Volwassenencatechese op internet
blok C
terug
naar overzicht
terug
naar geloof (blok A)
terug naar
verlossing (blok B)
8 De Heilige Geest
8.1
Eigenlijk
8.2 Verkenning vooral in O.T.
8.3 Uitbreiding in het N.T.
8.4 Doopsel-Eucharistie-Vormsel
8.5 Wat is de Geest?
8.6 Eén-makende liefde
1 Eigenlijk
zou het heel gemakkelijk moeten zijn om over de Geest
te praten en te schrijven; de letters zouden vanzelf uit de machine moeten
rollen. Toch is het lastig omdat ik niet goed weet waar te beginnen: de Geest
is overal. Een vis zou pas op de kar van de visboer in de gaten krijgen wat
water is en wij doen een soortgelijke ontdekking pas als het een dooie boel is
geworden. Maar zo is het leven niet: het barst van de
Geest en net zo min als het leven is de Geest in een straatje te vangen. Maar
goed, we wagen een verkenning.
2 Verkenning
1 Bij het begin van de schepping zweefde de Geest van God boven de
wateren of
,, ,,
,, ,,
,, ,,
joeg een hevige wind de wateren op.
Bij het begin van goddelijk leven in Maria: zwanger van de H.Geest.
Bij het begin van de Kerk (Pinksteren): 'bevuurd'
door de H. Geest.
2 De profetie van Ezechiël (37) over de dorre beenderen: in de
eerste profetie worden de knoken weer complete lijken en in de tweede profetie
weer levende mensen. "Ik schenk u Mijn geest zodat ge
weer leeft." (zie Bijbelkoers 7.4.5)
3 De 'Richteren' (boek Rechters: o.a. Otniël 3, 10; Deborrah 4 + 5;
Gideon 3, 34; Jephta 11, 29; Simsom
13 - 15) waren charismatische leiders die de Joden in een of andere
noodsituatie aanvoerden. Doorgaans betreft dat
onderdrukking door Filistijnse/Kanaänitische
steden, zetbazen van Egypte .'' .... toen voer de Geest van JHWH in hem....."
De profeten hadden ook last van die geest, want ze konden hun mond niet houden,
ook al leden ze er aan. Jeremia is daarvan hét voorbeeld. Door die geest
spraken ze waar; ze waren geen valse profeten, hetgeen
ook -later (!)- bleek.
In Jesaja 42 staat over de dienaar: " ... Ik heb
Mijn Geest op hem gelegd en hij maakt (al) de volkeren het recht (!) openbaar. Hij roept niet en schreeuwt niet en laat zijn stem op straat niet
horen. Het gekwetste riet zal hij niet breken en de kwijnende vlaspit
blaast hij niet uit. ..." D.w.z. die dienaar schopt de arme schlemiel niet verder in de hoek (hoewel hij maar een
schlemiel is), maar haalt hem juist uit het stof; hij richt hem op.
5 Verscheidene personen spreken op belangrijke momenten een
lofzang:
- Zacharias in de tempel: "....Geprezen zij de
Heer, de God van Israël ..." Lc 1,67
- Elisabeth: " ... gezegend zijt gij onder de
vrouwen ..." Lc 1,41
- Simon in de tempel: "... Nu laat
U uw dienaar gaan, Heer, (inderdaad) volgens Uw woord in vrede …"
Lc 2, 25
en zij spraken "gedreven' of "vervuld van de
H.Geest".
6 Jezus openbaar optreden begint bij de doop in de Jordaan.
De (H.) Geest daalt neer in de gedaante van een duif en Jezus
wordt bevestigd vanuit de hemel: "Gij zijt Mijn zoon, Mijn welbeminde; in
u heb Ik Mijn welgevallen gesteld" (zie boven nr. 4: Mijn Geest op
hem gelegd".)
Gedreven door de Geest ging Jezus de woestijn in om er gedurende 40 dagen
'gevormd' te worden. Dat was geen vakantie: als Jezus geen 'brood- en spelen'verschaffer wilde zijn, als hij geen religieus
fenomeen wil zijn die van de tempeltinnen af springt, als hij politieke macht
en invloed afwijst, is er dan nog een andere weg om de wil van zijn Vader te
volbrengen dan die via Golgotha ? Die Geest dreef
niettemin; hij was "gezalfd met de Heilige Geest en met kracht" zegt
Petrus. Meer kan niet.
Dit zijn natuurlijk maar een paar
verkenningspunten. Als je aandacht er eenmaal op is gevestigd, zie je overal de
Geest. Terecht. Als ik denk aan de geest van de schepping, zie ik hem in het
groen worden van een blaadje aan een boom of in de natuurkundige en chemische
processen in mijn lichaam. Uit deze voorbeelden kun je aanduidingen afleiden
als: het goddelijk levensbeginsel, de levenskracht, de Levendmaker,
de grote inspirator, de Heiligmaker, de heelmaker.
M.u.v. het laatste voorbeeld liggen ze vooral in het O.T. Daar heet het meestal
de "róeach Adonai",
de levensadem van JHWH. "Róeach" kan ook
'storm' betekenen: " ... Als Hij afwast in een
storm van oordeel en een storm van vuur ..." (Jes
44). Het zijn vaak associaties met gewone verschijnselen. Het N.T. bouwt het
O.T.-beeld uit en het spreekt van de Heilige Geest.
Om aan te voelen wat Geest is, kun je beginnen met
'in de geest van …'. Je handelt in de geest van je ouders als je doet wat
zij gedaan (zouden ) hebben en/of waarom zij zo deden. Zo iets kan gelden voor
alles wat we hebben geleerd op school enz. Maar dan gaat het vooral om
herinnering, een gedachte die aanzet tot vervolg van wat eerder was. De
voorbeelden spreken echter van een actief 'iets' -dus een persoon zeggen wij,
een zelfstandig wezen- die ons iets laat doen of denken. Als je dat combineert
met herinnering, gedachte, dan ontstaat een beeld van 'iets' dat altijd in
mensen bezig is. Is dat zo gek als die mens is geschapen naar Zijn Beeld en
Gelijkenis?
Water 3.1
In het N.T. wordt een verband geïnsinueerd tussen Geest en water. Het begint al
bij de doop in de Jordaan. Het dopen heeft niet primair met afwassen te maken,
ofschoon water daartoe wel geëigend is en reinigingsrituelen met water toen
hebben bestaan. Bij het dopen gaat het om stromend, levend water. Brak,
stilstaand oppervlakte water was niet goed. Men werd ondergedompeld in de
snelstromende Jordaan om de oude mens daarin achter te laten en de
vernieuwende, bewegende kracht van de stroming in zich op te nemen en als
nieuwe, frisse, ontvankelijke, mens omhoog te komen. Het beeld van water als
levensbron, nieuw leven is zeer oud. Denk maar aan de Nijl voor Egypte. Ieder
jaar stroomde zij over en als zij zich terugtrok was het
oude, dode leven weg en kwam er nieuw leven op.
(Vernietigend water is er niet: de Egyptenaren werden door de vloed van (Riet)zeewater overspoeld; ook bij de zondvloed was het de vloed. Je kunt ook bedolven worden onder een berg graankorrels.)
De
doop van Johannes was de doop van de zonde-vergeving, bekering, levensvernieuwing. Kort vóór
zijn afscheid (Hand 1,5) zegt Jezus: "Johannes doopte met (in!) water, gij zult gedoopt worden in de Heilige Geest". (let op: 'in de geest van'!) Dit
laatste is dus kennelijk meer dan wat Johannes deed. Ook hier is weer sprake
van 'doorstroomd', 'doorzinderd' worden, niet van afwassen.
Tegen Nicodemus zegt Jezus (Joh 3, 5): "Alleen wie geboren wordt uit water
en Geest, kan het koninkrijk van God binnen gaan". Ik zie dat als 'door
water ontvankelijk gemaakt, door de Geest van boven (opnieuw) geboren worden';
water maakt vrij, de Geest geeft goddelijk leven.
In Joh. 7,38 v staat: " ... Stromen van levend
(!)) water zullen uit zijn binnenste vloeien. Hiermee doelde hij op de Geest ..." Dit is een verwijzing naar, invulling van de
tempelstroom van Ezechiël 47.
Helper 3.2
De synoptici (Matteüs, Marcus en Lucas) stellen de Geest voor als verdediger
van de leerlingen wanneer zij voor het gerecht (van de Joden) verschijnen: Hij
zal hun dan ingeven wat ze moeten zeggen. Beelden uit de rechtspraak komen in
het O.T. vaak voor.
Johannes stelt Hem meer als verdediger (Parakleet) van Christus: Hij overtuigt
(niet: bewijst!) de 'wereld' op drie punten en heet dan 'Geest der Waarheid' :
- de zonde; wie niet in Jezus' heil gelooft heeft niks, zit er naast (zie bij zonde, 11e
onderwerp)
- de rechtvaardiging; Jezus had het bij het juiste
eind want hij is verhoogd
- het oordeel; tegen de 'vorst der wereld' is daarmee het juiste oordeel
uitgesproken.
Vrijmaker 3.3
Paulus schrijft in de brief aan de Galaten (5, 22v)over de werken van de Geest:
"Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld,
vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid. Tegen zulke dingen
kan een wet niet op". De dodende letter van de wet; geest gaat juist boven
wet uit en de Geest boven de (Joodse) Wet. Jezus
ageerde juist tegen het formalisme waarmee schriftgeleerden en Farizeeërs de
Tora hanteerden.
Van mij had Paulus er nog harmonie, heelheid,
optimisme, plezier bij mogen zetten. Dat zijn allemaal eigenschappen die ons
intuïtief gevoelig, vrij ontvankelijk maken voor Goddelijke Inspiratie.
"Zij die geleid worden door de Geest zijn Zijn
kinderen (die 'Abba' zeggen) en ... Zijn erfgenamen
samen met de Zoon" (Rom. 8).
Vader-Zoon-Heilige Geest 3.4
Als je in het N.T. leest, is het alsof Jezus de 'Róeach
Adonai' duidelijker maakt, een gezicht geeft. Hij
gaat over Hem spreken als een persoon. In hun verhouding is iets bijzonders:
- Joh. 7,39 " .... Hiermee doelde hij op de Geest
die zij die in hem geloofden zouden ontvangen, want de Geest was er nog niet
omdat Jezus nog niet verheerlijkt (verhoogd) was".
- Joh. 16,7: " .... want als ik niet heen ga, zal
de Helper niet tot u komen. Nu ik wel ga, zal ik Hem tot u zenden."
- Joh. 19, 30 kun je heel goed vertalen: "Daarop boog hij
het hoofd en gaf de Geest door". De synoptici zeggen alleen
maar " ... blies hij de adem uit".
- Paulus in Rom. 8 :"En als de Geest van Hem die Jezus van de doden heeft opgewekt …"
Je gaat dan zo iets vermoeden dat pas wanneer de Zoon en de Vader weer
'normaal' naar elkaar zijn toegewend, elkaar aanzien, dat dan pas de Geest iets
kan. Dan is Hij er weer tussen Hen, volmaakt tussen twee elkaar
volmaakt kennenden, volmaakte wezensgelijken. Dan
raken we het geheim van de Drievuldigheid, dat we niet kunnen verklaren maar
waarvan we wel de betekenis voor ons kunnen noemen (zie 4.2):
de Vader, Schepper die ons lief heeft, de Zoon die ons het gezicht van de Vader
heeft laten zien en die ons heeft voorgedaan hoe we Hem kunnen bereiken, de
Heilige Geest die bij ons op aarde is, nu Jezus weer terug is bij de Vader, en
die het ons fijn laat vinden om Godskind te zijn.
En toch zijn zij één: Jezus zegt tegen Philippus in
Joh. 14: "Die mij ziet, ziet de Vader" en in Joh. 16 staat: "...
Hij (de Geest) zal aan u verkondigen wat Hij van mij ontvangen heeft, omdat al
wat de Vader heeft, het mijne is". Die twee
hoofdstukken bieden stof genoeg om over na te denken.
