VOLWASSENECATECHESE OP INTERNET

blok D

terug naar overzicht

terug naar Eucharistie (blok C)
verder naar gebed
emailadres

naar In de engelenbak

11 Zonde - Bekering

 

11.1  Inleiding
11.2 
Wat zit in 'keer'?
11.3  Verkondiging van bekering
11.4  Twee verschillende heils-lijnen    
11.5  Zonde - schuld - vergeving - verzoening
11.6  Spijt - berouw
11.7  Boete - verzoening
11.8  Heer, heb medelijden
11.9 
Geweten
11.10 Vrije wil

        smeekgebed

1  Inleiding 

 

Net als 'verlossing' is 'bekering' direct bij 'verrijzenis' te plaatsen. Door hun bekering kregen de leerlingen -vergeleken met het O.T.-  een nieuwe basis, een concretere invulling, nl. geloof in Jezus van Nazareth, die door God tot Heer en Gezalfde was gemaakt. Denk maar aan Maria Magdalena bij het graf: ze 'keerde zich om' en zei toen "Rabboeni". De gesneuvelde Amerikaanse soldaat, wiens 'Hello God' een goede start is om 'bekering' te leren kennen, heeft vroeger van God gehoord. Nu gaat het erom dat hij het (ineens) door heeft en zich bekeert, anders gaat denken.
In die zin is bekering, net als verlossing, een tricky onderwerp: degene die niet 'bekeerd' is, snapt er niets van en degene die dat heeft meegemaakt, heeft het niet meer nodig. Ofschoon .... het kan nooit kwaad je nog eens te bezinnen op die vonk of die dreun of dat pijnlijke proces; misschien helpt het nog.
Bekering gebruiken we ook als het gaat om terugkeer naar het goede, dat we hebben losgelaten. Een zondaar, die eerst goed was en toen kwaad heeft gedaan, kan zich bekeren.

Een derde betekenis is bekering t.o.v. het volmaakte; iemand die al goed leeft probeert steeds beter aan het ideaal van Jezus Christus te beantwoorden, opdat hij sterker leeft met behulp van en in Zijn Geest. Dat klinkt deftig, goed voor kloosterlingen en zo, maar eigenlijk doe je 'vanzelf' - nou ja …

 

2  Wat zit in 'keer'?

Verkeren

het wordt anders dan je had gedacht (Bredero; "het kan verkeren")
soms turbulent 
elkaar zoeken, verblijven in bepaalde kringen
(verliefd zijn hoort hier niet bij vanwege verminderde toerekeningsvatbaarheid)
het toppunt ervan is 'ver'-keerd (net als 'ver'-rekt) en kan aanleiding geven tot 

Inkeer 

bij jezelf 
bij voorkeur niet turbulent, maar in stilte te rade gaan, 
hetgeen tot gevolg kan hebben een al dan niet plotseling (in)zicht dat significant is, nieuw, verhelderend, onmisbaar, zin-gevend, een mentaliteitsverandering, een nieuwe mens: Hello God! 

Dat ligt helemaal in je  eigenste zelf en is daardoor heel sterk; het aangrijpingspunt is je hart (zie 4.8), de plaats van jouw God-zoeken. Dan kun je beslissen tot een

Omkeer

je gaat anders doen; misschien keer je helemaal om, omdat je je van je doel áf bewoog. Dan ga je je

Bekeren 

hoe je jezelf keert. Be-keren net als 'be'-leven, 'be'-ademen. Je gaat be-heren of be-damen, be-sturen. Je bent bezig, zelfkritiek. Ook je telkens (='be'-) keren naar een ander, luisteren.

 

Christen zijn is geen achter-de-kachel-zitten met iets dat je gekregen en verworven hebt. Je bent voortdurend aan het bij-sturen opdat je niet uit de bocht vliegt. En al vliegend neem je risico in het vertrouwen dat God degenen die Hem zoeken niet laat flodderen. Met zo'n instelling groeit je geloof.
Je kunt niet iemand bekeren, noch in de zin van een nieuw inzicht krijgen, noch in de zin van gedrags-verandering; net zo min als je je geloof kunt overdragen. Zo iets krijg je, krijgt de ander, en dan doe je/ doet hij zelf.  Ieder mens moet -zeker in deze zaken- eigenstandig (kunnen) zijn.

naar In de engelenbak

 

3  Verkondiging van bekering  

In het O.T. waren de profeten de herauten van de bekering. Zij signaleerden misstanden, niet alleen dat het volk zijn contact met JHWH verloor door andere goden te aanbidden e.d. maar ook sociale missers, vooral t.o.v. weduwen en wezen, die geen 'goël' hadden, iemand die voor hen opkwam, een 'losser'. "Uw eredienst is niets waard als uw gerechtigheid niet echt is." Zie Amos 4 en Jesaja 3.
Voor het N.T. is Johannes de Doper de inleider: "Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij". Marcus zegt van hem:"... verkondigend een doopsel van bekering tot uitwissing van zonden". Hand 13,24:" ... had Johannes een doopsel tot bekering verkondigd ... ". Zo'n doopsel was nieuw voor de Joden die voor zondevergeving in termen van ófferritueel dachten. Nu moesten ze zelf een duidelijk ritueel ondergaan, in hun binnenkant.
In het N.T. is Jezus de kampioen van bekering: ".. opdat ge zult weten(!) dat de Mensenzoon macht heeft om zonden uit te wissen... " (Mt 9,6). "...en dat in zijn naam bekering tot vergiffenis van zonden gepredikt moet worden onder alle volken". Zo eindigt het Lucas-evangelie. In zijn naam je zonden kwijt zijn! Is dat goed nieuws of niet? Hand. 13,38: "...dat door hem aan u uitwissing van zonden..." Mt. 12,31: " Iedere zonde en (Gods)lastering zal aan mensen worden vergeven" (behalve die tegen de Goede Geest). En wij maar met complexen rondlopen.

Het Griekse woord is letterlijk 'wegzenden'; wij zeggen eerder '(uit)wissen' of -O.T.-isch- 'bedekken' van zonden. Schuld 'ver-geef' je. Ik wil graag schuld en zonde(daad) onderscheiden; nou ja, 'zonden vergeven' kan als dat onbelangrijk is.

Het kampioenschap van Jezus ligt in de visie dat hij het ergste kwaad t.o.v. van hem en de Vader toeliet door zich vrijwillig op te offeren door zijn dood aan een kruis. Voor een Jood kon het niet erger omdat Jezus de doodstraf niet had verdiend, het was een onrechtmatig proces, omdat hij als gelovige, tsaddiek, werd ontkend en omdat hij niet door steniging (de Joodse manier) maar aan een Romeins schandetuig werd gehangen. Niettemin, Petrus zegt voor het Sanhedrin dat die zonde gewist wordt bij degene die hem gaat volgen, "… in zijn naam bekering tot …" Zo maakt hij mogelijk dat bekering uit die 'duisternis' een goed gevolg kan hebben in uitwissing. Zonder dat loopt bekering dood.

Jezus liet het niet bij zonde-uitwissing. Het op God-gericht zijn, het goed wíllen doen, is niet voldoende; je moet het ook nog doen: "Jullie zult gedoopt worden in de H.Geest". Ondergedompeld, doorstroomd, doorzinderd worden met goddelijk leven. Zo genoeg? Is er dan nog plaats voor zonde?

terug naar begin

 

4  Twee verschillende heils-lijnen

Ja, maar, we zijn toch zondige mensen ? Paulus zegt het zelf. Arme Paulus heeft het weer gedaan. Het is een koud kunstje om alles op één hoop te gooien. Dan zit je in het verdomhoekje, je schuldcomplex voor de zekerheid koes­terend; dan hoef je niets te doen want je bent toch zondig en blijf je in het stof liggen.

De kerk is sterk geweest in het tot wet verheffen van een ideaal, waartegen dus kon worden gezondigd op straffe van. Het ideaal van volmaaktheid (die klaarblijkelijk bestaat) is natuurlijk prima maar als het te gauw wordt gehanteerd en als norm wordt gesteld, kan de arme gelovige het niet meer bij houden. Als het ene beter is dan het andere, dan werd dat andere al gauw tot zonde gebombar­deerd, ook al was er geen onrecht bij. Resultaat nu: zonde en schuld worden 'mit leichter Hand abgeschüttelt'. Het zonde-besef is verdwenen - dacht ik - omdat de onherroepelijke realiteit van zonde niet meer reëel wordt beleefd. De kans dat de oudere generatie het alleen inzake seksualiteit  beleefde is levensgroot.

 

Het is heel nuttig als je zonde en schuld kunt hanteren. Daarover deze en de volgende paragraaf.

 

1 Paulus heeft het vaak over bekering uit het heidendom. Dan krijg je deze lijn:
- zonde; "Zij die in zonde leven", die van God noch heilsrelatie weten; dat is toch zonde van die mens !
- inzicht; krijg je voor niets; de genade van het geloofszicht  bewerkt omkeer
- bekering; je gaat werken met dat nieuwe 
- spijt, verdriet; wat jammer dat je dat niet eerder hebt meegekregen; zie de tranen van die soldaat
- verlossing van doelloosheid, leegheid, als  resultaat van inzicht + bekering; doopsel+vormsel
- vrede, harmonie, redding; eucharistie

Hier is niks te vergeven, is schuld noch berouw. Deze bekering en verlossing is één-malig.
Doop is niet reiniging, afwassing, maar 'onderdompe­ling' tot ander en nieuw leven.
Zonde is hier een toestand van niksheid, alleen maar aardsheid, vergankelijkheid, be-/verderf.
Zo ook erfzonde. Ik draai niet op voor een zondedaad van A. Ik deel wel in het menselijk onvermogen, zonde-toestand, eigen aan het schepsel zijn. De mens beschikt niet vanzelf over eeuwigheid, goddelijkheid. Doop+vormsel, leven binnen de Kerk van J.C., helpt om daar uit te komen. "De doop vergeeft mij de erfzonde" wekt misverstand.

2 De Tora gaat ervan uit dat de mens (zeker de Jood) God kent en al met Hem een heilsrelatie heeft. Hij is een Gods­kind. Door de zondedaden van de mens gaat evenwel daarmee iets mis. Dit is dus wat anders dan de principiële 'zonde'-heid waar Paulus het over heeft. Ondanks ons Godskind zijn zijn we dom en behoeftig, arm. Dan krijg je de volgende lijn:
- zondedaad, fout; niet overeenkomstig de Godsrelatie en/of intermenselijke relatie
- inzicht, onderkennen; waar ligt de fout?
- gewetensonderzoek, inkeer; is het ongeluk, onkunde, onbedoeld nevenverschijnsel of opzet, grove nalatigheid ?
- schuld bekennen; voor zover sprake is van opzet of (grove) nalatigheid
- berouw; omdat je het beeld van God niet hebt laten zien aan Hem of je naaste;
- bekering: zeggen en weten: niet meer zondigen
- uitwissing en vergeving vragen en krijgen, de relatie wordt hersteld; biecht
- boete; dat kan (vooral vroeger) soms een zware gang zijn (boeteling).
Het kan best zijn dat dat nodig is.
- vrede, harmonie, redding; eucharistie

De redding is nu dat de relatie weer heel is en heelbaar blijft. We zijn dus nooit geboeid aan of slaaf van onze zonde(daden).

 

Dat geboeid zijn aan, slaaf zijn van de zonde, met loskoping (latijn; redemptio) als bevrijding is een veel gehanteerd beeld. Bij de Joden en Romeinen bestond de mogelijkheid dat slaven zichzelf vrij kochten of losgekocht werden met losgeld. Op geestelijk niveau spraken de Joden van slavernij in Egypte, waar ze zichzelf niet konden zijn, moesten leven voor het werk, hun God nauwelijks konden dienen. Jezus heeft hen/ons daarvan losgekocht. Hij heeft ons bevrijd van doelloosheid, waarin we ons heil zochten in onware ideeën, maar ook van menselijke beperktheden, zelfzucht, onrecht, waardoor we niet het niveau bereikten waartoe een mens kan komen. Ons woord 'verslaving' duikt op.
Jezus heeft laten zien dat goed leven -zijn leven- zin heeft, want hij is verhoogd door de Vader, en hij geeft dat leven door aan zijn volgelingen. Zo kun je zeggen dat hij ons met zijn leven(sinzet) oftewel zijn 'kostbaar bloed' heeft losge­kocht uit slavernij. Bloed staat voor leven. Dat was de losprijs voor eens en altijd. Jaarlijkse zoenoffers en zondebokken waren niet meer nodig, want hij zei:" Hier ben ik". Neem mij (Hebr. 10,7). Dat was vol-doende.
We zijn evenwel mensen die fouten maken. Zowel inzake die definitief goede heilsrelatie (doop) als inzake het telkens weer herstellen ervan (biecht) mogen we ons beroepen op zijn
Kracht, mits we als volgelingen zijn 'Vorbild' volgen.
Dat kan alleen als we deel aan hem hebben. Dat gebeurt via de sacramenten. Daarover later meer. Als je dat in de gaten krijgt, verandert je levensinstelling wellicht. Hij is er niet meer om ons de voeten te wassen (en ook nog hoofd en handen, zoals Petrus wilde), maar om e.e.a. hard te maken kunnen we wel elkaar de voeten wassen; zetten we verlossing voort.

naar In de engelenbak

 

 

 

5  Zonde - schuld - vergeving - verzoening

zonde   5.1
5.1.1 
Het O.T.
is niet tot een systematische leer over zonde e.d. gekomen (het N.T. ook niet). Niettemin wordt het 'kwaad' genuan­ceerd aan de hand van enige begrippen waarvan de volgende drie de voornaamste zijn. Hun inhoud moet uit de context worden opgemaakt. Dat worden omschrijvingen, geen definities:
- de misser, misslag, doelmissend, te kort schietend t.o.v. het volmaakte; in die zin zijn we dus altijd 'zondig'.

- de weerspannigheid, opstand tegen God, in het beeld van het geloofsschema (4.8) de breuk in de heilsrelatie; het al of niet psychologisch verklaarbaar zijn en vergeefbaar zijn is niet duidelijk.
- de zonde-schuld, het gevolg, in het beeld van 4.8 een knik in de heilsrelatie, 'ver'-keerd.
De begrippen kunnen wellicht aan de hand van een paar teksten wat verduidelijkt worden. In onze bijbelvertaling staat voor die nuances meestal algemeen het woord 'zonde(n)' maar ook zonde-vergeving i.p.v. zonde-uitwissing.
In Jes 6 staat het roepingsvisioen van Jesaja, een top-ervaring voor hem, waarschijnlijk bij het reukaltaar in het heilige der Heilige van de tempel. Aangegeven wordt hoe JHWH heel anders is dan de mens ("heilig, heilig, heilig is JHWH de god van de machten") en Jesaja voelt zich verloren omdat hij een mens is met onreine lippen onder een onrein volk. (zie desgewenst 'reinheid') Dan raakt een seraf zijn mond aan met een gloeiende kool en zegt:" Zie, nu dit uw lippen heeft aangeraakt, wordt uw zonde-schuld afgebogen en uw tekort verzoend" (overbrugd).
In Jesaja 43 zegt JHWH: "...zelfs hebt gij uw missers Mij op Mijn nek geschoven (als op een dienaar, slaaf; moeilijk vertaalbaar in 'nette' woorden) en Mij moe gemaakt met uw zonde-schuld. Toch wis Ik en niemand anders uw weerspannigheden uit om wat Ik ben en zal uw missers niet meer gedenken".
In Jes 59.2 staat: "Uw zonde-schulden zijn scheidingen tussen u en uw God en uw tekorten verbergen (Zijn) gelaat (zodat u het niet kunt zien), (houden) van u weg het horen (van Mij)". (verduidelijkingen tussen haakjes)

Als ik dat zo overzie dan denk ik dat JHWH bij een berouwvolle Jood zelfs zijn rebellie gaarne uitwist ("om wat Ik ben"), dat zijn menselijk tekort wordt overbrugd en dat de Jood hals over kop een offer brengt opdat JHWH het gordijn in de relatie weer open schuift. Net zoals Hij zonde uitwist of bedekt (geen barst van te zien) en de brug slaat. Want onze God is een barmhartige god die gaarne uitwist opdat verzoening plaats vindt (en een zucht van verlichting).

Opm. Verzoening is wel gelanceerd als het genoegdoening geven aan de Volmaakte en wel speciaal door HET offerlam, Jezus Christus. Dat is een middeleeuwse gedachteconstructie die niet bijbels gefundeerd is.

Wel bijbels is dat in het Heilige der Heilige van de tempel de Ark van het Verbond stond. Daarop lag een gouden plaat waarop twee cherubs stonden met de vleugels uitgespreid. Daar, tussen die cherubs, daalde JHWH neer. Die gouden plaat heet de kapporet: deksel der verzoening, m.a.w. God komt naar ons mensen toe om verzoening tot stand te brengen. Toen al. Je kunt dus niet zeggen dat JHWH een volmaakt offer eist. Je kunt wel zeggen dat in Jezus (een nog perfecter offerlam dan Isaak) dat verzoenings-aanbod helemaal vol is geworden, 'vol'doende; maar dat is iets anders dan genoegdoening.

 

5.1.2  In het N.T.
is bovenstaande driedeling van zonden niet meer terug te vinden. Nagenoeg alles wordt vertaald met 'misstappen', soms een 'ongeluk(kige val)'. Een enkele keer staat er 'lasteringen' (= weerspannigheid ?) en het gezegde van Johannes over het Lam dat de zonde van de (hele !) wereld op zijn nek neemt, wijst in de richting van zonde-schuld. Dat spreekt voor zich. Als we deel hebben aan hem, neemt Jezus die last op zich. Als zijn volgeling om uitwissing heeft gevraagd, overbrugt hij die onoverbrugbare afstand tussen God de Vader en Zijn schepsels definitief zodat wij gezoend kunnen worden. Hij is het toppunt der verzoening:" God die op de aarde naar ons toe gekomen is".

terug naar begin

de schuld   5.2
Zonde draagt geen schuld mee als het de O.T.-ische 'misser' t.g.v. menselijke onvolmaaktheid betreft. Je wordt pas schuldig als je er niets aan doet. Ben ik schuldig aan de ellende in de derde wereld ? Wel als ik er niets aan doe.
Voor 'weerspannigheid' kun je op het matje worden geroepen, tenzij er sprake is van psychische onmacht e.d. De Vader is geen dienstklopper. Hij heeft meer zorg om een onverlost iemand dan om een paar harde woorden. Hij kan wel tegen een stootje. Kijk maar hoe Jezus omging met Legioen (Lc 8,26 vv): hij herstelde hem eerst in zijn menselijke waardig­heid en toen bleek Legioen een goed mens te zijn. Wilde de vader van de Verloren zoon schulddelging ? Welnee, hij stond op de uitkijk en wiste uit: feest. De broer van die zoon stelde zich op een wettelijk standpunt, volgens afspraken. Daarmee was hij niet fout; hij had gelijk, maar hij had niet in de gaten dat er iets is dat uitgaat boven recht; die vreugde kende hij niet. Daar ligt het wezen van de verzoening: iets boven-menselijks, iets goddelijks, laten zien.

