VOLWASSENECATECHESE OP INTERNET
blok D
terug naar Eucharistie (blok C)
verder naar gebed
emailadres
11 Zonde - Bekering
11.1 Inleiding
11.2 Wat zit in 'keer'?
11.3 Verkondiging van bekering
11.4 Twee verschillende heils-lijnen
11.5 Zonde - schuld - vergeving - verzoening
11.6 Spijt - berouw
11.7 Boete - verzoening
11.8 Heer, heb medelijden
11.9 Geweten
11.10 Vrije wil
1 Inleiding
Net als 'verlossing' is 'bekering' direct bij 'verrijzenis' te plaatsen.
Door hun bekering kregen de leerlingen -vergeleken met het O.T.- een nieuwe basis, een concretere invulling, nl. geloof in
Jezus van Nazareth, die door God tot Heer en Gezalfde was gemaakt. Denk maar
aan Maria Magdalena bij het graf: ze 'keerde zich om' en zei toen
"Rabboeni". De gesneuvelde Amerikaanse soldaat, wiens
'Hello God' een goede start is om 'bekering' te leren
kennen, heeft vroeger van God gehoord. Nu gaat het erom dat hij het (ineens)
door heeft en zich bekeert, anders gaat denken.
In die zin is bekering, net als verlossing, een tricky
onderwerp: degene die niet 'bekeerd' is, snapt er niets van en degene die dat
heeft meegemaakt, heeft het niet meer nodig. Ofschoon .... het kan nooit
kwaad je nog eens te bezinnen op die vonk of die dreun of dat pijnlijke proces;
misschien helpt het nog.
Bekering gebruiken we ook als het gaat om terugkeer naar het goede, dat we
hebben losgelaten. Een zondaar, die eerst goed was en toen kwaad heeft gedaan,
kan zich bekeren.
Een derde betekenis is bekering t.o.v. het volmaakte; iemand die al goed
leeft probeert steeds beter aan het ideaal van Jezus Christus te beantwoorden,
opdat hij sterker leeft met behulp van en in Zijn Geest. Dat klinkt deftig,
goed voor kloosterlingen en zo, maar eigenlijk doe je 'vanzelf' - nou ja
…
2 Wat zit in 'keer'?
|
Verkeren |
het wordt anders dan je had gedacht (Bredero; "het kan verkeren") |
|
Inkeer |
bij jezelf Dat ligt helemaal in je eigenste
zelf en is daardoor heel sterk; het aangrijpingspunt is je hart (zie
4.8), de plaats van jouw God-zoeken. Dan
kun je beslissen tot een |
|
Omkeer |
je gaat anders doen; misschien keer je helemaal om,
omdat je je van je doel áf bewoog. Dan ga je je |
|
Bekeren |
hoe je jezelf keert. Be-keren net als 'be'-leven, 'be'-ademen.
Je gaat be-heren of be-damen,
be-sturen. Je bent bezig, zelfkritiek. Ook je
telkens (='be'-) keren naar een ander, luisteren. |
Christen zijn is geen achter-de-kachel-zitten
met iets dat je gekregen en verworven hebt. Je bent voortdurend aan het bij-sturen opdat je niet uit de bocht vliegt. En al
vliegend neem je risico in het vertrouwen dat God degenen die Hem zoeken niet
laat flodderen. Met zo'n instelling groeit je geloof.
Je kunt niet iemand bekeren, noch in de zin van een nieuw inzicht krijgen, noch
in de zin van gedrags-verandering; net zo min als je je geloof kunt overdragen. Zo iets krijg je, krijgt de
ander, en dan doe je/ doet hij zelf. Ieder mens moet
-zeker in deze zaken- eigenstandig (kunnen) zijn.
In het O.T. waren de
profeten de herauten van de bekering. Zij signaleerden
misstanden, niet alleen dat het volk zijn contact met JHWH verloor door andere
goden te aanbidden e.d. maar ook sociale missers, vooral t.o.v. weduwen en
wezen, die geen 'goël' hadden, iemand die voor hen
opkwam, een 'losser'. "Uw eredienst is niets waard als uw
gerechtigheid niet echt is." Zie Amos 4 en Jesaja 3.
Voor het N.T. is Johannes de
Doper de inleider: "Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij".
Marcus zegt van hem:"... verkondigend een doopsel van bekering tot
uitwissing van zonden". Hand 13,24:" ... had Johannes een doopsel tot
bekering verkondigd ... ". Zo'n
doopsel was nieuw voor de Joden die voor zondevergeving in termen van
ófferritueel dachten. Nu moesten ze zelf een duidelijk ritueel ondergaan, in
hun binnenkant.
In het N.T. is Jezus de
kampioen van bekering: ".. opdat ge zult weten(!)
dat de Mensenzoon macht heeft om zonden uit te wissen... " (Mt 9,6).
"...en dat in zijn naam bekering tot vergiffenis van zonden gepredikt moet
worden onder alle volken". Zo eindigt het Lucas-evangelie. In zijn naam je
zonden kwijt zijn! Is dat goed nieuws of niet? Hand. 13,38: "...dat door
hem aan u uitwissing van zonden..." Mt. 12,31: " Iedere zonde en
(Gods)lastering zal aan mensen worden vergeven" (behalve die tegen de
Goede Geest). En wij maar met complexen rondlopen.
Het Griekse woord is letterlijk 'wegzenden'; wij zeggen eerder
'(uit)wissen' of -O.T.-isch- 'bedekken' van zonden. Schuld 'ver-geef'
je. Ik wil graag schuld en zonde(daad) onderscheiden; nou ja, 'zonden vergeven'
kan als dat onbelangrijk is.
Het kampioenschap van Jezus ligt in de visie dat hij het
ergste kwaad t.o.v. van hem en de Vader toeliet door zich vrijwillig op te
offeren door zijn dood aan een kruis. Voor een Jood kon het
niet erger omdat Jezus de doodstraf niet had verdiend, het was een onrechtmatig
proces, omdat hij als gelovige, tsaddiek, werd ontkend en omdat hij niet door
steniging (de Joodse manier) maar aan een Romeins schandetuig werd gehangen. Niettemin,
Petrus zegt voor het Sanhedrin dat die zonde gewist wordt bij degene die hem
gaat volgen, "… in zijn naam bekering tot …" Zo maakt hij mogelijk dat bekering uit die 'duisternis' een goed
gevolg kan hebben in uitwissing. Zonder dat loopt bekering dood.
Jezus liet het niet bij zonde-uitwissing. Het op God-gericht
zijn, het goed wíllen doen, is niet voldoende; je moet het ook nog doen:
"Jullie zult gedoopt worden in de H.Geest". Ondergedompeld,
doorstroomd, doorzinderd worden met goddelijk leven.
Zo genoeg? Is er dan nog plaats voor zonde?
4 Twee verschillende heils-lijnen
Ja, maar, we zijn toch zondige mensen ? Paulus
zegt het zelf. Arme Paulus heeft het weer gedaan. Het is een koud kunstje om
alles op één hoop te gooien. Dan zit je in het verdomhoekje, je schuldcomplex
voor de zekerheid koesterend; dan hoef je niets te doen want je bent toch
zondig en blijf je in het stof liggen.
De kerk is sterk geweest in het tot wet verheffen van een ideaal,
waartegen dus kon worden gezondigd op straffe van. Het
ideaal van volmaaktheid (die klaarblijkelijk bestaat) is natuurlijk prima maar
als het te gauw wordt gehanteerd en als norm wordt gesteld, kan de arme
gelovige het niet meer bij houden. Als het ene beter is dan het andere, dan
werd dat andere al gauw tot zonde gebombardeerd, ook al was er geen onrecht
bij. Resultaat nu: zonde en schuld worden 'mit leichter Hand abgeschüttelt'. Het
zonde-besef is verdwenen - dacht ik - omdat de
onherroepelijke realiteit van zonde niet meer reëel wordt beleefd. De kans dat
de oudere generatie het alleen inzake
seksualiteit beleefde is levensgroot.
Het is heel nuttig als je zonde en schuld kunt hanteren. Daarover deze en
de volgende paragraaf.
|
1 Paulus heeft het
vaak over bekering uit het heidendom. Dan krijg je deze lijn: Hier is niks te vergeven, is schuld noch berouw.
Deze bekering en verlossing is één-malig.
|
2 De Tora gaat
ervan uit dat de mens (zeker de Jood) God kent en al met Hem een
heilsrelatie heeft. Hij is een Godskind. Door de zondedaden van de mens gaat
evenwel daarmee iets mis. Dit is dus wat anders dan
de principiële 'zonde'-heid waar Paulus het over
heeft. Ondanks ons Godskind zijn zijn
we dom en behoeftig, arm. Dan krijg je de volgende lijn: De redding is nu dat de relatie weer heel is en
heelbaar blijft. We zijn dus nooit geboeid aan of slaaf van onze
zonde(daden). |
Dat geboeid zijn aan, slaaf zijn van de zonde, met loskoping
(latijn; redemptio)
als bevrijding is een veel gehanteerd beeld. Bij de Joden en Romeinen bestond
de mogelijkheid dat slaven zichzelf vrij kochten of losgekocht werden met
losgeld. Op geestelijk niveau spraken de Joden van slavernij in Egypte, waar ze
zichzelf niet konden zijn, moesten leven voor het werk, hun God nauwelijks
konden dienen. Jezus heeft hen/ons daarvan losgekocht. Hij heeft ons bevrijd
van doelloosheid, waarin we ons heil zochten in onware ideeën, maar ook van
menselijke beperktheden, zelfzucht, onrecht, waardoor we niet het niveau
bereikten waartoe een mens kan komen. Ons woord 'verslaving' duikt op.
Jezus heeft laten zien dat goed leven -zijn leven- zin
heeft, want hij is verhoogd door de Vader, en hij geeft dat leven door aan zijn
volgelingen. Zo kun je zeggen dat hij ons met zijn leven(sinzet)
oftewel zijn 'kostbaar bloed' heeft losgekocht uit
slavernij. Bloed staat voor leven. Dat was de losprijs voor eens en altijd.
Jaarlijkse zoenoffers en zondebokken waren niet meer nodig, want hij zei:"
Hier ben ik". Neem mij (Hebr. 10,7). Dat was vol-doende.
We zijn evenwel mensen die fouten maken. Zowel inzake die definitief goede heilsrelatie (doop) als inzake
het telkens weer herstellen ervan (biecht) mogen we ons beroepen op zijn
Kracht, mits we als volgelingen zijn 'Vorbild'
volgen.
Dat kan alleen als we deel aan hem hebben. Dat gebeurt via de
sacramenten. Daarover later meer. Als je dat in de gaten krijgt, verandert je
levensinstelling wellicht. Hij is er niet meer om ons de voeten te wassen (en
ook nog hoofd en handen, zoals Petrus wilde), maar om e.e.a. hard te maken
kunnen we wel elkaar de voeten wassen; zetten we verlossing voort.
5 Zonde - schuld - vergeving - verzoening
zonde 5.1
5.1.1 Het O.T.
is niet tot een systematische leer over zonde e.d.
gekomen (het N.T. ook niet). Niettemin wordt het 'kwaad' genuanceerd aan de
hand van enige begrippen waarvan de volgende drie de voornaamste zijn. Hun
inhoud moet uit de context worden opgemaakt. Dat worden
omschrijvingen, geen definities:
- de misser, misslag, doelmissend, te kort schietend t.o.v. het volmaakte; in
die zin zijn we dus altijd 'zondig'.
- de weerspannigheid, opstand tegen God, in het beeld van het geloofsschema (4.8)
de breuk in de heilsrelatie; het al of niet psychologisch verklaarbaar zijn en
vergeefbaar zijn is niet duidelijk.
- de zonde-schuld, het gevolg, in het beeld van 4.8 een knik in de
heilsrelatie, 'ver'-keerd.
De begrippen kunnen wellicht aan de hand van een paar teksten wat verduidelijkt
worden. In onze bijbelvertaling staat voor die nuances
meestal algemeen het woord 'zonde(n)' maar ook zonde-vergeving
i.p.v. zonde-uitwissing.
In Jes 6 staat het roepingsvisioen van Jesaja, een top-ervaring
voor hem, waarschijnlijk bij het reukaltaar in het
heilige der Heilige van de tempel. Aangegeven wordt hoe JHWH heel anders is dan
de mens ("heilig, heilig, heilig is JHWH de god van de machten") en
Jesaja voelt zich verloren omdat hij een mens is met onreine lippen onder een
onrein volk. (zie desgewenst 'reinheid')
Dan raakt een seraf zijn mond aan met een gloeiende kool en zegt:" Zie, nu
dit uw lippen heeft aangeraakt, wordt uw zonde-schuld afgebogen en uw tekort
verzoend" (overbrugd).
In Jesaja 43 zegt JHWH: "...zelfs hebt gij uw
missers Mij op Mijn nek geschoven (als op een dienaar, slaaf; moeilijk
vertaalbaar in 'nette' woorden) en Mij moe gemaakt met uw zonde-schuld. Toch
wis Ik en niemand anders uw weerspannigheden uit om wat Ik ben en zal uw
missers niet meer gedenken".
In Jes 59.2 staat: "Uw zonde-schulden zijn scheidingen tussen u en uw God
en uw tekorten verbergen (Zijn) gelaat (zodat u het
niet kunt zien), (houden) van u weg het horen (van Mij)".
(verduidelijkingen tussen haakjes)
Als ik dat zo overzie dan denk ik dat JHWH bij een berouwvolle Jood zelfs
zijn rebellie gaarne uitwist ("om wat Ik ben"), dat zijn menselijk
tekort wordt overbrugd en dat de Jood hals over kop een offer brengt opdat JHWH
het gordijn in de relatie weer open schuift. Net zoals Hij zonde uitwist of
bedekt (geen barst van te zien) en de brug slaat. Want onze God is een
barmhartige god die gaarne uitwist opdat verzoening plaats vindt (en een zucht
van verlichting).
Opm. Verzoening is wel gelanceerd als het genoegdoening geven aan de
Volmaakte en wel speciaal door HET offerlam, Jezus Christus. Dat is een
middeleeuwse gedachteconstructie die niet bijbels
gefundeerd is.
Wel bijbels is dat in het Heilige der Heilige
van de tempel de Ark van het Verbond stond. Daarop lag een gouden plaat waarop
twee cherubs stonden met de vleugels uitgespreid. Daar, tussen die cherubs,
daalde JHWH neer. Die gouden plaat heet de kapporet: deksel der
verzoening, m.a.w. God komt naar ons mensen toe om verzoening tot stand te
brengen. Toen al. Je kunt dus niet zeggen dat JHWH een volmaakt offer eist. Je
kunt wel zeggen dat in Jezus (een nog perfecter offerlam dan Isaak) dat verzoenings-aanbod helemaal vol is geworden, 'vol'doende; maar dat is iets anders dan genoegdoening.
5.1.2 In het N.T.
is bovenstaande driedeling van zonden niet meer terug
te vinden. Nagenoeg alles wordt vertaald met 'misstappen', soms een 'ongeluk(kige val)'. Een enkele keer staat er 'lasteringen' (=
weerspannigheid ?) en het gezegde van Johannes over het Lam dat de zonde van de
(hele !) wereld op zijn nek neemt, wijst in de
richting van zonde-schuld. Dat spreekt voor zich. Als we deel hebben aan hem,
neemt Jezus die last op zich. Als zijn volgeling om uitwissing heeft gevraagd,
overbrugt hij die onoverbrugbare afstand tussen God de Vader en Zijn schepsels
definitief zodat wij gezoend kunnen worden. Hij is het toppunt der
verzoening:" God die op de aarde naar ons toe gekomen is".
de schuld 5.2
Zonde draagt geen schuld mee als het de O.T.-ische
'misser' t.g.v. menselijke onvolmaaktheid betreft. Je wordt pas schuldig als je
er niets aan doet. Ben ik schuldig aan de ellende in de derde wereld ? Wel als ik er niets aan doe.