"Die uit de Vader en de Zoon voortkomt en (te)gelijk(elijk) wordt aanbeden en verheerlijkt" zegt het Credo,
waarin de Zoon is "voor alle tijden voortgekomen uit de Vader". Dit
is meer een 'universele' benadering, anders dan de bijbetaal en anders dan de -
laat me zeggen - privé-benadering vanuit de mens gedacht die in par. 5 staat.
Geesteszending 3.5
Uit het bovenstaande volgt ook dat verrijzenis Geesteszending inhoudt. Kerk is
daarvan de uitingsvorm. Het heilswerk, de verlossing, wordt op die manier in
die Kerk voortgezet. 'Tradition is the witness of the Spirit,' zegt de Orthodoxe kerk.
Het onderscheid dat Lucas aanhoudt
tussen verrijzenis, Hemelvaart en Pinksteren zal instructief bedoeld zijn, op
een proces duiden. Pasen en Pinksteren zijn in ieder geval één samenhang, één
heilsinhoud met verschillende facetten.
Stuwer (= drijvende kracht v.h. O.T.) 3.6
Uit Pasen en Pinksteren komt ook de idee naar voren dat Jezus de Middelaar is
voor ons naar de Vader toe en de H.Geest de stuwende kracht. Hij drijft niet
alleen op aarde voort nl. Jezus
en de apostelen maar is ook de activist in het groot verband van de
heilswerken. Het was de Geest die de Zoon naar de aarde heeft gestuwd en van de
aarde weer omhoog naar de Vader in de hemel, en die dan in de Gezalfde de Abba-zeggers/sters mee stuwt.
De oude formule was dan ook: "Eer aan de Vader door middel van de Zoon in
de (éénheid van de) H.Geest". Hiermee gaf met de 'constructie' van de
heilsuitvoering aan. Deze opstelling wordt alleen nog gebruikt in de
slotdoxologie aan het eind van het Eucharistisch Gebed. Omdat men bang was voor
het misverstand dat de Zoon en/of de Geest ondergeschikt zou(den) zijn aan de
Vader, heeft men de formule veranderd in 'Eer aan
... en ... en ...'. Hoe het ook zij, dat lofwoord gaat over de
hele aarde zoals het was in het begin en nu en altijd tot in de eeuwen der
eeuwen.
Bij 'activist' ook te denken aan actueelmaker, presentsteller. Hij brengt ons in herinnering
alles wat Jezus heeft gezegd. Degenen die Jezus niet hebben gekend, herinneren
zich hem niet. Zij weten via schrift e.d. wat Jezus heeft bedoeld, gezegd,
gedaan maar kunnen niet terug op eigen kennis. Dan kun je wel 'in zijn geest'
doen zoals je muziek kunt spelen in de geest van de componist. Maar de H.Geest
is universeel, brengt alles van Jezus in herinnering. Als je met/in die Actueelmaker wilt doen als Jezus, kun je zeggen dat je
samen met Jezus doet. En omgekeerd, als je het gevoel hebt dat je samen met
Jezus doet - ik vind dat je dan (eventjes) kunt zeggen dat je in zijn Geest
bent, de H.Geest getuigt. De H.Geest is niet alleen De 'hoe-toen-en-daar'
maar ook De 'zo-nu-en-hier'.
Getuiger (het Griekse woord lijkt veel op 'Helper' voor het gerecht) 3.7
"Wij zijn tempels van de H.Geest die roept in ons hart" zegt Paulus.
Johannes schrijft: "Gij kent Hem, want Hij woont in u" en "Dat
God in ons woont weten we door de Geest die Hij ons
heeft gegeven" (1 Joh. 3,24). "God geeft Zijn Geest aan ieder die er
om vraagt". Als je dat leest, ga je denken aan een overtuiging die in jou
persoonlijk, in jouw zelf, gegeven wordt door de
Getuiger. Een 'bewijs' is niet meer nodig; het is een inzicht dat jouw/het
geloof waar is. Dat heet de gave van het geloof, afkomstig van de Heilige
Geest.
Maar ook over Jezus legt Hij een getuigenis af (1 Joh. 5-6vv):"Hij is het
die gekomen is met water en bloed, Jezus Christus. Hij is gekomen niet door
water alleen, maar door water en bloed. De Geest betuigt het omdat de Geest de
Waarheid is. Want er zijn drie getuigen: de Geest, het water en het bloed, en
deze drie stemmen overeen". Het water duidt -dacht ik-
op de doop van Johannes de Doper en op het levend water uit Jezus' rechterzijde
(zie Joh. 19,34 en 7,38v), op het nieuwe begin. Het bloed duidt op het
goddelijk leven van Jezus dat hij ons - na de geboorte - doorgeeft (zie ook
Joh. 19,34 en Joh. 6,54vv).
Ons huidige doopsel houdt dus meer in dan dat van Johannes. Wij zijn gedoopt in
H.Geest. Daarover later meer.
Geen sacrament zonder de Geest (= God bij ons) en daarom kort het
volgende. Meer bij het onderwerp sacramenten.
Deze drie kan men initiatie-markeringen noemen van
opname en groei in het goddelijk leven, persoonlijk en gemeenschappelijk. Het
begint met de doop en vervolgens met het Vormsel, dat vroeger (aan de
volwassenen) meteen werd toegediend. In de Eucharistie gaat het (o.a.) om
voedsel voor goddelijk leven.
Om de tegenwoordigheid van de Geest wordt gebeden, liefst door de hele
aanwezige gemeenschap. Dat is een kernpunt in het sacramentele gebeuren.
Beperken we ons nu tot het Vormsel: de laatste zin is
-dacht ik- dat hij/zij zich door die Geest gedreven in het leven mag weten: con firm atio
(ferm), bevestiging: zoals de vormeling(e) graag goed wil zijn, is het goed.
"Je kunt het best, daar ben je nu groot genoeg voor, want je bent
opgegroeid in de Geest van de Vader en de Zoon. Probeer het leven nu maar aan
(je vader en je moeder hebben toch wel het zweet in hun handen staan), want het
aanschijn van de aarde moet nieuw blijven".
Je
kunt de H.Geest niet definiëren; alleen beelden. Als ik het model van het
mensbeeld van 4.8
weer mag hanteren en de rol van Jezus in de verlossing
(zie
7.4) inteken, dan ga ik de Geest noemen Gods Levensadem, Levenskracht, die
via Jezus (die 'pijp')in mijn centrum komt. Dan wordt Gods Woord, Gods
Expressie van Zichzelf in mij reeds aanwezig, mijn
ziel, ten leven gewekt, tot leven be-ademd; de
goddelijke Vonk in mij (Het Religieuze!) wordt aangeblazen tot Vuur; God wordt
in mijn ziel geboren (zei Eckhart); ik leef volgens
de Geest. Het is nogal wat. (lied
'Geest, Geest van God in mij verweven')
Maar dat beeld roept ook in leven blijven op: de placenta, voedingsbodem. Nieuw
is dit niet. In het "Geheime Boek' (gnostisch) beschouwt men de Heilige
Geest als schakel tussen Vader en Zoon, als moeder. In het "Evangelie
der Hebreeën" (ook gnostisch) zegt Jezus: "Mijn moeder de
Geest". Het vrouwelijke raakt het niet-verstandelijke, intuïtieve. De
schrijver van het "Evangelie van Philippus" (ook al gnostisch) zegt over hen die de maagdelijke geboorte
letterlijk nemen: "Ze weten niet wat ze zeggen. Wanneer heeft ooit een
vrouw een vrouw zwanger gemaakt?". Ik vermeld deze afwijkende ideeën om
ruimte te maken voor het on-zegbare. Bisschop Irenaues ca
Meer verstandelijk te werk gaande ga je de begrippen 'inzicht', 'geloofszicht',
zelf 'wijsheid' hanteren. Wijsheid is vooral in de Alexandrijns-Joodse
kring opvallend in zwang. In de Joodse wijsheidsliteratuur (boek der Wijsheid; Jezus Sirach e.d.) spreekt de Wijsheid vaak over zichzelf
als een zelfstandig persoon: ik, mij (b.v. hoofdstuk 24). Een heel mooi stukje
over de wijsheid is Wijsheid 9, het gebed van Salomo om wijsheid. Vers 17:
"Wie zou uw raasbesluit gekend hebben, als Gij de wijsheid niet had
gegeven en niet uw Heilige Geest uit den hoge had gezonden?" In de
orthodoxe liturgie wordt geroepen om 'juiste wijsheid'.
We laten onze naaste nu even met rust (dat komt
later) en kijken naar ons zelf. Duidelijk zij dat Gods Levensadem uit is op
volmaakte eenheid tussen God (de Vader) en onszelf, want Hij is volmaakt. Hij
spreekt Zijn Woord en gebruikt daarbij Zijn Adem, die wast wat vuil is,
besproeit
wat droog is, heelt wat. gewond
is, buigt wat hard is, koestert wat koud is, (op)richt wat naast de weg is. Die
zodoende Zich en voor ons een weg vrij maakt naar ons centrum, de schoot opent,
waar Hij goddelijke liefde in doet stromen. Dáár leren wij Hem dan kennen,
verlost van, niet afgeleid door onze nood en/of om aandacht vragende
eigenschappen (zie 4.6), puur zoals Hij is, tot we "in Hem volkomen
zijn". Misschien wilt u 4.8
nog eens overwegen.
"Bevestig dit, God, hetgeen
Gij in ons hebt bewerkt vanuit Uw heilige tempel die in Jeruzalem is".
Offertorium van Pinksteren. "Voltooi, wat Gij in ons begonnen
zijt".
Als je hierbij doordenkt over wat bij 'Jezus' staat
over maagdelijke geboorte, begint misschien iets te klinken als "Geest,
Geest van mijn Maagd, leid mijn Geest in Uw volmaaktheid". ? Veni, Creator, Spiritus.
Uit een oud Grieks getijdengebed:
U
zij lof, onze God, U zij lof,
hemelse Koning, Geest der Waarheid,
die alom tegenwoordig zijt en het al vervult,
schat van alle goed en meester van het leven.
Kom, neem Uw intrek in ons;
reinig ons van alle smet;
in Uw goedheid, red onze zielen.
terug naar begin
naar In de engelenbak
terug naar
H.Geest
verder naar Eucharistie
9 De Kerk
9.1 Punt van uitgang
9.2 Vorming en
uitbreiding: Joods, Grieks,
Latijns
9.3 Vastleggen wat
Kerk is: canon, apostolische successie, geloofsbelijdenis
9.4 Wat niet
eenvoudig vast ligt: eenheid,
heilig, katholiek, apostolisch
9.5 Wat is Kerk?
1 Punt van uitgang
"Jezus verkondigde
het Rijk van God en wat kwam was de kerk" (Alfred Loisy,
ca 1900). Ik meen in die uitspraak een teleurstelling te horen, maar het
verband tussen die twee is in ieder geval juist. Het geloof in Jezus'
verrijzenis houdt Geesteszending, Kerkvorming in. De apostelen gingen niet
gewoon verder alsof er niets gebeurd was, er was een follow-up. 'Jullie zult
gedoopt, doorzinderd worden met de Heilige Geest, en,
nou geen gezeur meer over het herstel van het koningsschap van Israël (à
Dan volgt het Pinkstergebeuren en als het
historisch gezien niet precies zo is gegaan, inhoudelijk was het wel zo. Lucas,
de schrijver van de Handelingen noemt de hele, toen bekende wereld; ieder van
die volken had zijn plaats in de Dierenriem, die hij helemaal noemt.
Het is de Geest die de gemeente leidt en
inspireert, en herinnert aan, levend maakt, tegenwoordig
stelt wat Jezus zei en deed. Het is van groot belang, zelfs wezenlijk,
om dat goed in de gaten te houden. De gemeente
is Gods gemeente door gemeente van Jezus te zijn, Jezus achterna in zijn Geest.