Bij de 1e  heilslijn staat dat er geen sprake is van schuld. Alleen als iemand hardnekkig met open ogen blijft weigeren in te gaan op het heilsaanbod tegen zijn inzicht in, is hij schuldig. Ooit zo iemand ontmoet ?

e-mailadres

vergeving  5.3
van de kant van God hebben we in de 2e heilslijn al besproken. Maar ook vragen om vergeving hoort in de menselijke en/of goddelijke relatie thuis. Onder 7.3 hebben we gesproken over die tweede schuld (c). Voor een geldschieter hoef je je op dat punt geen zorg te maken, maar met je buurman heb je een relatie. Als je die weer wilt herstellen, moet je om uitwissing vragen. Dan doe je recht aan hem en aan jouw en Gods streven naar eenheid. Op dit niveau kun je zeggen dat je vergeving verschuldigd bent. Vervolgens zal de buurman op zijn beurt jouw fout wissen.
Vergeving is wezenlijk voor het Christendom, voor het Rijk Gods. Als je je medemens niet vergeeft, moet je maar zien dat God jou vergeeft en laat je hem onverlost, ont-schuldig je hem niet, laat je hem achter een barrière. Maar zelf zit je  ook achter die barrière; je bent zelf niet vrij. Als we schuldig blijven, is er geen uitzicht, ook niet voor de samenleving.
JaaMaaaar 1: als je buurman je niet wil/kan vergeven, wat dan? Dan kan de gemeenschap zeggen dat je je best hebt gedaan en je ontslagen bent van je zonde. Binnen de kerk kan dat gebeuren via de biecht. Rest wel de vraag of dan de verzoening bereikt zal/kan worden en een biecht blijft steken bij vergeving; verzoening voltooit normaliter de biecht.
JaaMaaaar 2: moet ik -als christen- degene vergeven die mij heeft onteerd, misbruikt, psychisch/lichamelijk verminkt? Niemand matige zich hier iets aan! Het antwoord aan Dutroux "Ge kunt creperen met uw excuses" dendert door.
a) niet de zaak omdraaien: je hoeft hem niet met je vergevingsgezindheid achterna te lopen, zelfs niet als dat geruster aan zou voelen. Een gerust gevoel en vergeving is niet hetzelfde! Hij moet vergeving vragen, anders heeft het geen zin.
b) als de misbruiker wel om vergeving vraagt, kan een psychische belasting zo groot zijn dat je er niet aan toekomt, het niet haalbaar is. Voel je dan a.u.b. niet schuldig. Misschien kan de misdoener/ster dat indirect vernemen maar forceer niets bij jezelf; dat is zinloos. IJzer met handen breken? Je moet vrij zijn om te kunnen vergeven. Leg dat probleem bij Jezus Christus. Zoekdeskundige pastorale hulp en wie weet wat er ooit van komt - in vrijheid, zonder enige chantage!

Bedenk dat vergeving en verzoening niet hetzelfde zijn. Voor de oprechte misbruiker/ster blijve 'JaaMaaaar 1' open opdat hij/zij weer vrij wordt, ook al zal zijn/haar boete niet merkbaar verzoening tot resultaat hebben.

JaaMaaaar 3: je moet je broeder toch 7 x 70 maal vergeven? Klopt. Mits hij je broeder is. Iemand die mij misbruikt(e) enz. is geen broeder. Hij is mijn belager. Pas als hij om vergeving vraagt, wil hij weer in die broederband. Zie Lc 17, 4. Zolang hij dat niet doet, is vergeving niet aan de orde. Vergeven is dan eerder het onrecht bedekken met …

Denk hierover niet te licht. Zou Jezus met zijn zweep de geldwisselaars achterna zijn gelopen met zijn vergeving? Zou hij degene die kinderen aanstoot geeft, aangeboden hebben om die molensteen drijvend te maken of zo iets? Hoe zou de parabel zijn als de verloren zoon zijn vader had bestolen van levensbehoeften? Is broederschap dan nog mogelijk?

JaaMaaaar 4: Jezus bad aan het kruis (Lc 23) en Stefanus ook (Hand 7)! Zij baden tot de Vader voor hun belagers, m.a.w. dat is "goed zijn voor je vijand". Maar dat is iets anders dan vergeving, die alleen tussen rechtstreeks betrokken kan bestaan. Goed zijn voor je vijand dekt het begane onrecht niet toe. Misschien doe je het maar één keer, met veel moeite, en wil je het dan vergeten, maar als je het kunt, help je ook je zelf. Dit 'goed zijn' is iets tussen God/Jezus en jou; daar kan geen ander tussen komen. Een kundig ander zou wel kunnen hélpen, want zo iets gaat echt niet zomaar.

JaaMaaaar 5: We bidden in het Onze Vader "Vergeef ons onze schulden zoals ook wij anderen hun schuld vergeven"? Ho, vergeet niet dat je op dat moment bidt: je bent 'on speaking terms'. Iemand die zich ernstig heeft misdragen t.o.v. mij is niet met mij in gesprek zoals ik met de Vader in gesprek ben. Als je bidt, heb je eventueel je/een zonde al beleden, uitdrukkelijk of vanzelfsprekend, en er rest een schuld waaraan je t.o.v de Vader alleen kunt voldoen via een beroep op Zijn Barmhartigheid, "vergeef me de schuld". Dus hier weer hetzelfde idee: je hoeft niet 'automatisch' degene te vergeven die zich ernstig heeft misdragen t.o.v. jou omdat jij om (schuld)vergeving voor iets anders aan de Vader vraagt. (Zie ook Mt 18,24 en 28.) Als het niveau van jouw zonde(schuld) t.o.v. de Vader zó is als dat van jouw verkrachter(s) t.o.v. jou, "… zo als … ", dan ziet het er slecht voor je uit.  Dat zou theoretisch mogelijk zijn als je een zonde tegen de H.Geest hebt begaan. Daargelaten dat dat een hele prestatie is, als dat zo zou zijn, zou je niet bidden.

Een zijstapje over vergeving in een psychologisch  kader

omdat vergeving vaak in een ruime betekenis wordt gebruikt. Ik vereng de betekenis van vergeven (binnen het morele kader) tot het slechten van de/een barrière: men wil een contactmogelijkheid open houden, telt het kwaad niet (meer), stapt over de belediging heen en laat de mogelijkheid tot herstel van de relatie open. M.a.w. het is niet automatisch zoals het eerder was. Daarover meer in par. 7 'boete - verzoening'.

Vaker heb ik van misbruikten vernomen dat je eerst je zelf moet vergeven, waarmee wordt bedoeld dat je zo stom bent geweest om het toe te laten, dat je het zelf ook wel fijn vond die aandacht te krijgen (dan moet je ook de consequenties aanvaarden), dat je er overheen moet stappen omdat je anders niet verder kunt, dat je de spijt en de woede maar moet/wilt zien als eigen onvolmaaktheid, dat je eigenlijk ook kwaad hebt gedaan …. Het is niet eenvoudig te onderkennen wat er allemaal meespeelt, hoe voors en tegens in je gedachten zwalken.

Om het begrip 'vergeven' (van moreel kwaad) zo zuiver mogelijk te houden zou ik dit geen vergeven noemen; er is immers geen sprake van moreel kwaad bedreven door het slachtoffer. Een wezenlijk punt van misbruik is dat er geen gelijkwaardige situatie is; het slachtoffer wordt gedwongen, misleid op een of andere manier, er is geen sprake van inzicht in en vrijheid van handelen. Vaak komt het slachtoffer pas later tot dat inzicht. Er is dus geen moreel punt: je bent niet zondig.

Ik zie dit 'vergeven' als een psychische worsteling om het 'ongemak' hanteerbaar te maken, je leven leefbaar te maken, de schande/schaamte te hanteren, schuldgevoel kwijt te raken. 'Ik moet/wil verder en hoe kan ik dat doen?' Daarvoor heb je geen (moreel) vergeven nodig maar psychische vaardigheden en verwerking. Het is niet leuk de vinger op de zere plek te (moeten) leggen maar met kundige hulp kom je verder. En wel zonder je geweten ook nog te belasten. Want als je niet bij machte bent om te vergeven, voel je je daarom misschien al schuldig. Ten onrechte, ook al voelt het anders; je voelt een tekort. En dat is natuurlijk spijtig, maar niet zondig.

naar In de engelenbak

 

verzoening  5.4
Als alles gebeurd is, is er verzoening, de zucht van verlichting. Het wordt/ is weer goed. De latijnse vrijmakingsformule is "Indulgentiam, absolutionem et remissionem peccatorum …": delging (van de schuld, straf), losmaking (van de zonde-boeien) of ontslag (van de zonde­last) en wegzending/uitwissing van de zonden. Dat opent perspectief nl. naar verzoening. Ik heb ooit gelezen dat ruzie met je vrouw niet zó erg is, want de verzoening is hemels. Ik vraag me af hoe die vent dat te weten is gekomen

terug naar begin

 

 

6  Spijt - berouw

Als men zich verbaasd heeft over het gekregen inzicht, verbaast men zich over de onwetendheid, over de ellende die niet nodig was geweest. Dat is spijt(ig); berouw past dan niet omdat er geen schuld is. Het gebed van die soldaat vind ik een treffend voor beeld van spijt. Het is een diep menselijke ervaring die niets van het verstandelijke heeft maar zuiver emotioneel - intuïtief is. Dat zijn geweldige momenten van contact met God.
Een mooi voorbeeld van berouw is dat van die zondares die Jezus' voeten waste met haar tranen en met heur haar afdroogde. Moest toen nog veel worden gezegd ? "Uw zonden zijn gewist. Ga in vrede" en dat is de hele wereld rond gegaan. 'Lavant aquae, lavant lacrimae' (wateren wassen, tranen wassen) was in de M.E. een term van vergeving.
Verwar spijt en berouw niet, want ze liggen kort bij elkaar. Die vrouw was zondares, die soldaat niet.

 

7  Boete - Verzoening

Boete is geen vergelding, genoegdoening aan God voor de miskleun. Alsof wij God kunnen beledigen ! We gooien onze eigen ruiten in. Boete op te vatten in de zin van 'het net boeten', het verband herstellen. Daarmee kom je verder dan met al of niet vrijwillige straf. De boete moet overeenkomen met de ernst van het vergrijp. Gebed, meditatie, een echt offertje brengen zijn manieren om je weer op God te richten, om bij te sturen wat 'ver'-keerd was, de knik recht te buigen: het is/wordt weer als vroeger: verzoening. Dat boeten geldt natuurlijk ook t.o.v een naaste, waarbij niet alleen de ernst van het vergrijp maar ook het niveau van de vroegere relatie telt, én schadevergoeding.

Ofschoon vaak samengaand: vergeving en verzoening zijn niet hetzelfde. Bij ernstig vergrijp wordt dat duidelijk: als al vergeving plek heeft kunnen krijgen, rest toch de vraag:"Hoe denk je dat goed te maken?" … opdat ik kan wissen. Nu ligt het onderscheid tussen (schuld)vergeven en wissen heel gevoelig. Misschien zeg je nu beter 'bedekken'

Vergeving is het negatieve weg laten, ruimte geven, de barrière slechten; je zit op de nul-lijn. Boeten is positief bezig zijn, boven de nul-lijn op bouwen, zodat  een zoen (weer) op zijn plaats is/komt. In volgorde stap voor stap: inzicht, bekering, vergeving, boete, wissen/bedekken en verzoening. Voor iedere stap is een beslissing/daad nodig, maar vergeving impliceert boete. Een boeteweg kan ook beginnen bij bekering, voordat vergeving is gevraagd, en zo het verzoek om vergeving meer inhoud geven, accep­tabeler maken, laten zien hoe het je ernst is. De verloren zoon had zijn boeteweg al afgelegd toen hij om vergeving vroeg, net als die zondares, die niet expliciet om vergeving vroeg. Zij ging verzoend in zijn vrede.

naar In de engelenbak

 

8  Heer, heb medelijden

De afstand tussen ons en de Volmaakte bestaat. We zijn 'zondig'. Daarom het kerngebed 'Heer, ontferm u', dat over de hele aarde gaat. Maar als ik moet zeggen 'door mijn schuld, door mijn grote schuld', vind ik dat te veel van het goede, inflatie. Reëler vind ik:"... dat Hij onze zonden uitwist, onze schuld vergeeft en ons tekort te hulp komt".

Om het gebed om vergeving te accentueren is ps. 51 geschikt, die David bad nadat hij een rotstreek had uitgehaald, echt een schoftenstreek. Om dat berouw goed aan te voelen moet u echt eens 2Samuël 11 en 12 lezen. In het eerste gedeelte van psalm 51 ligt een typisch rustpunt nl. vers 6: "Gij zijt rechtvaardig, onaantastbaar in Uw gericht". M.a.w. verder hoef ik niet te zoeken, het helpt niet; ik lever me uit in Uw hand, dan zit ik goed ook al krijg ik op mijn donder. Daar ligt waarheid; daaraan weerspiegelt mijn kern zich (4.8).

 

 

9  Geweten

Kardinaal Newman zei dat het 'kennen van God' (O.T.: "JHWH zoeken") niet via kennis loopt maar via het geweten. Goddelozen zijn in het O.T. geen atheïsten maar Wetsovertreders. Dus een ethische benadering van God. Wanneer 'moet' iets worden gedaan ? Dat ontdekken we vaak in een contrastsituatie. Die soldaat ziet in de rotsooi hoe het kan/moet zijn. Dat weten(!) wij op een of andere manier; dat hebben we meegekregen.
Het latijnse con-scientia heeft twee aspecten: 'con', samen weten; gemeenschap; in je eentje verpieter je. Maar 'conheeft ook een versterkende betekenis: heel goed weten, diep in je. Daar sta je in je uppie tegenover God. Tegenover Hem kun je alleen maar vrij zijn en eerlijk. Iets weg laten of verbergen heeft geen zin.

 

 

10  Vrije wil

Een zonde kan alleen maar aangerekend worden als de dader uit vrije wil handelt. Dat is duidelijk. Met die vrije wil, als vrij persoon, is de mens het meest naar Gods beeld en gelijkenis. Zo heeft God hem geschapen. Als God de mens een bepaald ogenblik zou verhinderen te handelen, ongelukken te begaan, kwaad te doen, is die mens geen eigen persoon meer, lijkt hij op een marionet. Dat is het waagstuk van het joodse en christelijke geloof. Of omgekeerd het waagstuk van God; HijZ is niet almachtig zoals wij dat verstaan. Zijn invulling van dat waagstuk is Zijn Zoon, zelfs hij.
Die man die van de Domtoren afsprong gedurende ons college ethiek - zou die geen vrije wil (meer) hebben gehad? Weten we niet. Had God dan moeten verhinderen dat hij sprong? Ik denk van niet. Maar als de man daar ligt en ik krijg een intens medelijden met hem, zou God dan geen medelijden hebben? HijZ wou dit ook niet.

 

Smeekgebed       (onbekend islamitisch auteur)

Niets heb ik dan mijn schamelheid om bij U voor mij te pleiten;
en in mijn armoe kom ik met die schamelheid als mijn pleidooi.

Ik heb geen macht meer dan alleen om op uw deur te kloppen.
En, als ik weggestuurd word, op welke deur zal ik dan kloppen?
Of om wie zal ik roepen, wiens naam uitschreeuwen,
als uw grootmoedigheid geweigerd zou worden aan uw arme?
Ver zij het van uw edelmoedigheid om een ongehoorzame wanhopig te maken!
Nee, edelmoedigheid is té royaal dan dat ze dat zou doen!
In diepe ellende ben ik tot uw deur gekomen in de wetenschap dat verslagenheid daar heul vindt.
In volle overgave stel ik mijn vertrouwen op u.

Ik strek mijn handen uit naar U: een bedelaar met zijn pleidooi.

 

terug naar overzicht
terug naar zonde - bekering
verder naar diaconie
e-mailadres

 

12  Gebed

 

12.1 Inleiding
12.2 Wát gebed is  te benaderen
12.3 Wat er aan je gebeurt
12.4 Hoe onderhouden we die relatie?  4.1 woordgebed; 4.2 offer; 4.3 meditatie; 4.4 contemplatie


Hymne uit het oude Mexico :
Heer van al wat is: ik zing over U.
Alles om mij heen gonst van leven, de wereld wordt wakker onder uw warme zon.
Ik zing over U..
De morgendauw glinstert op het gras en in de bomen zingen de vogels;
hun getierelier is even bont als hun verenpak.
Alles één lied, U ter eer, God van ons allemaal.
Uzelf staat aan de oorsprong van mijn lied, het is in de hemel geboren.
Uzelf laat de lieflijke vogels zo'n vrolijk lied zingen.
Een echt hemels lied, zoals heilige vogels het plechtig zingen hierboven
om U te eren die hemel en aarde geschapen heeft.
O, ik hoor ook andere geluiden,
vlagen van donkere stemmen die hun duister geruis meegeven aan de wind.
Ook die zwarte stemmen - de mijne is erbij - mogen de opstijgen naar uw heldere hemel naar boven,
daar bij U waar de kleurige kolibries kwinkeleren om U, God in uw hemel, te prijzen.
Soms wil ik huilen hier op aarde.
Soms stort het huis van mijn dromen ineen.
Wat moet ik dan?
Ik weet wel: alles gaat voorbij...
Alle leven gaat voorbij
En toch! En toch!
Ik blijf zingen.
Ik blijf zingen van U, hier op mijn aarde, zoals ik hoop te zingen bij U in de hemel.

Ik bid U:
ontferm U over mij,
wees vriendelijk voor mij,
wees ons allemaal genegen;
U bent ons enige leven.

Amen.

