Terug naar overzicht
Terug
naar inhoudsopgave
Overwegingen voor de weekendvieringen
Vaste feestdagen in het jaar
|
Kerstmis
nachtmis (2000; '03) Kerstmis
dagmis
(2001; A) Kerstmis dagmis (2002; B) Kerstmis dagmis (2003; C) Feest H. Familie (2002; B. Gen15) Feest H. Familie (2003; C) Feest H. Familie
(2004; A) Driekoningen 7 januari
2001 - 2003 Opdracht van de Heer 2003 Witte Donderdag 17 april '03; '04; '06;'07 Goede Vrijdag 18
april '03; '04 Paaszondag A 2005 Paaszondag C 2004 2e Paasdag 2008 ochtendgebed |
Pinksteren A 2002
; '05 ('08) Pinksteren B 2003
('05) Pinksteren C 2004 ('05) Drie-Eenheid A 2005 Sacramentsdag A 2
juni 2002; '05 Sacramentsdag B
(22 juni '03) Sacramentsdag C (17
juni 2001; '04) Johannes de Doper
(24 juni 2001) Petrus en Paulus (29 juni 2003) Gedaanteverandering van de Heer
6 aug. 2006 Maria Tenhemelopneming
1994, 1995, 2001 Kruisverheffing 14 september 2003 Allerheiligen/Allerzielen 2002;'03;'04 Kerkwijding St. Jan van Lateranen
1997; '03 St. Willibrord 7 november
'04 Maria Onbevlekt Ontvangen
december 2006 |
Sommige
feestdagen staan ook onder jaar A, B of C met
dezelfde tekst.
P.S. Waar
in de overwegingen sprake is van 'nieuwe vertaling' wordt de Willibrord '95 bedoeld.
© Copyright P.Goris Epe 2000-2006
Kerstmis (nachtmis)
Jes 9, 1-3.5.6; psalm 96, 1-3.11-13; Lc2, 1-14
Heden is ons
een redder geboren, Christus de Heer.
Psalm
96 Zing van de HEER een nieuw lied, heel de aarde,
zing van de HEER.
Zing
van de HEER en verheerlijk zijn naam,
verkondig zijn heil alle dagen.
Vertel
de volken het verhaal van zijn glorie, het verhaal van zijn wonderen aan alle
naties.
Laat de
hemel verheugd zijn, laat de aarde juichen,
laat de
zee bulderen met alles wat erin is;
de
velden jubelen met alles wat er groeit; de bomen in het bos, zij jubelen mee,
voor
het aanschijn van Hem, van de HEER die komt, die komt om over
de aarde te heersen.
Rechtvaardig
zal Hij de wereld regeren, de volken besturen met de trouw, Hem eigen.
Wij mensen leven in een
jaarcyclus. Dat merken we aan de seizoenen - hoe we die beleven. Dat merken we
aan de feesten die al vanouds met seizoenen te maken hebben. Van al de feesten
die we telkens weer vieren, is Kerstmis wel het grootste. Onze beleving is
groter dan het feest van de lente, van Pasen. Waarom toch? Wat brengt ons er
toe om - ook nog 's nachts - bij elkaar te komen en iets te willen beleven? Ook
als mensen niet geloven (zoals we dat gewoonlijk verstaan), toch zoeken we
allen iets met Kerstmis. Degene die Kerstmis en de beleving daarvan wil afdoen
als sentimenteel gedoe of folklore e.d., is nu niet hier. Er moet iets zijn dat
ons allemaal trekt en wel fundamenteel trekt, tot in ons hart toe, iets dat met
ons mens-zijn te maken heeft. Iets dat de moeite waard is om 's nachts te
beginnen in de wetenschap dat er een dageraad zal zijn?
Wat is dat iets dan? Is het hoop op een nieuw begin? op een zich oprichten,
zoals de zon doet? Zijn we op zoek naar een intensiteit die dieper gaat dan een
zoet gevoel? Het kenmerkende van Kerstmis is wel dat het gaat om iets
persoonlijks, om een stukje van je zelf, misschien wel om helemaal jezelf.
Weliswaar binnen een gemeenschap maar om je zelf. Wat mag dat zijn?
Als we kijken naar de lezingen vinden we die intensiteit terug in de 1e
lezing in woorden als "helder" (een helder licht tegenover
duisternis) en "stralend", in het evangelie in woorden als
"heerlijkheid" en "omstraalde hen" - de herders. De inhoud,
het iets dat wij zoeken, kunnen we vinden in bevrijding ("het juk dat
zwaar drukt, het blok op zijn nek, de stok van de slavendrijver" - dat
alles is weg), en het evangelie zegt het kort "Uw Redder". Die naam
moest Jozef het kind geven: Jezus, in het Hebreeuws Jo shua: God redt. Zacharias
zingt dan ook na de geboorte van Johannes: "Dat wij, bevrijd uit de hand
van de vijand, U kunnen dienen in heiligheid en rechtvaardigheid". Wij
mensen zoeken naar redding, bevrijding, verlossing uit wat wij als ons tekort
ervaren. We zouden zo graag allerlei goeds willen zien en doen en meemaken,
maar lukt dat? leidt het ergens toe?
Is dat 'iets' 'allerlei goeds'
? - in de 1e lezing staat het woord
"David", Davids rijk, het huis van David. Hem gold een belofte nl.
dat zijn rijk voor altijd zou zijn gevestigd op rechtvaardigheid en
gerechtigheid, onbeperkte welvaart en vrede. Klopt dat beeld met wat we zoeken,
ook al is de vrede wel eens ver? Heeft dat te maken met ons weten dat er iets
is maar dat we niet kunnen grijpen?
In het evangelie staat wat anders, hoewel het daar op lijkt. Maria en Jozef
vinden de verblijfruimten in de herberg vol en uit noodzaak gaan ze naar de
binnenplaats van de herberg waar de dieren staan. Daar is stilte, daar is geen
gepraat of gelal, daar zijn alleen maar dieren. Daar wordt Jezus geboren. Dat
doet niet direct denken aan het rijk van David maar eerder aan intimiteit, aan
intensiteit. Is er iets puurders en intensers dan een kind na de gemeenschap
van de ouders? Dat zijn van die dingen die eigenlijk heel lang moesten duren,
waar je heel lang stil bij moet zijn. Ieder jaar een beetje meer.
Maar heel lang duren vraagt om meer: niet de herberggasten worden uitgenodigd
maar mensen die van stilte weten, herders die de sterrenhemel zien met haar
continuïteit, haar indrukwekkendheid, die iets oproept, gerechtigheid van de
hemel die naar boven uitnodigt - voor altijd. Mensen die nieuw leven vaak
beleven in hun kudde en zo de link zien tussen
hemel en aarde, die zullen een kind vinden, in een kribbe. Kribbe, hun
terrein. Voedsel - leven.
Het iets dat wij zoeken wordt wellicht het meest aangeraakt door wat de herders
beleven: intens, intiem en inzicht biedend. Inzien waar het om gaat in ons
mensenleven: het gaat om een hoop die in ons is gelegd, in ons groeit, om
een uitzien naar continuïteit, naar -zeggen we het maar- naar goddelijkheid.
Als we van God komen, zou dan "iets" van Hem niet in ons liggen? Iets
dat buiten ons gestalte krijgt in een bijzonder nieuw Leven, een kind? Als wij
dat inzien, in dat licht zien, tasten we niet meer in duisternis maar hebben we
een belofte te pakken die al voor onze jaartelling gold. Heden is ons een
redder geboren, de Messias, de beloofde. Hij is immers degene die "naar
voren treedt in heilig gewaad als dauw uit de schoot van de morgen" zoals
psalm 110 zegt (graduale), als een kind in een kribbe voor ons met namen als
"wonderbare Raadsman, goddelijke Held, vader voor eeuwig, Vredevorst"
- als je dat tenminste ziet, kunt zien, graag wil zien. Ieder jaar een stukje
meer.
Een vraag ligt misschien nu niet
zo voor de hand maar geldt wel: is dat kind God? Wellicht staan we in deze
geest van Kerstmis er wat opener tegenover, de herders vroegen zich dat niet af
- denk ik. Maar toch. Het beeld dat wij van God hebben vervult een belangrijke
rol:
( Als vooral God de grote
Almachtige is, kunnen we ons dat niet indenken. Het is absurd om te bedenken
dat God mens wordt. Dat zei Tertulianus in ca 200 al. Niettemin, juist daarom,
omdat geen mens op het idee gekomen zou zijn, daarom gelooft hij het.)
Als God vooral de god van bezorgdheid is, die Zijn Schepping, Zijn schepselen,
niet los wil laten, Zich met hen conformeert, dan is het niet zo absurd, dan is
het niet onlogisch dat Hij zelf onder mensen komt en dan ook helemaal mens
wordt als wij. Kan God korter bij zijn mensen zijn omwille van hen? Is er iets
mooiers te bedenken dan pure, pretentieloze, vrije liefde, die aansluit bij wat
in ons leeft? Is het beter voorstelbaar dan in een kind? "Zo heeft God de
wereld lief dat Hij Zijn enige Zoon zendt".
En als die bezorgde God overal
aanwezig is waar Zijn schepselen zijn en bij Zijn schepselen is, is het dan
vreemd te bedenken dat HijZ een
'gegeven' moment in een mens wil "wonen met al Zijn volheid"? Als die
bezorgde God mij omgeeft, mij met open handen omvat - als Zij handen zo open
zijn dat ik de hele wereld in kan zien - als die God mij Zijn Kracht geeft
vanuit Zijn handen om in die wereld van Hem te zijn, is het dan zo
verwonderlijk dat God Zich een keer helemaal uit om ons, Zijn mensen?
Maar het mensbeeld telt ook mee:
de mens in het verlengde van God, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. De
Reinlandse mysticus, Meister Eckhardt, stelde ook de vraag naar de menswording:
Waarom werd God mens? Het antwoord dat hij vond was: opdat de mens god wordt.
Dat is heel sterk samengevat maar geeft wel het uiteindelijk 'iets' aan dat hij
vond. Het besef, de beleving dat God 'iets' van Zich in de mens heeft gelegd,
Zijn Woord in hem gesproken heeft; dat besef, die beleving noemt hij de
geboorte van Gods Woord in de ziel. Astublieft. En ieder jaar een beetje meer
ontzag voor het geheim in ons.
Ik ben ervan overtuigd dat
e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In een wirwar van vragen en gevoelens,
onzekerheden en teleurstellingen is er maar één punt waar je je aan vast kunt
houden, waar je je ook aan vast mag houden: dat ben je zelf. Van jezelf weten,
accepteren dat je iets in je draagt dat van de Allerhoogste is moge je eigen
zekerheid geven, moge je inspireren, je zoeken richting en inhoud geven voor je
zelf en voor de wereld voor zover jij die aankunt. Een zoet gevoel is
bedrieglijk; als dat het enige is, dan zijn kribbe en kruis van hetzelfde hout
gemaakt. Kerstmis gaat verder dan een zoet gevoel, dieper, het raakt jezelf en
wat Hij aanraakt, is Zijn heiligdom. Ieder jaar wat intenser.
Jezus, de Redder, de Beloofde,
hij treedt naar voren "in heilig gewaad als dauw in de schoot van de
morgen". Ieder jaar een stukje meer. Zullen we ons een paar minuten tijd
gunnen om dat heel lang te laten duren?
Zalig Kerstfeest.
Jes 52,
7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18
Psalm
98 Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied,
want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:
zijn
rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.
De HEER heeft zijn zege
geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.
Zijn
liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:
zelfs
de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.
Heel de
aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en
zingen.
Zing
voor de HEER en speel om Hem te eren,
speel op de lier, zing met luide stem.
Onder
het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.
We hebben in de advent een weg afgelegd om tot hier te
komen. Op de 1e zondag hebben we vernomen de oproep van Jesaja
"Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer" en
" Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer". De 2e
week was er die mooie vergelijking over de stronk die nog met haar wortel in
goede aarde lag en waaruit een nieuwe twijg opbloeit waarop de Geest des Heren
rust. Op de 3e zondag hebben we gelezen hoe Jesaja het waagde in de
ballingschap een vreugdekreet te uiten naar een volk dat uitziet naar de
Komende, een volk dat zich richt op gerechtigheid en dus hoopt; en afgelopen
zondag zagen we hoe Jesaja het gelovende volk zwanger noemt van die hoop, die
in de mensen is gelegd. Nu is het zover, we staan zelf in het beleven van die
hoop.
Met Kerstmis vieren we ieder jaar weer opnieuw dat zij
gestalte heeft gekregen, zichtbaar is geworden en effectief. Ook voor ons geldt
dat die hoop al bij onze schepping in ons is gelegd - een aansluitpunt naar wat
boven is, een verlangen dat boven behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen
naar Wie we God noemen én dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten
zien. Ondanks alle poes-pas erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het
in ons aanknopt bij ons eigenste en ons meeneemt naar Boven.
Je zou misschien wel kunnen zeggen dat ook Johannes de
evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk met de Doop in
de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is opgeschreven, lijkt het
wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de
hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog en plaatst hij het
vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en Matteüs op hun
manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees geworden,
incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën oorspronkelijk één
waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.
Dat is wat Johannes in zijn leven heeft geleerd, een
geloofsbelijdenis: 'In begin was het Woord', wat vrijer vertaald: beginsel,
punt van uitgang is dat het Woord was, en ook hoe het was nl. naar God toe
toegewend, bij God (de Vader); het Woord is Zelf God, zo dicht is het bij Hem,
die het Woord heeft voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde
soort geloofsbelijdenis als waarmee de bijbel begint: 'Punt van uitgang is dat
God hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is alleen maar te
zeggen in geloof in het Hogere, het Hogere dat de mens in zich herkent en
accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord gemaakt en
dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om goddelijk
leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht, om
goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht,
geloofslicht, geloofszicht.
Maar de mens zag het niet altijd, wilde het ook wel niet
zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos. Nee, niet helemaal
machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt zichzelf in de
handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons. "Het
Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt tussen
mensen in". Zo geeft God aan hoe goddelijke liefde is. Zij die dat
accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en
op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als mens vanuit een man
afkomstig maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan bij wat al in hen
ligt vanaf hun schepping.
Johannes getuigt dan dat hij de heerlijkheid heeft
aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van de Vader: vol
genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid ligt in
een kind, dat kind.
Jesaja deed zijn oproep om te wandelen, te leven in het
Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht geeft maar ook inspireert om
goed te doen. Zo - kun je zeggen - zal
de Heer via het doen van mensen regeren, zal Sion's God Zijn kracht laten zien,
die verlossing uit de ballingschap voor de Joden bewerkte tot hun grote vreugde.
Maar die kracht, zo'n heil, is voor de hele aarde, voor alle schepselen
bestemd. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.
Als wij hier nu het feest van de menswording vieren, van
'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die tussenzang dan nog eens met
groter enthousiasme … of zouden we liever stil zijn en een kaars
aansteken en ons zo laten raken?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Kerst vieren
met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om iets intiems en intens waar
je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer nieuw maakt? Dat jou raakt? Om
iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is, jouw licht?
"Al wat door God wordt
aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn.
Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?
Kerstmis dagmis B
(als 2001 maar aan B aangepast)
Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18
Psalm
98 Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied,
want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:
zijn
rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.
De HEER heeft zijn zege
geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.
Zijn
liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:
zelfs
de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.
Heel de
aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en
zingen.
Zing
voor de HEER en speel om Hem te eren,
speel op de lier, zing met luide stem.
Onder
het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.
We hebben in de advent een weg
afgelegd om tot hier te komen. Op de 1e zondag hebben we de
noodkreet van Jesaja gehoord en beleefd "Scheur toch de hemel open",
"Lach ons weer toe en we zullen gered zijn", want we zijn in nood .
De tweede zondag was er het troostwoord van God: "Troost toch mijn volk",
"Spreek tot het hart van Jeruzalem". Haar ongerechtigheid is dubbel
uitgeboet en nu zal het op de hoge berg uitroepen dat God komt. De derde zondag
hebben we het grote lied van Maria gezongen want de Geest van de Heer rustte op
haar en zij die gelooft kan hopen. De vierde zondag hebben we gehoord:
"Wat de liefde van de Heer heeft gedaan, daarvan wil ik zingen, steeds
weer, van uw trouw getuigen voor alle generaties. En dit zijn uw eigen woorden:
mijn liefde is een blijvend onderpand, mijn trouw staat vast als de
hemel". De engel kondigde het definitieve onderpand ervan aan.
Nu is het zover, we staan zelf
in het beleven van die trouw en liefde.
Met Kerstmis vieren we ieder
jaar weer opnieuw dat liefde en trouw gestalte hebben gekregen, zichtbaar zijn geworden
en effectief. Ook voor ons geldt dat liefde en trouw al bij onze schepping in
ons is gelegd - een aansluitpunt naar wat Boven is, een verlangen dat boven
behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én dat God
van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle poes-pas erom
heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknoopt bij ons eigenste
en ons meeneemt naar Boven.
Je zou misschien wel kunnen
zeggen dat ook Johannes de evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies
beginnen eigenlijk met de Doop in de Jordaan. Maar als het verhaal, de
verkondiging, is opgeschreven, lijkt het wel of Johannes er bij gaat zitten en
zich afvraagt wat er nu eigenlijk aan de hand is geweest. Dan schrijft hij zijn
beroemde proloog en plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt
hij wat Lucas en Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn
Woord is vlees geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude
mythologieën oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van
Boven af.
Dat is wat Johannes in zijn
leven heeft geleerd, een geloofsbelijdenis: 'In begin was het Woord', wat
vrijer vertaald: beginsel, punt van uitgang is dat het Woord was, en ook hoe
het was nl. naar God toe toegewend, bij God (de Vader); het is Zelf God, zo
dicht is het bij Hem, die het Woord heeft voortgebracht. Zo is was het altijd
al.' Dit is eenzelfde soort geloofsbelijdenis als 'Punt van uitgang is dat God
hemel én aarde schiep'. Dat is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen
binnen geloof in het Hogere, dat de mens in zich herkent en accepteert, want
alles - ook ik, zegt die mens - is via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het
leven, ontleent daaraan zijn leven. Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook
leidt bij zijn doen en laten, bij zijn inzicht, om goddelijk niveau te
bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven geeft licht, geloofslicht,
geloofszicht.
Maar de mens zag het niet
altijd, wilde het ook wel niet zien en dan staat zelfs het goddelijke machteloos.
Nee, niet helemaal machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf aan, het legt
zichzelf in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen als een van ons.
"Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt
tussen mensen in". Zo geeft God aan wat goddelijke liefde is. Zij die dat
accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon' mens-zijn getild en
op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als mens vanuit 'een man
afkomstig' maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan bewust bij wat al
in hen ligt vanaf hun schepping.
Johannes getuigt dan dat hij de
heerlijkheid heeft aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van
de Vader: vol genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid
ligt al in een kind, dat kind.
Jesaja deed zijn oproep om te
wandelen, te leven in het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht
geeft maar ook inspireert om goed te
doen. Zo - kun je zeggen - zal de Heer via het doen van mensen regeren, zal
Sion's God Zijn kracht laten zien, die verlossing uit de ballingschap voor de
Joden bewerkte tot hun grote vreugde. Maar die kracht, zo'n heil, is voor de
hele aarde, voor alle schepselen bestemd. Daarvan hebben we gebeden/gezongen in
de tussenzang.
Als wij hier nu het feest van
de menswording vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die
tussenzang dan nog eens met groter enthousiasme … of zouden we liever
stil zijn en een kaars aansteken en ons zo laten raken?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Kerst vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om
iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer
nieuw maakt? Dat jou raakt? Ieder jaar een beetje meer? Om iets waarvan je kunt
zeggen dat het Licht is, jouw licht?
"Al wat door God wordt
aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn,
dank zij trouw en liefde. Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten
komen?
Kerstmis dagmis
2003 C; als 2001 maar aangepast aan C
Jes 52, 7-10; psalm 98; Joh 1, 1-18
Psalm
98 Zing voor de HEER een lied, een nieuw lied,
want wonderlijke dingen heeft Hij gedaan:
zijn
rechterhand bracht Hem de zege, zijn eigen machtige arm.
De HEER heeft zijn zege
geopenbaard, zijn rechtvaardigheid onthuld voor de ogen van de volken.
Zijn
liefde en trouw was Hij indachtig, ten gunste van Israëls huis:
zelfs
de uiterste grens van de aarde heeft de redding van onze God aanschouwd.
Heel de
aarde, juich voor de HEER, breek uit in jubelen en
zingen.
Zing
voor de HEER en speel om Hem te eren,
speel op de lier, zing met luide stem.
Onder
het schallen van ramshoorn en trompet: juich voor het aanschijn van de HEER, onze koning.
We hebben in de advent een weg afgelegd
om tot hier te komen. Op de 1e zondag hebben we de profetie van
Jeremia gehoord: "De tijd komt - godsspraak van de Heer - dat ik de
belofte vervul die ik Israël en Juda heb gedaan" , een belofte waar de
houding onder ligt "Naar U gaat mijn verlangen, Heer". Op de 2e
zondag week was er die oproep van Baruch: "Sta op Jeruzalem", je zult
heten 'Vrede door Gerechtigheid', 'Heil door Godsvrucht'. Zo moet u uw roeping
invullen. Op de 3e zondag hebben we gelezen hoe Sefanja het waagde
midden in de zorglijke toestand een vreugdekreet te uiten om de dag van de Heer
voor Zijn getrouwen en afgelopen zondag zagen we hoe Micha duidelijk maakt wat
nodig is: eenvoud en waarheid: 'U, Betlehem in Efrata, al bent u klein onder Juda's stammen, toch zal
er, zeg Ik, … want Hij die troont op de cherubs, roept Zijn Kracht wakker
en maakt het pure, eenvoudige vruchtbaar. Hoop komt tot leven.
Met Kerstmis vieren we ieder
jaar weer opnieuw dat hoop gestalte heeft gekregen, zichtbaar is geworden en
effectief. Ook voor ons geldt dat die hoop in ons is gelegd vanaf onze
schepping; ze is een aansluitpunt naar wat boven is, een verlangen dat boven
behoeften uitstijgt. We vieren ons verlangen naar Wie we God noemen én we
vieren dat God van Zich heeft laten horen, Zich heeft laten zien. Ondanks alle
poes-pas erom heen, is Kerstmis een intiem feest omdat het in ons aanknoopt bij
ons eigenste en ons meeneemt naar Boven.
Je zou kunnen zeggen dat ook
Johannes de evangelist dat heeft ontdekt. Alle evangelies beginnen eigenlijk
met de Doop in de Jordaan. Maar als het verhaal, de verkondiging, is
opgeschreven, lijkt het wel of Johannes er bij gaat zitten en zich afvraagt wat
er nu eigenlijk aan de hand is geweest. Dan schrijft hij zijn beroemde proloog
en plaatst hij het vooraan in zijn evangelie. Dan verkondigt hij wat Lucas en
Matteüs op hun manier ook doen: God is mens geworden, Zijn Woord is vlees
geworden, incarnatie. Hemel en aarde die volgens oude mythologieën
oorspronkelijk één waren, worden weer met elkaar verbonden, van Boven af.
Dat is wat Johannes in zijn
leven heeft geleerd, heeft leren inzien, en zijn geloofsbelijdenis werd: 'In
begin was het Woord'. Wat vrijer vertaald: 'beginsel, punt van uitgang is dat
het Woord was', en ook hoe het was nl. 'naar God toe toegewend, bij God (de
Vader); het is Zelf God, zo dicht is het bij Hem, die het Woord heeft
voortgebracht. Zo is was het altijd al.' Dit is eenzelfde soort
geloofsbelijdenis als 'Punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep'. Dat
is niet te bewijzen, dat is alleen maar te zeggen in geloof in het Hogere, dat
de mens in zich herkent en accepteert, want alles - ook ik, zegt die mens - is
via dat Woord gemaakt en dankt daaraan het leven, ontleent daaraan zijn leven.
Het gaat om goddelijk leven dat de mens ook leidt bij zijn doen en laten, bij
zijn inzicht om goddelijk niveau te bereiken, om Godskind te zijn. Dat Leven
geeft licht, geloofslicht, geloofszicht. Hoop is tot leven gekomen.
Maar de mens zag het niet
altijd, wilde het ook wel niet zien en dan staat zelfs het goddelijke
machteloos. Nee, niet helemaal machteloos: het biedt tenslotte nog zichzelf
aan, het legt zichzelf in de handen van mensen, het is onder ons komen wonen
als een van ons. "Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk
begin, dat loopt tussen mensen in". Zo geeft God aan wat goddelijke liefde
is. Zij die dat accepteren, dat ontvangen, opnemen, worden uit hun 'gewoon'
mens-zijn getild en op goddelijk niveau gebracht. Zij zijn wel begonnen als
mens vanuit een man afkomstig maar worden dan 'van omhoog geboren', sluiten aan
bij wat al in hen ligt vanaf hun schepping.
Johannes getuigt dan dat hij de
heerlijkheid heeft aanschouwd die het Woord draagt, die het Woord meekrijgt van
de Vader: vol genade en waarheid, blijvend weelde in overvloed. Al die heerlijkheid
ligt in een kind, dat kind. Wat een geloofszicht!
Jesaja deed zijn oproep om te
wandelen, te leven in het Licht van de Heer. Het Licht dat verlicht, inzicht
geeft, vrede brengt en alle reden biedt om te juichen want de belofte wordt
vervuld: de vrede van de Heer zal regeren in Jeruzalem. Voor de joden was dat
de verlossing uit de ballingschap, voor ons dat wij ons Godskinderen mogen
weten via het kind van Betlehem. De hele aarde moge dat weten, alle schepselen
zijn bestemd om uit God geboren te worden en te zijn. Daarvan hebben we
gebeden/gezongen in de tussenzang.
Als wij hier nu het feest van
de menswording vieren, van 'God-met-ons is hier aanwezig', zingen we die
tussenzang dan nog eens met groter enthousiasme … of zouden we liever
stil zijn en een kaars aansteken en ons zo laten raken?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Kerst vieren met poes-pas is best leuk maar gaat het ook niet om
iets intiems en intens waar je geen woorden voor hebt? Om iets dat jou weer
nieuw maakt? Dat jou raakt? Om iets waarvan je kunt zeggen dat het Licht is,
jouw licht?
"Al wat door God wordt
aangeraakt, is puur en helder als een maagd" en kan een Godskind zijn.
Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen?
Sir 3, 2-6.12-14; psalm 128; Mt 2, 13 -15.19-23
Psalm 128 Gelukkig de man die ontzag
kent voor de HEER, en de wegen van de HEER bewandelt.
Van de
vruchten van je arbeid zul je leven, je zult gelukkig zijn en het zal goed met
je gaan.
Je
vrouw is een vruchtbare wingerd
die bloeit binnen in je
huis;
je
kinderen staan rond de tafel geschaard als jonge olijfbomen.
Ja, die
zegen is voor de man die ontzag kent voor de HEER.
Ontvang
vanuit Sion de zegen van de HEER;
verheug
je bij het zien van Jeruzalems geluk, alle dagen van je leven.
En zelfs de kinderen van je kinderen zul je nog zien.
Vrede over Israël.
"De Heer heeft aan de vader aanzien gegeven bij zijn
kinderen en Hij heeft het oordeel van de moeder bindend gemaakt voor haar
zonen." Een standpunt, een geloofsbelijdenis van de vrome, die zo de
natuurlijke situatie van vader-moeder-kind optilt, die zo zijn ervaring en die
van de zijnen binnen het gezin als gekregen duidt, als van God gegeven.
Natuurlijk kan de niet-vrome die uitspraak ook misbruiken
maar binnen het geloof geeft dat standpunt een enorme lading aan wat in een
gezin gebeurt. Er is sprake van recht, vooral waar het de moeder betreft: zelfs
over haar zonen heeft zij bevoegdheid. Evenwel, boven het recht uit krijgt de
binding die God aanbiedt gestalte in wat in het gezin gebeurt aan goede
ervaringen. HijZ is daar. Recht is een basis waarop Gods genade voortbouwt.
De 1e lezing vervolgt met een aantal voordelen
voor degene die zijn vader en moeder eert, o.a. beleeft hij vreugde aan zijn
eigen kinderen. En dan staat er als afsluiting een soort slagzin: "Wie
ontzag heeft voor de Heer, eert zijn ouders": ook weer een houding die
uitgaat van de bond van God met Zijn volk, weer een eeuwigheidswaarde voor een
aards gegeven.
"Eert uw vader en uw moeder" is niet alleen
terecht omdat jij je leven aan hen dankt omdat zij voor je zorgen en leren te
leven maar ook omdat zij jou over God leren, hun geloof voorleven en zo jou de
gelegenheid geven ook daarin zelf God te leren kennen. Is er een bodem die
vruchtbaarder is dan de intimiteit van het gezin? Intimiteit die een
ontvankelijkheid voor dat onzeglijke uitspreidt. Intimiteit die tot God voert.