2 Vorming en
uitbreiding van de Kerk
Het hoeft niet zo te zijn dat er meteen in het
begin alleen in Jerusalem een oer-gemeente
was. Het is mogelijk dat verscheidene kernen plaatselijk ontstonden, voor de
Verrijzenis reeds gevormd waren, en dat die in contact
met elkaar elkaars visies als aanvullend leerden kennen. Dit kan uitgemond zijn
in een soort van gezagscentrum in Jerusalem. Nieuw is
dit niet, want het Joodse gezagscentrum was het Sanhedrin (Hoge Raad) in Jerusalem, dat vanouds uit oudsten van het volk
(gedeeltelijk) en de Hoge Priester bestond. Dat was vooral een gezaghebbend geloofs-centrum. Sinds de ballingschap kun je niet goed
meer spreken van het Joodse volk als zelfstandige natie; het was verstrooid en
werd overheerst. 'Joods' werd toen meer een aanduiding van de godsdienst.
Men denkt wel dat Palestina vol zat met Joden. Er waren slechts een aantal
'enclaves' (Jerusalem, in Judea, in Samaria en in
Galilea) en de rest bestond uit Grieken, Romeinen, Pheniciërs
enz.
Hoe het ook zij, er vindt een uitbreiding plaats van de Jezus-sekte,
waarin je de volgende 'richtingen', 'ontwikkelingen' zou kunnen onderscheiden -
met het gevaar dat je iets dat spontaan is gegroeid in hokjes zet !
Het Joods-Christendom
2.1
is het startpunt, een Joodse sekte die zich tot haar
volksgenoten wendt. Zie de toespraken van Petrus in het begin van
'Handelingen'. Zij bleven trouw aan de Wet, aan het tempelbezoek en de synagogebijeenkomsten. Maar ze getuigden van hun geloof in
Jezus als de Beloofde ondanks zijn vernederende dood, die helemaal niet
strookte met de Joodse Messias-idee, van zijn Wederkomst
en zijn heilsbetekenis (Petrus voor het Sanhedrin; Hand. 4,12).
De
Schriften werden nu gezien als zijnde van toepassing op hem. Een en ander
betekende een scheiding van geesten en gaandeweg verloor de tempel en haar
offerdiensten voor hen hun betekenis; ze hadden zelf een nieuw Centrum van
eredienst ("Breek deze tempel af"; "…het
voorhangsel in de tempel scheurde van boven naar beneden in
tweeën.").
Behalve de Palestijnse Joden (hun omgangstaal is het Aramees; na hun bekering heten ze Hebreeën) waren er ook bekeerlingen (proselieten) en Joden uit de diaspora (verstrooiing), die wat vrijer t.o.v. de tempel en de Wet stonden, meest Grieks sprekend: de Hellenisten. Paulus discussieerde met hen (Hand. 9). Uit hun kring kwam Stefanus. Ook na de overstap van Hellenisten naar de 'Christus-aanhang' bleef dat onderscheid tussen hen en de Palestijnse Joden, die vonden dat Stefanus de tempel en de wet is het discredit stelde. Een bepaalde groep Hellenisten -fanaten zijn er overal- luisden Stefanus erin met als gevolg zijn steniging (Hand. 6 en 7) en de vervolging van Stefanus' medestanders die o.a. naar Antiochië vluchtten.
Daar begonnen zij onder de heidenen te werken met goed gevolg. Antiochië wordt het centrum voor de 'heiden'-christenen. Daar ontstond de bijnaam 'Christinanoi', geen Jood, geen heiden maar een derde soort. Zij kenden noch onderhielden de Joods-orthodoxe gebruiken. Dat bracht hen in conflict met de Joods-Christelijke secte in Jerusalem, die in hun ogen onrein zou worden door haar contact met mensen die de Wet niet onderhielden. In Hand. 15 vindt u dat verhaal. Petrus -zelf Jood, hoewel 'ook maar' uit Galilea- nam het voor de anderen op en Jacobus stemde er mee in. Deze Jacobus is volgens Eusebius (ca 300) door Petrus, Johannes en Jacobus aangesteld als leider van de oudsten van de gemeente in Jerusalem. Hij was dus niet de apostel, die al in 43 vermoord moet zijn, vermoedelijk samen met zijn broer de apostel Johannes volgens de oosterse tradities. Die Jacobus was dus het 'hoofd' van de Joods-Christelijke richting in Jerusalem. Hij werd in 62 gestenigd om politieke redenen. De bekering van het hele Joodse volk bleef echter uit. De uitbreiding van de Kerk kwam meer van wat 'de heidenen' heet. Zo worden de omringende volken genoemd in de Schrift. Het Griekse en Hebreeuwse woord is 'volken'.
Gedurende de voorbereiding van de Joodse opstand tegen de Romeinen (70) week die gemeente tijdelijk uit naar Pella in Transjordanië volgens de traditie. Door de verwoesting van de tempel in 70 kwamen ze in een isolement en na de opstand van Bar Kochba (die door de joodse leiders als de Messias werd gezien) in 135 verdwenen ze min of meer. Binnen het Christendom vormden ze ook niet meer de kerngroep; ze bleven de Wet te hoog stellen, ontkenden Jezus' geboorte uit de maagd Maria (zie bij Geest) en accepteerden Paulus' gezag niet. Hij was een afvallige. Hun overlevering van de apostolische geschriften ging op heel andere bronnen terug dan die die meer in het Westen bekend waren. Ze hadden het O.T., het evangelie der Hebreeën en een synagoge-achtige eredienst. De bekendste sekten waren de Ebionieten (armen !) en de Nazoreeërs (Jezus wordt in de Hand. 4, 10 de Nazoreeër genoemd). In Syrië kwamen ze tot een staat. In Edessa wordt de apostel Thomas vereerd. In de 15e eeuw ontdekten Westerlingen in Malabar (Z.Indië) een Christen-gemeente die er aanspraak op maakt door de apostel Thomas gesticht te zijn, de z.g.Thomas-christenen. Een (latere ?) sekte is die der Elkahasaïten, waarin de Pers Mani (ca 250) de Manicheeërs leidde. Hij wordt wel de derde stichter van een wereldgodsdienst (vanuit het Christendom) genoemd. Zijn invloed ging wel tot in Japan toe, was ook in Africa (Augustinus !) aanwezig en waarschijnlijk ook op de Balkan.
Ik heb met opzet deze richting uitgebreider vermeld
dan de andere omdat hierover in onze kerken veel
te weinig bekend is. Het lijkt wel alsof alleen maar de gebeurtenissen naar het
Westen toe belangrijk zijn. Heel veel van onze geloofsgegevens en riten zijn
alleen vanuit deze Joods-Christelijke traditie te
benaderen" b.v.
- het gegeven Jezus is God en mens is niet te vangen in termen van Griekse
filosofie. Dan worden het paradoxen. Zie 'Een beetje
ordenen' 2.5.
Het is alleen te benaderen vanuit de Joodse mystiek, die woorden als natuur en
persoon niet kent, wel beelden als de 'heerlijkheid van JHWH', die zichtbaar is
in Jezus. Jezus wordt zelfs die heerlijkheid genoemd. Zie het roepingsvisioen
van Ezechiël in Ez 1;
- het gegeven van de drievuldigheid, toegespitst op
het God-zijn van de Geest, was een item op het
concilie van Constantinopel in 381. Men beriep zich daar op het feit dat in de
Syrische Kerk de Geest werd aanbeden.
- Lucas spreekt bij het Pinkstergebeuren over " ... iets dat leek op
..... brandende fakkels ...." Zie ook weer Ez
1,13.
Dat zijn dingen waarbij woorden tekort schieten; onze
woorden weten niet zo goed raad met de Joodse beelden. Er is meer dan wat
alleen maar 'sec', letterlijk, in de Schrift te lezen staat.
De term 'Joods-christelijke traditie" is eigenlijk een soort pleonasme;
Christelijke traditie is uit de Joodse.
Het onderstaande kerkkaartje geve een overzicht van
de uitbreiding en de grens tussen Romeins en Orthodox.

Grieks Christendom 2.2
Met die naam wordt bedoeld wat we weten van de
eerste tijd van Kerk- en gemeentevorming, zoals we die vooral destilleren uit
de brieven van
Paulus. Deze maakte een drietal reizen door Klein-Azië, Griekenland en Macedonië en belandde tenslotte in Rome. Op zijn reizen heeft hij gemeenten
gesticht maar hij was niet de enige. Men spreekt van Paulijnse
en van Johanneïsche gemeenten. Deze laatste meer in Klein-Azië en Syrië te zoeken. Toentertijd
zijn over de Kerkvorming geen boeken geschreven zodat we een beetje moeten
tasten.
Het waren charismatische gemeenten, niet strak georganiseerd met door de
stichter aangestelde leiders. Het leidersschap
groeide in de gemeenten zelf. Af en toe waren er wel aanwijzingen van Paulus of
Johannes (brieven). Op het einde van de eerste eeuw komt er wat meer lijn in de
organisatie en de structuur van de gemeente, vermoedelijk omdat het
charismatische element onvoldoende was voor de praktische gemeenteleiding en de
organisatie van de Kerk. Er ontstaat een gezagsstructuur die van het Joodse
model afkomstig is, zoals te Jerusalem: een aantal presbyters
(oudsten) en de gekozen voorman, die de handen opgelegd kregen. Toezieners (episcopi), o.a. Timotheus en
Titus, kwamen af en toe op bezoek om te helpen. Maar alles 'op voorwaarde' van
de liefde zou men kunnen zeggen. Zie het laatste, later toegevoegde hoofdstuk
van het Johannesevangelie: Petrus, "bemint gij
mij meer dan de anderen?" Op die voorwaarde mocht/moest hij nog meer
vissen binnenhalen zonder dat het net scheurt.
Langzamerhand gaan de rondtrekkende opvolgers van de apostelen zich plaatselijk
vestigen en staan dan 'automatisch' een beetje boven de plaatselijke
oudstenraad. Op het eind van de eerste eeuw wordt vanuit Rome een gezaghebbende
brief geschreven naar Korinthe die zeer wordt
gewaardeerd. Dit is een van de eerste tekenen dat de 'toeziener' van Rome
aanspraak maakt op gezag buiten zijn 'gebied'.
De taal is natuurlijk Grieks. De belangrijkste steden zijn Antiochië, Efese, Korinthe, Rome.
Latijns
Christendom (de 'Romana'
en de 'Reformata') 2.3
Vóór het einde van de tweede eeuw is er een duidelijk signaal dat Rome gezag
claimt. Bisschop Victor van Rome stelt dat Klein-Azië
het Paasfeest
op
dezelfde datum moet vieren als de rest van de kerk. Zijn collega-bisschoppen
moeten hem zelf ervan weerhouden de ban uit te spreken. De structuur van
voorman met collega's is in ieder geval duidelijk. Deze gold ook voor de kerk
in het Oosten; er was toen geen tegenstelling tussen Oost en West.
De brandpunten van activiteit lagen in Rome en Carthago.
Alexandrië kan men daar ook bij rekenen, maar dat waren nog oude banden met de
Joden. Africa was tot na Augustinus (ca 400)
belangrijker qua productie van geschriften dan Rome. De christelijke
gemeenschap aldaar is, gezien de vele Joodse gebruiken
en woorden, waarschijnlijk rechtstreeks vanuit Palestina tot stand gekomen.
Vermoedelijk bestond er al een Joodse gemeenschap ("wettisch, moralistisch
en streng"). De nieuwe Joodse sekte kon dus vrij gemakkelijk inhaken. Dit
ter illustratie van het feit dat de uitbreiding van de Kerk niet alleen via de
eenheid van het Romeinse Rijk plaats vond maar ook via de Joodse diaspora.
Paulus bezocht eerst joodse synagogen (en kreeg bij sommige ruzie). Maar hij
was ook degene die Rome terecht kwam. Uitbreiding was er dus via het Romeinse
rijk maar net zo goed van Jerusalem naar Alexandrië, Efese, Macedonië, Korinthe, Carhtago enz. Tertullianus (ca 200) was de eerste
'theoloog' die Latijnse formuleringen gebruikte. Zijn bewoordingen komen weer
te voorschijn op het concilie van Chalcedon (ca 450), waar het ging om het God
en mens zijn van Christus. Interessant is bisschop
Cyprianus van Carthago (ca 250), die de eenheid en de
collegialiteit van de bisschoppen onderling als teken van eenheid van de Kerk
stelt tegenover de curialiteit (curia
= hof) van bisschop Stefanus van Rome.
