VOLWASSENENCATECHESE OP INTERNET
blok B
terug naar overzicht; emailadres
terug
naar geloof (blok A)
verder naar verrijzenis
5.0 Wij tekenen hem
5.1 Waarvan kennen we Hem ?
5.2 Waar kwam hij vandaan ?
5.3 Het getuigenis over Jezus van Zijn
tijdgenoten
5.4 Wat staat er nog meer over Jezus in
de Schrift ?
5.5 Jezus: god én mens
5.6 En wij nu?
5.7 Jezus, Maria, Jozef !
5.8 Nog eens: en wij nu ?
Maria-lof discussie-inbreng
verkeerde interpretatie
0 Wij tekenen hem
vaak met een aureool om het hoofd en een mooi wit gewaad, een
'Jezus'-baard enz. Maar hij was gewoon een Jood met vlooien, als alle Joden
vlooien hadden. Dat klinkt leuk maar we moeten dat idee kwijt, het is vals en
leidt af van het - laat me zeggen - 'Jezus-Christusgeheim' - wat deze catechese
zoekt. Jezus viel niet op door een engelachtige trek in het aangelaat of een
mystieke sfeer om hem heen of wat dan ook. Dat wilde hij juist niet. Hij wilde
dat men hem ging zien als de moeite waard om na te volgen om de inhoud van zijn
verkondiging en zijn in praktijk brengen van de 'Wet'. We moeten dus zien hem,
De Gerechte, reëel en open te benaderen.
Eigenlijk begint hiermee de geloofsinhoud die tot nog toe weinig ter sprake is
gekomen.
1 Waarvan kennen we Hem ?
1 We kennen Hem van de verkondiging in
woord en daad, van het getuigenis dat een twaalftal 'top'leerlingen over Hem
hebben afgelegd, die bij Hem waren vanaf de doop in de Jordaan tot en met
Hemelvaart (Hand 1,22): de apostelen. Hun getuigenis is op schrift gesteld en
zeer waarschijnlijk niet alleen het hunne maar ook dat van andere mensen die
Hem hebben meegemaakt (Lc 1,2). Hoe het ook zij, dat van de apostelen was in
ieder geval 'volledig', coördinerend en doorslaggevend. Wij hebben dan ook de
z.g. Apostolische Geloofsbelijdenis. Een 'Jezus'geloofsbelijdenis bestaat niet.
Andere bronnen hebben we niet m.u.v. enkele vermeldingen in historische boeken,
waarvan de betrouwbaarheid ook nog wordt betwijfeld.
2 Dit betekent dat wij geen objectieve gegevens bezitten over de
'historische' Jezus, zoals Hij hier op aarde heeft rondgelopen op sandalen. De
Schrift gaat over de historische Jezus ... gezien door de bril van mensen die
wat in hem zagen. Zij getuigden over wat zij van hem hadden meegekregen. Dat
dit gebeurt aan de hand van werkelijke gebeurtenissen is nogal logisch; hij en
die gebeurtenissen waren geen verzinsels of een uitdrukking van hun eigen
ideeën en wensen in mythen. Dan zou ons geloof in God ook een 'idee' zijn, hoe
verheven ook, maar toch een idee, en geen werkelijkheid betreffen.
Niettemin is het even begrijpelijk dat in het evangelie reflectie is te vinden,
een nadenken achteraf. Zijn verkondiging en de verkondiging over hem leefden in
de harten voordat zij als één geheel werden opgeschreven.
3 Het is natuurlijk ook niet verbazingwekkend dat er in het evangelie
genoeg punten zijn te vinden die historisch makkelijk geplaatst kunnen worden.
Men hoeft echter niet te stellen dat dit of dat de letterlijke woorden van
Jezus zijn omdat ze in het evangelie staan. De kans is levensgroot dat
daartussen de interpretatie, het verhaal van de getuigen zit. Maar dit doet
niets af aan de waarachtigheid van hun getuigenis (zie onder geloof
4). In de bijbelkoers komen we daar uitvoeriger op terug.
Voor het gemak delen we Palestina ten tijde van Jezus in drie delen: in
het Noorden lag Galilea, in het midden Samaria en in het Zuiden Judea. Zie
Kleine Atlas van de Bijbel of de kaart achterin het bijbelboek.
- Judea bestaat grotendeels uit het oude stamgebied van Juda, één van de
12 zonen van Jacob. Het had zich vanaf de intocht in het beloofde land nogal
apart ontwikkeld. Alleen gedurende het koningsschap van David en Salomo was er
een zekere eenheid tussen de verschillende (stam)gebieden. Het bestaat voor een
groot deel uit hoogland en een woestijn, zodat er weinig internationaal verkeer
was. Juda - Judea - Judaioi (grieks) - Jood. Zij waren 'de' Joden vonden ze
zelf, 'de' zonen van Abraham, de biologische afstammelingen. Zie Joh. de Doper,
Lc 3,8.
- De Samaritanen waren in het oog van de joden geïmporteerd uitschot
en/of een minder soort overblijfsel. Na de verovering van de stad Samaria door
de Assyrische koning Salmanassar (of Sargon) in 721 v.C. is de bovenlaag van de
bevolking weggevoerd en nooit meer teruggekomen. In plaats daarvan werd uit een
ander deel van het rijk een andere bevolking in Samaria geïmporteerd. Jerusalem
werd in 587 v.C. veroverd door de Babylonische koning Nebukadnezar. Een
gedeelte van de bovenlaag die toen naar Babylonië werd weggevoerd, kwam ca 40
jaar later wèl terug. Die tegenstelling Samaritaan - Jood lag eigenlijk al
heel diep; in de tijd van de koningen na David (ca 1000 v. C.) kwam er een
splitsing in het Davidisch Rijk nl. het 'Zuid-rijk' (Judea e.o.) en het
'Noord-rijk' (Samaria e.o.). Onder die tegenstelling lag ook een godsdienstig
geschil. De Noorderlingen hanteerden alleen de Wet, niet de profeten.
- Galilea lag langs de wegen die vanuit Egypte langs de kust naar het
Noorden leidden en naar Damascus, richting Mesopotamië. Het lag dus meer in de
route dan Judea en dus meer bij de tijd, zouden we nu zeggen. Daar kwam Jezus
vandaan. Zijn meeste activiteiten ontplooide Hij bij het meer van Genesaret.
3 Het getuigenis over Jezus van Zijn tijdgenoten
Gedurende Zijn leven op aarde
Onder de indruk van wat ze zagen en te horen kregen gingen sommigen begrijpen
dat die Jezus een héél bijzondere was. Die van Nazareth is een goede, wijze
wonder(lijke )doener, hij bidt 'anders', hij vergeeft zonden -hallo!, hij heeft
iets te vertellen, over Zijn Vader, over het Rijk dat komen moet. Ze zeiden dat
hij DE profeet was nog groter dan Mozes (nee hè?), beloofd om het Joodse volk
te verlossen, de definitieve-voor-altijd. (Deut 18, 15-19; Joh 1,21; Hand 3, 22
v)
Na Zijn leven op aarde
worden de verschillende elementen wat duidelijker. Het element 'profeet'
vervaagt; alleen Johannes de Doper wordt door de evangelist nog profeet
genoemd. In Hand 4,7-13 en 10, 34-39, kernpunten van de verkondiging, staan de
elementen "Heer", Redder" en "Gezalfde".
Gezalfde
In het Hebreeuws: 'Messias'; Grieks: 'Christus'. Een typisch Joodse term om aan
te geven dat iemand in Gods 'levenskracht' staat. Olie in een hoorn (1Sam
16,1) duidt dubbel op kracht; de stier is een oud symbool ervan en dat beest
pak je bij zijn hoorns vast. Daar voel je zijn kracht. De olie duidt, lijkt mij
-en ik ben niet de
eerste- op stierenzaad, dat voor die mensen die dieren fokken een teken
van levenskracht zal zijn. Iets dat bestaat, wordt een teken van een ervaring.
(Zie symboliek/ritueel 1.4)
Het uitgieten van olie over iemand deelt hem levenskracht mee, godsdienstig
gezien: Gods Levenskracht. Die olie moest in een streng ritueel worden
aangemaakt, een normale zingevende duiding, die past bij het heilige.
De gezalfde is dus een 'heilige Gods', ongenaakbaar. David doodde Saül niet
omdat die tot koning was gezalfd. David werd zelf ook gezalfd door Samuël. De
profeten zijn niet met olie gezalfd maar door het woord van JHWH, dat zij
verkondigden. De belijdenis van de apostelen is dat Jezus is gezalfd, ook niet
met olie maar door het woord van JHWH dat klonk bij de doop in de Jordaan
("Mijn liefste zoon"), én met "Heilige Geest en met kracht"
(Hand 10,38). Zo sterk is het nog nooit gezegd en is door zijn dood en
verrijzenis bevestigd: Jezus is de maximaal Gezalfde, Christus, Messias: Zoon
van God, één met de Vader. "Het grote nieuws is dat die Jezus de Christus
is", die Gezalfde. Paulus zegt meestal 'Christus Jezus'.
Redder
Hebreeuws: Josjua; Grieks: Jèsos. Hij moest het volk Israël redden van
een dreigende ondergang (Mat 1,21), verlossen van een dreigende vijand zoals de
'Richteren' dat hadden gedaan. Dezen werden gezien als door JHWH gezonden.
Eerst
koning Saül maar na hem vooral koning David werd toen beschouwd als het
toppunt van JHWH's reddende hand. Ten tijde van Jezus droomde men onder de
Romeinse bezetting van het herstel van het rijk van David (ca 1000 v.C.),
hetgeen al eens was gebeurd ten tijde van de Hasmoneeën (ca 150 - 75 v.C.).
Maar dat herstel was meer naar de omvang dan naar de inhoud omdat de
gerichtheid op JHWH niet denderend was; er waren toen niet zoveel
'rechtvaardige' Joden, 'Gerechten' (tsaddiek).
Jesaja, Jozua, Jezus betekenen alle drie vrijwel hetzelfde nl. 'JHWH is/schenkt
heil'; letterlijk: JHWH redding. Redding van Boven is echter Heil. Jezus is dus
meer dan een (psychologische) redder of hulpverlener. Hij is Heiland.
Heer
Dat woord wordt in het O.T. vaak gebruikt en betekent
daar iemand aan wie je gehoorzaamt, in wiens dienst je staat; hij is de baas.
Godsdienstig gezien geeft de mens met zijn vrije wil gehoor aan God; hij is
Zijn dienstknecht. Zie Jes 42, 1-4. De belijdenis over Jezus is dat "God
hem (die
dienstknecht) tot Christus en Heer heeft aangesteld" na zijn levensinzet
(Hand 2, 36). Tot Christus aangesteld wil zeggen dat hij het in het Eerste
Verbond beloofde heil in de geschiedenis heeft gebracht en het Messiaanse Rijk
is begonnen.
Heer van Vaders Rijk, Heer van Vaders Schepping ("Mij is alle macht
gegeven in de hemel en op aarde"; "… via Wie alles is
gemaakt"; duidelijk universeel, geldt voor de hele wereld). Hij is het
toppunt van de Schepping, van Gods expressie, zelfopenbaring. Heer van de Kerk:
je geeft Hem gehoor, wil in Zijn dienst staan. 'Heer over allen' volgens Petrus
in Hand 10, 36.
De term 'Heer' sloeg in ieder geval goed aan bij de Christenen-uit-de-heidenen,
die de Joodse traditie van Redder en Gezalfde niet kenden. Er was ook een
actuele situatie nl. dat niet aan de Romeinse keizer wierook geofferd moest
worden maar alleen aan Jezus Christus. Hij alleen was goddelijke eer waard.
Mede vandaar uit werd 'Pantokrator' op Jezus toegepast.
Kortom: die Jezus is degene die het heil-van-Godswege heeft gebracht en nog brengt, de voltooiing van de profeten, van de belofte.
4
Wat staat er nog meer over Jezus in de Schrift ?
1 Jezus noemt zichzelf 'de mensenzoon'.
Wat dat betekent is niet helemaal zeker. In het O.T. en in de tijd van Jezus
heeft het verschillende betekenissen gehad. Zeer waarschijnlijk is dit een
woord dat Jezus zelf heeft gebruikt, net als 'Abba'. Hij kan bedoeld hebben
gewoon 'mensenkind', 'dienaar van JHWH' of ook 'hij-die-komt-gezeten-op-de
wolken-op-het-einde-der-tijden', de 'eindtijdelijke rechter', een eschatologische
figuur maar van hemelse afkomst (Daniël 7)
2 Matteüs begint zijn geslachtslijst van Jezus met "Zoon van David,
zoon van Abraham", een dubbele belofte. Uit het geslacht van David zou de
Verlosser worden geboren; volgens de profeet Natan zou het huis van David
eeuwig blijven bestaan. "Zoon van Abraham" wil zeggen een 'echte'
Jood, die in JHWH geloofde en op Hem hoopte, een 'rechtvaardige' (tsaddiek),
aan wie beloofd was dat hij vader van vele volken zou worden. Matteüs was een
Jood, in ieder geval zeer goed ingevoerd. (Behalve die 'echte' Joden waren er
ook proselieten, die van andere volken stamden maar zich bekeerden tot het
Jodendom; ook zij kunnen bij de 'godvrezenden' horen, zie b.v. Hand 13, 43)
Lucas beëindigt zijn stamboom van Jezus met "Zoon van Adam, zoon van
God"; misschien mag je zeggen: een gewoon mens en dus van God. Lucas was
een niet-Jood, maar hij zegt hetzelfde als Matteüs, alleen 'universeler'.
3 Johannes (de evangelist) laat Johannes de Doper zeggen: dat daar is
het Lam Gods dat de zonden van de (hele) wereld neemt. Daar zit o.a. de Joodse
visie achter van de 'zondebok', die alles op zijn nek krijgt/neemt.
4 In dit evangelie staan de zeven uitspraken van Jezus "Ik ben....
". Het is heel goed mogelijk dat die teruggaan op de beroemde uitspraak
van JHWH in de brandende braamstruik: "Ik ben van wie geldt: Ik ben".
Ik ben ... het brood des levens; wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben.
Ik ben ... het licht van de wereld; wie Mij volgt zit niet in het donker,
heeft inzicht.
Ik ben ... de deur van de schapen; wie via Mij binnengaat zal weiden vinden.
Ik ben ... de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.
Ik ben … de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven ook al
is hij gestorven (nog peultjes ?).
Ik ben … de weg, de waarheid en het leven. Via Mij kan iemand de Vader
zeker bereiken.
Ik ben … de wijnstok, jullie zijn de ranken. Wie in Mij blijft draagt
veel vrucht. Alstublieft.
5 Johannes getuigt uitdrukkelijk bij de dood van Jezus:"...
terstond kwam er water en bloed uit". Daarover later meer.
6 "Hij is het die door God is aangesteld tot (eindtijdelijke)
rechter van levenden en doden", zegt Petrus in Hand 10, 42
Dit is een geloofsgegeven waarover de mensen veel hebben gedacht. Als je
het God-zijn van Jezus ontkent, gooi je je eigen glazen in. Het is ook een
krankjorum idee maar wel het mooiste dat je kunt denken voor de mens. Later
meer. De kerk heeft die waarheid steeds weer verdedigd. In de evangeliën komt
dat regelmatig terug; het mooiste in het Johannes-evangelie, vind ik:
"In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was
god". 'Woord' is eigenlijk een onvoldoende vertaling van het Griekse
'logos', waarin 'wereldprincipe' opgesloten ligt.
"En het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons zijn tent
opgeslagen". 'Vlees', m.a.w. je kunt het zien, voelen, horen enz. net als
wij ons lichaam. Door Jezus, het vlees, is God dus niet meer alleen maar
transcendent ! Hij is ook 'immanent', heeft onder ons Zijn Tent opgezet.
"Want in Christus woont lijfelijk de godheid in heel haar volheid
…" zegt Paulus in de Kolossensenbrief (2,9). Dus geen inwoning - bij
een ander - maar er thuis zijn, op je zelf. Lijfelijk - heel : godmens of
mensgod als u wilt.
Was Jezus dan nog wel gewoon mens ? Ja, kijk maar: hij werd geboren,
groeide op, at en dronk, ging met andere mensen om, Petrus was misschien wel
zijn vriend, woonde in Kafarnaüm, kon fuiven, huilen, woedend zijn, pijn
hebben, het uitjubelen van geluk en heeft aan het kruis geschreeuwd en gebeden,
is gestorven en begraven.
En toch... "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die
in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen" zei de
Willibrord. Kun je het mooier zeggen ? "Die nu rust aan het hart van de
Vader", zegt de Willibrord '95.
'Het woord was god', Jezus is 'god' staat zonder hoofdletter om een
misverstand te omzeilen. Hij is een speciaal 'soort', maximaal wezen nl.
god(delijk wezen). Uit eerbied schrijf je dat normaal met een hoofdletter: God.