Die intimiteit, geborgenheid, zekerheid blijft niet steken
in een kleine kring. In de tussenzang hebben we de psalm gezongen die de man
gelukkig prijst die de Heer vreest. Zijn werk slaagt, zijn vrouw en kinderen
zijn zijn trots en dan blikt de psalm naar buiten: geluk voor Jeruzalem, Gods
volk, de samenleving. Het gezin als de kleinste cel van de maatschappij. Maar
ook als kern voor de parochie, de Kerk.
Onze samenleving kent verschillende soorten kernen en
gemeenschappen. Kan daar geen intimiteit van God afkomstig functioneren, zij
het in een variant, en ook geen verbond
met God dienen? Ook in een
geloofsgemeenschap zal persoonlijke ervaring van intimiteit met God
vruchtbaar kunnen zijn voor de leden ervan.
Het evangelie verhaalt de opdracht die Jozef krijgt:
"sta op". Jozef is een tsaddiek, een gerechte, hij wilde zelfs zonder
ophef, in stilte van Maria scheiden. Een gerechte staat in verbond met de Heer
en doet wat Die zegt, plichtsgetrouw, bezorgd. We kennen de afbeeldingen die de
vlucht van die drie naar Egypte voorstellen. Ook op die vlucht functioneert
intimiteit: zij gedrieën. Staat dat verhaal dan niet voor de zorg die God heeft
om de Zijnen, beeldt Jozef zo niet uit hoe God is? Is het dan niet ergens een
eer voor een vader om de spreekbuis, een goede handlanger te Zijn van de goede
God? Is de verbondenheid die de moeder voelt met haar kind geen beeld van Gods
Verbond?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In geen enkel
gezin gaat dat ideaal beeld helemaal op. Er zijn zelfs gezinnen waar intimiteit
en geborgenheid (te) gering zijn. Maar is het dan toch niet de moeite waard om
het - zodra je de kans krijgt - dat ideaal na te streven? Je mag je gesteund
weten door het kerstverhaal, door het verhaal van Gods zorg.
"Sta
op, neem het kind en zijn moeder …" Welke betekenis geven wij daar
aan?
Feest van de heilige Familie (B) 29 december
2002
Gen 15, 1-6;
21,1-3; psalm 105 gebeden, psalm 34 gezongen; Lc 2, 22-40
Psalm 105
Prijs
de HEER, roep luid zijn naam,
verkondig zijn daden onder de volken.
Zing
voor Hem en speel voor Hem, spreek over de wonderen die Hij verrichtte.
Stel uw
roem in zijn heilige naam, wees blij, u die de HEER zoekt.
Blijf
uitzien naar de macht van de HEER, houd niet op zijn gelaat
te zoeken.
Denk
aan de wonderen die Hij verrichtte, aan zijn machtig woord, van tekens
vergezeld,
u,
kinderen van zijn dienaar Abraham, u, kinderen van Jakob die Hij verkoos.
Die HEER, die HEER is onze God; zijn woord is
beslissend voor heel de aarde.
Indachtig
blijft Hij zijn verbond, voor duizend generaties geldt zijn belofte:
dat
verbond, gesloten met Abraham, die eed, aan Isaak gedaan.
Beide
lezingen van vandaag staan in het teken van verwachten: Abram krijgt een
belofte en na lang verwachten wordt zij vervuld: hij krijgt een zoon van Sara.
Simeon heeft ook een belofte gekregen en ook die wordt vervuld: hij heeft hét
kind in zijn armen, de toekomst van Gods volk.
Maar er is
een belangrijk verschil in sfeer.
- Abram zit
in zijn tent te kniezen, een hoofdman als hij is met veel bezit moet toch een
eigen opvolger hebben. Dan leidt God hem naar buiten en laat hem de
sterrenhemel zien. Zo zal God zijn belofte aan hem vervullen. Later sluit HijZ
een verbond met Abram - met hem persoonlijk.
- Bij het
evangelie worden we verplaatst van de stal bij de herberg naar de grote tempel
in Jeruzalem, van het intieme naar het grootse, en het kind gaat van de kribbe
naar de armen van Simeon, van de stilte naar de verkondiging. Het persoonlijk
accent dat eerst min of meer met Abram werd verbonden heeft nu via Simeon een
algemeen karakter: het geloofsverbond met Abram is ontwikkeld tot een Verbond
met het volk: Gij Mijn volk, Ik uw God. Simeon verklaart het Joodse heil tot
heil voor alle volken, heel de wereld. Bovendien: in het kind krijgt het
Verbond een nieuwe inhoud: 'Gij Mijn volk, Ik uw God' gaat nu via het kind. Het
verwachten dat eerst aan een persoon was gebonden geldt nu voor de hele wereld.
Zowel Isaak als het kind zijn vervulling van verbondsbelofte maar het kind zal
zelf het Verbond vernieuwen. En wij staan in het Nieuwe Verbond.
Zo moge
hetgeen we in de tussenzang hebben gebeden/gezongen "De Heer, Hij is onze
enige God - voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht"/"Ervaart het
en ziet: mild is de Heer" niet alleen een dankzegging zijn van Joden maar
ook van ons. "Gaat groot op de heilige Naam van de Heer"/"Mijn
ziel zal in trots de Heer prijzen" zijn dankzeggingen die de verdrukte en
de weer opgerichte verstaan.
Het danklied
van Simeon heeft een andere, een nieuwe ondergrond. De inhoud is op zich niet
zo nieuw; dat het heil voor alle geslachten zou gelden was aan Abraham al
gezegd maar Simeon heeft zijn belofte en daarmee zijn danklied gekregen via de
H.Geest. Driemaal wordt de Geest genoemd. Eerst staat er letterlijk dat 'een
(zijn) geest was heilig op hem'; dan dat de godsspraak van de Heilige Geest
afkomstig was en vervolgens dat hij in die Geest naar de tempel ging.
Simeon verwachtte
in die Geest de vertroosting van Israël en ook Hanna zag uit naar de verlossing
van Jeruzalem. Het moet wel dezelfde Geest zijn die haar bezielde bij haar
danken en verkondigen, want zij was 84 jaar en zo had zij twaalf maal een
levensperiode van zeven jaar doorgemaakt en was haar heilstijd aangebroken. (getallensymboliek)
De Geest die
in het begin bij Maria kwam, de Geest die Simeon leidde, de Geest die het kind
later aan de Kerk doorgaf. Die Geest moge ook ons bezielen. Gods heil wordt
door mensen gedragen, mensen die in een menselijk verband functioneren. De kern
van dat verband moge de H.Geest zijn. Dat begint in het gezin waar intimiteit
haar dienst moge hebben, waar geloof en godsdienst spontaan moge groeien, waar
Gods heil werkelijkheid worde, zijn Verbond worde voortgezet. Maar het feest
van de H.Familie is groter dat het gezin, het gaat ook om andere verbanden,
kleinere en grotere gemeenschappen waar die Goede Geest heerst - met vallen en
opstaan zoals in het gezin; misschien niet zo natuurlijk als in het gezin maar
wel met die verbondswaarde.
Het lijkt
wel alsof in het evangelie het kind uit de armen van Jozef en Maria wordt
gehaald maar dat is maar even. Zij gingen met het kind terug naar Nazaret,
nadat … Het stukje evangelie van vandaag begint en eindigt met de Wet van
Mozes. Volgens de Wet moest het kind worden opgedragen en toen alle
voorschriften van de wet waren vervuld, gingen ze weer met het kind, gedrieën.
De Wet van het Eerste Verbond "Gij Mijn volk, Ik uw God", vervuld in
de kleinste cel van de samenleving, in een kostbaar levenseenheid,
belevingseenheid, van het Verbond.
Ik hoop dat
e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Opgroeien in een gezin waar de Goede Geest
heerst is een geweldige weldaad, een geschenk, dat niet altijd en wellicht nu
ook niet zo aan iedereen is gegeven. Maar als je het hebt meegekregen, zul je
met veel plezier het doorgeven aan jouw kinderen en als je het niet of minder
hebt meegekregen, kun je er naar uitzien, het verwachten, want de Goede Geest
is voor ieder. En als je in een andere gemeenschap gaat leven, dan zul je die
Goede Geest ook hard nodig hebben en ook daar van Hem genieten.
"En
zie, … " staat er letterlijk. "En zie, in Jeruzalem leefde een
zekere Simeon …" "En
zie, hier in onze gemeenschap, in ons gezin, …" - hoe zouden wij die
zin voltooien? Zullen we ons daarvoor
even tijd gunnen?
H.Familie C 28 december 2003 ('06)
1Sam 1,20-22.24-28; psalm 84; Lc 2, 41-52 (Voor
elementen van de Sirach-keuze zie jaar A)
psalm 84
Hoe dierbaar is mij
uw huis, HEER van de machten.
Ik word verteerd
door heimwee naar de voorhof en de tempel van de HEER.
Met heel mijn wezen
schreeuw ik het uit van heimwee naar de levende God.
Gelukkig de mens
die in uw huis woont: zonder ophouden kan hij U prijzen.
Gelukkig de mens
die zijn kracht vindt bij U: hij droomt van opgaan naar U;
Ach, luister naar
mijn smeken, HEER van de machten, luister, God van
Jakob.
Vestig uw ogen,
God, op uw gezalfde, zie liefdevol op hem neer, ons schild.
"En met de jaren nam Jezus
toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en bij de mensen". Het klinkt
als "en ze leefden nog lang en gelukkig". Einde sprookje. Ook een
zekere geruststelling, Jezus gaat weer netjes met zijn ouders mee 'het probleem
is voorbij'.
Zou hier dan een
probleem zijn? Wellicht. Als je een gewoon katholiek gezin zou
vragen wat voor een lezingen het uit zou kiezen voor dit feest, zal het niet
direct aan dit evangelie-stukje gedacht hebben en zeker niet aan het verhaal
van Hanna. Wellicht zal ook gedacht hebben: "Heilige familie? Wij
heilig? Reserveer dat maar voor Jozef en Maria en het kind".
Tenslotte is het mogelijk dat het zich afvroeg waarom een jaarfeest voor het
gezin gevierd moet worden. Er zijn toch meer vormen van levenswijze in onze
maatschappij; denk maar aan leefgemeenschappen, kinderloze echtparen, homofiele
banden en alleenstaanden. Wanneer vieren we hun feest?
Zullen we eens kijken naar die
eerste vraag: welke lezingen zou een gezin gekozen hebben? Het is praktischer
om de zaak een beetje om te draaien: wat hebben ze aan deze lezingen die zijn
voorgelezen? Hoe dichtbij zijn die?
De beslissing van Hanna, die eerst God smeekt om een kind te mogen hebben en
het vervolgens afgeeft aan God - die beslissing ligt bij ons niet bepaald zo
voor de hand. Maar bij Hanna en haar man ook niet. Kinderloos zijn gold als een
straf, een oneer. Zij moet dus wel een bepaalde reden hebben gehad. Haar man
hield zielsveel van haar, meer dan van haar rivale die haar bespotte. Ook al
zei haar man Elkana dat zij hem liever was dan tien zonen, ze was ontroostbaar.
Iedere keer bij hun jaarlijks offer aan de tempel in Silo moest Hanna die
vernedering doorstaan en een gegeven moment deed ze een gelofte aan de Heer:
"Heer van de machten, als u omziet naar de ellende van uw dienstmaagd en
aan mij denkt, als u naar uw dienares omziet en haar een zoon schenkt, dan zal
ik hem voor zijn hele leven aan de Heer afstaan". Hij zal niet worden
vrijgekocht zoals de Wet aangeeft maar worden afgestaan.
Kunnen we ons iets voorstellen
bij het verdriet van zo iemand die binnen een gemeenschap - in welke vorm dan
ook - vernederd en bespot wordt op een zo doordringend punt, op haar vrouw
zijn?
Kunnen we ons voorstellen hoe
zij haar magnificat zingt als de Heer haar schoot heeft geopend?
Kunnen we ons iets voorstellen
over haar vertrouwen in de Heer als zij haar schat aan de Heer toevertrouwt?
Die jongen moet wel in goede handen zijn in het huis van de Heer.
"Gelukkig zij die wonen in uw huis, Heer", zegt de psalm immers. Als
slotzin staat er:"En zij bogen zich daar voor God de Heer neer".
Waarna Hanna haar Magnificat zingt.
Ligt hier een punt waar het
gezin iets aan heeft? Toegewijd zijn aan God ligt er voor iedereen maar hier
gaat het om het paar Hanna - Elkana; de relatie is toegewijd aan, gericht op
God. Heilige familie. Dat is nog al wat, maar wel mogelijk, wel waar. We denken
bij heilig al gauw aan buitenissigheid. Heilig betekent heel gewoon: aan God
gewijd, op God gericht. Wij mensen kunnen op God gericht zijn -met vallen en
opstaan- maar goed bedoeld. Is dat niet ons geloof, zoals Hanna en Elkana ook
geloofden? Als je op God gericht bent, naar Hem toedenkt en werkt, ben je
vruchtbaar, in je relatie op een speciale manier.
Geldt dat ook niet voor kinderloze paren? Niet dat echtparen of niet op
voortplanting gerichte gemeenschappen ineens eigen kinderen gaan krijgen omdat
ze op God gericht zijn. Maar mogelijk is wel dat ze door hun op God gericht
denken en doen vruchtbaar kunnen zijn voor kinderen, groten en kleinen, door
gebed, voorbeeld, steun, ieder naar eigen omstandigheden en mogelijkheden. Dit
niet als een soort zoethouder of surrogaat maar een als een mogelijkheid, die
Hanna eerst niet had maar kreeg door haar geloof, haar vertrouwen. En geloof
dus niet als opgelegd maar als een band met God die vanzelf, van binnen uit
leeft omdat het uit de hemel is gekomen. Desnoods spreken we van geestelijke
nakomelingen, hetgeen ook bijbels is. Moge die mogelijkheid ook gelden voor de
alleenstaande, naar zijn of haar situatie en kunnen.
Dan kan er geluk zijn zoals we dat hebben gezongen in de tussenzang: dan moge
ook daar het huis van de Heer zijn.
Het huis van de Heer. "Huis
van mijn Vader", zei Jezus. De eerste keer dat Jezus in de tempel was, was
bij zijn opdracht aan God. Daar had hij zelf geen hand in, dat deden zijn
ouders, die hem vrij kochten met een koppel tortels. De tweede keer dat Jezus
in de tempel was, was toen hij twaalf jaar was, nu zeggen ze Bar Mitswa, zoon
der Wet. Hij had er wel zelf de hand in. Hij discussieerde met leraren tot
verbazing van iedereen. Nog meer aan God toegewijd dan zijn ouders dachten. Het
toppunt is wel dat Jezus later zichzelf tempel noemt. Als onze gezinnen en
gemeenschappen het huis van God willen zijn, kleinste cel van zijn Kerk, zou
Jezus dan niet meegaan als met zijn ouders? Hij, zelf de tempel.
Het sprookje is niet uit, het
gaat door.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Komen uit een goed nest, leven in een gelovend gezin - je hebt het
niet altijd door totdat je ziet dat er ook andere dingen gebeuren. Als je zelf
dan een relatie aangaat, laat zij op God gericht zijn, laat Jezus Christus
daarin meegaan. Hoe - dat ervaar je zelf in vallen en opstaan, dat vul je deels
zelf in. Maar met hem, de maximale tempel, bouw jíj een huis van God, waar
vertrouwen is en Godsliefde. Waar intimiteit en liefde wordt geleerd en ervaren
als weg naar God, als weg van God. Intens.
"Gelukkig zij de wonen in
uw huis, o Heer". Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen daarover na
te denken?
H. Maria, Moeder van God;
Nieuwjaar 2006 ('08)
Numeri
6, 22-27; psalm 67; Galaten 4, 4-7; Lucas 2, 16-21
Psalm 67
Wees ons genadig,
schenk ons uw zegen, God, laat uw aanschijn over ons lichten,
zodat men op aarde
uw wegen zal kennen:
uw wegen betekenen
welzijn, laat de volken dat zien.
De volken zullen U
danken, o God, alle volken zullen U danken.
De naties zullen
verheugd om U juichen:
U regeert de volken
in rechtvaardigheid, U bestuurt alle naties op aarde.
De volken zullen U
loven, o God, alle volken zullen U loven.
De aarde brengt
haar vruchten op; God, onze God, Hij zegent ons.
God zegent ons: de einders van de aarde zullen ontzag
hebben voor Hem.
"Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht er
over na". Maria en de herders verstaan elkaar - zij: eenvoudig,
enkelvoudig, ongecompliceerd - herders: even eenvoudig, no-nonsens, direct bij
het leven, zelfs kort bij het Leven in een voerbak. Toehoorders die verbaasd
staan - Maria stil in haar hart. Het zou wel eens best waar kunnen zijn dat we
net zo goed ongecompliceerdheid nodig hebben om te verstaan waar het nu om
gaat: "God zond Zijn eigen Zoon, geboren uit een vrouw … " Wie
geen moeder is moge bescheidenheid sieren. Niettemin proberen ook wij erover na
te denken.
'H. Maria, moeder van God' als feest op de eerste dag van
het nieuwe jaar - dat doet denken aan de eerste dag van de nieuwe week. De
Sjabbat, de afsluiting, dankbaarheid, wordt vervangen door de dag des Heren,
nieuwe hoop, het uitzicht. Zou dit feest niet ook een feest van hoop kunnen
zijn? De wereld heeft altijd hoop nodig maar misschien nu wel het meest want er
gebeurt zoveel en we weten er van. Wat eerder meer plaatselijk was, is nu
wereldwijd. Natuurlijk gebeuren er hoopvolle dingen, en mogen zij gevoed
worden, blijven worden, door de Hoop, die van Boven wordt aangereikt en die zó
doende over de hele wereld moge gaan.
Hoop die begonnen is in een kleine stal ? Ja, dat moeten we
accepteren - of we kunnen ons er in verheugen. Want God meldt Zich in Zijn
wereld. Het is nog al wat. Als Wezen van maximale liefde wil Hij niet afzijdig
blijven en afwachten. Hij doet mee, helemaal, vanaf de moederschoot. Moeders
weten wat het dragen van nieuw leven is; dat is intens en direct beleefbaar.
Zou Maria in werkelijkheid alleen maar geweten hebben dat ze 'gewoon' in
verwachting was? Zou haar magnificat niet nog meer zijn dan wat de Kerk haar
heeft toegeschreven? Eén ding weten we zeker: als Maria haar moeder-zijn, haar
specifieke moeder-zijn, niet waar had gemaakt, zou zij van de Kerk niet die
status hebben gekregen die ze nu heeft. Vóór zij moeder werd zal zij geleefd
hebben in de verwachting van "de vertroosting van Israël", zoals
Simeon, "in de verwachting van het Koninkrijk van God", zoals Jozef
van Arimatea. Wanneer zíj wist dat 'het van Boven' in haar leefde als invulling
van die vertroosting, weten we niet, maar wíj nu weten wel dat het zo is. Hoop
die daarvandaan in ons leeft, moge voelbaar zijn als een nieuw leven. Hoop
vanuit de kleine stal de wereld rond gegaan moge die verwachting voortdurend
waar maken. De bede van de psalmist, die wij ook hebben gezegd, die al lang
voor die tijd werd uitgesproken, krijgt een grote en reële kans op uitkomst.
Als we aan uitkomst denken, aan toekomst, komt wellicht ook
het beeld van 'de Vrouw' van het boek Openbaring naar voren: "Een vrouw
omkleed met de zon, de maan onder haar voeten …" Zon en maan, beide
lichtend. Een wijs man moet eens diep nagedacht hebben op de vraag 'wat meer
van belang is de zon of de maan?' en toen hebben geantwoord: "De maan,
want de zon schijnt als het toch al licht is". Op zoek naar de wijsheid in
dat antwoord kom je uit bij de gedachte dat de maan in de duisternis hoop
levend houdt, uitzicht oproept. Als het licht is, is er geen probleem.
Christelijke hoop, christelijk uitzicht is niet gefundeerd op mythe of instinct
of zoet gevoel, maar op geloof in die God die mee wil doen met Zijn schepsels.
De mee-Levende. Van hun kleinste begin af aan. Hij is er dank zij haar.
Kan Hij er meer zijn dan als mens?
De maan in de nacht roept ook 'geheim' op, stilte, rust.
Moeder van God zijn is alleen in stilte te beleven, alleen in je hart te
overdenken; het is een onzegbaar geheim. Het is niet geheimzinnig want de zin
ervan, de betekenis ervan, is voor ons allen duidelijk. Moge de moeder van God
ons inspireren; zij is de grootste inspiratrice omdat de maximale Inspirator,
de Heilige Geest op haar is gekomen. Het is geen kwestie meer van "De Heer
zij u genadig" maar 'de Heer is u genadig', "U hebt genade gevonden
bij God". Kan Hij Zijn aanschijn meer, dichterbij, inniger over iemand
laten lichten? Kan iemand anders dan
Gods moeder dat Licht meer weerkaatsen? Wij zijn geen Maria maar we zijn wel
kinderen van God zoals Paulus schrijft. Maria zal als een maan het uitzicht
oproepen dat wij ook van de Geest hebben meegekregen.
Een nieuw jaar. De aarde heeft weer een ronde om de zon
gedraaid en wij draaien met haar mee. Er is meer: wij draaien in een spiraal
omhoog naar Boven omdat - mede dank zij haar - de 'Hij-met-ons' er is,
de Zon, die ook aantrekt.
Moge dit uitzicht bieden aan
jong en oud, het is zo diep menselijk, voor alle mensen. En dan zij het ons
gegeven om met de herders God te verheerlijken en te loven om de invulling van
wat zij hadden gezien. Ook zij hadden hun magnificat. Moge ieder van ons zijn
eigen magnificat zingen, desnoods door tranen heen. Dan wordt het een goed
jaar.
Driekoningen 7 januari 2001; ‘03 ('07)
Jes 60, 1-6; Ps 72; Mt 2, 1-12
Alle volken
der aarde huldigen u, Heer.
Psalm
72 God, laat de koning regeren zoals U,
geef de zoon van de koning uw rechtvaardigheid.
Rechtvaardig
zal hij uw volk besturen en opkomen voor het recht van de armen.
De
rechtvaardige kan in zijn dagen ontluiken in een wereld vol vrede, tot de maan
niet meer glanst.
En
heersen zal hij van zee tot zee, van de Grote Rivier tot aan het einde van de
aarde.
De
koningen van Tarsis, van de eilanden, zij dragen geschenken aan;
de
koning van Saba, de koning van Seba, zij komen hun schatting betalen.
Zie,
alle koningen bukken voor hem en alle volken zijn hem tot knecht.
Hij
redt de misdeelde die om hulp smeekt, de verdrukte, door niemand geholpen.
Wie
achtergesteld zijn, toont hij erbarmen, wie zwak en onderdrukt is redt hij het
leven.
Officieel heet het feest
‘de Openbaring des Heren’ en daarmee wordt ook de clou aangegeven:
Jezus kan 100 keer geboren zijn, als hij zich niet manifesteert, zich
openbaart, weten we nog niks. Openbaring is praktisch gezien belangrijker dan
geboorte; het werkzaam zijn belangrijker dan het zijn. Liturgisch was het feest
ook meer bevoorrecht dan Kerstmis, dat pas uit de 4e eeuw bekend is.
Er zijn twee ‘soorten’ verhalen waarin de Heer zich manifesteert:
enerzijds die van de herders en de drie wijzen/magiërs is het ene soort,
anderzijds is die van de doop in de Jordaan en de bruiloft van Kana. Bij de
laatste twee was Jezus zelf actief bij de eerste twee niet en dit geeft toch
een bepaald cachet aan het verhaal; dat cachet zij een meditatief karakter van
die verhalen, het geeft iets ter overweging, het lijkt meer een meditatieve,
‘verborgen’ verkondiging dan een openbare verkondiging. Een
verborgen verkondiging, een openbaring in je innerlijk.
In die sfeer past ook de 1e lezing van Jesaja. In de O.T.-lezingen
vóór Kerstmis hebben we profeten gehoord die a.h.w. op de puinhopen van
Jeruzalem hoop uitspaken; nu zingt Jesaja over Jeruzalem het hoogste lied: de
ballingschap is voorbij, “Sta op Jeruzalem want de zon gaat over u
op”. Duisternis ligt op de andere volken maar u staat in het licht.
Dat woord ‘licht’ komt zo vaak voor, wordt zo vaak gebruikt, dat de
betekenis ziet meer zo opvalt. De betekenis
ervan moge hier inzicht zijn.
Inzicht, weten,
hoe we goed leven, nl. door rechtvaardigheid. Daarvan getuigt ook hetgeen we
hebben gebeden/gezongen in de tussenzang: “Mijn God, verleen uw koning
wijsheid: rechtvaardigheid zal bloeien tot de maan niet meer glanst, zolang de
zon staat”. Dat duurt nog wel even. De koning die in dienst staat: hem
eren alle volken maar hij gaat er niet verwaand bij zitten en steunt de arme.
Inzicht ook in
wat waarheid is, wat echt is, blijvend. Het gaat niet om waarheid die op
waarneming en redenering is gebaseerd, maar om de waarheid, realiteit van
geestelijk leven, van wat we niet kunnen zien, horen enz. maar wel vermoeden,
hopen, iets wat in ons leeft en wordt bevestigd.
Misschien wel het hoogste inzicht
is hier in de lezing dat de mensen ervaren dat de Heer, hun God, bij hen is;
Zijn Glorie gaat immers over hen op. Zij zijn het volk waaraan en waardoor de
Heer zich bekend maakt. Daarmee wordt Jeruzalem gezien als het geloofscentrum
van de hele wereld: al de andere volken die om het land van de Joden heen
wonen, trekken naar Jeruzalem op. En vervolgens: hóe haar heerlijkheid is, de
Heerlijkheid van de Heer, de Heer van het Verbond, de Heerlijkheid in de boeken
van Mozes, profeten en Schriften genoemd
- hoe haar heerlijkheid is wordt verbeeld door de schatten die naar die stad
worden gebracht, incl. goud en wierook. Als je zo over je stad kunt
verkondigen, moet je toch wel van haar houden, toch wel een visie hebben over
datgene waarvoor zij staat: God is met haar. Inzicht, geloofszicht.
Naar dat Jeruzalem komen drie wijzen, “magiërs” zegt de nieuwe
vertaling. Maar dan magiërs die niet zelf het occulte regelen maar die
openstaan voor licht, licht dat naar hen toekomt, de ster in het Oosten. Hoe ze
weten dat het de ster van de nieuwe koning der Joden moet zijn, staat er niet
bij maar zo zien ze het wel. “We hebben zijn licht gezien”.
En voor de koning der Joden moet je in Jeruzalem zijn, dachten ze, daar trekken
immers alle volken naar toe. Maar, over Jeruzalem schijnt het licht niet meer,
het Licht dat naar alle volken toeschijnt is weg. De grote stad met grote
verwachtingen is omgekomen in politiek gekonkel, verknoeide eredienst en
corruptie; het inzicht is weg, er is geen geloofsinhoud meer, alleen
uiterlijkheid, machtspolitiek, het onrecht van de sterkste. De koning die
volgens de psalm recht hanteert tot de maan niet meer glanst, is nu een gevaar
voor haar en haar leiders.
Maar Jeruzalem kent wel de oude profetieën waarin staat dat de Messias in een
kleine landstreek geboren zal worden en dat daarom die landstreek volstrekt niet
de kleinste is. Daar moeten de wijzen heen. Nederigheid als methode, niet
als doel. De oude profetieën hanteren nog die waarden van het licht: ze bevelen
de weg van de nederigheid aan, zoek bij het kleine, eenvoudige, laat je eigen
ideeën los, buig je hoofd om te luisteren, om te ontvangen, om de kern van de
zaak, je eigen kern te vinden. Dat zou best eens de betekenis van het weer gaan
schijnen van de ster kunnen zijn: je eigenheid weer zien oplichten. Geen wonder
dat die magiërs, die zich voor licht openstelden, zeer verheugd zijn;
“overgrote vreugde” staat er. Wat ze zoeken vinden ze in een klein
kind, tastbare invulling, tastbare belofte.
”Overgrote vreugde” bij het weer zien van het licht. Kunnen wij
hier bij elkaar, één in zijn Naam, kunnen wij de profetie van Jesaja en het
verhaal van de wijzen optillen en over tijdsgrenzen en ruimtegrenzen heen hier
neer zetten? Kunnen wij niet het Jeruzalem zijn dat Jesaja voor ogen had, niet
met veel tamtam maar wel met de intentie, met het licht dat hij bedoelde.
Kunnen wij ons laten beschijnen, de Zon over ons laten opgaan, weten dat God
met ons is? Wat toen voor Jeruzalem gold, geldt nog steeds, voor ons en voor
wie allemaal niet, maar ook nu en hier. Het “Jeruzalem van omhoog”.
Voor ons mag er ook overgrote
vreugde zijn als we met ons schamel goud, wierook en mirre ontdekken dat die
belofte, dat verlangen in ons, hier gestalte krijgt in Naam van dat kleine
kind. Sta op parochie, sta op gemeenschap en laat u beschijnen want de zon gaat
over u op. Dat vraagt om innerlijkheid, om zo iets als die magiërs zochten, om
bij jezelf thuis te komen en zien dat het kind er is, ons Godskind zijn.
