo is onze God, HijZ zij geprezen.

 

"De genade van O.H.Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de H.Geest zij met ons allen". Zou dat voor ons de heilige kus mogen zijn. Zullen we even de tijd nemen?

 

 

Sacramentsdag  A  30 mei / 2 juni 2002; '05

Deut 8, 2.3.14b-16a; psalm 147; Joh 6, 51-58

 

Psalm 147   Loof de HEER, Jeruzalem, prijs je God, Sion:

Hij versterkt de grendels van je poorten, Hij zegent de kinderen binnen je muren;

Hij is de beveiliging van je grenzen en schenkt vette tarwe in overvloed.

Een boodschap  zendt Hij uit naar de aarde en haastig trekt zijn woord eropuit:

Aan Jakob verkondigt Hij zijn woord, het bestel van zijn wetten aan Israël.

Met geen ander volk heeft Hij zo gehandeld, zij kennen zijn wetten niet.

 

Eigenlijk is het gek dat wij hier nu nog gedenken wat zo'n 3000 jaar geleden is gebeurd. We herkennen de lading van wat toen aan de hand was. Dan krijgen de woorden van Mozes "blijft denken aan…" toch wel een bijzondere betekenis.

Als de Joden zich hebben gevestigd in het Beloofde Land, wordt de Wet van Mozes nog eens bij elkaar gezet - de Wet voor de tweede keer - zou je kunnen zeggen: Deuteronomium. Daarin wordt in herinnering geroepen hoe het allemaal is gekomen: de uittocht uit Egypte, de redding door de Rode Zee, in deze lezing: de beproevingen in de woestijn. Ze hebben honger en dorst geleden omdat hun God hen wilde beproeven, en hun God heeft Zijn Naam gestand gedaan 'JHWH': 'Hij is er'; Hij was aanwezig om hen te helpen in hun nood. Zo leerden zij Hem kennen. Een proces van veertig jaar, 'veertig', een ontwikkeling.

Dat was hun ervaring, de ervaring van een volk. Als de woorden van Mozes toentertijd nu actueel zijn, kunnen we niet zo spreken van een gemeenschappelijke ervaring, de ervaring van een volk. Kan, mag zo'n soort ervaring voor ons persoonlijk gelden? Ieder heeft in zijn leven wel zo'n tocht door eigen woestijn gemaakt in wat voor een vorm dan ook. Dan dringt zich de vraag op of jij dat hebt ervaren als beproeving van God, of je nu - desnoods achteraf - die ellende als beproeving wilt zien. M.a.w. dat God er toch was in jouw ellende doordat - toen de maat vol was - God jou iemand heeft laten zien, of doordat je je toen vast greep aan een strohalm die een boom bleek te zijn geplant aan het water, of doordat je een andere reddende gebeurtenis meemaakte. Die moeilijkheden als een beproeving willen en kunnen zien, erkennen dat je toen toch in Zijn hand was, dat HijZ niet wilde dat je verloren zou gaan, is een geloofszicht. En als je dan omkijkt in verwondering, komt de idee naar boven dat je God een beetje hebt leren kennen op jouw weg, op jouw manier, dat 'Hij-is-er-altijd', de Aanwezige is en ook de 'Hij-is-altijd' is, de onveranderlijke, betrouwbare, de Eeuwige.

Dan moge als in de tussenzang een loflied naar boven komen van: "Loof de Heer, Jeruzalem"/"Roem, Jeruzalem, de Heer". Jeruzalem, prijs de Heer, stad van God; jij zelf, prijs de Heer, kind van God. Verheerlijk de Aanwezige, de Eeuwige om Zijn verbond met ons, met mij.

 

Wat het evangelie van Joh ons vertelt is geen 3000 maar zo'n 2000 jaar geleden gebeurd, echter het gaat wel veel dieper. "De mens leeft van alles wat komt uit de mond van de Heer" zegt Deuteronomium. Niet alleen van de scheppingswoorden die ons leven en voedsel geven, maar ook van Het Woord dat een meer-leven bedient, dat Zijn Wezen openbaart, het Woord dat op aarde rondloopt, 'tussen de mensen in'. In de synagoge van Kafarnaüm zegt dat Woord dat hij het levende brood is dat uit de hemel is neergedaald, het echte, eeuwige Brood voor het echte onverwoestbare Leven. En dat niet alleen voor de Joden, die de Wet hebben, maar voor de hele wereld, die een nieuwe 'Wet' krijgt.

"De Joden geraakten daarover met elkaar aan het twisten", schrijft Joh. Een aantal vond dat dat niet kon; kennelijk begonnen anderen iets te vermoeden, ging hun een licht op. Wellicht bedachten zij: onze vaderen hadden het Manna ook nooit gezien, nooit ervaren; toch was het er, kwam het naar hen toe in hun nood. Zou het nu ook niet mogelijk zijn dat Hij ook Brood is, uit de hemel neergedaald? Dan zegt Jezus het uitdrukkelijk: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u". Als het erop aan komt, gebruikt Jezus niet de gebruikelijke Rabbi-formule 'maar ik zeg u', nee, hij zegt "voorwaar" en dan nog eens "voorwaar", "Ik zeg U: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet  en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u". "Het" Leven: de vaderen hebben het manna gegeten en zijn toch gestorven; Jezus doelt kennelijk op een meer-Leven, hoger dan het aardse. Daartoe strekt het Vlees van de Mensenzoon: tastbaar, zichtbaar, proefbaar, niet alleen maar een gedachte. Dat is al zoveel - en dan ook nog zijn bloed drinken - dat was voor een Jood volkomen nieuw, onmogelijk, zo niet godslasterlijk. Tenzij … God dat zegt. Brood en Wijn reiken tot in de hemel, tot in zijn Lichaam.

 

Jezus gaat door: "Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven. Eeuwig leven is niet iets dat nog komen zal, nee het is er reeds - zij het nog niet onbeperkt. Als wij 'goede werken' doen, als we bidden, als we ons van de Aanwezige bewust zijn, zijn we bezig met eeuwig leven. En nu zegt Jezus dat degene die door hem wordt gevoed dat Leven heeft. Dit gaat dieper dan een Aanwezigheid buiten ons, dit gaat nog verder dan wanneer een moeder haar kind voedt. Die twee blijven nog buiten elkaar. Jezus spreekt van in elkaar zijn, een Inwezigheid.

Zo gaat Jezus nóg verder door, het is niet 'alleen maar' zijn persoon, het is zijn wezen, zijn Goddelijkheid die hij deelt met Zijn Vader, zijn 'Abba'. 'Zoals ik gezonden ben door de Eeuwig Levende' zo ga ik door naar jullie, in jullie, met diezelfde eeuwigheid, met goddelijk Leven. Dat kan alleen God zeggen. God die de wereld wil redden, er is voor de hele wereld, de Aanwezige. Is meer mogelijk? Meer mogelijk dan God in mij? De nieuwe 'Wet'.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Jullie zijn niet zo groot gebracht met het heilige van de Communie zoals vroeger gewoon was. De vraag is vaak: het is wel mooi maar hoe kan dat? De vraag waarover de Joden twistten; heel normaal. Maar als je iets van een Aanwezigheid kent, hebt leren kennen in je leven, zou het dan verkeerd zijn om dat over je te laten komen? Als je bedenkt dat symbolen, dat heilige tekens, eeuwigheid en aardsheid met elkaar verbinden, is het dan niet mogelijk om - op zijn woord - het Lichaam van Christus in je handen te houden? Om zijn Bloed te drinken? Te delen in zijn leven?

 

"Blijft denken aan …", zei Mozes, "… tot mijn gedachtenis", zei Jezus. Niet als iets dat alleen maar ooit gebeurde maar wat altijd door is. Gunnen we ons de gelegenheid om daaraan te denken, niet alleen nu maar ook straks - iedere keer als we te Communie gaan: Aanwezige, Eeuwige, Inwezige, eeuwige Liefde.

 

 

Sacramentsdag B  22 juni '03

Ex 24, 3-8; psalm 116; Mc 14, 12-16. 22-26  (zie desgewenst symbool;  de alinea hierboven voor 'offer')

 

Psalm 116  Wat zal ik op mijn beurt aan de HEER geven voor al het goede aan mij besteed?

Ik hef de beker tot dank voor uw weldaad, de naam van de HEER roep ik uit.

Zwaar valt de HEER het sterven van zijn getrouwen.

Ach, zie HEER, ik ben uw dienaar, U hebt mijn boeien losgemaakt.

Ik draag een dankoffer aan U op en de naam van de HEER roep ik uit.

Mijn geloften aan de HEER kom ik na, zodat iedereen het ziet, voor heel zijn volk.

 

In het 24e hoofdstuk van Exodus wordt iets bijzonders beschreven: een volk van nomaden bepaalt zijn houding tot Degene die het zijn God noemt, het legt zijn verhouding tot die God vast en viert dat. Andere volken kennen riten waarmee zij hun god gunstig willen stemmen, waarmee zij een goede oogst proberen te verkrijgen, kwaad af te wenden enz. De Israëlieten stellen dat zij als schepsels geheel afhankelijk zijn van die God, die hemel én aarde heeft gemaakt. Zij aanbidden Hem en erkennen dat hun leven bij Hem begint. Zij zeggen dan ook dat HijZ Zich met hen bemoeit want HijZ heeft gewild dat zij er zijn en HijZ wil ook hoe zij zijn: zij zullen goed zijn en liefst heilig als HijZ Zelf. Kort geformuleerd is het: Ik uw God, jullie Mijn volk. Het is een overeenkomst zoals een koning die toentertijd sloot met zijn vazal: Ik bescherm jou en jij handelt in mijn plaats. Zo'n godsdienstige verhouding vinden we alleen bij het Joodse volk.

 

Die verhouding gaat heel diep, ze is intens. Wij hebben van God gehoord via onze ouders, de school, de Kerk; een min of meer gevestigd beeld. Maar voor het Joodse volk was het een ontdekking, een groei, een nieuw ervaren, leren kennen. Wij krijgen Hem - oneerbiedig gezegd - a.h.w. op een presenteerblaadje aangeboden, zij moesten zelf inkleuren hoe HijZ moet zijn als HijZ God is, hoe HijZ moet zijn als dat maximale wezen dat hemel en aarde heeft geschapen. Dat ging wel onder leiding van Mozes maar werd ook gebaseerd op eigen ervaring. Is het dan een wonder dat zij beelden gebruikten die zij aan hun dagelijks leven ontleenden om uit te drukken waar het om ging? Levende have, vee, werd symbool  voor hun expressie, want het ging om hun eigen concrete leven richting God. Bloed was het definitieve teken van leven en dat zou dus ook staan voor hun leven met God, hun goddelijk leven. Je moet maar durven! Je moet het maar gegeven krijgen dat je dat zo mag zien, je eigen leven verbonden weten met God, jouw Oorsprong en jouw Toekomst. Het gaat om jou en wel zoals je graag wilt zijn: bemind en beminnend.

Als Mozes de woorden en bepalingen van de Heer ter kennis heeft gebracht en allen die hebben geaccepteerd, schrijft Mozes ze op. Dan worden stieren geslacht als brandoffer en als slachtoffer, d.w.z. als offer voor verzoening en als offer voor gemeenschapsmaaltijd. Na verzoening door God kan gemeenschap met God gevierd worden. Eerst wordt offerbloed over het altaar uitgegoten, waardoor het bloed aan God wordt gewijd, met God verbonden wordt. Dan wordt het verbondsboek voorgelezen en beaamt het volk de inhoud ervan. Vervolgens sprenkelt Mozes de helft van het offerbloed, het levensbloed, goddelijk leven, over het volk uit. Verbond in Bloed. Verbond in liefde, het mooiste leven.

 

Als we dat bedenken is het niet verwonderlijk dat de Jood iets moet uitzingen. In psalm 116 vraagt de Jood zich af wat hij terug kan geven aan de Heer voor al het goede dat Hij aan hem persoonlijk deed. Eigenlijk kan hij niets teruggeven want alles heeft hij gekregen en alles is al van de Heer. Eén ding kan hij wel geven: bij zijn offer voegt hij zijn dank."Ik hef de beker tot dank voor uw weldaad, de Naam van de Heer roep ik uit."