1  Inleiding

Over bidden kun je dikke boeken schrijven, misschien zijn ze wel geschreven - ik vind: bidden moet je doen, voorgedaan krijgen; dan merk je vanzelf wel wat het is en hoe 'onzegbaar'. Dat betekent ook dat ik het moeilijk vind iets 'verstandigs' daarover op papier te zetten. Paulus zegt in 1Kor 14,15.v (waar hij het heeft over vervoering):"Ik moet bidden met mijn geest maar ook met mijn verstand". Bidden is in ieder geval iets dat overal om de hoek komt kijken; ook in de vorige onderwerpen is dat herhaaldelijk gebeurd. Het is heel oud. De 'heidenen' bidden ook "met veel omhaal van woorden"; de bijbel staat bol van gebeden en bidden. Het is heel primair. Kun je godsdienstig zijn zonder te bidden?
De Joden beschouwden niet alleen het 'mond'gebed als gebed maar ook de Tora-studie en de Tora-overwegingen: "Ik zal verwijlen in uw geboden waarvan ik zoveel hou; (dan) zal ik mijn handen heffen ('laten wapperen') tot (uitvoering van) Uw geboden waarvan ik hou", Ps 119. Pinchas Lapide zegt: "Wij kennen geen tegenstelling tussen immanentie en transcendentie van God; wij kennen geen tegenspraak tussen gebed en gebod, tussen ethiek en mystiek".

Ten slotte zijn er mensen die met hun handen bidden: ze geven vorm aan hun gebed. Er zijn ook mensen die dat muzikaal doen en er zijn er die in woord en rite eredienst brengen aan God en er zijn er die in woord en daad (ere)dienst aan de ander bewijzen en er zijn er die ...... enz.  Denken, doen, ervaren spelen samen.

 

 


2 Wát gebed is, 

probeer ik te benaderen via drie aspecten

 

 

Zijn hart verheffen tot God  2.1
is een oude formulering die ik niet zo gek vind. Denken we aan de omschrijving voor geloof als in 4.5, en hanteren we 'hart' als het (O.T.) bijbelse term voor ons 'centrum', ons 'zelf' (4.8), dan betekent die formulering vertoeven in, onderhouden van onze heilsrelatie met God. Dan staan we met hart en ziel, in ons eigenste zelf voor de Allerhoogste. Heel je mens-zijn is er bij betrokken. Het heeft dan geen zin je te beperken, een slag om de arm te houden of je te verbergen. Je kunt alleen maar jezelf zijn, heel eerlijk met je eigen geweten, op blote voeten, zonder afscherming.
Dan is het niet erg als je je arm, een bedelaar voelt, want 'het gebed van de rechtvaardige reikt tot de wolken, maar het gebed van de arme gaat door de wolken heen tot voor de troon van de Allerhoogste' (naar J.Sirach 35,20v). 'Arm' wordt meestal uitgelegd als financieel arm en die tekst heeft zeker daarop betrekking en slaat op recht. Maar ook 'arm' van geest in de zin van 'behoeftig aan' en dus verlangend naar geest(elijk voedsel) vind ik een goede uitleg als het om het geestelijke gaat. Dan begint de piekervaring, de Godsontmoeting.
Bidden kun je leren. Maar als er geen ervaring is, geen respons, geen resonans, is het richtingloos, niet 'echt'. Als ik het gevoel heb/krijg dat mijn bidden niet ergens tegen aan stoot, wordt opgevangen, is het alleen maar weke massa, kan ik niet (leren) bidden. Er moet een 'zelf - God', een 'ik - Gij' zijn. Anders kan ik hoogstens fluisteren "oh, grote stilte, oh Grote Diepte" (zie 2.6). Het werd Israël het duidelijk dat die 'Gij' er was (voor hen) toen zij verlost werden uit de slavernij van Egypte op een voor hen wonderlijke manier. Het wezenlijke van bidden is die 'Gij' aan te spreken in de tweede persoon enkelvoud; weten dat je je toewendt naar God.

Joodse gnostiek spreekt van een 'kristal'   2.2
Dat idee slaat bij ons ook wel aan in de zin van een 'kristalontvanger' die je op maximum ontvangst richt. Maar bij de Joodse gnostiek gaat het om het beeld van lichtontvangst; goddelijk Licht dat door het materiaal heen schijnt. Een onzuiver kristal laat het ten dele door en vervormt het. Door een dicht kristal schijnt het helemaal niet...  Al naar de zuiverheid van het kristal zal het licht zich aan de mens openbaren, dat is de 'Christus'. Hier is dat richten van het kristal, het zoeken niet ter zake. Het gaat om zuiverheid te laten komen. Onderdruk het hogere in uzelf niet; laat de Zon in u schijnen, blinde bedelaar.

 

Hiermee komen we op het terrein van de meditatie   2.3
die in mystiek kan uitmonden. Bij 'hart verheffen' denk ik vooral aan actie van ons naar boven toe, ofschoon Paulus in Rom 8,26 zegt dat het de Geest is die in ons bidt. Bij 'meditatie' denk ik meer aan wat van bovenaf naar ons toekomt, rechtstreeks, on-middellijk. Het gaat nu om iets dat alleen maar toegelaten kan worden; ons verstandelijk bewustzijn kan het niet be-grijpen, niet vangen. Gevraagd wordt een intuïtief bewustzijn, een weten van de andere werkelijkheid in het rijk van de geest, transcendent. Zintuigen helpen dan niet; die moet je loslaten.
Als een dier al een bewustzijn heeft, het is er zich niet van bewust en is alleen maar uit op het instandhouden van zichzelf en zijn soort afhankelijk van de natuur. De mens heeft een geestelijk vermogen mee gekregen dat we bewust-zijn kunnen noemen. Maar als hij daarmee alleen maar, dus beperkt, reageert op 'aardse', stoffelijke objecten, een z.g. 'ik - het'-bewustzijn er op na houdt, dan schiet hij tekort. Als hij alleen maar verstandelijk reageert op zijn eigen zintuiglijke waarneming en daarmee zichzelf een wereld modelleert, dan leeft hij in een illusie, want die wereld sterft met hem en een andere wereld is er niet.
Dat zie ik als behorend tot de menselijke erfzonde: de mens is op zich alleen maar in staat het 'natuurlijke', dat hij waarneemt, als de werkelijkheid te zien en dan -moreel- zich zelf als maatstaf voor goed en kwaad te stellen. Er is immers meer; hetgeen de mens kan (leren) kennen.  De werkelijkheid is groter dan onze zintuiglijke waarneming leert. Meditatie (en gebed) laat je ervaren dat je veel ruimer bent dan je lichaam je aangeeft. 'Zonde' is die houding van de mens die hem aan het aardse kluistert.
Onze verstandelijke wijze van bewustzijn is niet in staat dat méér te be-'grijpen'. Door meditatie gunnen we een kans aan een intuïtief bewustzijn, dat niet op ónze werkelijkheidsconstructie is gebaseerd maar op een gegéven werkelijk­heid waarvan we ons bewust worden en die persoonlijke kennis toevoegt aan verstandelijke kennis. Er is veel hang naar Oosterse levenswijzen en meditatie(technieken), omdat de Westerse intellectuele cultuur van nu niet bevredigt. De méns komt tekort.
De religieuze ervaring, die in mystiek kan overgaan, is ons min of meer vreemd en wordt al gauw gezien als egotripperij. Dat gevaar is natuurlijk aanwezig. Maar een duidelijk herkenningspunt voor echte mystiek is het zich één weten met het universele, kosmische en dan is het voor de hand liggend om daarin ook andere mensen te betrekken. Je verantwoordelijkheid voor de ander verlies je niet uit het oog. Dit is het 'bewijs' dat het niet gaat om een weke boel, maar dat het 'hard' is, werkelijk. De oude Hindoe tot en met de hedendaagse Europeaan kennen dit.
Dat méér kun je binnen godsdienst plaatsen door je via je doop te stellen binnen de gemeenschap van Jezus Christus, waarin je je door die band met hem (en met anderen) bevrijd mag weten van een aller-mensen-tekort, dat je verhindert, onmachtig laat, om op hoog-menselijk niveau te leven. Hij heeft die ban doorbroken. Viering, gebed, meditatie maakt je bewust van die verruiming, van dat niveau. En je gaat er iets mee doen.
Christelijke meditatie is intentioneel; zij richt zich, richt haar weer-kaatsende spiegel, niet zomaar 'ins Blaue hinein'; ze wacht op God; de ziel herkent Zijn signalen. Zen-meditatie wordt ademen naar Boven toe, de zachte bries.

terug naar begin

naar In de engelenbak

 

 

3  Wat er aan je gebeurt

als je bidt, wat je overkomt, is moeilijk aan te geven. Ik noem het een voeding van je innerlijk leven, je geestelijk leven, door wat je aangereikt krijgt en wat je be-aamt. Geloofsbeleving heeft twee kanten: wat je doet, be-aamt, be-ademt, en wat je krijgt, ervaart. Het is een voeden van het geheim in je door het Geheim in je, dat zich steeds meer presenteert, met jou mee andert. In die spiritualiteit wordt je bidden een uiting van aandachtig leven, ga je daden bewuster plaatsen binnen het kader van je geloof, je zingeving. Bidden met woorden is de taal van je geloof en als je dat inziet, voeg je al gauw toe: van mijn hoop, van mijn liefde. Je doen wordt de uiting van je geloof, omdat je er een bepaalde zin aan geeft, en dan zeg je ook: een uiting van mijn streven naar, mijn houden van.
Ga je niet zweven? Vlucht je niet uit de werkelijkheid ? Via gebed en meditatie ga je een andere werkelijkheid binnen zonder dat je de 'gewone' zintuiglijk waarneembare werkelijkheid uit het oog verliest. Het is wel waar dat je moeilijk twee dingen tegelijk kunt, maar als je doet alsof die gewone werkelijkheid niet bestaat, bedot je jezelf. Ook tijdens meditatie ben je je van die werkelijkheid bewust, maar je ziet haar anders. De grote kunst is haar in te bedden, te integreren, in dat spirituele.
De 'gewone' werkelijkheid kun je definiëren als alles wat jouw mogelijkheid tot handelen bepaalt. Als je hardop bidt, handel je al. Jouw handelen kan te maken hebben met, voortkomen uit en uitdrukking zijn van jouw visie op het spirituele.
Bij voorbeeld:
- Er zijn Westerse mystieken die gelezen mogen worden: Meister Eckhart, Hildegard von Bingen (te zingen!), Jan van RuusbroecGeert Grote, Johannes van het Kruis, Theresia van Avila, Jan Luyken om er een paar te noemen.
- Van Jan Luyken (ca 1700):

"Ik meende ook de Godheid woonde verre
In eenen troon, hoog boven maan en sterren,
En hief dan menigmaal mijn oog
Met diep verzuchten naar omhoog;
Maar toen Gij u beliefde te openbaaren,
Toen zag ik niets van boven neervaaren;
Maar in de grond van  mijn gemoed
Werd het lieflijk en zoet.
Daar kwaamt Gij uit der diepten uitwaarts dringen,
En, als een bron, mijn dorstig hart bespringen,
Zodat ik u, o God, bevond
Te zijn den grond van mijnen grond."

 

- In het oude 'Jesu, dulcis memoria' ('Jezus, zoete gedachtenis'; weten we nog?) komt ook dat 'zoet' (en lieflijk) naar voren. Natuurlijk niet suikerzoet; 'zoeter dan honing' zegt de psalmist. Het beste te vertalen met 'stille zielsverrukking'? De tekst gaat haar weg naar "sit nostra in Te gloria", "Moge onze glorie in U (gelegen) zijn". Meer kan niet. Daar moet je niet naar streven, dan gebeurt er niets; het komt vanzelf wel op een of andere manier, een eigen manier, anders dan je denkt.

- Onze rozenkrans is een herhalend gebed, waarmee de kluizenaars in Egypte begonnen, en dat telkens herhalen kent ook het oosterse Jezusgebed. Als voorbeeld van Grieks-Orthodoxe traditie het volgende 'gebed van het hart'. Het woord 'geest' zie ik als een menselijk vermogen (zoals handen-arbeid dat ook is) en het woord 'hart' zie ik als in 4.8:
"De geest moet in het hart zijn - een duidelijke trek van de methode van bidden. Hij moet het hart bewaken terwijl het bidt, in het rond gaan, altijd in het binnenste blijven en daar vandaan, van de diepten van het hart, gebeden opzenden naar God. Alles is hierin; werk op deze wijze tot het u gegeven wordt de Heer gewaar te worden. Wat de andere resultaten betreft die gewoonlijk uit dit werk voortkomen, - met Gods hulp, gij zult ze door uw ervaring leren kennen door in uw hart aan Jezus vast te houden, d.w.z. aan zijn gebed: "Heer Jezus Christus, Zoon van de levende God, wees mij genadig!" Een van de heilige Vaders zei: "Zit in uw cel en uw cel zal u alles leren."
Let er op hoe hier ervaringskennis wordt genoemd: weten dat je wordt bemind. Kennis in liefde. De kennis van de liefde. Leven van God. Leven voor God. Goddelijk leven in ons. Alstublieft. Dan zijn we ver weg van vrees, sociologisch conformisme, voorschriften-ritueel en moralisme. Dan zijn we in een eredienst in Geest en Waarheid, evangelisch, van Jezus. Dan ga je misschien spreken van een esoterisch (voor ingewijden) heilig huwelijk, van een eenheid die niet uit te spreken is:" Beeld en gelijkenis herenigd; liefde wordt woordloos uitgezegd." (Zie avondwakes Geest, Geest van God ..) "
Als iemand Mij liefheeft, zal Hij mijn woord ter harte nemen; dan zal mijn Vader hem liefhebben en zullen We bij hem ons verblijf gaan houden." Joh 14,23. "woord" hier meer als het vernemen hoe/wat Jezus is.
"Uzelf staat aan de oorsprong van mijn lied; het is in de hemel geboren", zegt een hymne uit het oude Mexico.
Let wel dat die ervaringskennis ook gedeeld en gevoed wordt door doen; denk aan de trits denken, doen, ervaren.

terug naar begin

 

 

4  Hoe onderhouden we die relatie?

woordgebed  4.1

4.1.1 Persoonlijk kun je bidden met vaststaande formules of ook je gedachten vrij laten waaien en daarop inhaken. Vaste formules fungeren vaak als een begin om je in te leiden. Dat kan een deftig woordgebruik zijn van vroeger of een kindergebedje die geassocieerd zijn met vroegere ervaringen. "Mijn Heer en mijn God, ik kniel voor U neer en aanbid Uw opperste majesteit" of "Lieve Jezus, vandaag alles uit liefde tot U".
Psalmen zijn een zeer goed soort gebed. Ze zijn het oude gemeengoed van een gemeenschap én ze zijn een persoonlijk gebed. Zij kunnen richting geven aan persoonlijk gebed door hun groot scala van mogelijkheden en hun eeuwenlange bruikbaarheid. Ze kunnen ook een soort van controle zijn voor persoonlijk gebed. Toen ik begon met psalmen 'lezen', ontdekte ik op de tweede dag: "Verrek, je praat met God". Dan doe je ervaringskennis op. In je binnenkamertje.
Een aantal aspecten die in het gebed van pas komen zijn:
- smeking om kracht voor jezelf en/of anderen. Ook als je telepathische kracht als verklaring, als gewone menselijke mogelijkheid wilt zien, dan nog kun je in verwondering zeggen dat je dat hebt gekregen. Dan bid je.
- smeking om een goede afloop. Vroeger werd heel wat gebeden voor een examen, ziekte, afwending van gevaar, noem maar op. Nu zijn we geneigd om te denken dat ons gebed dat niet kan bewerken, dat God Zich niet kan laten vermurwen om in te grijpen in de geschiedenis. Ik moet (graag) bekennen dat ik zelf een paar maal een hele 'stomme' gebedsverhoring heb meegemaakt. Dan filosofeer je niet; dan herken je JHWH, die met Zijn volk meetrekt, die sympathiek is, meelevend, meelijdend.
Van de andere kant ook reëel zijn. Als je de brandweer hoort en je bidt dat het niet jouw huis is, is dat een 'vals' gebed. Het is nl. al of niet gebeurd en daaraan kan O.L.Heer niets veranderen. Fortmann zegt in Hoogtijd: "Het bidden, met name het smeekgebed, is in de grond niets anders dan vragen dat onze blik moge zien wat gebeuren moet". Dat klinkt niet zo troostvol maar er zit wel wat in.
- roep om hulp. Als je zover bent dat je fluisterend bidt of uitschreeuwt -"Eli, Eli…" - dan bid je uit de grond van je hart.
- eer brengen aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest ....  Gezegend zijt Gij …
- dank brengen. Als de wolf bij het lam te gast is, als de kennis van de Heer de aarde bedekt zoals het water de bodem van de zee, als de tranen uit de ogen zijn gewist, als  ... "rest ons niets meer dan te zingen"
- verlangen naar het ware goed, naar God. Sommigen zeggen dat dit een erotisch element in zich heeft.
- vreugde van de mens die zich gedrongen voelt boven zichzelf uit te stijgen
- vertrouwen van de mens die weet dat hij goed zit en als hij het niet meer zo zeker weet om vertrouwen vraagt. Omdat bidden een geloofsuiting is, draagt het risico in zich. Je twijfel staat tegenover je vertrouwen.