Nog bekender is Augustinus, bisschop van Hyppo, ca
400. Bisschop is dan herder/ bestuurder, priester en leraar. Maar hij is ook
nog filosoof, verdediger van het geloof, theoloog, kloosterling en apologeet.
Tegen die tijd is evenwel de invloed van Rome al veel
groter geworden. Na de val van Rome (410) handhaven enkele belangrijke pausen
hun gezag t.o.v de andere bisschoppen. Sinds 313 is
het christendom toegelaten (Constantijn), in 380 wordt het
staatsgodsdienst.
Terug naar Rome ca 200. Over de inhoud van de
geloofsleer kan men toen nog vrijelijk van mening verschillen. Er waren heel
wat geschriften in omloop. Men had toen meer oog voor het goede christelijke
maatschappelijke leven.
Dat er scheurinkjes
ontstonden is niettemin begrijpelijk, zoals die van Marcion
in Rome die zeker sociaal was ingesteld, maar het christendom los sneed van
haar Joodse achtergrond en alleen het evangelie van Lucas en de brieven van
Paulus erkende. De christenen van Rome zetten hem op straat. Er was ook ene Montanus in Phrygië die stelde
dat de Openbaring verder ging (via hem), maar zijn leer was moeilijk te
'pakken'. Men ging toen synoden organiseren om een standpunt te bepalen.
Daarnaast was er nog de tegenstelling tussen christendom en gnostiek. Dit was
een heel gevarieerde, Oosterse stroming in het denken, die als karakteristiek
het 'verlossende inzicht', de 'kennis', de 'gnosis' had nl.
het inzicht dat er meer was dan het aardse en dat dat
bereikbaar was. Men verwierf zich dat inzicht zelf door veel nadenken, ascese
enz. De christelijke aanhang ervan ging in ieder geval de
fout in waar zij het O.T. verwierp en de Schepper niet als God zag, nog
afgezien van de vraag of men dat inzicht niet kreeg, of verlossing niet door
Jezus Christus was verworven.
Men is toen vooral in het praktisch ingestelde Westen drie normen gaan hanteren
voor wat 'kerk' is: canon, apostolische successie en
geloofsbelijdenis met het risico dat niet alles van het eschatologische oer-christendom ( de 'Kerk' van Jezus) in het vroeg-kerkelijk 'katholicisme' werd opgenomen. Wanneer
'apostolische successie' vooral als 'monarchaal
episcopaat' wordt ingevuld, kan men van (Rooms)Katholicisme spreken. Cyprianus nog hield daar niet zo van maar de verdediging
tegen het Gnosticisme was wel gebaat met een actieve, eenhoofdige
besluitneming, die inderdaad (te) monarchaal kan worden, hoewel meerhoofdige
besluitvorming dan toch mogelijk blijft.
1 Canon
betekent 'regel', norm. Een aantal geschriften werd geaccepteerd als bruikbaar
voor de eredienst (hetgeen niet hetzelfde is als
dogmatiek en exegese); die waren in ieder geval goed. De criteria daarvoor
werden: apostoliciteit (afkomstig van een apostel of zijn directe omgeving),
algemene aanvaarding in de kerk en inspirerend karakter. De oudste -nog niet complete- lijst van die boeken dateert van ca 200
te Rome. In ca 1600 heeft de Italiaan Muratori haar
gevonden. Die verzameling boeken had toen al een naam: het Nieuwe Testament.
2 Apostolische successie
In de gemeenten moest een taak vervuld zijn die iemand op zich had genomen in
de 'lijn' van de apostelen. Gemeenten die rechtstreeks konden terug vallen op
een apostel hadden daarmee geen moeite. Waar dat niet gebeurd was, moest op een
of andere manier een ambtsdrager in functie komen, door collega's aangesteld, 'ingeordend' worden om het door de apostelen 'toevertrouwde
pand' veilig te bewaren en door te geven. Dat ambt is dus een dienende functie
en houdt nu herder/bestuurder, priester en leraar van de gemeente in.
3 Geloofsbelijdenis
Men beleed al bij zijn doop de inhoud van het geloof in een korte vorm, in bijbelteksten. Tegen de verschillende misverstanden werd
die formulering langzamerhand uitgebreid en zij groeide uit tot de
geloofsbelijdenissen, die van de apostelen afkomstig moeten zijn. In zijn
huidige vorm is het 'apostolicum', de 12 artikelen
van het geloof, pas bekend uit Frankrijk in de 6e eeuw.
Het 'Constantinopolitanum' (ons 'credo' is bijna
hetzelfde) heeft sterkere papieren omdat het dateert uit het concilie van
Constantinopel in 381 en algemener is. Het bevat eigenlijk drie artikelen nl. over de Vader, de Zoon en de H.Geest.
Kerk valt onder het laatste: één, heilig, katholiek en apostolisch.
Apostolisch is boven reeds genoemd. Wat de apostelen verkondigden ligt vast in
het N.T. De Schrift (met de traditie) is dus de basis van de geloofsinhoud, ook
voor concilies. Hier, bij Kerk, moet onder apostolisch ook worden verstaan:
apostolisch inspirerend, dynamisch, gestuwd door de Geest.
Katholiek
heeft ook twee betekenissen: algemeen, over de hele, wereld, en voor iedereen;
dus ook verenigend, éénmakend. Je kunt er ook
nog 'door het hele leven heen' bij denken. "Uw Rijk kome"
ligt daar vlak bij.
Heilig kun je ook twee accenten
geven: heilig in de zin van 'heil'-achtig, ze moet
het Heil van Godswege brengen, Gods Rijk waar maken over de hele wereld, en
heilig in de zin van boven-aards, des hemels,
afgescheiden van het profane. Die twee accenten liggen in elkaars verlengde.
Eén is iets anders dan enkelvormig, uniform. De éénheid van de Kerk is gefundeerd
in de ene Heer, niet in een systeem. Vormen mogen verschillen omdat geen mens
hetzelfde is als een ander (en ze zijn er allebei blij om), als de inhoud maar
één is:"...de menigte die het geloof had aangenomen was één van hart (!)
en ..-. van ziel (!) en ..... er was geen
noodlijdende onder hen". (Hand. 4,32)
4
Wat niet
eenvoudig vast ligt
Eenheid 4.1
is wel eens zoek. Dat geldt in tweeërlei opzicht: de
eenheid van de gelovigen onderling en de eenheid kerkleiding - Godsvolk.
Eenheid onder de gelovigen is gewoon een
noodzakelijk
uitvloeisel van eenheid in Jezus Christus. Als ik me met Christus verenigd voel
en een ander weet zich ook met Hem verenigd, dan zullen we beiden ook één zijn.
Maar aangezien ik noch de ander volmaakt is en wij dus nog niet volmaakt in
Jezus Christus delen, zijn we niet uniform-een. Maar
we willen graag, zijn in ieder geval bereid om als puntje bij paaltje komt zo
goed mogelijk één te zijn omdat we elkaar een warm hart toedragen (dat we van
Jezus Christus meekrijgen). Wat wij graag willen is gestalte geven aan de inzet
van die ene Jezus van Nazareth.
Veel on-eenheid komt voort uit onmacht, verkramping,
bang zijn t.o.v. elkaar en dan lijkt het wel of het
elkaar verketteren het kenmerk is van de Kerk van Jezus Christus. Het gaat
juist om een gemeenschap waarin je meedoen je diep raakt, om een levenshouding
waarin je misschien iets van jezelf prijs geeft zonder dat je het erg vindt,
integendeel, om een instelling waar je elkaar de liefdestitel 'broeder' en
'zuster' geeft op basis van Godsliefde. Daarbinnen
krijgt verlossing handen en voeten.
De spanning tussen de leiding en Gods volk is een gevolg van het feit dat de
kerk ook een verzameling van ontoereikende mensen is. Instituut is
onontkoombaar. De charismatische gemeenten hielden het niet uit, maar 'Kerk'
moet voort blijven bestaan (en wel altijd nieuw blijven). Binnen ieders
persoonlijk blikveld zou dat gedeeltelijk nog zonder organisatie kunnen, maar
zeker als het gaat om het zouten van de héle aarde, is organisatie
noodzakelijk. Dan heb je geïnspireerd-zijn en
nederigheid soms hard nodig om ondanks de hoofden en de zinnen toch het bos te
zien. De kunst is om je door negatieve elementen niet buiten boord te (laten)
zetten, evenwichtig en volwassen te zijn. Dat is een hele kunst. Uiteindelijk
kun je jezelf alleen nog maar je persoonlijk geweten volgen. Paulus:" Wij
zijn geen dwingelanden van uw geloof". Je moet jezelf een 'speel'ruimte gunnen; uiterste consequentie leidt naar de
duivel.
Je hebt wel eens zin om 'Kerk', waar de Geest waait, te scheiden van 'kerk', de menselijke organisatie. De ellende is dan dat je het kind met het badwater weggooit. Bij Kerk is het nl. niet ik-Christus en jij-Christus en hij/zij-Christus en ook niet wij-Christus, maar het 'wij-met-Jezus-Christus-samen'. Hoe men ook zoekt naar het wezen van de Kerk, dit is een wezenlijk element. Als de Kerk bidt, bidt Jezus Christus mee.
Je
hoort wel eens dat degenen die zich niet aan de regels (b.v.
kerkelijke geboden) houden er maar uit moeten stappen. Iemand die dat zegt,
begrijpt het wezen van de Kerk niet. Wezenlijk voor het Christen-zijn
is dat je elkaar en Jezus Christus niet los wilt
laten. Kerk is een Levens(nood)zaak, geen club. Hier ligt een (hét?) verschil
met de reformatie, dacht ik. De katholieke kerk wil primair 'het Lichaam van
Christus' zijn, terwijl de reformatie kerk ziet als een vereniging van mensen,
die je helpt bij je beleving van geloof en bijbel maar
niet goddelijke gemeenschap is - zeg ik dat zo goed genoeg? Goddelijk
vanwege het God zijn van Jezus Christus, die 'gezeten aan de rechterhand van de
Vader' zijn Gezalfde-werk voortzet op aarde middels de Geest. Kerk is meer organisme dan organisatie.
Uit dat verschil in opvatting over Kerk vloeit het verschil in ambtsopvattingen
en sacramenten voort.
Het ambt is een wezenlijk element in de Kerk. Jezus
heeft zijn leerlingen, die twaalf, uitdrukkelijk opdracht gegeven om het Rijk
te verkondigen en te vestigen; Paulus haakt daar ook op in. Zij namen op zich
dat 'het' gebeurt; zij zijn be-ambt. Het verhaal over
Petrus "Weid mijn lammeren ..." geeft
duidelijk die voorman-functie aan. 'Rome' heeft niet
altijd een goede naam en dan is het wel eens de kunst om toch ... al was het maar recht van spreken. Om één te blijven.
Heilig 4.2
Hemel op aarde! Dat 'hemel' zit wel maar 'aarde' is wat harder en zij
verandert ook nog voortdurend omdat de mensen en hun samenleving veranderen.
Wordt de kerk beïnvloed door dat menselijke, zoals iedere mensen-vereniging
zich ontwikkelt (kijk eens naar 100 jaar voetbal), zoals geschiedenis zich
ontwikkelt? Kan zij dan nog werkelijkheid maken van
haar Heil? Voedselproblemen, vredesvraagstukken, bewapeningswedloop,
mensenrechten, wanhoop ….
Een wijwaterskwast helpt daarbij niet. Ik denkt dat de basis voor het actueel zijn van de kerk wordt
verduidelijkt door het beeld dat Paulus gebruikt:
het Lichaam van Christus; (daad)werkelijk en
mystiek Lichaam tegelijk. Alleen als de ledematen zich laten inspireren door
het Hoofd, kunnen zij heil doorgeven. De problemen zoals boven genoemd hoeven
geen barrière te zijn, integendeel: juist dan kan de kerk zich manifesteren en
geluk brengen niet zozeer in de zin van welvaart als wel in de zin van het
verbonden zijn in Zijn naam, de bodem die te vinden is in Jezus Christus. Dan
kan iets van het Heil van God doordringen, naar buiten komen wat binnen in zit.