 

Het evangelie verhaalt ons wat Jezus doet. Dat staat in een bepaald, geladen kader nl. dat van Pasen, het belangrijkste feest voor de Jood; hij viert daarin de - laat me zeggen - de verjaardag van het Verbond. Het Verbond had een nieuwe impuls nodig, misschien wel omdat liefde als drijfveer, als begeestering, zoek was geraakt. Jezus maakt van dat eerste Verbond een nieuw Verbond want geen groter liefde heeft hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Hij zoekt de confrontatie niet op maar loopt ook niet voor haar weg; hij wil laten zien waartoe liefde in staat is, zijn liefde voor de leerlingen, voor zijn volgelingen, zijn liefde tot zijn Vader. Hij sluit het nieuwe verbond in zijn Bloed; nu niet meer dat van offerstieren maar zíjn bloed, zijn leven, zijn Leven met God, in God, van God.

Hij doet dat binnen het kader van de maaltijd, m.b.v. gewone, aan het dagelijks leven ontleende  maar wezenlijke ervaringen: eten en drinken. Voor de maaltijd neemt hij brood, heft het enigszins op en zegt de zegenbede tot de Vader, waarmee hem erkent als Bron van alle zegening. Na de maaltijd neemt hij de beker, heft hem enigszins op en zegt tot zijn Vader het zegen-/dank-/smeekgebed om hun leven, om hun land, om de toekomst. Hij dankt terwijl hij weet dat het met zijn leven slecht zal aflopen. Desondanks verbindt hij in uiterste hoop en liefde zijn lichaam en zijn leven, bloed, aan die twee symbolen van brood en wijn. Opdat wij samen met hem doen wat hij deed: zó de Vader danken.

Zo blijft hij bij zijn volgelingen aanwezig, tastbaar. Als wij dat brood met dat zegengebed in de hand nemen, hebben wij zijn Lichaam in de handen. Als wij die wijn met dat zegen-/dank-/smeekgebed drinken, delen wij zijn Leven en wel zó zoals hij volledige gemeenschap met zichzelf aanbood aan zijn leerlingen op die avond. Is er een mooier liefdesverbond denkbaar? Is er een diepgaander danking aan de Vader denkbaar dan die via hem, in hem en met hem? Is er een groter geheim dan de Vader danken met het mooiste dat Hij ons in handen heeft gegeven? De Vader heeft het dankaanbod van Zijn Zoon niet kunnen afwijzen. Als wij via hem, in hem en met hem danken, kan de Vader ons ook niet afwijzen; Hij wil het niet eens.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Bij ons tweede bezoek aan Auswitsch-Birkenau heb ik een natuursteen van crematorium III meegenomen naar huis, gemerkt en in de tuin gelegd. Waarom? Op een of andere manier vind ik dat ik daarbij hoor, of zij bij mij horen. "Herinner je". Misschien is zo iets herkenbaar, spreekt het je aan.

Maar er is meer: er is geen Jood die die steen daarvoor heeft bedoeld. Als dat wel zo was, was die steen daar en toen heilig gemaakt door hem. Jezus heeft dat brood en die wijn wél bedoeld als zijn "herinner je mij", als zijn 'ik ben er', 'Ik zelf'. Daarom mag je die symbolen heilig noemen, kun je ze heilig weten. Dan klinkt iets door van 'Wees heilig want Ik ben heilig' uit het Eerste Verbond. Dan kun je iets vermoeden van iets nieuws: 'Probeer liefde te zijn, want ik ben liefde, Gods liefde' van het Nieuwe Verbond.

 

Psalm 116: "Ik hef de beker tot dank voor uw weldaad, de naam van de Heer roep ik uit" via hem, met hem en in hem. Iets voor ons? Zullen we dat even laten binnenkomen?

 

 

Sacramentsdag C  17 juni 2001; '04 ('07)

Gen 14, 18-20; psalm 110; Lc 9,11b-17

Genesis

Ik zet de tekst vanaf vs 11 er grotendeels bij om te laten zien hoe het onderwerp binnen het kader van gerechtigheid staat .

(De vijanden maakten zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna gingen zij weg. Bij hun aftocht voerden zij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom.

Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de Hebreeër; hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre, Toen Abram hoorde dat (ook) zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren op om zich te wapenen en hij ging de vijanden achterna tot bij Dan. Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus. Hij heroverde alle goederen (die de vijand van Sodom en Gomorra had geroofd); ook zijn broer Lot en zijn bezittingen, evenals de vrouwen en het krijgsvolk, bracht hij terug.

Na zijn terugkeer uit de slag tegen (de vijand,) Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten, trok de koning van Sodom (die door de vijand waren verslagen) Abram tegemoet in het dal van Sawe, ook het dal van de koning geheten.)  En Melchisedek, de koning van Salem, bood hem brood en wijn aan. Omdat hij priester was van de allerhoogste God,  zegende hij hem met deze woorden:

'Gezegend zij Abram door de allerhoogste God

die de hemel en de aarde gemaakt heeft,

en gezegend zij de allerhoogste God

die uw vijand aan u heeft uitgeleverd!'

En Abram gaf hem van alles een tiende deel.

(De koning van Sodom zei tegen Abram: 'Geef mij alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.' Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: 'Met opgeheven hand zweer ik bij de HEER, de allerhoogste God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft: ik wil niets van u hebben, geen draad en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u Abram rijk hebt gemaakt. Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.')

 

Psalm 110

Godsspraak van de HEER tot U mijn Heer: 'G zitten aan mijn rechterhand

en Ik leg uw vijanden als een voetbank voor uw voeten.'

De HEER zal uw macht vanuit Sion uitbreiden: zwaai de scepter over uw vijand.

Op de dag van de strijd zal uw volk bereid zijn,

uw jeugd zal gekleed zijn in heilige uitrustingen,  als dauw uit de schoot van de morgen.

De HEER heeft een eed gezworen en Hij zal er geen spijt van krijgen:

'Zoals Melchisedek bent U priester voor altijd.'

 

Op het eerste gezicht lijkt het verband tussen de 1e lezing en het evangelie nogal mager. Melchitsèdek biedt brood aan en dat doet Jezus ook. Maar als we het hele verhaal van de 1e lezing erbij nemen, blijkt dat Abram opgekomen is voor zijn neef Lot, die ten onrechte als slaaf was meegevoerd. Hij gaat met zijn mannen de plunderaars achterna, verslaat hen, bevrijdt Lot en geeft de oorlogsbuit terug. Hij wil er zelf niets voor hebben. Zo was Abram een 'tsaddiek', een rechtvaardige, een eerlijk man, die voor recht opkwam en zodoende gerechtigheid diende. Dan komt een koning, van Salem, die hem brood en wijn aanbiedt. In die situatie zie je dat brood en wijn iets speciaals moeten hebben, misschien juist omdat het de eerste levensbehoeften van de mens zijn - eten en drinken - en dus zijn allereerste recht. Eten en drinken, brood en wijn, als tekens van recht. Mogelijk is die aanbieding een verwelkominggebaar. Voor die situatie heel toepasselijk.
Immers, Melchitsèdek - u hoort 'Tsaddiek' in 'Melkistèdek', die naam betekent 'Mijn koning tsaddiek', mijn koning is gerecht, is rechtvaardig. Geen wonder dat hij Abram eert om zijn opkomen voor recht. Nog meer: Melkitsèdek is behalve koning ook priester van de Allerhoogste, DE Gerechte. Welke naam die Allerhoogste heeft, doet er niet toe; er is maar één Allerhoogste. En híj zegt een zegenspreuk over Abram. Het moet je maar overkomen dat je zo gezegend wordt en ook nog door iemand die je niet kent maar kennelijk wel gezag heeft. Je gaat uit je dak, of je wordt ontroerd of noem maar op.
Melkitsèdek zegt ook nog "... door de Allerhoogste die hemel én aarde gemaakt heeft". Hemel en aarde worden verbonden in die zegen. Hemelse gerechtigheid wordt op aarde waar gemaakt door o.a. rechtvaardigheid, en tekens van leven, brood en wijn, ondersteunen die verbinding.

Ps 110 is de tussenzang, een koningspsalm, op naam van David, de koning die voor altíjd koning zou zijn en voor altíjd priester, die voor recht moet opkomen en zodoende het heer zijn, het gerecht zijn van JHWH waar moet maken. De koning als vertrouweling van JHWH, gezeten aan zijn rechterhand, de ereplaats. De Heer reikt hem zijn scepter aan vanuit Sion, de tempelberg in Jeruzalem; de Heer stelt hem dus als koning aan. Hij is Gods rechterhand. En de Heer stelt hem tot priester aan, voor eeuwig, in Zijn dienst. Hij is als Melchitsèdek.

Dat heer zijn van de gerechte Heer, het rijk Gods, waaraan geen einde zal komen, is typisch de inzet van Jezus. Hij gaat door tot en met de dood, de dood van de gerechte, de man die gelijk heeft, het bij het juiste eind heeft, die visie heeft; die dood om ons verkondigen wij. Om dat Rijk te laten komen - ook als hij er niet meer zichtbaar is - geeft hij ook nog zichzelf in Brood en Wijn. Als er iémand 'tsaddiek' was, leefde als gerechte, dan was Jezus het.

Het Rijk Gods begint vooraan, heel praktisch, met rechtvaardigheid op aarde, net zoals leven begint met eten en drinken. Zo begint Jezus ook vooraan, met eten te geven. Wat precies de aanleiding was tot het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging weten we niet maar we kennen wel de verkondiging dat Jezus genoeg voedsel geeft na het zegengebed tot de Vader om het brood: "Gezegend zijt Gij God, Koning van het heelal, die de korenaar uit de aarde doet groeien." Wij zeggen het ook: "Gezegend zijt Gij God, Heer van al wat leeft. Uit Uw milde hand ontvangen wij brood en wijn. Maak ze voor ons tot bron van éeuwig leven". Ook nu worden hemel en aarde verbonden maar wel met Jezus' gerechtigheid als ondergrond.

Vooraan beginnen geldt ook voor ons. Als wij bidden voor en na het eten - daaruit is de Eucharistie ontstaan - als we God danken om het eten, verbinden wij ook hemel en aarde en dat houdt in dat ook wij rechtvaardigheid als ondergrond hanteren. Dat gaat nog verder dan brood delen met de ander die te weinig heeft. Dat kan een aanzet zijn voor een feest dat nog groter is dan dat van de broodvermenigvul­diging, een feest dat aan tafel begint en over de hele wereld gaat met twaalf korven.
Het getal twaalf duidt op het heil dat komende is. De twaalf zeggen tegen Jezus dat hij de mensen weg moet sturen om eten te kopen. Jezus doet dat niet en hij vult 'twaalf' bijzonder in: hij geeft zelf eten en hij geeft - kun je zeggen - de twaalf ieder een korf mee voor onderweg naar het Rijk van gerechtigheid, het Rijk dat komen moet. Het heil begint met rechtvaardigheid maar wordt beladen met gerechtigheid omdat Jezus zijn eigen Lichaam als voedsel ter beschikking stelt, via de twaalf apostelen, via de Kerk. In Jezus wordt nl. Gods gerechtigheid bij uitstek zichtbaar.

Gerechtigheid: God is uit op het goede voor Zijn mensen, HijZ wil Zijn heil voor ons. Jezus biedt ons dat heil met zijn eigen leven. Aards voedsel wordt hemels voedsel. Ons leven heeft nu al deel aan eeuwig Leven. De Heer is immers met ons.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het kan zijn dat je jezelf machteloos voelt inzake het onrecht in de wereld en misschien ongeïnteresseerd bent, bent geworden. Het kan zijn dat je nu al wat wilt en ongeduldig bent maar niet weet wat je kunt doen. Afwachten is moeilijk maar je kunt wellicht zo denkend over eten en drinken, gerechtigheid op je boterham smerend, je zelf geestelijk wakker houden en je voorbereiden op wat je kunt doen als zich een gelegenheid voor doet. Het kan niet allemaal ineens. Jezus heeft er zijn hele leven voor ingezet en we zijn nog steeds bezig. Het is zelden spectaculair, het begint gewoon vooraan.