En net zo goed geldt voor de
enkeling die door een crisis heen is gegaan, die in het kind in de kribbe heeft
herkend, zichzelf er in heeft gezien, zich bewust is geworden van eigenwaarde -
net zo goed voor zo iemand: “Sta op, laat je beschijnen want de zon gaat
over jou op”. Jij bent zijn moeite waard. Sta op, ga zijn stal of huis
binnen en laat je beschijnen zo lang als je wilt. Godskind!
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Zeker als je jong bent verkeer je in je leven de ene keer in een
dal van onrecht en ongeluk, de andere keer kun je de hele wereld aan omdat je
op de top staat. Als je op de top staat, kijk of dan ook niet voor jou geldt
wat de profeet zei over opstaan en je laten beschijnen. “Ik ben een
blomme en bloeie voor Uw ogen, geweldig Zonnelicht”. Maar ook als je in
het dal bent, zij het je vergund die ster te ontdekken die er voor jou is en
die je bij je zelf thuis moge brengen, en dan in te zien dat het Zijn licht
is...
“Overgrote vreugde”
bij het weer zien van hun licht. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen een
glimp van het licht op te vangen?
Opdracht van de Heer (Maria Lichtmis) 2 februari 2003 ('06)
Processie:
Adorna, intr: Suscepimus; Mal 3, 1-4; psalm 24; Lc 2, 22-40
Adorna oorspronkelijk: Versier Sion,
uw bruidsvertrek; omhels Maria, de hemels poort, die is als de troon van
cherubijnen, waartussen JHWH woont: zij draagt de koning van de glorie; zij is
als een lichtwolk, die in haar armen de zoon draagt: voor de morgenster
geboren. (Liturgisch woordenboek)
Psalm
24 "Hef uw hoofden omhoog, jullie
poorten, aloude poorten, omhoog:
de
koning van de glorie komt binnen."
"Wie
is toch die koning van de glorie?'
"De
HEER, de dappere held, de HEER, de held in de
strijd."
"Hef
uw hoofden omhoog, jullie poorten, aloude poorten, omhoog:
de
koning van de glorie komt binnen."
"Wie
is toch die koning van de glorie?"
"De
HEER van de machten, Hij is de
koning van de glorie."
We hebben heel wat woorden gehoord en
daarbijbehorende beelden aangereikt gekregen. Het 'adorna' van de processie
roept in intimiteit en in liefde het wezenlijke van het mensenleven op, het
bruidsvertrek. De intredezang zingt van het gedenken van Gods goedheid,
gedenken - over je laten komen - in de tempel. De profeet Maleachi spreekt over
het plotseling komen van de Heer in zijn heiligdom, de tussenzang roemt de
Sterke, de Hemelse, en Lucas verhaalt hoe Simeon het kind ontvangt. Het gaat om
het geloofsgegeven dat God, de Heer, zich manifesteert, Zich openbaart in Jezus
van Nazareth, de Christus. Hiermee wordt ter afsluiting van de kerstkring nog
eens extra onderstreept dat en -vooral - hoe God met zijn mensen bezig is.
Maleachi zegt dat de Heer zijn bode
voor Zich uit zendt. Het heil wordt allang voorbereid, ook al zijn we er niet
op verdacht of zien we het niet, maar het is er wel en plotseling staat het er:
De Heer treedt binnen in zijn heiligdom, de Heer naar wie het volk heeft
uitgezien. De Heer "de sterke in de strijd", noemt de psalm Hem, maar
ook - met het accent dat Maleachi geeft - en vooral de Heer van de hemelse
machten: Hij is de Koning der glorie.
Maar met die vreugde is het niet
gedaan. Meteen komt immers de vraag wie zijn komst kan verdragen want Hij
vraagt verantwoording, Hij vraagt wie op de vereiste wijze offergaven kan
brengen. 'De vereiste wijze' - dat heeft niets met offerritueel te maken maar
met het hart. Elders zegt de profeet nl. dat de Heer niets geeft om kreupele of
blinde dieren, die geen waarde hebben. Met zo'n offer wordt Zijn Naam
geminacht, wordt Zijn Aanwezigheid in de tempel beledigd. Zijn Naam "Hij
is", "Hij is er", Hij de enige Eeuwige, de uniek Aanwezige. Bij
de vreugde van Zijn komst, Zijn Aanwezigheid onder het volk hoort ook het echte,
daadwerkelijke, eerlijke, het hart dat Hem zoveel mogelijk recht doet, het hart
dat Hem kent.
Zo'n kritisch element vinden we ook in
het evangelie. Als de ouders zich verbazen over wat over het kind wordt gezegd,
zegt Simeon dat het kind bestemd is tot val of opstanding van velen. Val of
opstanding, een teken dat weersproken wordt: er is een criterium voor de
vreugde, nl. de waarheid, de waardigheid van het handelen, de levenswandel.
Zelfs voor Maria heeft hij moeilijk nieuws: "door uw eigen ziel zal een
zwaard gaan". Kennelijk is het geen triomftocht om de moeder van Jezus te
zijn.
Niettemin, voor Simeon geldt wat
Maleachi schreef over het volk dat verlangend uitziet naar de komst van de
Heer. Hij was een gerechte die de vertroosting van Gods volk verwachtte. En wat
de profeet voor een heel volk voorzegt, komt nu tot uiting in intimiteit, in
een persoonlijke situatie: Simeon, Maria, kind. Het Eerste Verbond - Simeon -
ontvangt de Belofte die het Verbond
nieuw maakt in persoonlijke ontmoeting, persoonlijke ervaring, stil en
diepgaand, in de tempel van JHWH. "Nu, - nu met dit kind in mijn
armen - nu laat Gij uw dienaar in vrede gaan, (inderdaad) zoals U gezegd
hebt …". De grijsaard krijgt tenslótte het kind in zijn armen
dankzij Maria, dankzij haar "Mij geschiede", dank zij de
wetgetrouwheid van haar en haar man. In de tempel.
Zij weten hoe een offer 'op de
vereiste wijze' wordt gebracht: met het hart. Maar zij zullen zich wel niet
hebben gerealiseerd tot welk oneindig hoog niveau zij met hun opdracht van het
kind Zijn Aanwezigheid eren. Zo gaat niet alleen de belofte voor Gods volk in
vervulling maar ook de belofte voor hele wereld. Maria staat toe dat Simeon het
kind in zijn armen neemt. Misschien geeft zij het hem wel en hij noemt het de
glorie voor het volk Israël en het beloofde heil en licht voor de hele wereld.
Een licht dankzij Maria zichtbaar geworden en door een man van het Eerste
verbond in de Goede Geest herkend. Een licht dat te zien is. De koningszoon der
glorie.
Wat speelt hier toch allemaal? Is het
een moment in de geschiedenis, daar en toen, of is het een voortgaande geloofsbelijdenis
tot nu en hier toe en verder? Een geloofsbelijdenis en een geloofsbeleving, die
het kritisch element kent maar net zo goed de vreugde en de diepgang. Als Maria
het beeld is van de Kerk is, is geworden door haar houding, dragen wij samen
met Jezus Christus dan niet Gods heil in onze armen om het ook aan anderen te
aan te bieden? Om er samen van te genieten - ook in onze gezinnen, onze
gemeenschap, onze parochies? Dankzij Maria.
Maar geldt die bodem, die basis voor
het dragen van het kind dan ook niet voor ons? Die diepgang die voor Maria
geldt, is die ook niet voor ons persoonlijk ter zake? "Versier, Sion -
versier, volk van God - uw bruidsvertrek." Roep in intimiteit en in liefde
het wezenlijke van het mensenleven op.
"Omhels Maria", doe als zij, wees als zij "de hemelse
poort" voor anderen, Maria "die is als de troon van de
Cherubijnen" op de ark van het Verbond in het heilige der heilige van de
tempel "waartussen JHWH woont; zij draagt de koning van de glorie; zij is
als een lichtwolk die in haar armen de zoon draagt: voor de morgenster
geboren". Versier volk van God hier aanwezig uw bruidsvertrek om Leven te
ontvangen, Gods Aanwezigheid op te nemen, om Licht te zien, om puurheid te
leren kennen, om …
Als we het niet meer overzien, zullen
we het dan maar gewoon over ons laten komen? Dat onzeglijke, Licht,
Aanwezigheid. Hier in de tempel.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Geloofsleven is niet alleen heerlijkheid, ook een kritische
houding. Is niet alleen diepgang, ook een zich manifesteren ervan. Beide zowel
de heerlijkheid als de kritische houding zijn wezenlijk én voeden elkaar. Deed
Maria ook. Diepgang kreeg ze, inzet gaf ze. Als er een heeft geloofd, dan is
zij het. Tot onder het kruis toe.
"Midden in uw tempel gedenken wij
uw goedheid Heer". Gedenken: hier en nu over ons laten komen. Die
intimiteit, die diepgang, dat Licht. Gunnen we ons daartoe even een aanzet.
Witte Donderdag 17 april '03; '04; '06
Ex 12, 1-8.11-14; psalm
116; Joh 13, 1-15
Psalm 116
Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen
gemeenschap met het bloed van Christus?
Wat zal
ik op mijn beurt aan de HEER geven voor al het goede
aan mij besteed?
Ik hef
de beker tot dank voor uw weldaad, de
naam van de HEER roep ik uit.
Zwaar
valt de HEER het sterven van zijn getrouwen.
Ach
Heer, uw dienaar ben ik, kind van uw dienares, U hebt mijn boeien losgemaakt.
Ik
draag een dankoffer aan U op en de naam van de HEER roep
ik uit.
Mijn
geloften aan de HEER kom ik na, zodat iedereen
het ziet, voor heel zijn volk,
Voor de Jood begint het nieuwe jaar met een feest, het
feest van het leven. Hij eet nieuw brood, waar geen oud desem in zit, en hij
eet een nieuw dier, een lam. Door de betekenis die zij daaraan geven, wordt het
een rite, een heilige handeling; het is het Lam van de Heer dat hen beschermt
tegen de verderver, tegen de rampen die de Heer over Zijn tegenstrevers laat
komen. Ze moeten het eten bij volle maan, op een hoogtepunt, als het licht
maximaal in de duisternis schijnt. Ze moet het haastig eten en reisklaar want
de Heer zal hen uit de slavernij wegleiden en hen in ere herstellen, in
vrijheid als zijn Volk. Ze moeten het samen eten in gemeenschap tot de zon
opgaat. Als er over is moet dat worden verbrand, want dat Lam is specifiek
alleen voor die gelegenheid, met die betekenis, bovendien: restanten mogen niet
bederven, want het is heilig. Het bloed van het Lam, het leven dat de Heer
geeft, beschermt hun huis, houdt hen in leven. Ze moeten dat voorschrift
blijven onderhouden; zo blijven ze in Leven en danken zij hun God met het
Paasoffer voor de Heer. Zo vieren zij hun Verbond ieder jaar opnieuw. Zo krijgt
het lam een betekenis van Godswege. Het gaat om Gods bemoeienis met Zijn
mensen. Daarvoor heffen zij de beker, tot dank voor Zijn weldaad en roepen zij
de Naam van de Heer uit.
Johannes noemt in het begin van zijn evangelie Jezus 'het
lam Gods'. Dit Lam héeft zijn betekenis al van Godswege, het gaat nu om een
innige verbinding met God, een éenheidslading. Het Lam Gods dat de zonden van
de wereld op zich neemt. Nu niet zo zeer bescherming tegen een onderdrukker als
wel een verlossing uit de macht van de zonde door zondevergeving; de zonde
krijgt geen kans meer ons uit het Leven te houden omdat het Lam zijn leven
geeft. Het Lam biedt ons tot het uiterste toe de gelegenheid, de mogelijkheid,
om vrij voor God te leven door samen met hem te leven, samen met hem omdat het
van God is. Daarvoor heffen wij de beker van het Lam tot dank voor zijn weldaad
en roepen Zijn Naam aan.
Vergeten we dus niet dat de
instelling van de Eucharistie plaats vond binnen het kader van zegening en
danking en smeking. Dat geeft toch wel heel bijzonder aan hoe Jezus aan zijn
leven de betekenis gaf van dank-aanbod aan zijn Abba. Terwijl hij wist dat hij
op een gemene manier zou sterven, was zijn verhouding met zijn Vader dermate
dat hij dankte. Dan moet die verhouding wel heel bijzonder zijn.
Het Johannes-evangelie verhaalt niet typisch de instelling
van de Eucharistie - misschien omdat dat toen genoegzaam bekend was en hij het
aspect van in dienst willen staan wilde benadrukken. Als iemand in dienst heeft
gestaan was het toch wel Jezus - in dienst van de Vader, in dienst van de
mensen. Omdat dit verbonden wordt met het Joodse Paasfeest, met de viering van
het Verbond, met zijn laatste maaltijd met hen, krijgt het in dienst staan een
wezenlijke lading, wordt het met hoofdletters geschreven. Maar wat houdt dat in
dienst staan van Jezus in?
De dragende handeling is dat hij de voeten wast van zijn
leerlingen, een slavenklus, niks voor een Heer en Meester. Toch doet Jezus het
- het lijkt wel of hij het heel spontaan doet. De inhoud ervan wordt duidelijk
als hij bij Petrus komt: hij biedt deelgenootschap aan, nederig, in dienst.
Jezus doet dat in het bewustzijn dat hij van de Vader was uitgegaan zegt Joh
uitdrukkelijk erbij, m.a.w. zo laat hij zien hoe zijn Vader is. God biedt
deelgenootschap aan, gemeenschap met Hem - de mens kan komen bij zijn Bron, in
zijn Bron. God doet dat dienend, Zich aanbiedend. Nu geen grote machtige die
Zijn tegenstrevers de les leert maar een - laat me zeggen - een stille
Aanwezigheid, wenkend, uitnodigend.
Zonder romantisch of sentimenteel te zijn kunnen we ons
afvragen wat Jezus gedacht heeft toen hij Judas de voeten wies. Ook hem biedt
hij gemeenschap aan, zijn gemeenschap. Hoe heeft hij de voeten van zijn
verrader omvat? Hij heeft ook hem bemind tot het uiterste toe, tot het uiterste
toe zijn gemeenschap aangeboden, wenkend, uitnodigend, misschien wel smekend.
Zelfs na de voetwassing heeft hij hem nog het stukje vriendenbrood aangeboden.
Maar het was en bleef nacht. Judas zag geen licht.
Als Jezus aan Judas, van wie hij
weet dat die hem zal overleveren, nog gemeenschap aanreikt, zal hij dan ons die
wel graag willen maar het niet altijd goed doen, zal hij dan ons dat niet
aanreiken? Moeten wij dan bang zijn om
dat aan te nemen, om in dat Licht te gaan staan? Hij helpt ons of we ons
waardig achten of niet. Hij is immers van God uitgegaan. Zullen we dat even
over ons laten komen?
Goede Vrijdag 18 april
'03; '04
Jes 52,13 - 53,12; psalm
31; Joh 18,1 - 19,42
(voor 'zes', zesde uur, zie desgewenst getallensymboliek
)
psalm
31 Bij U, HEER, kom
ik schuilen, beschaam mij nooit ofte nimmer, bevrijd mij in uw
rechtvaardigheid.
Ik leg
mijn geest in uw hand: red mij, HEER, getrouwe° God.
Mijn
vijanden spotten met mij, buren wijzen mij na, kennissen schrikken van mij:
ze zien
mij op straat en gaan op de loop.
Ik ben
vergeten, als een dode, weg uit het hart, als een kruik die in scherven ligt.
HEER, ik
stel mijn vertrouwen in U;
ik houd
eraan vast: U bent mijn God.
Mijn
levenslot ligt in uw hand; maak mij los uit de greep van vijand en
achtervolger.
Laat uw
lichtend gelaat over uw dienaar schijnen, red mij, want U hebt mij lief.
Jullie,
die wachten op de HEER, wacht met een dapper,
standvastig hart.
De eerste lezing is het vierde lied van de dienstknecht.
Ze is de moeilijkste, ze gaat over lijden. Ze staat terecht in deze context.
Wij zijn geneigd snel over het lijden van Jezus heen te stappen omdat we de
afloop kennen. Maar we kunnen het niet verdoezelen, we moeten het in de ogen
kijken. Ook andere volken worstelen met de vraag van het lijden, en het Lied
van de Dienaar is een Joodse benadering. Al dat lijden - moet het niet érgens
goed voor zijn? Alle onrecht, geweld, ziekte, honger, armoede, verminking,
ongeluk - van alle tijden, overal op aarde - wat moeten we ermee?
De eerste lezing gaat diep op lijden in, het verbergt
niet, maar ziet voor die dienstknecht, die het vrijwillig op zich neemt, een
heilsgegeven: hij lijdt voor anderen, in hun plaats. Zoals wij voor anderen
bidden, zo neemt hij lijden op zich om anderen te redden, te redden van de
zonde, van de schuld. De straf die zíj hebben verdiend, neemt híj op zich. Hij
doet het als de dienstknecht van de Heer en zo toont hij de uitzichtloosheid
van de zonde en biedt hij door zijn opoffering uitzicht aan, de weg tot een
doel, tot de Heer. Hij lijdt voor een ideaal. Geen wonder dat deze visie op
Jezus wordt toegepast. Zo lijdt hij volgens de Schriften. Zo vervult hij de
Schriften.
Een kernpunt van het lijdensverhaal van Johannes is het
koning zijn van Jezus. De 'scène' waarin Pilatus driemaal naar buiten komt,
heen en weer tussen Jezus en de Joden, is opvallend. Pilatus zoekt naar recht
maar de Joden willen Jezus niet: "kruisigt hem!" En dan is het het
zesde uur. Het Joodse kader waarin Jezus optrad, is vervallen. De zending van
Jezus als Messias breekt naar buiten: het Verlosserwerk, het heil van Godswege
wordt voor de hele wereld.
Jezus heeft zich ingezet voor een ideaal. Maar, als we
zien naar hem aan het kruis, als we zijn aftakeling aandurven, komt dan niet de
vraag omhoog: "God, moet het nou zo?" Als we een dierbare dode na een
lang ziekte proces zien, als we verminkten zien, uitgehongerden, vragen we dan
niet "God, kon het niet anders?" Op die vraag komt geen antwoord, we
kunnen alleen maar zeggen dat het zo is; zo gebeurt het.
Toch is er een antwoord: de Vader heeft niet ingegrepen
toen het Jezus, Zijn eigen Zoon, het ook overkwam. Ook hij gaat de mensenweg.
Zijn "God, mijn God, waarom toch
?" is voor alle mensen, gaat over de hele wereld, nog steeds. Als de Vader
toen had ingegrepen, had Hij ons nooit antwoord kunnen geven. Nu geeft Hij een
indirect antwoord: Hij lijdt met mensen mee. Dank zij Jezus, die het in Zijn
hand legde. Zo is Aanwezigheid. Zo is 'Hij-is-er'.
Moge het alle mensen die lijden gegeven zijn om zich
daarin met Jezus verbonden te voelen. En zijn Kracht mee te krijgen. Dat ook
voor hen de psalm inhoud krijgt: " Bij
U, HEER, kom
ik schuilen", " Ik
leg mijn geest in uw hand: red mij, HEER, getrouwe God.".
Paaszondag 31 maart
2002; 27 maart 2005 (toegespitst op A)
Hand 10, 34a. 37-43; psalm
118; Joh 20, 1- 9
Psalm
118 Dank de HEER, want Hij is goed, zijn
liefde kent geen grenzen.
Israël,
kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
De rechterhand
van de HEER is hoog geheven, de
rechterhand van de HEER overwint.'
Ik ben
niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik
vertellen;
De steen door de
bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen
geworden.
Dat is
het werk van de HEER, een wonder is het in onze
ogen.
Dit is
de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag
van jubel en vreugde.
Bij de grote feestdagen, Kerstmis, Pasen, Pinksteren en
Allerheiligen/Allerzielen merken we dat we in een jaarcyclus leven en we zijn
dan wat meer geneigd om na te denken: hoe was het vorig jaar Kerstmis, Pasen
enz. We denken zelfs vooruit: hoe zal het het volgend jaar zijn?
Het zijn goede gelegenheden om te denken over ons leven,
het kostbaarste dat we hebben omdat het met ons eigen zelf te maken heeft. We weten
dat we bestaan, dat we eten en drinken; we weten niet alleen dat we bestaan
maar we weten ook dat er een 'meer' is, dat er een 'nog niet' is. Als gelovigen
richten we dat weten op God, de Vader van Jezus, die Hem uit de doden heeft
opgewekt. M.a.w. we denken na niet alleen over dat we bestaan maar ook over wát
we zijn, hoe ons bestaan, hoe ons leven is. Voor ons: hoe ons gelovend Leven
met God is. En het is niet zo gek om na het begin van dat leven met Kerstmis te
hebben gevierd, nu in de lente te denken aan nieuw leven, toenemend Leven.
Ieder jaar weer een stukje nieuw Leven verwerven, verworven hebben, ieder jaar
weer een stapje vérder naar het 'meer', want er is een 'nog niet', nog niet
volledig.
De eerste zondag van de voorbije veertigdagentijd was het
thema dat wij niet van brood alleen leven, er is meer. De tweede zondag zijn we met Jezus de hoge berg op gegaan,
spiritueel leven. Op de derde zondag hebben we gedacht over hoe de bron van
levend water in ons kan opwellen. Daarna was het de ontmoeting van de
blindgeborene met Jezus "Je hebt Hem eerder ontmoet. Het is degene die tot
je spreekt". En tenslotte de bij de opwekking van Lazarus: "Marta,
geloof je dat? Maria, ben je er?" Allemaal thema's waarmee Jezus ons tot
God voert. Nu zijn we dan gekomen bij zijn féest van zijn bereiken
van God, zijn verhoging tot Gods rechterzijde, zijn Abba, Leven met God, in
God, Zijn goddelijk Leven. Hij is er, nu wij nog.
Wij baseren dat Leven met God op de geloofsbelijdenis van
Petrus: hij is de eerste en/of voornaamste getuige van dat geloof in de
verrijzenis - de verrijzenis van Jezus én onze verrijzenis. In de eerste lezing
hebben we gehoord hoe hij kort weergeeft zijn eigen ervaringen, zijn omgaan met
Jezus gedurende diens leven - "hij ging weldoende rond"- en wat voor
een verschrikkelijke dingen gebeurden in Jeruzalem - ze hebben hem als een
misdadiger aan een schandpaal genageld en vermoord. Maar - belijdt Petrus - God
heeft hem doen opstaan en hem laten verschijnen. Evenwel, alleen laten verschijnen aan mensen
"die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de doden was
opgestaan". Zij moesten verkondigen dat Jezus de Rechter is voor de Joodse
z.g. jongste dag, het laatste oordeel, en ook dat hij behalve Rechter ook de
Vergever is, degene die zonden van mensen vergeeft, zelfs van degenen die hem
aan het kruis hebben laten slaan, als ze het maar inzien en hem willen volgen.
Behalve Vergever is hij ook degene die mensen open maakt,
die van hem willen leren hoe naar God toe te leven. En als je dat in de gaten
krijgt, is er alle reden om vandaag te juichen /(en te zingen) "Dit is dé
dag die de Heer heeft gemaakt"/ "Zie, deze dag schiep de Heer, laat
ons hem vieren in blijdschap". Want God die Jezus van de doden heeft
opgewekt, de ten Leven roepende Vader, vult het 'meer' en 'nog niet' in op een
wonderlijke wijze, toont Zijn bezorgdheid om Zijn schepsels voor hun eeuwig heil, eeuwig Leven met Hem.
Maar, hoe komt Petrus daarbij? Hij die driemaal zegt Jezus
niet te kennen, hij die met zijn medegetuigen op de vlucht slaat, Jezus in de
steek laat, terwijl hij nog te voren had gezegd met hem zullen sterven. Hoe
komt Petrus aan dat inzicht, dat geloof in Jezus als de Rechter en Vergever?
Iedereen heeft kunnen zien dat Jezus leefde (en hoe!), dat
hij werd veroordeeld en leed en stierf aan een kruis. Daarna kan niet iedereen
hem zien. Hij is alleen te 'zien' in geloof.
Hoe het en wat er historisch precies is gebeurd, weten we
niet; de verrijzenisverhalen verschillen nogal van elkaar. Maar waarin ze alle
vier overeenkomen is dat vrouwen de aanzet zijn. Het evangelie van Johannes
vertelt hoe Maria Magdalena naar het graf gaat. Wat moet zij daar doen? De
mannen zijn er vandoor maar zij heeft wat, zij zoekt Jezus nog, zij staat nog
in relatie met hem, misschien heel simpel gevoelsmatig - maar toch. Later zegt
ze tegen de tuinman dat ze 'haar' heer hebben weggehaald, ze zoekt haar Heer.
's Morgens vroeg gaat ze - "het is nog donker" -
typisch Johannes: ze 'zag' nog niet. En dan gebruikt de evangelist driemaal het
word 'zien'. De eerste keer in de betekenis 'constateren': Maria constateerde
dat de steen was weggerold en automatisch denkt ze dat het lijk van Jezus is
gestolen. Ze rent naar Petrus en Johannes, vertelt wat ze heeft geconstateerd,
Johannes rent vooruit en "vooroverbukkend" constateert hij iets over
de zwachtels.
Dan komt Petrus en hij gaat het graf wel binnen: hij durft
de confrontatie met de dood nu aan. In het graf, in de wereld van de dood,
'beschouwt' hij, zegt de evangelist, de tweede betekenis van 'zien'. Hij
'overweegt' n.a.v. de zwachtels en de zweetdoek. Misschien dacht hij aan
Lazarus, die de zweetdoek nog voor had, terwijl die van Jezus apart lag,
opgerold. Hoe kan dat?
Dan gaat ook Johannes het graf in en hij 'ziet in', de
derde betekenis van zien, hij doorziet. Toen pas, want ze hadden nog niet
begrepen, nog niet ingezien dat e.e.a. al in de schrift lag opgesloten. In de
Schrift lag dat iemand die een Gerechte is, die goed heeft geleefd, niet door
de God van het Verbond in de steek wordt gelaten. Niet in de steek wordt
gelaten op het definitieve moment, op 'de derde dag', voor Jezus was dat na
zijn offerdood.
Dat móést wel volgens de Schriften zijn, kon niet anders.
MAAAR, maar dat wil dan ook zeggen dat inzet van Jezus voor het Rijk van God
terecht was en dat in die vernederde aan het kruis dat Rijk begonnen is. De
Messias is dus geen grote figuur die het machtige rijk van David even herstelt
maar een - laat me zeggen - stille, persoonlijk inspirerende Kracht, die in
ieder mens werkt en vraagt om hem te volgen. Dat was de Joodse gedachte over de
Messias op zijn kop. Geen wonder dat Petrus 'beschouwde', eens goed moest
nadenken. Johannes, de leerling die Jezus lief had, 'ziet' vanuit spontane
liefde. Petrus moest nadenken over de consequenties; Johannes - even geholpen
door Petrus - wist het eigenlijk al - op een andere manier, een manier die
vrouwen beter kennen.
Om verrijzenis te zien zitten, om in te zien dat ons leven
een bovenkant heeft, om ons 'meer' en een 'nog niet' definitief in te kunnen vullen
hebben we geloof nodig. Om recht te doen aan ons goed-zijn moet er een stap
over het gewone leven heen gemaakt kunnen worden, een stap die niet af te
dwingen is, maar een overtuiging die alleen maar in vrijheid ontstaat en die
een eerlijke en verantwoorde beslissing aanreikt: op een of andere manier weten
dat goed zijn als Jezus, met hem leven, eeuwigheidswaarde heeft. Het is immers
een naar God toe leven. Zo kun je rekenen op een gunstig oordeel van de Rechter
op jouw derde dag. Zo kun je ook ervaren hoe het is samen met hem te zijn, voor
je werken naar buiten, voor je weten naar binnen.
Geloof is niet aannemen op gezag, geloof is veel meer dan
iets voor waar houden. Geloof is met hoop en liefde, zoals de vrouw had, leven
naar God toe. Ieder jaar een stukje meer verlangen, vertrouwen, leren kennen,
in het Licht gaan staan en weer een korrel in de aarde van onze liefde
ontvangen.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Verrijzenis
kun je niet gewoon zien. Verrijzenis is niet dat een lijk weer levend wordt.
Eeuwig leven is niet te bewijzen - gelukkig maar, dan was de 'lol' ervan af.
Verrijzenis, eeuwig leven, hemel is gebaseerd op willen zien, op inzet, waarmee
je ervaart dat het een goede zaak is. Net als Jezus. Je kunt ook zeggen dat het
wel zo móet zijn vanwege de liefde, zoals die vrouw(en) dat aanvoelde(n). Hij
had immers zijn leven ervoor over.
Geloof is
leven naar God toe, naar Hem die ten Leven wekt. Wij kunnen dat samen doen met
Jezus, de gestorvene maar Verrezene. Zullen we ons even tijd gunnen om wat
vrouw te zijn en dat te binnen laten komen, naar God toe ?