Maar 'God' is ook een aanspreking die in het N.T. voor de Vader is bedoeld. En
dan krijg je verwarring tussen de eerste en de tweede Persoon van de
Drievuldigheid. Als je dat wil vermijden, zeg je 'Jezus is de Zoon van God', 'Jezus
is Goddelijk'. Voor kinderen is 'Jezus heeft het gezicht van de Vader laten
zien' of 'Jezus is het gezicht van de Vader' wellicht begrijpelijker en heel
bijbels; aan zijn gezicht ken je iemand.
Als je zegt dat de Joden Jezus eerst als mens zagen, een groot profeet, en dat
ze later ontdekten dat hij de Zoon van God was, dan leg je een lijn, een
ontwikkeling, die ook in de verkondiging ligt: "....dat God Hem tot Heer
en Christus heeft aangesteld" nl. na zijn leven. Dat beukt niet zo en laat
ruimte voor het naar binnen slippen van een wonderlijk gegeven. Het grote
nieuws is immers niet zo zeer "dat Jezus god was maar dat God is zoals
Jezus" !
Een vraag die we niet kunnen beantwoorden is: wist Jezus zelf, wanneer wist hij
dat hij 'het' was ? Wanneer werd hij zich volmaakt bewust van zijn 'Abba', zijn
(intieme) Paps? Bij zijn doop in de Jordaan ("Jij bent Mijn Zoon, Mijn
veelgeliefde"; zie Abraham - Isaak, Gen.22) of in de woestijn ? Of was dit
alleen maar roepingbesef ? Door zijn 'verhoging', verrijzenis ? Of is het
onbescheiden dat te vragen ?
Onze problemen met het god-zijn van Jezus (conc. v. Chalcedon, 451: één
persoon, een goddelijke natuur en een menselijke natuur - "ongemengd,
onveranderd, ongedeeld, ongescheiden"; wat dan wel
?) zijn vooral vanwege de Griekse filosofie, die met verstandelijke
'ziens'wijzen, met begrippen, met formuleringen, definities, een Joods
beeld wil doorgronden, nl. de mens in het verlengde van JHWH (zie 2.5),
geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Zie ook bij latere
inbreng 'Geloof'. In de Griekse mythologie staan de goden en mensen tegenover
elkaar. De goden zijn onsterfelijk, zitten hoog en droog op de Olympus, drinken
nectar en ambrozijn. Soms komen ze wel op aarde maar blijven god. Als we dat
Joodse beeld laten meespreken bij ons denken over Jezus, zijn we bijbels bezig
en hoeven we niet zo in de knoei te raken. (Ook niet als we dat geloofszicht
betrekken op ons zelf ? Het is nogal wat !)
Van het bovenstaande zou je kunnen zeggen, dat het betrekking heeft op
situaties van 2000 jaar geleden. Als wij in ons dagelijkse leven niet
soortgelijke ervaringen ondervinden als die mensen toen, kunnen wij ons dan wel
beroepen op dezelfde Jezus van wie zij getuigen ? Ook wij moeten in onze
situaties die Jezus als Heil-van-Godswege meekrijgen.
Kerkvaders spraken vroeger wel van Jezus-Orpheus, de goddelijke zanger, voor
wie de dieren zich neer legden. Dat moet de Grieken toen enorm hebben
aangesproken. Je vindt Jezus-Orpheus-afbeeldingen op sarcofagen, in de
catacomben als muurschildering en op vloermozaïeken. Orpheus-dierenvriend en Jezus
met een lam op zijn schouder liggen kort bij elkaar. Een stuurman op de grote
vaart zal over hem wellicht spreken als de Grote Stuurman. Zo ieder zijn eigen
uitdrukking.
De grote vraag is: is het waar ? Hebt u werkelijk iets meegekregen waarop u uw
uitdrukking baseert ? Dat vereist misschien kritisch zelf-onderzoek en kan dan
zeer vruchtbaar zijn.
Stelling: De Jezus van het evangelie (en de traditie) is maatstaf voor
iedere latere interpretatie. Een Jezus van een (of ander) concilie of onze
persoonlijke interpretatie bestaat dus alleen als die op het evangelie kan
worden teruggevoerd m.a.w. op het getuigenis van de eerste Christenen.
7 Jezus,
Maria, Jozef ! (hellup)
De vraag
7.1
Een punt dat nu niet zo in de
belangstelling staat van jongeren, vaak wordt overgeslagen, weggepoetst of
vergeestelijkt maar van groot belang is als we over Jezus spreken, is wat heet
de maagdelijke geboorte. Is Jezus nu echt niet normaal door Jozef verwekt, maar
door een wonder ontstaan in de schoot van Maria? Kan het niet zonder
kunstgrepen?
Het stuit op tegenstand. Waarom? Daar zou best een verzet onder kunnen
liggen. Het staat in de bijbel en de bijbel Gods woord en dus is het
waar en dus moet je het geloven. Ammenooitniet! reageren we dan; geen
stenen voor brood. Een andere reactie kan zijn: moet het (weer) met een wonder,
kan het nou niet eens gewoon? Of: God heeft geen wonder nodig, alles is al
wonder(lijk). Waarom a-natuurlijkheid voor de menselijke natuur van Jezus? Als Jezus gewoon kind is van Maria en Jozef,
is hij tenminste ook wat dat betreft helemaal mens, eerlijk.
Ik kan natuurlijk zeggen: ik geloof het (aannemen op gezag ?), me verwonderen
over de wijze waarop God in de wereldgeschiedenis ingrijpt en er blij mee zijn.
Het gevaar is dan levensgroot dat ik er niets mee doe en het gegeven in de
linnenkast leg tussen de mottenballen. Het is immers een mysterie, waar we niet
bij kunnen. Een ander gevaar is dat je de zaak op biologisch niveau
afdoet, 'iets' met een eicel in Maria. (Toch wel gênant om er zo over te praten
maar het is consequent.) Maar is Jezus dan nog wel gewoon mens ? Nee, hè? Dan
lijkt hij toch meer een half-god.
Je kunt de zaak zelfs op menselijk niveau afdoen: dat is toen gebeurd met
Maria. Dan beperk je dat gegeven tot haar.
Is er niet meer?
7.2
1 Als je het op bovenmenselijk, goddelijk niveau
kunt stellen, ligt het veel universeler en is de zin veel breder. Dan is
er ook voor ons, gewone mensen nog meer reden, nog meer diepgang, om ons
"kind van God" te weten, om ook (als Jezus) "niet uit de wil van
een man maar uit God geboren te zijn" (Joh.1,12v). Is dat aannemelijk?
Het ging die mensen toen om de verkondiging van het heil, niet om
biologie. Het is de blijde boodschap van Jezus, de Christus, niet van Jezus,
zoon van een timmerman. "De wording (niet: geboorte !) van Jezus
Christus geschiedde als volgt", zegt Mt (1,1) en hij vertelt dan het
verhaal over Jozef, niet over Maria. Bij Lc spreekt de engel (1,32) over
"zoon van de Allerhoogste". Hoe doen ze dat?
De twee (enige) N.T.-teksten die
aanleiding geven tot de idee van maagdelijke geboorte staan op het eind
hiervan in de vertaling van de Willibrord '95.
Matteüs schrijft binnen het Joodse geloofskader, direct: Jezus, De Christus,
beloofd. Hij heeft een geslachtslijst met een Joodse heilslading (zie getallensymboliek,
2x7) met Abraham als kenfiguur, de eerste man van geloof.
Lucas is niet typisch Joods, arts (?), komt uit een ander milieu, kijkt
anders, schrijft wat later, na "alles van voren af aan na te gaan",
heeft deels andere bronnen dan Mt en heeft een 'menselijke' lijst die op
uitkomt op Adam, zoon van God, als kenfiguur. Hij kijkt dus 'breder' dan
Matteüs. Hij zegt in 3,23 niet "Jezus Christus" maar - wat vrij
vertaald: "Die Jezus was op menselijk niveau bezien de zoon van Jozef...
". Hij kent wel 'Christus' o.a. in zijn incarnatieverhaal (2,11) en bij de
Doper in 3,15: hij nuanceert/onderscheidt Jezus en Christus, wat bij Mt
niet aan de orde is. Doe je dat met de 'éénpersoon-tweenaturen'leer eigenlijk
ook niet al? Zit die tweeheid ook niet in de gedaanteverandering? Het ene
moment van een andere wereld, het andere met twee benen op de grond. Lc 9,28vv.
Opm. Als je Lc 3,23 vertaalt:"Deze Jezus … was naar men
aannam de zoon van Jozef …" met het idee dat Lucas dacht dat het
eigenlijk niet echt was, rijst de vraag waarom Lucas dan zo'n lijst ophangt.
Het betreffende Griekse woord bevat 'gewoon(te)', menselijk gewoon. Daarom
"… op menselijk niveau bezien ...". (Dat Griekse woord
wordt alleen daar in het N.T. vertaald met 'naar men aannam' of zo !)
Paulus (vòòr de evangelies) zegt vaker "volgens het vlees". Dat is te vertalen, dacht
ik, als 'op menselijk niveau', d.w.z. zoals de mens is, compleet met lichaam,
geest en ziel, geschapen door God. Bij niet-gelovigen zal geest en ziel niet of
nauwelijks functioneren, zeker niet op God gericht. Wanneer de ziel, goddelijk levensbeginsel, door de
Geest wordt beademd, kan zij op goddelijk niveau leven, "volgens de geest", zegt Paulus dan. Dat geldt
voor iedere Christusvolgeling(e). Zo kun je dan Maria, Jozef, Jezus op
'gewoon' menselijk niveau plaatsen, in menselijke natuur, geschapen naar Gods
beeld en gelijkenis, klaar om te ontvangen van Boven. Zo doe je meer recht aan
Jezus' mens zijn, erken je dat in de menselijke natuur de mogelijkheid ligt van
Godskind worden/zijn (zoals Jezus) en spreekt zijn menselijke inzet voor de nieuwe schepping van de mens meer tot ons. Wat de
mens beperkt kan en met hulp van Boven, kon Hij maximaal vanwege zijn volmaakte
relatie met Zijn Vader (zie fig. in 4.8:
de menselijke smalle heilsband is bij Hem oneindig breed, past eigenlijk niet
meer in de tekening). Zo probeer ik Zijn goddelijk niveau recht te doen: De
Christus.
2 Dit bovenstaande is beschouwing,
geen feitelijkheid, met beelden iets duidelijk proberen te maken. In het
evangelie vind je dat ook. Het is niet netjes vooraan begonnen en achteraan
opgehouden maar heeft 'brokken' geloofsverkondiging. Zo is de oudste kern
vermoedelijk een stuk vanaf de doop tot en met de geloofsbelijdenis van Petrus
("Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God"). Dat gegeven
hebben alle drie de 'synoptici' (Mt, Ma, Lc); ze lopen tot daar meer parallel
dan erna. Het lijdensverhaal is ook een brok. Aan die kern(en) is later wat
toegevoegd. De evangeliën beginnen eigenlijk met de Johannes de Doper, later
heeft men iets tegen de voorkant aan geplakt. Je kunt nl. de eerste twee
hoofdstukken van Mt en van Lc zo weglaten; het stoort het vervolg van hun
verhaal niet: toegevoegde beschouwing. Lc 1 kun je ook nog weglaten zonder dat
het Lc 2 stoort. Maar in die hoofdstukken staan wel hun verhalen over de
'maagdelijke geboorte', liever: de incarnatie. Niet dat daar onzin in staat,
integendeel, maar het is wel reflectie, verkondiging via een verhaal,
mondeling, een à twee generaties na de dood van Jezus opgeschreven. Dan beseft
men dat ook 'hoe het is begonnen' tot de verkondiging behoort. Ook de proloog
van het 4e evangelie (na Mt en Lc geschreven) is meer beschouwing
dan verhaal, maar Joh bedoelt hetzelfde. Hij heeft het nergens over maagdelijke
geboorte; Paulus ook niet. Allemaal bedoelen ze hetzelfde: incarnatie, God is
mens geworden, "het Woord is vlees geworden" om … en dat is het geloofsgegeven.
3 Konden ze het wel anders vertellen
als ze een
verhaal willen gebruiken? Bij mijn weten was hun biologische kennis dat het
zaad van de man de complete mens bevatte. Wij weten pas sinds eind 19e
eeuw wél hoe het biologisch in elkaar zit. Als je meer weet, kun je anders
denken, moet je wel anders denken. Wij zien een kind als apart, zelfstandig,
eigen wezen, "tertium quid", omdat het van de moeder én de vader komt, waarin
iets nieuws kan opbloeien, waarin God iets eigens kan leggen. Het is een
persoon met eigen ziel en lichaam. Maar de ouden zien het kind als een
verlengstuk van de vader (zie bv. Joh 5,18c). Ging het voor hen dan niet te ver
om 'Het' alleen aan een mens (Jozef) toe te denken? 'Het' is immers van Boven. Het mysterie is niet een maagdelijke geboorte
maar incarnatie: De Schepper komt als schepsel Zijn schepping binnen! Ooit zo
iets gehoord?
Matteüs (ca 80) pakt direct het geloofsgegeven aan. GeloofsLicht voor
mensenzicht. Zijn geslachtslijst komt uit op
Jozef, aan wie duidelijk wordt gemaakt dat 'het' van Boven is. Hij denkt
typisch in de lijn van vader op zoon; "Jozef, zoon van David, wees niet bang…
" zegt de engel in zijn droom. De Wijzen werden ook gewaarschuwd in een
droom niet via Herodes terug te gaan.
Zo'n Joods droom'beeld' wil niet zeggen dat het niet waar is maar dat
het van Boven komt. Het is een denken waarin wat wij nu wetenschappelijk
(kunnen) noemen niet of nauwelijks aan de orde is.
Lucas (ca 85) zit in een andere lijn. Hij zal op de hoogte zijn geweest van
het Joodse verhaal maar hij vertelt van Maria en veel meer in een
geschiedenisverband dan Matteüs doet. Het verhaal van de Aankondiging (Lc
1,26vv) is vanuit hun verkondiging gezien schitterend qua scène: Maria is
gereserveerd voor Jozef, met wie ze gezien haar antwoord geen omgang heeft en
zo is er alleen maar plaats voor van Boven. Maar het antwoord van Maria vinden
we wel onlogisch: "Hoe zal dat zijn, omdat ik geen man beken?". Ze
zou trouwen met Jozef en dan redelijkerwijs in verwachting komen maar zegt dan
dat hetgeen de engel zegt niet kan omdat ze (nog) niet getrouwd is. De engel
zegt dat zij zwanger zal worden. Dan
zou Maria toch gauw tegen Jozef zeggen dat er iets groots te gebeuren staat met
hen. En … dat kan niet! Want wat de engel zei was zo groots en
bovenmenselijk, "Zoon van de Allerhoogste", dat een gewoon mens,
Jozef, dat niet in zich kan hebben. Zulke "machtige dingen" heeft hij
niet. Maria antwoordt ook duidelijk:"Hoe zal dát zijn", dat wat je nu
allemaal zegt, "omdat ik (zo'n) man niet (be)ken". Er staat
"(zo'n)" om contact te leggen met "dát" in het Grieks, dat
duidelijk verwijst naar wat de engel me daar eventjes zegt. Zo bezien is haar
antwoord logisch. Het antwoord van de engel daarop is ook weer op het eerste
niveau: De kracht van de Allerhoogste (zelf) zorgt ervoor; Jozef is 'aarde'.
Opm. Laten we ons ook niet door de verwijzing van de engel naar Elisabeth
op een verkeerd spoor zetten. Bij Elisabeth was het wonderlijke dat zij normaal
lichamelijk niet meer in verwachting kon komen. Maria kon dat wel. Het
wonderlijke bij haar was de inhoud van de vrucht van haar schoot.
Als je het verhaal van het bezoek van de engel aan Maria als historisch
waar beschouwt, kom je dan niet in de knoei met het verhaal van de wedervondst
van Jezus in de tempel, Lc 2, 41vv? Vs 48: " Toen ze
Hem daar zagen, waren ze zeer ontdaan. Zijn moeder zei: 'Kind, hoe kon je ons
dit aandoen? Wat waren je vader en ik ongerust toen we je kwijt waren.' Hij zei
tegen hen: 'Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik bij
mijn Vader moest zijn?' Maar zij
begrepen deze uitspraak niet." Als toch iemand dat moest kunnen begrijpen
waren dat Jozef en Maria. Ook als je de twee eerste hoofdstukken van Lc als
aparte brokken beschouwt, blijft die vraag welk verhaal dan wel echt is. Als
betekenisverhalen hoeven zij niet tegenstrijdig te zijn; dan drukken ze iets
uit van dat onzeglijke. Zie desgewenst ook "de taal'' van de bijbel; het gaat om historisch waar, echt gebeurd en om
waar-achtig, eerlijk bedoeld.