 

Bidden voor en na het eten, wat doen we ermee? Zullen we ons even tijd gunnen en daarover na denken?

 

Johannes de Doper Geboorte 24 juni
Jes 49, 1-6; psalm 139; Lc 1, 57-66.80 (de tussenzang uit Ps 22 van 'Vijftig Psalmen' blijft buiten beschouwing)

Psalm 139  HEER, U doorgrondt mij en kent mij,

U kent mijn zitten en opstaan, al van verre doorziet U mijn gedachten.

Van mijn gaan en komen kent U de maat, U bent vertrouwd met al mijn gangen.

U hebt mijn nieren geschapen, mij samengevlochten in mijn moeders schoot.

Dank voor het ontzagwekkend wonder dat ik ben,

voor het wonder van uw werken; hoe ga ik U ter harte.

Mijn gebeente had voor U geen geheimen

toen ik in het verborgen werd gemaakt, werd samengeweven in de diepten van de aarde.

 

Het komt niet vaak voor dat de zondagsliturgie wijkt voor de liturgie van een feest. Dan is er iets belangrijks aan de hand. Het geboortefeest van Johannes de Doper is zo'n gelegenheid. Het staat a.h.w. tegenover het Kerstmis - 25 december vs 24 juni, een half jaar na elkaar en in de oude kalender dezelfde dag van de maand. (Volgens Lucas scheelden Elisabeth en Maria een half jaar.) Jezus geeft zelf aan hoe belangrijk Johannes was. Toen Johannes gevangen zat en aan Jezus liet vragen of hij degene was die komen moest, spreekt Jezus - na het beantwoorden van de vraag - heel speciaal over hem. (Mt 11, 11.14) Hij noemt hem meer dan een profeet, hij is die bijbelse bode. "... onder hen die uit vrouwen zijn geboren, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. ... Hij is de Elia die komen zou". Elia - dat is heel wat voor een Jood; naar hem keek hij uit, voor hem werd alvast een stoel klaar gezet.
Er is nog een schrifttekst die het nodige zegt over Johannes, zo'n tekst van gevleugelde woorden: "fuit homo missus a Deo, cui nomen erat Johannes", "Er was een mens, gezonden door God, voor wie de naam was 'Johannes'". Gezonden door God om van het Licht te getuigen, tekst uit de proloog van het Johannes-evangelie waar de evangelist als een adelaar hoog vliegt om het onzeglijke van het geheim aan te geven: Licht. Licht - duisternis. In het evangelie lazen we dat Johannes in de woestijn verbleef. Misschien leefde hij bij de Qumrangroep bij de Dode Zee, die veel met de symboliek van licht - duisternis op had. Daar, in de woestijnstilte, in diep nadenken over verheven gedachten, in de kracht van de geest, heeft hij meegekregen wat 'licht' is. De bijbel begint met "Punt van uitgang is: God schiep hemel en aarde". Het Johannesevangelie begint "Punt van uitgang is" dat het Woord al was, en het was bij God en het was God". Het eerste dat God schiep was het licht. Dat Licht krijgt een nieuwe vorm. Johannes zag die vorm: het Woord. Hij kwam tot getuigenis daarvan.
Als je dat beziet, spreekt de eerste lezing. Ze begint met een principe, punt van uitgang: De Heer heeft in (Willibrord'95) de moederschoot mij geroepen, mijn naam genoemd". Zo'n bewustzijn, zelfzicht, kun je alleen maar in/van de Geest krijgen. Even verder vervolgt de tekst "...  de Heer die mij vormde tot Zijn dienstknecht nog voor mijn geboorte" (Willibrord'95). Hetzelfde bewustzijn. Die tekst is van de profeet Jesaja, een groot profeet, dienstknecht van God. Maar Jezus noemt Johannes meer dan een profeet. Dan geldt die tekst van Jesaja zeker ook voor hem. Geen wonder dat als tussenzang psalm 139 wordt gehanteerd "Gij weet ook alles wat er omgaat in mijn geest, mijn diepste wezen is U niet verborgen, toen ik geheimenisvol werd voortgebracht, mijn levensdraden in de schoot werden gevlochten. Ik dank u voor het wonder van mijn leven". Het getuigt van intimiteit en van visie, geloof, genade.
De wording van Johannes was een nog groter wonder dan anders, want zijn moeder Elisabeth was al oud en onvruchtbaar. De parallel met Jezus ligt voor de hand. Over Maria kwam de Kracht van de Allerhoogste en de engel zei tegen Jozef dat hij het kind Jezus moest noemen: 'God redt'. De engel noemde ook Zacharias de naam: Johannes, Jo chanan, God is genadig. Genadig niet alleen voor Zacharias en Elisabeth, ook voor alle mensen. Het wonder blijft niet beperkt.
In de eerste lezing zegt Jesaja immers dat de Heer hem een snedig woord heeft gegeven en ook met de schaduw van Zijn Hand hem beschermt. Hij heeft hem tot een scherpe pijl gemaakt en ook hem geborgen in zijn pijlkoker. De Heer roept en beschermt. Want de Heer wil dat hij niet alleen het Woord aan de Joden verkondigt maar over de hele wereld uitdraagt: "Luistert, eilanden, volken van ver... Ik stel u aan tot licht van álle volken ". De tekst is van de tijd in de ballingschap, als de Joden door de profeet opgeroepen worden hoop op de terugkeer naar hun land te vestigen. Dan is het niet de bedoeling dat ze daar in hun kringetje blijven maar over de hele wereld dat licht laten zien, zoals ze ook al in Babylon deden. Dat hoort bij profeet, bode, gezonden zijn. Het licht moet bovenop de korenmaat staan opdat het iedereen beschijnt.
Maar aan Johannes was het niet gegeven om heel de wereld te beschijnen, hij blijft in de kring van Jeruzalem en Juda. Hij is 'slechts' wegbereider. En dan wordt hij gevangen genomen door Herodes. Weer in een woestijn, weer alleen. Jezus troost hem. Jezus is ontdaan als hij hoort dat Johannes is vermoord en zoekt troost bij zijn Vader. Twee vrienden, beiden geweven in de schoot terwijl God hen kende, speciaal.

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Bij de vraag 'wie ben ik?', 'waar ga ik naar toe?' moge een ant-woord, geen weer-woord, geen tegen-woord, maar een Woord klinken: "Ik heb je geweven in de moederschoot en Ik wist van jou". Dat zij de basis voor de invulling van je leven. Dan zij de Hand van de Heer met je.

Ik dank U voor het wonder van mijn leven, want Jo chanan, God is genadig. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen dat over ons te laten komen?

 

 

HH. Petrus en Paulus  29 juni 2003

Hand 12, 1-11; psalm 34; Mt 16, 13-19

 

Handelingen

Omstreeks die tijd liet koning Herodes enkele leden van de gemeente arresteren en mishandelen. Jakobus, de broer van Johannes, liet hij met het zwaard ter dood brengen. Omdat hij merkte dat dit de Joden wel beviel, nam hij ook Petrus nog gevangen; dat was juist op de dagen van de ongedesemde broden. Toen hij hem in handen had gekregen, zette hij hem in de gevangenis en liet hem door vier groepen soldaten van ieder vier man bewaken met de bedoeling hem na het paasfeest in het openbaar te berechten.  Petrus werd dus in de gevangenis vastgehouden, maar in de gemeente werd vurig voor hem gebeden tot God.

In de nacht voordat Herodes hem wilde laten voorkomen, lag Petrus aan twee kettingen tussen twee soldaten in te slapen, terwijl ook vóór de deur van de cel de wacht werd gehouden. Plotseling stond er een engel van de Heer bij hem en er straalde licht in de ruimte. Hij maakte Petrus met een por in zijn zij wakker en zei: 'Sta vlug op.' En de kettingen vielen van zijn polsen.  De engel zei tegen hem: 'Doe je gordel om en trek je schoenen aan.' Dat deed hij. De engel zei tegen hem: 'Sla je mantel om en volg mij.'  Hij volgde hem naar buiten, maar het drong niet tot hem door dat wat de engel deed werkelijkheid was; hij dacht dat hij droomde. Ze passeerden de eerste en de tweede wacht en kwamen bij de ijzeren poort naar de stad, die zich vanzelf voor hen opende. Zij gingen naar buiten en liepen één straat door; toen verliet de engel hem ineens. Daarop kwam Petrus tot zichzelf en zei: `Nu weet ik zeker dat de Heer zijn engel heeft gestuurd en mij heeft gered uit de hand van Herodes en van wat het Joodse volk allemaal had verwacht.'

Psalm 34     De HEER wil ik altijd prijzen, ik zing steeds een loflied op Hem.

Ik juich om de HEER, laat de armen er verheugd naar luisteren.

Prijs de HEER tezamen met mij, laat ons zijn naam verheerlijken.

Toen ik de HEER zocht, gaf Hij antwoord, van al mijn angsten heeft Hij mij verlost.

Wie naar Hem opzien stralen van geluk, geen blos van schaamte kleurt hun gelaat.

Deze arme mens riep, en de HEER gaf gehoor, Hij heeft mij bevrijd uit al mijn noden.

De engel van de HEER zet wachtposten uit rond degenen die hem vrezen: zo brengt Hij redding.

Proef en geniet: hoe zoet is de HEER; gelukkig is de mens die bij Hem gaat schuilen.

 

Matteüs

Jezus kwam in de streek van Caesarea van Filippus en vroeg zijn leerlingen: 'Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?'  Ze zeiden: 'Volgens sommigen Johannes de Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de profeten.' Hij zei hun: 'En jullie, wie ben Ik volgens jullie?' Simon Petrus antwoordde hem: 'U bent de Messias, de Zoon van de levende God.'  Jezus gaf hem ten antwoord: 'Gelukkig ben jij, Simon Barjona; niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader in de hemel. Ik zeg jou: jij bent Petrus; op die steenrots zal Ik mijn kerk bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.' Toen verbood Hij de leerlingen om iemand te zeggen dat Hij de Messias was.

 

 

Overweging

Wie de Dom van Keulen ooit heeft bezocht, zal met bewondering gekeken hebben naar de enorme pilaren waarop de torens van de Dom zijn gebouwd. Als je aan de voet van de Eiffeltoren hebt gestaan en je onder de indruk bent van de reusachtige betonblokken waarop ieder poot is gebaseerd, ga je vermoeden, aanvoelen, krijgen wat 'fundament' betekent. Fundament waarop het gebouw staat, onwrikbaar in de aarde gegrond opdat het niet zal kantelen of instorten maar hoog in de lucht naar boven wijzend zich zelf blijft manifesteren.

 

"Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen". Het Heilige der Heilige van de tempel in Jeruzalem was op een stuk rots gebouwd, de kern van het gebouw stond stevig, verankerd in de grond opdat het niet zou wankelen. Maar de voorhang van de Tempel scheurde, toen Jezus aan het kruis stierf. Jezus is de nieuwe Tempel die deel is van de Eeuwige Rots, en na zijn heengaan bouwt hij zijn Kerk op aarde op een nieuwe rots, op Petrus die zijn geloofsbelijdenis heeft uitgesproken: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de échte God". Opdat zijn Kerk niet zal kantelen of instorten maar hoog in de lucht naar boven wijzend zichzelf blijft manifesteren. Een ander soort steenrots dan die van de Tempel: een gelovend persoon.

