Biografie Marie Anne Tellegen


Eerder gepubliceerd in: W. van den Broeke (Red.), "Utrechtse biografieën (4). Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters". Utrecht (SPOU), 1997.


Geannoteerde versie van de auteur




Marie Anne Tellegen


Gemeenteambtenaar, actief in het plaatselijk en landelijk verzet en later directeur van het kabinet der Koningin.


Marie Anne Tellegen werd op 30 december 1893 te Arnhem geboren als dochter van ir. Jan Willem Cornelis Tellegen, civiel-ingenieur en later burgemeester van Amsterdam, en Alida Johanna Jacoba Fock. Zij overleed te Amsterdam op 23 april 1976. Zij is niet gehuwd geweest.
Marie Anne Tellegen groeide op in een intellectueel-aristocratisch, liberaal gezin, dat zelfstandig denken en handelen hoog in het vaandel had staan. Haar vader was onder meer lid geweest van de Vrijzinnig-Democratische Bond. De grootvader van Marie Anne was prof. mr. B.D.H. Tellegen, hoogleraar staats- en volkenrecht in Groningen, een prominent liberaal en een warm pleitbezorger voor de vrouwenemancipatie.
Haar middelbare-schooltijd bracht Marie Anne Tellegen door op de HBS in Amsterdam. In 1914 schreef zij zich in als studente rechten aan de Rijksuniversiteit Utrecht.
Gedurende haar studiejaren was zij lid van de U.V.S.V. Op de club was zij actief met het organiseren van lezingen en het spelen van toneel. Als lid van Concordia Crescamus stal zij in 1919 de show, toen zij de (mannelijke) hoofdrol vertolkte in "Den Spyeghel der salicheyt van Elckerlijc", een uitvoering ter gelegenheid van het vierde lustrum van de U.V.S.V. De regie was in handen van de befaamde acteur en regisseur Eduard Verkade.1 Daarnaast was zij in 1915 lid van de redactie van het Utrechtse studentenblad Vox Studiosorum.
In 1918 stak de geest van de Europese revolutie ook in de Utrechtse studentenwereld de kop op. Er werd veel gediscussieerd, niet het minst bij de U.V.S.V. Marie Anne Tellegen vertolkte daarbij de opvatting "dat een sociale hervorming snel en krachtig moest worden doorgevoerd".2
Marie Anne Tellegen studeerde af in 1919 en promoveerde op 8 maart 1920 op stellingen, wat tot 1921 aan de juridische faculteit mogelijk was. Haar promotor was prof. jhr.mr. B.C. de Savornin Lohman.3 In deze stellingen liet zij zich al van haar emancipatoire kant kennen door zich te uiten over de positie van de vrouw. Zo vond zij dat bij fabrieken crèches moesten worden ingericht voor zuigelingen van werkneemsters.

In 1920 werd mej. Tellegen benoemd tot adjunct-commies der tweede klasse bij de provinciale griffie. Een jaar later werd zij (tijdelijk) in dezelfde rang aangesteld bij de secretarie van de gemeente Utrecht. In 1921 was zij door ziekte geruime tijd niet in staat om te werken, wat wellicht verband hield met het kort na elkaar overlijden van haar oudste broer en haar vader.
Vanaf 1922 was zij als adjunct-commies werkzaam bij de afdeling maatschappelijke aangelegenheden en statistiek (afdeling VIII). In 1924 werd zij chef van deze afdeling. Tot haar vertrek in 1942 heeft zij deze functie bekleed, uiteindelijk in de rang van referendaris-B.4

In de jaren dat zij tot volwassenheid kwam, raakte Marie Anne Tellegen heel hecht bevriend met de schrijfster Carry van Bruggen (1881-1932). Het was een vriendschap die van groot belang is geweest voor haar ontwikkeling tot een zelfstandige en intellectuele vrouw en voor de ontwikkeling van haar gevoelsleven. In het begin van de jaren '20 verloren zij elkaar enigszins uit het oog. Toen Carry van Bruggen in 1932 overleed, herdacht Marie Anne Tellegen haar in het Utrechtsch Dagblad: "Vóór mij staan donkerrode anjelieren, dark flowers of passion. Bloemen van hartstocht, haar bloemen. Want hartstochtelijk was zij, hartstochtelijk was haar wezen, hartstochtelijk haar werk. Van een felle bewogenheid, als wij hier in Holland niet gewend zijn. Een felheid en bewogenheid, welke den nuchteren Hollander afstooten. Maar zij, die zich aan dien hartstocht, dien gloed hebben gewarmd, zullen de herinnering altijd mededragen".5
Via Carry van Bruggen leerde Marie Anne Tellegen de schrijver (en conservator van het museum Willet-Holthuysen) Frans Coenen (1866-1936) kennen. Het proza van Coenen kenmerkte zich door door een naturalistisch taalgebruik en een grote mate van somberheid. In latere jaren hield hij zich vooral bezig met het schrijven van non-fictie, met name kritieken en kronieken. Met deze 27 jaar oudere, individualistische, progressieve en enigszins sarcastische Coenen is Marie Anne ruim 12 jaar innig bevriend geweest, een vriendschap die in 1931 door Coenen werd verbroken.