" Nee, zegt de Schrift, het
woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart, het woord namelijk van het
geloof, dat wij verkondigen. Want als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en
uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden.
Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond
brengt de redding". Rom. 10.8vv
"uw hart gelooft" wat is dat? Geloven met je hart, in je
hart, het geloof van je hart ….? We zijn begonnen met "Heer open
mijn lippen en mijn mond zal uw lof verkondigen". 'Waar het hart van vol
is loopt de mond van over'. Hoe komt het hart vol?
Bij lippen, mond, bij "als uw mond belijdt" kun je denken aan geloofsbelijdenis, doopsel.
Dan begin je op de weg van Hem, de weg van die Vrede. Maar je moet de weg wel
nog gaan. Dan kun je denken aan het Vormsel, de Geest die je op die weg leidt.
We zouden het ochtendgebed ook kunnen beginnen met een spreuk als
"Geest, grote Geest, leid mijn geest in Uw oneindigheid, opdat mijn hart
kan ontvangen en mijn ziel rijker wordt". Ziel is je schatkamer, waarmee
je voor God staat, waarin je kunt genieten, waarover God Zich verheugt.
Schatten die je hebt verworven, gekregen, onvergankelijk. De Geest is ruimte,
diepte, hoogte, overal, actief, doordringend.
Je hart is je leven, wat je doet, wat je verlangt. Wat ontvangt
het hart? Wat ontvangt het graag van de Geest? Waarmee zal de Geest het hart
vol maken? Dat is heel veel maar in ieder geval kun je zeggen dat het het
geloof ontvangt, een gave van de Geest. Het geloof in de Christus ontvangen van
de Geest van Christus. Dus ook het geloof in de opwekking uit de doden.
Maar is dat geloof te verantwoorden? Hoe weet ik, hoe weet mijn
hart, dat dat goed zit? Wel, als we uitgaan van God als een maximaal Wezen, is
HijZ ook maximaal in wat mensen liefde noemen. Maximaal in liefde voor Zijn
schepsels. Die liefde dringt Zich op, moet naar buiten kunnen, wil Zich
manifesteren in de schepping. Jezus van Nazaret is dan a.h.w. de poort waardoor
Zij de schepping binnendringt en Zich uit. Ook dat kan Zij alleen maar
maximaal: Jezus, God én mens, éen persoon; meer kan niet in de schepping. Maar,
als - ondanks het feit dat Jezus de wil van zijn Vader heeft gedaan - zijn
leven op de dood uitloopt, kan God dan vast lopen? Nee, wij zeggen dat de Vader
hem uit de doden heeft opgewekt in hun beider Geest. De Vader ontkent het
lichaam van Zijn Zoon niet, Jezus' persoon niet, Hij honoreert het met de
verrijzenis van zijn lichaam. Dat is consequent; dat is Zijn Gerechtigheid. Hoe
dat kan weten we niet, het heeft met bovennatuur te maken maar de natuur
signaleert het: Ze hebben met Hem gegeten en gedronken na zijn dood.
Vrouwen ontdekken het eerst
de verrijzenis van Jezus. Achteraf kun je bedenken dat zij dat intuïtief het
liefst wilden. Zo kunnen wij zeggen dat wij in ons hart het liefst in de
verrijzenis geloven, graag geloven; het is 'logisch', consequent, en te
verantwoorden binnen ons geloof in God de Vader, zijn Zoon en hun beider Geest.
Onze harten kunnen geloven
dat God hem uit de doden heeft opgewekt. Dat brengt ons de gerechtigheid want
dan staat Christus Jezus garant voor onze verrijzenis. En dat willen we graag.
Paaszondag 31 maart 2002;
aangepast aan B, 20 april '03
Hand
10, 34a.37-43; psalm 118; Joh 20, 1-9
Psalm
118 Dank de HEER, want Hij is goed, zijn
liefde kent geen grenzen.
Israël,
kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
De
rechterhand van de HEER is hoog geheven, de rechterhand
van de HEER overwint.'
Ik ben
niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik
vertellen;
De steen door de
bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen
geworden.
Dat is
het werk van de HEER, een wonder is het in onze
ogen.
Dit is
de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag
van jubel en vreugde.
Bij de grote feestdagen, Kerstmis,
Pasen, Pinksteren en Allerheiligen/Allerzielen merken we dat we in een
jaarcyclus leven en we zijn dan wat meer geneigd om na te denken: hoe was het
vorig jaar Kerstmis, Pasen enz. We denken zelfs vooruit: hoe zal het het
volgend jaar zijn?
Het zijn goede gelegenheden om te
denken over ons leven, het kostbaarste dat we hebben omdat het met ons eigen
zelf te maken heeft. We weten dat we bestaan, dat we eten en drinken; we weten
niet alleen dat we bestaan maar we weten ook dat er een 'meer' is, dat er een
'nog niet' is. Als gelovigen richten we dat weten op God, de Vader van Jezus,
die Hem uit de doden heeft opgewekt. M.a.w. we denken na niet alleen over dat
we bestaan maar ook over wát we zijn, hoe ons bestaan, hoe ons leven is. Voor
ons: hoe ons gelovend Leven met God is. En het is niet zo gek om na het begin
van dat leven met Kerstmis te hebben gevierd, nu in de lente te denken aan
nieuw leven, toenemend Leven. Ieder jaar weer een stukje nieuw Leven verwerven,
verworven hebben, ieder jaar weer een stapje vérder naar het 'meer', want er is
een 'nog niet', nog niet volledig.
De eerste zondag van de voorbije
veertigdagentijd was het thema verlangen naar God, op de tweede is dat
verlangen gevestigd op vertrouwen op God, de derde week kwam het leren kennen
van God erbij. Op de vierde zondag zijn we
gegaan naar het licht zodat van onze daden blijke dat zij in God zijn
gedaan. Op de vijfde zondag vroegen we ons af 'Kan de
graankorrel in ons binnenste vallen, waar de wet van de Liefde ligt, waar wij
God kennen? Nu zijn we dan gekomen bij het féest van Leven met God, in God.
Wij baseren dat Leven met God op de
geloofsbelijdenis van Petrus: hij is de eerste en/of voornaamste getuige van
dat geloof in de verrijzenis - de verrijzenis van Jezus én onze verrijzenis. In
de eerste lezing hebben we gehoord hoe hij kort weergeeft zijn eigen
ervaringen, zijn omgaan met Jezus gedurende diens leven - "hij ging
weldoende rond"- en wat voor een verschrikkelijke dingen gebeurden in
Jeruzalem - ze hebben hem als een misdadiger aan een schandpaal genageld en
vermoord. Maar - belijdt Petrus - God heeft hem doen opstaan en hem laten
verschijnen. Evenwel, alleen laten
verschijnen aan mensen "die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij
uit de doden was opgestaan". Zij moesten verkondigen dat Jezus de Rechter
is voor de Joodse z.g. jongste dag, het laatste oordeel, en ook dat hij behalve
Rechter ook de Vergever is, degene die zonden van mensen vergeeft, zelfs van
degenen die hem aan het kruis hebben laten slaan, als ze het maar inzien en hem
willen volgen. Behalve Vergever is hij ook degene die mensen open maakt die van
hem willen leren hoe met God te leven. En als je dat in de gaten krijgt, is er
alle reden om te juichen /(en te zingen) "Dit is dé dag die de Heer heeft
gemaakt"/ "Zie, deze dag schiep de Heer, laat ons hem vieren in
blijdschap". Want God die Jezus van de doden heeft opgewekt, de ten Leven
roepende Vader, vult het 'meer' en 'nog niet' in op een wonderlijke wijze,
toont Zijn bezorgdheid om Zijn schepsels voor
hun eeuwig heil, eeuwig Leven met Hem.
Maar, hoe komt Petrus daarbij? Hij die
driemaal zegt Jezus niet te kennen, hij die met zijn medegetuigen op de vlucht
slaat, Jezus in de steek laat, terwijl hij nog te voren had gezegd met hem
zullen sterven. Hoe komt Petrus aan dat inzicht, dat geloof in Jezus als de
Rechter en Vergever?
Iedereen heeft kunnen zien dat Jezus
leefde (en hoe!), dat hij werd veroordeeld en leed en stierf aan een kruis.
Daarna kan niet iedereen hem zien. Hij is alleen te 'zien' in geloof.
Hoe het en wat er historisch precies
is gebeurd, weten we niet; de verrijzenisverhalen verschillen nogal van elkaar.
Maar waarin ze alle vier overeenkomen is dat vrouwen de aanzet zijn. Het
evangelie van Johannes vertelt hoe Maria Magdalena naar het graf gaat. Wat moet
zij daar doen? De mannen zijn er vandoor maar zij heeft wat, zij zoekt Jezus
nog, zij staat nog in relatie met hem, misschien heel simpel gevoelsmatig - maar
toch. Later zegt ze tegen de tuinman dat ze 'haar' heer hebben weggehaald, ze
zoekt haar Heer.
's Morgens vroeg gaat ze - "het
is nog donker" - typisch Johannes: ze 'zag' nog niet. En dan gebruikt de
evangelist driemaal het word 'zien'. De eerste keer in de betekenis
'constateren': Maria constateerde dat de steen was weggerold en automatisch
denkt ze dat het lijk van Jezus is gestolen. Ze rent naar Petrus en Johannes,
vertelt wat ze heeft geconstateerd, Johannes rent vooruit en "voorover
bukkend" constateert hij iets over de zwachtels. Dan komt Petrus en hij
gaat het graf wel binnen: hij durft de confrontatie met de dood nu aan. In het
graf, in de wereld van de dood, 'beschouwt' hij, zegt de evangelist, de tweede
betekenis van 'zien'. Hij 'overweegt' n.a.v. de zwachtels en de zweetdoek.
Misschien dacht hij aan Lazarus, die de zweetdoek nog voor had, terwijl die van
Jezus apart lag, opgerold. Hoe kan dat? Dan gaat ook Johannes het graf in en
hij 'ziet in', de derde betekenis van zien, hij doorziet. Toen pas, want ze
hadden nog niet begrepen, nog niet ingezien dat e.e.a. al in de schrift lag
opgesloten. In de Schrift lag dat iemand die een Gerechte is, die goed heeft
geleefd, niet door de God van het Verbond in de steek wordt gelaten. Niet in de
steek wordt gelaten op het definitieve moment, op 'de derde dag', voor Jezus
was dat na zijn offerdood.
Dat móést dus wel volgens de Schriften
zijn, kon niet anders. MAAAR, maar dat wil dan ook zeggen dat inzet van Jezus
voor het Rijk van God terecht was en dat in die vernederde aan het kruis dat
Rijk begonnen is. De Messias is dus geen grote figuur die het machtige rijk van
David even herstelt maar een - laat me zeggen - stille, persoonlijk
inspirerende Kracht, die in ieder mens werkt en vraagt om hem te volgen. Dat was
de Joodse gedachte over de Messias op zijn kop. Geen wonder dat Petrus
'beschouwde', eens goed moest nadenken. Johannes, de leerling die Jezus lief
had, 'ziet' vanuit spontane liefde. Petrus moest nadenken over de
consequenties; Johannes -even geholpen door Petrus - wist het eigenlijk al - op
een andere manier.
Om verrijzenis te zien zitten, om in
te zien dat ons leven een bovenkant heeft, om ons 'meer' en een 'nog niet'
definitief in te kunnen vullen hebben we geloof nodig. Om recht te doen aan ons
goed-zijn moet er een stap over het gewone leven heen gemaakt kunnen worden,
een stap die niet af te dwingen is, een overtuiging die alleen maar in vrijheid
ontstaat en die een eerlijke en verantwoorde beslissing aanreikt: op een of
andere manier weten dat goed zijn als Jezus, met hem leven, eeuwigheidswaarde
heeft. Zo kun je rekenen op een gunstig oordeel van de Rechter op jouw derde
dag. Zo kun je ook ervaren hoe het is samen met hem te zijn, voor je werken
naar buiten, voor je weten naar binnen.
Geloof is niet aannemen op gezag,
geloof is veel meer dan iets voor waar houden. Geloof is met hoop en liefde,
zoals die vrouw had, leven naar God toe. Ieder jaar een stukje meer verlangen,
vertrouwen, leren kennen, in het Licht gaan staan en weer een korrel in de aarde
van onze liefde ontvangen.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Verrijzenis kun je niet gewoon zien. Verrijzenis is niet dat een
lijk weer levend wordt. Eeuwig leven is niet te bewijzen - gelukkig maar, dan
was de 'lol' ervan af. Verrijzenis, eeuwig leven, hemel is gebaseerd op willen
zien, op inzet, waarmee je ervaart dat het een goede zaak is. Net als Jezus. Je
kunt ook zeggen dat het wel zo móet zijn vanwege de liefde, zoals die vrouw(en)
dat aanvoelde(n). Hij had immers zijn leven ervoor over.
Geloof is leven naar God toe, naar Hem
die ten Leven wekt. Wij kunnen dat samen doen met Jezus, de gestorvene maar
Verrezene. Zullen we ons even tijd gunnen om wat vrouw te zijn en dat te binnen
laten komen, naar God toe ?
Paaszondag 11 april '04 (toegespitst
op C)
Hand 10,
34a.37-43; psalm 118; Joh 20, 1-9
Psalm
118 Dank de HEER, want Hij is goed, zijn
liefde kent geen grenzen.
Israël,
kom en zeg: 'Zijn liefde kent geen grenzen.'
De
rechterhand van de HEER is hoog geheven, de
rechterhand van de HEER overwint.'
Ik ben
niet gedood, nee, ik leef: van de daden van de HEER kan ik
vertellen;
De steen door de
bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen
geworden.
Dat is
het werk van de HEER, een wonder is het in onze
ogen.
Dit is
de dag dat de HEER zich laat gelden, een dag
van jubel en vreugde.
Wanneer wij staan bij een overledene van
wie we veel houden, willen we geen afscheid van hem of haar nemen, geen
afscheid voor goed. Op een of nadere manier zullen we elkaar weerzien zeggen we
dan, en als we het niet zeker weten, dan hopen we het vurig. We kunnen ons
afvragen of dat bij de leerlingen van Jezus ook het geval geweest zal zijn.
Waarschijnlijk niet. De ramp was zo groot dat zij versuft, verslagen, verdoofd
- noem maar op - zijn geweest. Wat daar gebeurd is op Golgota was zo absurd -
dat had niemand verwacht. Hoe kon het nu dat iemand die alleen maar goed had
gedaan, die weldoende rondging, hoe die als een misdadiger, zelfs als een
ongelovige Jood, een godslasteraar, aan een schandkruis was gehangen en vermoord?
Hun zekerheid, hoop, verwachting van het koninkrijk Gods, lag in puin.
Misschien kunnen we ons een beetje
voorstellen wat het voor de leerlingen geweest moet zijn. Ook bij ons stort onze wereld wel eens in elkaar als we
een slecht bericht krijgen. Maar wij weten nu hoe het afliep met Jezus, zij
niet.
En dan komt er een vrouw vertellen dat het
graf open is. Het is de eerste dag van de week. Ook voor haar was het nog
donker. Lucas vertelt dat de apostelen dat bericht als beuzelpraat afdoen.
Johannes vertelt het anders.
Op de eerste plaats gaan er geen vrouwen
naar het graf om het lichaam van Jezus te balsemen; dat heeft Jozef van
Arimatea al gedaan. Deze vrouw gaat naar het graf puur omdat ze wat met Jezus
heeft, iets speciaals. Op haar woord gaat Petrus ook, hij gaat vlug met de
andere leerling, die nog harder loopt. Toch hoop? Kennelijk wel, maar het
blijkt dan toch anders dan je zou verwachten, áls je al iets verwacht. Petrus
gaat het openstaande graf in: d.w.z. hij gaat de confrontatie met de dood aan
en daarbinnen ziet hij de zwachtels en de zweetdoek, hij beschouwt ze staat in
het Grieks, hij overdenkt, hij ziet in.
Johannes beschrijft dat inzien met behulp
van de zwachtels en de zweetdoek. Als we dit vergelijken met het verhaal van de
opwerking van Lazarus, wordt inderdaad een verschil duidelijk: Lazarus komt
naar buiten met zwachtels en al en een doek om het hoofd. Dat graf zou opnieuw
kunnen worden gebruikt. In Jezus' graf liggen de zwachtels er nog, de tekenen
van de dood liggen in de doodsplek, de dood is dood, het graf stopt, is leeg,
heeft verder geen betekenis of doel meer. De zweetdoek krijgt een speciaal
accent, ze ligt opgerold apart. Het gezicht waarin alle zintuigen van de mens
samenkomen, waar zijn leven te zien is, is vrij van de dood. Jezus moet dus
gezien kunnen worden, moet herkenbaar zijn.
Zo beschrijft Johannes dat. Maar wat is
dat dan, hoe komt Petrus tot dat inzicht? Geloof krijg je. Die ene leerling
ging ook het graf in, hij ziet in en hij gelooft. Dat Jezus de Christus is, de Zoon
van de Levende God heeft de Vader in de hemel aan Petrus geopenbaard. Het
inzicht van Petrus is dat als Jezus zich niet heeft vergist wat betreft het
Koninkrijk, als het toch waar is, leeft hij bij God, Zijn Vader. Is hij niet
gestopt in het graf. Dan kan het toch kloppen. Zou het waar zijn?
Maar dan gaat wel de wereld op zijn kop:
de steen die de bouwers hebben versmaad, die is de hoeksteen geworden, de
primaire steen waardoor de ligging van het hele gebouw wordt bepaald. De Heer
greep in met krachtige hand, een wonder voor onze ogen, de hand van de Heer
heeft mij opgericht.
Het ís waar, Petrus gelooft er in en gaat
verkondigen dat Die Jezus de Messias was en nog is, dat in Hem de schriften
werden vervuld, dat hij is opgestaan 'volgens de Schriften' zegt Paulus uitdrukkelijk.
Johannes haakt daar ook op in: hij zegt zo
ongeveer dat als zijn Petrus en Johannes de Schrift hadden begrepen dan hadden
ze gewéten dat hij uit de doden móest opstaan. Dat kon niet anders, dat was
consequent, volgens de Schriften.
Voor ons ligt er ook een consequentie. Wij
leven in een jaarcyclus en ieder jaar als de zon zich weer in de hogere
regionen van de lente en zomer bevindt, komt er nieuw leven om ons heen en is
er alle aanleiding om die vraag weer te honoreren: hoe kan dat? Wat speelt er
om ons heen, waarin bevinden wij ons dat leven voortgaat? Als gelovigen
"zijn wij en leven wij" in Gods hand, in Zijn Aanwezigheid. Die
Aanwezigheid is zo al omvattend, zo indringend dat wij er ons eigenlijk niet
over hoeven te verbazen dat onze Schepper, onze God van Liefde, mens is
geworden. We verbazen ons toch wel, niettemin is het wel een invulling, een
uiting van maximale Liefde. Maar als God mens is geworden, is het dan niet
consequent om te zeggen dat die eenheid van mens en God niet stuk kan gaan, dat
de mens Jezus wel móest worden verhoogd tot aan Gods rechterhand, wel móest
verrijzen? Het is een mogelijkheid, een inzicht, en als je het ziet, wil je
graag geloven. Is er iets mooiers?
We zijn deze veertigdagentijd begonnen met
de ballade van de boer die voort ploegde en die een stem hoorde, een stem uit
de hemel. Wij werden geroepen ook te luisteren naar de stem van God. "Ik
daal af om Mijn volk te redden". We hebben gelezen van de Vader die
uitkeek naar zijn verloren zoon. We hoorden hoe Jezus die vrouw ook niet
veroordeelde. Moeten we nog meer?
Met dat vertrouwen in dat geloof ligt de
zaak ook voor ons open: zijn belofte is dat hij een plaats in de hemel maakt
voor hen die zijn leerlingen zijn. Dat kan de grote troost zijn, de grond voor
de verwachting bij het sterfbed van een dierbare. We doen ons best, wel
krakkemikkerig maar toch willen we zijn leerling zijn. En krakkemikkerigheid
wordt ons graag vergeven, als we maar graag willen.
Dit is dé dag die de Heer heeft
gemaakt. Zo is onze God voor jong en oud: ons leven in Zijn Hand. Zullen we dat
eens even vieren?
Pinksteren A zondag 19 mei
2002; '05
Hand 2,
1-11; psalm 104; Joh 20, 19-23
Psalm
104 Prijs de HEER, o mijn ziel. HEER mijn God, U bent machtig
groot,
Hoe
veelzijdig is wat U doet, o HEER, de aarde is vervuld van
uw kunstenaarschap.
Ontneemt
U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.
Maar
geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal
nieuw.
Glorie
zij de HEER voor immer en altijd;
dat Hij
vreugde zal beleven aan alles wat Hij gemaakt heeft:
Mijn
lied zal Hem bevallen, en ik vind mijn vreugde in de HEER.
Han Fortmann heeft eens geschreven dat
een vis pas op de kar van de visboer zou ontdekken dat hij een waterdier is -
als dat beestje kon ontdekken. Zo iets geldt ook voor ons. We zijn misschien
verwend want we zouden pas ontdekken wat de Geest is als het een dooie boel is
geworden. Geest is overal en altijd.
Natuurkundigen die bezig zijn met de
kleinste delen in de natuur en hun beweging zien, vragen zich wel af hoe dat
alles in beweging blijft. Biologen die het leven zich zien afspelen in de
kleinste dingen, vragen zich wel af wie dat alles gaande houdt. En we hoeven niet
ver te zoeken: wat is dat, dat leven wat ik zelf doe? Het is de
geloofsbelijdenis van de Jood, de Christen dat hij beaamt, accepteert dat bij
de schepping de Geest Gods boven de oerwateren zweefde, of het water tot leven
bracht. "zweefde","bracht", verleden tijd? Gaat schepping
niet continu door? Kunnen we binnen die geloofsbelijdenis niet zeggen dat de
Geest van de Schepper de schepping gaande houdt? Ook mijn biologische leven?
Tot op mijn gebeente toe zoals de bijbel wel schrijft.
De schepping is een zichtbare
manifestatie, uitbundig, en net als bij de schepping is de Geest ook actief bij
het begin van de Kerk. Hij uit Zich met
een gedruis en als een vuur die Zich van de aanwezigen meester maakt, de
apostelen, Maria en anderen, die eensgezind volhardend in gebed bijeen waren.
Wat in een besloten kring gebeurt, wordt naar buiten zichtbaar als de pelgrims
vanuit de hele wereld en de bewoners van Jeruzalem te hoop lopen en zij worden
overdonderd door al die talen waarin zij persoonlijk worden aangesproken. Toen
werd het duidelijk naar buiten.
Maar net zo
min als de Geest alleen bij het begin van de schepping actief is net zo min is
Hij alleen actief bij het begin van de Kerk, Hij is het nog steeds. Hoe vaak
lezen we niet in de bijbel dat mensen worden gedreven door de Geest, hoe
profeten profeteren over de Geest, dat Jezus zijn Geest belooft aan de
leerlingen, dat Paulus schrijft over de werken van de Geest: "Maar de
vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid,
goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid. Tegen zulke dingen kan de Wet niet
op" - de Joodse Wet die zij als knellend ervoeren en de 'Wet' van de Geest
(de Geest van Jezus) die zij als bevrijdend ervoeren. De Geest die actief is en
blijft in de Kerk, de goede Geest die niet te vervangen is door een wet, die
niet te vangen is in een wet. En dat geldt ook in onze huidige situatie. Een
burgerlijke wet haalt het niet bij de 'wet' van de goede Geest. Voor het leven
is meer nodig dan menselijke afspraken. Het is nog steeds een van de taken van
de Kerk om maatschappelijk kritisch en relevant te zijn, om de goede geest te
bevorderen, daarbij gesteund door Gods Geest, opdat ons leven goed is.
Is dat alles geen reden om eens per
jaar, als het nieuwe leven in de natuur zich aandient, het Feest van de Geest
te vieren? Zendt Gij Uw Geest, dan komt er weer leven - dan maakt Gij Uw
schepping weer nieuw"/"Zend Gij Uw ademtocht, uw werken ontstaan; het
gelaat van de aarde vernieuwt Gij" hebben we gebeden/gezongen in de tussenzang.
Gods Geest uit Zich niet alleen naar
buiten, Hij is ook een persoonlijke Kracht, naar binnen gericht, intiem. God
geeft Hem aan ieder die erom vraagt. Hij getuigt bij mensen persoonlijk van de
waarheid, geeft mensen persoonlijk een overtuiging mee, geeft mensen persoonlijk
Kracht. Als we bedenken hoe Jezus zijn leerlingen de Geest belooft - we
hebben het de vorige zondagen gelezen hoe hij in het hogepriesterlijk gebed
vanuit zijn Intimiteit met Zijn Vader hun de Helper toezegt. Vandaag lazen we
in het evangelie hoe hij in hun besloten kring binnen komt, hun vrede toewenst,
'sjaloom', vreugde schenkt en dan over hen blaast om hen de Heilige Geest te
geven, niet in een stormwind maar in een bries, zijn zachte adem. Dan beginnen
de woorden van Paulus te resoneren "U hebt een Geest van kindschap
ontvangen, die ons doet uitroepen 'Abba'", heel vertrouwelijk: 'Pappa'. De
Géest doet ons uitroepen, de Geest is werkzaam in ons: "De Geest zelf
pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt,
weet wat de Geest bedoelt …" Als 'Abba' ons hart doorgrondt, is dat dan niet de plek waar wij zijn zoals we
graag goed willen zijn, waar we zijn zoals Hij ons heeft bedoeld? De plek waar
Hij Zijn Woord heeft neergelegd, Zijn Levenswoord, voor mij? Het Woord, dat tot
Leven komt, als ik vraag om de H.Geest. Het Woord dat door Jezus herkend wordt.
Als Jezus over de apostelen blaast om
hun de Geest mee te delen, geeft hij hun de macht om zonden te vergeven.
Zondenvergeving is de blijde boodschap van het N.T. Zij maakt de weg naar God
vrij voor hen die naar zijn Beeld zijn geschapen, niet alleen voor ons
individueel ook voor de hele wereld. Op die vrije weg kan de Geest onze
gelijkenis met God steeds meer vormen zodat wij Hem kunnen bereiken. Moge dit
toch voor de hele wereld gelden.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Het gaat om een ernstige en serieuze zaak: Jezus geeft niet alleen
de macht om zonden te vergeven maar ook de bevoegdheid om zonden niet te
vergeven.
Halleluia roepen is geen garantie voor
de Geest. Geest is ook niet hetzelfde als een fijn of zoet gevoel. Het gaat om
drijvende Kracht in je; je wilt er wat van maken, iets goeds van maken. Hoe je
kunt weten dat het om de H. Geest gaat, merk je als je doet zoals Jezus deed,
dan handel je in zijn Geest want het is de goede Geest. Dan ga je merken dat je
samen met Jezus doet omdat zijn Geest meedoet. Je gaat ook denken zoals Jezus
dacht en … bad. Zijn Geest bidt
in ons. De Geest, Gods drijvende Kracht, Gods Adem, Gods Helper, die ook naar
buiten waait waar Hij wil.
Het Feest van de Geest is als een
uitslaande brand maar niet zonder die vonk in ons die wij tot vuur laten
blazen. Zullen we daarvoor even open stellen?
Zie lied Gods
Levenskracht
Hand 2,
1-11; psalm 104; Joh 15, 26.27; 16, 12-15
Psalm
104 Prijs de HEER, o mijn ziel. HEER mijn God, U bent machtig
groot,
Hoe
veelzijdig is wat U doet, o HEER, de aarde is vervuld van
uw kunstenaarschap.
Ontneemt
U hun de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.
Maar
geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal
nieuw.
Glorie
zij de HEER voor immer en altijd;
dat Hij
vreugde zal beleven aan alles wat Hij gemaakt heeft:
Mijn
lied zal Hem bevallen, en ik vind mijn vreugde in de HEER.
Han Fortmann heeft eens geschreven dat
een vis pas op de kar van de visboer zou ontdekken dat hij een waterdier is -
als dat beestje al kon ontdekken. Zo iets geldt ook voor ons. We zijn misschien
verwend want we zouden pas ontdekken wat de Geest is als het een dooie boel is
geworden. Geest is overal en altijd.
Natuurkundigen die bezig zijn met de
kleinste delen in de natuur en hun beweging zien, vragen zich wel af hoe dat
alles in beweging blijft. Biologen die zien hoe leven zich afspeelt in de
kleinste dingen, vragen zich wel af wie dat alles gaande houdt. En we hoeven
niet ver te zoeken: wat is dat, dat leven wat ik zelf doe? Het is de
geloofsbelijdenis van de Jood, de Christen dat hij beaamt, accepteert dat bij
de schepping de Geest Gods boven de oerwateren zweefde, of het water tot leven
bracht. "Zweefde","Bracht"? Verleden tijd? Gaat schepping
niet continu door? Kunnen we binnen die geloofsbelijdenis niet zeggen dat de
Geest van de Schepper de schepping gaande houdt? Ook mijn biologische leven?
Tot op mijn gebeente toe zoals de bijbel wel schrijft.