Mij lijkt dat Lucas Jezus gewoon menselijk beschouwt als zoon van Jozef
en Maria en de koppeling van hem aan dat onzeglijke met zijn versie van 'heilig
verhaal', het bezoek van de engel, heeft
uitgedrukt. Bovendien geeft hij zo aan dat het vanaf de conceptie van Jezus al
zo was, vanaf het begin: wezenlijk. Godmens.
Johannes (ca 100) vertelt geen verhaal. Hij geeft het geloofsgegeven direct:
"Ja, het Woord is vlees geworden" als maximum van wat bij de mens
mogelijk is: "kind van God te worden" en van "uit God geboren
zijn".
Na de vraag over het a-natuurlijke in 7.1 en
het ‘zij daarom toen’ in 7.2 en een ‘wij dan ?’ in 7.3
zoek ik het hogerop en trek ik een conclusie.
Wat dan wel? 7.3
Ik meen dus dat je het geloofsgegeven van incarnatie niet te kort hoeft te doen
als je aanneemt dat Jezus natuurlijk kind was van Jozef en Maria. Het
wonderlijke is er niet minder om. Het geloofsgegeven is openbaring; hóe je dat
gegeven aangeeft, verduidelijkt, is mensenwerk, cultuur- en kennisgebonden. Zij
deden dat met betekenisverhalen. 'openbaring' doelt erop dat geen mens op het
idee zou zijn gekomen (zie Tertullianus),
niet alleen dat Jezus God is
maar ook dat de mens, door God naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen,
zo'n mogelijkheid heeft om in contact te staan met God. Zo iets komt van Boven.
Net zo min als het kerstverhaal zijn die incarnatie-verhalen (incl. de proloog
van Joh) overbodig omdat ze meer behelzen dan een formulering. Via het verhaal
wordt de puurheid, openheid, -vind het goede woord maar- van de begroete en de
ontvangende gelovige blootgelegd, wordt aangegeven waar zo iets aanknoopt, nl.
daar waar de mens is zoals hij bedoeld is door zijn Schepper naar Zijn beeld en
gelijkenis, daar waar het goddelijk niveau is, het goddelijke vonkje ontbrandt.
'Vonkje' geldt voor de mens; voor Jezus geldt … 'vuur' is nog niet
genoeg, "want in hem heeft heel de volheid willen wonen", zegt Paulus
in Kol 1,19.
Kun je wel zeggen dat Christus wordt geboren, ontstaat? Tja, als je
'Christus' zegt, is dat de persoon, die toen menselijk geboren is.
"Woord" is van eeuwigheid geboren uit de Vader, bestond al voor de
conceptie.
Mij lijkt dat wij dat mysterie, dat verhevene, niet kunnen oppikken als
we niet voldoende mee hebben gekregen van, voldoende mee kunnen denken met de
ouden die in een belevingsruimte leefden waar hemel en aarde nog in principe
met elkaar zijn verbonden, met het denken in het religieuze. (Vaker hoor je de
term 'mythisch denken', maar dan lijkt het alsof het niet echt is.) Als je het
wel kunt, laat je het mysterie binnen. Dat zie ik in de 'maagd' Maria: ze was
daar, in haar 'kern', niet 'be-eindrückt', bestempeld, -zoek het goede woord
maar- door iets anders. Zij was vollédig open, vrij voor … Bij haar, in
die woning, was God thuis, kon God mens worden, tastbaar in de geschiedenis.
Daarom wil ik ook het woord "… uit de maagd Maria
…" van de oude Kerk niet missen. Het verwijst mij naar die pure kern,
paradijselijke puurheid, geestelijke gesteldheid. Dat is geen zoethoudertje.
Mij lijkt dat door haar de maagdelijkheid een christelijk ideaal werd - nieuw
vanuit Joodse traditie - en/of een reeds bestaande religieuze gedachte hard is
gemaakt, opgetild naar bovennatuurlijk niveau, om het kind van God zijn
speciaal in te vullen, in te laten vullen, om
… zegt u het zelf maar.
Moet Maria zelf "onbevlekt (ontvangen)" zijn als Jezus 'Het'
van de Vader heeft meegekregen, 'Het' ís? Een dwingend logisch verband zie ik
niet, maar wel de band moeder - kind. Met God in haar lichaam moet zij wel puur
puur zijn. Mij lijkt dat de Kracht van de allerhoogste daarmee meer te maken
heeft. Lopen in die band het biologisch en dat geestelijk Leven niet in elkaar
over? Zou het zo gek zijn als HijZ haar voor Zich had gereserveerd, haar na
Jakob (Deut. 32,9) voor Zich als nieuw erfdeel had genomen, voorzien. Dan moet
zij 'onbevlekt' zijn. Als Maria het toen zelf niet in de gaten had - het werd
wel de geloofsbelijdenis van de Kerk. Zij geloofde zoals Abram, die Abraham
werd.
Mijn bezwaar tegen biologische maagdelijkheid is echt dat de 'zaak' op
biologisch niveau eindigt, alleen van Maria is, en dat de menselijke natuur
niet wordt gehonoreerd. Het versluiert een geloofsgegeven, zet Jezus en Maria
onjuist apart. Dan kun je ook niet meer denken over, je verheugen in, genieten
van iets waar het logische verstand geen vat meer op heeft - hoeft te hebben,
zegt mijn vrouw. Van moeder-kind moet een man afblijven - ook een geheim dat
inleidt naar het geloofsgeheim.
En, als Maria zelf daartoe geen aanleiding had gegeven, was dat beeld van
haar en dat verhaal over haar niet ontstaan: "Ave Maria" met mijn
hoed in de hand. Zij werd/was hét 'middel' voor de verkondiging van de
incarnatie en haar bijbelse
maagdelijkheid staat nu nog voor wat de (jonge) Kerk in Maria (h)erkende: de
Geest werkt in de Kerk en in iedere gelovige. Boegbeeld.
Wat wij hard nodig hebben is wat Fortmann "seconde naïveté"
noemt. Eerst als kind een verhaal (mythe) gewoon accepteren, erin
meeleven; vervolgens in de verlichting het een onmogelijk verhaal vinden, dat
gewoon niet waar is; tenslotte postpuberaal door het verhaal (of de symbolen)
heen die andere werkelijkheid zien en beleven.
Conclusie: m.i. bieden die twee teksten onvoldoende grond aan wat wij nu
(biologisch) maagdelijke geboorte (kunnen) noemen. Niettemin, ik geef mij
mening voor een klaarblijkelijk(!) betere die Jezus helemaal als wij mens laat
zijn ("behalve in de zonde") en ook
onze menselijke mogelijkheid maximaal honoreert: hij - even geschapen als wij -
heeft door zijn inzet ons geschapen zijn vernieuwd. Mijn conclusie is dat de/onze menselijke
natuur even goed en even geschikt blijkt voor een aanknoping naar Boven als
die van Jezus. Wij zijn evengoed mens als hij; v.v. Wij kunnen worden wat hij
als vanaf zijn begin was: kind van God. Leert de
Kerk dat geheim niet?
Ik ben uit op de volle waarde en waarheid van het geloof; "en de
waarheid zal u vrij maken", zegt Joh 8,32. In de hemel zien we desnoods wel wie gelijk heeft. Dan krijgen we ook vast meer mee over het
verschil in die twee geslachtslijsten.
Ik wil een mogelijke blokkade opruimen opdat ruimte ontstaat voor een
geheim dat ook voor ons geldt en - zoals een deelneemster zei:- "Als je
dat in de gaten hebt, interesseert je die vraag niet meer."
Voor reflectie gebruikte de Christen in het Nieuwe Verbond ook
aanhalingen uit het 0.T., de tekst van Het Eerste Verbond, om haar te kunnen
'invullen' of andersom het
Eerste Verbond weer tegenwoordig, nieuw te maken, voort te zetten. Een
paar teksten:
a) Matteüs 1, 23 "Zie, de maagd
zal zwanger worden en een zoon baren…" Dit is een tekst van
Jes 7,14, die door de Griekse schrijver van Mt is overgenomen uit de Griekse
vertaling van het 0.T., de z.g. Septuagint (ca 250 v.C.). Maar de
oorspronkelijke tekst luidt in het hebreeuws: "Zie, de jonge vrouw is
zwanger en zij zal een zoon baren
...".
Opm: Mt 1 hanteert de situatie van Jes 7:
'de vrouw/Maria is (al) zwanger en zal …' maar Lucas, die vast geen
Hebreeuws kent,
baseert zich op die Griekse tekst: 'de maagd
zal zwanger worden en zal…'; dus plaatst hij zijn incarnatieverhaal vòòr
de conceptie.
Het verhaal is dat koning Achaz zich bevond in een hopeloze situatie
(vond hij) bij de belegering van Jeruzalem in 701. Jesaja moet van JHWH naar
hem toegaan en spreekt dan na enig geharrewar die woorden over de jonge vrouw
als teken van hoop. De vraag voor ons is dan wat/wie zij, die vrouw, voor moet
stellen. Een goede mogelijkheid is dat daarmee Gods volk wordt bedoeld, zo iets
als bij 'stedenmaagd' of 'Marianne' van Frankrijk of Vrouwe Fortuna.
Dat zou in het O.T. niet misstaan, want daarin wordt vaak gesproken van
de "dochter Sion", "jonkvrouw Israël". De
"Vrouwe" vlucht uit Jerusalem, zegt de Apocalyps toen de Christenen
wegvluchtten voor de oorlog van 66 - 70. De tweede brief van Johannes noemt de
gemeente waaraan de brief wordt gericht "de uitverkoren Vrouwe". Die
woorden van Jesaja zouden dus kunnen betekenen dat onder de 'Godsmensen' die
hoop op een goede afloop aanwezig was, desnoods nog verborgen. Dit is een
redelijke verklaring voor die situatie waarin Achaz verkeerde. Die vrouw is dus
niet zwanger van een man maar van Hoop, die van God-echt-met-ons. Geen wonder
dat de Septuagint "(jonge) vrouw" vertaalt met "maagd". Heeft
zij ook nog die Hoop opnieuw verwoord met "zal zwanger worden" i.p.v.
"is zwanger" omdat die Hoop vòòr de ballingschap niet in vervulling
was gegaan? (Aangenomen dat het -toen- grammaticaal mogelijk was).
De eerste Christenen kunnen daarin hun situatie herkend hebben en daarom
dat vers aanhaalden: de Joodse geloofsbeleving was dood door de letterlijke,
levenloze toepassing van de Wet(sregels), onvruchtbaar; Paulus zegt zo iets.
Maar nu is het heil onder hen gekomen, hun hoop op echt leven met God vervuld,
in de door de Geest ontvankelijk gemaakte gemeenschap waarin door Gods Adem
Zijn Woord, Zijn Expressie, tot leven komt, zich manifesteert.
Dat dit wordt geconcentreerd op Maria, dat zij symbool wordt, is niet zo
verwonderlijk: zij wordt het (voor)beeld van die gemeenschap. Het eerste
aanknopingspunt daartoe is dat Jezus haar zoon was. Maar, nogmaals, als zij
zelf daarvoor een barrière was geweest, geen aanleiding had gegeven, was dat
niet gebeurd: "Ave Maria".
b) Lucas zinspeelt in 1,37 ("… voor God is niets onmogelijk
…") op drie onvruchtbare vrouwen in het eerste Verbond: Sara, de
moeder van Simson en Elisabeth, die na
bezoek van een engel wonderlijk toch in verwachting komen. Ik zie daarin dat de
Christenen ervoeren dat door de incarnatie het eerste Verbond definitief
vruchtbaar wordt.
c) Het Magnificat in Lc
1,46 vv. Een schitterend danklied van een vrouw dat ook weer zijn voorganger
heeft: het danklied van de door kinderlosheid zich vernederd voelende Hanna in
1Samuël 2, 1-10. Zij werd moeder. Dus hier ook weer een invulling, vervulling
van O.T.-teksten voor reflectie, door de gemeenschap achteraf ingezien,
herkend.
|
Magnificat Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om God, mijn redder; want Hij heeft omgezien naar zijn dienares in haar
geringheid. Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig, want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan. Heilig is zijn naam, barmhartig is Hij, iedere generatie weer, voor wie Hem eerbiedigen. Hij heeft de kracht van zijn arm getoond, wie zich verheven waanden, heeft Hij uiteengeslagen. Machthebbers heeft Hij van hun troon gehaald, geringen gaf Hij een hoge plaats. Hongerigen overlaadde Hij met het beste, rijken heeft Hij met lege handen weggestuurd. Hij heeft het opgenomen voor Israël, zijn knecht, indachtig de barmhartigheid die Hij, zoals aan onze vaderen toegezegd, bewijzen wil aan Abraham en zijn
nageslacht, voor eeuwig.' |
Veel woorden zoek ik om uw naam te eren En niemand is er, die zijn bloed kan dragen Het Licht, waarin wij leven, werken , strijden, Welk woord zou u dan kunnen eren, Gabriël (!) Smit |
Het hoort er misschien niet zo bij maar ik kon het niet laten om het Maria-lof er naast te zetten. Zijn we eigenlijk al aan het bidden.
Kortom, die betreffende hoofdstukken-vooraf zijn een verhaal, een beschouwing van iets dat niet 'gewoon' te rapporteren is, de expressie van hun impressie binnen het geheel van hun beleving: hun ervaring van die doordringende, overrompelende vernieuwing van hun Verbond met JHWH via Jezus van Nazaret en na zijn verrijzenis in Hem. Achteraf hebben ze dat verwoord in verhalen. Die hoofdstukken passen in een totaal van verkondigings-verhalen-sfeer waar je niet natuurwetenschappelijke gegevens aan moet ontlenen. Beperk je je letterlijk tot die teksten, vat je die bedoeling niet. Er zit meer achter, dat nu nog geldt.
Jozef dan ? 7.5
Dat Jezus -menselijkerwijs gesproken- zijn zoon was, hoeft geen barrière
te zijn om hem een plaats te geven in de beschouwing. Als (volgens het verhaal)
eenmaal het onmogelijke met Maria is gebeurd, heeft ze overspel gepleegd in de
ogen van de Jood, Jozef, want ze was met hem verloofd. Dus 'mocht' ze volgens
de joodse wet worden gestenigd. Het bijzondere van Jozef wordt nu niet dat hij
van haar zal scheiden, maar dat hij dat in stilte wil doen.
M.a.w. hij stelt geen aanklacht tegen Maria want hij is een
'rechtvaardige' (tsaddiek). Dán komt - net als bij Maria - de engel (JHWH's
bode, JHWH zelf ?) hem zeggen dat het wel goed zit met zijn bruid. M.a.w. over
zijn hoofd heen wordt aan de 'rechtvaardige' Joden, die hun hoop op JHWH
stellen, die leven in "de verwachting van het Koninkrijk", hun hart
op Hem richten en niet met stenen gooien, door de Maria-kinderen, de eerste
Christenen-uit-de-Joden, verkondigd dat ze niet bang hoeven te zijn Maria (de
Kerk, die nieuwe beweging) als echtgenote te accepteren, want wat daar gebeurt
en is gebeurd komt van de Heilige. Maria is 'nieuw' vergeleken met de joodse
Jozef en dat past bij Lc beter dan bij Mt
Dit verhaal is voortzetting, vervulling van het O.T.-isch beeld van JHWH
en Zijn volk. Zo'n verkondiging klinkt nu nog door.
Waarom Jozef niet een even grote rol heeft gekregen als Maria? Misschien is hij
eerder gestorven en was de aanleiding niet zo groot; misschien heeft Lucas, een
ander type dan Matteüs, meer en later in een Maria'club' verkeerd dan
de andere evangelisten, gezien zijn intense Maria-verhalen. Hoe het zij, zijn
geloofsbelijdenis, vertrouwen, betrouwbaarheid, komt wel uit de verf.
De Heilige Geest 7.6
Betekent "ontvangen van de H.Geest" alleen dat de Geest lichamelijk
in Maria heeft gewerkt? M.i. hoeft het dus niet en, als het wel zo is, is dan
ook hier 'schepping uit het niets' aannemelijk, i.c. die van een zaadcel? Met
de vraag of Jezus dan wel 'gewoon' mens is. Maar om de "Kracht van de
Allerhoogste" buiten zo iets indringends als incarnatie te laten is ook al
zo wat. God is 'met heel Zijn hebben en houwen' daarmee bezig, daarbij
aanwezig. Conceptie en incarnatie is éen te voren bedoelde 'beweging'. Hoe dan?
De ouden (de jonge Kerk) vroegen zich niet af hoe incarnatie mogelijk was
maar vertelden hun heilig verhaal, waarin - volgens onze begrippen - een wonder
gebeurde, dus om de natuur heen - voor zover zij bekend is. Als we daaraan vasthouden, kunnen wij ons nu afvragen of het
ook niet mogelijk is zonder eicel en of dat dan nu niet als wonder moet worden verkondigd. Maar mij lijkt dat
voor ons zo'n wonder een noodsprong is, niet reëel.