Heel anders dan een stenen fundament. Een steen staat maar kan niet veranderen, niet meegaan. Een persoon kan dat wel, levend, levendig en beweeglijk; het aanschijn der aarde verandert immers ook steeds. Maar die persoon gelooft, gelooft in de Zoon van de Eeuwige. Het is hem ingegeven door de Vader in de hemel, hij heeft het gekregen. En dan verwacht je dat die persoon in dat geloof sterk zal staan als een rots. Nee, niet zonder meer. Het is Petrus die Jezus verloochent na diens gevangenneming. Het is Petrus die zichzelf - in het Marcus-evangelie - als kleingelovige karakteriseert. In Lc zegt Jezus: "Simon, Simon, de satan heeft geëist jullie te mogen ziften als het koren. Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken …" (Lc 22,31) Als tweemaal een naam wordt genoemd in de bijbel, is er iets aan de hand: geloven is geen kwestie van het gaat vanzelf, maar van vallen en opkrabbelen en verder gaan, van leren en ervaren, van meegaan in een wereld die leeft en verandert. En wijs geworden door ervaringen is Petrus de man die zijn Kerk zal leiden, de impulsieve man is de richtende geworden, de richting aangevende, met geloofszicht. Opdat zijn Kerk hoog in de lucht naar boven wijzend zich zelf blijft manifesteren.

 

Paulus heb je ook nodig als het om kerkopbouw gaat. De drammer die zich bekeert, de gifkikker die Petrus openbaar terecht wijst, de gedrevene die de halve wereld rond reist, die via brieven communiceert, onderricht, corrigeert en bevestigt. Kennelijk is hij, de gedrevene, nodig voor kerkopbouw. Je kunt je afvragen hoe de Kerk er uit zou zien als hij er niet was geweest. Barnabas zoekt hem na jaren op in Tarsus om met hem het geloof te gaan verkondigen; kennelijk is Paulus nodig … na rijping, nadat hij zich een tiental jaren had teruggetrokken.

Paulus is net als Petrus ook geen 'grote-leider-figuur', hij bekent zijn zwakheid maar zegt hij ook dat hij dan sterk is doordat de kracht van Christus Jezus dan in hem werkt. Als hij voor het einde van zijn leven staat, wéét hij dat hij goed heeft gedaan: "Ik heb de goede strijd gestreden, … het geloof bewaard. Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige Rechter mij zal geven …".  Paulus is niet bang voor het uur van de dood, voor het oordeel. Gelukkig hij/zij die dat kan zeggen. Bij zijn bekering heeft hij een visioen gekregen: de Messias die hem roept. "Saul, Saul, waarom vervolg je mij?" Dat visioen heeft zich ontwikkeld tot een mystiek bestaansniveau: "Ik zelf leef niet meer, Christus leeft in mij". 

Zo'n gemeenschap, innige verbondenheid met Jezus deelt hij met Petrus, die Jezus vroeg om niet alleen zijn voeten maar ook zijn hoofd en handen te wassen omdat het ging om deel hebben aan Hem.

 

Hun beider geloof, hun leven in gemeenschap met Jezus Christus, moge ook voor ons inspiratie zijn om te leven in een wereld waarin je naar God toe leeft. Een leven dat ook weet van een 'boven-de-wereld-uit', een geloofsleven waarin een wonderlijke redding zoals van Petrus uit de gevangenis past. Waarin we van harte kunnen bidden "De engel van de Heer legt een schans om hem heen"/ van harte kunnen zingen "Ervaart het ziet, mild is de Heer".  Een leven waarin ontzegging, onthechting, ascese omwille van het Rijk, een spirituele training, past om naar Boven te kijken. Een leven in geloof.

Zonder geloof geen Kerk. Geen Kerk zonder Jezus Christus, die ons geloof voedt, opdat Zijn Kerk zich ook manifesteert voor alle volken op aarde.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanpreekt. Het is niet vreemd om een persoon als idool, als ideaal-figuur te hebben en - op jouw manier - na te volgen, zeker als het niet gaat om een macho maar om een gewoon mens van vlees en bloed met twee benen in de wereld en twee voeten op vaste grond. Je kunt het zelfs gelukkig voor jou noemen als het gaat om mensen die hun leven over hadden voor een goede zaak, die van Jezus van Nazaret, door zijn Vader tot de Christus aangesteld. Petrus en Paulus staan als de inspirerende figuren daarvoor. Doe er je voordeel mee.

 

Wij zetten het werk van Petrus en Paulus en al de gelovigen voort met als fundament hetzelfde geloof dat zij beleefden. Moge het voor ons dezelfde verbondenheid zijn met Jezus Christus waarmee en waarop zij bouwden opdat de Kerk hoog in de lucht naar boven wijzend zich zelf blijft manifesteren. Zullen we ons even tijd gunnen naar zo'n kerktoren te kijken?

 

 

Gedaanteverandering van de Heer.  6 augustus 2006

Daniël 7, 9.10.13.14; psalm 97; Mc 9, 2-10

 

Psalm 97  De HEER is koning: de aarde juicht, verheugd zijn de vele eilanden.

Wolken en duisternis staan om Hem heen, heil en gerechtigheid zijn de basis van zijn troon.

Bergen smelten als was voor de HEER, voor de HEER van heel deze aarde.

De hemel spreekt van zijn weldadig verschijnen, alle volken aanschouwen zijn pracht.

HEER, U bent boven de aarde verheven, hoog boven alle goden verheven.

 

"Zes dagen later …" zes dagen nadat Petrus zijn geloofsbelijdenis heeft uit gesproken - "U bent de Messias" - en waarop Jezus zijn lijden aankondigde. Dat 'zes' wil zeggen dat zij zich nu bevinden in een ander kader dan dat van de dagelijkse realiteit. Ze gaan een hoge berg op met Jezus. Dat kader eindigt als zij weer de berg afgaan en Jezus hen bezweert helemaal niets te zeggen van wat ze hadden gezien.

 

Dat andere kader en de hoge berg vinden we ook in de 1e lezing van de profeet Daniël: het visioen. Een visioen is geen dagelijkse realiteit maar wel geloofszicht, zien waar de dagelijkse realiteit in uitmondt, in het verhevene, het heilige, het sneeuwwitte en het ongenaakbare vuur, in DE Heilige, de Hoogbejaarde, die altijd is. De psalm zegt van Hem: "Wolken en duisternis staan om Hem heen, heil en gerechtigheid zijn de basis van zijn troon". Het is God.

Er is sprake van een rechtszitting, waarin een persoon wordt voorgeleid die beoordeeld zal worden naar wat in de boeken staat. Die persoon lijkt  op een mensenzoon, een mens. Over hem en zijn doen en laten gaan zij zich uitspreken en het resultaat is dat "hem heerschappij wordt gegeven, pracht en koninklijke macht". Die persoon komt "uit de wolken van de hemel", hij is van goddelijke afkomst maar toch wordt hij beoordeeld op zijn daden. Des Godes of niet, hij heeft gehandeld als een mens, klaarblijkelijk heel goed gehandeld. Gerechtigheid is de basis van de troon van de Hoogbejaarde. De gerechtigheid van de mensenzoon op aarde, in de dagelijkse realiteit, reikt naar die troon.

 

Het is de geloofsbelijdenis van de apostelen dat hun Jezus die mensenzoon is. Dat ging niet vanzelf, dat heeft hij 'verdiend', waar gemaakt. Die belijdenis hebben zij verkondigd. Vooral, misschien wel juist met zijn lijden toonde Jezus dat hij de Messias was. En daarom is hem de eeuwige heerschappij gegeven, aan zijn Rijk komt geen einde. De Hoogbejaarde, zijn Abba, heeft hem verhoogd en hij heeft zijn leerlingen laten zien dat hij leeft, is opgestaan uit de doden.

Maar kennelijk is dit niet alleen hun Paas-ervaring, ook toen Jezus nog binnen het dagelijkse leven verkeerde, heeft hij aan drie leerlingen die ervoor in aanmerking kwamen, laten zien dat hij ook een ander leven leeft - en wat voor een Leven. Als hij zich terugtrekt om alleen te zijn, om te bidden, zou hij dan niet dat Leven beleven? Nu laat hij zien hoe dat Leven is. Schitterend wit, vurig zuiver, doordingend hoogste. Daarvoor gaat Jezus een hoge berg op, zijn berg. Op die berg ontmoet hij twee anderen die ook hun berg kennen. Mozes besteeg de berg en verbleef er veertig dagen en nachten. De Heer sprak tot Mozes. De heerlijkheid van de Heer rustte op de Sinaï. Elia was op de vlucht en liep veertig dagen en nachten voordat hij de berg van de Heer, de Horeb. De Heer sprak tot Elia. De Wet en de Profeten, de Joodse Bijbel, het Joodse geloof, zijn aanwezig; Mozes en Elia spreken met Jezus "over zijn heengaan, de voleinding van zijn leven in Jeruzalem" (voegt Lucas toe). En weer klinkt uit de wolk die Stem: "Luistert naar hem". De wolk die drie overdekt, Gods Aanwezigheid.

Doordat de wolk hen overdekt zijn de drie geen toeschouwer meer; zij krijgen deel. Deel aan …? Deel aan die andere leefwereld, zij zijn er in, zijn voor Gods aangezicht. Via Jezus. Zijn berg wordt hun berg. Geen wonder dat Petrus  een oogstgegeven aanvoelt: drie - Jezus die definitief profeten en wet waar maakt - en de verblijfplaats te midden van overvloed, waar het goed is.

 

Wij hebben als leerlingen, volgelingen van Jezus de tussenzang/-psalm gezongen/gebeden " De HEER is koning: de aarde juicht". We hebben de lezing uit de profeet Daniël en het evangelie van Marcus met een acclamatie onderstreept. Wij weten makkelijker dan de leerlingen dat Jezus die Mensenzoon is, de Messias; zijn wij dan op onze beurt alleen toeschouwers bij het lezen van de lezingen? Of is het ook ons gegeven om met Jezus zijn hoge berg op te gaan en iets te vermoeden van zijn ander Leven? Wij worden niet door de wolk bedekt zoals die drie, maar mogen wij niets verwachten van de Geest die hij ons heeft gestuurd? De H.Geest is toch Gods aanwezigheid onder ons sinds Jezus de aarde verliet? Bidden we door de wolk van de H.Geest overdekt te worden en te horen - misschien wel te zien. Schitterend wit. Hier, waar wij oogst zijn. Geoogst voor dat ander Leven.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In onze wereld is weinig tijd voor zo iets anders, altijd haast en willen meemaken; de berg op gaan ligt niet zo voor de hand. Aan de andere kant is een 'hemelse' ervaring geen garantie dat jouw werk tot dat goede behoort waar Jezus voor stond. Maar begeestering  kan wel helder maken waar het om gaat. Het is de kunst om wat op aarde reëel is, naar de hoge berg te brengen, om wat we doen op het niveau te brengen van gerechtigheid die des hemels is, des Godes. Als je zo doet, leg je een basis niet voor mee willen maken maar voor meekrijgen nl. het beste. Via Jezus.

 

Laat ons drie hutten bouwen, hier, in zijn Geest luisteren, in de hoop te zien. Schitterend wit. Op de berg of niet, wij zijn in ieder geval in de 1e dag van de nieuwe week, in de 8e dag, zíjn dag van dat Leven.


Maria Tenhemelopneming  1994
Apok. 11, 19a; 12, 1-6a; psalm 45; Lc 1, 39-56

Psalm 45

Zie, koningsdochters met juwelen omhangen,

en rechts van u uw gemalin, in goud uit Ofir gekleed.

'Jonkvrouw, hoor, kijk om u heen en luister: vergeet uw volk, het huis van uw vader;

laat de koning uw schoonheid begeren want hij is uw heer.

Omstuwd door geestdriftig juichende mensen gaan zij het paleis van de koning binnen.

(Ik zal uw naam vermelden, generatie na generatie.

Daarom zullen volken u danken, voor eeuwig en altijd.)

 

Ik wou beginnen bij het evangelie en dan overstappen naar de eerste lezing. Uiteraard moet ik me daarbij beperken, er is zoveel om over na te denken, maar ik hoop dat dat voldoende oproept dat in onze harten en hoofden weerklinkt.