Voor 'weerspannigheid' kun je op het matje worden geroepen, tenzij er sprake is
van psychische onmacht e.d. De Vader is geen dienstklopper.
Hij heeft meer zorg om een onverlost iemand dan om een paar harde woorden. Hij
kan wel tegen een stootje. Kijk maar hoe Jezus omging met Legioen (Lc 8,26 vv):
hij herstelde hem eerst in zijn menselijke waardigheid en toen bleek Legioen
een goed mens te zijn. Wilde de vader van de Verloren zoon schulddelging
? Welnee, hij stond op de uitkijk en wiste uit: feest. De broer van die
zoon stelde zich op een wettelijk standpunt, volgens afspraken. Daarmee was hij niet fout; hij had gelijk, maar hij had niet in de
gaten dat er iets is dat uitgaat boven recht; die vreugde kende hij niet. Daar
ligt het wezen van de verzoening: iets boven-menselijks,
iets goddelijks, laten zien.
Bij de 1e
heilslijn staat dat er geen sprake is van schuld. Alleen als
iemand hardnekkig met open ogen blijft weigeren in te gaan op het heilsaanbod
tegen zijn inzicht in, is hij schuldig. Ooit zo iemand ontmoet
?
vergeving
5.3
van de kant van God hebben we in de 2e
heilslijn al besproken. Maar ook vragen om vergeving hoort in de menselijke
en/of goddelijke relatie thuis. Onder 7.3 hebben we gesproken over die tweede schuld
(c). Voor
een geldschieter hoef je je op dat punt geen zorg te
maken, maar met je buurman heb je een relatie. Als je die weer wilt herstellen,
moet je om uitwissing vragen. Dan doe je recht aan hem en aan jouw en Gods streven naar eenheid. Op dit niveau kun je
zeggen dat je vergeving verschuldigd bent. Vervolgens zal de buurman op zijn
beurt jouw fout wissen.
Vergeving is wezenlijk voor het Christendom, voor het
Rijk Gods. Als je je medemens niet vergeeft, moet je
maar zien dat God jou vergeeft en laat je hem onverlost, ont-schuldig
je hem niet, laat je hem achter een barrière. Maar zelf zit je ook achter die barrière; je bent zelf
niet vrij. Als we schuldig blijven, is er geen uitzicht, ook niet voor de
samenleving.
JaaMaaaar 1: als je buurman je niet
wil/kan vergeven, wat dan? Dan kan de gemeenschap zeggen dat je je best hebt gedaan en je ontslagen bent van je zonde.
Binnen de kerk kan dat gebeuren via de biecht. Rest wel de vraag of dan de verzoening bereikt zal/kan worden en een biecht blijft
steken bij vergeving; verzoening voltooit normaliter
de biecht.
JaaMaaaar 2: moet ik
-als christen- degene vergeven die mij heeft onteerd, misbruikt, psychisch/lichamelijk
verminkt? Niemand matige zich hier iets aan! Het antwoord aan Dutroux "Ge
kunt creperen met uw excuses" dendert door.
a) niet de zaak omdraaien: je hoeft hem niet met je
vergevingsgezindheid achterna te lopen, zelfs niet als dat geruster aan zou
voelen. Een gerust gevoel en vergeving is niet
hetzelfde! Hij moet vergeving vragen, anders heeft het geen zin.
b) als de misbruiker wel om vergeving vraagt, kan een
psychische belasting zo groot zijn dat je er niet aan toekomt, het niet
haalbaar is. Voel je dan a.u.b. niet schuldig. Misschien kan de misdoener/ster
dat indirect vernemen maar forceer niets bij jezelf; dat is zinloos. IJzer met
handen breken? Je moet vrij zijn om te kunnen vergeven. Leg dat probleem bij
Jezus Christus. Zoekdeskundige pastorale hulp en wie weet wat er ooit
van komt - in vrijheid, zonder enige chantage!
Bedenk dat vergeving en verzoening niet hetzelfde zijn. Voor de oprechte
misbruiker/ster blijve 'JaaMaaaar
1' open opdat hij/zij weer vrij wordt, ook al zal zijn/haar boete niet merkbaar
verzoening tot resultaat hebben.
JaaMaaaar 3: je moet je broeder toch 7 x 70 maal vergeven? Klopt. Mits
hij je broeder is. Iemand die mij misbruikt(e) enz. is geen broeder. Hij is
mijn belager. Pas als hij om vergeving vraagt, wil hij weer in die broederband.
Zie Lc 17, 4. Zolang hij dat niet doet, is vergeving niet aan de orde. Vergeven
is dan eerder het onrecht bedekken met …
Denk hierover niet te licht. Zou Jezus met zijn zweep de geldwisselaars
achterna zijn gelopen met zijn vergeving? Zou hij degene die kinderen aanstoot
geeft, aangeboden hebben om die molensteen drijvend te maken of zo iets? Hoe
zou de parabel zijn als de verloren zoon zijn vader had bestolen van
levensbehoeften? Is broederschap dan nog mogelijk?
JaaMaaaar 4: Jezus bad aan het kruis (Lc 23) en Stefanus ook (Hand 7)! Zij baden tot
de Vader voor hun belagers, m.a.w. dat is "goed
zijn voor je vijand". Maar dat is iets anders dan vergeving, die alleen
tussen rechtstreeks betrokken kan bestaan. Goed zijn voor je vijand dekt het
begane onrecht niet toe. Misschien doe je het maar één keer,
met veel moeite, en wil je het dan vergeten, maar als je het kunt, help je ook
je zelf. Dit 'goed zijn' is iets tussen God/Jezus en jou; daar kan geen
ander tussen komen. Een kundig ander zou wel kunnen hélpen, want zo iets gaat
echt niet zomaar.
JaaMaaaar 5: We bidden in het Onze Vader "Vergeef ons onze schulden zoals ook wij anderen hun schuld vergeven"? Ho, vergeet niet dat je op dat moment bidt: je bent 'on speaking terms'. Iemand die zich ernstig heeft misdragen t.o.v. mij is niet met mij in gesprek zoals ik met de Vader in gesprek ben. Als je bidt, heb je eventueel je/een zonde al beleden, uitdrukkelijk of vanzelfsprekend, en er rest een schuld waaraan je t.o.v de Vader alleen kunt voldoen via een beroep op Zijn Barmhartigheid, "vergeef me de schuld". Dus hier weer hetzelfde idee: je hoeft niet 'automatisch' degene te vergeven die zich ernstig heeft misdragen t.o.v. jou omdat jij om (schuld)vergeving voor iets anders aan de Vader vraagt. (Zie ook Mt 18,24 en 28.) Als het niveau van jouw zonde(schuld) t.o.v. de Vader zó is als dat van jouw verkrachter(s) t.o.v. jou, "… zo als … ", dan ziet het er slecht voor je uit. Dat zou theoretisch mogelijk zijn als je een zonde tegen de H.Geest hebt begaan. Daargelaten dat dat een hele prestatie is, als dat zo zou zijn, zou je niet bidden.
Een zijstapje over
vergeving in een psychologisch kader
omdat vergeving vaak
in een ruime betekenis wordt gebruikt. Ik vereng de betekenis van vergeven
(binnen het morele kader) tot het slechten van de/een barrière: men wil een
contactmogelijkheid open houden, telt het kwaad niet (meer), stapt over de
belediging heen en laat de mogelijkheid tot herstel van de relatie open. M.a.w.
het is niet automatisch zoals het eerder was. Daarover meer in par. 7 'boete -
verzoening'.
Vaker heb ik van misbruikten vernomen dat je eerst je
zelf moet vergeven, waarmee wordt bedoeld dat je zo stom bent geweest om het
toe te laten, dat je het zelf ook wel fijn vond die aandacht te krijgen (dan
moet je ook de consequenties aanvaarden), dat je er overheen moet stappen omdat
je anders niet verder kunt, dat je de spijt en de woede maar moet/wilt zien als
eigen onvolmaaktheid, dat je eigenlijk ook kwaad hebt gedaan …. Het is niet eenvoudig te onderkennen wat er allemaal meespeelt, hoe voors en tegens in je gedachten
zwalken.
Om het begrip 'vergeven' (van moreel kwaad) zo zuiver mogelijk te houden
zou ik dit geen vergeven noemen; er is immers geen sprake van moreel kwaad
bedreven door het slachtoffer. Een wezenlijk punt van misbruik is dat er geen
gelijkwaardige situatie is; het slachtoffer wordt gedwongen, misleid op een of
andere manier, er is geen sprake van inzicht in en vrijheid van handelen. Vaak
komt het slachtoffer pas later tot dat inzicht. Er is dus geen moreel punt: je
bent niet zondig.
Ik zie dit 'vergeven' als een psychische worsteling om het 'ongemak'
hanteerbaar te maken, je leven leefbaar te maken, de schande/schaamte te
hanteren, schuldgevoel kwijt te raken. 'Ik moet/wil verder en hoe kan ik dat
doen?' Daarvoor heb je geen (moreel) vergeven nodig maar psychische
vaardigheden en verwerking. Het is niet leuk de vinger op de zere plek te
(moeten) leggen maar met kundige hulp kom je verder. En wel zonder je geweten
ook nog te belasten. Want als je niet bij machte bent om te vergeven, voel je je daarom misschien al schuldig. Ten onrechte, ook al voelt
het anders; je voelt een tekort. En dat is natuurlijk spijtig, maar niet
zondig.
verzoening 5.4
Als alles gebeurd is, is er verzoening, de zucht van verlichting. Het
wordt/ is weer goed. De latijnse
vrijmakingsformule is "Indulgentiam,
absolutionem et remissionem
peccatorum …": delging (van de schuld,
straf), losmaking (van de zonde-boeien) of ontslag
(van de zondelast) en wegzending/uitwissing van de zonden. Dat opent
perspectief nl. naar verzoening. Ik heb ooit gelezen
dat ruzie met je vrouw niet zó erg is, want de verzoening is hemels. Ik vraag
me af hoe die vent dat te weten is gekomen
Als men zich verbaasd heeft over het gekregen inzicht,
verbaast men zich over de onwetendheid, over de ellende die niet nodig was
geweest. Dat is spijt(ig); berouw past dan niet omdat
er geen schuld is. Het gebed van die soldaat
vind ik een treffend voor beeld van spijt. Het is een diep menselijke ervaring
die niets van het verstandelijke heeft maar zuiver emotioneel - intuïtief is.
Dat zijn geweldige momenten van contact met God.
Een mooi voorbeeld van berouw is dat van die zondares die Jezus' voeten waste
met haar tranen en met heur
haar afdroogde. Moest toen nog veel worden gezegd ?
"Uw zonden zijn gewist. Ga in vrede" en dat is de hele wereld rond
gegaan. 'Lavant aquae, lavant lacrimae' (wateren wassen,
tranen wassen) was in de M.E. een term van vergeving.
Verwar spijt en berouw niet, want ze liggen kort bij elkaar. Die vrouw was
zondares, die soldaat niet.
Boete is geen vergelding, genoegdoening aan God voor de miskleun. Alsof
wij God kunnen beledigen ! We gooien onze eigen ruiten
in. Boete op te vatten in de zin van 'het net boeten', het verband herstellen.
Daarmee kom je verder dan met al of niet vrijwillige straf. De boete moet
overeenkomen met de ernst van het vergrijp. Gebed, meditatie, een echt offertje
brengen zijn manieren om je weer op God te richten, om bij te sturen wat 'ver'-keerd was, de knik recht te buigen: het is/wordt weer als
vroeger: verzoening. Dat boeten geldt natuurlijk ook t.o.v
een naaste, waarbij niet alleen de ernst van het vergrijp maar ook het niveau
van de vroegere relatie telt, én schadevergoeding.
Ofschoon vaak samengaand: vergeving en verzoening zijn niet hetzelfde.
Bij ernstig vergrijp wordt dat duidelijk: als al vergeving plek heeft kunnen
krijgen, rest toch de vraag:"Hoe denk je dat goed te maken?" … opdat ik kan wissen. Nu ligt het onderscheid tussen
(schuld)vergeven en wissen heel gevoelig. Misschien zeg je nu beter 'bedekken'
Vergeving is het negatieve weg laten, ruimte
geven, de barrière slechten; je zit op de nul-lijn.
Boeten is positief bezig zijn, boven de nul-lijn op
bouwen, zodat een
zoen (weer) op zijn plaats is/komt. In volgorde stap voor stap: inzicht,
bekering, vergeving, boete, wissen/bedekken en verzoening. Voor iedere stap is
een beslissing/daad nodig, maar vergeving impliceert boete. Een boeteweg kan
ook beginnen bij bekering, voordat vergeving is gevraagd, en zo het verzoek om
vergeving meer inhoud geven, acceptabeler maken, laten zien hoe het je ernst
is. De verloren zoon had zijn boeteweg al afgelegd toen hij om vergeving vroeg,
net als die zondares, die niet expliciet om vergeving vroeg. Zij ging verzoend
in zijn vrede.
De afstand tussen ons en de Volmaakte bestaat. We zijn 'zondig'. Daarom
het kerngebed 'Heer, ontferm u', dat over de hele
aarde gaat. Maar als ik moet zeggen 'door mijn schuld, door mijn grote schuld',
vind ik dat te veel van het goede, inflatie. Reëler vind ik:"... dat Hij onze
zonden uitwist, onze schuld vergeeft en ons tekort te hulp komt".
Om het gebed om vergeving te accentueren is ps. 51 geschikt, die David
bad nadat hij een rotstreek had uitgehaald, echt een schoftenstreek. Om dat
berouw goed aan te voelen moet u echt eens 2Samuël 11 en 12 lezen. In het
eerste gedeelte van psalm 51 ligt een typisch rustpunt nl. vers 6: "Gij
zijt rechtvaardig, onaantastbaar in Uw gericht".
M.a.w. verder hoef ik niet te zoeken, het helpt niet; ik lever me uit in Uw
hand, dan zit ik goed ook al krijg ik op mijn donder. Daar ligt waarheid;
daaraan weerspiegelt mijn kern zich (4.8).
Kardinaal Newman zei dat het 'kennen van God' (O.T.:
"JHWH zoeken") niet via kennis loopt maar via het geweten. Goddelozen
zijn in het O.T. geen atheïsten maar Wetsovertreders. Dus een ethische
benadering van God. Wanneer 'moet' iets worden gedaan ?
Dat ontdekken we vaak in een contrastsituatie. Die soldaat ziet in de rotsooi
hoe het kan/moet zijn. Dat weten(!) wij op een of andere manier; dat hebben we meegekregen.
Het latijnse con-scientia heeft twee aspecten: 'con',
samen weten; gemeenschap; in je eentje verpieter je. Maar 'con' heeft ook een versterkende betekenis:
heel goed weten, diep in je. Daar sta je in je uppie tegenover God. Tegenover
Hem kun je alleen maar vrij zijn en eerlijk. Iets weg laten of verbergen heeft
geen zin.
Een zonde kan alleen maar aangerekend worden als de dader uit vrije wil
handelt. Dat is duidelijk. Met die vrije wil, als vrij persoon, is de mens het
meest naar Gods beeld en gelijkenis. Zo heeft God hem geschapen. Als God de
mens een bepaald ogenblik zou verhinderen te handelen, ongelukken te begaan, kwaad
te doen, is die mens geen eigen persoon meer, lijkt hij op een marionet. Dat is het waagstuk van het joodse en
christelijke geloof. Of omgekeerd het waagstuk van God; HijZ is niet almachtig
zoals wij dat verstaan. Zijn invulling van dat waagstuk is Zijn Zoon, zelfs
hij.