(Nogmaals: ik vind het gênant om zo te
spreken over dat geloofsgegeven. Het is de moederschoot van Maria)
Mij lijkt dat wij door meer kennis het
juist makkelijker hebben dan de ouden als het over mens-zijn van Jezus gaat:
"tertium Quid", waarmee HijZ Zich vrij,
nieuw kan verenigen, waarin de godheid ongehinderd, onbeperkt 'in heel haar
volheid kan wonen'. Dan blijft er energie over voor het doordenken naar
incarnatie toe. De H.Geest heeft dan geen 'moeilijke' rol meer en het
Triniteitsgegeven krijgt - laat me zeggen - meer ruimte. De Allerhoogste heeft
bedoeld voorzien dat Zijn Kracht Maria zou overdekken en zo Zijn Zoon mens kon
worden in de vrucht van haar schoot vanaf de conceptie, natuur en bovennatuur,
'materie' en Zijn Geest, werden nu maximaal verbonden, verweven …. Zeg
het goede woord maar. Jezus is vanaf de conceptie God-mens, te voren zo
bedoeld, en dat is een ontzaglijk blijk van Gods meegaan met Zijn mensen, reeds
helemaal in het begin van Jezus, vooraan, wezenlijk. Dat meegaan van God krijgt
waarneembare gestalte in Jezus, de Christus, en het is geen zaak van de 2e
Persoon maar zowel van de Vader als de Zoon en de H.Geest, in Wiens Kracht
Jezus Christus handelt. De Geest is - laat me zeggen - het liefdesresultaat van
de Vader-Zoonrelatie en Hij drijft a.h.w. de Zoon de mensengeschiedenis in; die
Liefde wil naar buiten; zonder de Geest geen mens-God en zonder de Geest niet
die liefde en zonder de Zoon niet die liefdes-expressie en zonder de Vader geen
heil. Want de Zoon wil doen wat de Vader wil en is om wille van ons heil mens
geworden, op onze weg naar het Vaderhuis.
Heel vaak wordt in het N.T. de rol van
de Geest in Jezus, de Christus, vermeld. Hij staat a.h.w. bol van de Geest. Zo
hebben zij dat ervaren. Net als de ouden kunnen wij dus ook zeggen dat de
H.Geest al bij de conceptie van Jezus wezenlijk is. Wat de engel daar even
allemaal aan Maria vertelt, wat is bedoeld, - zonder de Geest kan dat niet in
een mens gebeuren. Daar is de Kracht van de Allerhoogste voor nodig. Dan kun je
zeggen: De Christus is ontvangen van de H.Geest. Typisch de lijn van Mt.
Dan gaat er een poortje open: de jonge
Kerk vertelde zijn 'incarnatie-uit-de-Geest'verhalen na de verrijzenis, dus
nadat zij via Jezus de Geest hebben leren kennen. Evenwel, zij vertellen niet
wat je dan zou verwachten, nl. dat Jezus uit zijn Vader is geboren, maar dat
hij "uit de H.Geest is" (Mt). Je kunt denken dat zij bij "de
Kracht van de Allerhoogste" - laat me zeggen - 'viriditas', groeikracht,
uitingsdrang, voor ogen hadden, je kunt ook denken dat zij binnen de Kerk de
Geest, die volgens latere formulering uit de Vader én de Zoon is, hebben leren
kennen als de uiting, het gevolg, van de volmaakte relatie Vader - Zoon, de
volmaakte eenheidsliefde tussen hen beiden. 'Kind van de H.Geest' duidt dan op
die liefdes'explosie'. Zo hebben zij Jezus ervaren. Kunnen wij ook in ónze zak
steken.
Omdat die Geest, die van begin er al
was, die "via profeten heeft gesproken" (zie de belofte aan Mozes
over de Messias), nu weer actief blijkt, ligt incarnatie binnen het heilsplan
van God, dus voorzien door Vader-Zoon-H.Geest, vanaf begin , via de door God
aangeraakte maagd Maria.
Dat alles bedenkend vind ik dat de
Kracht van de Allerhoogste ook voor Maria wel zo belangrijk was. Het kind in
haar is God, zij is 'theotokos', God dragend, God barend. Dan kun je best wel
een Steuntje gebruiken, om het te verwerken en het te volbrengen. Moeten we
eigenlijk wel over dat geheim praten en niet veel eerder met Maria er stil bij
zijn? Het is haar moederschoot. Of haar magnificat zingen. Want we weten dat
Godskind zijn ook voor ons is weggelegd. Mede dankzij haar.
Laat me proberen waarmee ik begon: met
"ontvangen van de H.Geest, geboren uit de maagd Maria" belijd ik de
Godmens, twee naturen in éen persoon, De Ongeschapene die in de pure, ongerepte
schepping deelt, te voren bedoeld vanuit de Liefde. Misschien probeert u ook?
"Ziehier mijn dienstknecht, die Ik ondersteun; mijn
uitverkorene, die Ik met genoegen gadesla. Ik heb mijn geest op hem gelegd, en
hij maakt het recht bekend aan de volken. Hij roept niet en schreeuwt niet, hij
laat zijn stem niet horen op straat. Het geknakte riet zal hij niet breken en
de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit. Werkelijk, hij zal recht
brengen." Jes 42, 1-3
Het antwoord dat Maria aan de engel gaf, verwijst naar deze tekst. Als
vrouw zei ze natuurlijk 'dienst-maagd', dienares; je zou het Griekse woord met
"huismeid", "dienstbode", kunnen vertalen, in ieder geval
niet met 'maagd'. Nu kun je die tekst beschouwen (doen !) en zeggen dat ze
betrekking heeft op Maria en Jezus, en ze vol bewondering laten liggen. Je kunt
haar ook opnemen en haar als het getuigenis van de eerste christengemeenschap
heel serieus nemen.
Als je ervan uitgaat dat Jezus gewoon de zoon van Jozef en Maria was (en
nog meer), dan is Jezus qua mens helemaal even echt mens als wij of - omgekeerd
- zijn wij even gewoon mens als hij. Voor zijn mens zijn is geen
a-natuurlijkheid nodig en ga je bedenken dat zó het 'des Godes' zijn in het
verlengde van de menselijke natuur ligt, dat zó de menselijke natuur (inclusief die van Jezus) wordt
gehonoreerd, zij zó open ligt voor ontvangst, de mens zó kan laten gebeuren wat
HijZ wil. Zo eert de Schepper onze menselijke natuur, ons mens zijn maximaal. Natuur en Bovennatuur zonder kustgreep aan
elkaar aangelegd na de instemming op het Aanbod: "Zie, de
dienstknecht/-maagd des Heren".
Dan ga je vermoeden dat zó het gegeven van incarnatie op een bepaalde
manier voor ieder mens opgaat, incarnatie steeds op een of andere manier
doorgaat! Incarnatie is ruimer dan we
denken. Boven staat dat God bij Maria thuis was (7.3), je kunt aan 'inwoning'
denken, de Een bij de ander. Zij was vanaf haar begin puur genoeg ('nederig'?)
om de Levendmaker te ontvangen: haar 'ziel/hart' stond al open voordat 'het' in
haar lichamelijk gebeurde. Een volgeling van Jezus kan binnen de Kerk (waar
Maria voor staat) open worden voor de Levendmaker. "Aan al wie hem evenwel
opnamen, gaf hij het vermogen kinderen van God te worden, aan hen die geloven
in zijn Naam, die niet (alleen) op natuurlijke wijze (noch uit natuurlijke
begeerte noch uit de opzet van een man), maar uit God zijn geboren" (Joh
1,12.13 een beetje vrij vertaald). "Van omhoog/opnieuw
geboren" zegt Jezus tegen Nicodemus. Dat geldt voor de hele Gemeenschap
van Jezuslingen en voor de individuele Christen persoonlijk. Dan zeg ik dat ik
in maagdelijke geboorte geloof en er mee bezig ben, nl. dat in mijn kern, mijn
puurste vorm, beginpunt van mystiek, Gods Expressie in mij, tot leven wordt
be-Ademd. Immers: "… Uw lichaam is een tempel van de H.Geest die in
u woont, die u van God ontvangen hebt". 1Kor 6,19. "Als iemand erkent
dat Jezus de zoon van God is, woont God in hem en woont hij in God" (1Joh
4,15). Inwoning. Herschepping.
Maria dus als boegbeeld voor de Kerk, iedere gelovige, Geestrijk God
dragend. Niet dat ik het niveau van Maria (en
zeker niet van haar zoon; vergeleken met Hem zijn wij 'aangenomen' kind)
bereik, maar ik probeer hen wel te volgen op goede grond. Het zit in de Kerk.
Dan leg je het niet in de linnenkast, maar steek je het in je zak, je draagt
het bij je. Het is wel een waagstuk. Nog
een.
Of zij vroeger algemeen
was weet ik niet maar ik denk dat een negatieve benadering van seksualiteit
geen positieve rol heeft gespeeld bij het verstaan van maagdelijke geboorte.
Dacht men niet dat geslachts-gemeenschap was een goede daad omdat God daarmee
in staat werd gesteld een nieuwe ziel te scheppen? Het lied "Inviolata,
integra et casta es, Maria" (Ongeschonden, gaaf en rein zijt gij, Maria)
vraagt wel een heel apart verstaanskader om niet anti-seksueel te worden
opgevat. Wij zeggen dat (uiteraard binnen liefde) geslachtsgemeenschap niet
schendt, niet kapot maakt en niet vuil maakt en al helemaal geen erfzonde
doorgeeft (!). Mede dat biedt perspectief voor het beeld van Maria als
inspiratrice voor iedere gelovige als dienares of dienaar: "Zie !"
Nu, tenslotte vraag je je
af of Lc - na Mt - met zijn aankondigingsverhaal en zijn menselijke stamboom
niet voorbereidt op wat Joh uitdrukkelijk noemt. Is er sprake van ontwikkeling?
Richting inwoningsbesef.
Het gaat inderdaad om een
leven in geloof, beleven van geloof, boven op het materiële, meetbare, direct
ervaarbare. Ons leven beweegt zich niet alleen in stoffelijke ook in het
geestelijke. Met het zetten van een stap in die richting zijn we nu bezig.
Boeken: "Jezus" David Plusser 3de druk de Haan
ca fl. 40,= Val niet van je geloof!
"Over Jezus gesproken" W.Veldhuis Gooi en Sticht
fl. 15,
"Jezus,
het verhaal van een levende" E. Schillebeeckx
Ter zijde: Discussie-inbreng
J.v.d.
Heijden stuurde me een kopie van een parochieblad (1994) waarin de maagdelijke
geboorte ook anders dan de gebruikelijke kerkleer werd uitgelegd. Daarop
hadden verontruste parochianen geklaagd; de schrijver kwam er op terug met o.a.
een bericht van kerkelijke zijde dat de maagdelijke geboorte zo moest worden
opgevat als de kerk dat leerde nl. biologisch.
Hij vraagt: "Mijn probleem ligt nu hier,
dat van de ene kant in Uw catechese er een voor mij heel acceptabele
interpretatie gegeven wordt, die aansluit bij het gevoelen van onze tijd, daar
kan je iets mee, terwijl van de andere kant het hoogste kerkelijk gezag lijnrecht
in tegenspraak hiermee impliciet mensen veroordeelt, die proberen eigentijds
het geloof te verwoorden. Ik weet niet meer wat ik hiermee aan moet. Hoe zie
jij dit ?"
Ik heb hem geantwoord, zijn verontrusting telt ook, en tevens het
bovenstaande "wat dan wel? 7.3" toegevoegd. Wie wil ook wat zeggen?
Let er op dat het geloofsgegeven van incarnatie punt één is. Hoe je dat vertelt
is punt twee.
Zie ook aanhangsel.
De teksten uit het N.T. die op maagdelijke geboorte
betrekking hebben in de Willibrord '95
Als er 'Matteüs' of 'Lucas' staat bedoel ik doorgaans de persoon en met
'Mt' en 'Lc' de geschreven tekst.
Mt 1,18 vv
De herkomst van Jezus Christus was deze. Zijn moeder Maria was verloofd met Jozef, en voordat ze bij elkaar gingen wonen, bleek zij zwanger te zijn van de heilige Geest. Jozef, haar man, was een rechtvaardige. Omdat hij haar niet in opspraak wilde brengen, kwam hij op de gedachte om in stilte van haar te scheiden. Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer, die zei: 'Jozef, zoon van David, wees niet bang uw vrouw Maria bij u te nemen, want wat bij haar tot leven is gewekt, is van de heilige Geest. Ze zal een zoon krijgen en u moet Hem de naam Jezus geven, want Hij is degene die zijn volk zal redden uit hun zonden.' Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat door de Heer bij monde van de profeet gezegd is:
Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren,
en ze zullen Hem de naam Immanuël geven,
wat betekent: God met ons.
Toen Jozef uit zijn slaap wakker werd, deed hij zoals de engel van de
Heer hem had opgedragen. Hij nam zijn vrouw bij zich, en hij had geen
gemeenschap met haar voordat zij een zoon baarde. Hij gaf Hem de naam Jezus.
Lc 1,26vv
In de zesde maand werd de
engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, met de naam Nazaret, naar een maagd die verloofd was met een man
genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria. De engel
trad bij haar binnen en zei: 'Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.' Zij
raakte geheel in verwarring door wat hij zei en vroeg zich af wat deze
begroeting te betekenen had. Maar de engel zei: 'Schrik niet, Maria, u hebt
genade gevonden bij God. U zult zwanger worden en een zoon baren, die u de naam
Jezus moet geven. Hij zal een groot man
zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de
troon van zijn vader David geven. Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van
Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.' 'Maar hoe moet dat dan?'
zei Maria tegen de engel. 'Ik heb geen omgang met een man.' De engel antwoordde
haar: 'Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u
overdekken. Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van God. Bovendien,
ook Elisabet, uw verwante, is op haar oude dag zwanger van een zoon; zij werd
onvruchtbaar genoemd, maar zij is al in haar zesde maand. Want voor God is
niets onmogelijk.' Toen zei Maria: ' Zie! Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij
gebeuren wat u gezegd hebt.' Toen ging de engel van haar weg.
Lc: 2, 41vv Wedervondst in de
tempel:
Elk jaar trokken zijn ouders voor het
paasfeest naar Jeruzalem. Toen Hij twaalf was geworden gingen ze weer, gewoontegetrouw.
Toen de feestdagen voorbij waren en ze naar huis terugkeerden, bleef het kind
Jezus in Jeruzalem achter, zonder dat zijn ouders het wisten. In de
veronderstelling dat Hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een
hele dag voordat ze Hem gingen zoeken bij familie en kennissen. Maar toen ze
Hem niet vonden, keerden ze naar Jeruzalem terug om Hem daar te zoeken. Pas na
drie dagen vonden ze Hem in de tempel; Hij zat er midden tussen de rabbi's,
luisterde naar hen en stelde hun vragen.
Allen die Hem hoorden, stonden versteld van zijn inzicht en zijn
antwoorden. Toen ze Hem daar zagen, waren ze zeer ontdaan. Zijn moeder zei:
'Kind, hoe kon je ons dit aandoen? Wat waren je vader en ik ongerust toen we je
kwijt waren.' Hij zei tegen hen: 'Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten
jullie niet dat ik bij mijn Vader moest zijn?' Maar zij begrepen deze uitspraak
niet. Hij ging met hen mee naar Nazaret, en schikte zich naar hen. Zijn moeder
bewaarde alles in haar hart. Jezus werd een wijs en volwassen man, die steeds
meer in de gunst kwam bij God en de mensen.
n.b. in het antwoord van Jezus valt het
accent daarop dat zij hem niet hadden hoeven te zoeken. Dat doet niets aan het
niet begrijpen van Jozef en Maria af.
Link naar het artikel
"… ex Maria virgine…"
1 De formule
"ontvangen van de H.Geest, geboren uit de maagd Maria" is in de 4e
eeuw vastgelegd tegen ketterijen die moeite hadden met het mens-zijn van Jezus.
"Geboren uit een vrouw" zei Paulus al (Gal 4), dus toch echt mens.
Verwonderlijk is dat niet als we ons bedenken dat - zoals boven gezegd (Joh
5,18c) - de Joden dachten dat de mens van de vader kwam. Maar als we kijken
naar de formulering in de Katechismus, rijst er ook een vraag. Art. 496 zegt:
"Jezus is ontvangen van de H.Geest zonder mannelijk zaad", een
uitspraak van het concilie van Lateranen in 649. Maar die concilietekst zet
Latijn en Grieks naast elkaar en in het Grieks staat "asporwV" (Denzinger 503,ed.36)="onbezaaid/ongezaaid",
een landbouwerterm, dus ‘geen inzaaiing’ zoals van een (complete) graankorrel in de aarde.