 

De tekst van de lofzang van Maria, het Magnificat, die we hebben gelezen, weerklinkt waarschijnlijk niet zo in ons omdat het taalgebruik niet alledaags is. De nieuwe vertaling is wat dichterbij en daarin vallen mij twee woorden bijzonder op. Het eerste betreft Elisabeth. Wij hebben gelezen dat zij 'met luide stem riep'; de nieuwe vertaling vertaalt letterlijk 'zij schreeuwde het uit'. Als je zó vol zit dat je het uitschreeuwt, is er iets aan de hand. We kunnen vermoeden wat er met haar aan de hand was: waar ze zo vurig naar verlangd had, het onmogelijke is toch gebeurd: zij - op haar leeftijd - is in verwachting. Wie van ons heeft nooit vurig verlangd ? Herkennen we dan niet die vreugdeschreeuw ? In haar ontmoeting met Maria, in datzelfde geloof, kan ze zich helemaal uiten over haar geluk. Ze ontmoet een geloofs- en een ervaringsgenote, een klankbord.

Een tweede woord dat me opvalt, staat in de lofzang van Maria. Wij hebben gelezen " .. daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd". Als ik dat lees, komt er bij mij een beeld op van een nederige vrouw die met gebogen hoofd ijverig doet wat haar baas/bazin zegt, die dan genadig een gunst verleent. Dat beeld hoéft niet verkeerd te zijn maar het is wél misbruikt. De nieuwe vertaling zegt het anders: "...want Hij heeft omgezien naar zijn vernederde dienares". Dat woordje 'vernederd' past heel goed is die tekst als geheel. Het bijbelse beeld van Heer en dienaar houdt in dat een Heer, De Heer, zal niet toestaan dat zijn dienaar of dienares wordt vernederd. Hij staat op, toont de kracht van zijn arm en slaat wie zich verheven waanden, de trotsen, uiteen. Het is Zijn ere-zaak.
Wat de vernedering van Maria was staat niet in de tekst maar wie weet wat vernedering is, weet, moge weten, wat het is om hetzij langzamerhand, hetzij plotseling te ontdekken dat je voor God nooit vernederd wordt, dat HijZ jouw Redder is. De zaak gaat op zijn kop: hongerigen worden overladen, rijken weggestuurd. De schoot van de vruchtbare vrouw verdort, de onvruchtbare lacht om de kinderen die ze krijgt. Machthebbers worden van hun troon gestoten, vernederden krijgen een ereplaats. "Want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan".

Het woordje 'nederig' is gevallen. Bij 'nederig' denken we al gauw aan iemand die braaf doet wat hem of haar wordt opgedragen, liefst met hoofd- en stofdoek; nederig is dan iemand die geen mening heeft e.d. Nee, nederigheid is geen slaafsheid. Nederigheid is b.v. als je je eigen mening even terzijde kunt leggen en je open stelt voor een ander, je oor leent, uitleent, naar wat een ander zegt of probeert te zeggen, misschien wel verkeerd zegt. Dan kun je daarmee je voordeel doen of alsnog je eigen mening handhaven, maar je schat de ander van waarde, de moeite waard. Zo ben je dienstbaar. En juist in die dienstbaarheid, in die nederigheid, in die kwetsbaarheid kun je dan door iemand die niet luistert, vernederd worden, de ander die met verbaal geweld over je heen walst, die jou afdoet met 'gezeur', die zijn machtspositie gebruikt om zijn eigen zin te doen. Dat wil onze God, onze Redder, niet: HijZ vernedert je nooit en als je ervaart dat een mens dat ook niet doet, heb je even het gezicht van God mogen zien.

Bij 'vernederde dienares' zijn we ook geneigd te denken aan vrouwen die psychisch en/of godsdienstig vernederd zijn, zelfs onteerd zijn door autoritair geweld of machtsgedrag van mannen. Natuurlijk ook zij, misschien wel op de eerste plaats, maar het geldt voor iedereen die geblokkeerd wordt in zijn ontwikkeling, in zijn diepe verwachting die in hem leeft, in zijn groei naar God toe. Als het gaat om iets wat van jou zelf is, wat eerlijk in jou leeft, kun je vrij voor God staan. Soms denk ik dat onze geloofsbelijdenis beter kan beginnen met 'Ik geloof in God, de barmhartige Vader'. Barmhartig dan meer in de betekenis van niet willen dat iemand, je kind, ongelukkig is.

In Gods barmhartigheid, in vrijheid, openheid voor God, komen we bij het machtige visioen: God maakt iets van zichzelf bekend, de tempel van God in de hemel ging open:"Er verscheen een machtig teken aan de hemel. Een vrouw, omkleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van 12 sterren". Laat dat beeld maar voor zich zelf spreken. We kunnen dat beeld zien als een visioen voor de Messiaanse tijd of iets anders dat nog komen moet - het getal 12 duidt daarop - maar het is niet vruchtbaar als wij het niet zelf hanteren, ermee doen.

Wat doen? Het gaat natuurlijk niet om een vrouw als biologisch wezen, maar -zeg het maar- om het vrouwelijke in ons, om een puur zijn, een zijn zoals we graag goed willen zijn? Dat beeld geldt ook voor ons persoonlijk ook al zijn we arme sloebers. Juist in de eerlijke verwachting die in ons leeft, hebben we deel aan die heerlijkheid, is die glorie van ons, ook al zie je het niet. Laten we dat hogere in ons niet onderdrukken, laten we ons daarvoor openstellen, laat het idee eens groeien dat in ons door God iets is gelegd dat kostbaar is, hemels, glorierijk. Zelfs in onze barensnood, in onze menselijke tragiek, misschien juist dan, mogen we weten dat we deel hebben aan die heerlijkheid, die glorie, dat we bestemd zijn voor het goede, het goddelijke. Wat in ons leeft, wordt niet door het kwaad verslonden maar veilig gevoerd naar God, voor zijn troon.

 

Ik hoop dat zo'n beeld ook jongeren aanspreekt. Jongeren worden vaak vernederd door ouderen: 'je bent nog zo jong'. Vergeet niet dat je niet vanzelf 16 of 18 of 21 wordt, bent geworden. Je kunt wel jong van jaren, én oud van uren zijn, zo als de dichter schreef. Uren waarin je zit met je eigen vragen. Misschien kan bij alle twijfel dat machtige beeld je helpen van 'de vrouw omkleed met de zon, de maan onder haar voeten en om haar hoofd een kroon van 12 sterren' . Het gaat om wat je voor jezelf verwerft, ontdekt. Apocalyps = ontdekking, onthulling, ontmoeting', ont-hullen: tussen Maria en Elisabeth is geen omhulsel: ze staan open, vrij t.o.v. elkaar. God ont-hulling ! Tussen jou en God geen omhulsel, alleen openheid, vrijheid.

 

We dragen het goede in ons, we zijn bestemd voor het goede. Het feest van Maria Tenhemelopneming moge ons laten ervaren dat wij onderweg zijn naar De Goede, deel hebben aan de heerlijkheid. Een feest van onze hoop, van de belofte. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen om daarover te denken, om bewust vrij voor God te staan ? Er verscheen een groot teken aan de hemel .......

 

 

 

Maria Tenhemelopneming   1995
Apk 11, 19a; 12, 1-6a.10ab; psalm 45 "Boven mensen uit draagt gij uw schoonheid"; Lc 1, 39-56.
(De Heer heeft mij gezien en onverwacht …)

Psalm 45

Zie, koningsdochters met juwelen omhangen,

en rechts van u uw gemalin, in goud uit Ofir gekleed.

'Jonkvrouw, hoor, kijk om u heen en luister: vergeet uw volk, het huis van uw vader;

laat de koning uw schoonheid begeren want hij is uw heer.

Omstuwd door geestdriftig juichende mensen gaan zij het paleis van de koning binnen.

(Ik zal uw naam vermelden, generatie na generatie.

Daarom zullen volken u danken, voor eeuwig en altijd.)

 

Ik wilde deze overweging beginnen bij een punt in de psalm, de tussenzang die we gezongen/gebeden hebben: "luister, jonkvrouw, zie op geef gehoor; zo de koning uw schoonheid begeert - Hij uw Heer - buig u voor hem neder"/"Nu luister, dochter, wees aandachtig … breng hem uw hulde wat hij is uw Heer".
Het is best mogelijk dat, als u deze tekst hoort, u het onmiddellijk laat afweten of in het geweer komt en haar bestempelt als patriarchaal of autoritair. Het is het oude beeld van de koning die de baas is en 'de baas doét wat híj wil', hij neemt wat hij wil, want hij heeft de macht. Zo wordt maagdelijkheid een toevlucht of een uitvlucht om onder de koning uit te komen. Geen mens zal ontkennen dat zo'n tekst in die zin is verstaan, is misbruikt. Maar, als we onze woede hebben gelucht, staat die tekst er nog steeds.
Kunnen we  op een andere manier gehoor te geven aan die tekst ? Als we die nu eens voor iedereen laten gelden en aan 'jonkvrouw' de betekenis geven van ... - misschien verbaast het - 'mijn ziel', mijn leven, mijn eigenste ik waarmee ik graag voor God wil staan zoals door Hem bedoeld. Dan kunnen we nóg in onze schulp kruipen - wat een Idee 'de schoonheid van mijn ziel …' ?? Mijn ziel is eerder een zielig, zo niet een zwart geval waar geen mens de schoonheid van ziet. Dat is een eerste, spontane reactie. De tweede reactie moge zijn: zouden we dat niet aan God over kunnen laten ? Laat HijZ maar bepalen of HijZ onze ziel mooi vindt. HijZ heeft ons geschapen, gewild dat we er zijn, en als wij maar graag willen zijn zoals we door Hem bedoeld zijn, moge dat voldoende zijn. Dat is een houding, een overgave in vertrouwen aan 'zijn stille overmacht', in de overtuiging dat het zó goed moet zijn.

Dan komt de vraag: "Wat is die schoonheid dan; wat zou de Heer willen zien ?" Gaat het om de sierlijkheid van goede werken, om de mooie vorm van gebed ? Zou dat op de eerste plaats komen? Als u het mij vraagt, dan wil de Heer zien: ons zelf, ieder van ons zelf in de eigenheid die Hij heeft bedoeld, zuiver, puur, maagdelijk. Dat roept een beeld op als van een sneeuwlandschap waar nog niemand in heeft gelopen, van een bloem die vanzelf opengaat in de ochtendzon, van een heideveld dat rust in het licht van de volle maan, van een mens die een eerlijke gedachte koestert, een helder verlangen ervaart, die gehoor geeft aan een woord dat iets in hem doet leven. Puurheid, maagdelijkheid heeft te maken met in je wezen gekeerd zijn naar, in je wezen toegewend zijn naar Degene die jou wil zien. Hoe jouw puurheid is, kun je alleen maar zelf vermoeden, in overgave gehoor geven en beleven, aandacht geven aan een inzicht dat je niet meer loslaat, aan een woord dat je blijft horen. "Luister, jonkvrouw, zie op, geef gehoor, zo  de koning uw schoonheid begeert -Hij uw Heer-, buig u voor hem neder. En ontvang.


Waarom dat voor Maria ? Kennelijk hebben anderen haar zo ervaren. Maria kon duizend keer de moeder van Jezus zijn, als men in haar niets herkend had, was ze alleen maar de biologische moeder geweest. De jonge Kerk erkent haar, herkent in haar de gelovige die met hart en ziel naar God is toegewend en die door haar zoon, de Heer, is gezien als gelovige in haar maagdelijkheid, puurheid. God heeft grote dingen met haar gedaan, zijn Naam is heilig. Die grote dingen zijn heilig. HijZ heeft haar gezien.
Wat voor Maria geldt, geldt ook voor ons: ook wij kunnen -al doende lerend- ons toewenden naar God in al onze eerlijkheid, ook al denken we dat die niet veel voorstelt. Laat de Heer maar zijn grote werken doen, zijn Naam is heilig. De Heer wil ons zo graag zien. Het teken aan de hemel in grootsheid en barensnood is bedoeld voor ons.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In je groei ben je vaak onzeker, je zou wel willen maar je weet niet wat. De ene keer ben je enthousiast voor dit, de andere keer voor dat en als je enthousiast bent, ben je vaak niet te remmen. Weet één ding zeker: juist in je zoeken en in je verlangen, je hunkering kun je heel eerlijk zijn. Daar gaat het om want daar komt tot uiting wat je zelf bent, hoe je graag tegenover God wil staan. Waarom zou de Heer jou niet zien?