Die man die van de Domtoren afsprong gedurende ons college ethiek - zou die
geen vrije wil (meer) hebben gehad? Weten we niet. Had God dan moeten
verhinderen dat hij sprong? Ik denk van niet. Maar als de man daar ligt en ik
krijg een intens medelijden met hem, zou God dan geen medelijden hebben? HijZ
wou dit ook niet.
Smeekgebed (onbekend islamitisch auteur)
Niets heb
ik dan mijn schamelheid om bij U voor mij te pleiten;
en in mijn armoe kom ik met die schamelheid als mijn
pleidooi.
Ik heb
geen macht meer dan alleen om op uw deur te kloppen.
En, als ik weggestuurd word, op welke deur zal ik dan kloppen?
Of om wie zal ik roepen, wiens naam uitschreeuwen,
als uw grootmoedigheid geweigerd zou worden aan uw arme?
Ver zij het van uw edelmoedigheid om een ongehoorzame wanhopig te maken!
Nee, edelmoedigheid is té royaal dan dat ze dat zou doen!
In diepe ellende ben ik tot uw deur gekomen in de wetenschap dat verslagenheid
daar heul vindt.
In volle overgave stel ik mijn vertrouwen op u.
Ik strek
mijn handen uit naar U: een bedelaar met zijn pleidooi.
terug
naar overzicht
terug naar zonde - bekering
verder naar diaconie
e-mailadres
12 Gebed
12.1
Inleiding
12.2 Wát gebed is te
benaderen
12.3 Wat er aan je gebeurt
12.4 Hoe onderhouden we die relatie? 4.1 woordgebed;
4.2 offer; 4.3 meditatie;
4.4 contemplatie
Hymne uit het oude Mexico :
Heer van al wat is: ik zing over U.
Alles om mij heen gonst van leven, de wereld wordt wakker onder uw warme zon.
Ik zing over U..
De morgendauw glinstert op het gras en in de bomen zingen de vogels;
hun getierelier is even bont als hun verenpak.
Alles één lied, U ter eer, God van ons allemaal.
Uzelf staat aan de oorsprong van mijn lied, het is in de hemel geboren.
Uzelf laat de lieflijke vogels zo'n vrolijk lied
zingen.
Een echt hemels lied, zoals heilige vogels het plechtig zingen hierboven
om U te eren die hemel en aarde geschapen heeft.
O, ik hoor ook andere geluiden,
vlagen van donkere stemmen die hun duister geruis meegeven aan de wind.
Ook die zwarte stemmen - de mijne is erbij - mogen de
opstijgen naar uw heldere hemel naar boven,
daar bij U waar de kleurige kolibries kwinkeleren om U, God in uw hemel, te
prijzen.
Soms wil ik huilen hier op aarde.
Soms stort het huis van mijn dromen ineen.
Wat moet ik dan?
Ik weet wel: alles gaat voorbij...
Alle leven gaat voorbij
En toch! En toch!
Ik blijf zingen.
Ik blijf zingen van U, hier op mijn aarde, zoals ik hoop te zingen bij U in de
hemel.
Ik bid U:
ontferm U over mij,
wees vriendelijk voor mij,
wees ons allemaal genegen;
U bent ons enige leven.
Amen.
1 Inleiding
Over bidden kun je dikke boeken schrijven, misschien zijn ze wel
geschreven - ik vind: bidden moet je doen, voorgedaan krijgen; dan merk je
vanzelf wel wat het is en hoe 'onzegbaar'. Dat betekent ook dat ik het moeilijk vind iets 'verstandigs' daarover op
papier te zetten. Paulus zegt in 1Kor 14,15.v (waar
hij het heeft over vervoering):"Ik moet bidden met mijn geest maar ook met
mijn verstand". Bidden is in ieder geval iets dat overal om de hoek komt
kijken; ook in de vorige onderwerpen is dat herhaaldelijk gebeurd. Het is heel
oud. De 'heidenen' bidden ook "met veel omhaal van woorden"; de bijbel staat bol van gebeden en bidden. Het is heel primair.
Kun je godsdienstig zijn zonder te bidden?
De Joden beschouwden niet alleen het 'mond'gebed als
gebed maar ook de Tora-studie en de Tora-overwegingen: "Ik zal verwijlen in uw geboden
waarvan ik zoveel hou; (dan) zal ik mijn handen heffen ('laten wapperen') tot
(uitvoering van) Uw geboden waarvan ik hou", Ps
119. Pinchas Lapide zegt: "Wij kennen geen
tegenstelling tussen immanentie en transcendentie van God; wij kennen geen
tegenspraak tussen gebed en gebod, tussen ethiek en mystiek".
Ten slotte zijn er mensen die met hun handen bidden: ze geven vorm aan
hun gebed. Er zijn ook mensen die dat muzikaal doen en er zijn er die in woord
en rite eredienst brengen aan God en er zijn er die in woord en daad
(ere)dienst aan de ander bewijzen en er zijn er die ...... enz. Denken, doen, ervaren spelen samen.
2 Wát gebed
is,
probeer ik te benaderen via drie aspecten

Zijn hart verheffen tot God 2.1
is een oude formulering die ik niet zo gek vind.
Denken we aan de omschrijving voor geloof als in 4.5,
en hanteren we 'hart' als het (O.T.) bijbelse term
voor ons 'centrum', ons 'zelf' (4.8),
dan betekent die formulering vertoeven in, onderhouden van onze heilsrelatie met
God. Dan staan we met hart en ziel, in ons eigenste zelf voor de Allerhoogste.
Heel je mens-zijn is er bij betrokken. Het heeft dan geen zin je te beperken,
een slag om de arm te houden of je te verbergen. Je kunt alleen maar jezelf
zijn, heel eerlijk met je eigen geweten, op blote voeten, zonder afscherming.
Dan is het niet erg als je je arm, een bedelaar
voelt, want 'het gebed van de rechtvaardige reikt tot de wolken, maar het gebed
van de arme gaat door de wolken heen tot voor de troon van de Allerhoogste'
(naar J.Sirach 35,20v). 'Arm' wordt meestal uitgelegd als financieel arm en die
tekst heeft zeker daarop betrekking en slaat op recht. Maar ook 'arm' van geest
in de zin van 'behoeftig aan' en dus verlangend naar geest(elijk
voedsel) vind ik een goede uitleg als het om het
geestelijke gaat. Dan begint de piekervaring, de Godsontmoeting.
Bidden kun je leren. Maar als er geen ervaring is, geen respons, geen resonans,
is het richtingloos, niet 'echt'. Als ik het gevoel heb/krijg dat mijn bidden
niet ergens tegen aan stoot, wordt opgevangen, is het alleen maar weke massa,
kan ik niet (leren) bidden. Er moet een 'zelf - God', een 'ik - Gij'
zijn. Anders kan ik hoogstens fluisteren "oh, grote stilte, oh Grote
Diepte" (zie
2.6). Het werd Israël het duidelijk dat die 'Gij' er was (voor hen) toen
zij verlost werden uit de slavernij van Egypte op een voor hen wonderlijke
manier. Het wezenlijke van bidden is die 'Gij' aan te spreken in de tweede
persoon enkelvoud; weten dat je je toewendt naar God.
Joodse gnostiek spreekt van een 'kristal' 2.2
Dat idee slaat bij ons ook wel aan in de zin van een 'kristalontvanger' die je
op maximum ontvangst richt. Maar bij de Joodse gnostiek gaat het om het beeld
van lichtontvangst; goddelijk Licht dat door het materiaal heen schijnt. Een
onzuiver kristal laat het ten dele door en vervormt
het. Door een dicht kristal schijnt het helemaal niet... Al naar de
zuiverheid van het kristal zal het licht zich aan de mens openbaren, dat is de
'Christus'. Hier is dat richten van het kristal, het zoeken niet ter zake. Het gaat om zuiverheid te laten komen. Onderdruk
het hogere in uzelf niet; laat de Zon in u schijnen, blinde bedelaar.
Hiermee komen we op het terrein van de meditatie 2.3
die in mystiek kan uitmonden. Bij 'hart verheffen'
denk ik vooral aan actie van ons naar boven toe, ofschoon Paulus in Rom 8,26
zegt dat het de Geest is die in ons bidt. Bij 'meditatie' denk ik meer aan wat
van bovenaf naar ons toekomt, rechtstreeks, on-middellijk.
Het gaat nu om iets dat alleen maar toegelaten kan worden; ons verstandelijk
bewustzijn kan het niet be-grijpen, niet vangen.
Gevraagd wordt een intuïtief bewustzijn, een weten van de andere werkelijkheid
in het rijk van de geest, transcendent. Zintuigen helpen dan niet; die moet je
loslaten.
Als een dier al een bewustzijn heeft, het is er zich niet van bewust en is alleen
maar uit op het instandhouden van zichzelf en zijn soort afhankelijk van de
natuur. De mens heeft een geestelijk vermogen mee gekregen dat we bewust-zijn kunnen noemen. Maar als hij daarmee alleen
maar, dus beperkt, reageert op 'aardse', stoffelijke objecten, een z.g. 'ik -
het'-bewustzijn er op na houdt, dan schiet hij tekort. Als hij alleen maar
verstandelijk reageert op zijn eigen zintuiglijke waarneming en daarmee
zichzelf een wereld modelleert, dan leeft hij in een illusie, want die wereld
sterft met hem en een andere wereld is er niet.
Dat zie ik als behorend tot de menselijke erfzonde: de mens is op zich alleen
maar in staat het 'natuurlijke', dat hij waarneemt, als de werkelijkheid te
zien en dan -moreel- zich zelf als maatstaf voor goed
en kwaad te stellen. Er is immers meer; hetgeen de
mens kan (leren) kennen. De werkelijkheid is groter dan onze zintuiglijke
waarneming leert. Meditatie (en gebed) laat je ervaren dat je veel ruimer bent
dan je lichaam je aangeeft. 'Zonde' is die houding van de mens die hem aan het
aardse kluistert.
Onze verstandelijke wijze van bewustzijn is niet in staat dat méér te be-'grijpen'. Door meditatie gunnen we een kans aan een
intuïtief bewustzijn, dat niet op ónze werkelijkheidsconstructie is gebaseerd
maar op een gegéven werkelijkheid waarvan we ons bewust worden en die
persoonlijke kennis toevoegt aan verstandelijke kennis. Er is veel hang naar
Oosterse levenswijzen en meditatie(technieken), omdat de Westerse intellectuele
cultuur van nu niet bevredigt. De méns komt tekort.
De religieuze ervaring, die in mystiek kan overgaan, is ons min of meer vreemd
en wordt al gauw gezien als egotripperij. Dat gevaar is natuurlijk aanwezig.
Maar een duidelijk herkenningspunt voor echte mystiek is het zich één weten met
het universele, kosmische en dan is het voor de hand liggend om daarin ook
andere mensen te betrekken. Je verantwoordelijkheid voor de
ander verlies je niet uit het oog. Dit is het 'bewijs' dat het niet gaat om een
weke boel, maar dat het 'hard' is, werkelijk. De oude Hindoe tot en met de
hedendaagse Europeaan kennen dit.
Dat méér kun je binnen godsdienst plaatsen door je via je doop te stellen
binnen de gemeenschap van Jezus Christus, waarin je je
door die band met hem (en met anderen) bevrijd mag weten van een aller-mensen-tekort, dat je verhindert, onmachtig laat, om
op hoog-menselijk niveau te leven. Hij heeft die ban
doorbroken. Viering, gebed, meditatie maakt je bewust van die verruiming, van
dat niveau. En je gaat er iets mee doen.
Christelijke meditatie is intentioneel; zij richt zich, richt haar weer-kaatsende spiegel, niet zomaar 'ins
Blaue hinein'; ze wacht op
God; de ziel herkent Zijn signalen. Zen-meditatie
wordt ademen naar Boven toe, de zachte bries.
als je bidt, wat
je overkomt, is moeilijk aan te geven. Ik noem het een voeding van je innerlijk
leven, je geestelijk leven, door wat je aangereikt
krijgt en wat je be-aamt. Geloofsbeleving heeft twee
kanten: wat je doet, be-aamt, be-ademt,
en wat je krijgt, ervaart. Het is een voeden van het geheim in je door het
Geheim in je, dat zich steeds meer presenteert, met jou mee andert.
In die spiritualiteit wordt je bidden een uiting van
aandachtig leven, ga je daden bewuster plaatsen binnen het kader van je geloof,
je zingeving. Bidden met woorden is de taal van je geloof en als je dat inziet,
voeg je al gauw toe: van mijn hoop, van mijn liefde. Je doen wordt de uiting
van je geloof, omdat je er een bepaalde zin aan geeft, en dan zeg je ook: een
uiting van mijn streven naar, mijn houden van.
Ga je niet zweven? Vlucht je niet uit de werkelijkheid ?
Via gebed en meditatie ga je een andere werkelijkheid binnen zonder dat je de
'gewone' zintuiglijk waarneembare werkelijkheid uit het oog verliest. Het is
wel waar dat je moeilijk twee dingen tegelijk kunt, maar als je doet alsof die
gewone werkelijkheid niet bestaat, bedot je jezelf. Ook tijdens meditatie ben
je je van die werkelijkheid bewust, maar je ziet haar
anders. De grote kunst is haar in te bedden, te integreren, in dat spirituele.
De 'gewone' werkelijkheid kun je definiëren als alles wat jouw mogelijkheid tot
handelen bepaalt. Als je hardop bidt, handel je al. Jouw
handelen kan te maken hebben met, voortkomen uit en uitdrukking zijn van jouw
visie op het spirituele.
Bij voorbeeld:
- Er zijn Westerse mystieken die gelezen mogen worden: Meister Eckhart, Hildegard von Bingen (te zingen!), Jan van Ruusbroec,
Geert Grote, Johannes van het Kruis, Theresia van Avila,
Jan Luyken om er een paar te noemen.
- Van Jan Luyken (ca 1700):
"Ik meende ook de Godheid
woonde verre
In eenen troon, hoog boven maan en sterren,
En hief dan menigmaal mijn oog
Met diep verzuchten naar omhoog;
Maar toen Gij u beliefde te openbaaren,
Toen zag ik niets van boven neervaaren;
Maar in de grond van mijn gemoed
Werd het lieflijk en zoet.
Daar kwaamt Gij uit der diepten uitwaarts
dringen,
En, als een bron, mijn dorstig hart bespringen,
Zodat ik u, o God, bevond
Te zijn den grond van mijnen grond."
- In het oude 'Jesu, dulcis memoria'
('Jezus, zoete gedachtenis'; weten we nog?) komt ook dat 'zoet' (en lieflijk)
naar voren. Natuurlijk niet suikerzoet; 'zoeter dan honing' zegt de psalmist.
Het beste te vertalen met 'stille zielsverrukking'? De tekst gaat haar weg naar
"sit nostra in Te
gloria", "Moge onze glorie in U (gelegen) zijn". Meer kan niet.
Daar moet je niet naar streven, dan gebeurt er niets; het komt vanzelf wel op
een of andere manier, een eigen manier, anders dan je denkt.
- Onze rozenkrans is een herhalend gebed, waarmee de kluizenaars in
Egypte begonnen, en dat telkens herhalen kent ook het oosterse Jezusgebed. Als voorbeeld van Grieks-Orthodoxe
traditie het volgende 'gebed van het hart'. Het woord 'geest' zie ik als een
menselijk vermogen (zoals handen-arbeid dat ook is)
en het woord 'hart' zie ik als in 4.8:
"De geest moet in het hart zijn - een duidelijke trek van de methode van
bidden. Hij moet het hart bewaken terwijl het bidt, in het rond gaan, altijd in
het binnenste blijven en daar vandaan, van de diepten van het hart, gebeden
opzenden naar God. Alles is hierin; werk op deze wijze tot het u gegeven wordt
de Heer gewaar te worden. Wat de andere resultaten
betreft die gewoonlijk uit dit werk voortkomen, - met Gods hulp, gij zult ze door uw ervaring leren kennen door in uw hart
aan Jezus vast te houden, d.w.z. aan zijn gebed: "Heer Jezus Christus,
Zoon van de levende God, wees mij genadig!" Een van de heilige Vaders zei:
"Zit in uw cel en uw cel zal u alles leren."