 

4.1.2 Gemeenschapsgebeden liggen min of meer vast uit praktisch oogpunt maar ook omdat ze vaak tot het gemeenschapsgoed behoren en niet zomaar kunnen worden veranderd. Ze moeten herkenbaar zijn. "Waar er twee of meer in mijn naam zijn verenigd (!), ... " Wat betekent 'naam'? Aanwezigheid, macht, kracht. Dat is het voordeel van gemeenschapsgebed.
Het eerste gemeenschapsgebed is wel het 'Onze Vader', ofschoon we bij het eerste woord al struikelen. 'Vader' is het 'Abba' van Jezus, 'Vadertje', 'Paps' of 'Pappa' of wat je zelf zegt. "God heeft in onze harten de Geest van Zijn Zoon gezonden die uitroept 'Abba'", zegt Paulus. Wat moet je dan nog?
De gemeenschap 'maakt' (constitueert) zichzelf en herkent zichzelf in gemeenschappelijk gebed. Bij de sacramenten is de clou het gebed van de gemeenschap om de Geest: Gods tegenwoordigheid (Hebr. 'Sjechina'). Daarna komt pas de rite van handoplegging, zalving, water uitgieten, heffen van Brood en Beker  e.d. met de duidende woorden.
Het samen vieren van hoogtepunten van het leven -in de sacramenten- biedt ook gemeenschapsgebed. Het toppunt daarvan vind ik het Eucharistisch Gebed. De Epiclese daarin is een wezenlijk punt. In dat gebed sta je voor je Schepper -vind ik- met je brood en wijn in je hand op blote voeten. Dan is hij er weer met zijn vrienden … Dit kun je in je achterhoofd houden als je gezamenlijk bidt voor het eten. Daar komt het Eucharistisch Gebed vandaan. Eet je om je dood uit te stellen of om nu al enig deel te hebben in het Leven?
Sprekend als gemeenschapsgebed zijn de getijdengebeden, het vroegere brevier, nu in nieuwe vorm. "Het gebed geeft voeding aan ons geloof, onze relatie met Hem. We be-leven het in beide betekenissen: we blazen het leven in én het overkomt ons, we be-ademen het omdat we het uitvoeren én we ontvangen het van Buiten omdat we het van ons zelf niet kunnen. Het initiatief ligt bij God, "Hij heeft ons het eerst bemind".
" 'Een dichterwoord stijgt uit mijn hart omhoog', mijn hart wil zingen -een gevoel dat we allemaal wel kennen- doet ons denken dat het gebed al in ons is gelegd: we hoeven alleen maar dat op te nemen, te ont-dekken, om naar God te reiken, met Hem in aanraking te komen. Daartoe gebruiken we gebedsgoed dat zo'n 3000 jaar geleden is gaan groeien in de harten van de mensen. Jezus heeft de psalmen en oude lofzangen ook gebeden. Als wij in zijn Naam bijeen zijn, één zijn, bidt hij met ons mee: 'Abba'; we staan samen met hem voor de Vader.
We zijn niet de enigen die dit gebed bidden. Het getijdengebed is het voortdurend gebed van de Kerk. Het gezamenlijke gebed is "de plaats waar de Geest tot bloei komt": het gaat dus niet alleen om een persoonlijke en gezamenlijke beleving van een Christus-ontmoeting maar ook om een kerkelijk-universele beleving daarvan. Dat zijn dingen die je niet kunt afdwingen, je kunt je er alleen maar voor openstellen en al doende willen ontvangen. Het morgengebed kan ons op dat spoor zetten." (Inleiding tot het getijdengebed van onze parochie)
En, inderdaad, het is anders dan wanneer je alleen bidt.

terug naar begin

Offer 4.2
Typisch O.T. Vooral het aanbieden van de eerstelingen van het graan en het gaafste lam van de kudde is de Joodse manier om in contact met God te treden. Ik vind het heel typisch om -naar hun eigen zeggen- dat te doen met iets dat je hebt gekregen. Bij het verkregen graan e.d. voeg je dus je dank en dat bied je aan, offreer je.
Brengen wij nog offers ? Het O.T.-offer werd definitief afgesloten met het N.T.-offer van Jezus. Zie Hebreeënbrief. Wij branden nog wel wierook als teken van gebed: "Moge mijn gebed zich richten als wierook voor Uw aangezicht", maar brengen wij nog offers? Wij kunnen wel aanbieden nl. onze inzet, ons handelen, goede werken doen vanuit onze heilsrelatie. Bij het "Het Eucharistisch Gebed" komen we daarop nog terug. (Aanbieden)
Is vasten een offertje brengen?
Ik zie het als een mogelijkheid om je geest omhoog te richten en om horizontaal  te  doen door hetgeen je uitspaart aan een goed doel te besteden. Vasten is een vorm van ascese, je zelf iets ontzeggen als een 'reminder', een voelbare trap op de rem, het geestelijke met je lijf verbinden, je op God richten, nu hemelschatten verzamelen. Ik weet geen raad met het idee dat je met ascese iets verdient, een wit voetje krijgt bij God. Wel zie ik dat ascese je gebed ondersteunt.

Toch zijn er situaties waarin je duidelijk kunt je spreken van een offer, wat ik met de nodige schroom op tafel wil leggen. Het element van 'iets' van je zelf afgeven, kwijtraken, zoals een Jood zijn dier afgaf, is dan sterk aanwezig. Hoe zal de vernederde, miskende, mishandelde een echte relatie met God ervaren? HijZ is immers Degene die hem/haar had moeten helpen in de nood: "God, waar was je toen ik …?" is een fundamentele schreeuw. Als de gestriemde er dan in slaagt om toch authentiek met God verbonden te worden, te zijn, moet hij/zij iets prijsgeven, uit handen geven. Wat 'iets' dan is, is aan hem/haar om dat te verwoorden. Het is niet niks.

Als die vraag niet expliciet ter sprake komt, is de kans groot dat zij in het onbewuste zo'n relatie blokkeert. Het slachtoffer beseft het niet en kan zich dan verwijten dat hij/zij iets niet goed doet, het lukt maar nooit: 'ligt de fout bij mij, doe ik het niet goed? Vast wel, natuurlijk, zeker niet aan God': schuldgevoel ligt voor de hand en blokkeert niet alleen de relatie met God. Als de vraag wel op tafel komt, kan eenzelfde schuldgevoel een aan­vaar­den van die vraag, die verwijtende schreeuw, in de weg staan: zo iets doe je toch niet t.o.v. God.

Schuldgevoel kan dan als een psychologische link functioneren. Theologisch zij het discutabel maar als de bijbel heel menselijk van God zegt: "JHWH kreeg er spijt van …", zou dan pastoraal gesproken de gedachte niet mogen worden gehanteerd dat God ook een schuldgevoel heeft, nl. t.o.v. het slachtoffer. En met meer reden dan deze t.o.v. God. HijZ heeft immers de mens geschapen, die zijn vrije wil kan misbruiken! God wil het goed maken en doet boete doordat Hij Zijn Zoon zendt, die ook wordt overgeleverd aan mensen die hun vrije wil misbruiken. De zoon offert (o.a.) zijn leven op opdat slachtoffers hun leven samen met hem kunnen aanbieden, hun ellende offeren, en zo erkennen dat dat alles op een of andere manier goed is geworden, als zinvol accepteren voor hun relatie met God; dus niet om te vergeten maar om te (ver)heffen. Dan offer je wel iets, geef je uit handen, geef je over; misschien draag je zelfs op. Jezus Christus moge daarbij behulpzaam zijn.

Schuldgevoel hoeft niet de enige link te zijn. Verdriet van het slachtoffer om wat is aangedaan kan gelinkt worden met Gods verdriet dat er zo'n kwaad is gedaan. Zou God hem/haar niet hebben gehoord en alleen maar verdrietig zijn? Is het dan vervolgens ook niet acceptabel om te stellen dat dat verdriet bindt?

e-mailadres

 

Meditatie   4.3
is een machtig middel, misschien wel noodzakelijk maar zij vraagt een zekere techniek. Die vind ik moeilijk schriftelijk te behandelen, hoewel er wel lectuur over is (zie onder). Voor wie er belangstelling voor heeft zijn de richtlijnen die wij gebruikten ter beschikking.

Als u 'achtergrondmuziek' bij meditatie zoekt: maak u uit het boek Wijsheid hoofdstukken 7 en 8 en 9 eigen. Maar zet die niet 'aan' bij de meditatie zelf.

 

 

Contemplatie  4.4

Er zijn mensen die met hun handen bidden. Ik vond eens als naam van een boerderij: Ora, labora et cogita: bid, werk en gebruik je hersens. Die had het door. Dit heeft mij verleid tot het volgende uiteraard aanvechtbare schema:
 

 

 

De menselijke geloofsact maakt bidden van denken en doen. Je kunt zowel je denken als je werken 'ter ere Gods' doen, in zijn dienst stellen.
 

Maar we ontvangen ook geloof, als genade, als gave van de H.Geest. Als je nu die genade ook in je denken laat komen en laat samengaan met je werk, begint er een groeiproces: de genade gaat je hele hebben en houden, je hele leven(s-instelling) omvat­ten. Zij tilt alles naar een hoger niveau. Dat noem ik dan een contemplatief leven. Het aanvankelijke 'God een plaats in je leven geven' wordt andersom: je krijgt een plaats in het goddelijk Leven. Dat heeft niets te maken met een monnik die met een grote ton­suur gewijd loopt te schrijden. Het is je eigen, mogelijk en reëel, en je krijgt het omdat jij het bent."Tout est grâce", zei de pastoor van Ars. Denken maal werken, een vermenigvuldiging: contem­platie wordt zo een groei naar de mystieke eenheid met God.

naar In de engelenbak

terug naar begin

 

 

 

 

 Ed Hoornik († 1970):

 

Hebben en zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven
de ene werkelijkheid, de ander schijn.

 

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven de dingen uitgeheven,
Vervuld van goddelijke pijn.

 

Hebben is hard. Is lichaam. Zijn twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgericht.

 

- Litt: over meditatie: "De wolk van niet-weten" goed; over bidden: b.v. "Heer, leer ons bidden" A.Louf  Lannoo
- Ter overweging: De navolging van Christus, Ambo (!) 1973 maar je moet het kunnen lezen!

- Gebedsboeken:

"Groot gebedenboek"  P.Thomas. Lannoo/Callenbach 1995 ca f 50,= (?);

"Psalmen" KBS-vertaling 1982, duidelijke taal; idem Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde meer poëtisch;

"Getijdenboek"  Nat.Raad v.Liturgie Zeist ca f 100,= maar je moet wel 'psalm-minded' zijn.

Eenvoudiger is "(Eensgezind) Volharden in gebed",  ca f 45,= - het duurt even voordat je erin thuis bent.

Voor ouderen: "Blijf bidden - ook op latere leeftijd" ca f 40,=  K.B.Boxtel, nieuwe en oude gebeden.

Van de muziek van Hildegard zijn enkele goede cd's.

 

terug naar overzicht
terug naar gebed
verder naar Feesten
e-mailadres

naar In de engelenbak

13 Diaconie

13.1 Sluitstuk
13.2 Caritas
13.3 Diaconie  begrip,
aanpak, inhoud
13.4 De basis voor diaconie
13.5 Meer dan offers
13.6 Een beetje ethiek

 

1  Sluitstuk

Zonder dit onderwerp kan de ketting niet sluiten, maar het is geen sluitpost van de begroting: we zouden er evenveel aandacht aan moeten geven als aan de tot nog toe behandelde onderwerpen tezamen. Nu 'begint' het pas: na de eredienst in de kerk komt de (ere)dienst in de maatschappij.
Ik zie een parallel: schuldgevoel, zelfs schuldangst, moet overgaan naar een reëel schuldbesef dat vruchtbaar is. Als een gebed een fijn gevoel geeft, is het dan ook een echt gebed? Om te vermijden dat je relatie God - ik in navelstaar blijft steken, is dienst in de maatschappij  wel zo dienstig.  Dan kun je vanuit gelovend standpunt zeggen dat al ons handelen in de maatschappij in dienst staat van. Dat is de christelijke visie op je baan, je werk. Al die verschillende banen, functies, organisaties  enz. te behandelen valt niet onder catechese. Ieder vakgebied heeft zijn eigen landschap. Catechese kan wel iets zeggen over hoe je het landschap bekijkt, met welke zin je het opbouwt en onderhoudt.
De verhouding eredienst en maatschappijdienst wordt in het O.T. door de profeet Amos al afgebakend: "Ik haat, verfoei uw feesten, in uw vieringen schep Ik geen genoegen. Want als u Mij brand- en meel- offers brengt, behagen ze Mij niet; uw vredesoffers van gemeste kalveren kan Ik niet mee aanzien. Bespaar Mij het lawaai van uw liederen; de klank van uw harpen wil Ik niet meer horen! Nee, het recht moet stromen, als water, de gerechtigheid als een nooit opgedroogde beek." (Am 5,21vv).

Het N.T. is even duidelijk als het gaat om het voornaamste gebod: ".... en het tweede is daaraan gelijk(soortig): bemin uw naaste zoals uzelf". Iets dergelijks is ook: 'daden zonder geloof zijn blind en geloof zonder daden is impotent'. Dat klinkt cru en doet op het eerste gezicht geen recht aan ongelovigen die er het beste van maken (ook nog beter dan gelovigen), maar het ligt in het verlengde van Paulus' hooglied op de liefde in 1Kor 13: "Al spreek ik de taal van mensen en engelen - als ik de liefde niet heb ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal …" Diaconie is één van de twee poten waar het Christendom op staat, anders viel het om of liep het mank, werd het niet eens te licht bevonden omdat het dan geen zin heeft.
Op 10.1 staat een karakterisering van de Kerk met als laatste punt: dienst aan de mens. Je ontkomt er niet aan: we zíjn nu eenmaal stoffelijke werkelijkheid en we kunnen ons niet wijs maken dat we ons daaraan kunnen onttrekken: honger ís niet leuk. Een wezenlijk onderdeel van het doopsel is de belofte dat we het kwaad zullen mijden maar ook dat we ons tegen het kwaad zullen verzetten. Hoe we ons in de praktijk tegen het kwade verzetten, kunnen verzetten, hangt van diverse factoren af. Maar als het om kort-bije diaconie gaat, om caritas, zijn er legio mogelijkheden. Dan is er helemáál geen reden te bedenken om je er van af te maken.

 

2  Caritas 

is slechts een onderdeel van diaconie. Het wordt nu nog wel gezien als 'liefdadigheid', St. Vincentius, liefdewerk-oud-papier en een pannetje soep brengen aan een oude, arme zieke. Maar dat het in feite gaat om
a) een daad (met goede wil) en
b) uit liefde (meer dan medelijden)
vergeten we wel eens als we geven wat we willen missen, hetgeen soms hetzelfde is als wat we kunnen missen. We zijn geneigd in dit soort zaken onmiddellijk na te gaan wat onze buurman geacht wordt te kunnen missen. Ook in caritas is iedereen zelf verantwoordelijk. Men hoeft zich pas ongerust te maken over rijkdom van een ander als daarmee een kwetsbaar iemand onrecht wordt aangedaan. (Dat geldt ook voor systemen, organisaties e.d.) Paulus schrijft in 2Kor 11 over "te veel hebben" en "te kort komen". Het 'te' van 'veel' wordt bepaald door het 'te' van 'kort'. Nu kun je onmiddellijk gaan philosopheren en hydroxyleren over wat veel en wat weinig is. Als 'te' in het geding is (let wel: een rechtspraakterm), ben je aansprakelijk, gaat het om "Ga weg van mij, vervloekten... " Er is een intern christelijk criterium dat in Hand. 4 staat. "...en er was geen noodlijdende onder hen".
Op het gebied van caritas zijn heel wat wonderen verricht en nog. Maar met het ingewikkelder worden van de maat­schappij en de overgang van een agrarische samenleving naar een geïndustrialiseerde bleek dat de caritas geen struc­turele problemen kon oplossen. Met het inniger bedenken van de collecteschaal of het te gelde maken van fondsen kun je een ramp in een industriestad, zoals een plotselinge werkeloosheid, en een omslag in de conjunctuur niet meer oplossen. Caritas werd onvoldoende wanneer het ging om sociale zekerheid. Daartoe werden vaste, in het recht verankerde afspraken nodig, dus met sancties op inbreuk en algemeen geldig (J.A De Kok). En toen werd het best moeilijk tussen mensen die een structurele aanpak wilden via sociale wetgeving en mensen die caritas als een specifiek kerkelijke taak beschouwden, ondanks de encycliek van Pius XI in 1933 ('Quadragesimo anno') veertig jaar na 'Rerum Novarum' van Leo XIII ! Overigens is de basis voor sociale wetgeving 'caritas' en niet partij-politiek geschuif.
Ontheffen onze sociale verplichtingen ons van caritas op kleine schaal? We zouden ons rot schamen, nietwaar, als er onder ons een noodlijdende was. Voor velen is dat geen vraag meer omdat de bijstand niet voldoende (meer) is, sociale zaken aan regels is gebonden en niet alle gevallen in een wet kunnen worden opgevangen, want het is mensenwerk. Weet u nog? de werken van de Geest? Daar kan geen wet tegenop. Het is dus zaak het ene te doen (sociale premies betalen) en het andere niet te laten (caritas).

terug naar begin
 

3  Diaconie

Begrip  3.1
Diaconie kun je het beste vertalen -dacht ik- met 'gemeenschap-bouwende dienst na de eredienst'. Die gemeenschap kun je kortbij zoeken, de eigen parochie als 'unit' beschouwen. Dat is misschien wel onze eerste taak. Als die niet leeft, zowel binnen als buiten het kerkgebouw, heb je geen poot om op te staan. Van daaruit moet inspiratie komen voor de aanpak en inhoud. Het gaat om het mystieke Lichaam van Christus en het daadwerkelijk Lichaam van Christus, hetzelfde Lichaam, in onderlinge voeding. 