De schepping is een zichtbare
manifestatie, uitbundig, en net als bij de schepping is de Geest ook actief bij
het begin van de Kerk. Hij uit Zich met
een gedruis en als een vuur die Zich van de aanwezigen meester maakt, de
apostelen, Maria en anderen, die eensgezind volhardend in gebed bijeen waren.
Wat in een besloten kring gebeurt, wordt naar buiten zichtbaar als de pelgrims
vanuit de hele wereld en de bewoners van Jeruzalem daar te hoop lopen en zij
worden overdonderd door al die talen waarin zij persoonlijk worden
aangesproken. Toen werd het duidelijk naar buiten.
Maar net zo min als de Geest alleen
bij het begin van de schepping actief was, net zo min is Hij alleen actief bij
het begin van de Kerk, Hij is het nog steeds. Hoe vaak lezen we niet in de
bijbel dat mensen worden gedreven door de Geest, hoe profeten profeteren over
de Geest, dat Jezus zijn Geest belooft aan de leerlingen, dat Paulus schrijft
over de werken van de Geest: "Maar de vrucht van de Geest is liefde,
vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid,
ingetogenheid. Tegen zulke dingen kan de Wet niet op" - de Joodse Wet die
zij als knellend ervoeren. Maar 'Wet'
van de Geest (de Geest van Jezus) ervoeren zij als bevrijdend. De Geest die
actief is en blijft in de Kerk, de goede Geest die niet te vervangen is dóor
een wet, die niet te vangen is ín een wet. En dat geldt ook in onze huidige
situatie. Het is nog steeds een van de taken van de Kerk om maatschappelijk
kritisch en relevant te zijn, om de goede geest te bevorderen, daarbij gesteund
door Gods Geest.
Is dat alles geen reden om eens per
jaar, als het nieuwe leven in de natuur zich aandient, het Feest van de Geest
te vieren? Zendt Gij Uw Geest, dan komt er weer leven - dan maakt Gij Uw
schepping weer nieuw"/"Zend Gij Uw ademtocht, uw werken ontstaan; het
gelaat van de aarde vernieuwt Gij" hebben we gebeden/gezongen in de
tussenzang.
Gods Geest uit Zich niet alleen naar
buiten, Hij is ook een persoonlijke Kracht, naar binnen gericht, intiem. God
geeft Hem aan ieder die erom vraagt. Hij getuigt bij mensen persoonlijk van de
waarheid, geeft mensen persoonlijk een overtuiging mee, geeft mensen
persoonlijk Kracht. Als we bedenken wat er met Maria is gebeurd, hoe zij in
haar lofzang haar volheid uitzingt - haar 'Magnificat' is nog sterker dan wat
wij in de tussenzang hebben bezongen/gebeden. Als we bedenken hoe Jezus
zijn leerlingen de Geest belooft - we hebben het de vorige zondagen gelezen hoe
hij in het hogepriesterlijk gebed vanuit zijn Intimiteit met Zijn Vader hun de
Helper toezegt. Vandaag lazen we in het evangelie hoe hij in besloten kring het
heeft over de Geest. "Wanneer de Helper komt … zal Hij over mij
getuigenis afleggen en ook jullie moeten getuigenis afleggen want - en nu komt
het - vanaf begin zijn jullie bij mij". Vanaf begin, niet vanaf het begin,
maar 'beginsel is', 'punt van uitgang is', principe is dat jullie bij mij zijn.
En als de Geest van de Waarheid is gekomen over jullie, begrijp je dat en leef
je er helemaal in. Jezus weet waar hij het over heeft. Hij is immers zelf van
de Geest, de Kracht van de Allerhoogste die Maria overschaduwde. Is dit geen
hoogtepunt van intimiteit? Persoonlijke intimiteit die hij aan zijn leerlingen
meedeelt.
Dan beginnen de woorden van Paulus te
resoneren "U hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet
uitroepen 'Abba'", heel vertrouwelijk: 'Pappa'. De Géest doet ons
uitroepen, de Geest is werkzaam in ons: "De Geest zelf pleit voor ons met
onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet wat de
Geest bedoelt …". Als Hij ons hart doorgrondt, is dat dan niet de
plek waar wij zijn zoals we graag goed willen zijn, waar we zijn zoals Hij ons
heeft bedoeld? De plek waar Hij Zijn Woord heeft neergelegd, Zijn Levenswoord,
voor mij? Het Woord, dat tot Leven komt, als ik vraag om de H.Geest. Het Woord
dat door Jezus herkend wordt. Ook dat mogen we beleven binnen de Kerk. Is Maria
daar geen voor-beeld van?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Halleluia roepen is geen garantie voor de Geest. Geest is ook geen
fijn of zoet gevoel. En toch is er die drijvende Kracht in je; je wilt er wat
van maken. Hoe je kunt weten dat het om de H.Geest gaat, merk je als je doet
zoals Jezus deed, dan handel je in zijn Geest want het is de goede Geest. Dan
ga je merken dat je samen met Jezus doet omdat zijn Geest meedoet. Je gaat ook
denken zoals Jezus dacht en … bad. Diezelfde Geest bidt in ons. De Geest,
Gods drijvende Kracht, Gods Adem, Gods Helper, die ook naar buiten waait waar
Hij wil.
Het Feest van de Geest zij een feest
dat van binnenuit komt, binnen in gevoed en dan naar buiten móet omdat het een
wereldvreugde is. Zullen we daarvoor even open stellen?
Zie desgewenst lied Gods Levenskracht
Pinksteren (C) 30 mei 2004 ('05) ('07)
Hand
2, 1-11; psalm 104; Joh14, 15.16.23b-26
Psalm 104
Prijs de HEER,
o mijn ziel. HEER mijn God, U bent machtig groot,
met
pracht en met verhevenheid omkleed.
Hoe veelzijdig is
wat U doet, o HEER,
de aarde is vervuld
van uw kunstenaarschap.
Ontneemt U hun de
adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug.
Maar geeft U uw
adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw.
Mijn lied zal Hem
bevallen, en ik vind mijn vreugde in de HEER.
Wij belijden en mogen leven in
het geloof dat de Schepper van hemel en aarde Zijn schepping niet in de steek
laat, dat HijZ Zich om ons, mensen, bekommert. God is trouw. We zijn niet
alleen.
Met Kerstmis heet het Emmanuël,
'God met ons'. God heeft een belofte van hoop gegeven dat HijZ in een persoon
zou laten zien wie en hoe HijZ is. Die belofte wordt ingelost door Jezus van
Nazaret in wie HijZ mens werd en die weldoende rond ging. God is trouw. Met
Pasen is het 'God voor ons' want HijZ stond toe dat zijn Zoon zelfs ten
onrechte zou lijden en sterven om zijn waarheid. Alleen die waarheid kan de
mens redden. HijZ verhoogde hem aan Zijn rechterhand, de Zoon tóonde zich als
de Verrezene, als resultaat van Gods trouw. Met Pinksteren zij het 'God bij
ons' want HijZ wil toch bij ons zijn als Zijn Dienaar, Zijn
'Levende-Lijve', terug is gegaan naar
Hem. Ook dan toont HijZ Zijn trouw en wel op twee manieren.
De eerste manier vinden we in
het evangelie. Jezus zegt: "Als gij mij lief hebt … zal de Vader u
een Helper geven om voor altijd bij u te blijven, de Geest van de
waarheid" en "Hij zal U alles leren en u alles in herinnering brengen
wat ik u heb gezegd". De Geest die geschonken wordt aan al wie gehoor
geeft aan de Vader. De Geest, die getuigt, ons ingeeft, doet inzien dat Jezus
bevestigd is door zijn 'Abba' om Israël te bekeren en het zijn zonden te
vergeven, het Godvolk op God te richten. De H.Geest in ons, in ieder
persoonlijk, de Geest die in ons bidt, die onze geest bevestigt. De Geest van
de Waarheid die ons doet beseffen dat als God zijn eniggeboren Zoon de
mensen-wereld binnen laat gaan, de Zoon wel móet opstaan uit de doden van het
aarde-leven omdat de Zoon van eeuwigheid is. De Geest van de Waarheid die ons
laat verblijven in de ruimte van die eeuwigheid.
De Schepper heeft in ons een
geest gelegd van kind-van-Hem-zijn, een geest die ons doet uitroepen
"Abba!", een geest van verlangen naar onze Oorsprong. De H.Geest maakt ons daarvan bewust, hij
bevestigt dat wij een Godskind zijn, Hij geeft ons "Abba!" een
onweerstaanbare lading, begeestert onze roep, onze roep om God. De goddelijke
vonk die in onze ziel is gelegd, wordt een vuur. Licht. Warmte. Fascinerend.
De H.Geest die één maakt wat in
ons zelf verdeeld is, die onze aardsheid en onze hemelsheid bij elkaar brengt,
die de nieuwe schepping van Pasen in ons bewerkt, die harmonie van ziel en
lichaam oproept, die psychische wonden heelt, ons onvermogen te hulp komt, opdat wij persoonlijk uitgroeien tot kind van
de Allerhoogste, onze Oorsprong, zodat de Vader en de Zoon bij ons verblijf
nemen, want HijZ is trouw aan zijn schepselen.
De tweede manier is maatschappelijk
relevant. Als al die leerlingen bijeen zijn op één plaats, als ze één zijn in
zijn Naam, laat God weer van Zich horen, zoals op de Sinaï, bij de Jordaan, op
de Thabor. Nu laat HijZ zich horen als een gedruis uit de hemel, niet
geconcentreerd in een stem maar rondom, overal. En er verschenen tongen, tongen
als van vuur - licht, warmte, fascinerend - die zich als vanuit een centrum
verdeelden over allen die daar bijeen waren. Bijeen, volhardend in gebed, in
zijn Naam. Zou de brandende vonk in hun hart dan niet in vuur en vlam worden
gezet?
Tongen zijn spraakgereedschap.
Hoe het historisch precies is gegaan weten we niet maar kennelijk moest er iets
uitbreken in alle talen, iets naar buiten komen voor de hele wereld. Het gaat
nu niet meer om het Rijk van David, nee "Míjn getuigen zult ge zij
vanuit Jeruzalem over de hele wereld" door de Kracht van de H.Geest. De
Geest die ook één maakt wat door persoonlijke behoefte is verdeeld in de
samenleving en die haar kan richten op die ene boodschap dat HijZ trouw is aan
Zijn schepselen, maximaal belichaamd in Jezus, de gestorvene maar Verrezene.
Zo zijn ook wij hier bijeen en
al is er geen gedruis en zijn er geen tongen als van vuur, in ons geloof kunnen
wij de oude psalm bidden/zingen "Zendt ge uw geest, dan komt er weer leven
- dan maakt Gij de schepping weer nieuw"/"Zendt Ge uw ademtocht, uw
werken ontstaan: het gelaat van de aarde vernieuwt Gij". Het is een
doorgaand proces, we leven in een voortdurende ontwikkeling van persoon en
wereld naar nieuwheid. En God is bij ons: het feest van de Geest. Ieder jaar
een beetje groter feest. De wereld en wij zelf kunnen het gebruiken. In de
aanloop naar Pasen hebben we dit jaar gedacht aan de boer die een stem hoorde
omdat hij voort ploegde. Ook wij ploegen voort, ploeteren voort en die stem
… Die stem vervulde het hele huis, vervulle de hele wereld, ons hart
helemaal.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Je hebt beslist wel eens een neiging om de wijde wereld in te gaan
zoals dat een beetje romantisch heet. Niks mis mee. Doen als je de kans krijgt.
Het kan blijken dat die wereld korter bij je is dan je dacht en dat je ontdekt
dat jij in de wereld staat. Misschien moet je wel bij je eigen wereld beginnen.
'Verbeter de wereld, begin bij je zelf'. Ook daarvoor is er gereedschap.
Die stem: God bij ons, licht,
warmte, fascinerend, inspirerend. Zullen we ons even tijd gunnen om dat over
ons te laten komen?
Zie desgewenst lied Gods Levenskracht
Drievuldigheidszondag
A 22 mei 2005
Ex 34, 4b-6.8.9; Dan 3, 52-55;
2Kor 13, 11-13; Joh 3, 16-18
Daniël
"Geroemd
bent U, Heer, God van onze voorvaderen, geprezen en hooggeroemd in
eeuwigheid.
Geroemd
is uw glorievolle en heilige naam, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.
Geroemd
bent U in uw heilige en glorievolle tempel, hooggeprezen en hooggeroemd in
eeuwigheid.
Geroemd
bent U die op kerubs troont en de afgronden doorziet, geprezen en hooggeroemd
in eeuwigheid.
Geroemd
bent U op uw koninklijke troon, hooggeprezen en hooggeroemd in eeuwigheid.
Geroemd bent U in het firmament van de hemel, geprezen en geroemd
in eeuwigheid."
Degenen onder ons die van harte
gregoriaans hebben gezongen en zij die het nog zingen vergeten die juichkreet
niet meer: "Benedicta sit Sancta Trinitas", "Gezegend zij de
Heilige Drie-heid". De 'tune' die God als bron van zegen erkent en die
door de hele wereld gaat met het 'Heer, ontferm u' en 'Eer aan de Vader en de
Zoon en de H.Geest'. In de tussenzang hebben wij het loflied van de drie mannen
in de vuuroven gebeden/gezongen "Geprezen zijt Gij, Heer, God onzer
vaderen.U komt de lof toe in alle eeuwen"/"Geprezen zijt Gij, Heer,
God onzer vaderen. Lofwaardig en roemrijk voor eeuwig". Die drie mannen
waren in nood en zij zijn gered: het vuur deerde hen niet. Wij hebben ons
daarbij aangesloten. De hoogte en de diepte en de verten van de hele schepping
zijn nog niet genoeg om aan te geven hoe geweldig onze God is, de God onzer
vaderen - zeggen de Joden, de God van Abraham, Isaak en Jakob - en wij zeggen
de Vader van Jezus, de Christus, onze Schepper.
Tegenover die uitbundigheid
staat de stilte van wat gebeurt in de lezingen: God met Mozes en Jezus met
Nicodemus. Zij alleen. In de 1e lezing uit Exodus hebben we gezien
hoe Mozes de Sinaï op gaat; hij moest alleen komen, alleen voor God gaan staan.
Even te voren staat geschreven dat de Heer tegen Mozes zegt: "Hier bij Mij
is nog plaats, kom op de rots staan". God - Mozes; Heer - bemiddelaar.
Alleen zij. Nu daalt de Heer neer in een wolk, de wolk van Zijn Aanwezigheid,
en God laat Mozes horen dat Hij het is, Hij noemt zijn Naam, JHWH, Hij-is-er,
de Al-om-tegenwoordige; vervolgens zegt Hij ook hóe Hij is: barmhartig,
genadig, geduldig, groot in liefde en trouw.
In het evangelie praten Jezus en
Nicodemus met elkaar, face-to-face zouden wij zeggen, onder vier ogen. Alleen
zij beiden. Het is een diepzinnig gesprek, Jezus heeft het over 'van boven
geboren worden', leven van uit de Geest. En ook nu komt naar voren hoe God is:
Hij is zo gek - in onze termen - dat Hij zijn eniggeboren Zoon naar de mensen
stuurt, aan de mensen schenkt om hen te redden, niet om te veroordelen maar
opdat zij via de Zoon naar God toe kunnen leven. Zo groot in liefde is God - de
God van de vaderen, de Abba van Jezus. De eerstgeboren zoon is de trots van de
Joodse vader; wat moet de eniggeboren zoon dan wel niet zijn? Hoe moet God dan wel niet zijn als Hij zelfs
hem schenkt uit bezorgdheid?
In die stilte, die intimiteit
groeit bij Mozes en Nicodemus persoonlijk het inzicht hoe God is. Maar Mozes
komt niet voor zich zelf, hij heeft twee nieuwe stenen tafelen bij zich. Hij
zit met een halsstarrig volk dat net een pas gesloten verbond heeft ontkracht
en voor wie hij nu weer om genade komt vragen. En als God heeft gezegd dat Hij
barmhartig is, valt Mozes direct op de knieën en vraagt of God toch a.u.b. met
hen, dat volk, wil meetrekken. Ja, God trekt met hen mee, door de woestijn,
door de Jordaan het Beloofde Land in. Ja, God trekt ook nog met Zijn volk mee
in Zijn Zoon, de eniggeborene, die maximale liefde hanteert, want God is groot
in liefde en trouw.
Mozes noch Nicodemus hebben de indruk vergeten die dat gesprek op
hen heeft gemaakt, de afdruk die in hun ziel is ontstaan en gebleven. Misschien
kun je wel speken van de heilige kus, die Paulus noemt. Er was sprake van nood,
een brandende vraag, en God heeft daaraan beantwoord. Als we het hun zouden
vragen zouden zij vast en zeker de lofzang van de drie mannen in de vuuroven
vervolgen: Gezegend zijt Gij, Heer, want Gij hebt onze nood gezien, ons gered,
onze vraag gehoord en beantwoord.
Wij hebben ook die lofzang
gezongen/gebeden en dan ligt er nu de vraag of wij zijn gehoord en gered, of
wij persoonlijk, vanuit eigen ervaring, vanuit eigen geloofsbeleving zo'n lofprijzing
kunnen bidden. Met Kerstmis, de menswording - wij zijn Godskinderen, met Pasen,
de verrijzenis - ons eeuwig Leven, met Pinksteren, de Geest die overal waait -
ook in ons persoonlijk, met die drie feesten kunnen we het complete
verlossingswerk van onze God vieren: de Vader, eeuwig, onveranderlijk en
barmhartig, de Zoon die goddelijke intimiteit aanbiedt, de Geest die ons naar
hen toe drijft, over de hele wereld. Als je dat beseft, kun je dan niet
voorzichtig spreken van 'de heilige Kus'?
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Misschien doet de Heilige Drie-Eenheid wat hoog gegrepen aan, iets
wat zich boven je hoofd afspeelt, over jou heen. Misschien dat je je
afvraagt hoe dat nu kan met drie
personen en toch éen God? Maak je niet druk om die vraag: een Joods, bijbels,
gegeven is niet makkelijk met begrippen, laat me zeggen met 'westerse' ideeën
te ontrafelen. De betékenis ervan is wezenlijk: 's Vaders continue goedheid
voor ons, des Zoons inzet om ons en zijn intimiteit met ons, des Geestes levendigheid
in ons. Als je dat zoekt of vindt, zij het je gegeven: Zo is onze God, HijZ zij
geprezen.
"De genade van O.H.Jezus
Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de H.Geest zij met ons
allen". Zou dat voor ons de heilige kus mogen zijn. Zullen we even de tijd
nemen?
Sacramentsdag A 30 mei /
2 juni 2002; '05
Deut 8, 2.3.14b-16a; psalm 147; Joh 6, 51-58
Psalm 147 Loof de HEER, Jeruzalem, prijs je God, Sion:
Hij
versterkt de grendels van je poorten, Hij zegent de kinderen binnen je muren;
Hij is
de beveiliging van je grenzen en schenkt vette tarwe in overvloed.
Een
boodschap zendt Hij uit naar de aarde en
haastig trekt zijn woord eropuit:
Aan
Jakob verkondigt Hij zijn woord, het bestel van zijn wetten aan Israël.
Met
geen ander volk heeft Hij zo gehandeld, zij kennen zijn wetten niet.
Eigenlijk is het gek dat wij hier nu nog gedenken wat zo'n
3000 jaar geleden is gebeurd. We herkennen de lading van wat toen aan de hand
was. Dan krijgen de woorden van Mozes "blijft denken
aan…" toch wel een bijzondere betekenis.
Als de Joden zich hebben gevestigd in het Beloofde Land,
wordt de Wet van Mozes nog eens bij elkaar gezet - de Wet voor de tweede keer -
zou je kunnen zeggen: Deuteronomium. Daarin wordt in herinnering geroepen hoe
het allemaal is gekomen: de uittocht uit Egypte, de redding door de Rode Zee,
in deze lezing: de beproevingen in de woestijn. Ze hebben honger en dorst
geleden omdat hun God hen wilde beproeven, en hun God heeft Zijn Naam gestand
gedaan 'JHWH': 'Hij is er'; Hij was aanwezig om hen te helpen in hun nood. Zo
leerden zij Hem kennen. Een proces van veertig jaar, 'veertig', een
ontwikkeling.
Dat was hun ervaring, de
ervaring van een volk. Als de woorden van Mozes toentertijd nu actueel zijn,
kunnen we niet zo spreken van een gemeenschappelijke ervaring, de ervaring van
een volk. Kan, mag zo'n soort ervaring voor ons persoonlijk gelden? Ieder heeft
in zijn leven wel zo'n tocht door eigen woestijn gemaakt in wat voor een vorm
dan ook. Dan dringt zich de vraag op of jij dat hebt ervaren als beproeving van
God, of je nu - desnoods achteraf - die ellende als beproeving wilt
zien. M.a.w. dat God er toch was in jouw ellende doordat - toen de maat vol was
- God jou iemand heeft laten zien, of doordat je je toen vast greep aan een
strohalm die een boom bleek te zijn geplant aan het water, of doordat je een
andere reddende gebeurtenis meemaakte. Die moeilijkheden als een beproeving
willen en kunnen zien, erkennen dat je toen toch in Zijn hand was, dat HijZ
niet wilde dat je verloren zou gaan, is een geloofszicht. En als je dan omkijkt
in verwondering, komt de idee naar boven dat je God een beetje hebt leren
kennen op jouw weg, op jouw manier, dat 'Hij-is-er-altijd', de Aanwezige is en
ook de 'Hij-is-altijd' is, de onveranderlijke, betrouwbare, de Eeuwige.
Dan moge als in de tussenzang
een loflied naar boven komen van: "Loof de Heer,
Jeruzalem"/"Roem, Jeruzalem, de Heer". Jeruzalem, prijs de Heer,
stad van God; jij zelf, prijs de Heer, kind van God. Verheerlijk de Aanwezige,
de Eeuwige om Zijn verbond met ons, met mij.
Wat het evangelie van Joh ons
vertelt is geen 3000 maar zo'n 2000 jaar geleden gebeurd, echter het gaat wel
veel dieper. "De mens leeft van alles wat komt uit de mond van de
Heer" zegt Deuteronomium. Niet alleen van de scheppingswoorden die ons
leven en voedsel geven, maar ook van Het Woord dat een meer-leven bedient, dat
Zijn Wezen openbaart, het Woord dat op aarde rondloopt, 'tussen de mensen in'.
In de synagoge van Kafarnaüm zegt dat Woord dat hij het levende brood is dat uit
de hemel is neergedaald, het echte, eeuwige Brood voor het echte onverwoestbare
Leven. En dat niet alleen voor de Joden, die de Wet hebben, maar voor de hele
wereld, die een nieuwe 'Wet' krijgt.
"De Joden geraakten
daarover met elkaar aan het twisten", schrijft Joh. Een aantal vond dat
dat niet kon; kennelijk begonnen anderen iets te vermoeden, ging hun een licht
op. Wellicht bedachten zij: onze vaderen hadden het Manna ook nooit gezien,
nooit ervaren; toch was het er, kwam het naar hen toe in hun nood. Zou het nu
ook niet mogelijk zijn dat Hij ook Brood is, uit de hemel neergedaald? Dan zegt
Jezus het uitdrukkelijk: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u". Als het erop
aan komt, gebruikt Jezus niet de gebruikelijke Rabbi-formule 'maar ik zeg u',
nee, hij zegt "voorwaar" en dan nog eens "voorwaar",
"Ik zeg U: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven
niet in u". "Het" Leven: de vaderen hebben het manna gegeten en
zijn toch gestorven; Jezus doelt kennelijk op een meer-Leven, hoger dan het
aardse. Daartoe strekt het Vlees van de Mensenzoon: tastbaar, zichtbaar,
proefbaar, niet alleen maar een gedachte. Dat is al zoveel - en dan ook nog
zijn bloed drinken - dat was voor een Jood volkomen nieuw, onmogelijk, zo niet
godslasterlijk. Tenzij … God dat zegt. Brood en Wijn reiken tot in de
hemel, tot in zijn Lichaam.
Jezus gaat door: "Wie mijn
vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven. Eeuwig leven is niet
iets dat nog komen zal, nee het is er reeds - zij het nog niet onbeperkt. Als
wij 'goede werken' doen, als we bidden, als we ons van de Aanwezige bewust
zijn, zijn we bezig met eeuwig leven. En nu zegt Jezus dat degene die door hem
wordt gevoed dat Leven heeft. Dit gaat dieper dan een Aanwezigheid buiten ons,
dit gaat nog verder dan wanneer een moeder haar kind voedt. Die twee blijven
nog buiten elkaar. Jezus spreekt van in elkaar zijn, een Inwezigheid.
Zo gaat Jezus nóg verder door,
het is niet 'alleen maar' zijn persoon, het is zijn wezen, zijn Goddelijkheid
die hij deelt met Zijn Vader, zijn 'Abba'. 'Zoals ik gezonden ben door de
Eeuwig Levende' zo ga ik door naar jullie, in jullie, met diezelfde eeuwigheid,
met goddelijk Leven. Dat kan alleen God zeggen. God die de wereld wil redden,
er is voor de hele wereld, de Aanwezige. Is meer mogelijk? Meer mogelijk dan
God in mij? De nieuwe 'Wet'.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Jullie zijn niet zo groot gebracht met het heilige van de Communie
zoals vroeger gewoon was. De vraag is vaak: het is wel mooi maar hoe kan dat?
De vraag waarover de Joden twistten; heel normaal. Maar als je iets van een
Aanwezigheid kent, hebt leren kennen in je leven, zou het dan verkeerd zijn om
dat over je te laten komen? Als je bedenkt dat symbolen, dat heilige tekens,
eeuwigheid en aardsheid met elkaar verbinden, is het dan niet mogelijk om - op
zijn woord - het Lichaam van Christus in je handen te houden? Om zijn Bloed te
drinken? Te delen in zijn leven?
"Blijft
denken aan …", zei Mozes, "… tot mijn
gedachtenis", zei Jezus. Niet als iets dat alleen maar ooit gebeurde maar
wat altijd door is. Gunnen we ons de gelegenheid om daaraan te denken, niet
alleen nu maar ook straks - iedere keer als we te Communie gaan: Aanwezige,
Eeuwige, Inwezige, eeuwige Liefde.
Ex 24, 3-8; psalm 116; Mc 14, 12-16. 22-26 (zie
desgewenst symbool; de alinea hierboven
voor 'offer')
Psalm
116 Wat zal ik op mijn beurt aan de HEER geven voor al het goede
aan mij besteed?
Ik hef
de beker tot dank voor uw weldaad, de naam van de HEER roep ik uit.
Zwaar
valt de HEER het sterven van zijn
getrouwen.
Ach,
zie HEER, ik ben uw dienaar, U hebt
mijn boeien losgemaakt.
Ik
draag een dankoffer aan U op en de naam van de HEER roep
ik uit.
Mijn
geloften aan de HEER kom ik na, zodat iedereen
het ziet, voor heel zijn volk.
In het 24e
hoofdstuk van Exodus wordt iets bijzonders beschreven: een volk van nomaden
bepaalt zijn houding tot Degene die het zijn God noemt, het legt zijn
verhouding tot die God vast en viert dat. Andere volken kennen riten waarmee
zij hun god gunstig willen stemmen, waarmee zij een goede oogst proberen te
verkrijgen, kwaad af te wenden enz. De Israëlieten stellen dat zij als
schepsels geheel afhankelijk zijn van die God, die hemel én aarde heeft
gemaakt. Zij aanbidden Hem en erkennen dat hun leven bij Hem begint. Zij zeggen
dan ook dat HijZ Zich met hen bemoeit want HijZ heeft gewild dat zij er zijn en
HijZ wil ook hoe zij zijn: zij zullen goed zijn en liefst heilig als HijZ Zelf.
Kort geformuleerd is het: Ik uw God, jullie Mijn volk. Het is een overeenkomst
zoals een koning die toentertijd sloot met zijn vazal: Ik bescherm jou en jij
handelt in mijn plaats. Zo'n godsdienstige verhouding vinden we alleen bij het
Joodse volk.
Die
verhouding gaat heel diep, ze is intens. Wij hebben van God gehoord via onze
ouders, de school, de Kerk; een min of meer gevestigd beeld. Maar voor het
Joodse volk was het een ontdekking, een groei, een nieuw ervaren, leren kennen.
Wij krijgen Hem - oneerbiedig gezegd - a.h.w. op een presenteerblaadje
aangeboden, zij moesten zelf inkleuren hoe HijZ moet zijn als HijZ God is, hoe
HijZ moet zijn als dat maximale wezen dat hemel en aarde heeft geschapen. Dat
ging wel onder leiding van Mozes maar werd ook gebaseerd op eigen ervaring. Is
het dan een wonder dat zij beelden gebruikten die zij aan hun dagelijks leven
ontleenden om uit te drukken waar het om ging? Levende have, vee, werd
symbool voor hun expressie, want het
ging om hun eigen concrete leven richting God. Bloed was het definitieve teken
van leven en dat zou dus ook staan voor hun leven met God, hun goddelijk leven.