Maar dat wil niet zeggen dat je je hersens niet hoeft
te gebruiken. Waar het om mensen gaat, is mensenkennis een belangrijk
gereedschap. Hoe we ook zoeken naar het wezen van 'kerk': Kerk moet ook
zichtbaar zijn, voelbaar.
We weten ook dat we er altijd 'bijna zijn, maar nog niet helemaal'. Dat hoort
ook bij 'hemel op aarde'. Maar in die hoopvolle verwachting kunnen we een
ruimte zijn waarin we samen met Jezus Godskinderen
zijn, waar we het 'voor God en de mensen' hard maken door ons "toe te
leggen op de leer der apostelen, trouw te blijven aan het gemeenschappelijk
leven en ijverig in het breken van het brood en het gebed". Zo wordt de
Kerk van Jezus Christus kort gekarakteriseerd in Hand. 2,42.
In "Lumen gentium",
het document van Vat.II over de Kerk, worden deze aspecten in de hoofdstukken
1, 5 en 8 uitdrukkelijk genoemd.
Katholiek 4.3
Er wordt wel eens gezegd dat je 'kerk' niet kunt beperken tot een bepaalde
groep mensen; "Wij zijn de (DE) kerk" is een aanmatiging. De kern van
die gedachte is -dacht ik- dat de Geest universeel
werkt. In die zin zou men inderdaad 'kerk' heel ruim kunnen zien en allerlei
elementen in iedere godsdienst kunnen aanwijzen waaruit het wereldwijde van de
Geest blijkt. Dit gegeven moeten we niet uit het oog verliezen, willen het
gevaar van particularisme vermijden. Er is evenwel een
verschil met het begrip Kerk van J.C., die op de traditie van die twaalf
apostelen is gebaseerd. Maar deze kerk zondert zich
niet af; ze nodigt iedereen uit die 'snapt' wat er aan de hand is om mee te
doen. Waarbij bescheidenheid een sieraad is.
Apostolisch 4.4
Apostolische successie, opvolging van de apostelen is niet automatisch
aan een persoon gebonden. Het gaat om personen die zijn gekozen en aangesteld, het op
zich genomen hebben, om persoonlijk die apostolische lijn actueel te maken,
ieder telkens in zijn tijd. Dat moet herkenbaar zijn. De katholieke Kerk is een
bisschoppenkerk, niet synodaal.
Het ambt is
daarin een wezenlijk element. Jezus heeft zijn
leerlingen, die twaalf, uitdrukkelijk opdracht gegeven om Zijn werk voort te
zetten, het Rijk te verkondigen en te vestigen; Paulus haakt daar ook op in.
Zij namen op zich dat 'het' allemaal gebeurt; zij zijn be-ambt
t.b.v. dat Leven, met de sacramenten als 'officieel' gereedschap.
De tekst
"Jij bent Petrus en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen" is
duidelijk en wie dat wil wegpoetsen verprutst. Primair is dat Jezus dat zegt
als antwoord op de klare geloofsbelijdenis van Petrus, "Gij zijt de Zoon
van de levende God". Jezus bouwt dus op geloof,
hetgeen voor iedere gelovige geldt. Zo is ieder rots. Vervolgens: Jezus zegt
het tegen Petrus, die het woord neemt: Petrus is rots voor de hele Kerk, de
basis voor het Jezus-ling zijn. En
in de wereld is daarvoor een structuur nodig: Jezus haakt in op de Joodse
structuur van Hoge Priester en oudsten; voor de kerk Petrus en de 12 apostelen.
Ook het evangelie van Johannes -"Bemint gij
mij meer dan dezen hier? … "Weid mijn lammeren ..."-
geeft duidelijk de voorman-functie aan t.o.v. de
andere apostelen en een bijzondere band met de Christus. Het was
"Petrus en de overige apostelen" en zo is het nu 'de paus en de
overige bisschoppen'.
Het
klinkt de generatie van na WO II wellicht vreemd in de oren maar de generatie
daarvoor had het idee dat de paus goddelijke macht had. Waar dus de beminde
gelovigen afhankelijk van waren, ook in eigen persoonlijke gevoelens en
ervaringen. "… die het in de katholieke kerk voor het zeggen heeft"
werd onlangs nog in het nieuws gezegd. Dat gegeven ligt er en het is op zijn
minst droevig dat nu nog ouderen dat voelen, zich nog geraakt weten. Zo'n formulering is onjuist. De paus moet goddelijke macht
hanteren maar hij bezit haar niet. Als hij fout doet, krijgt hij het te horen.
Net zoals Paulus eens Petrus openbaar terecht wees (Gal 2,11). Het is echt niet
gek om voor de paus (en bisschoppen) te bidden - dat hij (zij) het goed moge(n)
doen en zich hoeden voor prelaatschap. Heus, niemand wordt voor zijn lol bisschop, laat staan paus. "Simon, Simon, zie, de
tegenstander heeft geëist jullie te mogen ziften … en als je dan voor mij hebt
gekozen, bevestig op jouw beurt je broeders" (naar Lc 22,31). Als er
"zie" staat, is er iets aan de hand. Als tweemaal een naam wordt
genoemd, komt het er op aan.
'Rome' heeft
niet altijd een goede naam en dan is het wel eens de kunst om toch ... al was het maar om recht van spreken te behouden. Om één
te blijven. En om wat goed is. Levendig.
Ik denk dat je je hele
leven nodig zult hebben om daarop (jouw) antwoord te
geven. Je kunt proberen aansluiting te zoeken bij beelden als Bruid van
Christus (O.T.), Lichaam van Christus (Paulus), Gods volk
onderweg (Vat.II ), het 'wij van de Christenen' (Y.Congar).
Deze beelden raken levenservaring, ook mystiek.
'Kerk-zijn is het in/door zijn Geest reageren op het
heilsaanbod van de Vader in Jezus Christus met hem als criterium en hem gedenkend'
vind ik ook een goede.
Schillebeeckx gaat heel diep:
"De Kerk is de aardse representant van het verheerlijkte Lichaam van
Christus". Daarvoor moet je wel zijn boek hebben gelezen "Christus,
sacrament van de Godsontmoeting".
Misschien kom je ook een eind met de volgende
doordenker. Van wie het is weet ik niet meer; het is gedateerd maar spreekt mij
wel aan: Kerk is geloofsgemeenschap, is 'proeftuin', waarbinnen wordt getracht
om in Jezus Christus overtuiging, ervaring en handelen met elkaar te verbinden,
therapeutisch, bewustzijnsvernieuwend en activistisch op een geheel eigen
manier.
Boeken.
Gisteren, vandaag en morgen W. v. d.
Pol Gooi en Sticht ca fl. 20,=
De
Katholieke Kerk Y.Congar
idem
Geschiedenis
der kerk O. de Jong Callenbach
verder naar zonde - bekering (blok D)
10 Eucharistie
10.1
Identificatiepunt
10.2 Blokkeringen
10.3 Het laatste Avondmaal
10.4 Het Lichaam van Christus
10.5 Wat is Eucharistie
?
10.6
Beleving van de Eucharistie
1 Identificatiepunt
Op het eind van de vorige bijeenkomst is de Kerk
kort gekarakteriseerd aan de hand van een tekst uit Hand. 2,42vv, die als volgt
in schema kan worden gebracht:
- leer van de apostelen
- broederlijke gemeenschap, dienst aan de mens
- gebed in de tempel
- broodbreking bij iemand thuis
Simon de Rechtvaardige leerde een paar eeuwen daarvoor in de Talmoed: "Op
drie dingen staat de wereld: op de Tora, op de tempeldienst en op daden van
vroomheid" (Abot 1.2). De eerst drie elementen
van de christelijke gemeente waren dus oud: de leer (van de Tora) nu
toegespitst op Jezus, de tempeldienst (offer en gebed) en gemeenschapsdienst middels barmhartigheid. Het breken van het brood, een joodse
detailrite, is nu ineens vermeldenswaardig; zo gedachten zij Jezus kennelijk.
De basis, wat aan alles zijn betekenis geeft ligt daarin: zin, bedoeling,
standpunt, ondergrond, accepteren, meedoen, centrum, enz., identificatiepunt
van de gemeenschap van Christus. Ignatius van
Antiochië (ca 100) zei dat in de plaatselijke
gemeenschap waar de Eucharistie wordt gevierd, de Kerk geheel aanwezig is.
Gemeenschap is hier niet alleen maar 'community' maar ook eucharistische 'society', broederlijke
gemeenschap in Jezus Christus. Ik hoop dat in dit onderwerp er op een of andere
manier uitkomt dat de Kerk zich daarin -op de eerste plaats-
bekent en bekend maakt.
2 Blokkeringen
Het is misschien een dik woord maar ik denk dat wij
meer met 'het' probleem van de Eucharistie zijn opgezadeld dan met zingeving,
het probleem nl. van de leer van de
transsubstantiatie. De vraag 'hoe kan dat nu?', het
verantwoorden, is in het Westen veel centraler komen staan dan het Oosterse
'Wat doen we nu', ' wat ondergaan we ?'. De verklaring over wat er verandert
met behulp van griekse philosophie-begrippen is een typische Westers-Romeinse
benadering van het mysterie, dat door de Oosterling met verhalen en beelden
wordt aangeduid. Hetzelfde mysterie kan op verschillende manieren worden
benaderd en het is verstandig mogelijkheden open te laten voor ontwikkelingen
in het denken zonder dat het geloofsgegeven te kort wordt gedaan. Helaas dreigt
'transsubstantiatie' twee verschillende betekenissen te krijgen; let daarop bij
discussies:
- het geloofsgegeven van Jezus' tegenwoordigheid in het 'sacrament des altaars'
en
- de inhoud van de leer die dat uitwerkt, beredeneert, zoals de leer van de
wezensverandering die nu nog officieel geldt.
Het geloofsgegeven van 'de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus onder
de gedaanten van boord en wijn' (presentia realis) is
een formulering van een bijbels gegeven; dat blijft
staan. De kerkelijke leer die dat uitwerkt, benadert, is de leer van de
transsubstantiatie, wezensverandering. Maar een geloofsgegeven en de
theorie/leer om dat te behandelen zijn niet hetzelfde; de theorie kan anders
worden als we anders kunnen denken. Net als bij het verhaal
(7.2.3) van de maagdelijke geboorte ten dienste van de incarnatie.
De transsubstantiatie kan men direct opvatten en stellen: als je op de hostie
kauwt, bijt je op God. De jongere generatie zal dat verbazen maar zo is het aan
de oudere vaak voor gehouden. Iemand die dat nog wil volhouden heeft nog nooit
iemands bloed gedronken, maar goed, zo krijg je ook een olifant in de koelkast
en zijn we klaar. Straks daarover meer.
Meer beredeneerd kun je het 'indirect' beschouwen en stellen dat het 'wezen' van
iets zijn 'substantie' is en de buitenkant, de uiterlijkheden, de 'accidenten'
zijn, bijkomstigheden. Dan zitten we meer in de richting van Griekse filosofie,
die een onderscheid maakt tussen 'substantie' (wat het nou echt is, wat er
'binnenin' zit) en 'species' (het aanzien, buitenkant). Hoe je dan het wezen
van iets moet ontdekken of herkennen wordt dan een interessante vraag. Zo dacht
men in de Middeleeuwen, de scholastiek; nu denken we anders. De vraag "Wat
is het wezen van …?" is een parapluvraag, die verschillende vragen inhoudt
en dus niet geschikt is. (Wie interesse heeft, kan een lijst met voorbeelden
krijgen.)
Dan te bedenken dat dat begrip zich ook heeft
ontwikkeld en aanvankelijk (ca 11e eeuw)
bedoelde: verandering anders dan zintuiglijk waarneembaar, 'praeter
rerum ordinem' staat in de
'Lauda Sion' (ca 1250), 'met voorbijgaan aan de
natuurlijke orde'. Het gaat om die andere werkelijkheid, het transcendente.
Daarvoor schiet verstandelijkheid tekort en wordt gevoeligheid gevraagd,
ervaring, mee-maken enz. Het is dus niet ver weg maar
kort bij. Hoe maak je dat invoelbaar ? Wellicht aan de
hand van het verhaal van het Laatste Avondmaal. Dit verhaal voegt iets toe aan
de betekenis van een bestaande Joodse rite.