Let er op hoe hier ervaringskennis wordt genoemd: weten dat je wordt bemind.
Kennis in liefde. De kennis van de liefde. Leven van God. Leven voor God.
Goddelijk leven in ons. Alstublieft. Dan zijn we ver weg van vrees,
sociologisch conformisme, voorschriften-ritueel en
moralisme. Dan zijn we in een eredienst in Geest en Waarheid, evangelisch, van
Jezus. Dan ga je misschien spreken van een esoterisch (voor
ingewijden) heilig huwelijk, van een eenheid die niet uit te spreken is:"
Beeld en gelijkenis herenigd; liefde wordt woordloos uitgezegd." (Zie
avondwakes Geest,
Geest van God ..) "Als iemand Mij liefheeft, zal Hij mijn woord ter harte
nemen; dan zal mijn Vader hem liefhebben en zullen We bij hem ons verblijf gaan
houden." Joh 14,23. "woord" hier meer als het vernemen hoe/wat
Jezus is.
"Uzelf staat aan de oorsprong van mijn lied; het is in de hemel
geboren", zegt een hymne uit het oude Mexico.
Let wel dat die ervaringskennis ook gedeeld en gevoed wordt door doen; denk aan
de trits denken, doen, ervaren.
4 Hoe onderhouden we die relatie?
woordgebed 4.1
4.1.1 Persoonlijk kun je bidden
met vaststaande formules of ook je gedachten vrij laten waaien en daarop
inhaken. Vaste formules fungeren vaak als een
begin om je in te leiden. Dat kan een deftig woordgebruik zijn van
vroeger of een kindergebedje die geassocieerd zijn met
vroegere ervaringen. "Mijn Heer en mijn God, ik kniel voor U neer en
aanbid Uw opperste majesteit" of "Lieve Jezus, vandaag alles uit
liefde tot U".
Psalmen zijn een zeer goed soort gebed. Ze zijn het
oude gemeengoed van een gemeenschap én ze zijn een persoonlijk gebed. Zij
kunnen richting geven aan persoonlijk gebed door hun groot scala van
mogelijkheden en hun eeuwenlange bruikbaarheid. Ze kunnen ook een soort van
controle zijn voor persoonlijk gebed. Toen ik begon met psalmen 'lezen',
ontdekte ik op de tweede dag: "Verrek, je praat met God". Dan doe je
ervaringskennis op. In je binnenkamertje.
Een aantal aspecten die in het gebed van pas komen zijn:
- smeking om kracht voor jezelf en/of anderen. Ook als je telepathische kracht
als verklaring, als gewone menselijke mogelijkheid wilt zien, dan nog kun je in
verwondering zeggen dat je dat hebt gekregen. Dan bid je.
- smeking om een goede afloop. Vroeger werd heel wat gebeden voor een examen,
ziekte, afwending van gevaar, noem maar op. Nu zijn we geneigd om te denken dat
ons gebed dat niet kan bewerken, dat God Zich niet kan laten vermurwen om in te
grijpen in de geschiedenis. Ik moet (graag) bekennen dat ik zelf een paar maal
een hele 'stomme' gebedsverhoring heb meegemaakt. Dan filosofeer je niet; dan
herken je JHWH, die met Zijn volk meetrekt, die sympathiek is, meelevend,
meelijdend.
Van de andere kant ook reëel zijn. Als je de brandweer hoort en je bidt dat het
niet jouw huis is, is dat een 'vals' gebed. Het is nl. al of niet gebeurd en
daaraan kan O.L.Heer niets veranderen. Fortmann zegt in Hoogtijd: "Het
bidden, met name het smeekgebed, is in de grond niets
anders dan vragen dat onze blik moge zien wat gebeuren moet". Dat klinkt
niet zo troostvol maar er zit wel wat in.
- roep om hulp. Als je zover bent dat je fluisterend bidt of uitschreeuwt
-"Eli, Eli…" - dan bid je uit de grond van je hart.
- eer brengen aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest ....
Gezegend zijt Gij …
- dank brengen. Als de wolf bij het lam te gast is, als de kennis van de Heer
de aarde bedekt zoals het water de bodem van de zee, als de tranen uit de ogen
zijn gewist, als ... "rest ons niets meer
dan te zingen"
- verlangen naar het ware goed, naar God. Sommigen zeggen dat dit een erotisch
element in zich heeft.
- vreugde van de mens die zich gedrongen voelt boven zichzelf uit te stijgen
- vertrouwen van de mens die weet dat hij goed zit en als hij het niet meer zo
zeker weet om vertrouwen vraagt. Omdat bidden een geloofsuiting is, draagt het
risico in zich. Je twijfel staat tegenover je vertrouwen.
4.1.2 Gemeenschapsgebeden liggen
min of meer vast uit praktisch oogpunt maar ook omdat ze vaak tot het
gemeenschapsgoed behoren en niet zomaar kunnen worden veranderd. Ze moeten
herkenbaar zijn. "Waar er twee of meer in mijn naam zijn
verenigd (!), ... " Wat betekent 'naam'?
Aanwezigheid, macht, kracht. Dat is het voordeel van gemeenschapsgebed.
Het eerste gemeenschapsgebed is wel het 'Onze Vader', ofschoon we bij het
eerste woord al struikelen. 'Vader' is het 'Abba' van Jezus, 'Vadertje', 'Paps'
of 'Pappa' of wat je zelf zegt. "God heeft in onze harten de Geest van
Zijn Zoon gezonden die uitroept 'Abba'", zegt
Paulus. Wat moet je dan nog?
De gemeenschap 'maakt' (constitueert) zichzelf en herkent zichzelf
in gemeenschappelijk gebed. Bij de sacramenten is de clou het gebed van de
gemeenschap om de Geest: Gods tegenwoordigheid (Hebr. 'Sjechina'). Daarna komt
pas de rite van handoplegging, zalving, water uitgieten, heffen van Brood en Beker e.d. met de duidende woorden.
Het samen vieren van hoogtepunten van het leven -in de
sacramenten- biedt ook gemeenschapsgebed. Het toppunt daarvan vind ik het
Eucharistisch Gebed. De Epiclese daarin is een wezenlijk punt. In dat gebed sta
je voor je Schepper -vind ik- met je brood en wijn in
je hand op blote voeten. Dan is hij er weer met zijn vrienden … Dit kun
je in je achterhoofd houden als je gezamenlijk bidt voor het eten. Daar komt het
Eucharistisch Gebed vandaan. Eet je om je dood uit te stellen of om nu al enig
deel te hebben in het Leven?
Sprekend als gemeenschapsgebed zijn de getijdengebeden, het vroegere brevier,
nu in nieuwe vorm. "Het gebed geeft voeding aan ons geloof, onze relatie
met Hem. We be-leven het in beide betekenissen: we
blazen het leven in én het overkomt ons, we be-ademen
het omdat we het uitvoeren én we ontvangen het van Buiten omdat we het van ons
zelf niet kunnen. Het initiatief ligt bij God, "Hij heeft ons het eerst
bemind".
" 'Een dichterwoord stijgt uit mijn hart omhoog', mijn hart wil zingen -een gevoel dat we allemaal wel kennen- doet ons denken dat
het gebed al in ons is gelegd: we hoeven alleen maar dat op te nemen, te ont-dekken, om naar God te reiken, met Hem in aanraking te
komen. Daartoe gebruiken we gebedsgoed dat zo'n 3000
jaar geleden is gaan groeien in de harten van de mensen. Jezus
heeft de psalmen en oude lofzangen ook gebeden. Als wij in
zijn Naam bijeen zijn, één zijn, bidt hij met ons mee: 'Abba'; we staan samen
met hem voor de Vader.
We zijn niet de enigen die dit gebed bidden. Het getijdengebed is het
voortdurend gebed van de Kerk. Het gezamenlijke gebed is "de plaats waar
de Geest tot bloei komt": het gaat dus niet alleen om een persoonlijke en
gezamenlijke beleving van een Christus-ontmoeting
maar ook om een kerkelijk-universele beleving
daarvan. Dat zijn dingen die je niet kunt afdwingen, je kunt je er alleen maar
voor openstellen en al doende willen ontvangen. Het morgengebed kan ons op dat
spoor zetten." (Inleiding tot het getijdengebed van onze parochie)
En, inderdaad, het is anders dan wanneer je alleen bidt.
Offer 4.2
Typisch O.T. Vooral het aanbieden van de eerstelingen van het graan en het
gaafste lam van de kudde is de Joodse manier om in contact met God te treden.
Ik vind het heel typisch om -naar hun eigen zeggen-
dat te doen met iets dat je hebt gekregen. Bij het verkregen graan e.d. voeg je
dus je dank en dat bied je aan, offreer je.
Brengen wij nog offers ? Het O.T.-offer
werd definitief afgesloten met het N.T.-offer van
Jezus. Zie Hebreeënbrief. Wij branden nog wel wierook als teken van gebed:
"Moge mijn gebed zich richten als wierook voor Uw aangezicht",
maar brengen wij nog offers? Wij kunnen wel aanbieden nl. onze inzet, ons
handelen, goede werken doen vanuit onze heilsrelatie. Bij het "Het
Eucharistisch Gebed" komen we daarop nog terug. (Aanbieden)
Is vasten een offertje brengen? Ik zie het als een mogelijkheid om je
geest omhoog te richten en om horizontaal
te doen door hetgeen
je uitspaart aan een goed doel te besteden. Vasten is een vorm van ascese, je
zelf iets ontzeggen als een 'reminder', een voelbare
trap op de rem, het geestelijke met je lijf verbinden, je op God richten, nu
hemelschatten verzamelen. Ik weet geen raad met het idee dat je met ascese iets
verdient, een wit voetje krijgt bij God. Wel zie ik dat ascese je gebed
ondersteunt.
Toch zijn er situaties waarin je duidelijk kunt je spreken van een offer,
wat ik met de nodige schroom op tafel wil
leggen. Het element van 'iets' van je zelf afgeven, kwijtraken, zoals een Jood
zijn dier afgaf, is dan sterk aanwezig. Hoe zal de vernederde, miskende,
mishandelde een echte relatie met God ervaren? HijZ is immers Degene die
hem/haar had moeten helpen in de nood: "God, waar was je toen ik
…?" is een fundamentele schreeuw. Als de gestriemde er dan in slaagt
om toch authentiek met God verbonden te worden, te zijn, moet hij/zij iets
prijsgeven, uit handen geven. Wat 'iets' dan is, is aan hem/haar om dat te
verwoorden. Het is niet niks.
Als die vraag niet expliciet ter sprake komt, is de kans groot dat zij in
het onbewuste zo'n relatie blokkeert. Het slachtoffer beseft het niet en kan zich dan verwijten dat
hij/zij iets niet goed doet, het lukt maar nooit: 'ligt de fout bij mij, doe ik
het niet goed? Vast wel, natuurlijk, zeker niet aan God': schuldgevoel
ligt voor de hand en blokkeert niet alleen de relatie met God. Als de vraag wel
op tafel komt, kan eenzelfde schuldgevoel een aanvaarden van die vraag, die
verwijtende schreeuw, in de weg staan: zo iets doe je toch niet t.o.v. God.
Schuldgevoel kan dan als een psychologische link functioneren.
Theologisch zij het discutabel maar als de bijbel heel
menselijk van God zegt: "JHWH kreeg er spijt van …", zou dan
pastoraal gesproken de gedachte niet mogen worden gehanteerd dat God ook een
schuldgevoel heeft, nl. t.o.v. het slachtoffer. En
met meer reden dan deze t.o.v. God. HijZ heeft immers de mens geschapen, die
zijn vrije wil kan misbruiken! God wil het goed maken en doet boete doordat Hij
Zijn Zoon zendt, die ook wordt overgeleverd aan mensen die hun vrije wil
misbruiken. De zoon offert (o.a.) zijn leven op opdat slachtoffers hun leven
samen met hem kunnen aanbieden, hun ellende offeren, en zo erkennen dat dat alles op een of andere manier goed is geworden, als
zinvol accepteren voor hun relatie met God; dus niet om te vergeten maar om te
(ver)heffen. Dan offer je wel iets, geef je uit handen, geef je over; misschien
draag je zelfs op. Jezus Christus moge daarbij behulpzaam zijn.
Schuldgevoel hoeft niet de enige link te zijn. Verdriet van het
slachtoffer om wat is aangedaan kan gelinkt worden
met Gods verdriet dat er zo'n kwaad is gedaan. Zou God
hem/haar niet hebben gehoord en alleen maar verdrietig zijn? Is het dan
vervolgens ook niet acceptabel om te stellen dat dat
verdriet bindt?
Meditatie 4.3
is een machtig middel, misschien wel noodzakelijk maar
zij vraagt een zekere techniek. Die vind ik moeilijk schriftelijk te
behandelen, hoewel er wel lectuur over is (zie onder). Voor wie er
belangstelling voor heeft zijn de richtlijnen die wij gebruikten ter
beschikking.
Als u 'achtergrondmuziek' bij meditatie zoekt: maak u uit het boek
Wijsheid hoofdstukken 7 en 8 en 9 eigen. Maar zet die niet 'aan' bij de
meditatie zelf.
Contemplatie
4.4
Er zijn mensen die met hun handen bidden. Ik vond eens als naam van een
boerderij: Ora, labora et cogita: bid, werk en
gebruik je hersens. Die had het door. Dit heeft mij verleid tot het
volgende uiteraard aanvechtbare schema:
De menselijke geloofsact maakt bidden van denken en doen. Je kunt zowel
je denken als je werken 'ter ere Gods' doen, in zijn
dienst stellen.
Maar we ontvangen ook geloof, als genade, als gave van de H.Geest. Als je nu die genade ook in je denken laat komen en
laat samengaan met je werk, begint er een groeiproces: de genade gaat je hele
hebben en houden, je hele leven(s-instelling) omvatten.
Zij tilt alles naar een hoger niveau. Dat noem ik dan een contemplatief leven.
Het aanvankelijke 'God een plaats in je leven geven' wordt andersom: je krijgt
een plaats in het goddelijk Leven. Dat heeft niets te maken met een monnik die
met een grote tonsuur gewijd loopt te schrijden. Het is je eigen, mogelijk en
reëel, en je krijgt het omdat jij het bent."Tout
est grâce", zei de pastoor van Ars. Denken maal werken, een vermenigvuldiging: contemplatie
wordt zo een groei naar de mystieke eenheid met God.
Ed Hoornik († 1970):
Hebben en zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven
de ene werkelijkheid, de ander schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven de dingen uitgeheven,
Vervuld van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Zijn twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgericht.
- Litt: over meditatie: "De wolk van
niet-weten" goed; over bidden: b.v. "Heer, leer ons bidden"
A.Louf
Lannoo
- Ter overweging: De navolging
van Christus, Ambo (!) 1973 maar je moet het kunnen lezen!
- Gebedsboeken:
"Groot
gebedenboek" P.Thomas. Lannoo/Callenbach 1995 ca f 50,= (?);
"Psalmen" KBS-vertaling 1982, duidelijke taal; idem Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde
meer poëtisch;
"Getijdenboek"
Nat.Raad v.Liturgie Zeist ca f 100,=
maar je moet wel 'psalm-minded' zijn.
Eenvoudiger is
"(Eensgezind) Volharden in gebed", ca f 45,=
- het duurt even voordat je erin thuis bent.
Voor ouderen: "Blijf bidden - ook op latere leeftijd" ca f 40,= K.B.S Boxtel,
nieuwe en oude gebeden.