In die tekst staat niets van 'mannelijk'; het idee van mannelijk en vrouwelijk
'zaad' bestond toen nog niet. Als in dat artikel 496 nu toch
"mannelijk" wordt gehanteerd, is dat dan geen 'hineininterpretieren'
van het huidig mannelijk - vrouwelijk in de vroegere denkwijze, dat
'bevruchting' niet kent? Het is wel verleidelijk en met het kader van
maagdelijke geboorte als denkgereedschap wel begrijpelijk, - de Latijnse tekst
van het concilie geeft daartoe ook wel aanleiding door een zelfstandig
naamwoord te gebruiken i.p.v. het bijwoord te laten staan (absque semine
concepisse = zonder zaad [te hebben
ontvangen] i.p.v. asporwV [sullabouran] = onbezaaid
[ontvangen hebbend]) - maar is het redelijk en correct? Je voert nieuwe kennis
in een kader dat die kennis niet heeft, nieuwe, vreemde begrippen in een
bestaand kader. Dat mannelijk - vrouwelijk hebben de vaders niet verkondigd,
want voor hen bestond 'eicel' niet. Laat je een blinde van het landschap
genieten?
Als men zich op een wonder wil beroepen, moet nu ook de
mogelijkheid van een ontstaan zonder eicel meedoen omdat dan de natuur wordt
gepasseerd en de vaders zo dachten. Bij hen was immers de vrouwenschoot leeg.
Accepteren wij nu eicel-loosheid?
Dat Maria ook volgens Denz. 503 "Het Woord onbedorven
heeft voortgebracht" is nu geen punt meer omdat wij weten dat zelfs een
kind van 'slechte' ouders een goed mens kan zijn/worden. Haar menselijke natuur
hoeft Zijn goddelijke natuur niet in de weg te staan.
In de oudheid bestond ook een
'tweekiemen'idee inzake de voortplanting; het kind was van de man-kiem of de
vrouw-kiem; in ieder geval was er geen 'versmelting'. Aristoteles, ca 350 voor
C., wijst beide af; maar het
uiteindelijke vormgevend beginsel. de ziel, komt toch “van
buitenaf” in de man-kiem.
Galenus, ca. 150 na C., huldigt haar wel. Hij was wel medicus maar op filosofie
en astrologie gericht en dat idee werd niet door kennis, wetenschap bevestigd;
er was geen degelijke grond voor. Het is de vraag of de concilievaderen toen dat
twee-idee hanteerden gezien het woord "onbezaaid" (zonder een
onderscheidend "mannelijk") dat wél past bij de Joodse/bijbelse denkwereld.
En dan nog, moest Jezus dan niet een meisje zijn? Tenzij men ook hier de natuur
passeert m.b.v. een wonder.
Wellicht is dit een goede aanleiding om e.e.a. op
zijn pootjes te zetten?
2 Artikel
498 uit de Katechismus zegt: "Het stilzwijgen van het evangelie van Marcus en van de
brieven van het Nieuwe Testament over Jezus' maagdelijke ontvangenis, heeft
soms mensen in verlegenheid gebracht. Men heeft zich soms ook afgevraagd of het
hier geen legendes of theologische constructies zonder historische pretenties
betrof. Hierop dient het antwoord te zijn: het geloof in de maagdelijke
ontvangenis van Jezus is bij niet-gelovigen, joden en heidenen, op fel verzet,
spot of onbegrip gestuit1: het werd niet gemotiveerd door de heidense
mythologie of door de een of andere aanpassing aan de ideeën van de tijd."
Bij 1) wordt verwezen naar
Justinus en Origines, die 100 jaar na dato, in de tweede helft van de 2e
eeuw leefden, evenals Celsus (tegen wie Origines zich richt), toen de
evangelies allang waren opgeschreven: Marcus circa 65, Matteüs circa 80, Lucas
circa 85 en Johannes circa 100. Paulus schreef zijn brieven tussen 50 en 65. En
zou uitgerekend hij zijn mond houden? Ligt het voor de hand dat ketters zich in
de tweede helft van de 2e eeuw zich druk maakten over wat 100 jaar
en meer geleden was gebeurd? Huidig inzicht over het ontstaan van het Nieuwe
Testament strookt niet met die gedachten.
Als het om de gnosis gaat, er
zullen toen best ideeën hebben rondgewaard maar gnostische groepen ontstonden
(in het Jordaangebied) pas na het begin van de 2e eeuw. Basilides
doceerde in Alexandrië in 135. Irenaeüs repliceerde in circa 175 met zijn
"adversus haereses". Ook 100 jaar na dato.
Laat me netjes zeggen dat ik dit een vreemd antwoord vind.
Als er staat: "Het antwoord hierop dient te zijn…", word
ik argwanend. Het is niet redelijk en wie iets vermoedt over het ontstaan van
de evangelies zegt zo iets niet. Daarover ben ik in verlegenheid.
3
Er is nog een punt dat aandacht verdient. In de boven bedoelde tekst in
de Katechismus wordt gezegd dat "Jezus is ontvangen …." maar in de tekst van dat concilie wordt
gesproken van "Hij, God, Woord" dat is ontvangen en niet van
"Jezus". Natuurlijk is Jezus niet zonder Christus en v.v. maar
volgens mij staat in alle geloofsuitspraken daaromtrent in
"Denzinger", een handboek, "de Heer", "het
Woord", "Jezus Christus" of "Christus" e.d. en niet
alleen "Jezus". Het is toch wel belangrijk daar op te letten want we
hebben het over het geheimvolle, onzeglijke. Is alleen "Jezus" dan ook niet een interpretatie
die verder gaat dan wat de concilievaders toen zeiden? "Jezus" doet mij te gauw denken aan alleen de
menselijke natuur van Hem, ook al is er
maar éen persoon nl. de goddelijke Persoon. (Eigenlijk indrukwekkend dat we dat
kunnen zeggen.)
terug
naar overzicht
terug naar Jezus
verder naar verlossing
emailadres
6 Verrijzenis
6.1 Nietes - welles
6.2 De bedoeling
6.3 Hij is verrezen op de derde
dag volgens de Schriften
6.4 Verrijzenis: geloof én ervaring
6.5 Wat is leeg ?
6.6 Samenvatting
1 Nietes - welles
Jezus kan duizend keer geleefd hebben, als hij gewoon dood was gegaan en
dood gebleven, had hij zijn leer niet waar gemaakt nl. dat hij zou verrijzen,
zou leven na de dood. Dat is een wezenlijk punt van ons geloof zoals Paulus
zegt. Ook Petrus stelt dat er een nieuwe getuige van de verrijzenis (i.p.v.
Judas) moet komen (Hand 1, 22) en hij belijdt voor het sanhedrin het 'in Jezus
opstaan uit de doden'. Maar het haakt ook in op het verlangen dat ieder
mens kent betreffende eeuwig leven. Denk bijv. maar aan de Egyptische god
Osiris, de Kanaänitische god Baäl en de Griekse Persephone, allen
vegetatiegoden, die in de winter stierven (in de onderwereld waren) en in de
lente zich weer manifesteerden. Het is ook iets wat we vooral aanvoelen
bij een begrafenis/crematie; we willen niet voor altijd 'afschaffen'. En zeker
zo belangrijk: het betreft de zin van ons leven: stopt het of gaat het verder?
Dus is het belangrijk en wel zo belangrijk dat je wel eens het idee
krijgt dat Christenen ervan uit gaan dat de verrijzenis een wonder is dat aan
Jezus is voltrokken en dat dat een objectief gegeven is, zo in de geest van:
wat jammer dat ze toen nog geen foto's konden maken, dan was het veel
eenvoudiger geweest om het te bewijzen. Het is nu eenmaal iets dat gelovigen en
niet-gelovenden moeten geloven (bij gebrek aan foto's moeten aannemen op
gezag), want het graf was leeg en Jezus is verschenen. Het gaat om iets dat
feitelijk waarneembaar is (geweest) en waaraan je als gelovige een bepaalde
betekenis geeft. Zo is het; klaar.
Het is niet helemaal fair om dat zo te schrijven, maar ik doe het toch maar om
de nadruk te leggen op een enorme adder die hier onder het gras zit. Je bent er
niet mee klaar als je zegt dat 'verrijzenis' alleen maar betekent dat Jezus uit
het graf is opgestaan en verschenen is aan de leerlingen. 'Verrijzenis' moet
ook kloppen met je eigen geloofszicht, m.a.w. moet opgesloten liggen in jouw
eigen heilsrelatie met God. "… de wereld ziet mij niet meer terwijl
jullie mij wel zullen zien want evenals ik zelf zullen ook jullie leven"
(Joh 14,19). Spreken over, belijden van de verrijzenis kan alleen maar zinvol
gebeuren binnen het/ons geloof. Zonder dat weet je geen raad met het geestelijk
Leven, met het Rijk van de Geest, waar Jezus in leeft. Verrijzenis zie je
alleen als je erin gelooft; anders
geloof je hoogstens dat. Geloof is subjectief of liever
persoonlijk, geen puur objectief iets dat buiten ons om plaats vindt. Van de
wonderbare brood-vermenigvuldiging was tenminste nog iets te zien. Van de
verrijzenis was niets zonder meer te zien; in ieder geval kregen alleen
gelovige mensen verschijningen. En als het graf niet leeg was, was er dan ook
geen verrijzenis?
2 De bedoeling
De bedoeling van dit onderwerp is in de gaten te krijgen waar de clou
ligt, wat de inhoud van Verrijzenis is, de verrijzenis van Jezus en hoe de
leerlingen tot geloof in de Verrijzenis kwamen. Wat zich historisch gezien
eigenlijk en in welke volgorde heeft afgespeeld, weten we niet zeker. De
verhalen concentreren zich om de verbijstering bij het graf en de vreugde van
de verschijningen. Die lijken wel 'doorgeef'lijnen, twee verhalentradities. Dat
de dood van Jezus voor de apostelen ook een regelrechte ramp moet zijn geweest
en dat ze zich doodschaamden Jezus in de steek gelaten te hebben, staat nergens
met zoveel woorden vermeld. De verbijstering en de vreugde overheersen.
We moeten zien de inhoud van de verrijzenis uit het evangelie te lichten,
'zwart op wit' staat die er niet in. Ik wilde haar benaderen via de formule van
onze geloofsbelijdenis: "...en Hij is verrezen op de derde dag volgens de
schriften". Omdat we dat al zo vaak hebben opgedreund, lijkt dit een kaal
verhaal te worden; maar als de formule is behandeld, laten we het
evangelie-verhaal weer aan het woord.
3 Hij is
verrezen op de derde dag volgens de
Schriften
Verrezen
3.1
- In het O.T.
Het joodse geloof in leven na de dood was niet uniform in Jezus' dagen. Deze
vraag (vooral een heet hangijzer tussen Farizeeën en Sadduceeën) begon pas
1½ eeuw vóór Chr. gestalte te krijgen. Er bestond een idee van
lichamelijke verrijzenis voor 'rechtvaardigen', maar net zo goed van ten
hemelopneming van de ziel, van een of ander eeuwig leven (er
was in ieder geval sprake van een onplezierige onderwereld, de sjeool), van een algemene verrijzenis om -als levende-
geoordeeld te kunnen worden ("op de jongste dag") en tenslotte konden
sommige personen terugkeren op aarde om een speciale taak uit te voeren (Elia
b.v.).
Die algemene verrijzenis was een typisch thema van de Farizeeën. Ze hield
'lichamelijke' verrijzenis in, d.w.z. aan de persoon gebonden (lichaam, geest
en ziel; wat 'lichaam' dan ook moge zijn). Het is dus niet iets algemeens,
vaags, zoals het alleen maar voortbestaan in je kinderen of goede herinnering
van mensen of een energie in de kosmos. Je moest nl. zelf geoordeeld kunnen
worden en daarvoor moet je niet dood zijn en persoonlijk aanspreekbaar zijn.
Dit 'op de jongste dag' wijst dus in de richting van het einde der tijden, apocalyptisch.
- In N.T.
a) Die 'theorie' van de Farizeeën was ten tijde van Jezus voldoende bekend bij
de Joden, zodat de apostelen haar konden gebruiken om aan te geven wat er aan
de hand was. De met Pinksteren verzamelde menigte Joden begreep de term
'opstanding' want ze begonnen niet te lachen zoals de Atheners toen Paulus daar
dat woord gebruikte. Het verschil was nu dat die verrijzenis geen middel of
noodzaak was tot het 'oordeel', niet werd uitgesteld tot het einde der tijden,
maar 'nu reeds' het oordeel werd uitgesproken en wel als bevestiging van de
Vader over de mens Jezus. Het "Uw Rijk kome" van Jezus krijgt de
betekenis van: maak dat Rijk (ook) voor mij klaar (laat mij verrijzen), maar
dan niet straks, maar nu terwijl de geschiedenis nog voortgaat, eschatologisch. En dan is het God (de
Vader) die Jezus "uit de doden heeft opgewekt". Hij is "die ten
leven wekt", daarmee bezig is; een eretitel. Dit weer levend worden (het
heet nog niet "opstanding uit de doden") vindt men in de Joodse leer
in bijv. Deut 32,
b) Naast het begrip 'verrijzenis', lichamelijke opwekking uit de dood, wordt in
het evangelie en de brieven ook gebruikt 'verhoging' en
'in-kracht-stellen-bij-God'. Jezus zit aan Gods rechterhand, een ereplaats: hém
is alle macht gegeven en "daar spreekt hij voor ons ten beste".
"Daarom heeft God hem verhoogd en een naam gegeven .... ( brief aan de
Philippenzen 2, 6-11; met een stukje zeer oude Christushymne). Verhoging en
verrijzenis gaan beide over echt leven bij God.
c) Tenslotte is er nog een derde begrip: de (weder)komst, de parousie, die vlak
naast verrijzenis ligt. Jezus verkondigde dat Gods Rijk nabij is. De kern-vraag
voor de apostelen was: heeft Jezus zich vergist met die verkondiging of niet ?
Was zijn totter-dood-toe doorgaan nu fanatisme, blindheid, of zeker vertrouwen
? Als Jezus zich vergist had, was het koninkrijk niet gekomen, waren alle
gebeurtenissen heilloos, wanhoop. Als hij zich niet vergist had, was het Rijk
wél gekomen maar dan heel anders dan verwacht nl. in die Gekruisigde (maar bij
God Levende). Dus moest hij te zien zijn (als Verrezene). De overtuiging, het
inzicht, dat Jezus zich niet vergist had in zijn Abba-ervaring, en zijn
verrijzenis als be-aming van zijn inzet en verkondiging, brachten de eerste
Christenen er toe om het komende Godsrijk gelijk te stellen met de Verrezen
Gekruisigde: in Hèm is het Rijk gekomen/begonnen. Begrijpelijk dat ze hem weer
graag 'terug' wilden hebben. Dan waren ze er niet bijna maar helemaal.
Dat in Jezus (ondanks zijn nederlaag en kruisschande) het Rijk gekomen was is
de voornaamste geloofs-intuïtie die de eerste Christenen hebben geformuleerd
met hun verkondiging dat Jezus "uit de doden" is opgestaan, verrezen.
Op de derde dag 3.2 (zie ook
getallensymboliek)
De 'derde dag' was een typisch Joodse uitdrukking. Ze komt niet alleen in hun
'Schriften' maar ook in het N.T. voor. De derde dag was beslissend: ja of nee.
Saül vast drie dagen en dan is zijn bekering definitief. Op de derde dag komt
de crisis voor Abraham (bij zijn offer van Isaak) tot een beslissend
hoogtepunt. Men zoekt Jezus en vindt hem na drie dagen in de tempel. De derde
dag doet JHWH Zijn volk opstaan zegt de profeet Hosea. Deze laatste voorbeelden
accentueren ook het geluk na de ellende, een reddingsmotief. " ... maar
het is reeds de derde dag" zeggen de Emmaüsgangers, m.a.w. we zijn het zat
en gaan weg, gaan de zaak loslaten. Het definitieve en heilzame karakter van de
opwekking is dus een belangrijker element dan het aantal dagen. Jezus had ook
op maandag kunnen verrijzen, dan was dat 'de derde dag', kwam puntje bij
paaltje. "Dit is dé dag die de Heer..." (psalm 118,24)
Er komt nog een tweede element bij nl. vertrouwen. Jezus heeft over zichzelf
gezegd dat hij na drie dagen de tempel weer zou opbouwen. Hij wist dat hij zou
gaan lijden ("Breek deze tempel af ..."), maar zijn vertrouwen in
zijn Abba was zo groot dat hij daarmee uitsprak dat hij zelfs tot in de uiterste
nood kon gaan en zijn Vader hem, hoe dan ook, er door heen zou sleuren. (Dat
was pas een vader). Joh. 2, 19-22.