Ter illustratie eerst een verhaal dat ik hoorde via
via van een meisje uit een tropenland afkomstig dat
wonend in Nederland een vrucht van thuis
had gestuurd gekregen. Waarom die moeite? Zij vertelde dat bij hen het de gewoonte was dat als je werd geboren de placenta werd
begraven. (Wij hebben zes kinderen en van vijf
heb ik de placenta in de tuin begraven, naast elkaar. Dan gaat er wat door je heen.) Op die plaats werd een vruchtboom
geplant en de eerste vrucht van die boom was voor degene van wie die
placenta was … Als
dat meisje zou vragen: "Wil je die vrucht met me delen?" en je
doet het, dan eet je niet alleen maar die vrucht.
+ 'De avond vóór zijn lijden …' ( '= niet
letterlijk uit het evangelie; " = wel letterlijk)
+ 'In het bewustzijn dat hij van U was uitgegaan en
tot U zou wederkeren … '
Deze zinnen plaatsen het gebeuren in een
duidelijke, kenmerkende situatie: menselijkerwijs was alles verloren, de
ijveraars voor het Koninkrijk zouden worden verspreid, de aanstichter had zijn
ondergang al aangekondigd, hij zou het uitschreeuwen aan het kruis. Niettemin
vertrouwde Jezus op zijn 'Abba'-ervaring. Hij zou hem niet in de steek laten.
+ "Met verlangen heb ik verlangd dit Paasmaal met u te eten …"
Het vieren van Pasen
had/heeft voor de Jood een speciale betekenis. Het plaatste weer centraal de
schepping, het offer van Isaak, het eerste Pasen in Egypte en de komst van de
Messias op het einde der tijden. Het was de verjaardag van het Verbond. Met be-leefde (leven in blazen) de tegenwoordigstelling daarvan
door uitgebreid te vertellen over die onderwerpen (waarbij het offer van Isaak
gold als een klassiek voorbeeld van het volmaakte, gave, perfecte offer) en
over het meetrekken van JHWH me zijn volk in nood, uit Egypte, door de
woestijn, naar het Beloofde Land en er in, tegen alle bedreigingen, over de
terugkeer uit de ballingschap enz., het hele heilsgebeuren van het volk. Nu nog
vertelt ieder gedurende de maaltijd wat hij dat jaar als belangrijke
gebeurtenis, verlossing, heeft meegemaakt.
Het ritueel was in grove lijnen als volgt:

Het Paasmaal zelf wordt in de evangeliën niet meer
genoemd. De maaltijd is niet primair maar de betekenis die Jezus aan twee riten
gaf, de broodrite en de 3e bekerrite. Dit wordt verkondigd:
"nam hij
brood zo ook de beker na de maaltijd
sprak het
zegengebed 'eucharistèsas'
brak
het (liet hij de
beker rondgaan)
gaf
het gaf hem
neemt en eet
hiervan drinkt hier allen uit
dit is mijn
lichaam dit is immers mijn bloed
van het nieuwe verbond
dat om u gegeven
wordt dat voor u uitgegoten wordt
tot vergeving van zonden
doet dit tot mijner gedachtenis"
Brood en wijn. twee heel gewone zaken, maar zijn er
andere dingen die korter bij het leven staan ?
Voortbrengsels van (moeder)aarde, van het land dat voedsel geeft en zo het
leven door laat gaan. Ook al denk je aan 'bron van ééuwig leven', het gaat om
de elementaire levensbehoeften die iedereen kent.
+ "Sprak hij het zegengebed" (om het
brood) en "na de maaltijd 'eucharistèsas' ". (zie verder)
Dit is een kernpunt voor het goed begrijpen van de eucharistie. Het zich
gezegend weten door JHWH was voor de gelovige Jood een levenszaak, een
standpuntbepaling (zeker voor Jezus; 'Abba' !). In het
scheppingsverhaal vinden we de zegening al als het gaat om levende wezens
(mensen en dieren): God zegende hen. De aartsvaders gaven een zegen door, Mozes
zegende (Deut 33), Aäron had een zegenformule (Num 6). Het is een zegening binnen het Verbond dat JHWH
voor hem, gelovige Jood, had gesloten aan de voet van de Sinaï en dat was
bekrachtigd met het bloed van offerstieren dat gedeeltelijk over (de voet van )
het altaar werd uitgegoten en gedeeltelijk over het volk werd uit gesprenkeld.
Als de Jood de leefregel (Wet) van het verbond onderhield, was het goed.
Zegenen is misschien te omschrijven als 'zeggen dat het goed is', bene-dicere, eu-logein.
Zegen gaat van boven naar beneden; God zegent Zijn volk, een vader zegent zijn
kind. De Hebreeuwse woorden 'Baruch Adonai' vertalen
we met 'Gezegend zijt gij, Heer'; ze betekenen
eigenlijk zo iets als 'Gij zijt het vat der zegening', 'Alle zegen is van
U afkomstig'. In die houding van zich gezegend weten leefde de gelovige Jood.
Hij sprak wel 100 van die zegenformules per dag uit; hij mocht niet eten van hetgeen hem in de 'vruchten der aarde' werd gegeven
voordat hij de Gever erkentelijk was om hetgeen hij kreeg om te leven. Met puur
eten en drinken in de hand sprak hij zijn "Baruch Adonai"
om het voedsel, dankte hij Hem om het (beloofde) land en smeekte hij Hem om
'Jeruzalem', de heilige stad van de toekomst: Uw Rijk kome.
Dan voelt iedereen aan dat het niet zomaar brood was en dat niet zomaar werd
gegeten en gedronken. Daar zit een heel verhaal aan vast. Toegespitst op wat
Jezus deed en zei op die avond vóór zijn lijden krijgt die rite wel een
bijzondere lading.
Jezus zegende het brood niet maar sprak de
zegenformule om het brood, leven. Die formule was kort in de geest van
"Gezegend zijt Gij Heer, onze God, koning van het al,
om het brood dat Gij uit de aarde hebt bereid". Daarna brak
hij het. De formule na de maaltijd met de beker was veel langer en bestond
minstens uit drie delen: zegening om het voedsel, danking
om het land (meer de gemeenschap van/in vrede en heil waarbinnen men leefde,
zie ps 37 vs 9vv) en smeking om Jeruzalem, de toekomst. Het gebed bij
beide riten heet later 'eucharistèsas' in het Grieks;
Mt en Mc gebruiken bij de broodrite 'eulogèsas', de
zegen gezegd hebbend en 'eucharistèsas' bij de
bekerrite, gedankt hebbend.
+ "brak het - gaf het -
neemt en eet"
Voor de rite heel gewoon maar het vermelden ervan geeft -dacht ik- wel de
spanning van het moment weer, je 'ziet' het gebeuren.
+ "hiervan"
Is ook logisch maar krijgt een betekenis van: dit wat ik net, toen ik dat zei,
in mijn hand had.
+ "immers"
In de Latijnse formules staat dit woord (enim) zowel
bij de broodrite als bij de bekerrite. Het veronderstelt iets bekend, iets wat
je desnoods op je vijf vingers kunt uittellen. Ik probeer dat te vertalen met:
jullie hebt gehoord wat ik zei, jullie weten wat dit voor mij betekent in deze
situatie, dit ben ik in mijn verhouding tot mijn Abba, meer kan ik niet.
+
"Dit is mijn lichaam."
Het O.T. kent drie soorten offers;
- het brandoffer (latijn:
holocaustum), waarbij het lichaam van het dier
helemaal werd verbrand. Dit offer was een zoenoffer, verzoening tussen JHWH en
mens nadat hij gezondigd had.
- het slachtoffer. Dit had een maaltijdkarakter, het was een
gemeenschapsoffer tussen God en mens. Zo was ook het verbond bekrachtigd.
(Exodus 24)
- een beetje onduidelijke verzameling van (meel)offers, waarin
het dank- en/of lof-element wel een duidelijke plaats
heeft. Deze dank-lofprijzing wordt vertaald met 'eucharisteo'; dit 'eucharistie'
vond plaats bij de bekerrite. (Lof brengen is éénrichtingverkeer naar boven;
danken is heen en weer, je reageert op wat je gekregen hebt.)
Jezus doelt bij de rite op het laatste Avondmaal
op gemeenschap. Hij stelt zijn Lichaam ter beschikking als offer i.p.v. het
offerdier: "voor u". Bij het joodse
maaltijdoffer werd het bloed uitgegoten over de voet van het altaar en het
vlees werd gebraden in het vet, dat verbrand werd. De priester kreeg een deel
van het vlees en de offerende familie at de rest als gemeenschapsmaal,
gemeenschap met JHWH en elkaar. "Blijf in mij, dan blijf ik in u".
Het offer dat
Jezus aan het kruis bracht
lijkt meer op een brandoffer, gehele verbranding en krijgt dan de lading van zoen-offer, verzoening tussen God en mens. En tenslotte deed Jezus dat allemaal binnen de Joodse rite van dank-lofprijzing zodat we nu nog spreken van 'sacrificium laudis', lofoffer. Een
en ander ligt duidelijk in de geest van het offer dat Abel bracht, Abraham (in
Isaak), Melchisedech (allen 'rechtvaardigen' net als
Jezus) en het gave Paaslam. Intussen zitten we wel midden in de symboliek.
+ "om u gegeven wordt"
Geven is vrijwillig aanbieden; Jezus trekt niet terug om zijn leven te redden,
zijn offer/aanbod wordt opoffering. Nog toe te voegen dat Jezus zelf zijn dood
niet ziet als een politieke moord of een tempelpolitieke moord. Het ging hem om
de goede eredienst aan zijn Abba, dat haar hoogtepunt vindt in zijn
levensinzet/-aanbod. Natuurlijk is er samenhang met de door de Sadduceeën
verknolde eredienst, maar zijn inzet is heel duidelijk "om u", zijn
leerlingen, wij.
+ "Dit is míjn bloed".
Nu is het niet meer het bloed van offerstieren zoals bij de sluiting van het
Verbond (Exodus 24) maar dat van mij. Ik
bekrachtig dat nieuwe
verbond; ik neem nu die oude verbondsverplichting
op mij.
+ "bloed dat voor u...
"
Op de t.v. heb ik eens gezien dat twee kinderen stonden te kijken naar het
geslacht worden van een lam. Toen dat beest was doodgebloed, kregen zij een bloed-duimafdruk van de slager op hun voorhoofd. Ik heb dat
tenslotte vertaald in: 'beest we moeten zuinig op jou
zijn; we mogen je niet zomaar dood maken (al was het alleen al in een
zuinigheidseconomie); maar door jouw dood kunnen wij verder leven en we dragen
daardoor jouw leven (bloed) verder'. Zo iets kun je hier ook bedenken; alleen
nemen wij dan dat leven niet, we krijgen het aangeboden.
+ "... wordt
uitgegoten"
over (de voet van) het altaar en over het volk volgens de Verbondssluiting (Ex
24). Is het vreemd om de paal van het kruis te zien als (de voet van) het
altaar waarop het Verband tussen God en de mensen wordt hersteld
? Hun zonden worden immers weggewuifd; 'praten We niet meer over'
krijgen we aangeboden. U voelt wel dat ik bedroefd word als er staat
"vergoten". Jezus' bloed loopt niet zomaar weg uit het vergiet. Dat
nutteloze, op zijn minst het kleurloze, ligt in het woord 'vergieten'. Heeft
Jezus dan al die moeite voor niets gedaan?
+ "nieuwe verbond"
Het drinken van offerbloed was voor een Jood volkomen nieuw, eigenlijk
onmogelijk volgens de Wet. Jezus claimt dus wel een
bovenmenselijk niveau door te zeggen 'drinkt hieruit, het is mijn bloed'. Maar
het gaat ook om iets heel nieuws: niet meer Heer-knecht
verhouding, de Oudtestamentische Heer-vazal-overeenkomst,
maar "ik noem jullie mijn vrienden". Dit overstijgt zelfs
'dienaar/dienstmaagd des Heren' !