 

 

 

 

 

 

"Ons brood het toekomende geef ons heden en vergeef ons onze schulden …" (Mt 6, 11.12a, letterlijk vertaald)

 

Voor grootschalige aanpak  3.2

heb je kerk nodig om Kerk te kunnen zijn. Je moet in deze grote wereld krachten kunnen bundelen, effectief zijn, mogelijkheden vergroten, elkaar steunen, invloed uit kunnen oefenen, georganiseerd goed tegenover georganiseerd kwaad stellen, het kwade aan de kaak te stellen. Vroeger konden we nog zeggen 'we hebben het niet geweten', maar met onze huidige communicatiemiddelen kan dat niet meer zo goed. We weten te veel. Het is natuurlijk wel van groot gewicht regelmatig symposia te houden over de objectiviteit van de media, de opzet van de methoden van aanpak van Amnesty International, de indirecte verlammende invloed van adoptie door Terre des hommes en van missie- en vastenacties op de plaatselijke economie, het onbehagen opwekkende karakter van een duidelijk missieblad te analyseren en de bezwaren niet te onderschatten van de nog niet bedachte neveneffecten...  Deed die barmhartige Samaritaan ook, nietwaar? En hij zou bij zijn bezoek aan het symposium hij luide toegejuicht worden ... (omdat er iemand was die deed en toejuichen ook een doen is.) Wat zou bisschop Romero daarvan denken?
Luther meende dat via preken en aansporingen van de mensen de hervormingen (daar ging het om) vanzelf zouden komen (via de Geest), hetgeen zwaar tegenviel. Calvijn kreeg met een minderheid wèl het nodige voor elkaar omdat hij ook organiseerde. Als je voor een parochie al een organisatietje nodig hebt, wat dan wel voor zo iets als missie, onderwijs, ziekenverpleging, bejaardenverzorging, systematisch bezoek, priesteropleiding enz. om gemeenschap­bouwend bezig te zijn?
En dan nog voor onze tijd: aids-patiënten, vluchtelingen, werkeloosheid, vereenzaming, geestelijke verarming, vredesbedreiging, vlucht in druggebruik, onrecht door discriminatie, martel- en moordpraktijken, verdwijntrucs...  Ecce homo. De koning van de schepping. De ont-rechte mens.
Hoe doen we dat? De individuele christen voelt zich machteloos en de kerk als zending van Christus weet misschien niet zo goed wat zij kan doen nu haar conventioneel gereedschap niet meer zo dienstig is om haar Traditie in deze gestand te doen (conventioneel: iets doen gewoon, omdat het altijd zo is geweest; traditioneel volgens de overlevering die in de Kerk leeft. "Tradition is the witness of the Spirit") Het minste wat je zelf kunt doen is je ogen open houden. Als je er op bent ingesteld, is de kans levensgroot dat je een mogelijkheid ziet voor iets kleins. De Kerkleider laat het wel doorwerken, liefst ook naar het politieke front.
Diaconaal werk hoeft niet perse binnen kerkelijk verband gedaan te worden. Het heeft geen zin om te concurreren of het wiel weer uit te vinden. Het zal de vluchteling niet zoveel kunnen schelen of hij door een ambtenaar, een moslimvrouw of een christenman wordt geholpen. (Het is zelfs de vraag of hulp die zich zo nodig profileert als zijnde vanuit een bepaalde richting wel zuiver is.) De kans is evenwel groot dat persoonlijke bemoeienis de (staats)voorziening aanvult. Verder mag je van een diaconaal ingestelde kerk verwachten dat zij initiatief neemt waar (staats)voorzieningen ontbreken of aanvulling behoeven. Daarvoor is typisch het ambt van diaken, waarvan ik denk dat het in de protestantse kerken beter is ontwikkeld dan in de katholieke kerk, waar het toch meer in de liturgie dient.

naar In de engelenbak

Twee uitspraken - ze zijn allebei waar:

Bericht voor alle goede mensen:
Voor het slagen van het kwaad
is niets anders nodig
dan dat goede mensen niets doen.
Als zij niets anders doen
dan hun sport beoefenen, 
in hun tuintje liefhebberen,
zich voor de T.V. ontspannen
en voor hun eigen man, vrouw, kind zorgen,
kunnen kwade krachten 
ongestoord
hun onzalige praktijken uitvoeren;
ongehinderd door de 
zogenaamde zwijgende meerderheid.
                                         (M.L.King)

Je zult bij de mensen een zonnekind zijn,
je hart op je handen dragen
je hand op hun pijn,
niet wetend hoe jij
als een helder boeket
een hoekje der aarde 
in heerlijkheid zet.
           (Maria Christina o.p. in Als je het mij vraagt)

 

De inhoud  3.3
van diaconie zou je wellicht het beste kunnen karakteriseren als barmhartigheid. Het Hebreeuwse woord dat 'zich erbarmen' betekent, heeft als afleiding 'moederschoot' en wordt vaak gecombineerd met 'genadig zijn' en 'genade', en toegepast met JHWH als Heer van het leven. "De eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is …" (Joh 2,13) Barmhartigheid lijkt wel een wezenlijk deel van het leven. Trouw mee-leven.

We kennen zeven werken van barmhartigheid:

hongerigen te eten geven              primaire levensbehoeften,  recht - onrecht
dorstigen te drinken geven           
de nodige kleding geven           

vreemdelingen herbergen

zieken bezoeken en helpen          de mens in zijn waardigheid (her)stellen
gevangenen bezoeken en helpen

doden begraven                           eerbied voor het leven

 

Nieuw is dit niet. Rabbijnse litteratuur (Sotah 14a) verhaalt: " De Heilige - Hij zij geprezen - heeft de naakten gekleed, want er staat geschreven: 'En de Heer God maakte voor Adam en zijn vrouw jassen van huiden en kleedde hen daarmee'. Daarom moeten jullie ook de naakten kleden. De Heilige - Hij zij geprezen - heeft de zieken bezocht, want er staat geschreven: 'En de Heer verscheen aan hem bij de eiken van Mamre'. Daarom moeten jullie ook de zieken bezoeken. De Heilige - Hij zij geprezen - heeft de rouwenden getroost, want er staat geschreven: 'En het gebeurde na de dood van Abraham, dat God diens zoon Isaak zegende'. Daarom moeten jullie ook degenen die rouwen, troost bieden. De Heilige - Hij zij geprezen - heeft de doden begraven, want er staat geschreven: 'En hij begroef Mozes in de vallei'. Daarom moeten ook jullie de doden begraven." (P.v.Boxel; Je zult achter de Heer uw God aan wandelen)
In het N.T.  betrekt Jezus de eerste zes werken op zichzelf: "Want ik was hongerig, ik was dorstig..." (Mt 25, 31vv) Ik was het..."Wat ge aan de minste der mijnen heb gedaan …"  Hebben we dan nog moeite met het Lichaam van Christus?.
De volgende stap is om in hem alle lijden van de hele wereld -ook het joodse- geconcentreerd te zien, het Lam Gods, met zijn hoop op uitzicht, met zijn inspiratie, zijn erbarmen. De Heilige -zijn Naam zij geprezen- is dan verrekt kortbij

De bovenstaande werken van barmhartigheid kun je nog binnen het kader van het algemeen menselijke plaatsen. De zeven werken van geestelijke barmhartigheid, die niet in het evangelie staan genoemd, maar wel evangelisch zijn, staan nog wat meer in het godsdienstig kader, binnen het Rijk dat komen moet:

zondaars vermanen         opbouw van het Rijk
onwetenden leren
voor de mensen bidden       
goede(!) raad geven
troosten

kwaad verdragen
beledigingen vergeven     afbraak van het Rijk verhinderen

 

'Wie het vertikt de ander als mens aan te nemen, maakt van hem een voorwerp en kwetst zo zijn persoon-zijn. Dat krijgt hij als vereenzaming en haat terug. Op die manier kunnen systemen ontstaan die tenslotte de gemeenschap doen ondergaan.' (Fortmann?) Leven in de verlossing door Jezus aangeboden geeft de kracht om elkaar het tekort schieten te vergeven, elkaar aan te nemen en elkaar de kans te geven om te zijn zoals ieder in zijn kern is, graag wil zijn. Dan blijft de weg naar de gemeenschap nieuw, vernieuwend, en staan ook de mislukkingen in het teken van hoop.

terug naar begin
naar In de engelenbak

 

4  De basis van diaconie

Waarom als christen, als 'wij christenen'? 'Gewone' medemenselijkheid is toch genoeg? Zijn humanisten minder goede mensen en is hun goed-doen minder goed?
Het is natuurlijk waar dat een vrij, 'verlost', mens goud waard is. Iemand die liefde geeft vanuit zijn centrum  (zie 4.8) kan veel, heel veel. Die liefde hangt niet af van eigenschappen en behoeften van de gevende persoon, noch van omstandigheden, en ook niet van eigenschappen en behoeften van de persoon die zou kunnen ontvangen. De liefde die ontspringt uit de stilte van het zelf, dringt door de buitenkant heen en onthult zorgzaam het wezen van de ander dat men zoekt. Die liefde is intelligent en bekwaam tot handelen. Zij bevrijdt vakkundig mensen die zij raakt, bindt hen niet door verwachtingen of schuldgevoel. Zij gaat van kern tot kern en is heel humaan.
Desondanks kun je nog een stap verder gaan en je eigen kern beschouwen, je eigen basis. Die vind ik in mijn geloof, heilsrelatie, mijn Godskind-zijn. Daar ligt mijn diepste grond, buiten mezelf, afhankelijk. De grootste eer die ik een ander kan bewijzen is hem/haar in dezelfde grond te plaatsen, te geven, toe te denken, die ik voor mij zelf als maximum beschouw. Dan zijn we verder dan liefdadig meeleven of 'gewone' medemenselijkheid. De inhoud van de (gelijk)waardigheid van de mensen is dan veel hoger; de ander stel ik even kostbaar in Zijn ogen.
Bij die benadering komt weer dat beeld omhoog van 4.8 en 8.5:
De weg naar de naaste zou je je dus voor kunnen stellen als gaande vanuit jouw centrum (daar waar je bent zoals je graag goed wil zijn) omhoog via God naar de ander. Maar dan moet je God toch wel een beetje kennen. Je kunt ook zeggen dat je vanuit jouw centrum naar dat van de ander zoekt en daar iets van God hoopt te ontdekken, te herkennen wat ook in jou leeft. Als we wandelen in het Licht -zoals Hijzelf in het Licht is- hebben we gemeen­schap met elkaar... " 1 Joh 1,7.  Dan zijn we bezig met het hoogste waartoe een mens in staat is nl. menselijke ontmoeting in Godsliefde. "Amor diffusivum suum est" zei Anselmus in de 12e eeuw al, "liefde is zijn eigen uitbreidsel".  Biedt er geen weerstand aan; het is éénmakende liefde (8.6). Waar je in de behoeftige medemens Jezus Christus ziet ("Heer, wanneer zagen wij u hongerig..."), kun je -dacht ik- ook dan het niveau bereiken, het terrein betreden, van de Godsontmoeting.

"Bemin uw naaste zoals uzelf". Als je jezelf niet bemint, koestert in het geweldig Zonnelicht, kun je dan een ander beminnen? Gebed, meditatie, mystiek loopt vanzelf naar buiten op de ander uit. God heeft geen andere handen dan de onze. Als je een keer gehoord hebt "Jij bent Mijn Zoon; heden heb Ik je verwekt" of "Luister, dochter, spits je oren en let op, want de Koning heeft je aanzien begeerd", dan heb je je Basis te pakken, vanwaar uit je denkt en doet, en vermeerdert. Om het Rijk dat komen moet.

 

        

 

Je bent mij zo nodig


Je bent mij zo nodig. Ik weet wel dat

de Heer mijn herder is en dat Hij mij
niets laat ontbreken, maar wanneer jij
mij dat niet bent, weet ik niet wat

mijn leven nog kan zijn. Wanneer Hij jou
niet geeft, geeft Hij mij niets, want
wat mij niet gereikt wordt door jouw hand
is dood voordat ik het ooit krijgen zou.

Dat kan niet, zeg je, want dan stel je mij
voor Hem, een verantwoordelijkheid die
ik niet dragen kan. Weet je dat zeker?
Lees de psalm. Wie dorst schenkt Hij
in overvloed zijn wijn. Maar, liefste, wie
anders dan jij is mij zijn beker?                   

                                          (Gabriël Smit) Gabriël = God is mijn gabber, sterke held)

Het is natuurlijk duidelijk dat dit gedicht een intense relatie veronderstelt die in de diaconie niet nodig, wellicht niet gewenst is. Het geeft wel -dacht ik- net als het schema boven het principe aan van vakkundige liefde.

naar In de engelenbak

5  Meer dan offers 

De schriftgeleerde van Mc 12,24 wil haring of kuit van Jezus: wat is het allereerste gebod? Jezus begint heel plechtig - als Mozes deed: "Sjema, Israël", Luister, Israël: de Heer, onze God is de enige en die Heer zul je dienen met heel je hebben en houwen: geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Alstublieft. En dan: Gij zult uw naaste beminnen als u zelf. Nog eens alstublieft. Dan zegt die schriftgeleerde: "Juist, meester, terecht hebt ge gezegd..... en dat gaat boven alle slacht- en brandoffers". Dat is nogal wat voor een Jood. Dan zegt Jezus: "Ge staat niet ver van het Koninkrijk van God". Wat zou die schriftgeleerde dan nog niet te pakken hebben? Misschien is het dat dat Rijk te bereiken is via Jezus, die de Christus is en tot Heer werd aangesteld.
In de situatie die Amos hekelde gaat het nog om Joden die onrecht plegen maar wel offeren en feesten, dus intern. Als het jodendom al niet universeel zou zijn, het christendom is dat in ieder geval wel en dus is het geen zaak van christenen onderling maar een zaak die de hele wereld betreft en dus geldt onze aandacht voor het kwade ook niet-christenen aangedaan.

terug naar begin     

6  Een beetje ethiek

Speciaal voor de liefhebbers een kleine inleiding, die misschien wel te klein is - maar goed: voor de liefhebber.
Ethiek is nadenken over de vraag wat we behoren te doen. Moraal gaat meer over praktische regels. In een situatie waarin alleen het goede of alleen het kwade aanwezig is, weten we wel wat we moeten doen. Dat doet zich zelden voor, meestal zijn het geen zwart - wit situaties maar 'van de ene kant van en de ander kant'.  Juist als je moet kiezen komt menselijke stuurmanskunst op de proppen.

Regels als basis  6.1
Voor zo'n keuzebeslissing zijn er twee benaderingen:
- de deontologische regel d.w.z. hetgeen moet of niet moet (Gieks: to deon)
- de teleologische regel   d.w.z. het doelmatige, het nut  (Grieks: telos)
De deontologische regel kijkt alleen of iets goed of kwaad is en dat moet dus hoe dan ook al of niet worden gedaan.
De teleologische regel trekt zich daar niets van aan en probeert heel nuchter de hoeveelheid goed tegen de hoeveelheid kwaad af te wegen teneinde het goede zoveel mogelijk te bevorderen. Maar het kan ook zijn dat men moet kiezen uit twee kwaden. Dan kiest men voor het minste kwaad. Dus een leugen om bestwil kan acceptabel zijn.
Dat klinkt(!) heel aardig als het om een aanslag op Hitler e.d. gaat, maar begin nu eens over abortus ! De moeilijkheid is dat er geen enkele regel bestaat die altijd alleen geldig is en dat het dus op stuurmanskunst aankomt. Bovendien is er sprake van een rangorde van waarden: de ene waarde kan hoger zijn dan de andere. Maar die rangorde ligt niet vast; ze kan verschillen naar omstandigheden. Moet je de waarheid altijd vertellen? Mag je de waarheid altijd vertellen?  Mijn recht op vrijheid wordt (mede) bepaald/beperkt door het recht van de ander. Ik kan niet verder gaan dan tot zijn recht.

Principes van handelen  6.2
Er zijn twee principes om te handelen: die van het goed-doen en die van de rechtwaardigheid. Het zijn invullingen van bovengenoemde regels:
Het principe van het goed-doen behelst     (richting deontologisch)
- men behoort het kwade niet te doen
- men behoort het kwade te verhinderen, vóór te zijn
- men behoort het kwade weg te nemen als het aanwezig is
- men behoort het goede te doen en te bevorderen
Het principe van de rechtwaardigheid   (richting teleologisch)
behelst het verdelen van het goede en het kwade volgens het beginsel dat alle mensen gelijk zijn. Maar dan wel in die zin dat ze allen een gelijke kans hebben op een zo goed mogelijk leven voor hun situatie!  Verdelen gaat pas op als iedereen een zeker minimum heeft. Als ik in de woestijn maar één slokje te drinken heb, hóéf ik die niet met de ander te delen (rabbijns!). Zodra iedereen net genoeg te eten en te drinken enz. heeft, zal een gehandicapte meer recht hebben op een wagentje dan ik op een fiets. En als ik de liefde hanteer, geef ik hem dat wagentje.
Het is allemaal niet eenvoudig, maar in eerste instantie is dit een regel waarmee het recht zoveel mogelijk waarde krijgt, daarom: rechtwaardig.

Recht hebben op! Let er bij discussies op of je spreekt van recht vanuit (sociale) wet of vanuit christelijke liefde. Het eerste kun je eisen; het tweede niet; dat kan alleen maar gegeven worden.

Ten slotte, waarom zou ik goed doen? Wat is de beste garantie dat ik mijn belasting betaal? Uiteindelijk (!) rest één antwoord: omdat ik het wil. Amen.

Voor ethiekelingen: zie b.v.  W.K. Frankena:  Ethics;  Prentice-Hall, Inc.

Geen vrije wil ?  6.3

Je hoort wel eens dat wij mensen eigenlijk geen vrije wil hebben, geen vrije keuze maken; dat het maar zo lijkt. Als we het daarover hebben, gaat het om een bewuste beslissing, niet om een schrikreactie, een automatisme e.d, in ieder geval niet in eerste instantie. Het gaat ook niet om situaties waarin dwang en/of onterechte beïnvloeding meespelen. En iemand die depressief is of uit balans moet je niet daarmee niet lastig vallen.

Als we nuchter en stap voor stap redeneren is het eerste punt of een zich voordoende situatie iets betekent of niet. Een kastanje die voor mij van de boom valt - die valt dan.  Als die kastanje op iemands hoofd valt, zal een reactie ter zake zijn. Bij toevalligheden, bij indringende gebeurtenissen, bij belangrijke vragen, bij grote problemen en net zo goed bij een invallende gedachte is de eerste inschatting/beoordeling: wat heb ik ermee? Dan komt de vraag 'wat doe ik ermee'?, waarvoor kies ik?'. Dit heeft een dubbel terrein: kies ik 'omdat' … of kies ik 'hoewel' …. En nog eens dubbel: doe ik of laat ik 'omdat' of doe ik of laat ik 'hoewel'. Als ik daarin heb beslist (hetgeen de ene keer heel gauw en spontaan gebeurt, de andere keer een heel proces is van verstand en gevoel, intuïtie en ervaring, kennis en goede wil), is de vraag terzake of ik kan doen, wat ik kan doen; en vervolgens 'wil ik doen?' en tenslotte de beslissing om te doen.

Nogmaals, we moeten eerst het principe op tafel hebben, zonder complicaties, en dan mag degene die vindt dat hij/zij geen vrije wil heeft, niet vrij kan kiezen, zeggen waar het bij hem/haar aan schort.

Het proces om tot een keuze te komen kan heel kort zijn: "Tot in zijn binnenste geraakt" zette de Samaritaan die arme man op zijn lastdier; hij hoefde niet na te denken. Maar er zijn ook denkkaders als 'algemeen nut', rechtvaardigheid, gerechtigheid, schoonheid, ethiek, geloof, die een toets aanreiken en zelfs een norm: niet alleen plezier, nut, streven maar ook moreel goed of kwaad, heil en onheil. Dan functioneert het geweten, dat heus geen bang-voor-straf-geweten hoeft te zijn, laat staan een conventioneel plichtgevoel. Zolang je normaal in je vel zit, kun je - desnoods met hulp - vrij een beslissing nemen en c.q. verantwoordelijk zijn. Als je niet normaal genoeg in je vel zit, ligt het punt niet bij de vrije wil of vrije keuze.