Volgens de Schriften 3.3 (1e brief aan de Kor 15, 3)
a) De gewone Jood kende de Schrift en de psalmen zoals die in zijn synagoge
werden uitgelegd en gezongen/gebeden. Daarvan had hij zijn Godsvertrouwen: een
goed mens kon niet door JHWH in de steek worden gelaten. Dat was zijn
spiritualiteit. Voor de leerlingen van Jezus zal dit -naar Jezus' voorbeeld- de
aanzet geworden zijn voor de verrijzenisgedachte.
Maar dat ging niet zo maar. Juist dit vertrouwen werd op de proef gesteld omdat
hij die weldoende rondging, een gerechte was, een gelovige Jood, wel even als
misdadiger en godslasteraar aan een kruis werd gehangen. Het zicht dat die
afgedankte de Messias is, die 'op zijn strijdros gezeten enz.' Israël zou
redden, het rijk van David zou herstellen, was een donderslag bij heldere
hemel, een complete ommekeer.
b) Een tweede aspect is dat de verrijzenis van Jezus 'gepland' was door God;
zij lag in Zijn heilsplan met Zijn volk opgesloten, want " ... wat de
profeten hebben gezegd. Moest de Messias (!) ….. niet zó zijn glorie
binnengaan ?" (Lc 24,26 en 44-46).

Kortom:
- is verrezen d.w.z. nu reeds, dus eschatologisch niet op het einde der tijden
- op de derde dag d.w.z. definitief en geluk brengend, bevrijdend
- volgens de Schriften d.w.z. terecht verhoopt en gepland heil,
dat alles zegt niets over Paasverschijningen en het graf, maar geeft duidelijk
het nieuwe handelen van God aan, dat tot op de dag van vandaag en altijd de
deur opende voor reële hoop. Dat is de geloofsbelijdenis.
4
Verrijzenis: geloof én ervaring
Evangelietekst 4.1
Nogmaals: hoe het historisch precies is gegaan weten we niet zeker. De
verhalen rond het graf zijn nogal verward; de evangelies komen in de
lijdensverhalen meer overeen. Misschien zijn het wel verslagen van persoonlijke
'gebeurtenissen'. Het is goed, zeer goed als u die alle doorleest en met
elkaar vergelijkt.
Ik persoonlijk vind dat Matteüs
het beste verhaal geeft. Het is afkomstig van vrouwen. Jezus is het eerst
verschenen aan Petrus zegt Paulus (hufter). Nee, hij verscheen het eerst aan
vrouwen (chronologisch). Het zou best eens kunnen zijn dat daar meer achter zit
dan mannen denken. Ik wou het verhaal van Matteüs op een bepaalde manier
duiden. Als iemand het beter kan, laat zij het zeggen. Ik probeer duidelijk te
maken wat wordt bedoeld met 'geloof én ervaring'.
verhaal duiding
Ze gaan naar het graf
toe ze staan
nog in (heils)relatie met hem
de
aardbeving
alles gaat onderste boven door de schokkende
de engel daalde uit de hemel gedachte,
inzicht, waar ze zelf niet op kwamen
komt
naderbij ze
beginnen het door te krijgen
rolt de zware steen
weg
een barrière wordt geslecht
gaat er zelfs op
zitten overwinning
als een
bliksemschicht onhoudbaar
doordringend
witter dan
wit helder
en zeker
m.a.w. binnen hun relatie met Jezus (geloof) merken ze, krijgen ze het
inzicht dat het Joodse geloof dat iemand die goed heeft geleefd, God kent, niet
door Hem in de steek wordt gelaten, ook/zeker/dubbel en dwars op Jezus van
toepassing is ondanks zijn nederlaag en verkettering. Dat heet geloofsgenade,
gave van het geloof, van God afkomstig. Dan verschijnt Jezus hun, direct,
verrezen. Dat is hun ervaring.
Als je naar Johannes 20 kijkt: Petrus gaat het eerst (na het
relaas van Maria Magdalena!) het graf binnen, durft de confrontatie met de dood
van Jezus aan. Dit moet voor hem heel moedig zijn geweest in hun situatie. Hij
ziet dan iets dat hem kennelijk overtuigt. Dáárna durft Johannes binnen te gaan,
krijgt 'het' door en gelooft d.w.z. hij plaatst, ontdekt 'het' binnen zijn
relatie met Jezus.
Van verschijningen geen woord tot Maria van Magdala. Het graf was voor haar
open (de steen was weg) en ze kijkt het graf in op zoek naar haar(!) Heer(!),
maar ze vond hém niet. Ze "keert zich om" (vers 14) en 'ziet'
Jezus niet. Dezelfde vraag, nu aan de tuinman. "Daarop zegt Jezus:
''Maria'" en zij "keert zich om ... " (vers 16). Je kunt die
twee keer omkeren verklaren door aan te nemen dat zij zich na de eerste keer
heeft afgewend (wat onwaarschijnlijk is, onbeleefd). Voor beide keren 'omkeren'
wordt hetzelfde Griekse woord gebruikt. Nu kun je ook aannemen dat de tweede
keer dat woord op een 'omwenteling' duidt die zij meemaakte, en toen pas 'zag'.
Dat Griekse woord betekent nl. ook 'bekeren'. Dus hetzelfde als bij Mt: eerst
geloofszicht en dan pas verrijzenis-ervaring.
Als persoon
4.2
De verrijzenisverhalen zijn zo sterk dat je er niet aan ontkomt dat Jezus
persoonlijk is verrezen. "We hebben met Hem gegeten en gedronken":
aan Jezus is de opstanding lichamelijk voltrokken. Het was geen hersenschim of
het product van een rouwproces. Jezus verweet immers de leerlingen hun ongeloof
(Mc 16, 10 - 14). Verrijzenis kan dus niet gelijk gesteld worden met een vernieuwingsimpuls
van de leerlingen. Wezenlijk was dat ze Hém herkenden. Dat was de verbinding
tussen 'eerst en nu' en de grond van hun verrijzenisgeloof. Hij was weer bij
hen en dat heeft twee inhouden:
- diezelfde van eerst was het
- ze gingen niet gewoon verder alsof er niets gebeurd was.
Wat betreft dit laatste: tot hun verwondering begon het nu pas goed te lopen
met het Rijk! Wellicht heeft de ten onrechte kruisdood van Jezus gefunctioneerd
als een stop-bord: dit kan niet! Dit gaat duidelijk te ver! Daardoor zou men
tot inkeer of ommekeer en een nieuwe start gekomen kunnen zijn. Maar het is ook
mogelijk dat -historisch gesproken- die goede gang hen op het spoor van
verrijzenis zette: als het zo goed gaat met het komen van het Rijk is dat aan
Hem te danken, moet hij bezig zijn, leven.
En wij dan?
4.3
Nu kun je ook de vraag plaatsen naar onze verrijzenis: als het Rijk van
God gekomen is, zijn we nu dan al verrezen ? Zolang wij de beperking van ons
lichaam ervaren kunnen we niet spreken van verrijzenis, zijn we nog(!) niet
verrezen. We wachten op zijn (weder)komst. ? Nee, we verwachten hoopvol. Ik
denk dat je het beste kunt stellen dat we nu in een spanningsveld zitten tussen
Jezus' verrijzenis, het Gods Rijk nu (dat bezig is), en onze verrijzenis, de
wederkomst. Het is de spanning tussen het 'reeds' en het 'nog niet', we zijn er
bijna maar nog niet helemaal.
De betekenis van Jezus' verrijzenis voor ons kun je ook aan die tweede inhoud
(Gods Rijk nu) koppelen: als Jezus niet was verrezen, zaten we in de catechese
maar wat te kletsen. Onze actuele verrijzenisformule die we van de eerste
Christenen overnemen is: "Waar er twee of meer in mijn Naam (kracht,
Geest) zijn verenigd (!), daar ben ik in hun midden". Zijn Naam brengt ons
bij elkaar en make ons vervolgens één. Zo kun je iedere bijeenkomst beginnen.
Maar ook voor ons geldt dat de overtuiging van Jezus' verrijzenis, verhoging,
in-kracht-stelling-bij-God of wederkomst niet gebaseerd is op (het getuigenis
van) een leeg graf of verschijning. Dat zijn wijzen om een geloofsgegeven aan
te reiken. Een leeg graf of een verschijning veronderstelt al het geloofszicht
van leven-bij-God. Dat is een levenshouding. Daarbinnen herkenden zij Hem en
(her)kennen wij Hem. Voor ons geldt hetzelfde als voor de leerlingen:
geloofszicht.
Op het eind
van "Geloof" schreef ik dat ik anders was gaan geloven doordat ik
incarnatie voorop stelde. Van hier uit gezien is verrijzenis een logische
consequentie: Jezus is God én mens, éen
persoon. Maar, als zijn leven toch op de dood uitloopt, kan God dan vast lopen?
Nee, wij zeggen dat de Vader hem uit de doden heeft opgewekt in hun beider
Geest. De Vader ontkent het lichaam van Zijn Zoon niet, Jezus' persoon niet,
Hij honoreert het met de verrijzenis van zijn lichaam. Dat is consequent. Hoe
dat kan weten we niet, het heeft met bovennatuur te maken maar de natuur
signaleert het: ze hebben met Hem gegeten en gedronken na zijn dood. Ik kan nu
via woorden van de geloofsbelijdenis spreken van Vader - Zoon - H.Geest en van
incarnatie, die pas veel later dan het feit van de verrijzenis zijn vastgelegd.
Hun ervaring en verkondiging en mijn geloofszicht waren er het eerst.
Het is - na incarnatie - mijn tweede geloofsschat, waarbij ik aan Paulus
denk: "Want als ... uw hart gelooft
dat God hem uit de doden heeft opgewekt …. Het geloof van uw hart brengt de
gerechtigheid …" Dan 'klopt' het dus.
De verrijzenis van Jezus is persoonlijk. 'Lichamelijk' geeft het
werkelijke aan; zo zien zij het. Maar daartoe had Jezus niet persé zijn -cru
gezegd- lijk nodig. Verrijzenis is niet het weer levend worden van een lijk. Je
kunt je dan nl. afvragen of Hij dan niet door de ramen had móeten springen of
de deur forceren, en vooral of de leerlingen en Maria niet meteen die 'stof',
'materie' hadden móeten herkennen. Ik stel me voor dat het Leven in, het zijn
in het Rijk van de Geest zich in die situaties ook zintuiglijk waarneembaar,
lichamelijk ervaarbaar manifesteerde. Dat is op zijn minst wonderlijk, niet
natuurlijk verklaarbaar voor zover we de natuur kennen, maar kennelijk wel
reëel gezien hun directe ervaring van eten en drinken met hem en wat Thomas mocht
voelen. Het Rijk van de Geest ligt buiten de natuur, liever: is
bovennatuurlijk, maar uit zich kennelijk (ook) binnen de natuur. Geloofsleven
ligt hier op aarde maar is ook bovennatuurlijk; het verzamelt immers schatten
in de hemel.
Als je vanuit de teksten ontkennen wil ontkennen dat daarin staat dat het graf
echt leeg was, kom je een heel eind. Zelfs kun je zeggen dat de engel uitdaagt
om naar het lijk te kijken. Dan zien ze alleen maar een lijk; dood; hij is het
niet (meer), een ervaring die we allemaal wel kennen. Een leeg graf is niet
wezenlijk voor het geloof in de verrijzenis. Wezenlijk is dat het graf open is,
de dood leeg, overwonnen. Door de manier waarop het heil wordt/werd voltrokken,
de gebeurtenis in de tijd, geeft God aan dat de dood niet definitief is. Hij
sleurt degenen die op Hem vertrouwen daar doorheen. De dood scheidt ons niet
van God. Door zijn verrijzenis laat Jezus dat aan hen/ons zien.
Als het heilsfeit er anders had uitgezien dus geen (kruis)dood maar bijv.
opname in de hemel zonder dood al of niet met stemgeluid en bliksem, was het
graf redelijkerwijs niet ter sprake gekomen. Maar ik moet er bij zeggen dat ik
me geen gebeurtenis kan voorstellen die meer de mens raakt in zijn mens-zijn
dan het handelen met de dood.
Het graf van Jezus kan een oriëntatiepunt geweest zijn, een bedevaartplaats;
misschien was het wel contróle: als hij het is, móet het graf wel leeg zijn.
Zo duidelijk was hun ervaring. Er staat ook nergens (behalve in de apocriefe
evangelies) be-/geschreven dat Jezus uit het graf opstond. Afbeeldingen
hiervan dateren pas uit de tiende eeuw. Een orthodox patriarch verwijt de
westerse kerk het idee van verrijzenis uit het graf ! Er is wel sprake
van opstanding uit de doden (niet: de dood!), van nederdaling ter helle, wat
niet hetzelfde is als onze 'hel' maar het zich bevinden in het dodenrijk
(m.a.w. hij was echt hartstikke dood) vanwaar hij de gestorvenen meevoert naar
boven; dat vind je vaak in de z.g. anastasisikonen. Die zijn authentieker dan
die welke een omhoog stijgen uit een geopend graf tonen.
1 Als 'leer' geformuleerd -nou ja, zo goed
mogelijk- kun je zeggen: het belijden dat Jezus is verrezen betekent
- God heeft Jezus en zijn verkondiging en eredienst bevestigd
- Jezus leeft; anders dan vòòr zijn dood, maar werkelijk; hij zelf, dezelfde
van vòòr zijn dood: persoonlijk en herkenbaar
- er is een nieuwe schepping: de dood is niet
negatief, boven op Jezus' menselijke natuur blijkt de Bovennatuur
- wij zijn in zijn Naam samen, hij is bij ons en we zijn samen en met hem
bezig in zijn Kracht (Geest)
en hierover kan de Christen alleen vanuit zijn geloofszicht, geloofservaring,
zijn heilsrelatie spreken.
De kern van het N.T. inzake de verrijzenis is dat de christelijke overtuiging
(je kunt het niet bewijzen) van Jezus' verrijzenis een geloofszekerheid is die
alleen van God komt. Wie dat accepteert staat op christelijke bodem.
Nieuwe Schepping is een thema
dat Paulus dierbaar is. Het houdt o.a. in dat zij door het Rijk Gods waar
gemaakt moet worden. Ik wou nu een specifiek element naar voren halen. In 2 Kor
5,17 schrijft hij: "Zo is dus iemand die in Christus is, een nieuwe
schepping". Ik redeneer dan: omdat wij net zo geschapen zijn als Jezus, blijkt
uit zijn verrijzenis dat wij als zijn volgeling ook deel kunnen hebben aan zijn
Bovennatuur, een kind van God zijn als hij (zij het 'aangenomen'). Via hem gekregen. Dan komt iets naar voren:
"… en dóór Wie (per quem: door middel van, via) alles geschapen
is." Nu wordt het stil … Wij (kunnen) worden omdat hij het al was.
2 Ik kan niet
nalaten om twee mensen van vlees en bloed als wij zijn te belichten zoals het
verhaal verkondigt. Het gaat om wat geschreven is over Maria en Thomas.
Maria moet een enorme relatie met Jezus hebben gehad. Hij had haar van zeven
(!) duivelen bevrijd. Wie kan er meer beminnen dan een vrouw ! En nu is hij er
niet meer, zelfs onderwerp van grote schande, als gelovige Jood vernietigd. Wie
kan er dan wanhopiger zijn ?
Thomas heeft ook gehoopt en als eenvoudige, praktische Jood laat hij zich geen
tweede keer belazeren.
Dan komt Jezus en hij noemt hen bij naam, want "hij kent de
zijnen", persoonlijk.
Litteratuur: Jezus, het verhaal van een levende blz. 424 - 445 en
528a-e. E. Schillebeeckx
Introïtus op Pasen (M.Vermaasdonk)
Ik ben verrezen en Ik blijf bij
u.
Minnaars
vergaan en vrouwen die beminnen,
en van de
bronzen luiten van de zinnen
springen
de snaren. Alles gaat voorbij.
Maar waar
gij staat, daar ga Ik aan uw zij,
Ik dring
door deur en venster bij u binnen,
Ik ben
verrezen en blijf bij u.
Steden in
puin met torens en met tinnen,
tempels
van Zeus, van Boeddha en van Mij,
Het rijk
van keizers en van Keizerinnen
en 't
liefste lichaam wikkelt men in linnen.
Ik ben
het leven en het panta rhei.
Ik ben
verrezen en Ik blijf u bij.
terug naar verrijzenis
verder naar H.Geest (blok
C)
7
Verlossing
7.1 Alles of niets
Wat hebben we aan verrijzenis?