 

De Heer heeft mij gezien. Zullen we ons daarvoor enige ogenblikken gunnen ?

 

Maria Tenhemelopneming 2001; '05  (voor 1994 en 1995 zie boven)
Apk 11, 19a; 12, 1-6a.10ab; psalm 45, 10bcvv, "Boven mensen uit draagt gij uw schoonheid"; Lc 1, 39-56

 

Apocalyps

Toen ging de tempel van God in de hemel open, en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel Een groot teken verscheen aan de hemel: een vrouw, omkleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en barensnood. Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote, vuurrode draak. Hij had zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven diademen.  Zijn staart vaagde een derde deel van de sterren aan de hemel weg en wierp ze op de aarde. De draak stond vóór de vrouw die zou baren, om haar kind te verslinden zodra zij het gebaard had. Zij baarde een kind, een zoon, die alle volken zal weiden met een ijzeren staf. Haar kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon.  De vrouw vluchtte naar de woestijn, waar God voor haar een plaats had bereid om daar gevoed te worden,  En ik hoorde een stem in de hemel luid roepen: 'Nu zijn de redding en de macht en het koningschap van onze God gekomen en de heerschappij van zijn Messias'.

 

 Psalm 45

Zie, koningsdochters met juwelen omhangen,

en rechts van u uw gemalin, in goud uit Ofir gekleed.

'Jonkvrouw, hoor, kijk om u heen en luister: vergeet uw volk, het huis van uw vader;

laat de koning uw schoonheid begeren want hij is uw heer.

Omstuwd door geestdriftig juichende mensen gaan zij het paleis van de koning binnen.

(Ik zal uw naam vermelden, generatie na generatie.

Daarom zullen volken u danken, voor eeuwig en altijd.)

Lucas

Na enkele dagen vertrok Maria met spoed naar het bergland, naar een stad van Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen, en begroette Elisabet. Meteen toen Elisabet de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabet werd vervuld met heilige Geest. Ze riep met luide stem: "Gezegend ben jij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot. Waar heb ik het aan te danken dat de moeder van mijn Heer bij mij komt?  Op het moment dat je groet mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. Gelukkige vrouw, zij die gelooft! Wat haar namens de Heer is gezegd, zal in vervulling gaan.'

Daarop zei Maria:

'Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om God, mijn redder;

want Hij heeft omgezien naar zijn dienares in haar geringheid.

Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig,

want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan.

Heilig is zijn naam, barmhartig is Hij, iedere generatie weer, voor wie Hem eerbiedigen.

Hij heeft de kracht van zijn arm getoond, wie zich verheven waanden, heeft Hij uiteengeslagen.

Machthebbers heeft Hij van hun troon gehaald, geringen gaf Hij een hoge plaats.

Hongerigen overlaadde Hij met het beste, rijken heeft Hij met lege handen weggestuurd.

Hij heeft het opgenomen voor Israël, zijn knecht, indachtig de barmhartigheid die Hij,

zoals aan onze vaderen toegezegd, bewijzen wil aan Abraham en zijn nageslacht, voor eeuwig.'

Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar; toen keerde ze naar huis terug.

 

overweging

De lezingen van vandaag staan bol van geheim, van het mysterieuze. Er worden een beeld en een taal gebruikt die niet alledaags zijn en toch spreken ze aan. Ze spreken aan niet alleen omdat het mooi is maar ook omdat we er iets in herkennen. Ze roepen op: we zoeken betekenis.

De eerste lezing begint met "Toen ging de tempel van God in de hemel open". Ten tijde van de Apocalyps was de tempel van Jeruzalem verwoest maar die tempel met zijn oude ark van het verbond bestaat nu in de hemel. De tempel ging open: God laat van zich zien, van zich horen. En HijZ toont een groot teken: een vrouw, omkleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Men kan dit beeld voor zich laten spreken, men kan ook voorzichtig betekenis zoeken: de mens in zijn geheimvolle vorm - de vrouw - met heerlijkheid omkleed en de maan als haar voetbank: zij staat boven de maancyclus, boven de tijdcyclus, ze is verheven, ze is tijdloos. Op haar hoofd een kroon met twaalf sterren: Twaalf, het getal van het goede dat bezig is te komen, op het punt staat te komen. Zij draagt in zich hét leven dat zich gaat manifesteren, en zij krijt in barensnood.
Zo is de mens: verbonden met de heerlijkheid, met eeuwigheid, met toekomst en toch in nood. Het kan doen denken aan de kreet die een paar generaties eerder klonk, aan een kruis. De Mens, vertrouwend op Zijn Abba, wetend dat het goed moest komen, dat het moest kunnen met het Rijk, zwanger van hoop - de Mens schreeuwt: "God, hoe dan ?". Kennen wij zo'n kreet ook niet? Die 'mens-kreet' ?

Een ander teken: een draak, onheil, met zeven koppen: hij is er altijd, week in week uit en dat gaat maar door. Onheil dat de heel mens betreft, in alle situaties: tien horens. Op zijn kop een diadeem, teken van wereldlijke macht, verlokkelijk, tijdsafhankelijk. Gevaar dreigt want een derde van de sterren wordt weggevaagd: het komt erop aan.
De draak, de wereld, bedreigt het kind van de vrouw, bedreigt de hoop die zich gaat manifesteren, de hoop die mensen redt uit het alleen maar aardse, de hoop die mensen een uitweg biedt, een hoger doel.
In die twee tekens - de vrouw en de draak - wordt de menssituatie verbeeld: van de ene kant - van de andere kant; aan de ene kant verbonden met oneindigheid, aan de andere kant belaagd door verlokking van tijdelijke zaken die zijn verhevenheid aantasten.

Maar hij kent hoop en die wordt hem niet ontnomen, hoop van altijd en overal, voor alle generaties waar ook ter wereld. Die hoop zal hen aanvoeren met een ijzeren staf, een scepter: gebiedend woord dat kostbaar en duurzaam leven biedt, want hoop is, hoort, bij God thuis. Degene die die hoop heeft doorgegeven wacht en wordt gevoed - als in de woestijn, een stil en intens contact met God zoals HijZ dat heeft voorzien. Dan komt de stem die verklaart dat het Rijk is gekomen: is dat de stem die vooraf werd gegaan door de kreet aan het kruis toen het Rijk begon, toen de Geest werd doorgegeven?

Die hoop is niet zomaar, ze vraagt overgave, loslaten van bestaande banden. In de tussenzang hebben we gezongen/gebeden: "Luister, jonkvrouw, zie op, geef gehoor"… Geef gehoor aan wat anders is dan je gewend bent/"Nu luister, dochter, wees aandachtig, vergeet uw volk, vergeet uw vaderhuis". Er komt iets anders, iets nieuws. Al een oud gegeven: "Trek weg uit uw land, uw stamverband naar het land dat Ik u tonen zal". Toch is er een verschil. Van Abram werd geloof gevraagd. Bij ons werkt de hoop die al in ons ligt, gerechtvaardigd door J. v. Nazaret.

Het mysterievolle vinden we ook in de evangelielezing. In het verhaal staat nergens dat Elisabeth iets wist van wat Maria was overkomen. Maar wat hen bindt is het vervuld worden/zijn van de H.Geest. Het is dezelfde Geest, die van het O.T. en die van het N.T.  Elisabeth schreeuwt het uit - staat er in het Grieks. Zij herkent die geweldige - laat me zeggen - overrompeling van het onmogelijke dat toch mogelijk blijkt. Haar zaligspreking "Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer is gezegd" - die zaligspreking geldt voor beiden. Twee vrouwen, twee nichten die samen een groot geheim delen. Een geheim in geloof; het geloof vanaf Abram.

"En Maria sprak" staat er dan. Het zou me niets verbazen als Maria zo niet heeft geschreeuwd, dan toch luid heeft uitgezongen wat in haar leefde. Maar het kan ook zijn dat zij zo diep in zichzelf dat geweldige had verwerkt dat het een rustig en rotsvast bezit was geworden zodat ze niet meer hoefde te schreeuwen of uit te zingen. Een verstild en intens contact met God. Niettemin: "Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om God mijn Redder".

"Daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd". Vele vertalingen zijn de revue gepasseerd. Kleinheid, nederigheid, geringheid, vernederde… Ik houd het op eenvoud, gewoon zijn. "Daar Hij het gewoon zijn van zijn dienares waardeerde, het eenvoudig zijn van zijn dienares Hem was opgevallen". In dat gewoon zijn wortelt haar bijzonder zijn. "Zo de koning uw schoonheid begeert/Uw schoonheid wekt de liefde van uw koning". Het is als een lansstoot, een liefdesstoot, die het hart raakt. Die Machtige, Wiens Naam heilig is, Hij heeft grote dingen aan mij gedaan. Hij heeft mij gekozen - alle geslachten, alle volken, alle naties, alle mensen zullen van nu af mij gelukkig prijzen. Kan het gekker ?  Alles gaat op zijn kop: de wereld vermag niets meer; de eerlijkheid, klaarheid, goede wil wint. Trotsen zullen door anders-trotsen worden overwonnen, machtsgebruikers hebben geen toekomst; alle kwaad in de wereld, waarvoor de draak staat, zal toch niets vermogen. In het hele magnificat komt de N.T.-ische  zondevergeving helemaal niet ter sprake, alleen maar geluk, geluk om het onbegrijpelijke, onverwachte; om de oude belofte die ineens waar wordt; om het zelfbewuste, eigenstandige staan in de wereld; om het voor God kunnen en mogen staan. In eenvoud, enkelvoud, puur. Jonkvrouw.


Maria staat voor de Kerk. Niet omdat zij de moeder van Jezus was; afstamming en familieband tellen bij hem niet als het gaat om geloof. De jonge Kerk heeft Maria tot vaandeldraagster, tot symbool gemaakt omdat zij in haar zichzelf herkende. Zij staat voor ons, gelovenden, hopenden, gewone mensen die dankbaar zijn om het geluk dat ons zomaar ten deel valt door Zijn barmhartigheid. Zij draagt dat geheim. Jonkvrouw.

De vrouw omkleed met de zon: dat is ons uitzicht. Zij is in de hemel opgenomen. Dat feest vieren we.

 

Ik hoop dat e.e.a ook jongeren aanspreekt. We vieren niet alleen het feest van ons 'in de hemel komen' maar ook een  - laat me zeggen - besef dat we eerlijk en eigenstandig in de wereld staan, waar de mens te maken heeft met goed en kwaad, en tegelijk eenvoudig, ongecompliceerd voor God staan, van Wie we Schoonheid hebben gekregen.

 

"Luister, jonkvrouw, zie op geef gehoor…." Zullen we dat ons samen hier een paar minuten gunnen ?

 

 

Kruisverheffing 14 september 2003

Num 21, 4-9; psalm 78; Fil 2, 6-11; Joh 3,13-17

Psalm 78  Vergeten nooit meer wat God heeft gedaan

Hoor, mijn volk, wat ik jullie leer, schenk aandacht aan wat ik zeg:

openen zal ik mijn mond in gelijkenissen, uitspreken wat verborgen was sinds mensenheugenis.

Dan dachten zij weer aan God als hun rots, aan de Hoogste als hun verlosser.

Maar met hun mond bedrogen zij Hem en bleven Hem met hun tongen beliegen.

Hun hart bleef niet aan Hem verknocht, zij wilden zich aan zijn verbond niet houden.

En de HEER in zijn barmhartigheid, Hij vergaf, en verdelgde hen niet;

van zijn kwaadheid kwam Hij telkens terug, Hij liet zijn woede niet de vrije teugel.