Hoe het tenslotte komt dat ik mijn wil uitvoer is een vraag die ik niet kan beantwoorden. Ik weet niet of neurologen en biochemici e.d. dat wel kunnen. Hoe kan vanuit een geestelijk fenomeen (gedachte, wil, wens) een spier in werking treden? Bestaat er een wetenschappelijke verklaring (niet: beschrijving!) voor het feit dat die zenuwprikkel (natuur) vanuit niet-natuur ontstaat?  Er lopen ongemerkt hersengolfjes in mijn hoofd rond, meetbaar; maar ik kan die ook beïnvloeden bv. door meditatie. Als ik boos word, produceer ik adrealine. Hoe komt dat?  We kunnen de vraag steeds verder doorschuiven maar lopen m.i. toch telkens tegen die grens van geest - materie/natuur aan.

Er is interessant biochemisch en neurologisch onderzoek o.a. naar de vrije wil; niks mis mee maar laten we er wel alert op zijn of zo'n onderzoek voldoende het complexe leven dekt, wat het doel ervan is, wat de resultaten zeggen en of die resultaten goed worden doorgegeven. De proeven moeten verifieerbaar zijn, mogen geen automatisme/gewoonte oproepen, niets induceren enz. Proefpersonen mogen niet eens het doel ervan weten.

Komen we bij die vraag hoe natuur door niet-natuur wordt opgeroepen tenslotte toch niet uit bij de eerste zin van die geloofsbelijdenis: punt van uitgang is dat God hemel én aarde schiep; het zienlijke en het onzienlijke. Geest schept het zintuiglijk waarneembare. Mij lijkt dit nog meer dan een keuze - nadat ik kies voor dat geloof.

Ik vind echt dat ik vrij kan kiezen en willen, geen marionet ben en verantwoording kan en wil afleggen. Ik 'verdien'. De stomp of het pluimpje. Niet de kus. Die krijg ik.

terug naar begin

  verder naar sacramenten
terug naar overzicht

terug naar diaconie
E-mail adres 

naar In de engelenbak

 

 

14  Feesten

14.1 Existentieel
14.2 Weekcyclus
14.3 Jaarcyclus 

14.3.1 Joodse feesten

14.3.2 de christelijke heilsduiding ervan
14.4 De jaarcyclus met de latere feesten
 

1  Existentieel

Misschien klinkt het gek, maar het feest hoort er bij, net als bidden. Zo bestaan we. Het heft je op, je verzorgt je vreugde en je vermeerdert het, je wordt er rijker van. Als je een zoveel-jarige bruiloft hebt gevierd, snap je 'het' beter. Het 'behoort' dus gevierd te worden vanaf de Zondag tot en met Pasen. "Zingt voor de Heer met reidans, cyterspel en tamboerijn." We zijn dus niet de eersten. Kerstmis vieren is niet zo'n probleem, maar is de Zondag een feestdag? Is Pasen een groter feest dan Kerstmis wat betreft onze viering? Toch staat de Zondag sterker dan Pasen en Kerstmis had vroeger slechts een derderangs octaaf tegen Pinksteren en Pasen een eersterangs.
Er bestaat een week- en een jaarcyclus van feesten. Ze komen ter sprake ook  binnen hun joodse achtergrond want vandaar uit is de overstap naar christelijk beleven beter te begrijpen.

 

 

2  Weekcyclus 

Het getal zeven   2.1

heeft men al vaker in de geschiedenis geprobeerd te wijzigen als het aantal weekdagen.  Zelfs de Romeinen kenden een 10-daagse werkperiode en vonden een zevendaagse werkweek maar oneconomische tijdverspilling. Kennelijk is zeven op een of andere manier ingebakken. In het theater van Milete (ca 4 eeuwen vòòr Chr.) staan 7 aartsengelen in 7 nissen, ieder met een spreuk om bescherming; bij iedere nis staat één van de 7 klinkers van het Griekse alfabet, die iets te maken hadden met de 7 snaren van een lier, die in harmonisch verband met elkaar staan. Hoe komen we aan dat 'zeven'? Zie daarvoor 'Getallensymboliek' onder 4 en 7.

 

 

Verering van 'hemelse' zaken 2.2 

is zeer oud. Het uitspansel maakte kennelijk al heel lang zoveel indruk dat men daarin 'het meer' zocht of daardoor op het spoor kwam. Heel oud is het in Klein Azië en Babylonië noemen van de dagen van de week naar de 7 planeten (= vagebonden, zwervers t.o.v. de vaste sterren), die ieder in een 'sfeer' om de aarde heen draaiden en de naam van een god kregen.  

  In Rome werd dat

       in het frans 

  bij ons

1ste dag van de Zon   (sol)

Dimanche  (dies Dominica, dag des Heren)

zondag

2de dag van de Maan (luna)

Lundi

maandag

3de dag van Mars    (Romeins)

Mardi        Things  (Germaans

dinsdag

4de dag van Mercurius 

Mercredi    Wodan

woensdag

5de dag van Jupiter

Jeudi          Donar

donderdag

6de dag van Venus 

Vendredi    Frya

vrijdag

7de dag van Saturnus

Samedi 

zaterdag

 

De sfeer van Saturnus was de zevende hemel (voor lieden in een zekere toestand) en daarna kwam de vaste orde, de onvergankelijke, waar de mens op hoopte (eeuwig leven), die van de kosmos (= mooi geheel). Als deel van de kosmos wilde de mens daarvan iets op aarde 'waar' maken en zo kwam goede orde op aarde naar voren in de zin van ethische orde . De 'hemelse' vastheid, gerechtigheid, wordt op aarde vertaald in 'recht'(vaardigheid). Het Egyptische Ma'at heeft die betekenissen. Zie ook 'gerechtigheid' onder Bijbelse begrippen.
In Jer. 31, 35 vv wordt de menselijke zekerheid op het heil, de heilsorde, gefundeerd op de ervaring van die (schone) scheppingsorde.
De stoïcijnse filosofie, die in het begin van onze jaartelling nog in zwang was, sprak van leven in overeen-stemming met de natuur. Daarmee werd bedoeld de al-natuur en de persoonlijke aard. De mens heeft die twee karakters. De alnatuur was goed en individueel nadeel moest de mens verdragen, want het was heel goed mogelijk dat in het geheel van de alnatuur dat individuele nadeel toch goed was; omdat de mens niet alles wist kon hij dat niet beoordelen en moest hij dat verdragend de deugd nastreven. Dus geen passiviteit maar actieve inzet (incl. verdragen) voor het goede, hetgeen neerkwam op ethisch goed gedrag. Zo'n houding paste natuurlijk goed in de Christelijke (en Joodse !) leer.
Kosmische gerechtigheid betekent ook harmonie, geen zwervende verstoorders, éénheid, enkelvoudig-heid (geen gespleten-zijn), compleet mens-zijn, waarvoor we nu psychologische termen hanteren. In Christelijke termen denk ik aan 'vrede des Heren'; Christenen, dat zijn pas gelukkige mensen; dat zie je zo.

 

Het witte licht  2.3

hangt daarmee samen. Wit is de kleur van Zeus, van de toog van de paus, van de keurige filmheld, de liturgische kleur van Pasen, kortom van de top. Het witte licht is harmonieus samengesteld uit 7 kleuren. Denk aan de regenboog waarlangs het woord van de goden (Hermes) van de Olympus naar de aarde kwam, het teken van het verbond met Noach na de zondvloed en de lichtbreking in een kristal.

 

Ook bestaat de mythische voorstelling  2.4

van de reis die de menselijke ziel na zijn val op de aarde weer terug naar de hemel moet maken. Hij moest dan door de 7 sferen heen. Kennelijk heeft 7 iets te maken met de mens onderweg naar..... Dat idee vindt men bij de gnostische systemen, in de Mithra-mysteries (Mesopotamische god Mythras, erg in trek bij de Romeinse soldaten en in Rome) en in de Avesta, heilig geschrift van de Perzen. In de Middeleeuwen wordt het idee ook gehanteerd door christelijke schrijvers maar het is afkomstig van de oudheid en niet bijbels gefundeerd; niettemin kan het spiritueel vruchtbaar zijn.

 

Tenslotte werd de wereld geschapen  2.5

volgens de Joodse overlevering in 7 dagen en dan staat er een prikje in de 10 geboden: "Denk aan de Sabbat; die moet heilig zijn voor u..... In 6 dagen immers heeft JHWH ... (alles) gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de Sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt". De prik is dat klaarblijkelijk een verband voor de hand ligt tussen schepping en menselijk doen en laten, hetgeen een gelovig standpunt is, dat nog wordt geaccentueerd omdat die zevende dag erbij hoort. Die weekperiode komt voor de mens telkens terug: lijkt het er dan niet een beetje op dat de mens deelneemt aan die schepping, haar voortzet, dat dat zijn geloofsbelijdenis is? Zie weer  'Getallensymboliek'

In de christelijke beleving  2.6

is er wel iets nieuws aan de hand als geschreven wordt. "Juist op die eerste dag van de nieuwe week daalden twee leerlingen af naar Emmaüs" en Augustinus spreekt later van de 'achtste dag'. David was de achtste zoon van Isaï. Met hem begon het Rijk. De eerste Christenen hielden aanvankelijk gewoon Sabbat als zijnde Joden. Maar het verrijzen van Jezus was hét onderscheid met de Joden en dermate nieuw dat het voor hen een nieuwe periode in hun leven betekende.
Zij kwamen dus op de eerste dag van de nieuwe week 's morgens bijeen om een "Hymne voor Christus te zingen als voor een god" en "'s avonds een maaltijd te houden" (landvoogd Plinius in Griekenland aan keizer Trajanus, ca 110). Vermoedelijk om zo weinig mogelijk samenscholingen te veroorzaken werd die maaltijd naar de morgen verplaatst en hield men toen de maaltijd des Heren want zij werd wekelijks gehouden om Zijn dood (voor ons) en verrijzenis te gedenken en daarvoor de Vader (o.a.) lofprijzend te danken. Zodoende is die dag waarschijnlijk de Dag des Heren (Dies Dominica) genoemd geworden met als achtergrond de gedachte dat door Jezus Christus de voleinding van de Dag van JHWH werd bewerkstelligd. Dat was een dag van oordeel (Jes 2,12 en Sef 1,14) en/of een dag van hoop, voltooiing (Jes 4). Als Christenen er dus aansprak op maken dat zij de maaltijd van de Heer op de eerste dag van de week moeten kunnen vieren, hebben zij sterke papieren.

 

In de weekcyclus horen ook nog  2.7

de Woensdag en de Vrijdag thuis als dagen waarop men enige tijd vastte, volgens Joodse traditie. Daarvan is bij ons nog een beetje over nl. op Aswoensdag en Goede Vrijdag.

terug naar begin

naar In de engelenbak

 

3  Jaarcyclus

Deze is gebaseerd op twee soorten feesten, nl. die waaraan een Joodse pelgrimstocht naar Jeruzalem was verbonden, en een mengsel van latere feesten. Tot de eerste groep behoren Pasen, het feest van de Ongedesemde Broden, het Zevenwekenfeest en het Loofhuttenfeest. Het Paasfeest is met het feest van de Ongedesemde Broden samengevoegd vanwege hun samenvallende betekenis,  lente - nieuw leven.

 

De Joodse feesten  3.1

3.1.1 Pasen
was in oorsprong een herdersfeest en werd gevierd in de nacht van de 14/15 Nissan, d.w.z. in de lente bij volle maan. Het was een typisch nomadenfeest. Het ging om het welzijn van de kudde; men had geen priester nodig noch een altaar noch keukengerei. Het beest werd gebraden aan het spit en gegeten; het bloed werd zeer waarschijnlijk aan de tentstokken gesmeerd om de verderven (Ex 12, 23), het 0n-leven, het onheil, buiten te houden. Ik zoek hierachter het idee dat 'feestbloed', 'offerbloed' op een of andere manier heilig en onkwetsbaar is. Als bijgerechten werden gewoon ongedesemd woestijnbrood en (bittere) woestijnkruiden gebruikt.
Bij het Joodse Paasfeest ging het om een éénjarig, mannelijk lam, gaaf, uitgezocht op de tiende van de maand en vastgehouden tot de veertiende. Dan werd het geslacht, eerlijk verdeeld, eventueel samen met de buren, de beenderen mochten niet worden gebroken. Bloed van het lam werd gesmeerd op de deurposten en de bovenbalk wat in Egypte de betekenis had dat de Heer die woningen voorbijging bij zijn straf van de Egyptenaren. Wat bij zonsopgang nog over was moest worden verbrand. Een typisch familiefeest, mogelijk in stamverband.
De heilsbetekenis die de Joden aan dit feest gaven was dat het JHWH's beschermende hand was die hen behoedde voor gevaar en die hen uit Egypte leidde. De Egyptenaren zagen alleen maar mist en modder. De Joden gaven daaraan achteraf, in verwondering een heilsbetekenis aan.

3.1.2 Ongedesemde Broden  
was een boerenfeest. Het werd ook in de lente gehouden, maar aangezien het rijp worden van het graan niet door de kalender maar door de natuur wordt bepaald, lag het begin ervan niet vast. Het feest vierde het nieuwe begin doordat men al het oude brood weg deed en van het nieuwe graan nieuw brood bakte. Er was dus geen oud brood meer om het nieuwe te desemen en men at dan zeven (!) dagen ongedesemd brood, de azymen.
Dit landbouwfeest kreeg als heilsbetekenis de intocht in het beloofde land, want op die dag had JHWH de ellende van Egypte van hen afgewenteld (= Gilgal) en zouden ze geen Manna meer krijgen maar eten wat het land daar voortbracht (Joz. 5,10v), waarvoor ze de eerste zeven dagen geen gist hadden; het oude moest wegblijven.
Met het nodige geharrewar vanwege het niet samenvallen van de data zijn die twee feesten ten slotte op één dag gevierd (concentratie van feesten en eredienst in Jeruzalem). "Op de eerste dag van het Ongedesemd Brood, de dag waarop men het Paaslam slacht... " (Mc 14,12).
3.1.3 Zeven-wekenfeest 
Dit begon op de dag na Pasen met "Het feest van de schoof" (J.Daniélou; Bijbel en liturgie), dus gedurende het feest van de Ongedesemde broden, dat daarvan apart stond. Zeven weken later werd het afgesloten. Het feest vierde het binnenhalen van de graanoogst. Op de 1e dag en op de 49e dag werd graan aangeboden. Op dit feest kwam dan de gelovige Jood voor zijn Schepper staan en bood Hem de eerstelingen aan met het mooie gebed, een geloofsbelijdenis, waarin hij dankte voor het land dat hij gekregen had volgens belofte. Kan het op een eenvoudiger en duidelijker manier? Hij gaat dank brengen met iets dat hij heeft gekregen en van levensbelang is. Is dat graan dan alleen maar graan? "Een zwervende Arameeër was mijn vader…" Deut 26, lezen!
T.o.v. Pasen was het dus 1 + 7 x = 50 dagen verder. 50 is Pentekostes (Pinksteren) in het Grieks. Dan was het erg druk in Jeruzalem vanwege de pelgrims.
3.1.4  Loofhuttenfeest  
Dit vond plaats in de herfst als feest van het einde van de oogst van de veldvruchten o.a. de druiven. De inhoud van het feest was misschien niet zo duidelijk als die van die andere, maar het was het grootste feest, zeven dagen lang.

terug naar begin

naar In de engelenbak

De Christelijke heilsduiding  3.2

3.2.1. van Pasen en Ongedesemd Brood 
(zie ook 10.3 joods en 10.3 christelijk). De uittocht uit Egypte is te vergelijken met de uittocht van Jezus uit dit aardse leven, alleen al vanwege de
verbanden die het verhaal leggen, duisternis - licht, slavernij - bevrijding, dood - leven; het instellingsverhaal staat binnen het kader van de Paasmaalviering.
Er zijn ook een paar duidelijke teksten die op heilsduiding wijzen. Johannes schrijft dat de beenderen van Jezus aan het kruis -zoals van het Paaslam- niet gebroken worden en hij laat het sterven van Jezus plaats vinden op het moment dat in de tempel de paaslammeren worden geslacht. Marcus spreekt nl. over "de eerste dag van het Ongedesemd Brood, de dag waarop men het Paaslam slacht..." waarop de leerlingen aan Jezus vragen waar ze het Paasmaal moeten bereiden; dat was dus Pasen op 'Witte Donderdag' want Jezus stierf de dag er na op Vrijdag. Johannes zegt dat de Joden niet het pretorium van Pilatus binnen willen gaan om zich niet te verontreinigen voor het Paasmaal dat ze die avond zullen eten; dat is dus op Vrijdag, als er in de tempel wordt geslacht. De heilsduiding is dan dat hij het Paaslam was dat - binnen het kader van gemeenschapsmaaltijd - voor ons gemeenschap met JHWH bewerkt. Dat gemeenschapsoffer werd voort­gezet via de wekelijkse Joodse huisliturgie en niet via het Paasfeest. Later komt het los van de huisliturgie.
Denk er wel aan dat het gaat om de betekenis die de (eerste) Christenen aan verschillende Joodse gebruiken zijn gaan geven toegespitst op Jezus, dien "God en Heer en Christus heeft gemaakt" (Hand. 2,36). Zie b.v. de brief van Paulus aan de Korinthiërs waar hij een beetje vrij vertaald zegt: jullie kunnen wel Pasen vieren maar dan niet zoals vroeger, want wij hebben zelf een eigen Paaslam, Christus, en dat is zo'n goeie dat het voor eens en altijd genoeg is. Vier dus feest in de Azymen van eerlijkheid en waarheid (1 Kor 5, 6-8).
3.2.2  van het Zeven-wekenfeest
Het feest betrof de voltooiing van de graanoogst. "Toen de 50-dagen-tijd was voltooid, waren ze allemaal bij elkaar op dezelfde plaats. Plotseling kwam er uit de hemel een gedruis alsof... " en begon het pas goed met de Kerk. Evenwel, het binnen gehaald zijn van de oogst en het gedoopt, ondergedompeld worden in de H.Geest liggen niet zo kort bij elkaar als het Paasmaal vieren in de Joodse en in de Christelijke zin. Maar je kunt wel zeggen dat Pinksteren de voltooiing is van het Paasgebeuren, het 'Paasheil'. De zending van de Geest gebeurde immers al aan het kruis; toen Jezus stierf, "gaf hij de Geest door" zegt Johannes.