7.2 Het probleem
(niet typisch religieus/godsdienstig: de individuele mens - de lijdende
mensheid - oplossingen)
7.3 Verlossing (wel typisch godsdienstig: eerst
verduidelijking dan de individuele mens - de lijdende mensheid)
7.4 De rol
van Jezus in de verlossing
door zijn voor-leven
En Jezus schreef in
het zand
1 Alles of niets
Het verrijzenisgeloof, d.w.z. het van God gekregen inzicht dat Hij een
mens die goed heeft geleefd niet in de steek laat (pas daarna komen het lege
graf en de verschijningen; tekens van verrijzenis) - het verrijzenisgeloof mag
dan een centraal punt zijn in Gods heilsbestek, als het geen uitwerking heeft
op en in ons, heeft het geen
handen en voeten. Die uitwerking heet 'verlossing' en is dus heel sterk
verbonden met dat centrale punt.
Een tweede aspect dat verlossing zo belangrijk maakt is dat het gaat om iets
heel persoonlijks. Alleen zélf kan iemand (desnoods samen met anderen) zeggen
dat hij/zij verlost is. De eigen grond, ervaring, overtuiging is de laatste
maatstaf daartoe; dat draag je in je eigenste zelf: authentiek. En als het dat
niet is, is het niks. Iemand die niet verlost is weet van niks; iemand die
verlost is heeft geen probleem. Het is dus een 'tricky' onderwerp.
We hebben zo vaak gehoord dat Jezus ons door zijn kostbaar bloed heeft verlost;
waarop de sarcastische opmerking volgt 'ik dacht laatst al "Wat voel je
toch?" omdat dat gezegde niet (meer) inzichtelijk is en hol is geworden.
Als verlossing wil spreken, is het goed dat we nadenken over een kernvraag:
"Als Christenen beweren verlost te zijn, waarom zien ze er dan zo
onverlost uit?" (Nietzsche) . Nog zo eentje is: waarvan zou u nou écht
verlost willen worden? Daarbij gaat het om dé wens, die een diepe zucht
oproept, een bevrijdende zucht. Misschien wel verlossing van doodsangst.
Bij verlossing hoort 'bekering', dat later aan de orde komt. Nu wilde ik het
benaderen via het schema 'individueel - gemeenschappelijk' en 'niet
godsdienstig - wel godsdienstig' gezien. Bij 'bekering' wordt de zaak wat
completer.
2 Het probleem (niet typisch
religieus/godsdienstig)
De individuele (psychisch) onverloste mens, 2.1
die achter of tegen barrières zit, alleen maar in zijn eigen smalle straatje
blijft, oogkleppen voor heeft
als een paard, die dwang-/ plichtmatig dingen móét doen, die zich zo
nódig waar moet maken, die persé gelijk moet krijgen (ook al heeft hij het al)
omdat anders zijn wereld in elkaar stort, die -desnoods destructief-
zelfbevestiging uitoefent, die niet strelen kan omdat hij nooit is gestreeld
geworden, die graag goed wil doen, maar steeds weer wordt gehinderd en botst,
de arme slemiel die zijn ene talent begraaft (liefst onder de St. Pieter), die
niet gelukkig is, niet heel, niet authentiek, die zich verschuilt achter een
ander, liefst achter 'Gods Wil', die zelf niets (bewust) heeft en dus achter
een ander aanloopt, die niets heeft van de 'koning der schepping', de 'defecte'
mens, die niet functioneert in de gemeenschap en … het niet in de gaten
heeft. Hoe gelooft hij? Ook als het niet zo erg is, we hebben allemaal ons
pakkie-an.
De lijdende mensheid 2.2
Als we om ons heen kijken, zien we on-geluk, gebrek, ziekte, lijden,
onmacht, nood, wanhoop over de zin van het leven. Soms is dat heel kortbij in
het verdriet tussen twee mensen, soms ver af via krantenverhalen of t.v. En dan
zien we dat de mens die het goed gaat, afstand gaat nemen omdat hij bang wordt.
En als hij eenmaal bang is, is hij een gevaar voor zijn omgeving omdat hij in
het wilde weg slaat, anderen onderdrukt, alles wil hebben desnoods ten koste
van anderen (egoïsme) om maar zeker te zijn. Als dit kortbij gebeurt is het
misschien nog te hanteren, maar binnen niet meer een systeem, (grote) groepen
mensen, anonimiteit. Met individuen is nog wel te praten maar in grote groepen
verliest men zijn zelf. En dan gaan we onze plaatselijke ruzies algemeen maken,
oorlog voeren (systeem), kanonnen afschieten en met bommen gooien (zie je niet
wat je doet). En de angst meent toe. De verlamming ook.
Oplossingen
2.3
De mens weet ook dat het 'goed' moet kunnen en zoekt een oplossing, al
lang, heel lang. Het Boeddhisme leert dat de mens zichzelf moet bevrijden door
zijn begeerten los te laten. Blijft er dan nog hoop over, streven naar?
Praktisch blijft het Boeddhisme van de mensheid af, het gaat er om heen, berust
er in als in een noodlot. De Griekse filosoof Plato leerde dat de 'wijze' moet
regeren omdat de 'gewone' daartoe niet in staat is. Hij geeft echter niet aan
wie bepaalt en op welke gronden of iemand terecht 'wijs' is. De Islam plaatst
misschien de hemel op een aarde die geen eigen scheppingswetten kent maar
helemaal en direct afhankelijk is van Allah's wil. Dat betekent vreugde maar
ook berusting t.o.v. alles, ook t.o.v. ellende, hetgeen wij fatalisme gaan
noemen. De wereld komt er in ieder geval niet verder mee. De humanist ziet de
mens als mens maar weet uiteindelijk geen raad met het 'goede', dat hoogstens
nuttig is; maar hij laat buiten beschouwing waartoe het nog meer dient,
wat de grond, de bron ervan is. De Marxist is ook duidelijk bewogen om de
menselijke ellende, ziet zeer goed dat de mens vervreemd is van zijn eigenlijke
aard, zijn natuur (door de
arbeidsverhoudingen e.d.), maar de visie dat er straks een heilsstaat
voor iedereen is, komt niet zo goed uit (uiteraard bij het Christendom
natuurlijk wel) ondanks dat een individu daarvoor als een pion geofferd kan
worden volgens Lenin. New Age weet helemaal geen raad met lijden, doet het te
gauw af.
Dit alles met een groot excuus aan de grote filosofen en de goede bedoelingen
voor de simpele vegen uit de ingewikkelde pan die hier even worden uitgedeeld.
Maar het is onmogelijk al die benaderingen hier voldoende te behandelen. Ze
geven evenwel aan dat de mens al lang bezig is met zijn situatie.
3 Verlossing
(wel typisch binnen het religieuze/godsdienstige)
Eerst even ter verduidelijking: 3.1
a misverstaan
Het is niet zo vreemd om het probleem (ook) religieus/godsdienstig te benaderen
omdat de mens nu eenmaal een religieus (mis)baksel is zoals bij het eerste
onderwerp beweerd. Zodoende komt er een 'dimensie' bij nl. het Volmaakte,
waartegenover de mens zijn tekort stelt. Op zich is dat gelukkig maar het
betekent dat we uitkomen bij 'zonde' en dan laten we het prompt afweten. Heel
begrijpelijk want we zijn op een onevenwichtige manier doodgegooid met het
begrip zonde, vooral -dacht ik- omdat er geen onderscheid werd gemaakt tussen
zonde en schuld. Zonde werd te gauw ook schuld, terwijl je er niets van
begreep. De mens was tot niets goeds in staat, alleen maar slecht (dat was wat
gemakkelijker voor de predikant) en hij was het ook nog zelf schuld. Vooral als
het ging over seksualiteit (want daar was de mens kwetsbaar). Waarom die schuld
er was en wat die dan wel inhield werd niet vatbaar gemaakt en dus was zij
onbehandelbaar. Onbehandelbare schuld doodt. Over schuldcomplexen en angst
hoeven we niet te praten; die zijn wel bekend.
Excuus voor de negatieve benadering van wat wel goed bedoeld zal zijn
maar onkritisch werd uitgevoerd. Geestdodend was het telkens weer opnieuw beginnen,
'terug naar af'; zo kwam je nooit verder, bleef je een onverlost mens. Het
telkens weer ter plekke de moed bijeen rapen en verder gaan is een
vruchtbaarder beeld: "Wij zijn immers het werk van Uw hand" (Jes.64);
het gaat toch om het verkondigen van de zonden-wegzending (Lc 24, 47).
"Die daar is het Lam Gods dat de zonde van de (hele) wereld op zich
neemt" schreef Johannes en bij het 'Onze Vader' bidden we:" ....
Vergeef ons onze schuld...". Er moet een onderscheid zijn tussen zonde en
schuld waardoor beide hanteerbaar worden.
b zonde
Paulus spreekt over de 'heidenen' als "zij die in zonde (enkelvoud)
leven", m.a.w. een toestand, een
fundamenteel 'zondige' situatie. Zij hebben nl. niet het geloof, de
heilsrelatie met hun Afkomst, de Volmaakte. Zij zijn beperkt omdat ze het
zintuiglijk waarneembare voor dé werkelijkheid aanzien (volgens het vlees; zie bij 5.7.2); ze zijn niet 'des Godes'; ze kunnen
niet eens zonden(daden) verantwoorden, want ze weten van niks; er is ook niks,
geen hemel en geen hel, niet eens een chaos, hoogstens een 'niets'. Denkt
Paulus bij 'zonde' aan 'aardsheid', on-Leven?
Ze hoeven geen slechte mensen te zijn, maar als ze zich 'goed' gedragen,
is het om geen gedonder te krijgen (nuttig) of om een of ander vaag 'idee',
niet vanuit een goede heilsrelatie. Dat is toch zonde van die mens, die bestemd
is voor het paradijs. Als hij daarvan nu eens verlost kon worden, verlost van
niksheid, uitzichtloosheid, doelloosheid of vaagheid. Ik hanteer dus een
verschil tussen zondetoestand en zondedaad.
Daarbij komt nog dat het kwade, de fouten die je maakt, gevolgen hebben voor je
kinderen, die ze weer in een of andere vorm doorgeven aan hun kinderen enz. Het
lijkt wel een erfenis van het kwaad, een doorgaande keten van onheil, een web
van machteloosheid en beperktheid. Wie zal die doorbreken ?
c schuld
Als ik geld leen van mijn goede buurman, moet ik hem dat overeenkomstig
afspraak teruggeven. Dan heb ik alleen maar schuld bij hem en kan het
uitstekend met hem vinden, v.v. Als ik echter aan mijn inlossing niet voldoe,
komt er gedonder omdat ik mijn afspraak, belofte, niet nakom, zijn vertrouwen
kapot maak. De bank vindt het best als ik te laat betaal of zo; dan kunnen ze
nog meer verdienen. Maar mijn buurman kan terecht boos op mij worden. Nu ben ik
hem een tweede element schuldig nl. eerherstel of zo iets en vergoeding van
eventuele schade. Als ik die schade vergoed en mijn achterstallige aflossing
betaal, is de zaak dan weer als vroeger ? Nee, daarvoor moet ík naar hem toe
gaan en vragen (!) om me die tweede schuld te vergeven, vragen of hij mij wil
ver-ontschuldigen. Bij zonde zoals onder b genoemd is nog geen sprake van
schuld, zolang je van niks weet. Dat moeten we nu in de gaten houden; er is een
verschil tussen zonde en schuld. Bij 'bekering' komen we daar nog op terug.
Wellicht klinkt het de generaties van - laat me zeggen -
na WO II vreemd in de oren, maar de generaties vòòr WO II zijn begiftigd met
het idee dat wij schuld zijn aan de zonde van Adam (en Eva) en dat de
dood een straf is voor de zonde, een en ander volgens Paulus. Het zal wel niet
zo vreemd lijken dat daardoor een gevoel werd veroorzaakt van machteloosheid,
onzekerheid, ongeloof: 'Ik ga dood, dus heb ik gezondigd' en 'in een ver
verleden werd Adam uit het paradijs verjaagd en dus moet ik zweten'. Het heeft ook angst veroorzaakt en verwrongen gewetens. Ik zou het niet
vreemd vinden als dit een van de voorname oorzaken van geloofsafval is
geworden. Het 'contact' met de realiteit ging verloren, geloof was 'anders'.
Om dit goed te benaderen zouden we de brief van Paulus aan de Romeinen
moet behandelen maar dat is nu niet mogelijk; daarvoor is een hele inleiding
nodig. Maar wie wil kan op de site "Over geloof" terecht. Niettemin
is er wel wat over te zeggen, gewoon met het blote verstand.
Nergens staat daarin dat Paulus heeft gezegd dat de dood een straf is
voor de zonde. Hij gebruikt "straf" ook niet, wel spreekt hij van
"de toorn" van God, Gods ongenoegen in het kwadraat. Straf komt later
wel bij het oordeel, wanneer dat ook maar plaats heeft. Vervolgens, Paulus
kende de bijbel goed en hij heeft het over Genesis hoofdstuk 3, de z.g.
zondeval. Maar daarin staat op het laatst dat God niet wilde dat de mens
"ook (nog) van de boom van het leven plukt. Door daarvan te eten zou hij
eeuwig blijven leven." M.a.w. ook in het paradijs zou de mens sterven, ook
als niet van de appel had gegeten. Paulus zal dus iets anders dan onze dood
hebben bedoeld, in een andere sfeer hebben gedacht. Ik zoek dat meer in een
mystieke sfeer, want je kunt hem terecht een mysticus noemen. Dat wil niet
zeggen dat hetgeen hij daar schrijft onzin is of ontoegankelijk, maar wel dat
het om een andere benadering vraagt dan ons gewone dagelijkse leven, gewone
geloofsleven. Exegetisch gezien ligt de benadering van wat Paulus schrijft niet
eenvoudig.
Die ene zin in de Romeinenbrief (hoofdstuk 5, vs 12) - Paulus breekt haar
af, misschien omdat de gedachtegang anders moest. Maar de vertaling - en dus
het begrijpen ervan - was tot voort kort fout met als gevolg dat wij opgezadeld
werden met de zonde van Adam, geneigd tot het kwade en nog meer. Mijn gezond
verstand zegt mij dat ik niet aansprakelijk ben voor een daad die een ander
heeft begaan ook nog vòòr mijn tijd en het wordt nog erger als we bedenken dat
het paradijs nooit heeft bestaan en Adam ook niet. Dat klinkt misschien hard;
het wil echt niet zeggen dat die bijbelverhalen onzin zijn - ik zou ze niet
willen missen - maar je moet ze wel kunnen hanteren. Zie de bijbelkoers. Als
men toentertijd idee van evolutie, de kennis en het inzicht van nu had gehad -
gelukkig maar want dan zouden nooit die bijbelse geloofsbelijdenisverhalen
zijn ontstaan. Ik denk wel dat Paulus dan anders had geformuleerd.
Als we het over verlossing hebben, gaat het niet om een mysterieuze
toestand of iets wat meer denkbaar is dan reëel maar over onze concrete
menselijke en persoonlijke situatie, benaderd vanuit ons geloof en van
toepassing op ons tijdelijk en eeuwig heil. Het tijdelijke heil bevat niet
alleen welzijn maar ook geloofsbeleving.
Voor de zekerheid: in onze zonde-situatie zijn wij iets ver'schuld'igd,
en wel iets t.o.v. onze Schepper. Het is niet alleen onze beperktheid t.o.v.
Zijn Volmaaktheid en ons verlangen; ook vind ik dat ik, gezien Zijn Liefde,
zorg enz. t.o.v. Zijn Schepsels, Zijn roep aan ons naar Hem toe, Hem antwoord
verschuldigd ben. In mijn verlangen wil ik Hem antwoord verschuldigd zijn en
geef dat "door Hem te dienen" zoals dat heet.
Ik vind het bovenstaande nodig voor een 'volwassen' verlossing, vooraan
te beginnen, bij beide benen op de grond.
Verlossing van de individuele mens 3.2
Ik ga er van uit dat verlossing uit zonde zoals in 1b bedoeld begint bij de
persoon. Maar dan moet hij/zij wel mens zijn, verlost van on-mens. De
onverloste, defecte mens moet eerst in zijn menselijke waardigheid geplaatst,
hersteld worden anders kan hij/zij geen keuze maken, is hij/zij niet vrij om
zelf volgens zijn/haar zelf (zie
4.8) te beslissen. Tegenwoordig noemen we dat vrij maken typisch het werk
van de psychotherapeut.
Deed Jezus dat ook niet met Legioen in eerste instantie (Lc 8,26 vv) ?
Dan pas kan de mens zich openen voor het hogere, Heil-van-Godswege en daarvoor
kiezen volgens zijn menselijke aard, als schepsel Gods voor het leven volgens
de geest (zie bij 5.7.2) en wordt zijn verlossing
uit zijn beperktheid, doelloosheid compleet. Dan kan de persoonlijkheid zich
ontwikkelen. Maar niemand kan God tot een wonder dwingen. Zowel het vrijmakende
werk van de psycholoog als het verlossende werk van de pastor ga je genade
noemen. Dat heb je zomaar gekregen, voor niets. Als je dat overkomt, over je
komt, zeg je niet dat je dat verdiend hebt, daar recht op hebt. Je krijgt het
omdat jij het bent, kostbaar in Zijn ogen; jij bent Zijn moeite waard. God komt
naar jou toe; Hij bemint het eerst. Hij legt die heilsrelatie aan (4.8)
en jij staat het graag toe.