Van de muziek van Hildegard zijn enkele goede cd's.
terug
naar overzicht
terug naar gebed
verder naar Feesten
e-mailadres
13 Diaconie
13.1 Sluitstuk
13.2 Caritas
13.3 Diaconie begrip, aanpak, inhoud
13.4 De basis voor diaconie
13.5 Meer dan offers
13.6 Een beetje ethiek
1 Sluitstuk
Zonder dit onderwerp kan de ketting niet sluiten, maar het is geen
sluitpost van de begroting: we zouden er evenveel aandacht aan moeten geven als
aan de tot nog toe behandelde onderwerpen tezamen. Nu
'begint' het pas: na de eredienst in de kerk komt de (ere)dienst in de
maatschappij.
Ik zie een parallel: schuldgevoel, zelfs schuldangst, moet overgaan naar een
reëel schuldbesef dat vruchtbaar is. Als een gebed een fijn gevoel geeft, is
het dan ook een echt gebed? Om te vermijden dat je relatie God - ik in
navelstaar blijft steken, is dienst in de maatschappij wel
zo dienstig. Dan kun je vanuit gelovend standpunt zeggen dat al ons
handelen in de maatschappij in dienst staat van. Dat is de christelijke visie
op je baan, je werk. Al die verschillende banen, functies, organisaties
enz. te behandelen valt niet onder catechese. Ieder vakgebied heeft zijn
eigen landschap. Catechese kan wel iets zeggen over hoe je het landschap
bekijkt, met welke zin je het opbouwt en onderhoudt.
De verhouding eredienst en maatschappijdienst wordt in het O.T. door de profeet
Amos al afgebakend: "Ik haat, verfoei uw feesten, in uw vieringen schep Ik
geen genoegen. Want als u Mij brand- en meel- offers brengt, behagen ze Mij
niet; uw vredesoffers van gemeste kalveren kan Ik niet mee aanzien. Bespaar Mij
het lawaai van uw liederen; de klank van uw harpen wil Ik niet meer horen! Nee,
het recht moet stromen, als water, de gerechtigheid als een nooit opgedroogde
beek." (Am 5,21vv).
Het N.T. is even duidelijk als het gaat om het voornaamste gebod: ".... en het tweede is
daaraan gelijk(soortig): bemin uw naaste zoals
uzelf". Iets dergelijks is ook: 'daden zonder geloof zijn blind en geloof
zonder daden is impotent'. Dat klinkt cru en doet op het eerste gezicht geen
recht aan ongelovigen die er het beste van maken (ook nog beter dan gelovigen),
maar het ligt in het verlengde van Paulus' hooglied op
de liefde in 1Kor 13: "Al spreek ik de taal van mensen en engelen - als ik
de liefde niet heb ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal
…" Diaconie is één van de twee poten waar het Christendom op staat,
anders viel het om of liep het mank, werd het niet eens te licht bevonden omdat
het dan geen zin heeft.
Op 10.1 staat een karakterisering van de Kerk met als laatste punt: dienst aan
de mens. Je ontkomt er niet aan: we zíjn nu eenmaal
stoffelijke werkelijkheid en we kunnen ons niet wijs maken dat we ons daaraan
kunnen onttrekken: honger ís niet leuk. Een wezenlijk onderdeel van het
doopsel is de belofte dat we het kwaad zullen mijden maar ook dat we ons tegen
het kwaad zullen verzetten. Hoe we ons in de praktijk tegen het kwade
verzetten, kunnen verzetten, hangt van diverse factoren af. Maar als het om kort-bije diaconie gaat, om caritas, zijn er legio mogelijkheden. Dan is er helemáál geen reden te
bedenken om je er van af te maken.
is slechts een onderdeel van diaconie. Het
wordt nu nog wel gezien als 'liefdadigheid', St. Vincentius,
liefdewerk-oud-papier en een pannetje soep brengen
aan een oude, arme zieke. Maar dat het in feite gaat om
a) een daad (met goede wil) en
b) uit liefde (meer dan medelijden)
vergeten we wel eens als we geven wat we willen missen, hetgeen
soms hetzelfde is als wat we kunnen missen. We zijn geneigd in dit soort zaken
onmiddellijk na te gaan wat onze buurman geacht wordt te kunnen missen. Ook in
caritas is iedereen zelf verantwoordelijk. Men hoeft zich pas ongerust te maken
over rijkdom van een ander als daarmee een kwetsbaar iemand onrecht wordt
aangedaan. (Dat geldt ook voor systemen, organisaties e.d.) Paulus schrijft in
2Kor 11 over "te veel hebben" en "te kort komen". Het 'te'
van 'veel' wordt bepaald door het 'te' van 'kort'. Nu kun je onmiddellijk gaan philosopheren en hydroxyleren
over wat veel en wat weinig is. Als 'te' in het geding
is (let wel: een rechtspraakterm), ben je aansprakelijk, gaat het om "Ga
weg van mij, vervloekten... " Er is een intern christelijk criterium dat
in Hand. 4 staat. "...en er was geen noodlijdende onder hen".
Op het gebied van caritas zijn heel wat wonderen verricht en nog. Maar met het
ingewikkelder worden van de maatschappij en de overgang van een agrarische
samenleving naar een geïndustrialiseerde bleek dat de caritas geen structurele
problemen kon oplossen. Met het inniger bedenken van de collecteschaal of het
te gelde maken van fondsen kun je een ramp in een industriestad, zoals een
plotselinge werkeloosheid, en een omslag in de conjunctuur niet meer oplossen.
Caritas werd onvoldoende wanneer het ging om sociale zekerheid. Daartoe werden
vaste, in het recht verankerde afspraken nodig, dus met sancties op inbreuk en
algemeen geldig (J.A De Kok). En toen werd het best
moeilijk tussen mensen die een structurele aanpak wilden via sociale wetgeving
en mensen die caritas als een specifiek kerkelijke taak beschouwden, ondanks de
encycliek van Pius XI in 1933 ('Quadragesimo anno')
veertig jaar na 'Rerum Novarum'
van Leo XIII ! Overigens is de basis voor sociale wetgeving 'caritas' en niet partij-politiek geschuif.
Ontheffen onze sociale verplichtingen ons van caritas op kleine schaal? We
zouden ons rot schamen, nietwaar, als er onder ons een noodlijdende was. Voor
velen is dat geen vraag meer omdat de bijstand niet voldoende (meer) is,
sociale zaken aan regels is gebonden en niet alle gevallen in een wet kunnen worden
opgevangen, want het is mensenwerk. Weet u nog? de
werken van de Geest? Daar kan geen wet tegenop. Het is dus zaak het ene te doen
(sociale premies betalen) en het andere niet te laten (caritas).
Begrip 3.1
Diaconie kun je het beste vertalen -dacht ik- met 'gemeenschap-bouwende dienst na de eredienst'. Die
gemeenschap kun je kortbij zoeken, de eigen parochie als 'unit' beschouwen. Dat
is misschien wel onze eerste taak. Als die niet leeft, zowel binnen als buiten
het kerkgebouw, heb je geen poot om op te staan. Van daaruit moet inspiratie
komen voor de aanpak en inhoud. Het gaat om het mystieke
Lichaam van Christus en het daadwerkelijk Lichaam van Christus, hetzelfde
Lichaam, in onderlinge voeding.

"Ons brood het toekomende
geef ons heden en vergeef ons onze schulden
…" (Mt 6, 11.12a, letterlijk vertaald)
Voor grootschalige aanpak 3.2
heb je kerk nodig
om Kerk te kunnen zijn. Je moet in deze grote wereld krachten kunnen bundelen,
effectief zijn, mogelijkheden vergroten, elkaar steunen, invloed uit kunnen
oefenen, georganiseerd goed tegenover georganiseerd kwaad stellen, het kwade
aan de kaak te stellen. Vroeger konden we nog zeggen 'we hebben het niet
geweten', maar met onze huidige communicatiemiddelen kan dat niet meer zo goed.
We weten te veel. Het is natuurlijk wel van groot gewicht regelmatig symposia
te houden over de objectiviteit van de media, de opzet van de methoden van
aanpak van Amnesty International, de indirecte
verlammende invloed van adoptie door Terre des hommes
en van missie- en vastenacties op de plaatselijke economie, het onbehagen
opwekkende karakter van een duidelijk missieblad te analyseren en de bezwaren
niet te onderschatten van de nog niet bedachte neveneffecten... Deed die
barmhartige Samaritaan ook, nietwaar? En hij zou bij zijn bezoek aan het
symposium hij luide toegejuicht worden ... (omdat er
iemand was die deed en toejuichen ook een doen is.) Wat zou bisschop Romero daarvan denken?
Luther meende dat via preken en aansporingen van de mensen de hervormingen
(daar ging het om) vanzelf zouden komen (via de Geest), hetgeen
zwaar tegenviel. Calvijn kreeg met een minderheid wèl
het nodige voor elkaar omdat hij ook organiseerde. Als je voor een parochie al
een organisatietje nodig hebt, wat dan wel voor zo iets als missie, onderwijs,
ziekenverpleging, bejaardenverzorging, systematisch bezoek, priesteropleiding
enz. om gemeenschapbouwend bezig te zijn?
En dan nog voor onze tijd: aids-patiënten, vluchtelingen, werkeloosheid,
vereenzaming, geestelijke verarming, vredesbedreiging, vlucht in druggebruik,
onrecht door discriminatie, martel- en moordpraktijken, verdwijntrucs...
Ecce homo. De koning van de schepping. De ont-rechte
mens.
Hoe doen we dat? De individuele christen voelt zich
machteloos en de kerk als zending van Christus weet misschien niet zo goed wat
zij kan doen nu haar conventioneel gereedschap niet meer zo dienstig is om haar
Traditie in deze gestand te doen (conventioneel: iets doen gewoon, omdat het
altijd zo is geweest; traditioneel volgens de overlevering die in de Kerk
leeft. "Tradition is the witness of the Spirit") Het
minste wat je zelf kunt doen is je ogen open houden. Als je er op bent
ingesteld, is de kans levensgroot dat je een mogelijkheid ziet voor iets
kleins. De Kerkleider laat het wel doorwerken, liefst ook naar het politieke
front.
Diaconaal werk hoeft niet perse binnen kerkelijk
verband gedaan te worden. Het heeft geen zin om te concurreren of het wiel weer
uit te vinden. Het zal de vluchteling niet zoveel kunnen schelen of hij door
een ambtenaar, een moslimvrouw of een christenman wordt geholpen. (Het is zelfs
de vraag of hulp die zich zo nodig profileert als zijnde vanuit een bepaalde
richting wel zuiver is.) De kans is evenwel groot dat
persoonlijke bemoeienis de (staats)voorziening aanvult. Verder mag je van een
diaconaal ingestelde kerk verwachten dat zij initiatief neemt waar
(staats)voorzieningen ontbreken of aanvulling behoeven.
Daarvoor is typisch het ambt van diaken, waarvan ik
denk dat het in de protestantse kerken beter is ontwikkeld dan in de katholieke
kerk, waar het toch meer in de liturgie dient.
Twee uitspraken - ze zijn allebei waar:
|
Bericht voor alle goede mensen: |
Je zult bij de mensen een zonnekind zijn, |
De inhoud 3.3
van diaconie zou je wellicht het beste kunnen karakteriseren als
barmhartigheid. Het Hebreeuwse woord dat 'zich erbarmen' betekent, heeft als
afleiding 'moederschoot' en wordt vaak gecombineerd met 'genadig zijn' en
'genade', en toegepast met JHWH als Heer van het leven. "De eniggeboren
Zoon die in de schoot van de Vader is …" (Joh 2,13) Barmhartigheid
lijkt wel een wezenlijk deel van het leven. Trouw mee-leven.
We kennen zeven werken van barmhartigheid:
hongerigen te eten geven primaire levensbehoeften, recht -
onrecht
dorstigen te drinken
geven
de nodige kleding geven
vreemdelingen
herbergen
zieken bezoeken en
helpen de mens in
zijn waardigheid (her)stellen
gevangenen bezoeken en helpen
doden
begraven eerbied
voor het leven
Nieuw is dit niet. Rabbijnse litteratuur (Sotah
14a) verhaalt: " De Heilige - Hij zij geprezen - heeft de naakten gekleed,
want er staat geschreven: 'En de Heer God maakte voor
Adam en zijn vrouw jassen van huiden en kleedde hen daarmee'. Daarom moeten
jullie ook de naakten kleden. De Heilige - Hij zij geprezen - heeft de zieken
bezocht, want er staat geschreven: 'En de Heer verscheen aan hem bij de eiken
van Mamre'. Daarom moeten jullie ook de zieken
bezoeken. De Heilige - Hij zij geprezen - heeft de rouwenden getroost, want er
staat geschreven: 'En het gebeurde na de dood van Abraham, dat God diens zoon
Isaak zegende'. Daarom moeten jullie ook degenen die rouwen, troost bieden. De
Heilige - Hij zij geprezen - heeft de doden begraven, want er staat geschreven:
'En hij begroef Mozes in de vallei'. Daarom moeten ook jullie de doden
begraven." (P.v.Boxel;
Je zult achter de Heer uw God aan wandelen)
In het N.T. betrekt Jezus de eerste zes werken
op zichzelf: "Want ik was hongerig, ik was dorstig..." (Mt 25, 31vv) Ik
was het..."Wat ge aan de minste der mijnen heb
gedaan …" Hebben we dan nog moeite met het Lichaam van
Christus?.
De volgende stap is om in hem alle lijden van de hele wereld
-ook het joodse- geconcentreerd te zien, het Lam Gods, met zijn hoop op
uitzicht, met zijn inspiratie, zijn erbarmen. De Heilige
-zijn Naam zij geprezen- is dan verrekt kortbij
De bovenstaande werken van barmhartigheid kun je nog binnen het kader van
het algemeen menselijke plaatsen. De zeven werken van geestelijke
barmhartigheid, die niet in het evangelie staan genoemd, maar wel evangelisch
zijn, staan nog wat meer in het godsdienstig kader, binnen het Rijk dat komen
moet:
zondaars vermanen opbouw van het Rijk
onwetenden leren
voor de mensen bidden
goede(!) raad geven
troosten
kwaad verdragen
beledigingen vergeven afbraak van het Rijk verhinderen
'Wie het vertikt de ander als mens aan te nemen, maakt van hem een
voorwerp en kwetst zo zijn persoon-zijn. Dat krijgt
hij als vereenzaming en haat terug. Op die manier kunnen systemen ontstaan die tenslotte de gemeenschap doen ondergaan.' (Fortmann?) Leven
in de verlossing door Jezus aangeboden geeft de kracht om elkaar het tekort
schieten te vergeven, elkaar aan te nemen en elkaar de
kans te geven om te zijn zoals ieder in zijn kern is, graag wil zijn. Dan
blijft de weg naar de gemeenschap nieuw, vernieuwend, en staan ook de
mislukkingen in het teken van hoop.
terug naar begin
naar In de engelenbak
Waarom als christen, als 'wij christenen'? 'Gewone' medemenselijkheid is
toch genoeg? Zijn humanisten minder goede mensen en is hun goed-doen
minder goed?
Het is natuurlijk waar dat een vrij, 'verlost', mens goud waard is. Iemand die
liefde geeft vanuit zijn centrum (zie 4.8)
kan veel, heel veel. Die liefde hangt niet af van eigenschappen en behoeften
van de gevende persoon, noch van omstandigheden, en ook niet van eigenschappen
en behoeften van de persoon die zou kunnen ontvangen. De liefde die ontspringt
uit de stilte van het zelf, dringt door de buitenkant heen en onthult zorgzaam
het wezen van de ander dat men zoekt. Die liefde is intelligent en bekwaam tot
handelen. Zij bevrijdt vakkundig mensen die zij raakt, bindt hen niet door
verwachtingen of schuldgevoel. Zij gaat van kern tot kern en is heel humaan.