Je moet maar durven! Je moet het maar gegeven krijgen dat je dat zo mag zien,
je eigen leven verbonden weten met God, jouw Oorsprong en jouw Toekomst. Het
gaat om jou en wel zoals je graag wilt zijn: bemind en beminnend.
Als Mozes de
woorden en bepalingen van de Heer ter kennis heeft gebracht en allen die hebben
geaccepteerd, schrijft Mozes ze op. Dan worden stieren geslacht als brandoffer
en als slachtoffer, d.w.z. als offer voor verzoening en als offer voor
gemeenschapsmaaltijd. Na verzoening door God kan gemeenschap met God gevierd
worden. Eerst wordt offerbloed over het altaar uitgegoten, waardoor het bloed
aan God wordt gewijd, met God verbonden wordt. Dan wordt het verbondsboek
voorgelezen en beaamt het volk de inhoud ervan. Vervolgens sprenkelt Mozes de
helft van het offerbloed, het levensbloed, goddelijk leven, over het volk uit.
Verbond in Bloed. Verbond in liefde, het mooiste leven.
Als we dat
bedenken is het niet verwonderlijk dat de Jood iets moet uitzingen. In psalm
116 vraagt de Jood zich af wat hij terug kan geven aan de Heer voor al het
goede dat Hij aan hem persoonlijk deed. Eigenlijk kan hij niets teruggeven want
alles heeft hij gekregen en alles is al van de Heer. Eén ding kan hij wel
geven: bij zijn offer voegt hij zijn dank."Ik hef de beker tot dank voor
uw weldaad, de Naam van de Heer roep ik uit."
Het
evangelie verhaalt ons wat Jezus doet. Dat staat in een bepaald, geladen kader
nl. dat van Pasen, het belangrijkste feest voor de Jood; hij viert daarin de -
laat me zeggen - de verjaardag van het Verbond. Het Verbond had een nieuwe
impuls nodig, misschien wel omdat liefde als drijfveer, als begeestering, zoek
was geraakt. Jezus maakt van dat eerste Verbond een nieuw Verbond want geen
groter liefde heeft hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Hij zoekt de
confrontatie niet op maar loopt ook niet voor haar weg; hij wil laten zien
waartoe liefde in staat is, zijn liefde voor de leerlingen, voor zijn
volgelingen, zijn liefde tot zijn Vader. Hij sluit het nieuwe verbond in zijn
Bloed; nu niet meer dat van offerstieren maar zíjn bloed, zijn leven, zijn
Leven met God, in God, van God.
Hij doet dat
binnen het kader van de maaltijd, m.b.v. gewone, aan het dagelijks leven
ontleende maar wezenlijke ervaringen:
eten en drinken. Voor de maaltijd neemt hij brood, heft het enigszins op en
zegt de zegenbede tot de Vader, waarmee hem erkent als Bron van alle zegening.
Na de maaltijd neemt hij de beker, heft hem enigszins op en zegt tot zijn Vader
het zegen-/dank-/smeekgebed om hun leven, om hun land, om de toekomst. Hij
dankt terwijl hij weet dat het met zijn leven slecht zal aflopen. Desondanks
verbindt hij in uiterste hoop en liefde zijn lichaam en zijn leven, bloed, aan
die twee symbolen van brood en wijn. Opdat wij samen met hem doen wat hij deed:
zó de Vader danken.
Zo blijft
hij bij zijn volgelingen aanwezig, tastbaar. Als wij dat brood met dat
zegengebed in de hand nemen, hebben wij zijn Lichaam in de handen. Als wij die
wijn met dat zegen-/dank-/smeekgebed drinken, delen wij zijn Leven en wel zó
zoals hij volledige gemeenschap met zichzelf aanbood aan zijn leerlingen op die
avond. Is er een mooier liefdesverbond denkbaar? Is er een diepgaander danking
aan de Vader denkbaar dan die via hem, in hem en met hem? Is er een groter
geheim dan de Vader danken met het mooiste dat Hij ons in handen heeft gegeven?
De Vader heeft het dankaanbod van Zijn Zoon niet kunnen afwijzen. Als wij via
hem, in hem en met hem danken, kan de Vader ons ook niet afwijzen; Hij wil het
niet eens.
Ik hoop dat
e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Bij ons tweede bezoek aan Auswitsch-Birkenau
heb ik een natuursteen van crematorium III meegenomen naar huis, gemerkt en in
de tuin gelegd. Waarom? Op een of andere manier vind ik dat ik daarbij hoor, of
zij bij mij horen. "Herinner je". Misschien is zo iets herkenbaar,
spreekt het je aan.
Maar er is
meer: er is geen Jood die die steen daarvoor heeft bedoeld. Als dat wel zo was,
was die steen daar en toen heilig gemaakt door hem. Jezus heeft dat brood en
die wijn wél bedoeld als zijn "herinner je mij", als zijn 'ik ben
er', 'Ik zelf'. Daarom mag je die symbolen heilig noemen, kun je ze heilig
weten. Dan klinkt iets door van 'Wees heilig want Ik ben heilig' uit het Eerste
Verbond. Dan kun je iets vermoeden van iets nieuws: 'Probeer liefde te zijn,
want ik ben liefde, Gods liefde' van het Nieuwe Verbond.
Psalm 116: "Ik hef de beker tot dank voor uw weldaad,
de naam van de Heer roep ik uit" via hem, met hem en in hem. Iets voor
ons? Zullen we dat even laten binnenkomen?
Gen 14, 18-20; psalm 110; Lc
9,11b-17
Genesis
Ik zet de tekst vanaf vs 11 er grotendeels bij om te
laten zien hoe het onderwerp binnen het kader van gerechtigheid staat .
(De vijanden maakten zich meester van al het bezit
van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna gingen zij weg. Bij
hun aftocht voerden zij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn
bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom.
Een vluchteling bracht het
nieuws aan Abram, de Hebreeër; hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre,
Toen Abram hoorde dat (ook) zijn broer gevangen was genomen, riep hij de
geoefende mannen die in zijn huis waren geboren op om zich te wapenen en hij
ging de vijanden achterna tot bij Dan. Met zijn dienaren viel hij hen in de
nacht van verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan
Choba, ten noorden van Damascus. Hij heroverde alle goederen (die de vijand van
Sodom en Gomorra had geroofd); ook zijn broer Lot en zijn bezittingen, evenals
de vrouwen en het krijgsvolk, bracht hij terug.
Na zijn terugkeer uit de slag
tegen (de vijand,) Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten, trok de koning
van Sodom (die door de vijand waren verslagen) Abram tegemoet in het dal van
Sawe, ook het dal van de koning geheten.) En Melchisedek, de koning van Salem, bood hem
brood en wijn aan. Omdat hij priester was van de allerhoogste God, zegende hij hem met deze woorden:
'Gezegend zij Abram door de
allerhoogste God
die de hemel en de aarde
gemaakt heeft,
en gezegend zij de allerhoogste
God
die uw vijand aan u heeft
uitgeleverd!'
En Abram gaf hem van alles een
tiende deel.
(De koning van Sodom zei tegen Abram: 'Geef mij
alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.' Maar Abram zei tegen de
koning van Sodom: 'Met opgeheven hand zweer ik bij de HEER, de allerhoogste God,
die de hemel en de aarde gemaakt heeft: ik wil niets van u hebben, geen draad
en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u
Abram rijk hebt gemaakt. Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen
verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn
uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.')
Psalm 110
Godsspraak van de HEER
tot U mijn Heer: 'G zitten aan mijn rechterhand
en Ik leg uw
vijanden als een voetbank voor uw voeten.'
De HEER
zal uw macht vanuit Sion uitbreiden: zwaai de scepter over uw vijand.
Op de dag van de
strijd zal uw volk bereid zijn,
uw jeugd zal
gekleed zijn in heilige uitrustingen,
als dauw uit de schoot van de morgen.
De HEER
heeft een eed gezworen en Hij zal er geen spijt van krijgen:
'Zoals
Melchisedek bent U priester voor altijd.'
Op het eerste gezicht lijkt het
verband tussen de 1e lezing en het evangelie nogal mager. Melchitsèdek biedt
brood aan en dat doet Jezus ook. Maar als we het hele verhaal van de 1e lezing
erbij nemen, blijkt dat Abram opgekomen is voor zijn neef Lot, die ten onrechte
als slaaf was meegevoerd. Hij gaat met zijn mannen de plunderaars achterna,
verslaat hen, bevrijdt Lot en geeft de oorlogsbuit terug. Hij wil er zelf niets
voor hebben. Zo was Abram een 'tsaddiek', een rechtvaardige, een eerlijk man,
die voor recht opkwam en zodoende gerechtigheid diende. Dan komt een koning,
van Salem, die hem brood en wijn aanbiedt. In die situatie zie je dat brood en
wijn iets speciaals moeten hebben, misschien juist omdat het de eerste
levensbehoeften van de mens zijn - eten en drinken - en dus zijn allereerste
recht. Eten en drinken, brood en wijn, als tekens van recht. Mogelijk is die
aanbieding een verwelkominggebaar. Voor die situatie heel toepasselijk.
Immers, Melchitsèdek - u hoort 'Tsaddiek' in 'Melkistèdek', die naam
betekent 'Mijn koning tsaddiek', mijn koning is gerecht, is rechtvaardig. Geen
wonder dat hij Abram eert om zijn opkomen voor recht. Nog meer: Melkitsèdek is
behalve koning ook priester van de Allerhoogste, DE Gerechte. Welke naam die
Allerhoogste heeft, doet er niet toe; er is maar één Allerhoogste. En híj zegt
een zegenspreuk over Abram. Het moet je maar overkomen dat je zo gezegend wordt
en ook nog door iemand die je niet kent maar kennelijk wel gezag heeft. Je gaat
uit je dak, of je wordt ontroerd of noem maar op.
Melkitsèdek zegt ook nog "... door de Allerhoogste die hemel én aarde
gemaakt heeft". Hemel en aarde worden verbonden in die zegen. Hemelse
gerechtigheid wordt op aarde waar gemaakt door o.a. rechtvaardigheid, en tekens
van leven, brood en wijn, ondersteunen die verbinding.
Ps 110 is de tussenzang, een
koningspsalm, op naam van David, de koning die voor altíjd koning zou zijn en
voor altíjd priester, die voor recht moet opkomen en zodoende het heer zijn,
het gerecht zijn van JHWH waar moet maken. De koning als vertrouweling van
JHWH, gezeten aan zijn rechterhand, de ereplaats. De Heer reikt hem zijn
scepter aan vanuit Sion, de tempelberg in Jeruzalem; de Heer stelt hem
dus als koning aan. Hij is Gods rechterhand. En de Heer stelt hem tot priester
aan, voor eeuwig, in Zijn dienst. Hij is als Melchitsèdek.
Dat heer zijn van de gerechte
Heer, het rijk Gods, waaraan geen einde zal komen, is typisch de inzet van
Jezus. Hij gaat door tot en met de dood, de dood van de gerechte, de man die
gelijk heeft, het bij het juiste eind heeft, die visie heeft; die dood om ons
verkondigen wij. Om dat Rijk te laten komen - ook als hij er niet meer
zichtbaar is - geeft hij ook nog zichzelf in Brood en Wijn. Als er iémand
'tsaddiek' was, leefde als gerechte, dan was Jezus het.
Het Rijk Gods begint vooraan,
heel praktisch, met rechtvaardigheid op aarde, net zoals leven begint met eten
en drinken. Zo begint Jezus ook vooraan, met eten te geven. Wat precies de
aanleiding was tot het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging weten
we niet maar we kennen wel de verkondiging dat Jezus genoeg voedsel geeft na
het zegengebed tot de Vader om het brood: "Gezegend zijt Gij God, Koning
van het heelal, die de korenaar uit de aarde doet groeien." Wij zeggen het
ook: "Gezegend zijt Gij God, Heer van al wat leeft. Uit Uw milde hand
ontvangen wij brood en wijn. Maak ze voor ons tot bron van éeuwig leven".
Ook nu worden hemel en aarde verbonden maar wel met Jezus' gerechtigheid als
ondergrond.
Vooraan beginnen geldt ook voor
ons. Als wij bidden voor en na het eten - daaruit is de Eucharistie ontstaan -
als we God danken om het eten, verbinden wij ook hemel en aarde en dat houdt in
dat ook wij rechtvaardigheid als ondergrond hanteren. Dat gaat nog verder dan
brood delen met de ander die te weinig heeft. Dat kan een aanzet zijn voor een
feest dat nog groter is dan dat van de broodvermenigvuldiging, een feest dat
aan tafel begint en over de hele wereld gaat met twaalf korven.
Het getal twaalf duidt op het heil dat komende is. De twaalf zeggen tegen Jezus
dat hij de mensen weg moet sturen om eten te kopen. Jezus doet dat niet en hij
vult 'twaalf' bijzonder in: hij geeft zelf eten en hij geeft - kun je zeggen -
de twaalf ieder een korf mee voor onderweg naar het Rijk van gerechtigheid, het
Rijk dat komen moet. Het heil begint met rechtvaardigheid maar wordt beladen
met gerechtigheid omdat Jezus zijn eigen Lichaam als voedsel ter beschikking
stelt, via de twaalf apostelen, via de Kerk. In Jezus wordt nl. Gods
gerechtigheid bij uitstek zichtbaar.
Gerechtigheid: God is uit op het
goede voor Zijn mensen, HijZ wil Zijn heil voor ons. Jezus biedt ons dat
heil met zijn eigen leven. Aards voedsel wordt hemels voedsel. Ons leven heeft
nu al deel aan eeuwig Leven. De Heer is immers met ons.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. Het kan zijn dat je jezelf machteloos voelt inzake het onrecht in
de wereld en misschien ongeïnteresseerd bent, bent geworden. Het kan zijn dat
je nu al wat wilt en ongeduldig bent maar niet weet wat je kunt doen. Afwachten
is moeilijk maar je kunt wellicht zo denkend over eten en drinken,
gerechtigheid op je boterham smerend, je zelf geestelijk wakker houden en je
voorbereiden op wat je kunt doen als zich een gelegenheid voor doet. Het kan
niet allemaal ineens. Jezus heeft er zijn hele leven voor ingezet en we zijn
nog steeds bezig. Het is zelden spectaculair, het begint gewoon vooraan.
Bidden voor
en na het eten, wat doen we ermee? Zullen we ons even tijd gunnen en daarover
na denken?
Johannes de Doper Geboorte 24 juni
Jes 49, 1-6; psalm 139; Lc 1, 57-66.80 (de tussenzang uit Ps 22 van 'Vijftig
Psalmen' blijft buiten beschouwing)
Psalm
139 HEER, U doorgrondt mij en kent mij,
U kent
mijn zitten en opstaan, al van verre doorziet U mijn gedachten.
Van
mijn gaan en komen kent U de maat, U bent vertrouwd met al mijn gangen.
U hebt
mijn nieren geschapen, mij samengevlochten in mijn moeders schoot.
Dank
voor het ontzagwekkend wonder dat ik ben,
voor
het wonder van uw werken; hoe ga ik U ter harte.
Mijn
gebeente had voor U geen geheimen
toen ik
in het verborgen werd gemaakt, werd samengeweven in de diepten van de aarde.
Het komt
niet vaak voor dat de zondagsliturgie wijkt voor de liturgie van een feest. Dan
is er iets belangrijks aan de hand. Het geboortefeest van Johannes de Doper is
zo'n gelegenheid. Het staat a.h.w. tegenover het Kerstmis - 25 december vs 24
juni, een half jaar na elkaar en in de oude kalender dezelfde dag van de maand.
(Volgens
Lucas scheelden Elisabeth en Maria een half jaar.) Jezus geeft zelf aan hoe
belangrijk Johannes was. Toen Johannes gevangen zat en aan Jezus liet vragen of
hij degene was die komen moest, spreekt Jezus - na het beantwoorden van de
vraag - heel speciaal over hem. (Mt 11, 11.14) Hij noemt hem meer dan een
profeet, hij is die bijbelse bode. "... onder hen die uit vrouwen zijn
geboren, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. ... Hij
is de Elia die komen zou". Elia - dat is heel wat voor een Jood; naar hem
keek hij uit, voor hem werd alvast een stoel klaar gezet.
Er is nog een schrifttekst die het nodige zegt over Johannes, zo'n tekst van
gevleugelde woorden: "fuit homo missus a Deo, cui nomen erat
Johannes", "Er was een mens, gezonden door God, voor wie de naam was
'Johannes'". Gezonden door God om van het Licht te getuigen, tekst uit de
proloog van het Johannes-evangelie waar de evangelist als een adelaar hoog
vliegt om het onzeglijke van het geheim aan te geven: Licht. Licht -
duisternis. In het evangelie lazen we dat Johannes in de woestijn verbleef.
Misschien leefde hij bij de Qumrangroep bij de Dode Zee, die veel met de
symboliek van licht - duisternis op had. Daar, in de woestijnstilte, in diep
nadenken over verheven gedachten, in de kracht van de geest, heeft hij
meegekregen wat 'licht' is. De bijbel begint met "Punt van uitgang is: God
schiep hemel en aarde". Het Johannesevangelie begint "Punt van
uitgang is" dat het Woord al was, en het was bij God en het was God".
Het eerste dat God schiep was het licht. Dat Licht krijgt een nieuwe vorm.
Johannes zag die vorm: het Woord. Hij kwam tot getuigenis daarvan.
Als je dat beziet, spreekt de eerste lezing. Ze begint met een principe, punt
van uitgang: De Heer heeft in (Willibrord'95) de moederschoot mij
geroepen, mijn naam genoemd". Zo'n bewustzijn, zelfzicht, kun je alleen
maar in/van de Geest krijgen. Even verder vervolgt de tekst "... de
Heer die mij vormde tot Zijn dienstknecht nog voor mijn geboorte"
(Willibrord'95). Hetzelfde bewustzijn. Die tekst is van de profeet Jesaja, een
groot profeet, dienstknecht van God. Maar Jezus noemt Johannes meer dan een
profeet. Dan geldt die tekst van Jesaja zeker ook voor hem. Geen wonder dat als
tussenzang psalm 139 wordt gehanteerd "Gij weet ook alles wat er omgaat in
mijn geest, mijn diepste wezen is U niet verborgen, toen ik geheimenisvol werd
voortgebracht, mijn levensdraden in de schoot werden gevlochten. Ik dank u voor
het wonder van mijn leven". Het getuigt van intimiteit en van visie,
geloof, genade.
De wording van Johannes was een nog groter wonder dan anders, want zijn moeder
Elisabeth was al oud en onvruchtbaar. De parallel met Jezus ligt voor de hand.
Over Maria kwam de Kracht van de Allerhoogste en de engel zei tegen Jozef dat
hij het kind Jezus moest noemen: 'God redt'. De engel noemde ook Zacharias de
naam: Johannes, Jo chanan, God is genadig. Genadig niet alleen voor Zacharias
en Elisabeth, ook voor alle mensen. Het wonder blijft niet beperkt.
In de eerste lezing zegt Jesaja immers dat de Heer hem een snedig woord heeft
gegeven en ook met de schaduw van Zijn Hand hem beschermt. Hij heeft hem tot
een scherpe pijl gemaakt en ook hem geborgen in zijn pijlkoker. De Heer roept
en beschermt. Want de Heer wil dat hij niet alleen het Woord aan de Joden
verkondigt maar over de hele wereld uitdraagt: "Luistert, eilanden, volken
van ver... Ik stel u aan tot licht van álle volken ". De tekst is van de
tijd in de ballingschap, als de Joden door de profeet opgeroepen worden hoop op
de terugkeer naar hun land te vestigen. Dan is het niet de bedoeling dat ze
daar in hun kringetje blijven maar over de hele wereld dat licht laten zien,
zoals ze ook al in Babylon deden. Dat hoort bij profeet, bode, gezonden zijn.
Het licht moet bovenop de korenmaat staan opdat het iedereen beschijnt.
Maar aan Johannes was het niet gegeven om heel de wereld te beschijnen, hij
blijft in de kring van Jeruzalem en Juda. Hij is 'slechts' wegbereider. En dan
wordt hij gevangen genomen door Herodes. Weer in een woestijn, weer alleen.
Jezus troost hem. Jezus is ontdaan als hij hoort dat Johannes is vermoord en
zoekt troost bij zijn Vader. Twee vrienden, beiden geweven in de schoot terwijl
God hen kende, speciaal.
Ik hoop dat
e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Bij de vraag 'wie ben ik?', 'waar ga ik naar
toe?' moge een ant-woord, geen weer-woord, geen tegen-woord, maar een Woord
klinken: "Ik heb je geweven in de moederschoot en Ik wist van jou". Dat
zij de basis voor de invulling van je leven. Dan zij de Hand van de Heer met
je.
Ik dank U voor het wonder van
mijn leven, want Jo chanan, God is genadig. Zullen we ons een paar minuten tijd
gunnen dat over ons te laten komen?
HH. Petrus en Paulus 29 juni 2003
Hand 12,
1-11; psalm 34; Mt 16, 13-19
Handelingen
Omstreeks die tijd liet koning Herodes enkele leden van de
gemeente arresteren en mishandelen. Jakobus, de broer van Johannes, liet hij
met het zwaard ter dood brengen. Omdat hij merkte dat dit de Joden wel beviel,
nam hij ook Petrus nog gevangen; dat was juist op de dagen van de ongedesemde
broden. Toen hij hem in handen had gekregen, zette hij hem in de gevangenis en
liet hem door vier groepen soldaten van ieder vier man bewaken met de bedoeling
hem na het paasfeest in het openbaar te berechten. Petrus werd dus in de gevangenis
vastgehouden, maar in de gemeente werd vurig voor hem gebeden tot God.
In de nacht voordat Herodes hem wilde laten voorkomen,
lag Petrus aan twee kettingen tussen twee soldaten in te slapen, terwijl ook
vóór de deur van de cel de wacht werd gehouden. Plotseling stond er een engel
van de Heer bij hem en er straalde licht in de ruimte. Hij maakte Petrus met
een por in zijn zij wakker en zei: 'Sta vlug op.' En de kettingen vielen van
zijn polsen. De engel zei tegen hem:
'Doe je gordel om en trek je schoenen aan.' Dat deed hij. De engel zei tegen
hem: 'Sla je mantel om en volg mij.' Hij
volgde hem naar buiten, maar het drong niet tot hem door dat wat de engel deed
werkelijkheid was; hij dacht dat hij droomde. Ze passeerden de eerste en de
tweede wacht en kwamen bij de ijzeren poort naar de stad, die zich vanzelf voor
hen opende. Zij gingen naar buiten en liepen één straat door; toen verliet de
engel hem ineens. Daarop kwam Petrus tot zichzelf en zei: `Nu weet ik zeker dat
de Heer zijn engel heeft gestuurd en mij heeft gered uit de hand van Herodes en van wat het Joodse volk allemaal had verwacht.'
Psalm
34 De HEER wil ik
altijd prijzen, ik zing steeds een loflied op Hem.
Ik
juich om de HEER, laat de armen er verheugd
naar luisteren.
Prijs
de HEER tezamen met mij, laat ons
zijn naam verheerlijken.
Toen ik
de HEER zocht, gaf Hij antwoord,
van al mijn angsten heeft Hij mij verlost.
Wie
naar Hem opzien stralen van geluk, geen blos van schaamte kleurt hun gelaat.
Deze
arme mens riep, en de HEER gaf gehoor, Hij heeft mij
bevrijd uit al mijn noden.
De
engel van de HEER zet wachtposten uit rond
degenen die hem vrezen:
zo brengt Hij redding.
Proef en geniet: hoe zoet is de HEER; gelukkig is de mens
die bij Hem gaat schuilen.
Matteüs
Jezus kwam in de streek van Caesarea van Filippus en vroeg zijn
leerlingen: 'Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?' Ze zeiden: 'Volgens sommigen Johannes de
Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de
profeten.' Hij zei hun: 'En jullie, wie ben Ik volgens jullie?' Simon Petrus
antwoordde hem: 'U bent de Messias, de Zoon van de levende God.' Jezus gaf hem ten antwoord: 'Gelukkig ben
jij, Simon Barjona; niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader
in de hemel. Ik zeg jou: jij bent Petrus; op die steenrots zal Ik mijn kerk
bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. Ik
zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde
bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in
de hemel ontbonden zijn.' Toen verbood Hij de leerlingen om iemand te zeggen
dat Hij de Messias was.
Overweging
Wie de Dom
van Keulen ooit heeft bezocht, zal met bewondering gekeken hebben naar de
enorme pilaren waarop de torens van de Dom zijn gebouwd. Als je aan de voet van
de Eiffeltoren hebt gestaan en je onder de indruk bent van de reusachtige
betonblokken waarop ieder poot is gebaseerd, ga je vermoeden, aanvoelen,
krijgen wat 'fundament' betekent. Fundament waarop het gebouw staat, onwrikbaar
in de aarde gegrond opdat het niet zal kantelen of instorten maar hoog in de
lucht naar boven wijzend zich zelf blijft manifesteren.
"Gij
zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen". Het
Heilige der Heilige van de tempel in Jeruzalem was op een stuk rots gebouwd, de
kern van het gebouw stond stevig, verankerd in de grond opdat het niet zou
wankelen. Maar de voorhang van de Tempel scheurde, toen Jezus aan het kruis
stierf. Jezus is de nieuwe Tempel die deel is van de Eeuwige Rots, en na zijn
heengaan bouwt hij zijn Kerk op aarde op een nieuwe rots, op Petrus die zijn
geloofsbelijdenis heeft uitgesproken: "Gij zijt de Christus, de Zoon van
de échte God". Opdat zijn Kerk niet zal kantelen of instorten maar hoog in
de lucht naar boven wijzend zichzelf blijft manifesteren. Een ander soort
steenrots dan die van de Tempel: een gelovend persoon.
Heel anders
dan een stenen fundament. Een steen staat maar kan niet veranderen, niet
meegaan. Een persoon kan dat wel, levend, levendig en beweeglijk; het aanschijn
der aarde verandert immers ook steeds. Maar die persoon gelooft, gelooft in de
Zoon van de Eeuwige. Het is hem ingegeven door de Vader in de hemel, hij heeft
het gekregen. En dan verwacht je dat die persoon in dat geloof sterk zal staan
als een rots. Nee, niet zonder meer. Het is Petrus die Jezus verloochent na
diens gevangenneming. Het is Petrus die zichzelf - in het Marcus-evangelie -
als kleingelovige karakteriseert. In Lc zegt Jezus: "Simon, Simon, de
satan heeft geëist jullie te mogen ziften als het koren. Ik heb voor je gebeden
dat je geloof niet zou bezwijken …" (Lc 22,31) Als tweemaal een naam
wordt genoemd in de bijbel, is er iets aan de hand: geloven is geen kwestie van
het gaat vanzelf, maar van vallen en opkrabbelen en verder gaan, van leren en
ervaren, van meegaan in een wereld die leeft en verandert. En wijs geworden
door ervaringen is Petrus de man die zijn Kerk zal leiden, de impulsieve man is
de richtende geworden, de richting aangevende, met geloofszicht. Opdat zijn
Kerk hoog in de lucht naar boven wijzend zich zelf blijft manifesteren.
Paulus heb
je ook nodig als het om kerkopbouw gaat. De drammer die zich bekeert, de
gifkikker die Petrus openbaar terecht wijst, de gedrevene die de halve wereld
rond reist, die via brieven communiceert, onderricht, corrigeert en bevestigt.
Kennelijk is hij, de gedrevene, nodig voor kerkopbouw. Je kunt je afvragen hoe
de Kerk er uit zou zien als hij er niet was geweest. Barnabas zoekt hem na
jaren op in Tarsus om met hem het geloof te gaan verkondigen; kennelijk is
Paulus nodig … na rijping, nadat hij zich een tiental jaren had
teruggetrokken.
Paulus is
net als Petrus ook geen 'grote-leider-figuur', hij bekent zijn zwakheid maar
zegt hij ook dat hij dan sterk is doordat de kracht van Christus Jezus dan in
hem werkt. Als hij voor het einde van zijn leven staat, wéét hij dat hij goed
heeft gedaan: "Ik heb de goede strijd gestreden, … het geloof
bewaard. Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige
Rechter mij zal geven …".
Paulus is niet bang voor het uur van de dood, voor het oordeel. Gelukkig
hij/zij die dat kan zeggen. Bij zijn bekering heeft hij een visioen gekregen:
de Messias die hem roept. "Saul, Saul, waarom vervolg je mij?" Dat
visioen heeft zich ontwikkeld tot een mystiek bestaansniveau: "Ik zelf
leef niet meer, Christus leeft in mij".
Zo'n
gemeenschap, innige verbondenheid met Jezus deelt hij met Petrus, die Jezus
vroeg om niet alleen zijn voeten maar ook zijn hoofd en handen te wassen omdat
het ging om deel hebben aan Hem.