 

In de oude mythologie staat de slang bekend als een dier dat van de aarde leeft; het heeft zijn hol in de grond en haalt zijn voedsel direct of indirect uit de aarde. Het is een aarde-wezen. Die betekenis vind je ook in de bijbel. Behalve dat het als het listigste dier wordt genoemd dat Eva van alles voorspiegelt, is het ook een aarde-dier dat op de aarde zelf kruipt, het heeft geen poten of zo om zich erboven te verheffen. Maar de aarde is zo dichtbij en vaak aantrekkelijk en bekoorlijk. Je daarboven verheffen kost wel eens moeite.

Zo'n betekenis kun je ook hanteren in het verhaal van de eerste lezing: de Joden waren weer opstandig; zij gedroegen zich als gewone mensen, aarde-mensen, die God niet kennen of loslaten of zelfs zich tegen Hem keren. Dan komen aarde-beesten om hen op gelijke manier als aarde-mensen te behandelen want ze worden niet meer beschermd door hun God.

Maar ook hier zie je weer dat God niet de ondergang van Zijn volk beoogt. Zijn toorn duurt niet tot het einde. "Toch was Hij barmhartig, vergaf hun zonden en verdelgde hen niet" hebben we gelezen in de antwoordpsalm. Mozes moet een slang maken en op een paal steken, een slang die boven de aarde uitgaat, door een Godsman omhoog wordt getild, wordt verheven - en zo de aandacht weer richt op wat de mens meer is dan een aarde-kind. Hij kan een Godskind zijn en dan blijft hij in leven. Wat er historisch precies is gebeurd weten we niet maar de betekenis is wel duidelijk. Een mens heeft het in zich om op God gericht te leven, ook als het niet makkelijk gaat.

 

Verheven worden, je verheven voelen - we kennen het allemaal wel. Boven op een berg laat je het gewone onder je en voel je je opgetild, opgeheven, verbonden met Boven. Jezus heeft ook gezegd dat hij opgeheven zou worden. En dan lopen we tegen tegenspraken aan. "… Hij heeft zich vernederd tot de dood aan een kruis." In die vernedering opgeheven worden. Dat gaat niet zo maar. "Wij verkondigen een gekruisigde Messias", schrijft Paulus, "voor de Joden een schande …". De Joodse doodstraf was steniging. Dood aan een kruis was Romeins, voor misdadigers. Kon het erger? De Messias moest een held zijn. Een held aan een kruis? 'Een schitterende held' spotten de heidenen. Er is maar één oplossing: Jezus was een held maar dan een ongewone, geen aardse held. Een soort held die door een barrière heen is gegaan en een schandetuig gebruikt om opgeheven te worden. Soldaten heffen hem aan het kruis op, op de grond; zij wisten niet beter. Zijn Abba maakt daarvan een verheffing boven de aarde uit. Opdat iedereen het kan zien, iedereen het kan inzien dat aan dat schandhout zich een maximale liefde manifesteert. Jezus heeft vrijwillig die schandedood ondergaan; hij had kunnen vluchten maar is tot het uiterste trouw gebleven aan zijn volk, aan zijn Abba. "Hij die bestond in de gestalte van God, … heeft de gestalte aangenomen van een slaaf ", van een mensendienaar en hij heeft in alles gediend, tot en met het laatste uitgediend. Tot en met het schreeuwen in onmacht. Waarom? Om maximale liefde te laten zien, die tot alles in staat is. Maximale liefde die a.h.w. boven onze hoofden hangt, die ons omgeeft, die in Jezus tastbaar is, die in Jezus-aan-het-kruis haar hoogste punt zichtbaar maakt. Dan ontvangt Hij a.h.w. zijn goddelijke eer terug als verheerlijkte mens.  "Wij hebben zijn heerlijkheid gezien" zegt Johannes. Door zijn verrijzenis laat Jezus zien dat zijn Abba het kruis heeft veranderd, heeft verheven tot teken van overwinning voor hem en tot teken van hoop voor zijn volgelingen, die willen doen en zijn zoals hij. Hij is met hen.

 

Voor ons die ons verbonden mogen weten met Jezus in ons leven, kan ook de Kracht gelden die wij in lijden mogen ondervinden nl. dat wij samen met hem lijden, dat hij met ons mee lijdt, dat ons lijden zich verbindt met zijn lijden. Dan kan het gebeuren dat lijden ons verheft boven de aarde. Dan gaat het niet om straf of noodlot of wat dan ook maar om een spirituele verbondenheid met Jezus, die zelfs zo'n mogelijkheid voor ons heeft verworven. Misschien dat je dan het gevoel krijgt dat je opgetild wordt boven de aarde uit alsof je op een berg bent. Die berg is nog meer waard dan anders.

Ons kruisbeeld aan de muur, ons kruisteken op ons lichaam, zijn niet alleen ons teken van onze hoop, ze zijn ook verwijzingen naar het lijden van Jezus. Het gaat zelfs verder: zij mogen tegenwoordig stellen wat wij met Hem hebben geleden, wij leggen in zijn handen óns lijden. Mogen we daarmee sterk zijn en verbonden zijn.

Er is nog meer: vanuit die verbondenheid kunnen zeggen dat hij van zijn kant zijn lijden in onze handen legt - opdat het niet tevergeefs zal zijn. Maar dan … niet alleen zijn lijden maar ook zijn Heerlijkheid.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Lijden is niet zo in. Er gaat erg veel aandacht naar plezier, genieten, gemak, luxe; ongemak, verdriet, lijden wordt liefst ontkend. Als je er mee wordt geconfronteerd, overweldigt het je. Maar wat kun je ermee? De lijdende mens is net zoveel waard als de niet lijdende, eerder meer waard, kostbaarder. Gelouterd door hun kruis zijn ze door Jezus-aan-het-kruis nog kostbaarder.

 

God beoogt de ondergang van zijn volk niet, HijZ biedt in Jezus-aan-het-kruis leven aan, door de dood heen, eeuwig en goddelijk leven, heerlijkheid.

 

 

Allerheiligen/Allerzielen  2002; '03;'04

Op 7, 2-4.9-14; psalm 24; Mt 5, 1-12a.

Verondersteld wordt dat de kaarsen bij de 12 wijstenen in de kerk branden. 

Voor 12 en 8 zie desgewenst getallensymboliek.

Wenselijk is dat er 12 kaarsen klaar staan om te worden aangestoken als de namen van al de 12 stammen in de 1e lezing worden uitgesproken en/of 8 kaarsen die worden aangestoken als de 8 zaligheden worden genoemd. Hiermee kunnen desgewenst de kaarsen te combineren die voor overledenen worden aangestoken.

 

Psalm 24  Aan de HEER behoort de aarde en al wat zij omvat, het vaste land en zijn bewoners:

Hijzelf heeft haar op de zeeën vastgelegd en op de stromen verankerd.

'Wie mag de berg van de HEER bestijgen? Wie mag op zijn heilige plaats staan?'

'Wie zijn handen schoon en zijn hart zuiver houdt, wie niet tot afgoden bidt.

Hij ontvangt zegen van de HEER, welvaart van God, zijn helper.'

Ja, zo is de mens die Hem zoekt en die dingt om uw gunst, o Jakob.

 

De lezing uit het boek der Openbaring brengt ons in een hemelse troonzaal, waar het grote feest van de Voleinding wordt gevierd, de voltooiing van het heil doorlopend gevierd met aanbidding en danken en vreugdekreten. Het is een geweldige ceremonie waarmee het allesomvattende heil wordt gevierd voor de troon van God. Als we ons inleven in die tekst, moge ook dat met ons hier gebeuren als een voorproef van wat later gebeurt, hier, in een ruimte die ook gericht is op de troonzaal, waar het Lam, de engelen, de oudsten zingen met hen die in witte gewaden erbij gekomen zijn en van het universele het heil genieten.

 

Er gebeurt heel wat, ook met ons hier, hier in deze ruimte waar we vaak bijeen komen. Misschien zouden we allemaal een visioen mogen krijgen over het uitzicht van ons leven, van al het leven, zoals Johannes dat beschrijft. We kunnen ons laten inspireren door Johannes en zoeken naar een engel die vanuit de opgang van de zon het zegel van de echte God draagt en ons daarmee zal tekenen. Die ons, dienstknechten van God - zo staat het geschreven - die ons zal tekenen met het zegel waarmee God tegen vergeldende machten zegt: "Afblijven ! die zijn van Mij".

Wij zoeken hier o.a. -laat me zeggen- een zekere bescherming tegen het kwade, net zo als bij het paasmaal voor de uittocht uit Egypte de Joden de deur van hun woning tekenden met bloed van het Paaslam opdat de verderver voorbij zou gaan: "Afblijven", zei de Heer, "die zijn van Mij". Wellicht beseffen we dan dat ook wij getekend zijn, dat we het kenmerk, het waarmerk al in ons dragen, nl. het merkteken van Godskind zijn. Dat accepteren we en vieren we bij het doopsel: Jezus zelf zegt dan dat wij Godskind zijn zoals hij is. "Afblijven!", zegt de Heer dus, "die horen bij hem en zijn dus van Mij". Dan gaat een bescherming tegen het kwaad over in wat de bijbel noemt een gevoel van uitverkiezing, van 'we horen erbij'.

 

Als je je afvraagt waar dat zegel, dat merk, toe leidt, komt het getal 12 naar voren. In de bijbel duidt dit getal op het bestemd zijn voor het heil: de 12 stammen van Israël zijn bestemd voor het heil van Godswege, het heil dat komen moet, waarvoor de wereld is bedoeld. Jezus zet dat voort in het Nieuwe Verbond en stelt 12 apostelen aan voor het Rijk dat komen moet: wij als Godskinderen onderweg naar de schone voleinding, het Rijk der heme­len. 24 Oudsten van Israël en Apostelen samen staan rondom de troon. Kunnen we ons zo iets indenken?

Dan kunnen we ons realiseren dat we daarmee bezig zijn in een gebouw dat met datzelfde zegel, dat zelfde merk is getekend: 12 wijstenen met 12 kaarsen aan de muren om ons heen. Zo mogen wij hier ons onderweg zijn naar het heil beleven. Dat feest is compleet, voor de hele wereld: het getal 10 staat voor veel, alles; 10 x 10 is helemaal alles; 10 x 10 x 10 is onzeglijk veel alles. Meer kan echt niet. Maar dan is Johannes nóg niet uitgekeken: hij ziet een grote menigte die niemand tellen kan uit alle rassen en stammen en volken en talen en allemaal staan ze voor de troon in witte kleren en loven God en danken voor hun redding. Eén grote verzameling, één groot feest van de gemeenschap der heiligen.

 

In witte kleren, gewassen in het rode bloed van het Lam, het Lam van God. Het Lam dat het opneemt tegen het kwaad. Het bloed dat goddelijk, eeuwig Leven draagt. Het rode bloed van de Liefde dat zuiver maakt, ons innig openlegt voor het Liefdeleven. "Zo doet het geslacht dat zich richt tot Hem, dat staat voor het aanschijn van Jacobs God. Rein van handen, zuiver van hart " zoals we hebben gebeden in de tussenzang.

 

Een visioen inspireert maar het is bepaald niet altijd reëel. Is zo iets niet een beetje te optimistisch, "Is dat wel regel?" vraag je je wellicht af; zo'n ideale verwachting vanuit onze huidige wereld? "Ja zeker", zegt Jezus en hij houdt zijn beroemde bergrede voor een grote menigte. Op de berg, de berg van God.

Een paar zaligsprekingen naar voren halen:

- "Gelukkig die arm van geest zijn". Arm van geest heeft niets te maken met dom zijn of zielig of dociel zijn. Iemand die zich arm van geest voelt, hunkert naar geest, is behoeftig aan geest, zoekt geestelijk leven, spiritualiteit, in gebed en handelen, richting het Rijk dat komen moet. Zo iemand laat zich niet schaden door materialisme, dat geen plaats heeft voor het blijvende. De arme van geest verlangt naar God.