Desondanks kun je nog een stap verder gaan en je eigen kern beschouwen, je
eigen basis. Die vind ik in mijn geloof, heilsrelatie, mijn Godskind-zijn.
Daar ligt mijn diepste grond, buiten mezelf, afhankelijk. De grootste eer die
ik een ander kan bewijzen is hem/haar in dezelfde grond te plaatsen, te geven,
toe te denken, die ik voor mij zelf als maximum beschouw. Dan zijn we verder
dan liefdadig meeleven of 'gewone' medemenselijkheid. De inhoud van de
(gelijk)waardigheid van de mensen is dan veel hoger; de
ander stel ik even kostbaar in Zijn ogen.
Bij die benadering komt weer dat beeld omhoog van 4.8
en 8.5:
De weg naar de naaste zou je je dus voor kunnen
stellen als gaande vanuit jouw centrum (daar waar je bent zoals je graag goed
wil zijn) omhoog via God naar de ander. Maar dan moet je God toch wel een
beetje kennen. Je kunt ook zeggen dat je vanuit jouw centrum naar dat van de
ander zoekt en daar iets van God hoopt te ontdekken, te herkennen wat ook in
jou leeft. Als we wandelen in het Licht -zoals Hijzelf in het
Licht is- hebben we gemeenschap met elkaar... " 1 Joh 1,7.
Dan zijn we bezig met het hoogste waartoe een mens in staat is nl. menselijke
ontmoeting in Godsliefde. "Amor
diffusivum suum est"
zei Anselmus in de 12e eeuw al, "liefde is zijn
eigen uitbreidsel". Biedt er geen
weerstand aan; het is éénmakende liefde (8.6).
Waar je in de behoeftige medemens Jezus Christus ziet
("Heer, wanneer zagen wij u hongerig..."), kun je -dacht ik- ook dan
het niveau bereiken, het terrein betreden, van de Godsontmoeting.
"Bemin uw naaste zoals uzelf". Als je jezelf niet bemint,
koestert in het geweldig Zonnelicht, kun je dan een ander beminnen? Gebed,
meditatie, mystiek loopt vanzelf naar buiten op de ander uit. God heeft geen
andere handen dan de onze. Als je een keer gehoord hebt
"Jij bent Mijn Zoon; heden heb Ik je verwekt" of "Luister,
dochter, spits je oren en let op, want de Koning heeft je aanzien
begeerd", dan heb je je Basis te pakken, vanwaar
uit je denkt en doet, en vermeerdert. Om het Rijk dat komen moet.
Je bent mij zo nodig
Je bent mij zo nodig. Ik weet wel dat 
de Heer mijn herder is en dat Hij mij
niets laat ontbreken, maar wanneer jij
mij dat niet bent, weet ik niet wat
mijn leven nog kan zijn. Wanneer
Hij jou
niet geeft, geeft Hij mij niets, want
wat mij niet gereikt wordt door jouw hand
is dood voordat ik het ooit krijgen zou.
Dat kan niet, zeg je, want dan stel je mij
voor Hem, een verantwoordelijkheid die
ik niet dragen kan. Weet je dat zeker?
Lees de psalm. Wie dorst schenkt Hij
in overvloed zijn wijn. Maar, liefste, wie
anders dan jij is mij zijn
beker?
(Gabriël Smit) Gabriël =
God is mijn gabber, sterke held)
Het is natuurlijk duidelijk dat dit gedicht een intense relatie
veronderstelt die in de diaconie niet nodig, wellicht niet gewenst is. Het
geeft wel -dacht ik- net als het schema boven het
principe aan van vakkundige liefde.
De schriftgeleerde van Mc 12,24 wil haring of
kuit van Jezus: wat is het allereerste gebod? Jezus
begint heel plechtig - als Mozes deed: "Sjema,
Israël", Luister, Israël: de Heer, onze God is de enige en die Heer zul je
dienen met heel je hebben en houwen: geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw
verstand en geheel uw kracht. Alstublieft. En dan: Gij zult uw naaste beminnen
als u zelf. Nog eens alstublieft. Dan zegt die schriftgeleerde:
"Juist, meester, terecht hebt ge gezegd..... en dat gaat boven alle
slacht- en brandoffers". Dat is nogal wat voor een Jood. Dan zegt Jezus:
"Ge staat niet ver van het Koninkrijk van God". Wat zou die schriftgeleerde dan nog niet te pakken hebben? Misschien is
het dat dat Rijk te bereiken is via Jezus, die de
Christus is en tot Heer werd aangesteld.
In de situatie die Amos hekelde gaat het nog om Joden die onrecht plegen maar
wel offeren en feesten, dus intern. Als het jodendom
al niet universeel zou zijn, het christendom is dat in ieder geval wel en dus
is het geen zaak van christenen onderling maar een zaak die de hele wereld
betreft en dus geldt onze aandacht voor het kwade ook niet-christenen
aangedaan.
Speciaal voor de liefhebbers een kleine inleiding, die misschien wel te
klein is - maar goed: voor de liefhebber.
Ethiek is nadenken over de vraag wat we behoren te doen. Moraal gaat meer over
praktische regels. In een situatie waarin alleen het goede of alleen het kwade
aanwezig is, weten we wel wat we moeten doen. Dat doet zich zelden voor,
meestal zijn het geen zwart - wit situaties maar 'van de ene kant van en de
ander kant'. Juist als je moet kiezen komt menselijke stuurmanskunst op
de proppen.
Regels als basis 6.1
Voor zo'n keuzebeslissing zijn er twee benaderingen:
- de deontologische regel d.w.z. hetgeen moet of niet moet (Gieks:
to deon)
- de teleologische regel d.w.z. het doelmatige, het nut
(Grieks: telos)
De deontologische regel kijkt alleen of iets goed of kwaad is en dat moet dus
hoe dan ook al of niet worden gedaan.
De teleologische regel trekt zich daar niets van aan en probeert heel nuchter
de hoeveelheid goed tegen de hoeveelheid kwaad af te wegen teneinde
het goede zoveel mogelijk te bevorderen. Maar het kan ook zijn dat men moet
kiezen uit twee kwaden. Dan kiest men voor het minste kwaad. Dus een leugen om
bestwil kan acceptabel zijn.
Dat klinkt(!) heel aardig als het om een aanslag op Hitler
e.d. gaat, maar begin nu eens over abortus ! De
moeilijkheid is dat er geen enkele regel bestaat die altijd alleen geldig is en
dat het dus op stuurmanskunst aankomt. Bovendien is er sprake van een rangorde
van waarden: de ene waarde kan hoger zijn dan de andere. Maar die rangorde ligt
niet vast; ze kan verschillen naar omstandigheden. Moet je de waarheid altijd
vertellen? Mag je de waarheid altijd vertellen? Mijn recht op vrijheid
wordt (mede) bepaald/beperkt door het recht van de ander. Ik kan niet verder
gaan dan tot zijn recht.
Principes van handelen 6.2
Er zijn twee principes om te handelen: die van het goed-doen
en die van de rechtwaardigheid. Het zijn invullingen van bovengenoemde
regels:
Het principe van het goed-doen
behelst (richting deontologisch)
- men behoort het kwade niet te doen
- men behoort het kwade te verhinderen, vóór te zijn
- men behoort het kwade weg te nemen als het aanwezig
is
- men behoort het goede te doen en te bevorderen
Het principe van de rechtwaardigheid (richting teleologisch)
behelst het verdelen van het goede en het kwade volgens het beginsel dat alle
mensen gelijk zijn. Maar dan wel in die zin dat ze allen een gelijke kans
hebben op een zo goed mogelijk leven voor hun situatie! Verdelen gaat pas
op als iedereen een zeker minimum heeft. Als ik in de woestijn maar één slokje
te drinken heb, hóéf ik die niet met de ander te delen (rabbijns!). Zodra
iedereen net genoeg te eten en te drinken enz. heeft, zal een gehandicapte meer
recht hebben op een wagentje dan ik op een fiets. En als ik de liefde hanteer,
geef ik hem dat wagentje.
Het is allemaal niet eenvoudig, maar in eerste instantie is dit een regel
waarmee het recht zoveel mogelijk waarde krijgt, daarom: rechtwaardig.
Recht hebben op! Let er bij discussies op of je spreekt van recht vanuit
(sociale) wet of vanuit christelijke liefde. Het eerste kun je eisen; het
tweede niet; dat kan alleen maar gegeven worden.
Ten slotte, waarom zou ik goed doen? Wat is de beste garantie dat ik mijn
belasting betaal? Uiteindelijk (!) rest één antwoord: omdat ik het wil. Amen.
Voor ethiekelingen:
zie b.v. W.K. Frankena:
Ethics; Prentice-Hall, Inc.
Je hoort wel eens dat wij mensen eigenlijk geen vrije wil hebben, geen
vrije keuze maken; dat het maar zo lijkt. Als we het daarover hebben, gaat het
om een bewuste beslissing, niet om een schrikreactie, een automatisme e.d, in ieder geval niet in eerste
instantie. Het gaat ook niet om situaties waarin dwang en/of onterechte
beïnvloeding meespelen. En iemand die depressief is of uit balans moet je niet
daarmee niet lastig vallen.
Als we nuchter en stap voor stap redeneren is het eerste punt of een zich
voordoende situatie iets betekent of niet. Een kastanje die
voor mij van de boom valt - die valt dan.
Als die kastanje op iemands hoofd valt, zal een reactie ter zake zijn. Bij toevalligheden, bij indringende
gebeurtenissen, bij belangrijke vragen, bij grote problemen en net zo goed bij
een invallende gedachte is de eerste inschatting/beoordeling: wat heb ik ermee?
Dan komt de vraag 'wat doe ik ermee'?, waarvoor kies
ik?'. Dit heeft een dubbel terrein: kies ik 'omdat' …
of kies ik 'hoewel' …. En nog eens dubbel: doe ik of laat ik 'omdat' of
doe ik of laat ik 'hoewel'. Als ik daarin heb beslist (hetgeen de ene keer heel gauw en spontaan gebeurt, de andere
keer een heel proces is van verstand en gevoel, intuïtie en ervaring, kennis en
goede wil), is de vraag terzake of ik kan doen, wat ik kan doen; en vervolgens
'wil ik doen?' en tenslotte de beslissing om te doen.
Nogmaals, we moeten eerst het principe op
tafel hebben, zonder complicaties, en dan mag degene die vindt dat hij/zij geen
vrije wil heeft, niet vrij kan kiezen, zeggen waar het bij hem/haar aan schort.
Het proces om tot een keuze te komen kan heel kort zijn: "Tot in
zijn binnenste geraakt" zette de Samaritaan die arme man op zijn lastdier;
hij hoefde niet na te denken. Maar er zijn
ook denkkaders als 'algemeen nut', rechtvaardigheid, gerechtigheid, schoonheid,
ethiek, geloof, die een toets aanreiken en zelfs een norm: niet alleen plezier,
nut, streven maar ook moreel goed of kwaad, heil en onheil. Dan functioneert
het geweten, dat heus geen bang-voor-straf-geweten
hoeft te zijn, laat staan een conventioneel plichtgevoel. Zolang je normaal in
je vel zit, kun je - desnoods met hulp - vrij een beslissing nemen en c.q.
verantwoordelijk zijn. Als je niet normaal genoeg in je vel zit, ligt het punt
niet bij de vrije wil of vrije keuze.
Hoe het tenslotte komt dat ik mijn wil uitvoer
is een vraag die ik niet kan beantwoorden. Ik weet niet of neurologen en
biochemici e.d. dat wel kunnen. Hoe kan vanuit een geestelijk fenomeen
(gedachte, wil, wens) een spier in werking treden? Bestaat er een
wetenschappelijke verklaring (niet: beschrijving!) voor het feit dat die
zenuwprikkel (natuur) vanuit niet-natuur ontstaat? Er lopen ongemerkt hersengolfjes in
mijn hoofd rond, meetbaar; maar ik kan die ook beïnvloeden
bv. door meditatie. Als ik boos word, produceer ik adrealine.
Hoe komt dat? We
kunnen de vraag steeds verder doorschuiven maar lopen m.i. toch telkens tegen
die grens van geest - materie/natuur aan.
Er is interessant biochemisch en neurologisch onderzoek o.a. naar de
vrije wil; niks mis mee maar laten we er wel alert op zijn of zo'n onderzoek voldoende het complexe leven dekt, wat het
doel ervan is, wat de resultaten zeggen en of die resultaten goed worden
doorgegeven. De proeven moeten verifieerbaar zijn, mogen geen
automatisme/gewoonte oproepen, niets induceren enz. Proefpersonen mogen niet
eens het doel ervan weten.
Komen we bij die vraag hoe natuur door niet-natuur wordt opgeroepen tenslotte toch niet uit bij de eerste zin van die
geloofsbelijdenis: punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep; het
zienlijke en het onzienlijke. Geest schept het zintuiglijk waarneembare. Mij
lijkt dit nog meer dan een keuze - nadat ik kies voor dat geloof.
Ik vind echt dat ik vrij kan
kiezen en willen, geen marionet ben en
verantwoording kan en wil afleggen. Ik 'verdien'. De stomp of het pluimpje.
Niet de kus. Die krijg ik.
verder naar sacramenten
terug naar
overzicht
terug naar
diaconie
E-mail adres
14 Feesten
14.1 Existentieel
14.2 Weekcyclus
14.3 Jaarcyclus
14.3.1 Joodse feesten
14.3.2 de christelijke heilsduiding ervan
14.4 De jaarcyclus met de latere feesten
1 Existentieel
Misschien klinkt het gek, maar het feest hoort er bij, net als bidden. Zo
bestaan we. Het heft je op, je verzorgt je vreugde en je vermeerdert het, je
wordt er rijker van. Als je een zoveel-jarige
bruiloft hebt gevierd, snap je 'het' beter. Het 'behoort' dus gevierd te worden
vanaf de Zondag tot en met Pasen. "Zingt voor de
Heer met reidans, cyterspel en tamboerijn." We
zijn dus niet de eersten. Kerstmis vieren is niet zo'n
probleem, maar is de Zondag een feestdag? Is Pasen een groter feest dan
Kerstmis wat betreft onze viering? Toch staat de Zondag
sterker dan Pasen en Kerstmis had vroeger slechts een derderangs octaaf tegen
Pinksteren en Pasen een eersterangs.
Er bestaat een week- en een jaarcyclus van feesten. Ze komen ter sprake ook binnen hun joodse achtergrond want vandaar uit is
de overstap naar christelijk beleven beter te begrijpen.
2 Weekcyclus
Het getal zeven 2.1
heeft men al vaker
in de geschiedenis geprobeerd te wijzigen als het aantal weekdagen. Zelfs de Romeinen kenden een 10-daagse
werkperiode en vonden een zevendaagse werkweek maar oneconomische
tijdverspilling. Kennelijk is zeven op een of andere manier ingebakken. In het
theater van Milete (ca 4 eeuwen vòòr
Chr.) staan 7 aartsengelen in 7 nissen, ieder met een spreuk om bescherming;
bij iedere nis staat één van de 7 klinkers van het Griekse alfabet, die iets te
maken hadden met de 7 snaren
van een lier, die in harmonisch verband met elkaar staan. Hoe komen we aan dat
'zeven'? Zie daarvoor 'Getallensymboliek'
onder 4 en 7.