Jer. 31,33 :"Dit is het nieuwe verbond dat Ik in
de toekomst met Israël sluit: Ik schrijf Mijn wet in hun binnenste; Ik grif ze
in hun hart. Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn. .... Ik vergeef hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun
zonden". De parallel is duidelijk. Binnen het kader van het Paasfeest ga je nu ook denken aan nieuwe schepping; de Vader
brengt haar op een hoger niveau via Zijn Zoon.
+ "Doet dit tot mijn
gedachtenis".
Wat is dat 'dit'? Dat is wat de heer deed: hij nam (op die avond) brood in zijn
handen, sprak het zegengebed uit en deelde het met zijn vrienden. Zo ook na de
maaltijd nam hij de beker …sprak het zegen-, dank- en
smeekgebed ... en deelde die met zijn vrienden.
Het gaat dus niet om een (magische) formule, het gaat om een handeling, om twee
zingevende daden, om de betekenis die men aan een rite mag geven. De inhoud van
de riten is samen met Jezus de Vader danken en met hem delen. Zo is hij
tegenwoordig, als we doen als hij; dan vallen plaats- en tijdsbeperkingen weg
(zie onder 1.4 "het
realiseren van het heilige"), dan is hij er
weer met zijn vrienden, eeuwig danken en delend. 'Terug denken aan', 'na-gedachtenis' hebben niet die betekenis als
'gedachtenis'; dit houdt nl. tegenwoordig stellen in.
Dat zodoende (!) het brood en de wijn 'anders' worden, daarmee heb ik geen
moeite. Maar dat geef ik beter aan door naar die andere werkelijkheid te
wijzen, naar het tegenwoordigstellend symbool, door me open te laten gaan voor
iets, door mee te maken, het over me te laten komen dan door
-hoe nuttig ook- verstandelijke beschrijvingen uit de Middeleeuwen. Het
gaat er om twee verschillende kaders, twee onderscheiden werkelijkheden samen
te laten vallen (symbolein). Je kunt niet zeggen: ik
bijt op het Lichaam van Christus. Het bijten hoort bij de zintuiglijk
waarneembare werkelijkheid en het Lichaam van Christus bij de andere
werkelijkheid. Je moet die twee tegelijkertijd te
pakken hebben en dat kan alleen maar -dacht ik- door 'er door heen' te kijken,
'er in' te duiken.
Er zijn twee onderscheiden in zwang: het mystieke
Lichaam en het werkelijke Lichaam. Ik meen dat die op de proppen zijn gekomen
toen in ongeveer de 11e eeuw het
'brood' als de zintuiglijk waarneembare God werd
gezien. Daar tegen in ontstond de term 'transsubstantia',
'over de materie heen'. Als men toen gevoelig was geweest voor
'tegenwoordigstellend symbool', waren er minder moeilijkheden geweest. Dat
woord is langzamerhand verder gegroeid tegen ketterijen, vooral die van de
reformatie, waardor het de betekenis kreeg van 'wezensverandering'.
Het mystieke Lichaam gold vóór de 11e -
12e eeuw voor de Eucharistie en het (daad)werkelijke Lichaam gold
meer voor de gemeente. Na die tijd zijn de betekenissen omgedraaid en nu hoort
men vooral van het mystieke Lichaam als aanduiding voor de Kerk. Ik vind de
eerst accenten toch het mooiste.
Augustinus
(ca 400) maakte dat onderscheid niet systematisch: "Wat gij hier ziet is brood en een beker wijn. Uw geloof zegt u
dat het brood het Lichaam van Christus is en de beker zijn bloed bevat. Als u
nu wilt weten wat het Lichaam van Christus is, luistert dan wat naar de apostel
zegt: Gij zijt het Lichaam van Christus en ieder afzonderlijk een lidmaat. Als gij dus het Lichaam van Christus zijt, ligt úw mysterie hier
op het altaar. Men immers tegen u 'Het
Lichaam van Christus' en gij antwoordt
"Amen" (= de waarheid). Weest dus in
wérkelijkheid een waardig lidmaat opdat uw 'amen' waar
zij."
Hoe het ook zij, het gaat in beide accenten om
hetzelfde Lichaam van Christus, waarmee Jezus Christus, de verrezen Heer, zich
manifesteert, de Vader dankend en lofprijzend, zich aanbiedend aan de Vader, smekend
om '', want we zijn nog steeds onderweg. Hebben we voorlopig wat te doen.
Aan Eucharistie zijn veel aspecten verbonden. Als
een korte karakterisering mag volstaan, is het bekende 'breken en delen'
onvoldoende; bovendien is het breken de rite t.b.v. slechts het delen. Beter is
dan: 'onderweg samen (met elkaar en met Jezus Christus) danken en delen zó als
hij deed'. Dus zó doende (!) nemen wij het brood en beker, zeggen het gebed,
heffen in dank met hem in hem en door hem en delen we dat extra door de nuttiging.
Een stapje verder: we doen samen met hem wat hij deed en hij doet (nog steeds)
voor/aan ons: daarom is het een sacrament, Jezus handelt binnen de Kerk.
Sacrament wil zeggen woord en rite, duidend woord en heilige handeling met een
symbool, voorafgegaan door een gebed om de H.Geest (zie sacramenten, 6).
Het duidend woord is hier "Door Hem en met Hem en in Hem zij U dank
gebracht" en de rite is het heffen van het Brood en de Beker, ons
toostgebaar, op het einde van het Eucharistisch Gebed. Het gebed om de H.Geest
is b.v. "stort uw Geest over ons
uit".
Maar bij Eucharistie als sacrament is er nog meer aan de hand. Jezus is niet alleen de aanbieder van dank, de offeraar, hij
biedt ook nog zichzelf aan als dankaanbod aan de Vader. Dus dubbel: zelf
handelend en zichzelf als voorwerp van handeling aanbiedend. Zodoende kunnen
wij ook 'in hem', niet alleen via hem en samen met hem doen. Het klinkt raar
maar is niet minder waar: 'in hem' betekent dat Jezus
Christus het presentje is dat wij meenemen om de Vader aan te bieden, het
cadeautje waarmee we onze dank uiten. Het dubbel-element
gaat alleen op bij Eucharistie en zij is daarom het meest karakteristieke voor
de Kerk.
Het "doet dit tot mijner
gedachtenis" betekent het heden en verleden bij elkaar brengen, samen met
hem vieren maar ook hem vieren als de Verrezene, als de Heer, de Gezalfde, want
hij heeft na zijn verrijzenis met hen gegeten en gedronken. Dat is ook een
wezenlijk aspect. Als hij niet was verrezen, kwamen we niet bijeen in zijn
Naam.
Zitten we wel met een
probleem. Als de woorden van de slotdoxologie ("Door Hem en met Hem …
") de duidende woorden van het sacrament zijn en de rite het heffen van
Beker en Brood, wat zijn de consecratiewoorden dan? Zij zijn samen met het
gebed om de Geest over de gaven ("Heilig dan deze gaven met de dauw
van Uw Heilige Geest") 'nodig' om van brood en wijn zijn Lichaam en Bloed
te maken, zodat wij kunnen danken 'in hem'. Beter andersom: omdat Jezus
"Dit is mijn Lichaam/Bloed" toevoegde kunnen wij 'in hem' danken.
Brood en Wijn worden dus de (tegenwoordigstellende)
symbolen van hem. En het is uniek dat wij zó de vader kunnen danken.
De
consequentie is evenwel dat de slotdoxologie eigenlijk
meer ter zake van Eucharistie is dan de consecratie, die onevenredig veel
aandacht heeft gekregen. Dat klinkt hard maar als je dat in de gaten hebt, ga
je zien dat door het beschouwen van de consecratie als het sacrament men
daarmee het sacrament laat 'dood' lopen, het stopt. Dan is 'het' gebeurd
(terwijl het "Doet dit"pas gebeurt/culmineert bij de
slotdoxologie en communie). Met
als gevolg dat de priester op het altaar 'het' doet bij de consecratie, de
gelovigen daar geen deel aan hebben en dus het sacrament niet be-leven. Er is een afstand tussen het altaar en het volk.
Ook met als gevolg dat volgens de voorschriften alleen de priester het
Eucharistisch Gebed bidt en de gelovigen mogen acclameren, terwijl er juist een
verbondenheid moet zijn; de gemeenschap viert.
Misschien is het verhelderend te bedenken dat
symbolen als chrisma en water apart worden gewijd, vóór de viering, en brood en
wijn natuurlijk(!) gedurende de viering omdat ze ‘er in zitten´ via de opzet
van de instelling. Jezus deed zo binnen dat kader en
zei dat wij het ook zo moeten doen. Maar met de wijding, heiliging, van brood
en wijn is het niet gedaan, zij moeten als blijk van definitief zich gezegend
weten, als maximaal dankaanbod en als onweerstaanbaar smeekgebed worden
geheven, aangeboden, gebaseerd op wat Jezus deed in zijn 'Eucharistisch
Gebed´. De consecratie duidt dus de kwaliteit van het aanbieden:
goddelijk niveau.
Een in geloof gegrond beeld als dat die drie
elementen worden geheven, opgedragen, door die aan het kruis vastgenagelde
handen, "daarin is zijn Kracht verborgen " - kan het beter? Meer bij ‘offeren’.
De priester stelt in dat kader Jezus’ maximale
aanbod, kruisoffer, weer tegenwoordig waaraan - krachtens
doop - de aanwezige Gemeenschap deel heeft die haar actuele aandeel, "ons
offer", hem in handen geeft. "ons" omdat het geen offer van
individuen betreft maar van de vierende Gemeenschap. De consecratie is een deel
van het hele sacrament en door een bescheiden wijze van tonen kan het verschil
met de rituele heffing bij de slotdoxologie, en dus de betekenis, zichtbaar
worden.
Zijn we nog niet klaar want er is een epiclese over
de dank aanbiedende gemeenschap maar ook een over de gaven, die bedoeld zijn
ter nuttiging: je kunt stellen dat de communie de rite is bij de duidende
woorden (van de uitnodiging tot de nuttiging van) "Het Lichaam/Bloed van
Christus", gebaseerd op zíjn
"Neemt en eet hiervan/drinkt hieruit. Dit is immers mijn Lichaam/Bloed". De consecratie duidt dus
ook de kwaliteit van de gaven: goddelijk niveau. Daarom staat zij centraal maar
zij behelst niet het hele sacrament.
"Doet dit
… " betreft een dubbel ritueel: het aanbieden, heffen, van de Beker en
Brood als dankoffer en vervolgens de communie, éénwording
met Hem, die ons in zijn goddelijke natuur binnenleidt. Zo zijn er drie
elementen: Aanbieder en Offer maar ook Eénmaker,
verweven met 'via Hem en met Hem en in Hem … '.
Tweemaal goddelijk aanbod: heilsaanbod aan ons van
de Vader, Die ons Zijn Zoon heeft gezonden met als hoogtepunt onze éenwording met Hem, en dankaanbod aan de Vader van de Zoon,
de Kerk, Zijn Lichaam.
Hoe de viering van de Eucharistie op zich is
gegroeid, is niet precies te traceren. Wellicht gebeurde dat binnen het kader
van de Sabbat en een wekelijkse maaltijd thuis, waarin de rite met brood en
wijn wezenlijk zijn: "Telkens als gij …"
(1Kor11,25v). De eerste berichten spreken alleen over "Brood breken"
(Emmaüsgangers, die Hem herkenden bij het breken van het brood, Lc 24; Hand 2, 42 zie begin, par. 1; in Hand 27, 35 vindt u
nog typisch de Joodse rite) maar het kan ook staan voor het hele ritueel want
in Hand 2, 46bc en 47a staat wat Eucharistie inhoudt: "… braken bij iemand
aan huis het brood, gebruikten samen hun maaltijden … loofden God …".
Typisch: "braken" betreft rite, "loofden" is betekenis. Dus
voor de maaltijd de broodrite met het zegengebed en er na het loven met de
beker, want het Griekse woord in de tweede strofe van de bekerrite –eucharidzein- werd de naam van de hele Eucharistie.