- De tweede zaligprijzing:"Gelukkig de treurenden want zij zullen getroost worden". Het klinkt als een zoethoudertje: treur maar niet want in de hemel komt alles goed. Het is geen zoethoudertje; het betekent: Treur maar, doe maar, het is niet erg als je huilt want je huilt niet uit wanhoop; je kunt veilig treuren want de zekerheid van de goede afloop, de schone voleinding is weggelegd voor je kind of je partner - of wie je hebt verloren. Die is als Godskind getekend, bestemd Voor het Rijk. Zijn plaats is nu bij al die getekenden en al diegenen die in witte kleren voor de troon staan. Ze zijn 'van Hem.'

- "Zalig de zuiveren van hart", die gevoed zijn door het Vlees en het Bloed van het Lam: zijn zien God. Weten dat je wordt gezien, dat je wordt gekend; God recht in de ogen kunnen zien, vol vertrouwen en vol liefde. De spiegel waarmee we het nu nog moeten doen, wordt steeds minder nodig. We zien steeds meer rechtstreeks.

- "Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid" doet ook denken aan 'zalig die vervolgd wordt door onrecht', door geweld, slachtoffer zijn van misdaad, terreur en misbruik. Al de ellende van de hele wereld komt naar voren en wordt opgevangen door die Ene, die zuiver van hart grof onrecht heeft willen ondergaan en hoop heeft willen bieden aan hen die gemerkt gaan worden met het zegel van gerechtigheid, met een palm in de hand.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je denkt al gauw dat een visioen iets is voor half-zachten of overgevoelige mensen. Een visioen dat in geloof staat, dat geloof voedt, dat visie heeft, visie aanbiedt, zo'n visioen staat in die Grote Liefde, die iedereen omvat. Wellicht kan zo'n visioen van Johannes je helpen te vermoeden wat er allemaal gaande is in het geestelijk leven.

 

Ik zag een engel opstijgen van de opgang met het zegel van de levende God. Een zegel voor ons. Kunnen we dat ons een beetje voorstellen? Nemen we daarvoor even tijd.

 

 

Heilige Willibrord  7 november 2004 ('05)

Jes 52, 7-10; psalm 96; Mt 28, 16-20

Psalm 96  Zing van de HEER een nieuw lied, heel de aarde, zing van de HEER.

Zing van de HEER en verheerlijk zijn naam, verkondig zijn heil alle dagen.

Vertel de volken het verhaal van zijn glorie, het verhaal van zijn wonderen aan alle naties.

Huldig de HEER, alle stammen en volken,

huldig de glorie en macht van de HEER, Huldig de glorie van zijn naam.

Zeg het de volken: 'De HEER is koning; de aarde staat vast, onwankelbaar vast;

Hij bestuurt de volken naar recht en gerechtigheid.'

 

Een oud-missionaris vertelde dat hij als jongen missionaris wilde worden omdat je dan paard zou rijden. Hij heeft nooit paard gereden, werd wel missionaris. Het paard van St. Willibrord zal er in werkelijkheid wel anders uitgezien hebben dan zijn standbeeld toont maar ook hij zal niet missionaris zijn geworden vanwege het paard. Zo iets zit al of niet in je en je kunt zelfs denken dat, als Willibrord er niet was geweest, er wel ander geweest zou zijn die het niet laten kon. Want de goede Geest drijft vooruit, vanaf het begin van de Schepping, het Woord wil overal gehoord worden. De psalmist (Ps19) zegt: "… En toch klinkt de boodschap over heel de aarde". Maar Willibrord is de man die het heeft gedaan en o.a. aan hem danken wij onze West-Europese christelijke beschaving en cultuur.

 

En natuurlijk ook ons geloof, geloof dat uit gaat van die geniale Joodse visie dat de mens is geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Wij schepsels hebben van de Maker wat meegekregen; niet alleen dat we er zijn maar ook hoe we zijn. Je moet maar durven om dat te beweren, beter: je moet maar durven om die gedachte te accepteren. Wíj hebben gehoord over God van onze ouders, school, Kerk, de hele traditie tot op de eerste mensen bij wie die gedachte opkwam en die haar leerden beamen. Maar die eerste mensen  - laten we zeggen Abraham - hadden niemand op wie ze zich konden baseren. Een gegeven moment moesten zij, wilden zij die visie accepteren. Was die visie dan wel verantwoord? Kennelijk wel: als ze niet zo mooi, verheven en zingevend was geweest, had ze niet geïnspireerd en was ze niet doorgedrongen. En het is een geluk als je zo iets moois tot waarheid wilt maken, tot waarheid kunt laten groeien. Geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Beeld om te weten hoe je bent, waarnaar je kunt streven; gelijkenis om Hem te kunnen bereiken, bij Hem uit te komen; mogen we zeggen: in Hem uit te komen, in de Bron?

Het is goed als wij dat beseffen en als we er ons weer eens over verwonderen, zingen we dan niet automatisch 'een nieuw lied voor de Heer'? Nieuw omdat dat besef ons telkens weer vernieuwt, dichter bij Hem brengt.

 

Willibrord heeft ons dat geloof gebracht. Maar geloven doe je niet zomaar; geloven is meer dan iets voor waar houden, geloven is ook meer dan aannemen op gezag. Geloofsinhoud, die je wordt aangereikt, moet aansluiten bij wat in jou zelf aanwezig is aan religieus vermogen. Geloof kun je niet afdwingen; geloof krijg je; een 'gegeven' moment merk je dat je overtuigd bent; dat je overtuigd bent tot in je zelf toe.

Dat 'tot in jezelf toe' wordt ook in de lezingen aangeduid. Immers, we lazen in de 1e lezing:"Hoe lieflijk op de bergen de voeten van de vreugdebode" en in het evangelie gingen de leerlingen "naar de berg die Jezus hen had aangewezen". De berg als plek, situatie van eigen ontvankelijkheid voor onderricht, voor openbaring, leren kennen. De berg van de bereidheid om vanuit het religieuze dat in de mens leeft, door de Schepper in hem is gelegd, de stap naar geloof te zetten, in te zien dat je je bestaan niet aan jezelf ontleent maar hebt gekregen. De berg als gesteldheid om vanuit je zelf dat geschapen zijn te erkennen als maximale invulling van je zelf, om afhankelijkheid te accepteren als de mooiste voedingsmogelijk­heid. In de overtuiging dat die Schepper zorg heeft om jou, in vertrouwen. Daarvoor moet je op de berg zijn die boven de vlakte uitsteekt.

Bij de berg waar Jezus het over heeft gaat het ook nog om het hoogtepunt van zorg die de Schepper heeft om ons. God is mens geworden, incarnatie. Hij is niet op afstand gebleven maar kort bij ons gekomen, is onder ons komen wonen om contact te maken, met onze menselijkheid als aanknopingspunt zodat wij ons bewust kunnen worden van onze bestemming om verheven te zijn, van de mogelijkheid om opgeheven te worden naar goddelijk niveau. Onder aanvoering van Zijn Zoon, met de Geest als drijver. Zo moge het geloof zijn van ieder van ons persoonlijk, van alle mensen, heel de schepping.

 

Zo'n geloof dat aansluit bij ons zelf, wordt persoonlijk en sterk en leert ons inzien wat en hoe de leer van Jezus is, het doet ons daarin groeien; vanuit dat geloof gaan we vertrouwen en weten omdat we zelf zien, zoals de Samaritanen, zoals Job. Geloof leert ons het beeld van God … als levensdoel. Geloven is naar God toeleven.

Dat geloof maakt van ons eerlijke verlangen hoop. Als aan behoefte is voldaan, is er nog iets in ons dat verder gaat, er bovenuit stijgt: ons verlangen. Geloof leert ons dat ons persoonlijke verlangen aanknoopt bij de deugd van hoop, die ons Hem doet uitkomen.

Geloof tilt onze menselijke liefde op tot op goddelijk niveau, een wereldwijde en onverwoestbare grond voor het mooiste gevoel dat mensen kennen, de meest indringende ervaring in ons bestaan die geen nadere rechtvaardiging nodig heeft. Zij is klaarblijkelijk goddelijk. Hij is het zelf: maximale Liefde. Daarin laat Hij Zichzelf kennen.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Geloof is niet iets dat je moet. Het enige wat moet is dat je het moet zien, je erin wil begeven. Het zal je ook moeten worden aangereikt, je moet ervan gehoord hebben voordat je er zelf mee aan de slag kunt. Het moet ook inhoud hebben, die door een overlevering van meer dan 3000 jaar gerechtvaardigd wordt, door wat mensen telkens weer hebben ervaren. Wou je zelf het wiel uitvinden? Denk niet dat je dan niets te doen hebt. Je moet er toch zelf mee aan de slag, desnoods met vallen en opstaan maar altijd in vertrouwen dat je goed zit met iets dat al zo lang bestaat. "Zie, ik ben met u alle dagen". En als je merkt dat je onrustig wordt, denk je maar dat dat iets met die Geest van doen heeft. Had Willibrord ook.

 

Is er een diepere intimiteit dan die die geloof ons aanbiedt? Het geloof van Abraham, van Jezus, van Willibrord. Nemen we er even tijd voor?

 

 

Kerkwijding van de St. Jan van Lateranen   9 november 1997; '03

Ez 47, 1.2.8-9.12; psalm 46 (122); Joh 2, 13-22

 

Ter inleiding van de viering:

Het is altijd iets bijzonders als Christenen samen komen maar vandaag is er nog meer aan de hand. Zo'n 3000 jaar geleden vroeg een klein volk zich af of het geen huis zou bouwen voor hun God. Zij bouwden de tempel in Jeruzalem met een voorhof voor de mensen, het heilige voor de priesters en het heilige der Heilige waar de Hogepriester ééns per jaar mocht komen.

Zo'n 2000 jaar geleden zegt één man van dat volk: Breek deze tempel af en in drie dagen herbouw ik hem. De tempel van steen is verwoest, die van hem bestaat nog steeds.

In ca 350 is er een bisschop in Tours (Zuid-Frankrijk), een asceet, die maatschappelijk actief is, een heilig man, Martinus. Hij is de eerste bisschop die een soort dependances sticht. Naast de gebruikelijke bisschopskerk in de stad sticht hij nl. parochies, die een plaats van samenkomst hadden: de parochiekerken.

In ca 700 is er een bisschop vanuit Engeland gekomen en hij vestigt zich in Utrecht. Willibrord. Hij brengt het geloof in die ene man uit Jeruzalem in deze streken en dat geloof houdt nog steeds stand.

In de 10e  eeuw wordt in Rome een basiliek uit de 3e eeuw herbouwd, de basiliek van de bisschop van Rome, hét kerkgebouw van de stad, dat eigenlijk staat voor alle kerken, de Sint Jan van Lateranen. Daarvan vieren we nu de kerkwijding.

In 1966 komt de bisschop van Utrecht hierheen (Martinusparochie Epe) en wijdt deze kerk door als teken 12 stenen aan de buitenzijde en 12 stenen aan de binnenzijde te zalven. Bij die stenen aan de binnenzijde hebben we een kaars aangestoken, een kaars voor het heilige. 12 stuks voor het Rijk dat komen moet.

Het is een beetje lange inleiding maar wellicht is zij dienstig om in herinnering te brengen wat er allemaal aan de hand is, is geweest nu wij vandaag weer vieren, onze kerk vieren. Een lange traditie van God-met-ons. Zullen we daarom de oude lofzang zingen ? Eer aan God in den Hoge!

 

Psalm 46 God is onze toevlucht en vesting, bij uitstek onze helper in de nood:

al beeft de aarde, wij kennen geen angst, al wankelen de bergen daar diep in de zee.

Er komt een wijdvertakte rivier vreugde brengen in de stad van God,

woonplaats en heiligdom van de Hoogste.

Daarbinnen houdt Hij zijn verblijf:

zij wankelt niet, want God zal haar helpen zodra het ochtendlicht daagt.

Met ons is de HEER van de machten, de God van Jakob is onze toevlucht.