Verering van 'hemelse' zaken 2.2
is zeer oud. Het uitspansel
maakte kennelijk al heel lang zoveel indruk dat men daarin 'het meer' zocht of
daardoor op het spoor kwam. Heel oud is het in Klein Azië en Babylonië noemen
van de dagen van de week naar de 7 planeten (= vagebonden, zwervers t.o.v. de
vaste sterren), die ieder in een 'sfeer' om de aarde heen draaiden en de naam
van een god kregen.
|
In Rome werd dat |
in het frans |
bij ons |
|
1ste dag van de Zon (sol) |
Dimanche (dies Dominica, dag des Heren) |
zondag |
|
2de dag van de Maan (luna) |
Lundi |
maandag |
|
3de dag van Mars
(Romeins) |
Mardi
Things (Germaans) |
dinsdag |
|
4de dag van Mercurius |
Mercredi Wodan |
woensdag |
|
5de dag van Jupiter |
Jeudi
Donar |
donderdag |
|
6de dag van Venus |
Vendredi Frya |
vrijdag |
|
7de dag van Saturnus |
Samedi |
zaterdag |
De sfeer van Saturnus was de zevende hemel (voor lieden in een zekere
toestand) en daarna kwam de vaste orde, de onvergankelijke, waar de mens op
hoopte (eeuwig leven), die van de kosmos (= mooi geheel). Als deel van de
kosmos wilde de mens daarvan iets op aarde 'waar' maken en zo kwam goede orde
op aarde naar voren in de zin van ethische orde . De
'hemelse' vastheid, gerechtigheid, wordt op aarde vertaald in
'recht'(vaardigheid). Het Egyptische Ma'at heeft die betekenissen. Zie ook 'gerechtigheid'
onder Bijbelse begrippen.
In Jer. 31, 35 vv wordt de menselijke zekerheid op het heil, de heilsorde,
gefundeerd op de ervaring van die (schone) scheppingsorde.
De stoïcijnse filosofie, die in het begin van onze jaartelling nog in zwang
was, sprak van leven in overeen-stemming met de
natuur. Daarmee werd bedoeld de al-natuur en de persoonlijke aard. De mens
heeft die twee karakters. De alnatuur was goed en individueel nadeel moest de
mens verdragen, want het was heel goed mogelijk dat in het geheel van de
alnatuur dat individuele nadeel toch goed was; omdat de mens niet alles wist
kon hij dat niet beoordelen en moest hij dat verdragend de deugd nastreven. Dus
geen passiviteit maar actieve inzet (incl. verdragen) voor het goede, hetgeen neerkwam op ethisch goed gedrag. Zo'n
houding paste natuurlijk goed in de Christelijke (en Joodse !) leer.
Kosmische gerechtigheid betekent ook harmonie, geen zwervende verstoorders,
éénheid, enkelvoudig-heid (geen gespleten-zijn),
compleet mens-zijn, waarvoor we nu psychologische termen hanteren. In
Christelijke termen denk ik aan 'vrede des Heren'; Christenen, dat zijn pas
gelukkige mensen; dat zie je zo.
Het witte licht 2.3
hangt daarmee samen. Wit is de kleur van Zeus,
van de toog van de paus, van de keurige filmheld, de liturgische kleur van
Pasen, kortom van de top. Het witte licht is harmonieus samengesteld uit 7
kleuren. Denk aan de regenboog waarlangs het woord van de goden (Hermes) van de
Olympus naar de aarde kwam, het teken van het verbond met Noach na de zondvloed
en de lichtbreking in een kristal.
Ook bestaat de mythische voorstelling 2.4
van de reis die de menselijke ziel na zijn
val op de aarde weer terug naar de hemel moet maken. Hij moest dan door de 7
sferen heen. Kennelijk heeft 7 iets te maken met de mens onderweg naar..... Dat idee vindt men bij de gnostische systemen, in de Mithra-mysteries (Mesopotamische god Mythras,
erg in trek bij de Romeinse soldaten en in Rome) en in de Avesta,
heilig geschrift van de Perzen. In de Middeleeuwen wordt het idee ook
gehanteerd door christelijke schrijvers maar het is afkomstig van de oudheid en
niet bijbels gefundeerd; niettemin kan het spiritueel
vruchtbaar zijn.
Tenslotte werd de wereld geschapen 2.5
volgens de Joodse overlevering in 7 dagen
en dan staat er een prikje in de 10 geboden: "Denk aan de Sabbat; die moet
heilig zijn voor u..... In 6 dagen immers heeft JHWH ...
(alles) gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de Sabbat gezegend
en tot een heilige dag gemaakt". De prik is dat klaarblijkelijk een
verband voor de hand ligt tussen schepping en menselijk doen en laten, hetgeen een gelovig standpunt is, dat nog wordt
geaccentueerd omdat die zevende dag erbij hoort. Die weekperiode komt voor de
mens telkens terug: lijkt het er dan niet een beetje op dat de mens deelneemt
aan die schepping, haar voortzet, dat dat zijn
geloofsbelijdenis is? Zie weer 'Getallensymboliek'
In de christelijke beleving 2.6
is er wel iets nieuws aan de hand als
geschreven wordt. "Juist op die eerste dag van de nieuwe week daalden twee
leerlingen af naar Emmaüs" en Augustinus spreekt later van de 'achtste
dag'. David was de achtste zoon van Isaï. Met hem begon het Rijk. De eerste
Christenen hielden aanvankelijk gewoon Sabbat als zijnde Joden. Maar het
verrijzen van Jezus was hét onderscheid met de Joden en dermate
nieuw dat het voor hen een nieuwe periode in hun leven betekende.
Zij kwamen dus op de eerste dag van de nieuwe week 's morgens bijeen om een
"Hymne voor Christus te zingen als voor een god" en "'s avonds
een maaltijd te houden" (landvoogd Plinius in
Griekenland aan keizer Trajanus, ca 110). Vermoedelijk om zo weinig mogelijk
samenscholingen te veroorzaken werd die maaltijd naar de morgen verplaatst en
hield men toen de maaltijd des Heren want zij werd wekelijks gehouden om Zijn
dood (voor ons) en verrijzenis te gedenken en daarvoor de Vader (o.a.)
lofprijzend te danken. Zodoende is die dag waarschijnlijk de Dag des Heren
(Dies Dominica) genoemd geworden met als achtergrond
de gedachte dat door Jezus Christus de voleinding van de Dag van JHWH werd
bewerkstelligd. Dat was een dag van oordeel (Jes 2,12 en Sef 1,14) en/of een
dag van hoop, voltooiing (Jes 4). Als Christenen er dus aansprak op maken dat
zij de maaltijd van de Heer op de eerste dag van de week moeten kunnen vieren,
hebben zij sterke papieren.
In de weekcyclus horen ook nog 2.7
de Woensdag en de Vrijdag thuis als dagen
waarop men enige tijd vastte, volgens Joodse traditie. Daarvan is bij ons nog
een beetje over nl. op Aswoensdag en Goede Vrijdag.
Deze is gebaseerd op twee soorten feesten, nl. die waaraan een Joodse
pelgrimstocht naar Jeruzalem was verbonden, en een mengsel van latere feesten.
Tot de eerste groep behoren Pasen, het feest van de Ongedesemde Broden, het
Zevenwekenfeest en het Loofhuttenfeest. Het Paasfeest
is met het feest van de Ongedesemde Broden samengevoegd vanwege hun
samenvallende betekenis, lente - nieuw leven.
De Joodse feesten 3.1
3.1.1 Pasen
was in oorsprong een herdersfeest en werd gevierd in de nacht van
de 14/15 Nissan, d.w.z. in de lente bij volle maan. Het was een typisch
nomadenfeest. Het ging om het welzijn van de kudde; men had geen priester nodig
noch een altaar noch keukengerei. Het beest werd gebraden aan het spit en
gegeten; het bloed werd zeer waarschijnlijk aan de tentstokken gesmeerd om de
verderven (Ex 12, 23), het 0n-leven, het onheil, buiten te houden. Ik zoek
hierachter het idee dat 'feestbloed', 'offerbloed' op een of andere manier
heilig en onkwetsbaar is. Als bijgerechten werden gewoon ongedesemd
woestijnbrood en (bittere) woestijnkruiden gebruikt.
Bij het Joodse Paasfeest ging het om een
éénjarig, mannelijk lam, gaaf, uitgezocht op de tiende van de maand en
vastgehouden tot de veertiende. Dan werd het geslacht, eerlijk verdeeld,
eventueel samen met de buren, de beenderen mochten niet worden gebroken. Bloed
van het lam werd gesmeerd op de deurposten en de bovenbalk wat in Egypte de
betekenis had dat de Heer die woningen voorbijging bij zijn straf van de
Egyptenaren. Wat bij zonsopgang nog over was moest worden verbrand. Een typisch
familiefeest, mogelijk in stamverband.
De heilsbetekenis die de Joden aan dit feest gaven was dat het JHWH's
beschermende hand was die hen behoedde voor gevaar en die hen uit Egypte
leidde. De Egyptenaren zagen alleen maar mist en modder. De Joden gaven daaraan
achteraf, in verwondering een heilsbetekenis aan.
3.1.2 Ongedesemde Broden
was een boerenfeest. Het werd ook in de lente gehouden, maar aangezien het
rijp worden van het graan niet door de kalender maar door de natuur wordt
bepaald, lag het begin ervan niet vast. Het feest vierde het nieuwe begin
doordat men al het oude brood weg deed en van het nieuwe graan nieuw brood
bakte. Er was dus geen oud brood meer om het nieuwe te desemen en men at dan
zeven (!) dagen ongedesemd brood, de azymen.
Dit landbouwfeest kreeg als heilsbetekenis de intocht in het
beloofde land, want op die dag had JHWH de ellende van Egypte van hen
afgewenteld (= Gilgal) en zouden ze geen Manna meer krijgen maar eten wat het
land daar voortbracht (Joz. 5,10v), waarvoor ze de eerste zeven dagen
geen gist hadden; het oude moest wegblijven.
Met het nodige geharrewar vanwege het niet samenvallen van de data zijn die
twee feesten ten slotte op één dag gevierd (concentratie van feesten en
eredienst in Jeruzalem). "Op de eerste dag van het Ongedesemd Brood, de
dag waarop men het Paaslam slacht... " (Mc 14,12).
3.1.3 Zeven-wekenfeest
Dit begon op de dag na Pasen met "Het feest van de schoof" (J.Daniélou; Bijbel en liturgie), dus gedurende het feest
van de Ongedesemde broden, dat daarvan apart stond. Zeven weken later werd het
afgesloten. Het feest vierde het binnenhalen van de graanoogst. Op de 1e dag en
op de 49e dag werd graan aangeboden. Op dit feest kwam dan de gelovige Jood
voor zijn Schepper staan en bood Hem de eerstelingen aan met het mooie gebed,
een geloofsbelijdenis, waarin hij dankte voor het land dat hij gekregen had
volgens belofte. Kan het op een eenvoudiger en duidelijker manier? Hij gaat
dank brengen met iets dat hij heeft gekregen en van levensbelang is. Is dat
graan dan alleen maar graan? "Een zwervende Arameeër was mijn
vader…" Deut 26, lezen!
T.o.v. Pasen was het dus 1 + 7 x 7 = 50 dagen
verder. 50 is Pentekostes (Pinksteren) in het Grieks.
Dan was het erg druk in Jeruzalem vanwege de pelgrims.
3.1.4 Loofhuttenfeest
Dit vond plaats in de herfst als feest van het einde van de oogst van de
veldvruchten o.a. de druiven. De inhoud van het feest was misschien niet zo duidelijk
als die van die andere, maar het was het grootste feest, zeven dagen lang.
De Christelijke heilsduiding 3.2
3.2.1. van Pasen en Ongedesemd Brood
(zie ook 10.3 joods
en 10.3 christelijk).
De uittocht uit Egypte is te vergelijken met de uittocht van Jezus uit dit
aardse leven, alleen al vanwege de
verbanden die het verhaal leggen, duisternis - licht, slavernij -
bevrijding, dood - leven; het instellingsverhaal staat binnen het kader van de
Paasmaalviering.
Er zijn ook een paar duidelijke teksten die op heilsduiding wijzen. Johannes
schrijft dat de beenderen van Jezus aan het kruis -zoals van
het Paaslam- niet gebroken worden en hij laat het sterven van Jezus
plaats vinden op het moment dat in de tempel de paaslammeren worden geslacht.
Marcus spreekt nl. over "de eerste dag van het Ongedesemd Brood, de dag
waarop men het Paaslam slacht..." waarop de leerlingen aan Jezus vragen
waar ze het Paasmaal moeten bereiden; dat was dus
Pasen op 'Witte Donderdag' want Jezus stierf de dag er na op Vrijdag. Johannes
zegt dat de Joden niet het pretorium van Pilatus binnen willen gaan om zich
niet te verontreinigen voor het Paasmaal dat ze die
avond zullen eten; dat is dus op Vrijdag, als er in de tempel wordt geslacht.
De heilsduiding is dan dat hij het Paaslam was dat - binnen het kader van
gemeenschapsmaaltijd - voor ons gemeenschap met JHWH bewerkt. Dat
gemeenschapsoffer werd voortgezet via de wekelijkse Joodse huisliturgie en
niet via het Paasfeest. Later komt het los van de
huisliturgie.
Denk er wel aan dat het gaat om de betekenis die de (eerste)
Christenen aan verschillende Joodse gebruiken zijn gaan geven toegespitst op
Jezus, dien "God en Heer en Christus heeft gemaakt" (Hand. 2,36).
Zie b.v. de brief van Paulus aan de Korinthiërs waar
hij een beetje vrij vertaald zegt: jullie kunnen wel Pasen vieren maar dan niet
zoals vroeger, want wij hebben zelf een eigen Paaslam, Christus, en dat is zo'n
goeie dat het voor eens en altijd genoeg is. Vier dus feest in de Azymen van eerlijkheid
en waarheid (1 Kor 5, 6-8).
3.2.2 van het
Zeven-wekenfeest
Het feest betrof de voltooiing van de graanoogst. "Toen de 50-dagen-tijd
was voltooid, waren ze allemaal bij elkaar op dezelfde plaats. Plotseling kwam
er uit de hemel een gedruis alsof... " en begon het pas goed met de Kerk. Evenwel, het binnen gehaald zijn van de oogst en het
gedoopt, ondergedompeld worden in de H.Geest liggen niet zo kort bij elkaar als
het Paasmaal vieren in de Joodse en in de Christelijke
zin. Maar je kunt wel zeggen dat Pinksteren de voltooiing is van het Paasgebeuren, het 'Paasheil'. De
zending van de Geest gebeurde immers al aan het kruis; toen Jezus stierf,
"gaf hij de Geest door" zegt Johannes.
4 De jaarcyclus met de latere feesten
Joods 4.1
Het grote feest werd de Grote Verzoendag.
De Hoge Priester mocht alleen op die dag het Heilige der Heilige binnengaan om
het deksel der Verzoening (zie bij 11.5) te bewieroken
en er bloed op te sprenkelen van de stier die hij had geslacht voor de
zonden van hemzelf en de priesters. Er
waren ook twee bokken: één ervan werd geslacht om de zonden van het volk; zijn
bloed werd ook op de kapporet gesprenkeld. De ander (aangewezen door het
lot) kreeg de zonden van het volk op zijn kop en werd de woestijn in gejaagd
(bok voor Azazel). Dit feest heeft geen Christelijk
vervolg gekregen alleen maar terugkerende zondebokken.
Het Chanoeka-feest,
25 December, heeft connecties met een verhaal over de
tempel. Toen de getrouwe Makkabeeën (ca 160 v.
Chr.) de tempel hadden heroverd op de Joden die het niet zo nauw namen met de
eigen Joodse traditie, moest deze worden gereinigd, maar er was geen olie
genoeg om de acht (plus een aansteekkaars) lampen van de Chanoeka
achtereenvolgens acht dagen te laten branden, totdat weer nieuwe, reine olie
was bereid. Ze hadden maar één verzegeld flesje gevonden, genoeg voor één dag.
Toch gebeurde het wonder: het bleek genoeg voor acht dagen. Dus een lichtfeest
met verlossingsmotief.