Hun beider
geloof, hun leven in gemeenschap met Jezus Christus, moge ook voor ons
inspiratie zijn om te leven in een wereld waarin je naar God toe leeft. Een
leven dat ook weet van een 'boven-de-wereld-uit', een geloofsleven waarin een
wonderlijke redding zoals van Petrus uit de gevangenis past. Waarin we van
harte kunnen bidden "De engel van de Heer legt een schans om hem
heen"/ van harte kunnen zingen "Ervaart het ziet, mild is de
Heer". Een leven waarin ontzegging,
onthechting, ascese omwille van het Rijk, een spirituele training, past om naar
Boven te kijken. Een leven in geloof.
Zonder
geloof geen Kerk. Geen Kerk zonder Jezus Christus, die ons geloof voedt, opdat
Zijn Kerk zich ook manifesteert voor alle volken op aarde.
Ik hoop dat
e.e.a. ook jongeren aanpreekt. Het is niet vreemd om een persoon als idool, als
ideaal-figuur te hebben en - op jouw manier - na te volgen, zeker als het niet
gaat om een macho maar om een gewoon mens van vlees en bloed met twee benen in
de wereld en twee voeten op vaste grond. Je kunt het zelfs gelukkig voor jou
noemen als het gaat om mensen die hun leven over hadden voor een goede zaak, die
van Jezus van Nazaret, door zijn Vader tot de Christus aangesteld. Petrus en
Paulus staan als de inspirerende figuren daarvoor. Doe er je voordeel mee.
Wij zetten
het werk van Petrus en Paulus en al de gelovigen voort met als fundament
hetzelfde geloof dat zij beleefden. Moge het voor ons dezelfde verbondenheid
zijn met Jezus Christus waarmee en waarop zij bouwden opdat de Kerk hoog in de
lucht naar boven wijzend zich zelf blijft manifesteren. Zullen we ons even tijd
gunnen naar zo'n kerktoren te kijken?
Gedaanteverandering
van de Heer. 6 augustus 2006
Daniël 7, 9.10.13.14; psalm 97;
Mc 9, 2-10
Psalm 97 De HEER is koning: de aarde juicht, verheugd zijn de vele eilanden.
Wolken en duisternis staan om
Hem heen, heil en gerechtigheid zijn de basis van zijn troon.
Bergen smelten als was voor de HEER, voor de HEER van heel deze aarde.
De hemel spreekt van zijn
weldadig verschijnen, alle volken aanschouwen zijn pracht.
HEER, U bent boven de aarde verheven, hoog boven alle
goden verheven.
"Zes dagen later
…" zes dagen nadat Petrus zijn geloofsbelijdenis heeft uit gesproken
- "U bent de Messias" - en waarop Jezus zijn lijden aankondigde. Dat
'zes' wil zeggen dat zij zich nu bevinden in een ander kader dan dat van de
dagelijkse realiteit. Ze gaan een hoge berg op met Jezus. Dat kader eindigt als
zij weer de berg afgaan en Jezus hen bezweert helemaal niets te zeggen van wat
ze hadden gezien.
Dat andere kader en de hoge berg
vinden we ook in de 1e lezing van de profeet Daniël: het visioen.
Een visioen is geen dagelijkse realiteit maar wel geloofszicht, zien waar de
dagelijkse realiteit in uitmondt, in het verhevene, het heilige, het
sneeuwwitte en het ongenaakbare vuur, in DE Heilige, de Hoogbejaarde, die
altijd is. De psalm zegt van Hem: "Wolken
en duisternis staan om Hem heen, heil en gerechtigheid zijn de basis van zijn
troon". Het is God.
Er is sprake van een
rechtszitting, waarin een persoon wordt voorgeleid die beoordeeld zal worden
naar wat in de boeken staat. Die persoon lijkt
op een mensenzoon, een mens. Over hem en zijn doen en laten gaan zij
zich uitspreken en het resultaat is dat "hem
heerschappij wordt gegeven, pracht en koninklijke macht". Die persoon komt
"uit de wolken van de hemel", hij is van goddelijke afkomst maar toch
wordt hij beoordeeld op zijn daden. Des Godes of niet, hij heeft gehandeld als
een mens, klaarblijkelijk heel goed gehandeld. Gerechtigheid is de basis van de
troon van de Hoogbejaarde. De gerechtigheid van de mensenzoon op aarde, in de
dagelijkse realiteit, reikt naar die troon.
Het is de geloofsbelijdenis van
de apostelen dat hun Jezus die mensenzoon is. Dat ging niet vanzelf, dat heeft
hij 'verdiend', waar gemaakt. Die belijdenis hebben zij verkondigd. Vooral,
misschien wel juist met zijn lijden toonde Jezus dat hij de Messias was. En
daarom is hem de eeuwige heerschappij gegeven, aan zijn Rijk komt geen einde.
De Hoogbejaarde, zijn Abba, heeft hem verhoogd en hij heeft zijn leerlingen
laten zien dat hij leeft, is opgestaan uit de doden.
Maar kennelijk is dit niet
alleen hun Paas-ervaring, ook toen Jezus nog binnen het dagelijkse leven
verkeerde, heeft hij aan drie leerlingen die ervoor in aanmerking kwamen, laten
zien dat hij ook een ander leven leeft - en wat voor een Leven. Als hij zich
terugtrekt om alleen te zijn, om te bidden, zou hij dan niet dat Leven beleven?
Nu laat hij zien hoe dat Leven is. Schitterend wit, vurig zuiver, doordingend
hoogste. Daarvoor gaat Jezus een hoge berg op, zijn berg. Op die berg ontmoet
hij twee anderen die ook hun berg kennen. Mozes besteeg de berg en verbleef er
veertig dagen en nachten. De Heer sprak tot Mozes. De heerlijkheid van de Heer
rustte op de Sinaï. Elia was op de vlucht en liep veertig dagen en nachten
voordat hij de berg van de Heer, de Horeb. De Heer sprak tot Elia. De Wet en de
Profeten, de Joodse Bijbel, het Joodse geloof, zijn aanwezig; Mozes en Elia
spreken met Jezus "over zijn heengaan, de voleinding van zijn leven in
Jeruzalem" (voegt Lucas toe). En weer klinkt uit de wolk die Stem:
"Luistert naar hem". De wolk die drie overdekt, Gods Aanwezigheid.
Doordat de wolk hen overdekt
zijn de drie geen toeschouwer meer; zij krijgen deel. Deel aan …? Deel
aan die andere leefwereld, zij zijn er in, zijn voor Gods aangezicht. Via
Jezus. Zijn berg wordt hun berg. Geen wonder dat Petrus een oogstgegeven aanvoelt: drie - Jezus die
definitief profeten en wet waar maakt - en de verblijfplaats te midden van
overvloed, waar het goed is.
Wij hebben als leerlingen,
volgelingen van Jezus de tussenzang/-psalm gezongen/gebeden " De HEER
is koning: de aarde juicht". We hebben de lezing uit de profeet Daniël
en het evangelie van Marcus met een acclamatie onderstreept. Wij weten
makkelijker dan de leerlingen dat Jezus die Mensenzoon is, de Messias; zijn wij
dan op onze beurt alleen toeschouwers bij het lezen van de lezingen? Of is het
ook ons gegeven om met Jezus zijn hoge berg op te gaan en iets te vermoeden van
zijn ander Leven? Wij worden niet door de wolk bedekt zoals die drie, maar
mogen wij niets verwachten van de Geest die hij ons heeft gestuurd? De H.Geest
is toch Gods aanwezigheid onder ons sinds Jezus de aarde verliet? Bidden we
door de wolk van de H.Geest overdekt te worden en te horen - misschien wel te
zien. Schitterend wit. Hier, waar wij oogst zijn. Geoogst voor dat ander Leven.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren
aanspreekt. In onze wereld is weinig tijd voor zo iets anders, altijd haast en
willen meemaken; de berg op gaan ligt niet zo voor de hand. Aan de andere kant
is een 'hemelse' ervaring geen garantie dat jouw werk tot dat goede behoort
waar Jezus voor stond. Maar begeestering
kan wel helder maken waar het om gaat. Het is de kunst om wat op aarde
reëel is, naar de hoge berg te brengen, om wat we doen op het niveau te brengen
van gerechtigheid die des hemels is, des Godes. Als je zo doet, leg je een
basis niet voor mee willen maken maar voor meekrijgen nl. het beste. Via Jezus.
Laat ons drie hutten bouwen,
hier, in zijn Geest luisteren, in de hoop te zien. Schitterend wit. Op de berg
of niet, wij zijn in ieder geval in de 1e dag van de nieuwe week, in
de 8e dag, zíjn dag van dat Leven.
Maria Tenhemelopneming 1994
Apok. 11, 19a; 12, 1-6a; psalm 45; Lc 1, 39-56
Psalm 45
Zie, koningsdochters met
juwelen omhangen,
en rechts van u uw gemalin,
in goud uit Ofir gekleed.
'Jonkvrouw, hoor, kijk om u
heen en luister: vergeet uw volk, het huis van uw vader;
laat de koning uw schoonheid
begeren want hij is uw heer.
Omstuwd door geestdriftig
juichende mensen gaan zij het paleis van de koning binnen.
(Ik zal uw naam vermelden,
generatie na generatie.
Daarom
zullen volken u danken, voor eeuwig en altijd.)
Ik wou
beginnen bij het evangelie en dan overstappen naar de eerste lezing. Uiteraard
moet ik me daarbij beperken, er is zoveel om over na te denken, maar ik hoop
dat dat voldoende oproept dat in onze harten en hoofden weerklinkt.
De tekst van
de lofzang van Maria, het Magnificat, die we hebben gelezen, weerklinkt
waarschijnlijk niet zo in ons omdat het taalgebruik niet alledaags is. De
nieuwe vertaling is wat dichterbij en daarin vallen mij twee woorden bijzonder
op. Het eerste betreft Elisabeth. Wij hebben gelezen dat zij 'met luide stem
riep'; de nieuwe vertaling vertaalt letterlijk 'zij schreeuwde het uit'. Als je
zó vol zit dat je het uitschreeuwt, is er iets aan de hand. We kunnen vermoeden
wat er met haar aan de hand was: waar ze zo vurig naar verlangd had, het
onmogelijke is toch gebeurd: zij - op haar leeftijd - is in verwachting. Wie
van ons heeft nooit vurig verlangd ? Herkennen we dan niet die vreugdeschreeuw
? In haar ontmoeting met Maria, in datzelfde geloof, kan ze zich helemaal uiten
over haar geluk. Ze ontmoet een geloofs- en een ervaringsgenote, een klankbord.
Een tweede
woord dat me opvalt, staat in de lofzang van Maria. Wij hebben gelezen "
.. daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd". Als ik
dat lees, komt er bij mij een beeld op van een nederige vrouw die met gebogen
hoofd ijverig doet wat haar baas/bazin zegt, die dan genadig een gunst
verleent. Dat beeld hoéft niet verkeerd te zijn maar het is wél misbruikt. De
nieuwe vertaling zegt het anders: "...want Hij heeft omgezien naar zijn
vernederde dienares". Dat woordje 'vernederd' past heel goed is die tekst
als geheel. Het bijbelse beeld van Heer en dienaar houdt in dat een Heer, De
Heer, zal niet toestaan dat zijn dienaar of dienares wordt vernederd. Hij staat
op, toont de kracht van zijn arm en slaat wie zich verheven waanden, de
trotsen, uiteen. Het is Zijn ere-zaak.
Wat de vernedering van Maria was staat niet in de tekst maar wie weet wat
vernedering is, weet, moge weten, wat het is om hetzij langzamerhand, hetzij
plotseling te ontdekken dat je voor God nooit vernederd wordt, dat HijZ jouw
Redder is. De zaak gaat op zijn kop: hongerigen worden overladen, rijken
weggestuurd. De schoot van de vruchtbare vrouw verdort, de onvruchtbare lacht
om de kinderen die ze krijgt. Machthebbers worden van hun troon gestoten,
vernederden krijgen een ereplaats. "Want grote dingen heeft de Machtige
met mij gedaan".
Het woordje
'nederig' is gevallen. Bij 'nederig' denken we al gauw aan iemand die braaf
doet wat hem of haar wordt opgedragen, liefst met hoofd- en stofdoek; nederig
is dan iemand die geen mening heeft e.d. Nee, nederigheid is geen slaafsheid.
Nederigheid is b.v. als je je eigen mening even terzijde kunt leggen en je open
stelt voor een ander, je oor leent, uitleent, naar wat een ander zegt of
probeert te zeggen, misschien wel verkeerd zegt. Dan kun je daarmee je voordeel
doen of alsnog je eigen mening handhaven, maar je schat de ander van waarde, de
moeite waard. Zo ben je dienstbaar. En juist in die dienstbaarheid, in die
nederigheid, in die kwetsbaarheid kun je dan door iemand die niet luistert,
vernederd worden, de ander die met verbaal geweld over je heen walst, die jou
afdoet met 'gezeur', die zijn machtspositie gebruikt om zijn eigen zin te doen.
Dat wil onze God, onze Redder, niet: HijZ vernedert je nooit en als je ervaart
dat een mens dat ook niet doet, heb je even het gezicht van God mogen zien.
Bij
'vernederde dienares' zijn we ook geneigd te denken aan vrouwen die psychisch
en/of godsdienstig vernederd zijn, zelfs onteerd zijn door autoritair geweld of
machtsgedrag van mannen. Natuurlijk ook zij, misschien wel op de eerste plaats,
maar het geldt voor iedereen die geblokkeerd wordt in zijn ontwikkeling, in
zijn diepe verwachting die in hem leeft, in zijn groei naar God toe. Als het
gaat om iets wat van jou zelf is, wat eerlijk in jou leeft, kun je vrij voor
God staan. Soms denk ik dat onze geloofsbelijdenis beter kan beginnen met 'Ik
geloof in God, de barmhartige Vader'. Barmhartig dan meer in de betekenis van
niet willen dat iemand, je kind, ongelukkig is.
In Gods
barmhartigheid, in vrijheid, openheid voor God, komen we bij het machtige
visioen: God maakt iets van zichzelf bekend, de tempel van God in de hemel ging
open:"Er verscheen een machtig teken aan de hemel. Een vrouw, omkleed met
de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van 12
sterren". Laat dat beeld maar voor zich zelf spreken. We kunnen dat beeld
zien als een visioen voor de Messiaanse tijd of iets anders dat nog komen moet
- het getal 12 duidt daarop - maar het is niet vruchtbaar als wij het niet zelf
hanteren, ermee doen.
Wat doen?
Het gaat natuurlijk niet om een vrouw als biologisch wezen, maar -zeg het maar-
om het vrouwelijke in ons, om een puur zijn, een zijn zoals we graag goed
willen zijn? Dat beeld geldt ook voor ons persoonlijk ook al zijn we arme
sloebers. Juist in de eerlijke verwachting die in ons leeft, hebben we deel aan
die heerlijkheid, is die glorie van ons, ook al zie je het niet. Laten we dat
hogere in ons niet onderdrukken, laten we ons daarvoor openstellen, laat het
idee eens groeien dat in ons door God iets is gelegd dat kostbaar is, hemels,
glorierijk. Zelfs in onze barensnood, in onze menselijke tragiek, misschien
juist dan, mogen we weten dat we deel hebben aan die heerlijkheid, die glorie,
dat we bestemd zijn voor het goede, het goddelijke. Wat in ons leeft, wordt
niet door het kwaad verslonden maar veilig gevoerd naar God, voor zijn troon.
Ik hoop dat
zo'n beeld ook jongeren aanspreekt. Jongeren worden vaak vernederd door
ouderen: 'je bent nog zo jong'. Vergeet niet dat je niet vanzelf 16 of 18 of 21
wordt, bent geworden. Je kunt wel jong van jaren, én oud van uren zijn, zo als
de dichter schreef. Uren waarin je zit met je eigen vragen. Misschien kan bij
alle twijfel dat machtige beeld je helpen van 'de vrouw omkleed met de zon, de
maan onder haar voeten en om haar hoofd een kroon van 12 sterren' . Het gaat om
wat je voor jezelf verwerft, ontdekt. Apocalyps = ontdekking, onthulling,
ontmoeting', ont-hullen: tussen Maria en Elisabeth is geen omhulsel: ze staan
open, vrij t.o.v. elkaar. God ont-hulling ! Tussen jou en God geen omhulsel,
alleen openheid, vrijheid.
We dragen
het goede in ons, we zijn bestemd voor het goede. Het feest van Maria
Tenhemelopneming moge ons laten ervaren dat wij onderweg zijn naar De Goede,
deel hebben aan de heerlijkheid. Een feest van onze hoop, van de belofte.
Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen om daarover te denken, om bewust
vrij voor God te staan ? Er verscheen een groot teken aan de hemel .......
Maria
Tenhemelopneming 1995
Apk 11, 19a; 12, 1-6a.10ab; psalm 45 "Boven mensen uit draagt gij uw
schoonheid"; Lc 1, 39-56.
(De Heer heeft mij gezien en onverwacht …)
Psalm 45
Zie, koningsdochters met
juwelen omhangen,
en rechts van u uw gemalin,
in goud uit Ofir gekleed.
'Jonkvrouw, hoor, kijk om u
heen en luister: vergeet uw volk, het huis van uw vader;
laat de koning uw schoonheid
begeren want hij is uw heer.
Omstuwd door geestdriftig
juichende mensen gaan zij het paleis van de koning binnen.
(Ik zal uw naam vermelden,
generatie na generatie.
Daarom
zullen volken u danken, voor eeuwig en altijd.)
Ik wilde
deze overweging beginnen bij een punt in de psalm, de tussenzang die we
gezongen/gebeden hebben: "luister, jonkvrouw, zie op geef gehoor; zo de
koning uw schoonheid begeert - Hij uw Heer - buig u voor hem
neder"/"Nu luister, dochter, wees aandachtig … breng hem uw
hulde wat hij is uw Heer".
Het is best mogelijk dat, als u deze tekst hoort, u het onmiddellijk laat
afweten of in het geweer komt en haar bestempelt als patriarchaal of
autoritair. Het is het oude beeld van de koning die de baas is en 'de baas doét
wat híj wil', hij neemt wat hij wil, want hij heeft de macht. Zo wordt
maagdelijkheid een toevlucht of een uitvlucht om onder de koning uit te komen.
Geen mens zal ontkennen dat zo'n tekst in die zin is verstaan, is misbruikt.
Maar, als we onze woede hebben gelucht, staat die tekst er nog steeds.
Kunnen we op een andere manier gehoor te
geven aan die tekst ? Als we die nu eens voor iedereen laten gelden en aan
'jonkvrouw' de betekenis geven van ... - misschien verbaast het - 'mijn ziel',
mijn leven, mijn eigenste ik waarmee ik graag voor God wil staan zoals door Hem
bedoeld. Dan kunnen we nóg in onze schulp kruipen - wat een Idee 'de schoonheid
van mijn ziel …' ?? Mijn ziel is eerder een zielig, zo niet een zwart
geval waar geen mens de schoonheid van ziet. Dat is een eerste, spontane reactie.
De tweede reactie moge zijn: zouden we dat niet aan God over kunnen laten ?
Laat HijZ maar bepalen of HijZ onze ziel mooi vindt. HijZ heeft ons geschapen,
gewild dat we er zijn, en als wij maar graag willen zijn zoals we door Hem
bedoeld zijn, moge dat voldoende zijn. Dat is een houding, een overgave in
vertrouwen aan 'zijn stille overmacht', in de overtuiging dat het zó goed moet
zijn.
Dan komt de
vraag: "Wat is die schoonheid dan; wat zou de Heer willen zien ?"
Gaat het om de sierlijkheid van goede werken, om de mooie vorm van gebed ? Zou
dat op de eerste plaats komen? Als u het mij vraagt, dan wil de Heer zien: ons
zelf, ieder van ons zelf in de eigenheid die Hij heeft bedoeld, zuiver, puur,
maagdelijk. Dat roept een beeld op als van een sneeuwlandschap waar nog niemand
in heeft gelopen, van een bloem die vanzelf opengaat in de ochtendzon, van een
heideveld dat rust in het licht van de volle maan, van een mens die een
eerlijke gedachte koestert, een helder verlangen ervaart, die gehoor geeft aan
een woord dat iets in hem doet leven. Puurheid, maagdelijkheid heeft te maken
met in je wezen gekeerd zijn naar, in je wezen toegewend zijn naar Degene die
jou wil zien. Hoe jouw puurheid is, kun je alleen maar zelf vermoeden, in
overgave gehoor geven en beleven, aandacht geven aan een inzicht dat je niet
meer loslaat, aan een woord dat je blijft horen. "Luister, jonkvrouw, zie
op, geef gehoor, zo de koning uw schoonheid begeert -Hij uw Heer-, buig u
voor hem neder. En ontvang.
Waarom dat voor Maria ? Kennelijk hebben anderen haar zo ervaren. Maria kon
duizend keer de moeder van Jezus zijn, als men in haar niets herkend had, was
ze alleen maar de biologische moeder geweest. De jonge Kerk erkent
haar, herkent in haar de gelovige die met hart en ziel naar God is toegewend
en die door haar zoon, de Heer, is gezien als gelovige in haar maagdelijkheid,
puurheid. God heeft grote dingen met haar gedaan, zijn Naam is heilig. Die
grote dingen zijn heilig. HijZ heeft haar gezien.
Wat voor Maria geldt, geldt ook voor ons: ook wij kunnen -al doende lerend- ons
toewenden naar God in al onze eerlijkheid, ook al denken we dat die niet veel
voorstelt. Laat de Heer maar zijn grote werken doen, zijn Naam is heilig. De
Heer wil ons zo graag zien. Het teken aan de hemel in grootsheid en barensnood
is bedoeld voor ons.
Ik hoop dat
e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In je groei ben je vaak onzeker, je zou wel
willen maar je weet niet wat. De ene keer ben je enthousiast voor dit, de
andere keer voor dat en als je enthousiast bent, ben je vaak niet te remmen.
Weet één ding zeker: juist in je zoeken en in je verlangen, je hunkering kun je
heel eerlijk zijn. Daar gaat het om want daar komt tot uiting wat je zelf bent,
hoe je graag tegenover God wil staan. Waarom zou de Heer jou niet zien?
De Heer
heeft mij gezien. Zullen we ons daarvoor enige ogenblikken gunnen ?
Maria
Tenhemelopneming 2001; '05
(voor 1994 en 1995 zie boven)
Apk 11, 19a; 12, 1-6a.10ab; psalm 45, 10bcvv, "Boven mensen uit draagt gij
uw schoonheid"; Lc 1, 39-56
Apocalyps
Toen ging de tempel van God in de hemel
open, en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel Een groot teken
verscheen aan de hemel: een vrouw, omkleed met de zon, de maan onder haar
voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij was zwanger en
schreeuwde in haar weeën en barensnood. Toen verscheen aan de hemel een ander
teken: een grote, vuurrode draak. Hij had zeven koppen en tien horens, en op
zijn koppen zeven diademen. Zijn staart
vaagde een derde deel van de sterren aan de hemel weg en wierp ze op de aarde.
De draak stond vóór de vrouw die zou baren, om haar kind te verslinden zodra
zij het gebaard had. Zij baarde een kind, een zoon, die alle volken zal weiden
met een ijzeren staf. Haar kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon. De vrouw vluchtte naar de woestijn, waar God
voor haar een plaats had bereid om daar gevoed te worden, En ik hoorde een stem in de hemel luid
roepen: 'Nu zijn de redding en de macht en het koningschap van onze God gekomen
en de heerschappij van zijn Messias'.
Psalm 45
Zie, koningsdochters met
juwelen omhangen,
en rechts van u uw gemalin,
in goud uit Ofir gekleed.
'Jonkvrouw, hoor, kijk om u
heen en luister: vergeet uw volk, het huis van uw vader;
laat de koning uw schoonheid
begeren want hij is uw heer.
Omstuwd door geestdriftig
juichende mensen gaan zij het paleis van de koning binnen.
(Ik zal uw naam vermelden,
generatie na generatie.
Daarom zullen volken u danken,
voor eeuwig en altijd.)
Lucas
Na enkele dagen vertrok Maria met spoed naar het bergland, naar
een stad van Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen, en begroette
Elisabet. Meteen toen Elisabet de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind
op in haar schoot. Elisabet werd vervuld met heilige Geest. Ze riep met luide
stem: "Gezegend ben jij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van je
schoot. Waar heb ik het aan te danken dat de moeder van mijn Heer bij mij
komt? Op het moment dat je groet mij in
de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. Gelukkige
vrouw, zij die gelooft! Wat haar namens de Heer is gezegd, zal in vervulling
gaan.'
Daarop zei Maria:
'Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich
ik om God, mijn redder;
want Hij heeft omgezien naar zijn dienares in haar
geringheid.
Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig,
want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan.
Heilig is zijn naam, barmhartig is Hij, iedere generatie
weer, voor wie Hem eerbiedigen.
Hij heeft de kracht van zijn arm getoond, wie zich verheven
waanden, heeft Hij uiteengeslagen.
Machthebbers heeft Hij van hun troon gehaald, geringen gaf
Hij een hoge plaats.
Hongerigen overlaadde Hij met het beste, rijken heeft Hij
met lege handen weggestuurd.
Hij heeft het opgenomen voor Israël, zijn knecht, indachtig
de barmhartigheid die Hij,
zoals aan onze vaderen toegezegd, bewijzen wil aan Abraham
en zijn nageslacht, voor eeuwig.'
Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar; toen keerde ze naar
huis terug.
overweging
De lezingen van vandaag staan
bol van geheim, van het mysterieuze. Er worden een beeld en een taal gebruikt
die niet alledaags zijn en toch spreken ze aan. Ze spreken aan niet alleen
omdat het mooi is maar ook omdat we er iets in herkennen. Ze roepen op: we
zoeken betekenis.
De eerste lezing begint met
"Toen ging de tempel van God in de hemel open". Ten tijde van de
Apocalyps was de tempel van Jeruzalem verwoest maar die tempel met zijn oude
ark van het verbond bestaat nu in de hemel. De tempel ging open: God laat van
zich zien, van zich horen. En HijZ toont een groot teken: een vrouw, omkleed
met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf
sterren. Men kan dit beeld voor zich laten spreken, men kan ook voorzichtig
betekenis zoeken: de mens in zijn geheimvolle vorm - de vrouw - met heerlijkheid
omkleed en de maan als haar voetbank: zij staat boven de maancyclus, boven de
tijdcyclus, ze is verheven, ze is tijdloos. Op haar hoofd een kroon met twaalf
sterren: Twaalf, het getal van het goede dat bezig is te komen, op het punt
staat te komen. Zij draagt in zich hét leven dat zich gaat manifesteren, en zij
krijt in barensnood.
Zo is de mens: verbonden met de heerlijkheid, met eeuwigheid, met toekomst en
toch in nood. Het kan doen denken aan de kreet die een paar generaties eerder
klonk, aan een kruis. De Mens, vertrouwend op Zijn Abba, wetend dat het goed
moest komen, dat het moest kunnen met het Rijk, zwanger van hoop - de Mens
schreeuwt: "God, hoe dan ?". Kennen wij zo'n kreet ook niet? Die
'mens-kreet' ?
Een ander teken: een draak,
onheil, met zeven koppen: hij is er altijd, week in week uit en dat gaat maar
door. Onheil dat de heel mens betreft, in alle situaties: tien horens. Op zijn
kop een diadeem, teken van wereldlijke macht, verlokkelijk, tijdsafhankelijk.
Gevaar dreigt want een derde van de sterren wordt weggevaagd: het komt erop
aan.
De draak, de wereld, bedreigt het kind van de vrouw, bedreigt de hoop die zich
gaat manifesteren, de hoop die mensen redt uit het alleen maar aardse, de hoop
die mensen een uitweg biedt, een hoger doel.
In die twee tekens - de vrouw en de draak - wordt de menssituatie verbeeld: van
de ene kant - van de andere kant; aan de ene kant verbonden met oneindigheid,
aan de andere kant belaagd door verlokking van tijdelijke zaken die zijn
verhevenheid aantasten.
Maar hij kent hoop en die wordt
hem niet ontnomen, hoop van altijd en overal, voor alle generaties waar ook ter
wereld. Die hoop zal hen aanvoeren met een ijzeren staf, een scepter: gebiedend
woord dat kostbaar en duurzaam leven biedt, want hoop is, hoort, bij God thuis.
Degene die die hoop heeft doorgegeven wacht en wordt gevoed - als in de
woestijn, een stil en intens contact met God zoals HijZ dat heeft voorzien. Dan
komt de stem die verklaart dat het Rijk is gekomen: is dat de stem die vooraf
werd gegaan door de kreet aan het kruis toen het Rijk begon, toen de Geest werd
doorgegeven?
Die hoop is niet zomaar, ze
vraagt overgave, loslaten van bestaande banden. In de tussenzang hebben we
gezongen/gebeden: "Luister, jonkvrouw, zie op, geef gehoor"…
Geef gehoor aan wat anders is dan je gewend bent/"Nu luister, dochter,
wees aandachtig, vergeet uw volk, vergeet uw vaderhuis". Er komt iets
anders, iets nieuws. Al een oud gegeven: "Trek weg uit uw land, uw
stamverband naar het land dat Ik u tonen zal". Toch is er een verschil.
Van Abram werd geloof gevraagd. Bij ons werkt de hoop die al in ons ligt,
gerechtvaardigd door J. v. Nazaret.