terug naar begin

4  De jaarcyclus met de latere feesten 

Joods  4.1
Het grote feest werd de Grote Verzoendag. De Hoge Priester mocht alleen op die dag het Heilige der Heilige binnengaan om het deksel der Verzoening (zie bij 11.5) te bewieroken
en er bloed op te sprenkelen van de stier die hij had geslacht voor de zonden van hemzelf en de priesters. Er waren ook twee bokken: één ervan werd geslacht om de zonden van het volk; zijn bloed werd ook op de kapporet gesprenkeld. De ander (aangewezen door het lot) kreeg de zonden van het volk op zijn kop en werd de woestijn in gejaagd (bok voor Azazel). Dit feest heeft geen Christelijk vervolg gekregen alleen maar terugkerende zondebokken.
Het Chanoeka-feest, 25 December, heeft connecties met een verhaal over de tempel. Toen de getrouwe  Makkabeeën (ca 160 v. Chr.) de tempel hadden heroverd op de Joden die het niet zo nauw namen met de eigen Joodse traditie, moest deze worden gereinigd, maar er was geen olie genoeg om de acht (plus een aansteekkaars) lampen van de Chanoeka achtereenvolgens acht dagen te laten branden, totdat weer nieuwe, reine olie was bereid. Ze hadden maar één verzegeld flesje gevonden, genoeg voor één dag. Toch gebeurde het wonder: het bleek genoeg voor acht dagen. Dus een lichtfeest met verlossingsmotief.
(Verwar de 8 + 1-armige kandelaar, de Chanoeka, niet met de 7-armige, de Menora. De Menora werd in 169 voor C. uit de tempel geroofd door een Hellenistisch ingestelde koning. Ze werd in Rome als buit in een triomftocht binnengedra­gen. De Makkabeeën maakten een nieuwe acht(!)-armige kandelaar met een aansteekkaars)
Het Purim-feest heeft connecties met het verhaal van Esther. Lezen!  Ook weer een verlossingsmotief dat gevierd werd met een lichtprocessie naar de synagoge. Het verhaal heeft een profane ondergrond; het feest kreeg dat ook door toepassing met vermommingen.
Het verlossings- en lichtmotief van beide laatste feesten zijn van belang.

naar In de engelenbak

De Openbaring des Heren - Kerstmis  4.2

De Openbaring werd door Christenen gevierd op 6 januari. Het was niet het feest der geboorte maar van het zich manifesteren van de Heer, belangrijker dan de geboorte. Daarop duiden ook het verhaal van de drie Wijzen, de Doop in de Jordaan en de bruiloft van Kana. Het feest werd al in de tweede eeuw gevierd door gnostieken. Het was van gnostische oorsprong; gnostieken waren geïnteresseerd in het 'doorkrij-gen', inzicht, 'eigen' geboorte, niet in geboorte buiten jou, zodat bevrijding uit het vergankelijke mogelijk werd. De Christenen gaven er een eigen tintje aan en vierden 's avonds tevoren de Geboorte van de Heer en overdag de Openbaring.
Het feest van de Geboorte werd later verplaatst naar 25 December, het was in ieder geval in ca 330 te Rome bekend. De combinatie ervan met de winter-zonnewende (de onoverwinnelijke Zon; Syrisch, Egyptisch) en Mythras-verering (de onoverwinnelijke god), Christus als 'Sol invictus' (onoverwonnen zon), als 'Sol iustitiae' (mozaïek in de oude St.Pieter) en als vredevorst plus de achtergrond van het Chanoeka-feest - dat alles was niet zo vreemd; maar het heidens aspect en wellicht ook het Purim-feest zorgden voor de nodige tam-tam en zoetelijkheid en slaapliedjes, want als het Kindje zijn mond open zou doen, zou het maar lastig zijn.
De os en de ezel zijn er bij gekomen middels een hatelijke steek onder water naar het Joodse volk door de kerkvaders op grond van Jes 1 en een apocrief evangelie. Jes 1, 3 zegt: "Een os kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester; maar Israël weet van niets, Mijn volk kent geen begrip." Het apocriefe Evangelie van Pseudo-Matteus 14: "Op de 3e dag na de geboorte van O.H.J.C schreed de zalige Maria uit het hol, ging een stal binnen en legde haar kind in een kribbe en de os en de ezel aanbaden hem. Toen ging in vervulling wat door de profeet Jesaia werd verkondigd…"

 

Zoeken naar de zin van het feest der Openbaring des Heren 4.3
In het oosten leefde een Joodse sekte: de Mandeeën, gnostisch, mensen die naar zin zochten, inzicht, Licht. Als zij nu eens bedoeld worden door de evangelist of de volksmond als de drie Wijzen aan wie een Licht was opgegaan..... Ze zijn ernaar gaan zoeken in (hun) oude traditie, in Jeruzalem, en kwamen tot de ontdekking dat ze niet (meer) daar moesten zijn omdat de zaak van JHWH verknold was door de corrupte tempelaristocratie (Sadduceeën) en de Hoge Priester(s). Toen ze dat doorkregen, toen ze de weg van de nederigheid gingen naar een gat, toen ging hun Licht weer aan. "En gij, Bethlehem, gij zijt volstrekt niet de geringste..."  Ze vonden echtheid, puur leven, waarheid zonder franje; ze gingen een huis binnen … een wereld van die andere werkelijkheid, esoterisch, als ingewijden.
Zo kun je het verhaal ook lezen. Wat is de kern van Kerstmis? Laat de bel bimbam ... kere om... : Christus is geboren; niet Jezus is geboren. Meester Eckhart, een Duits mysticus, sprak over de geboorte van het woord van God in de ziel van de mens, en dan denk ik aan incarnatie, waarvan we het feest met Kerstmis vieren. Incarnatie gaat door, ook nu nog. Niet alleen toen Maria maar ook nu Kerk. Maria als beeld van de Kerk. Zij was het nooit geworden als zij daartoe geen aanleiding had gegeven.  Kijkt u ook nog eens naar wat in 8.5 staat?.

terug naar begin

Litt.. De VeauxHoe het oude Israël leefde.

 

terug naar overzicht

terug naar feesten
emailadres

naar In de engelenbak

 

   15  Sacramenten

15.1  Heil
15.2  Gemeenschap
15.3 
Hoe werkt een sacrament?
15.4  Zeven
15.5  Noodzaak
15.6  Het teken, tekenende, het 'zienlijke', het symbool
15.7  Het betekende; het 'onzienlijke'
15.8 
De sacramenten afzonderlijk

 

1  Heil

Daar gaat het uiteindelijk om. De mens ondervindt zijn tekort om a) uit de ellende te raken, het on-heil, en b) om het 'meer' te bereiken, zijn heiliging. Dat klinkt stoer maar bedoeld is het Godskind zijn: "Gij zijt heilig zoals Ik heilig ben". Bovennatuurlijke werkelijkheid komt onze geschiedenis in. De mens gaat een relatie met de Heilsbron aan; geloof hebben we omschreven als 'heilsrelatie met God'. Die God biedt Zich aan; HijZ wil met die mens een communicatie in liefde, die zich aanbiedt, opdringt (niet: dwingt) vanuit een  drijvende Kracht: Amor diffusivum suum est. Zie 13.4

 .

Zo kun je heel goed zeggen dat de mens een persoonlijk, individueel contact met God kan hebben b.v. een visioen, een mystieke ervaring, direct en zonder tussenkomst, onmiddellijk; dat is een bijzondere communicatie, waarin hij ervaart kracht, genade, Gods aanwezigheid, heil. Toch noemen we dit geen sacrament.

 

2 Gemeenschap

in de zin van wij-mensen-met-elkaar is een wezenlijk punt voor sacrament. Dat is niet verwonderlijk. Gods maximale communicatie met de mens is Jezus van N. God heeft Zich in hem helemaal te kennen gegeven; Jezus was zich daarvan bewust (vooral Joh) en heeft Hem (willen) laten zien. Dat die Twee dan van elkaar moéten houden is onontkoombaar; tweerichtingsverkeer, maar niet langs elkaar heen: ik - Gij. Jezus staat echter niet voor zich alleen; hij staat voor ieder van ons persoonlijk en is daarom concreter en zekerder dan alleen maar onze eigen gedachten. Hij is hét teken van Gods communicatiedrang naar ons geworden; is het dan vreemd dat wij behoeftig aan communicatie van onze kant, hem vanwege zijn voor-beeld 'gebruiken' als middel voor ons contact met God ? Jezus is dan middelaar, we hebben 'middellijk' contact in twee richtingen. In hem ontmoeten wij God en God ontmoet ons in hem.
Ont-moeten: moeten is er af, er moet iets niet, dat gaat in vrijheid. Wij zijn vrij om Jezus te accepteren  en zo is Jezus is dan het sacrament van onze Godsontmoeting. Dit is het eerste fundament voor het sacrament. In hem heeft de naar eenheid strevende liefde gestalte gekregen, maximaal; is het dan verwonderlijk dat wij in hem één willen zijn ? Paulus spreekt daar herhaaldelijk over. Dan weten we waarom we spreken van gemeenschap: in Jezus Christus.
Maar, Jezus is 'weg' en heeft ons zijn Geest (Hun liefde) gestuurd die de Kerk heeft gesticht. Daarin moeten we hem dus terug vinden: "Die eerst zichtbaar was als onze Verlosser, is nu overgestapt in de sacramenten" (Leo de Grote, ca 450). De sacramenten liggen ingebed in zijn Kerk, die zijn heilsinstelling is voor onze verlossing en heiliging. De sacramenten zijn zijn heilsgereedschap. Dat is het tweede fundament voor het sacrament. De liturgie van de Kerk bestaat voor een groot deel uit het vieren van de sacramenten, het voortzetten van onze verlossing en heiliging. Maar het zijn zijn middelen, "Christus deelt al zijn gaven uit". De priester is zijn handlanger, boy, rechterhand, aangesteld door zijn Kerk, die zichtbaar moet zijn. Zonder sacramenten geen Kerk, zonder Kerk geen sacramenten.

Bij de reformatie-kerk ziet dat er anders uit. Jezus Christus is geen middelaar zoals boven gezegd; Kerk helpt het individu bij zijn geloven, dat hij zelf uit de bijbel haalt. Sacramenten zijn dan ook geen Godontmoetingen.

Als de kerk heilsinstelling is, ligt het ook voor de hand dat zij verantwoordelijk is voor onderricht in sacramenten en voor het 'bedrijven' ervan. Zij heeft de 'klus' van Jezus op zich genomen nl. het 'leren kennen van JHWH', het vestigen van het Rijk Gods. Dat gebeurt niet afstandelijk maar deelhebbend, als in een gezin, in gemeenschap, in het Lichaam van Christus, waarvan hij -ook in de hemel- het hoofd is dat met zijn ledematen wil communiceren d.w.z. geven en ontvangen.  Schillebeeckx noemt de Kerk de aardse representant van het verheerlijkte Lichaam van Christus. Wat in de Kerk gebeurt, moet een afspiegeling zijn van de hemel. Dat moet in ieder geval in de sacramenten kunnen lukken.
Zo is gemeenschap wezenlijk voor het sacrament.

terug naar begin

3  Hoe werkt een sacrament?

 

"Dat kun je niet zeggen; dat moet je ervaren" is een heel zinnig antwoord. Bij sacramenten is het wezenlijk om in het domein van het Religieuze, het onzegbare en heilige te duiken, iets mee te krijgen van die andere werkelijkheid, dat innerlijk geestelijk leven dat straks volmaakt kan worden. Dan weet je (een beetje). Niettemin, we proberen iets te zeggen.

 

 

1 In de catechismus heette een sacrament "een uitwendig, waarneembaar teeken door Christus ingesteld, waardoor(!) genade wordt aangeduid en gegeven". Deze omschrijving duidt op twee brandpunten nl. het waarneembare en het onwaarneembare (genade). Deze omschrijving is ietwat statisch; het teken ligt er, klaar, en het zegt niets over degene die doet en/of ontvangt. Er schuilt een automatisme in: 'ex opere operato' (vanuit het gedane werk), vanuit de zelfwerkzaamheid van het teken wordt de genade gegeven, mits het opus, de rite, is voltrokken en dat kan allen maar een bevoegde doen. Het heeft iets van oorzaak - gevolg, de betrokkene ondergaat.
2 Een wat dynamischer omschrijving is: 'een Godsontmoeting zoals de gemeenschap van Jezus Christus die kent'. Ook hier weer twee brandpunten. wij en de Onzegbare, maar ook een vrije actie van twee personen. Die vrijheid (niet: vrij-blijvendheid) is wezenlijk en hoogst vruchtbaar.
3 Een derde aspect telt eveneens: de mens zoals hij er is. Hij hoeft niet van te voren opgepept te worden, geprepareerd. Het gaat om de mens in zijn werkelijkheid, sociale omgeving, cultuur-bepaald en uitgerust met vaststaande spraakrituelen, gebaren, denkwijzen, gevoelens enz. die hij kan gebruiken om te communiceren. Natuur en genade moeten elkaar niet tegenwerken, ze moeten het liefst samen gaan. Het teken moet het betekende duidelijk maken. Zie Het religieuze onder 1.3 ritueel/symboliek.
4 Een ontmoeting is wederzijds: het sacrament wil ook zeggen: interactie, reageren op elkaar. Zoals reeds boven gezegd. Het is niet alleen ontvangen maar ook een geloofsdaad stellen (op zijn minst het willen ontvangen en vieren). Daardoor ontstaat een versterking. Door het geloof neemt de genade toe en v.v.; er is steeds meer deel hebben aan.
5 Tenslotte: de gemeenschap van J.C. kent het. Een sacrament functioneert binnen de gemeenschap van Jezus Christus: "Mogen ze allen één zijn zoals.... Kan het in liefdes-communicatie anders ? Amor diffusivum... Een wijze waarop het sacrament werkt is juist dat we elkaar (kunnen) bemoedigen, inspireren, elkander dragen in geloof, laten groeien. Maar ieder ontvangt en beaamt zelf; je laat je niet dragen (nou ja, een keertje) met afschuiving op 'ze'.
6 Waar ligt het aanknopingspunt voor die communicatie ? Hoe komt genade binnen ? Spraak is een menselijk communi­catie­middel: het is een speciaal soort geluid met een langzaam geleerde betekenis. Spraak over wiskunde gaat het deurtje in van de verstandelijke vermogens. Liefdestaal klopt op de luiken van het hart. Genade gaat   ... tja, zeg het maar ... slipt via het onbewuste binnen ....vindt Fortmann. Meestal naderhand merk je dat je gekregen hebt. Ik houd het er op dat ze het 'mooie geheel' van de mens, zijn centrum, zoekt want vandaar kan ze de hele mens bereiken. Enne, hadden we het centrum ook niet (bijbels) 'hart' genoemd ? (4.8). Dus ....
Fortmann zegt in 'Heel de mens': "De verlossende genade wordt in de liturgie bewerkstelligd via de symboolfunctie en het beeld zelf werkt doordat het mij tegelijk én Gods genade én mijn eigen innerlijk openbaart. Het beeld is spiegel én voor-beeld".

terug naar begin

 

4 Zeven

Als je in het N.T. zoekt naar de sacramenten die Jezus heeft ingesteld kom je niet zo ver. Augustinus (ca 400), dé man van de genadeleer, dacht bij sacrament alleen aan doop en Eucharistie. Al naar de theoloog varieerde het aantal toen tussen 5 en 12. In de tiende eeuw werd in de westelijke kerk boete en huwelijk erkend en daarna volgenden een aantal zalvingen. Thomas van Aquino (ca 1250) kwam tot zeven en het concilie van Trente (ca 1550) heeft dat bevestigd. Er is dus sprake van ontwikkeling gedurende 1500 jaar die nu al 5 eeuwen stand heeft gehouden: doopsel, vormsel, eucharistie, boete, ziekenzalving, wijding en huwelijk.
Het getal zeven heeft een nog langere traditie (zie Getallensymboliek ) en die zal best een rol gespeeld hebben. Het gaat immers om de mens, iedereen levend de nieuwe schepping voortzettend. Dat geldt ook voor de sacramenten: zij moeten dienstbaar zijn aan de mens onderweg, aan de heilseconomie van God. Aan de vieringen moet je wat hebben. Dan kun je er verder mee.
Is 'door Christus ingesteld' nu fout ? Nee, de benadering is dat ze in Jezus' leer en handelen (zie evangelie) liggen als een knop die in de boezem van de Kerk is open gegaan, bekleed met de kelkblaadjes van de Kerk. (kardinaal Newman)

naar In de engelenbak

 

5  Noodzaak

Kun je zonder sacramenten zalig worden ? Ja, dat kan in principe want we gaan er van uit dat God vrij is om Zijn genade te geven en dus niet afhankelijk is van de kerk of (de aanwezigheid) van een priester. Maar is dit een reëel standpunt gezien vanuit de mens als sociaal wezen ?
Voor de Kerk is het sacrament in ieder geval noodzakelijk, want daarmee manifesteert zij zich en ook de deelneem­ster/mer maakt zich kenbaar als medelid(maat) van die gemeenschap van Jezus als deel hebbend aan zijn leven. Jezus doopt, vergeeft, zalft, geeft zich zelf. Dát geestelijk leven, die spiritualiteit, is onontkoombaar. Dat scheidt ons van onze vrienden uit de reformatie. Zij kennen als verkondiging, heilsbeleving, alleen het woord (en goed gedrag). Voor hen betekent 'sacrament' (doop en avondmaal) alleen zegel en onderpand, niet Jezus' sacramentele tegenwoordigheid.

 

 

6  Het teken, tekenende, het 'zienlijke', het symbool

1 Het teken – liever het symbool -, dat je kunt pakken, (be-)grijpen, heeft een zintuiglijk waar­neembaar, een 'noemend' element, woord, zichtbare materie e.d., maar daar horen ook de woorden, begrippen, idee, gedachten, verhalen bij die bij dat teken passen. Het waarneembare verwijst naar dat andere, kan het zelfs tegenwoordig stellen. Zie 'ritueel'. Bij het symbool horen dus dui­dende woorden, die de betekenis aangeven.