(Verwar de 8 + 1-armige kandelaar, de Chanoeka, niet
met de 7-armige, de Menora. De Menora werd in 169 voor C. uit de tempel geroofd
door een Hellenistisch ingestelde koning. Ze werd in Rome als buit in een
triomftocht binnengedragen. De Makkabeeën maakten een nieuwe acht(!)-armige kandelaar met een aansteekkaars)
Het Purim-feest heeft connecties met het
verhaal van Esther. Lezen! Ook weer een verlossingsmotief dat gevierd
werd met een lichtprocessie naar de synagoge. Het verhaal heeft een profane ondergrond;
het feest kreeg dat ook door toepassing met vermommingen.
Het verlossings- en lichtmotief van beide laatste
feesten zijn van belang.
De Openbaring des Heren - Kerstmis 4.2
De Openbaring werd door Christenen gevierd op 6 januari. Het was niet het
feest der geboorte maar van het zich manifesteren van de Heer,
belangrijker dan de geboorte. Daarop duiden ook het verhaal van de drie
Wijzen, de Doop in de Jordaan en de bruiloft van Kana. Het feest werd al in de
tweede eeuw gevierd door gnostieken. Het was van gnostische oorsprong;
gnostieken waren geïnteresseerd in het 'doorkrij-gen', inzicht, 'eigen' geboorte, niet in geboorte
buiten jou, zodat bevrijding uit het vergankelijke mogelijk werd. De Christenen
gaven er een eigen tintje aan en vierden 's avonds tevoren de Geboorte van de
Heer en overdag de Openbaring.
Het feest van de Geboorte werd later verplaatst naar 25 December,
het was in ieder geval in ca 330 te Rome bekend. De
combinatie ervan met de winter-zonnewende (de
onoverwinnelijke Zon; Syrisch, Egyptisch) en Mythras-verering (de onoverwinnelijke god), Christus als
'Sol invictus' (onoverwonnen zon), als 'Sol iustitiae' (mozaïek in de oude St.Pieter) en als vredevorst plus de achtergrond van het Chanoeka-feest - dat alles was niet zo vreemd; maar het
heidens aspect en wellicht ook het Purim-feest
zorgden voor de nodige tam-tam en zoetelijkheid en
slaapliedjes, want als het Kindje zijn mond open zou doen, zou het maar lastig
zijn.
De os en de ezel zijn er bij gekomen middels een
hatelijke steek onder water naar het Joodse volk door de kerkvaders op grond
van Jes 1 en een apocrief evangelie. Jes 1, 3 zegt: "Een
os kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester; maar Israël weet
van niets, Mijn volk kent geen begrip." Het apocriefe Evangelie van
Pseudo-Matteus 14: "Op de 3e dag na de geboorte
van O.H.J.C schreed de zalige Maria uit het hol, ging een stal binnen en legde
haar kind in een kribbe en de os en de ezel aanbaden hem. Toen ging in
vervulling wat door de profeet Jesaia werd
verkondigd…"
Zoeken naar de zin van het feest der Openbaring des Heren 4.3
In het oosten leefde een Joodse sekte: de Mandeeën,
gnostisch, mensen die naar zin zochten, inzicht, Licht. Als zij nu eens bedoeld
worden door de evangelist of de volksmond als de drie Wijzen aan wie een Licht
was opgegaan..... Ze zijn ernaar gaan zoeken in (hun)
oude traditie, in Jeruzalem, en kwamen tot de ontdekking dat ze niet (meer)
daar moesten zijn omdat de zaak van JHWH verknold was door de corrupte
tempelaristocratie (Sadduceeën) en de Hoge Priester(s). Toen ze dat doorkregen,
toen ze de weg van de nederigheid gingen naar een gat, toen ging hun Licht weer
aan. "En gij, Bethlehem, gij zijt volstrekt niet
de geringste..." Ze vonden echtheid, puur leven, waarheid zonder
franje; ze gingen een huis binnen … een wereld van die andere
werkelijkheid, esoterisch, als ingewijden.
Zo kun je het verhaal ook lezen. Wat is de kern van Kerstmis? Laat de bel bimbam ... kere om... : Christus is geboren; niet Jezus is geboren. Meester Eckhart, een Duits mysticus, sprak over de geboorte van het
woord van God in de ziel van de mens, en dan denk ik aan incarnatie, waarvan we
het feest met Kerstmis vieren. Incarnatie gaat door, ook nu nog. Niet alleen
toen Maria maar ook nu Kerk. Maria als beeld van de Kerk. Zij was het nooit
geworden als zij daartoe geen aanleiding had gegeven. Kijkt u ook nog
eens naar wat in 8.5 staat?.
Litt.. De Veaux: Hoe het oude Israël leefde.
15 Sacramenten
15.1 Heil
15.2 Gemeenschap
15.3 Hoe werkt een sacrament?
15.4 Zeven
15.5 Noodzaak
15.6 Het teken, tekenende, het 'zienlijke', het
symbool
15.7 Het betekende; het 'onzienlijke'
15.8 De sacramenten afzonderlijk
1 Heil
Daar gaat het uiteindelijk om. De mens ondervindt zijn tekort om a) uit de ellende te raken, het on-heil, en b) om het 'meer' te bereiken, zijn heiliging. Dat klinkt stoer maar bedoeld is het Godskind zijn: "Gij zijt heilig zoals Ik heilig ben". Bovennatuurlijke werkelijkheid komt onze geschiedenis in. De mens gaat een relatie met de Heilsbron aan; geloof hebben we omschreven als 'heilsrelatie met God'. Die God biedt Zich aan; HijZ wil met die mens een communicatie in liefde, die zich aanbiedt, opdringt (niet: dwingt) vanuit een drijvende Kracht: Amor diffusivum suum est. Zie 13.4
.Als je in het N.T. zoekt naar de sacramenten die
Jezus heeft ingesteld kom je niet zo ver. Augustinus (ca 400), dé man
van de
genadeleer, dacht bij sacrament alleen aan doop en Eucharistie. Al naar de
theoloog varieerde het aantal toen tussen 5 en
Het getal zeven heeft een nog langere traditie (zie Getallensymboliek ) en die zal best een
rol gespeeld hebben. Het gaat immers om de mens, iedereen levend de nieuwe
schepping voortzettend. Dat geldt ook voor de sacramenten: zij moeten
dienstbaar zijn aan de mens onderweg, aan de heilseconomie van God. Aan de
vieringen moet je wat hebben. Dan kun je er verder mee.
Is 'door Christus ingesteld' nu fout ? Nee, de benadering
is dat ze in Jezus' leer en handelen (zie evangelie) liggen als een knop die in
de boezem van de Kerk is open gegaan, bekleed met de kelkblaadjes van de Kerk.
(kardinaal Newman)
6 Het teken,
tekenende, het 'zienlijke', het symbool
7 Het betekende; het 'onzienlijke'
De woorden 'de
twee brandpunten' in de derde paragraaf verleiden me tot het beeld van een
ellips, die gedeeltelijk boven, gedeeltelijk onder de
transcendentielijn liggen. Zie 1.3 Wat onder de transcendentielijn ligt
is zienlijk, wat er boven ligt is onzienlijk. De wand van de ellips omvat het
sacrament. De inhoud is JHWH: 'HijZ is' en 'HijZ is er' respectievelijk boven en onder die lijn. 'HijZ is er'
voor ons met Zijn zorg, mee-leven, mee-lijden, mee-vieren, Zijn mede-deling aan de mens die ook 'er is'. Het betekende van
het sacrament is God Zelf, is ontmoeting in heilzame werking voor de mens, die
ook 'is': assimilatie met De Ene. Jezus trekt de
brandpunten van de ellips steeds meer naar elkaar toe, totdat de ellips een
cirkel is geworden, het helemaal rond is. Dan vallen de brandpunten samen en is
de mens heel. Als je dat in de gaten krijgt, begrijp je wat Schillebeeckx bedoelt met "Christus, het sacrament van
de Godsontmoeting".
Genade, God-aanwezig, Zijn Levenskracht, noemen we de
H.Geest, Die zich in iedereen manifesteert in een soort van overtuiging,
inzicht, wil, accepteren. Dat betekende, die Sjechina, kan alleen door de
H.Geest worden gegeven. Ieder sacrament heeft dan ook zijn epiclese, direct of
indirect. Hij bindt het onzienlijke aan het zienlijke. Aan het zienlijke wordt
een betekenisverruiming door het geloofskader toegevoegd. Het gaat om meer dan
het waarnemingskader zodat je door de materie heen iets van God kunt gewaar
worden. Het gaat om sacramenteel denken, zo'n
instelling hebben.
Een korte, schematische weergave aan de hand van drie
punten: het teken - de epiclese - het betekende. Zie ook Kernstukken.
- 1 Doopsel
Alle evangelisten vermelden het dopen van Johannes in de Jordaan.
Het
teken is het doen vloeien (rite) van het doopwater (symbool) over het hoofd van
de dopeling. De priester of diaken zegt daarbij: "Ik doop u in de Naam
van de Vader en de Zoon en de H.Geest". Trinitarisch !
Vroeger zei de bedienaar: "N. wordt gedoopt .."
Die passieve werkwoordsvorm vind je in de bijbel
overal, ook in het O.T. De betekenis is dat JHWH doet. In het N.T. vind je dat
ook: "uw zonden worden u vergeven" m.a.w. Jezus
Christus doopt !
De epiclese staat in de trinitarische doopformule en in het wijden van het
water in de Paasnacht: "Stort in dit water de
Geest uit van Uw Eengeboren Zoon …" De
geloofsact (naar God) ligt (mede) in het zeggen van de geloofsbelijdenis.
Het betekende is nieuw (innerlijk) leven als godskind
van God, opname in de gemeenschap van Jezus-volgers,
deel krijgen aan Jezus in die gemeenschap, samen met hem door de dood heengaan
(de Joden moeten het doen zonder Jezus), verlossing van ons aller-mensen-tekort,
en samen met hem verrijzen.
Kinderdoop ? Uiteindelijk(!) zeg ik: geef niet alleen
te eten maar geef ook Gods genade door. Je laat
met jouw kind ook jouw handen dopen, die met die ringen. Dat klinkt allemaal
niet 'logisch', maar dat is juist het onzegbare. Je kind laten dopen is meer
dan het 'alleen maar' christelijk laten opgroeien. En maak je niet ongerust
over de keuze die het eigenlijk zelf moet maken: het roert later zijn mondje
toch wel. Anders ben jij fout. Hoe kan het keuze maken als het niet weet wat
het is, niet heeft meegemaakt?
- 2 Vormsel
is eigenlijk een deel van het dopen, zie Hand. 10,44 vv; 8,16 v; 19,1-7, maar
door het in zwang
komen
van de kinderdoop (ca 5de eeuw) en de opkomst van het platteland is het
onderscheiden van het doopsel w.b. het moment van
viering. De inhoud kun je
zien als: ons doopsel in water en "in heilige Geest en vuur" is
geboorte, begin van nieuw Leven, en Vormsel is dat nieuwe Leven leiden bevuurd met goddelijke Kracht, de Levensadem, waarmee ook
wij 'Abba' zeggen.
Het teken is
het H.Chrisma, zalf met geurstof -door de bisschop gewijd-
waarmee de vormeling wordt 'gekruisd' op het
voorhoofd, gecombineerd met handoplegging. De bisschop zegt daarbij:
"Ontvang het zegel van de H.Geest, de gave Gods".
De epiclese ligt vooral in het gebed om de H.Geest door de aanwezigen. De
vormeling heeft tevoren zelf(!) zijn geloofsbelijdenis gezegd voor de bisschop.
Het betekende is Geestesmededeling, deel hebben aan de Geest van Jezus
Christus; volledig actief lidmaat van de Gemeenschap, dus ook zending, getekend
met het christenmerk ('sfragis'), het kruis. Voor de
Jood is dat besnijdenis.
- 3 Eucharistie
de
tweede initiatierite, de derde als je het vormsel apart telt. Zie onderwerp 10. Kort gezegd:
het teken is het Eucharistisch Gebed met brood en wijn 'in de hand', waarin de
epiclesen, en het eten en drinken van Brood en Wijn.
- 4 Boeten (Zie 11e onderwerp).
Als zonde, schuld, boete, vergeving,
genoegdoening e.d. goed waren gehanteerd, was dit sacrament niet in discredit
geraakt. Het is het vieren van doorkrijgen, van bekering, en vrijmaking. Daarom
is een wederdoop
niet nodig. De
band kan altijd door boeten worden hersteld. Boetedoening/schadevergoeding
hoort wezenlijk bij de biecht; zij mondt redelijkerwijs uit in verzoening.
Onze boetevieringen zijn geen sacrament. Het kort-bij, het persoonlijke
ontbreekt.
Het teken is berouw en belijdenis uitspreken, en boeten (penitentie), en het hand-boven-het-hoofd-houden
van de priester." Ik ontsla u ... in de naam
van... (Hand boven het hoofd is bescherming, op het hoofd is overdracht.)
De epiclese ligt in het noemen van de H.Geest bij de
absolutie en het vragen om de Geest bij het gewetensonderzoek. De geloofsact is
duidelijk.
Het betekende is zonde-uitwissing, herstel van de band met de kerk en God.
- 5 Ziekenzalving
is geen laatste
hulp bij ongelukken meer; de zieke moet het sacrament zo bewust mogelijk mee-maken, er baat bij hebben. Zie Jac. 5,14,v,
dat niet vanuit een stervenssituatie spreekt. Het is nu wel zo dat de ziekte
levensbedreigend moet zijn, ook ouderdom hoort daarbij.
Het teken is zalving met ziekenolie van voorhoofd en handen, terwijl de
priester zegt:" Moge O.H.J.C.(!, de Gezalfde) door deze heilige zalving en
door zijn liefdevolle barmhartigheid u bijstaan met de genade van zijn
H.Geest".
De epiclese is duidelijk; er wordt geen expliciete geloofsact van de zieke
gevraagd.
Het betekende is deelname aan, één worden met het lijden van Jezus, waaruit de
zieke kracht kan putten, en zonden-uitwissing.
- 6 Wijding
stamt
reeds uit het O.T.: koningen, profeten en priesters
worden gezalfd. Jezus is de Gezalfde, Gods lieveling. Zijn dienst t.b.v. de
gemeenschap wordt in handen van de bisschop, priester en diaken gelegd. Het
gaat om priester, leraar en herder/bestuurder zijn. Tegelijkertijd.
Het teken is zalving met H.Chrisma van hoofd en handen en handoplegging met
verschillende wijdingsformules, en het overreiken van ring en staf, resp. kelk
en pateen, resp. evangelieboek.
De epiclese is het gebed om de H.Geest door de aanwezige Kerk en de zalving met
het H.Chrisma. Geen expliciete geloofsact van de
wijdeling.
Het betekende is bijzondere machtiging door de H.Geest, deelname aan het
priesterschap van Jezus Christus om als een representant, misschien mag je
zeggen als een dubbelganger, in zijn dienst te staan door de gelovigen van
dienst te zijn met Zijn dienstwerk. Dat vraagt veel inzet.
- 7 Huwelijk
Via
seksualiteit kan ik mijn diepste zelf, proberen uit te
drukken; het mooiste in liefdescommunicatie. Eucharistie moge het kardinale
sacrament zijn; het huwelijk noem ik het sterkste. Daar gaan natuur en genade
het wonderbaarlijkste samen. Het is heel kortbij aanwezig. Met doopwater enz.
kan ik geen ruzie maken en het weer goed maken enz. . .....
Hemel en aarde zijn oorspronkelijk toch ook één.
Het teken is het continue ja-woord en mijn lichaam.
De epiclese is wel eens zoek?
Het betekende .... tja .... echo van Gods liefde ? Vul
het zelf maar in.
Nu en
later voor ons en onze
kinderen.
Epe, feest
van Maria Tenhemelopneming 2000