Het oudste document dat wij over Eucharistie kennen
is de z.g. Didachè, een geschrift uit ca 100, waarin de zegenspreuk om het
brood wordt genoemd, de maaltijd en dan het zegen-dank-smeekgebed
om de wijn met uitnodiging tot communie. Opvallend is dat het
instellingsverhaal ontbreekt m.a.w. de legitimatie om zó te doen ontleende de
gemeenschap aan haar instelling (en erkenning) om gemeente van de Heer te zijn
in Zijn Geest. Dat is de kern.
Het instellingsverhaal is pas in ca de 2e eeuw
ingevoegd als legitimatie en/of inspiratie en is veel later bestempeld als het
duidend woord van het sacrament. Daarom vind ik de instellingswoorden op zich
te eng als duidend element voor Eucharistie. Zij hebben het karakter van
magische woorden gekregen, los van de vierende Gemeenschap. Het hoog heffen van
Brood en Beker na de consecratie dateert pas uit de 13e eeuw; kan
dus niet als 'de' rite worden gezien. Ze is meer met pauselijk
hof(=curie)ceremonieel verbonden dan met wat Jezus deed en men gewoon was
vanuit Joodse huisliturgie, waarbij de tafelvoorzitter niet met zijn rug naar
zijn tafelgenoten toe zat. De Kracht van de Kring, incl. Centrum.
Ongeveer een halve eeuw na Didachè blijkt de
maaltijd verdwenen te zijn en blijven die twee zingevende riten over met
bijbehorende woorden. 'Tafel', 'tafelgebed', noch 'maaltijd' heeft dan ook zin.
De ontwikkeling gaat langzamerhand verder.
Het zou best kunnen zijn dat met het verdwijnen van de maaltijd een
fundamenteel aspect van Eucharistie vervaagt. Eucharistie
heeft twee kenmerken meegekregen in de evangelies: "Doet dit tot mijner
gedachtenis" en voetwassing; synoptici - Johannes. Dat het
priesterschap sterk wordt verbonden met Eucharistie is op zijn minst
begrijpelijk maar ik meen dat Eucharistie niet alleen een zaak van Jezus
Christus - priester kan zijn. Daar hoort bij voetwassing, Eucharistic
community. M.a.w. kan een priester/bisschop
Eucharistie vieren zonder dat er geloven meedoen? ? Voetwassing is nogal
concreet en praktisch, springt naar voren vanuit de idee van verlossing. Stopt
die dan niet bij de priester als hij zonder gemeenschap viert? De verbondenheid
van de Be-ambte met Jezus Christus kan niet te groot
zijn maar is die dan a-commuun gereserveerd voor hem?
Wordt het dan geen 'onderonsje' zonder ambt? Is het vieren van het Heilige
achter een scherm, zoals in de orthodoxe Kerk gebeurt, te verantwoorden?
Vervolgens, door de
band van de gezinsleden/vriendenkring ligt het verrichten van de dankritus
binnen de Joodse huisliturgie vanzelf in handen van de huisvader/leidsman. Die
typische band is er niet binnen een parochie en krachtens
de epiclese zij het de gelovigen gegeven deel te nemen aan de dankrite die de be-Ambte verricht binnen de Kerk. Het ligt in de aard van
de mens om om te gaan met het
heilige.
Ik nuanceer dus de
absolute rol van de voorganger. Omwille van het Lichaam. De primaire taak van
de voorganger is Gemeenschapsbesef oproepen; dan staat hij in Dienst. Bij de
andere sacramenten richt de Kerk zich meer op het individu; hier functioneert de
(universele) Gemeenschap intern.
Gelieve dit alles te zien als een principe-benadering. Er is veel meer over te zeggen. Zie
ook Het
Eucharistisch Gebed.
Wat betreft de beleving van de Eucharistie - ik
vrees dat hier een manco ligt. Tekenend is de mening dat Woord- en Communie
dienst eigenlijk niet zoveel uitmaakt t.o.v. de Eucharistie omdat je toch de
Communie krijgt. In de beleving van de beminde gelovige speelt de Eucharistie
zich af op het altaar, de priester doet het. Hij voert het programma uit. Hij
spreekt immers de consecratiewoorden uit en dan kunnen we ter Communie …. De
gelovigen wachten wel af. Hoopvol wachten op het Koninkrijk? 'Hoopvol
verwachtend' is iets anders.
Vóór Vat II was het gewoonte
dat iedere priester zo veel mogelijk de H.Mis opdroeg, ook als er geen
gemeenschap aanwezig was (Die gemeenschap door een misdienaar te laten
vertegenwoordigen vind ik toch wel erg mager). Vaak las de priester 'tegen de
muur' op een zijaltaar ook gedurende een parochiemis opdat het Kruisoffer zo
veel mogelijk gebracht zou worden op onbloedige wijze. En als er meer priesters
waren dan misdienaars, liepen dezen van het ene (zij-)altaar naar andere om te
antwoorden en/of te bellen ….
Dat gebeurt nu wel niet meer maar is de beleving
van de gelovige nu zoveel anders dan toen? Er is verschil tussen parochies maar
wat ik vaak zie is dat gedurende de prefatie velen zitten, na het Heilig,
heilig even op de knieën om na de consecratie weer er bij te gaan zitten, want
dan is 'het' gebeurd. En na de Communie al rondkijken of er iets te zien is, of
wat te praten of wachten tot de anderen geweest zijn. Hangt hij er niet nog net
zo goed bij, zit hij nu nog niet even goed klem tussen zangkoor en altaar? Ik
denk dat de aandacht die de consecratiewoorden hebben gekregen de
gemeenschapsbeleving heeft benadeeld. En ik vrees ook dat er nog veel zangkoren
zijn die meer in eigen dienst staan dan in de dienst van de gemeenschap, die
mag consumeren en die niet weet of/hoe ze actief kan zijn. Vroeger kon dat
nauwelijks anders, nu ligt dat duidelijk op tafel. Waarom loopt het kerk'bezoek'(!) terug? Omdat
er niks te be-leven valt.
Omdat we niet in vuur en vlam staan. We kunnen het nauwelijks want na de Communie
is het zo gauw mogelijk afgelopen en/of worden we gestoord door een liedje of
het zangkoor. Samen stil zijn?
Zou het geen goed idee zijn om de Eucharistie-ritus te beginnen met de vredeswens (zoals in
de Milanese liturgie), de gelovigen de prefatie staande
te laten (mee)bidden, de slotdoxologie samen uit te spreken met heffende, niet
vastgenagelde, handen om ons aanbod te onderstrepen en dan meteen ter Communie
te gaan (zoals bij het laatste Avondmaal) als invulling van ons gebaar en Zijn
uitnodiging "Neemt en eet"? De priester spreke dan het woord van de
Kerk "Komt zusters en broeders, neemt en eet/drinkt hiervan", terwijl
hij de hostie breekt, maar als duidend woord gebruike
hij niet de aanreikingsformule "Het Lichaam van Christus" maar
"Dit is mijn Lichaam", dat directer is en actualiserend, dus
"in persona Christi"
zoals bij de consecratie. De ontvangende kan met "Amen" of met een
zegenspreuk als "Gezegend, Gij, onze Heer" bevestigen. Jezus sprak die woorden immers meteen na zijn zegen-/dank-
en smeekgebed toen hij uitdeelde/liet rondgaan; nu weer. Zo zal het ook gegaan
zijn ten tijde van de Didachè. Nadat men verzadigd was (er was toen nog een
maaltijd), werd het zegen-/dank-/smeekgebed gezegd en dronk men van de Wijn.
(Even opmerken dat die eucharistische actualisering
"Dit is mijn Lichaam" niet bij het communie uitreiken in een WoCoviering of de ziekencommunie gezegd kan worden. Hij is dan niet zó
doende.)
De kerk heeft natuurlijk het recht om aan te passen
zonder het sacrament te kort te doen; ontwikkeling is mogelijk en het is haar
sacrament. De reden waarom het nu anders is dan in het begin ligt wellicht in
het gegeven dat in Rome vanuit de statiekerk, waar de paus voorging, de
hosties naar andere kerken werden gebracht. De vraag is: is het nu zinnig? Het
gaat mij erom om hetgeen wij doen zo kort mogelijk te
brengen bij wat Jezus deed opdat de beleving spreekt en inspireert. Alles wat
tussen het Eucharistisch Gebed en de Communie zit, stoort de concentratie,
dient de be-leving niet, kan beter elders
gebeuren. Gedurende het uitreiken kan er concentratie, rust en stilte zijn en
het Onze Vader kunnen we dan als afsluiting van het geheel bidden, samen met
Hem, die in ons is. Dan kan het zangkoor weer rustig zingen. Hoeven we na het
ter Communie gaan niet zo gauw weg naar huis en is er nog gelegenheid om wat te
bidden, te (be)denken, je in te denken. Misschien wel
wat te beleven.
Inderdaad
te be-leven. Onze viering van de Eucharistie zelf is
in twee ritus uiteengevallen: die van het Gebed en die van het ter Communie
gaan. Zij moeten m.i. weer éen worden. Maar er is nog een rite, die
verdonkeremaand is nl. die van de offerande. We
kennen wel de collecte, en als niet wordt gezongen spreekt de priester de
offerandegebeden hoorbaar uit maar als er wel wordt gezongen kan dat niet, want
dan duurt de mis wel 30 seconden langer.
In de
vroege kerk bracht men gaven mee voor de agapè, de
(liefde)maaltijd, onderdeel van de eucharistieviering. Een deel daarvan werd
tot eucharistische gave verheven. Die maaltijd had niet tot doel de honger te
stillen. "U kunt toch thuis eten en drinken?" (1Kor.11,22). Wij geven
aan de collecte voor praktische en diaconale
(liefdadigheids)doelen. Hieraan kan iedereen, al of niet
gelovend, deel nemen. Maar bij eucharistische gaven gaat het niet om wat je
hebt maar wat je bent; om de vraag of/hoe je staat binnen het Geheim van Zijn
leerling zijn via je Doopsel en Vormsel. Om daaraan uitdrukking te geven is
iets anders nodig dan collecte. Ik meen dat het heel goed zou zijn als bv. vóór
de viering de gelovige naar een 'aangeklede', centraal opgestelde tafel kan
gaan en daar onder het uitspreken van een gebedstekst of een persoonlijk woord
een hostie op een schaal legt (handeling + duidend woord). Die schaal kan dan
bij de offerande onder een soortgelijk gebed of zang naar voren worden gebracht
('prosforein' heette dat vroeger). En dan zingen of
bidden we dat samen hardop, want ons hart ligt daarin, ons dankaanbod. Dat kan
de voorganger dan terecht met een big smile aannemen
en op het altaar zetten. Hij kan dat 'omhoog brengen' (anaforein),
opdragen. Daaraan verbindt Jezus Christus zich in zijn dankaanbod aan de Vader.
Dan be-leven we wat. Hij be-leeft ons … tot Zijn
cadeautje aan de Vader.
En s.v.p.
niet van die platgestampte velletjeshosties. Het mag best een goed tastbaar
stukje brood zijn. Het dopen ervan in de Wijn is al zielig genoeg qua
ervaarbaarheid. Zou het zo gek zijn om een flinke slok te kunnen nemen? Dat
hoeft wat mij betreft niet persé uit éen beker.
"Juist op die (eerste) dag (van de week) waren
twee leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs
heette", d.w.z. ze knepen er tussen uit, want ze waren het zat. Ze hadden
zo gehoopt, zo verschrikkelijk gehoopt. Dan komt Jezus en laat hen uitpraten;
hij verklaart hun en laat daarmee hun hart branden, zet het in Vuur en Vlam. Ze
herkennen hem in het breken van het brood nadat hij het zegengebed had
uitgesproken.
Onderschat het dankgebed van de Heer niet. "De
volgende dag kwamen er bootjes uit Tiberias dicht bij de plaats waar men had
gegeten na het dankgebed van de heer". 5000 man verzadigd
-vrouwen en kinderen niet eens meegeteld- en ze hielden nog 12 manden met
brokstukken over ! Voor onderweg. Naar Huis.
5000: alles, helemaal, allemaal, binnen het organieke kader
van het (Eerste) Verbond. Zie getallensymboliek.
Literatuur: eigenlijk weet ik geen enigszins
behapbare literatuur typisch alleen over dit onderwerp
© 2000 - 2006
P.Goris Epe