Daarnaast heeft het een expressief, doe-element: je hanteert het sym­bool in een rite: handdruk, gebaren, elkaar aanzien, kleuren, entourage, zingen, hardop samen bidden, paradoxen enz.

Teken dus als symbool+rite. Die twee elementen moeten evenwichtig samengaan, elkaar duiden, anders wordt het een abstract gepraat of magie.

2 Het teken is overgeleverd, gegroeid, in een ontwikkeling beladen met betekenis die overal bekend is. De kunst is wel om de beleving ervan , de viering, niet star te houden. Spontane reacties zijn uitingen van de Geest die bezig is en men merkt snel genoeg of het wel. de ware Geest is.
3 Het teken omvat dus doen en denken. Doen in riten, gebaren, zingen enz.; denken in aansporende preekjes, begrijpelijke taalcommunicatie e.d. Dus geen geblaat of lekker gevoel als resultaat, maar inspiratie zodat denken en doel samen het 'betekende' laten ervaren.
4 Binnen het teken past ook het spreken over, de dialoog, het gelovig benaderen nog vóór de viering zelf. Het sacrament begint als je er over gaat praten. De éénmalige sacramenten (met het 'eeuwigdurend merkteken': doopsel, vormsel, wijding) zijn geen momenten die niet meer terugkomen. Dan zijn het net zo goed voortzettingen, het elkaar blijven ontmoeten in Gods hand.
De viering zelf is meer als de (plaats van de) paal onder het tentdak van Gods aanwezigheid (hebr. 'Sjechina'). Je kunt zien op welke zeven plaatsen, op welke typische punten in het mensenleven, het hele tentdak wordt gedragen.
5 Zo wordt Gods Woord werkzaam zoals het reeds bij de schepping was. Waar HijZ Zich uit, geschiedt werkelijkheid. Het hebreeuwse 'dabar' betekent 'woord' en 'daad/ding'; ook bij de profeten moest het woord werkzaam zijn. Daar is Zijn vernieuwende Kracht, Zijn Geest.
Maar het heilige is er niet ineens; voorbereiding is nodig zowel om te weten waar het om gaat, als om het zich inleven.

naar In de engelenbak

 

7 Het betekende; het 'onzienlijke'

De woorden 'de twee brandpunten' in de derde paragraaf verleiden me tot het beeld van een ellips, die gedeeltelijk boven, gedeeltelijk onder de transcenden­tielijn liggen. Zie 1.3  Wat onder de transcendentielijn ligt is zienlijk, wat er boven ligt is onzienlijk. De wand van de ellips omvat het sacrament. De inhoud is JHWH: 'HijZ is' en 'HijZ is er'  respec­tievelijk  boven en onder die lijn. 'HijZ is er' voor ons met Zijn zorg, mee-leven, mee-lijden, mee-vieren, Zijn mede-deling aan de mens die ook 'er is'. Het betekende van het sacrament is God Zelf, is ontmoe­ting in heilzame werking voor de mens, die ook 'is': assimilatie met De Ene. Jezus trekt de brandpunten van de ellips steeds meer naar elkaar toe, totdat de ellips een cirkel is geworden, het helemaal rond is. Dan vallen de brandpunten samen en is de mens heel.  Als je dat in de gaten krijgt, begrijp je wat Schillebeeckx bedoelt met "Christus, het sacrament van de Godsontmoeting".
Genade, God-aanwezig, Zijn Levenskracht, noemen we de H.Geest, Die zich in iedereen manifesteert in een soort van overtuiging, inzicht, wil, accepteren. Dat betekende, die Sjechina, kan alleen door de H.Geest worden gegeven. Ieder sacrament heeft dan ook zijn epiclese, direct of indirect. Hij bindt het onzienlijke aan het zienlijke. Aan het zienlijke wordt een betekenisverruiming door het geloofskader toegevoegd. Het gaat om meer dan het waarnemingskader zodat je door de materie heen iets van God kunt gewaar worden. Het gaat om sacramenteel denken, zo'n instelling hebben.

terug naar begin

 

8  De sacramenten afzonderlijk

Een korte, schematische weergave aan de hand van drie punten: het teken - de epiclese - het betekende. Zie ook  Kernstukken.
- 1 Doopsel
Alle evangelisten vermelden het dopen van Johannes in de Jordaan.
Het teken is het doen vloeien (rite) van het doopwater (symbool) over het hoofd van de dope­ling. De priester of diaken zegt daarbij: "Ik doop u in de Naam van de Vader en de Zoon en de H.Geest". Trinitarisch ! Vroeger zei de bedienaar: "N. wordt gedoopt .." Die passieve werk­woordsvorm vind je in de bijbel overal, ook in het O.T. De betekenis is dat JHWH doet. In het N.T. vind je dat ook: "uw zonden worden u vergeven" m.a.w. Jezus Christus doopt !
De epiclese staat in de trinitarische doopformule en in het wijden van het water in de Paasnacht: "Stort in dit water de Geest uit van Uw Eengeboren Zoon …" De geloofsact (naar God)  ligt (mede) in het zeggen van de geloofsbelijdenis.
Het betekende is nieuw (innerlijk) leven als godskind van God, opname in de gemeenschap van Jezus-volgers, deel krijgen aan Jezus in die gemeenschap, samen met hem door de dood heengaan (de Joden moeten het doen zonder Jezus), verlossing van ons aller-mensen-tekort, en samen met hem verrijzen.
Kinderdoop ? Uiteindelijk(!) zeg ik: geef niet alleen te eten maar geef  ook Gods genade door. Je laat met jouw kind ook jouw handen dopen, die met die ringen. Dat klinkt allemaal niet 'logisch', maar dat is juist het onzegbare. Je kind laten dopen is meer dan het 'alleen maar' christelijk laten opgroeien. En maak je niet ongerust over de keuze die het eigenlijk zelf moet maken: het roert later zijn mondje toch wel. Anders ben jij fout. Hoe kan het keuze maken als het niet weet wat het is, niet heeft meegemaakt?
- 2 Vormsel
is eigenlijk een deel van het dopen, zie Hand. 10,44 vv; 8,16 v; 19,1-7, maar door het in zwang
komen van de kinderdoop (ca 5de eeuw) en de opkomst van het platteland is het onderscheiden van het doopsel w.b. het moment van viering. De inhoud kun je zien als: ons doopsel in water en "in heilige Geest en vuur" is geboorte, begin van nieuw Leven, en Vormsel is dat nieuwe Leven leiden bevuurd met goddelijke Kracht, de Levensadem, waarmee ook wij 'Abba' zeggen.

Het teken is het H.Chrisma, zalf met geurstof -door de bisschop gewijd- waarmee de vormeling wordt 'gekruisd' op het voorhoofd, gecombineerd met handoplegging. De bisschop zegt daarbij: "Ontvang het zegel van de H.Geest, de gave Gods".
De epiclese ligt vooral in het gebed om de H.Geest door de aanwezigen. De vormeling heeft tevoren zelf(!) zijn geloofsbelijdenis gezegd voor de bisschop.
Het betekende is Geestesmededeling, deel hebben aan de Geest van Jezus Christus; volledig actief lidmaat van de Gemeenschap, dus ook zending, getekend met het christenmerk ('sfragis'), het kruis. Voor de Jood is dat besnijdenis.
- 3 Eucharistie
de tweede initiatierite, de derde als je het vormsel apart telt. Zie onderwerp 10. Kort gezegd:
het teken is het Eucharistisch Gebed met brood en wijn 'in de hand', waarin de epiclesen, en het eten en drinken van
Brood en Wijn.

Ik vind het dus te eng om de woorden "Dit is mijn Lichaam/Bloed” alleen  als de duidende woorden te zien. De slotdoxologie behelst ook duidende woorden. Het gaat om twee met elkaar verweven tekens: Brood en Wijn geheven en genuttigd. Het (Eucharistisch) Gebed, de gratiarum actio van de Kerk, wordt compleet gemaakt door de Communie. (zie Eucharistie)

Het betekende is: onderweg samen (met Jezus en elkaar) danken en delen zó als hij deed.
In dit sacrament heeft Jezus Christus een dubbelrol: Hij is niet alleen aanbieder maar ook het aangebodene omdat hij zichzelf opofferde, hij is het dankcadeautje dat wij de Vader aanbieden.

- 4 Boeten  (Zie 11e onderwerp).
 Als zonde, schuld, boete, vergeving, genoegdoening e.d. goed waren gehanteerd, was dit sacra­ment niet in discredit geraakt. Het is het vieren van doorkrijgen, van bekering, en vrijmaking. Daarom is een wederdoop
niet nodig. De band kan altijd door boeten worden hersteld. Boetedoening/schadevergoeding hoort wezenlijk bij de biecht; zij mondt redelijkerwijs uit in verzoening.

Het is de vraag of de biecht hersteld moet/kan worden zoals het tot voor kort was; vroeger was het ook anders. De privé-biecht is in de 10e eeuw begonnen en pas in de 13e  eeuw algemeen. Tot dan toe was het een belijdenis en een openbare boetedoening die zo zwaar was dat men het op latere leeftijd wel eens deed. Een van de oudste functies was het zuiver houden van de kerk (sociale controle en zelfkritiek) door de lidmaten, dus na het dopen. Hoe kan deze Godsontmoeting weer beleefd worden ?

Onze boetevieringen zijn geen sacrament. Het kort-bij, het persoonlijke ontbreekt.

Het teken is berouw en belijdenis uitspreken, en boeten (penitentie), en het hand-boven-het-hoofd-houden van de priester." Ik ontsla u ... in de naam van... (Hand boven het hoofd is bescherming, op het hoofd is overdracht.)
De epiclese ligt in het noemen van de H.Geest bij de absolutie en het vragen om de Geest bij het gewetensonderzoek. De geloofsact is duidelijk.
Het betekende is zonde-uitwissing, herstel van de band met de kerk en God.
- 5 Ziekenzalving
is geen laatste hulp bij ongelukken meer; de zieke moet het sacrament zo bewust mogelijk mee-maken, er baat bij hebben. Zie Jac. 5,14,v, dat niet vanuit een stervenssituatie spreekt. Het is nu wel zo dat de ziekte levensbedreigend moet zijn, ook ouderdom hoort daarbij.
Het teken is zalving met ziekenolie van voorhoofd en handen, terwijl de priester zegt:" Moge O.H.J.C.(!, de Gezalfde) door deze heilige zalving en door zijn liefdevolle barmhartigheid u bijstaan met de genade van zijn H.Geest".
De epiclese is duidelijk; er wordt geen expliciete geloofsact van de zieke gevraagd.
Het betekende is deelname aan, één worden met het lijden van Jezus, waaruit de zieke kracht kan putten, en zonden-uitwissing.
- 6 Wijding
stamt reeds uit het O.T.: koningen, profeten en priesters worden gezalfd. Jezus is de Gezalfde, Gods lieveling. Zijn dienst t.b.v. de gemeenschap wordt in handen van de bisschop, priester en diaken gelegd. Het gaat om priester, leraar en herder/bestuurder zijn. Tegelijkertijd.
Het teken is zalving met H.Chrisma van hoofd en handen en handoplegging met verschillende wijdingsformules, en het overreiken van ring en staf, resp. kelk en pateen, resp. evangelieboek.
De epiclese is het gebed om de H.Geest door de aanwezige Kerk en de zalving met het H.Chrisma. Geen expliciete geloofsact van de wijdeling.
Het betekende is bijzondere machtiging door de H.Geest, deelname aan het priesterschap van Jezus Christus om als een representant, misschien mag je zeggen als een dubbelganger, in zijn dienst te staan door de gelovigen van dienst te zijn met Zijn dienstwerk. Dat vraagt veel inzet.
- 7 Huwelijk
Via seksualiteit kan ik mijn diepste zelf, proberen uit te drukken; het mooiste in liefdescommunicatie. Eucharistie moge het kardinale sacrament zijn; het huwelijk noem ik het sterkste. Daar gaan natuur en genade het wonderbaarlijkste samen. Het is heel kortbij aanwezig. Met doopwater enz. kan ik geen ruzie maken en het weer goed maken enz. . ..... Hemel en aarde zijn oorspronkelijk toch ook één.
Het teken is het continue ja-woord en mijn lichaam.
De epiclese is wel eens zoek?
Het betekende .... tja .... echo van Gods liefde ? Vul het zelf maar in.                                       

 terug naar begin

naar In de engelenbak 

 

Extraatje

Doop - water

Nog even iets over doop en water. Van water wordt vaak gezegd dat het twee functies heeft: leven en bedreiging/ver­nietiging, en die moeten dan min of meer met doop te maken hebben. Ook denkt men dat doop altijd met water plaats vindt. Dat is niet verwonderlijk want zo hebben wij het leren kennen. Maar, ook bij zalving - koningen en priesters werden met olie gezalfd; profeten werden niet daarmee gezalfd maar met Gods Woord, dat over hen kwam.

Doop wil op de eerste plaats zeggen dat het om nieuw gaat, nieuw leven, het oude heeft afgedaan. Kan ook zonder water:

Paulus zegt in de 1e brief aan de Korintiërs 10, 2: lett. "… allen werden gedoopt naar Mozes toe in de wolk en in de zee …". Hij doelt op de doortocht door de Rietzee na de uittocht uit Egypte. Paulus heeft het daar over een - laat me zeggen - 'Mozes-doop', de overgang van het Joodse volk van verbondloosheid naar het Eerste Verbond; hij spreekt dus niet over onze christelijke doop. 'zee' kan daar alleen maar doelen op de droge zeebodem want daar was voor hen juist geen water!

Jezus spreekt over zijn doop en daarmee bedoelt hij zijn overgang van leven op aarde naar Leven bij zijn Vader. In Mc 10, 38  vraagt hij aan de zonen van Zebedeüs "… kunnen jullie gedoopt met de doop waarmee ik gedoopt word?" Hij doelt op zijn kruisdood, zonder water.

Jezus is in zekere zin tweemaal gedoopt: door zijn kruisdood en in de Jordaan in water door Johannes. Hierbij speelt ook een overgang mee nl. van zijn 'gewoon' mensen-leven naar zijn Messias-Leven. Zijn kruisdood kun je zijn eigen doop noemen en bij Johannes paste hij zich aan aan wat Johannes deed voor de mensen, dus hij deed als mens mee (onder protest van Johannes). Hierop baseert  de Kerk haar doop naar het Nieuwe Verbond. Zijn volgelingen kunnen gedoopt worden in Water om zo hun nieuwe Leven in Hem te beginnen terwijl ze nog op aarde leven. Aan het aardse, vergankelijke leven wordt zo onvergankelijk Leven gekoppeld.

Paulus ontwikkelt de gedachte dat wij, omdat we in Hem zijn gedoopt, met Hem a.h.w. aan zijn kruis zijn gestorven voor het vergankelijke leven: "dood voor de 'zonde' ". 'Zonde' dus als toestand  van aardsheid, vergankelijkheid, niet primair zonde-daad. Hij combineert dus de twee doopsels van Jezus, die aan het kruis en die in de Jordaan, om onze heilssituatie aan te geven. In de Kolossensenbrief 2,12 zegt hij: "In de doop bent u met hem begraven maar ook verrezen …" . In Romeinen 6 zegt hij: " Weet u niet dat wij door de doop, die ons één heeft gemaakt met Christus Jezus, delen in zijn dood? Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden gaan leiden." (Voor meer uitleg zie Bijbelkoers aldaar; bevrijd van de zonde) Onze doop is eigenlijk onderdompeling, toentertijd ook gepraktiseerd; daardoor kan het beeld van 'begraven' en 'dood' worden opgeroepen, maar hier dan 'dood voor de zonde' en begraving van de oude mens, die niet Leeft. Via Jezus' verhoging/verrijzenis komt dan ons Leven voor God naar boven en daarin ligt ons heil. Dus de dood-doop van Jezus is geen ondergang, laat staan vernietiging. (Wat zijn tegenstanders wel dachten)

 

Nadat de Joden over de droge zeebodem van de Rietzee waren getrokken, werden de Egyptenaren overspoeld door het water en gedood; dit is dus bij de doop niet ter zake, net zo min als de vernietigende zondvloed.  Bij de intocht in het beloofde Land, 'droogvoets door de Jordaan', hield de rivier zich in t.b.v. hun overgang naar het nieuwe: er was dus geen water. Overigens: de (over)vloed is vernietigend, niet het water op zich. Je kunt ook door iets anders worden overspoeld. Bij het doopsel is geen sprake van vloed (nou ja, wel van genadevloed).

Ik vind het onjuist om bij het doopsel - zeker van een klein kindje - te denken aan een vernietigende kracht van water want het gaat om (het begin van) Leven, waarvoor Water onontbeerlijk is. Bij het 'Jordaanbeeld' inzake de doop bedekt het water, spoelt het de zonde helemaal weg. Het oude is niet meer te zien en het nieuwe komt op. Ik denk bij het sacrament meer aan stromend water, het oerwater, als oerLevenskracht van Hem, naar binnen toe, "klaar om te beginnen", dan aan afwassen aan de buitenkant, hetgeen voor de leerlingen van Johannes  misschien meer voor de hand lag, omdat daar het nog om bekering, vergeving van zondedaden, gaat.

 

 

 

 

 

 

Afsluiting


Tja, en dit is dan de afsluiting van de Volwassenencatechese zoals die in een beroemde parochie in een berucht dorp is ontstaan vanaf 1979 en nu is bijgewerkt tot op het feest van Maria ten hemelopneming in 2000.
Over ons geloof kom je niet uitgepraat en eigenlijk moet er nog veel meer op papier. Ik heb het gevoel dat toch bepaalde zaken verder uitgediept moesten worden zo als b.v. de vraag wat de zonde van onze tijd is, onze zonde. Dit is opgeschreven opdat velen er gebruik van kunnen maken en -wat mij betreft- dat het psalmwoord (27,4) werkelijkheid worde:

"Dat éne vroeg ik van de Heer, dat is al mijn verlangen, daar te zijn in het huis van de Heer, al de dagen mijns levens".

Nu en later   voor ons   en onze kinderen.

 

Epe, feest van Maria Tenhemelopneming 2000

Op het feest van Maria Onbevlekt Ontvangen 2001 werd het netjes bijwerken van de site, nog zonder psalmen en N.T., voltooid.

Toeval?  Of bemoeit zij zich nou ook al hiermee?

Chapeau! Maria

terug naar overzicht

emailadres

naar In de engelenbak

 ã 2000- 2006 P.Goris Epe