Dan kun je verlost zijn van het kwade. Zit het
kwade in ons? Ik noem het in ieder geval niet een zelfstandige macht in mij als
bv. een duivel. Gregorius van Nyssa (ca. 375) stelde dat het kwade het
ontbreken van het goede is als het erop aankomt. Het kwaad ligt -lijkt mij- in
een 'dierlijk' primitieve beperktheid van de mens, die uit is op
zelfhandhaving, overlevingsdrang ten koste van de ander, gevoed door angst om
tekort te komen, in wantrouwen, e.d. De menselijke geest kan daarbij helpen,
het beste m.b.v. liefde maar liefde kan het kwade niet dwingen en het kwade
ziet niet van wat liefde wil en kan. "Het licht schijnt in de duisternis
en de duisternis kan het niet aan". Dat dilemma goed - kwaad, licht -
duisternis ligt er. Maar niet als noodlot.
Stel uw zelf, uw centrum, boven het kwade, laat de Zon daarin schijnen.
Dat is geen vlucht, u voert hetzelfde gevecht; maar als u uit durft te gaan van
een goed zelf, beheerst/bedamest u het gevecht. En, " ... vecht niet tegen
het kwade, maar overwin het door het goede", dan is straks uw verlossing
compleet.
Verlossing voor de lijdende mensheid 3.3 (godsdienstige benadering)
a voor alle volken
Ofschoon het Heil er voor alle volken is op de "Dag van JHWH",
springt in het O.T. de bevrijding van de Joden uit Egypte er uit (ca 1250 v.
C). Toen werd Juda Zijn heiligdom, werd Israël Zijn koninklijk domein (psalm
115). In zoverre dat het land van de onderdrukking was, werd de bevrijding
daaruit het ervaringsmodel voor verlossing uit de zonde-toestand. In Egypte
moesten de Joden slavenwerk doen en kregen zij nl. geen of nauwelijks
gelegenheid voor hogere zaken die het wezen van de mens raken. (Wij zouden dat
kunnen vergelijken met consumptie-maatschappij.) Later profeteerde Jeremia ( ca
580 v. C.) dat het restant van de Joden niet uit Juda naar Egypte moest
vluchten. Later is ook sprake van verlossing uit de ballingschap (ca 540 v. C.)
naar een nieuw (Messiaans) rijk. God heeft Zijn zoon juist úit Egypte geroepen
zegt Matteüs (steek in je zak). In het N.T. wijst Johannes op Jezus als het Lam
Gods dat de zonden van de héle wereld neemt. Maar wat hééft de wereld daaraan ?
b een aansluiting, theodicee
Het lijden is er, nog steeds. Ziekte, ongeluk, onrecht. Vooral bij onrecht
vraag je hoe is het mogelijk dat een almachtige én rechtvaardige God dat
toelaat. Klopt niet. Nee? Je kunt zeggen dat ziekte (en dood) bij de natuur
hoort, bij het leven, iedereen krijgt daarmee te maken; ook dat wij mensen niet
voldoende rekening houden met de natuur als het om natuurrampen gaat: hadden ze
maar geen of betere huizen moeten bouwen in dat aardbevingsgebied; hadden ze
maar voor een betere hygiënische situatie moeten zorgen; hadden ze maar niet zo
dicht bij die rivier of de zee moeten blijven wonen, enzovoort. Is God
wel almachtig? Kan HijZ (soms) de natuur passeren? Kun je Hem aansprakelijk
stellen voor het onrecht dat mensen elkaar aandoen? Dat zij hun vrije wil en
mogelijkheden misbruiken? Als de mens geen vrije wil heeft, is hij geen mens,
maar marionet.
Blijft tenslotte toch de vraag waarom dat Joodse kindje spelenderwijs
door een SS-er in zijn bajonet wordt opgevangen. Dat kindje en die dood-gesarde
en die doodzieke hebben niets aan theorie-antwoorden, ook al zijn ze waar; als
slachtoffer piep je anders. Het laatste antwoord komt van een Vader, die naar
Zijn zoon, Zijn enige, Zijn welbeminde verwijst, die ervan mee kan praten. Als
hij die dood niet vrijwillig op zich had genomen, zou God ons geen antwoord
kunnen geven. Hoe hebben Joden en al die anderen in Auswitsch gebeden? Hoe
heeft die ene Jood aan het schandhout gebeden? Hij heeft de schreeuw
geschreeuwd die nog steeds rondgaat. Ook die Vader heeft geantwoord: Hij heeft
toen niet ingegrepen: zou Hij niet hebben geleden, niet mee-lijden?
c persoonlijk
Het boek Job geeft een visie op het lijden in de richting van wijsheid,
loutering: "Alleen van horen zeggen kende ik U, maar nu heb ik U met eigen
ogen aanschouwd". Dan lijkt het lijden een soort arena waarin je jezelf en
God leert kennen. In ieder geval hoeft het lijden je niet van God te scheiden;
net zoals door Jezus' verrijzenis ook de dood niet negatief geduid hoeft te
worden. Dan worden het inzicht en de houding dat het verdragen van onrecht
opening maakt voor het Rijk verlossend, geven zij ruimte. Maar die invulling is
aan jezelf en die kun je er pas aan geven -dacht ik- als je inderdaad on-geluk,
pijn of onrecht hebt ondergaan of ondergaat.
d gemeenschap
Niettemin is het Lam Gods dat de zonden van de hele wereld op zich nam en dat
-je ontkomt er niet aan- vrijwillig en uit liefde voor ons die dood onderging -
dat Lam Gods is de doorbraak voor de wereld en daarop is de Christelijke visie
op het probleem (par. 2) gebaseerd: de mens is een sociaal wezen dat samen met
anderen bevrijding en verlossing hard kan maken in een gemeenschap van liefde,
verlossende liefde. Een N.T.-ische gemeenschap waar je niet bang hoeft te zijn
je gezicht te verliezen, waar men elkaar accepteert, liever waardeert, en dan
niet als therapie maar om diep-menselijke waarde, waar je met elkaar deelt
vreugde en verdriet, elkaar steunt, niet alleen laat, elkaar vergeeft, waar je
om vergeving durft te vragen, elkaar ver'ont-schuldigt' en zodoende vrij maakt,
waar je elkaar aankijkt, zelfs onrecht verdraagt en hoopt - ik bedoel de
gemeenschap van Jezus Christus. Als daarin bent opgenomen, krijgt je
Godskind-zijn handen en voeten, kun je elkaar inspireren volgens de geest van
Jezus, beoefen je het proces van verlossing, zit je boven het niveau van een
therapeutische of sociale visie, kun je -God geve het- je lijden plaatsen,
vergeving blijven aanreiken, wordt het kwaad-met-kwaad-vergelden doorbroken, is
er geen wan-hoop, integendeel.
4
De rol van Jezus in de verlossing
Zo heeft Jezus geleefd, 4.1
zo kwam hij op voor de goede zaak van zijn Vader. De donderslag bij heldere
hemel was het geloofszicht dat in die Gekruisigde, Vernederde, onze verlossing
(het Rijk Gods, ons Heil) begonnen was (zie ook Mt 28). Als
ik die figuur van 4.8
weer mag hanteren, dan kan ik Jezus' leven als de wand van die 'pijp' van de
heilsrelatie zien; daarmee wordt iets hard gemaakt, concreet; daarbinnen kan
iets gebeuren dat handen en voeten heeft; nu weten we wat we moeten dóen. Zelfs
meer dan dat, als dat binnen onze mogelijkheid ligt; denkt u maar aan die
jongeling, die zijn leven lang de geboden onderhield en aan Jezus vroeg of er
nog meer was. Maar dat lag niet binnen zijn bereik.
Móést Jezus nou om ons lijden en ook nog zo ? Ik dacht van niet. Wat in
de lijn van zijn leven lag was dat hij trouw bleef aan de goede zaak van zijn
Vader. Door externe factoren nl. zijn tegenstanders, hield dat lijden zelfs
kruisdood in. "Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot de dood, zelfs
de dood aan het kruis" schrijft Paulus; hij bleef trouw, bleef gehoor
geven tot-ter-dood toe. Zo toont hij met zijn levensinzet de juistheid,
gerechtigheid, van zijn boodschap aan: de Wil van de Vader is dat Het Rijk
komt, wordt gevestigd.
Had Jezus ons een grotere dienst kunnen bewijzen? Die kelk was eerder zijn wil
dan de Wil van de Vader, die hem een engel stuurt. Zo wordt nl. ook het lijden
van de mens in de verlossing betrokken. In die betekenis van complete
verlossing kun je spreken van 'Jezus móést lijden'. De eerste Christenen
fundeerden dit lijden als inbegrepen in Gods heilsplan door verwijzing naar de
(Messiaans heil aankondigende) profeet Jesaja. Diens hoofdstuk 53 gaat over de
man van smarten die onschuldig door zijn niet-verschuldigd, plaatsvervangend
lijden verzoening en levensvernieuwing bewerkt (over het offer-karakter later).
Daar achter proef ik de gedachte dat wij zo iets zelf niet gekund zouden
hebben, niet eens op het idee gekomen zouden zijn. Het is boven-menselijk.
Jezus werd als misdadiger aan een kruis terecht gesteld en door terechtstelling
als gelovige Jood ontkend, als Godslasteraar bestempeld; kruisdood was een
schande. Hij had beide niet verdiend.
Er is nog een derde aspect aan zijn lijden. Het ging natuurlijk niet zozeer om
een rationeel onderschrijven van zijn gerechtigheid, maar om zijn liefde voor
de mens, ieder mens individueel, zoals zijn leven op aarde een liefdesbeleving
was. In die liefde heeft hij zich uiteindelijk overgeleverd aan zijn beulen. Zo
kan hij ons inspireren tot liefde, behoeden voor on-liefde, ons individueel
uitnodigen tot een liefdesbeleving met hem en via hem tot zijn Abba. "Mijn
sterfelijk leven is een leven in het geloof in de Zoon van God die mij heeft
liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij" zegt Paulus in de
Galatenbrief (2, 20b).
'Jezus heeft door zijn kruisdood
ons verlost' 4.2
hebben we zo vaak gehoord dat we de lijn vergeten. Daarom een trapsgewijze
benadering:
- Jezus' leven was eredienst aan zijn Vader en dienst aan zijn medemens: hij
was een goed mens en bleef zijn Vaders zaak trouw. Daar stond hij voor en hij
kneep er niet tussenuit toen gevaar dreigde.
- Bij het laatste Avondmaal biedt hij zijn leven aan aan zijn Vader om ons. Dat
'om ons' geeft hij zelf aan. Daarover later meer. Hij weet wat hem te wachten
staat.
- De Vader neemt het aanbod van Jezus aan, bevestigt zijn levenswijze en
'verhoogt' hem (Fil. 2), plaatst hem aan Zijn rechter hand (ereplaats). Jezus
heeft het heil dat in de Tora ligt waar gemaakt.
- Jezus maakt zich kenbaar aan de leerlingen als zijnde verhoogd d.w.z.
verrijzenis; hij hield dus zijn verhoging niet voor zich, d.w.z.
- verlossing voor ons nu (als wij doen als hij), voortzetting van de
verrijzenis, het verrijzenismysterie via Geesteszending (volgend onderwerp) en
zijn ‘voor ons ten beste spreken gezeten aan de rechterhand van de
Vader'.
Dus: ondanks zijn diepste vernedering, ontkenning wordt Jezus door zijn
Vader verhoogd en hij meldt dat: "Resurrexi et adhuc tecum sum": Ik
ben verrezen en nog altijd bij jullie (intredezang van Paaszondag). Zelfs een
kruis wordt (door verrijzenis) teken van overwinning voor hem, een teken van
hoop voor ons: wij zijn 'verlost in hope'.
Nog meer: Tomas stelt een klaarblijkelijke voorwaarde: "Als ik mijn
vinger … mijn hand niet in zijn wonden kan leggen …".
Was hij zelf ook gewond? Jezus deelt in ieder geval zijn wonden aan hem mee:
een gewonde mag zich kennen in de wonden van de Gewonde. Delen. Ook
daarin; juist daarin? Nog steeds. Moge dat uiteindelijk definitieve troost
zijn. Is hij niet voor ons wat die engel van de Vader was voor hem?
Jezus: god én mens. 4.3
Dit krijgt nu door (kruis)dood en verrijzenis een absolute betekenis:
a) als Jezus niet helemaal, echt god was, was onze verlossing niet helemaal;
b) als Jezus niet helemaal, echt mens was, was onze verlossing niet echt.
Bij a) Alleen goddelijke inmenging staat
garant voor compleetheid omdat menselijk doen toch beperkt blijft;
alleen God kan b.v. tijd overbruggen en oneindig veel bewerken.
Bij b) 'Met stropers stropers vangen' - om zo iets gaat het. Jezus heeft
in zijn eigen vlees de zonde gevonnist, zegt Paulus. Zijn eigen vlees, zijn
lichaam, zijn persoon, is menselijke realiteit, als de onze. Hij is niet op
afstand gebleven; God heeft meegedaan met mensen. Zijn 'mens-zijn helemaal
zoals wij' is hét inhaakpunt voor verlossing.
Is er voor de mens méér mogelijk - kan God méér aanbieden ? "Want in
hem heeft heel de volheid willen wonen om door hem alles met zich te verzoenen
- na vrede gesticht te hebben door het bloed van zijn kruis -, alle wezens in
de hemel en op de aarde, typisch door hem." (Kol 1, 19v)
Zijn de mensen die vòòr Jezus hebben geleefd niet verlost ? 4.4
Gevoelsmatig zeggen we dat dat net zo onrechtvaardig zou zijn als de bewering
van achter de groene tafel (geen ouder zou dat bedacht hebben) dat doodgeboren
kindjes niet in de hemel komen. "Die nedergedaald is ter helle"
zeggen we in de geloofsbelijdenis; het betekent dat Jezus echt dood was en dat
hij in de sjeool was (zie 6.3.1). Daar heeft hij onze
zonde-boeien los gemaakt en de doden daar bij de hand genomen. Zie orthodoxe
anastasis-ikonen. (Ons 'hel' is dus iets anders dan de Joodse sjeool !) Zo zijn degenen die reeds overleden waren ook
bij de verlossing in begrepen. Ook de doodskop getekend aan de voet van het
kruis zou daarop wijzen.
Deze vraag is het gevolg van het gegeven dat wij in de tijd leven. Je zou
je ook kunnen afvragen waarom Jezus niet eerder was gekomen of waarom de Kerk
pas in de 16e eeuw met missionering is begonnen. Had Jezus dan
meteen bij de schepping of direct na de zondeval moeten komen? Dat lijkt me
niet reëel. Wezenlijk is wel dat alle mensen de kans krijgen om naar de hemel
te gaan - zoals dat heet.
Dat los 'maken van de boeien' (van de dood) verwijst naar het losmaken van
slavenboeien. Een slaaf kon gekocht worden, hij was handelswaar (bij de
Romeinen; bij de Joden lag dat menselijker). Maar hij kon na gekocht te zijn
ook vrijgelaten worden, al of niet onder voorwaarden. Hij kon ook zich zelf
vrij kopen. Soms bleef hij in dienst van zijn heer omdat dat bescherming bood.
Voor dat kopen werd geld betaald. De N.T.-uitdrukking is dat Jezus ons heeft
'vrijgekocht door zijn bloed', dat voor leven staat: zijn leven was het
losgeld, hij heeft het ingezet voor de goede zaak van zijn Vader om ons zo te
laten zien dat er een uitweg is en om op die weg met ons mee te gaan: Ik ben
nog steeds bij jullie. Bron van hoop. Bovendien verwijst 'bloed' naar het bloed
van offerdieren waarmee het Eerste Verbond werd bekrachtigd (Ex 24), zodat
door zijn bloed het Nieuwe Verbond wordt
bekrachtigd, voortdurend via de Eucharistieviering.
litteratuur: De Nieuwe
Katechismus 1966
H. Fortmann Heel de mens Ambo '72 (zal wel uitverkocht zijn.)
© 2000-2007 P. Goris Epe
terug naar het begin
verder naar H.Geest
(blok C)
In het onderstaande 'geestelijk gedicht' vind ik verlossing via
vergeving,
|
Jezus schreef met zijn vinger in het zand. De
schriftgeleerden, die hem aan de tand |
Zondig niet meer, zei hij, ik oordeel niet. Ga heen en luister, luister naar het lied. En hij stond recht. De woorden lieten los waarmee zij heenging, als een kind zo licht. Gerrit Achterberg |