Het mysterievolle vinden we ook
in de evangelielezing. In het verhaal staat nergens dat Elisabeth iets wist van
wat Maria was overkomen. Maar wat hen bindt is het vervuld worden/zijn van de
H.Geest. Het is dezelfde Geest, die van het O.T. en die van het N.T. Elisabeth schreeuwt het uit - staat er in het
Grieks. Zij herkent die geweldige - laat me zeggen - overrompeling van het onmogelijke
dat toch mogelijk blijkt. Haar zaligspreking "Zalig zij die geloofd heeft
dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer is gezegd" - die
zaligspreking geldt voor beiden. Twee vrouwen, twee nichten die samen een groot
geheim delen. Een geheim in geloof; het geloof vanaf Abram.
"En Maria sprak" staat
er dan. Het zou me niets verbazen als Maria zo niet heeft geschreeuwd, dan toch
luid heeft uitgezongen wat in haar leefde. Maar het kan ook zijn dat zij zo
diep in zichzelf dat geweldige had verwerkt dat het een rustig en rotsvast
bezit was geworden zodat ze niet meer hoefde te schreeuwen of uit te zingen.
Een verstild en intens contact met God. Niettemin: "Met heel mijn hart
roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om God mijn Redder".
"Daar Hij welwillend
neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd". Vele vertalingen zijn de
revue gepasseerd. Kleinheid, nederigheid, geringheid, vernederde… Ik houd
het op eenvoud, gewoon zijn. "Daar Hij het gewoon zijn van zijn dienares
waardeerde, het eenvoudig zijn van zijn dienares Hem was opgevallen". In
dat gewoon zijn wortelt haar bijzonder zijn. "Zo de koning uw schoonheid
begeert/Uw schoonheid wekt de liefde van uw koning". Het is als een
lansstoot, een liefdesstoot, die het hart raakt. Die Machtige, Wiens Naam
heilig is, Hij heeft grote dingen aan mij gedaan. Hij heeft mij gekozen - alle
geslachten, alle volken, alle naties, alle mensen zullen van nu af mij gelukkig
prijzen. Kan het gekker ? Alles gaat op zijn kop: de wereld vermag niets
meer; de eerlijkheid, klaarheid, goede wil wint. Trotsen zullen door
anders-trotsen worden overwonnen, machtsgebruikers hebben geen toekomst; alle
kwaad in de wereld, waarvoor de draak staat, zal toch niets vermogen. In het
hele magnificat komt de N.T.-ische zondevergeving helemaal niet ter
sprake, alleen maar geluk, geluk om het onbegrijpelijke, onverwachte; om de
oude belofte die ineens waar wordt; om het zelfbewuste, eigenstandige staan in
de wereld; om het voor God kunnen en mogen staan. In eenvoud, enkelvoud, puur.
Jonkvrouw.
Maria staat voor de Kerk. Niet omdat zij de moeder van Jezus was; afstamming en
familieband tellen bij hem niet als het gaat om geloof. De jonge Kerk heeft
Maria tot vaandeldraagster, tot symbool gemaakt omdat zij in haar zichzelf
herkende. Zij staat voor ons, gelovenden, hopenden, gewone mensen die
dankbaar zijn om het geluk dat ons zomaar ten deel valt door Zijn
barmhartigheid. Zij draagt dat geheim. Jonkvrouw.
De vrouw omkleed met de
zon: dat is ons uitzicht. Zij is in de hemel opgenomen. Dat feest vieren
we.
Ik hoop dat e.e.a ook jongeren
aanspreekt. We vieren niet alleen het feest van ons 'in de hemel komen' maar
ook een - laat me zeggen - besef dat we eerlijk en eigenstandig in de
wereld staan, waar de mens te maken heeft met goed en kwaad, en tegelijk
eenvoudig, ongecompliceerd voor God staan, van Wie we Schoonheid hebben
gekregen.
"Luister, jonkvrouw, zie op geef gehoor…."
Zullen we dat ons samen hier een paar minuten gunnen ?
Kruisverheffing 14
september 2003
Num 21, 4-9;
psalm 78; Fil 2, 6-11; Joh 3,13-17
Psalm
78 Vergeten nooit meer wat God heeft
gedaan
Hoor,
mijn volk, wat ik jullie leer, schenk aandacht aan wat ik zeg:
openen zal ik mijn mond in gelijkenissen, uitspreken wat
verborgen was sinds mensenheugenis.
Dan
dachten zij weer aan God als hun rots, aan de Hoogste als hun verlosser.
Maar
met hun mond bedrogen zij Hem en bleven Hem met hun tongen beliegen.
Hun
hart bleef niet aan Hem verknocht, zij wilden zich aan zijn verbond niet
houden.
En de HEER in zijn barmhartigheid,
Hij vergaf, en verdelgde hen niet;
van
zijn kwaadheid kwam Hij telkens terug, Hij liet zijn woede niet de vrije
teugel.
In de oude
mythologie staat de slang bekend als een dier dat van de aarde leeft; het heeft
zijn hol in de grond en haalt zijn voedsel direct of indirect uit de aarde. Het
is een aarde-wezen. Die betekenis vind je ook in de bijbel. Behalve dat het als
het listigste dier wordt genoemd dat Eva van alles voorspiegelt, is het ook een
aarde-dier dat op de aarde zelf kruipt, het heeft geen poten of zo om zich
erboven te verheffen. Maar de aarde is zo dichtbij en vaak aantrekkelijk en
bekoorlijk. Je daarboven verheffen kost wel eens moeite.
Zo'n
betekenis kun je ook hanteren in het verhaal van de eerste lezing: de Joden
waren weer opstandig; zij gedroegen zich als gewone mensen, aarde-mensen, die
God niet kennen of loslaten of zelfs zich tegen Hem keren. Dan komen
aarde-beesten om hen op gelijke manier als aarde-mensen te behandelen want ze
worden niet meer beschermd door hun God.
Maar ook
hier zie je weer dat God niet de ondergang van Zijn volk beoogt. Zijn toorn
duurt niet tot het einde. "Toch was Hij barmhartig, vergaf hun zonden en
verdelgde hen niet" hebben we gelezen in de antwoordpsalm. Mozes moet een
slang maken en op een paal steken, een slang die boven de aarde uitgaat, door
een Godsman omhoog wordt getild, wordt verheven - en zo de aandacht weer richt
op wat de mens meer is dan een aarde-kind. Hij kan een Godskind zijn en dan
blijft hij in leven. Wat er historisch precies is gebeurd weten we niet maar de
betekenis is wel duidelijk. Een mens heeft het in zich om op God gericht te
leven, ook als het niet makkelijk gaat.
Verheven
worden, je verheven voelen - we kennen het allemaal wel. Boven op een berg laat
je het gewone onder je en voel je je opgetild, opgeheven, verbonden met Boven.
Jezus heeft ook gezegd dat hij opgeheven zou worden. En dan lopen we tegen
tegenspraken aan. "… Hij heeft zich vernederd tot de dood aan een
kruis." In die vernedering opgeheven worden. Dat gaat niet zo maar. "Wij
verkondigen een gekruisigde Messias", schrijft Paulus, "voor de Joden
een schande …". De Joodse doodstraf was steniging. Dood aan een
kruis was Romeins, voor misdadigers. Kon het erger? De Messias moest een held
zijn. Een held aan een kruis? 'Een schitterende held' spotten de heidenen. Er
is maar één oplossing: Jezus was een held maar dan een ongewone, geen aardse
held. Een soort held die door een barrière heen is gegaan en een schandetuig
gebruikt om opgeheven te worden. Soldaten heffen hem aan het kruis op, op de
grond; zij wisten niet beter. Zijn Abba maakt daarvan een verheffing boven de
aarde uit. Opdat iedereen het kan zien, iedereen het kan inzien dat aan dat
schandhout zich een maximale liefde manifesteert. Jezus heeft vrijwillig die
schandedood ondergaan; hij had kunnen vluchten maar is tot het uiterste trouw
gebleven aan zijn volk, aan zijn Abba. "Hij die bestond in de gestalte van
God, … heeft de gestalte aangenomen van een slaaf ", van een
mensendienaar en hij heeft in alles gediend, tot en met het laatste uitgediend.
Tot en met het schreeuwen in onmacht. Waarom? Om maximale liefde te laten zien,
die tot alles in staat is. Maximale liefde die a.h.w. boven onze hoofden hangt,
die ons omgeeft, die in Jezus tastbaar is, die in Jezus-aan-het-kruis haar
hoogste punt zichtbaar maakt. Dan ontvangt Hij a.h.w. zijn goddelijke eer terug
als verheerlijkte mens. "Wij hebben
zijn heerlijkheid gezien" zegt Johannes. Door zijn verrijzenis laat Jezus
zien dat zijn Abba het kruis heeft veranderd, heeft verheven tot teken van
overwinning voor hem en tot teken van hoop voor zijn volgelingen, die willen
doen en zijn zoals hij. Hij is met hen.
Voor ons die
ons verbonden mogen weten met Jezus in ons leven, kan ook de Kracht gelden die
wij in lijden mogen ondervinden nl. dat wij samen met hem lijden, dat hij met
ons mee lijdt, dat ons lijden zich verbindt met zijn lijden. Dan kan het
gebeuren dat lijden ons verheft boven de aarde. Dan gaat het niet om straf of
noodlot of wat dan ook maar om een spirituele verbondenheid met Jezus, die
zelfs zo'n mogelijkheid voor ons heeft verworven. Misschien dat je dan het
gevoel krijgt dat je opgetild wordt boven de aarde uit alsof je op een berg
bent. Die berg is nog meer waard dan anders.
Ons
kruisbeeld aan de muur, ons kruisteken op ons lichaam, zijn niet alleen ons
teken van onze hoop, ze zijn ook verwijzingen naar het lijden van Jezus. Het
gaat zelfs verder: zij mogen tegenwoordig stellen wat wij met Hem hebben
geleden, wij leggen in zijn handen óns lijden. Mogen we daarmee sterk zijn en
verbonden zijn.
Er is nog
meer: vanuit die verbondenheid kunnen zeggen dat hij van zijn kant zijn lijden
in onze handen legt - opdat het niet tevergeefs zal zijn. Maar dan … niet
alleen zijn lijden maar ook zijn Heerlijkheid.
Ik hoop dat
e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Lijden is niet zo in. Er gaat erg veel aandacht
naar plezier, genieten, gemak, luxe; ongemak, verdriet, lijden wordt liefst
ontkend. Als je er mee wordt geconfronteerd, overweldigt het je. Maar wat kun
je ermee? De lijdende mens is net zoveel waard als de niet lijdende, eerder
meer waard, kostbaarder. Gelouterd door hun kruis zijn ze door
Jezus-aan-het-kruis nog kostbaarder.
God beoogt
de ondergang van zijn volk niet, HijZ biedt in Jezus-aan-het-kruis leven aan,
door de dood heen, eeuwig en goddelijk leven, heerlijkheid.
Allerheiligen/Allerzielen 2002; '03;'04
Op 7, 2-4.9-14; psalm 24; Mt 5,
1-12a.
Verondersteld wordt dat de
kaarsen bij de 12 wijstenen in de kerk branden.
Voor 12 en 8 zie desgewenst getallensymboliek.
Wenselijk is dat er 12 kaarsen
klaar staan om te worden aangestoken als de namen van al de 12 stammen
in de 1e lezing worden uitgesproken en/of 8 kaarsen die worden
aangestoken als de 8 zaligheden worden genoemd. Hiermee kunnen desgewenst de
kaarsen te combineren die voor overledenen worden aangestoken.
Psalm
24 Aan de HEER
behoort de aarde en al wat zij omvat, het vaste land en zijn bewoners:
Hijzelf
heeft haar op de zeeën vastgelegd en op de stromen verankerd.
'Wie
mag de berg van de HEER bestijgen? Wie mag op zijn
heilige plaats staan?'
'Wie
zijn handen schoon en zijn hart zuiver houdt, wie niet tot afgoden bidt.
Hij
ontvangt zegen van de HEER, welvaart van God, zijn
helper.'
Ja, zo
is de mens die Hem zoekt en die dingt om uw gunst, o Jakob.
De lezing
uit het boek der Openbaring brengt ons in een hemelse troonzaal, waar het grote
feest van de Voleinding wordt gevierd, de voltooiing van het heil doorlopend
gevierd met aanbidding en danken en vreugdekreten. Het is een geweldige
ceremonie waarmee het allesomvattende heil wordt gevierd voor de troon van God.
Als we ons inleven in die tekst, moge ook dat met ons hier gebeuren als een
voorproef van wat later gebeurt, hier, in een ruimte die ook gericht is op de
troonzaal, waar het Lam, de engelen, de oudsten zingen met hen die in witte
gewaden erbij gekomen zijn en van het universele het heil genieten.
Er gebeurt heel wat, ook met ons
hier, hier in deze ruimte waar we vaak bijeen komen. Misschien zouden we
allemaal een visioen mogen krijgen over het uitzicht van ons leven, van al het
leven, zoals Johannes dat beschrijft. We kunnen ons laten inspireren door
Johannes en zoeken naar een engel die vanuit de opgang van de zon het zegel van
de echte God draagt en ons daarmee zal tekenen. Die ons, dienstknechten van God
- zo staat het geschreven - die ons zal tekenen met het zegel waarmee God tegen
vergeldende machten zegt: "Afblijven ! die zijn van Mij".
Wij zoeken hier o.a. -laat me
zeggen- een zekere bescherming tegen het kwade, net zo als bij het paasmaal
voor de uittocht uit Egypte de Joden de deur van hun woning tekenden met bloed
van het Paaslam opdat de verderver voorbij zou gaan: "Afblijven", zei
de Heer, "die zijn van Mij". Wellicht beseffen we dan dat ook wij
getekend zijn, dat we het kenmerk, het waarmerk al in ons dragen, nl. het
merkteken van Godskind zijn. Dat accepteren we en vieren we bij het doopsel:
Jezus zelf zegt dan dat wij Godskind zijn zoals hij is. "Afblijven!",
zegt de Heer dus, "die horen bij hem en zijn dus van Mij". Dan gaat
een bescherming tegen het kwaad over in wat de bijbel noemt een gevoel van
uitverkiezing, van 'we horen erbij'.
Als je je afvraagt waar dat
zegel, dat merk, toe leidt, komt het getal 12 naar voren. In de bijbel duidt
dit getal op het bestemd zijn voor het heil: de 12 stammen van Israël zijn
bestemd voor het heil van Godswege, het heil dat komen moet, waarvoor de wereld
is bedoeld. Jezus zet dat voort in het Nieuwe Verbond en stelt 12 apostelen aan
voor het Rijk dat komen moet: wij als Godskinderen onderweg naar de schone
voleinding, het Rijk der hemelen. 24 Oudsten van Israël en Apostelen samen
staan rondom de troon. Kunnen we ons zo iets indenken?
Dan kunnen we ons realiseren dat
we daarmee bezig zijn in een gebouw dat met datzelfde zegel, dat zelfde merk is
getekend: 12 wijstenen met 12 kaarsen aan de muren om ons heen. Zo mogen wij
hier ons onderweg zijn naar het heil beleven. Dat feest is compleet, voor de
hele wereld: het getal 10 staat voor veel, alles; 10 x 10 is helemaal alles; 10
x 10 x 10 is onzeglijk veel alles. Meer kan echt niet. Maar dan is Johannes nóg
niet uitgekeken: hij ziet een grote menigte die niemand tellen kan uit alle
rassen en stammen en volken en talen en allemaal staan ze voor de troon in
witte kleren en loven God en danken voor hun redding. Eén grote verzameling,
één groot feest van de gemeenschap der heiligen.
In witte kleren, gewassen in het
rode bloed van het Lam, het Lam van God. Het Lam dat het opneemt tegen het
kwaad. Het bloed dat goddelijk, eeuwig Leven draagt. Het rode bloed van de
Liefde dat zuiver maakt, ons innig openlegt voor het Liefdeleven. "Zo doet
het geslacht dat zich richt tot Hem, dat staat voor het aanschijn van Jacobs
God. Rein van handen, zuiver van hart " zoals we hebben gebeden in de
tussenzang.
Een visioen inspireert maar het
is bepaald niet altijd reëel. Is zo iets niet een beetje te optimistisch,
"Is dat wel regel?" vraag je je wellicht af; zo'n ideale verwachting
vanuit onze huidige wereld? "Ja zeker", zegt Jezus en hij houdt zijn
beroemde bergrede voor een grote menigte. Op de berg, de berg van God.
Een paar zaligsprekingen naar
voren halen:
- "Gelukkig die arm van
geest zijn". Arm van geest heeft niets te maken met dom zijn of zielig of
dociel zijn. Iemand die zich arm van geest voelt, hunkert naar geest, is
behoeftig aan geest, zoekt geestelijk leven, spiritualiteit, in gebed en
handelen, richting het Rijk dat komen moet. Zo iemand laat zich niet schaden
door materialisme, dat geen plaats heeft voor het blijvende. De arme van geest
verlangt naar God.
- De tweede
zaligprijzing:"Gelukkig de treurenden want zij zullen getroost
worden". Het klinkt als een zoethoudertje: treur maar niet want in de
hemel komt alles goed. Het is geen zoethoudertje; het betekent: Treur maar, doe
maar, het is niet erg als je huilt want je huilt niet uit wanhoop; je kunt
veilig treuren want de zekerheid van de goede afloop, de schone voleinding is
weggelegd voor je kind of je partner - of wie je hebt verloren. Die is als
Godskind getekend, bestemd Voor het Rijk. Zijn plaats is nu bij al die
getekenden en al diegenen die in witte kleren voor de troon staan. Ze zijn 'van
Hem.'
- "Zalig de zuiveren van
hart", die gevoed zijn door het Vlees en het Bloed van het Lam: zijn zien
God. Weten dat je wordt gezien, dat je wordt gekend; God recht in de ogen
kunnen zien, vol vertrouwen en vol liefde. De spiegel waarmee we het nu nog
moeten doen, wordt steeds minder nodig. We zien steeds meer rechtstreeks.
- "Zalig die vervolgd
worden om de gerechtigheid" doet ook denken aan 'zalig die vervolgd wordt
door onrecht', door geweld, slachtoffer zijn van misdaad, terreur en misbruik.
Al de ellende van de hele wereld komt naar voren en wordt opgevangen door die
Ene, die zuiver van hart grof onrecht heeft willen ondergaan en hoop heeft
willen bieden aan hen die gemerkt gaan worden met het zegel van gerechtigheid,
met een palm in de hand.
Ik hoop
dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je denkt al gauw dat een visioen iets is
voor half-zachten of overgevoelige mensen. Een visioen dat in geloof staat, dat
geloof voedt, dat visie heeft, visie aanbiedt, zo'n visioen staat in die Grote
Liefde, die iedereen omvat. Wellicht kan zo'n visioen van Johannes je helpen te
vermoeden wat er allemaal gaande is in het geestelijk leven.
Ik zag
een engel opstijgen van de opgang met het zegel van de levende God. Een zegel
voor ons. Kunnen we dat ons een beetje voorstellen? Nemen we daarvoor even
tijd.
Jes 52,
7-10; psalm 96; Mt 28, 16-20
Psalm 96 Zing van de HEER een nieuw lied, heel de
aarde, zing van de HEER.
Zing
van de HEER en verheerlijk zijn naam,
verkondig zijn heil alle dagen.
Vertel
de volken het verhaal van zijn glorie, het verhaal van zijn wonderen aan alle naties.
Huldig
de HEER, alle stammen en volken,
huldig
de glorie en macht van de HEER, Huldig de glorie van zijn
naam.
Zeg het
de volken: 'De HEER is koning; de aarde staat
vast, onwankelbaar vast;
Hij
bestuurt de volken naar recht en gerechtigheid.'
Een
oud-missionaris vertelde dat hij als jongen missionaris wilde worden omdat je
dan paard zou rijden. Hij heeft nooit paard gereden, werd wel missionaris. Het
paard van St. Willibrord zal er in werkelijkheid wel anders uitgezien hebben
dan zijn standbeeld toont maar ook hij zal niet missionaris zijn geworden
vanwege het paard. Zo iets zit al of niet in je en je kunt zelfs denken dat,
als Willibrord er niet was geweest, er wel ander geweest zou zijn die het niet
laten kon. Want de goede Geest drijft vooruit, vanaf het begin van de
Schepping, het Woord wil overal gehoord worden. De psalmist (Ps19) zegt:
"… En toch klinkt de boodschap over heel de aarde". Maar
Willibrord is de man die het heeft gedaan en o.a. aan hem danken wij onze
West-Europese christelijke beschaving en cultuur.
En
natuurlijk ook ons geloof, geloof dat uit gaat van die geniale Joodse visie dat
de mens is geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Wij schepsels hebben van de
Maker wat meegekregen; niet alleen dat we er zijn maar ook hoe we zijn. Je moet
maar durven om dat te beweren, beter: je moet maar durven om die gedachte te
accepteren. Wíj hebben gehoord over God van onze ouders, school, Kerk, de hele
traditie tot op de eerste mensen bij wie die gedachte opkwam en die haar
leerden beamen. Maar die eerste mensen -
laten we zeggen Abraham - hadden niemand op wie ze zich konden baseren. Een
gegeven moment moesten zij, wilden zij die visie accepteren. Was die visie dan
wel verantwoord? Kennelijk wel: als ze niet zo mooi, verheven en zingevend was
geweest, had ze niet geïnspireerd en was ze niet doorgedrongen. En het is een
geluk als je zo iets moois tot waarheid wilt maken, tot waarheid kunt laten
groeien. Geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Beeld om te weten hoe je
bent, waarnaar je kunt streven; gelijkenis om Hem te kunnen bereiken, bij Hem
uit te komen; mogen we zeggen: in Hem uit te komen, in de Bron?
Het is
goed als wij dat beseffen en als we er ons weer eens over verwonderen, zingen
we dan niet automatisch 'een nieuw lied voor de Heer'? Nieuw omdat dat besef
ons telkens weer vernieuwt, dichter bij Hem brengt.
Willibrord
heeft ons dat geloof gebracht. Maar geloven doe je niet zomaar; geloven is meer
dan iets voor waar houden, geloven is ook meer dan aannemen op gezag.
Geloofsinhoud, die je wordt aangereikt, moet aansluiten bij wat in jou zelf
aanwezig is aan religieus vermogen. Geloof kun je niet afdwingen; geloof krijg
je; een 'gegeven' moment merk je dat je overtuigd bent; dat je overtuigd bent
tot in je zelf toe.
Dat 'tot
in jezelf toe' wordt ook in de lezingen aangeduid. Immers, we lazen in de 1e
lezing:"Hoe lieflijk op de bergen de voeten van de vreugdebode" en in
het evangelie gingen de leerlingen "naar de berg die Jezus hen had
aangewezen". De berg als plek, situatie van eigen ontvankelijkheid voor
onderricht, voor openbaring, leren kennen. De berg van de bereidheid om vanuit
het religieuze dat in de mens leeft, door de Schepper in hem is gelegd, de stap
naar geloof te zetten, in te zien dat je je bestaan niet aan jezelf ontleent
maar hebt gekregen. De berg als gesteldheid om vanuit je zelf dat geschapen
zijn te erkennen als maximale invulling van je zelf, om afhankelijkheid te
accepteren als de mooiste voedingsmogelijkheid. In de overtuiging dat die
Schepper zorg heeft om jou, in vertrouwen. Daarvoor moet je op de berg zijn die
boven de vlakte uitsteekt.
Bij de
berg waar Jezus het over heeft gaat het ook nog om het hoogtepunt van zorg die
de Schepper heeft om ons. God is mens geworden, incarnatie. Hij is niet op
afstand gebleven maar kort bij ons gekomen, is onder ons komen wonen om contact
te maken, met onze menselijkheid als aanknopingspunt zodat wij ons bewust
kunnen worden van onze bestemming om verheven te zijn, van de mogelijkheid om
opgeheven te worden naar goddelijk niveau. Onder aanvoering van Zijn Zoon, met
de Geest als drijver. Zo moge het geloof zijn van ieder van ons persoonlijk,
van alle mensen, heel de schepping.
Zo'n
geloof dat aansluit bij ons zelf, wordt persoonlijk en sterk en leert ons
inzien wat en hoe de leer van Jezus is, het doet ons daarin groeien; vanuit dat
geloof gaan we vertrouwen en weten omdat we zelf zien, zoals de Samaritanen,
zoals Job. Geloof leert ons het beeld van God … als levensdoel. Geloven
is naar God toeleven.
Dat
geloof maakt van ons eerlijke verlangen hoop. Als aan behoefte is voldaan, is
er nog iets in ons dat verder gaat, er bovenuit stijgt: ons verlangen. Geloof
leert ons dat ons persoonlijke verlangen aanknoopt bij de deugd van hoop, die
ons Hem doet uitkomen.
Geloof
tilt onze menselijke liefde op tot op goddelijk niveau, een wereldwijde en
onverwoestbare grond voor het mooiste gevoel dat mensen kennen, de meest
indringende ervaring in ons bestaan die geen nadere rechtvaardiging nodig
heeft. Zij is klaarblijkelijk goddelijk. Hij is het zelf: maximale Liefde. Daarin
laat Hij Zichzelf kennen.
Ik hoop
dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Geloof is niet iets dat je moet. Het enige
wat moet is dat je het moet zien, je erin wil begeven. Het zal je ook moeten
worden aangereikt, je moet ervan gehoord hebben voordat je er zelf mee aan de
slag kunt. Het moet ook inhoud hebben, die door een overlevering van meer dan
3000 jaar gerechtvaardigd wordt, door wat mensen telkens weer hebben ervaren.
Wou je zelf het wiel uitvinden? Denk niet dat je dan niets te doen hebt. Je
moet er toch zelf mee aan de slag, desnoods met vallen en opstaan maar altijd
in vertrouwen dat je goed zit met iets dat al zo lang bestaat. "Zie, ik
ben met u alle dagen". En als je merkt dat je onrustig wordt, denk je maar
dat dat iets met die Geest van doen heeft. Had Willibrord ook.
Is er een
diepere intimiteit dan die die geloof ons aanbiedt? Het geloof van Abraham, van
Jezus, van Willibrord. Nemen we er even tijd voor?
Kerkwijding van de St. Jan van Lateranen 9 november 1997;
'03
Ez 47, 1.2.8-9.12; psalm 46 (122); Joh 2, 13-22
Ter
inleiding van de viering:
Het is
altijd iets bijzonders als Christenen samen komen maar vandaag is er nog meer
aan de hand. Zo'n 3000 jaar geleden vroeg een klein volk zich af of het geen
huis zou bouwen voor hun God. Zij bouwden de tempel in Jeruzalem met een
voorhof voor de mensen, het heilige voor de priesters en het heilige der
Heilige waar de Hogepriester ééns per jaar mocht komen.
Zo'n 2000
jaar geleden zegt één man van dat volk: Breek deze tempel af en in drie dagen
herbouw ik hem. De tempel van steen is verwoest, die van hem bestaat nog
steeds.
In ca 350 is
er een bisschop in Tours (Zuid-Frankrijk), een asceet, die maatschappelijk
actief is, een heilig man, Martinus. Hij is de eerste bisschop die een soort
dependances sticht. Naast de gebruikelijke bisschopskerk in de stad sticht hij
nl. parochies, die een plaats van samenkomst hadden: de parochiekerken.
In ca 700 is
er een bisschop vanuit Engeland gekomen en hij vestigt zich in Utrecht.
Willibrord. Hij brengt het geloof in die ene man uit Jeruzalem in deze streken
en dat geloof houdt nog steeds stand.
In de 10e eeuw wordt in Rome een basiliek uit de 3e
eeuw herbouwd, de basiliek van de bisschop van Rome, hét kerkgebouw van de
stad, dat eigenlijk staat voor alle kerken, de Sint Jan van Lateranen. Daarvan
vieren we nu de kerkwijding.
In 1966 komt
de bisschop van Utrecht hierheen (Martinusparochie Epe) en wijdt deze kerk door
als teken 12 stenen aan de buitenzijde en 12 stenen aan de binnenzijde te
zalven. Bij die stenen aan de binnenzijde hebben we een kaars aangestoken, een
kaars voor het heilige. 12 stuks voor het Rijk dat komen moet.
Het is een
beetje lange inleiding maar wellicht is zij dienstig om in herinnering te
brengen wat er allemaal aan de hand is, is geweest nu wij vandaag weer vieren,
onze kerk vieren. Een lange traditie van God-met-ons. Zullen we daarom de oude
lofzang zingen ? Eer aan God in den Hoge!
Psalm 46 God is onze toevlucht en
vesting, bij uitstek onze helper in de nood:
al
beeft de aarde, wij kennen geen angst, al wankelen de bergen daar diep in de
zee.
Er komt
een wijdvertakte rivier vreugde brengen in de stad van God,
woonplaats
en heiligdom van de Hoogste.
Daarbinnen
houdt Hij zijn verblijf:
zij
wankelt niet, want God zal haar helpen zodra het ochtendlicht daagt.
Met ons
is de HEER van de machten, de God van
Jakob is onze toevlucht.