De oorlog bracht een ommekeer in haar leven. Zij had zich inmiddels ontpopt als een vrouw met bijzondere bestuurlijke capaciteiten. Hierdoor én vanwege het feit dat zij veel relaties had, raakte zij in de zomer van 1940 als vanzelfsprekend betrokken bij het Utrechtse verzet. Zij was ruim een jaar hoofdverspreidster van het illegale Vrij Nederland. Maar de in haar ogen "uitermate dictatoriale" werkwijze bij deze krant ("men kreeg zijn orders en er werd verder niet meer over gesproken") stond haar tegen.6
Burgemeester G.A. ter Pelkwijk werd op 31 maart 1942 "eervol" ontslagen en hij werd opgevolgd door de NSB'er C. van Ravenswaay. Een week na diens benoeming nam mej. Tellegen, evenals enkele andere ambtenaren, om principile redenen ontslag uit de gemeentedienst. In een onderhoud dat zij met Van Ravenswaay had, voerde zij als reden aan, dat zij geen kans zag om met de nieuwe burgemeester vruchtbaar samen te werken. De burgemeester vond dit "mannelijke" taal en zou aan het ontslag meewerken. Overigens had de Beauftragte van de Rijkscommissaris al eerder aan Van Ravenswaay laten weten, dat mej. Tellegen ontslagen moest worden. Zij kreeg vier jaar wachtgeld en de mededeling dat zij zich van iedere actie had te onthouden, anders zou ze worden "weggehaald".7

Na haar ontslag werd het verzetswerk een dagtaak. In de illegaliteit ging zij als Dr. Max een prominente rol spelen. De schuilnaam is te verklaren uit de voorletters van Marie Anne, samen met de X voor de "onbekende".8 Dankzij haar goede betrekkingen met hooggeplaatste (en betrouwbare) personen bij de overheid en in het bedrijfsleven én door haar persoonlijkheid was zij in staat contacten te leggen en een bemiddelende rol te vervullen tussen de verschillende verzetsgroepen. Vanuit haar woning aan de Maliebaan - gelegen naast het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst, Maliebaan 74! - werden veel verzetsacties georganiseerd.9 Zij was ook betrokken bij de organisatie rond het verkrijgen van vervalste persoonsbewijzen en bij het bieden van hulp aan onderduikers.
In juni 1943 werd het Nationaal Comité van Verzet (NC) opgericht. Het doel was op bestuurlijk niveau bij overheid en bedrijfsleven informatie in te winnen, opdat Duitse maatregelen effectief konden worden bestreden. Na enkele maanden werd Marie Anne Tellegen uitgenodigd om deel uit te maken van de leiding van het NC.10 Dat een vrouw een dergelijke leidinggevende positie bij het overkoepelend verzet bekleedde, ondervond niet in alle verzetskringen evenveel begrip.

Marie Anne Tellegen werd in 1944 presidente van het in dat jaar onder het motto "eenheid in verscheidenheid" opgerichte Nederlands Vrouwencomité. Het NVC ontstond als koepel van de grote vrouwenorganisaties die er in mei 1940 waren, zoals de Bond van Plattelandsvrouwen en de Soroptimisten. Marie Anne Tellegen werd bij de totstandkoming van het NVC betrokken als vertegenwoordigster van de Vereniging van Vrouwen met Academische Opleiding (V.V.A.O.), waarvan zij van 1932 tot 1942 presidente was. Daarnaast was zij lid van het bestuur van de Stichting Fonds "Dr. Catharina van Tussenbroek" (1938-1952), een fonds dat tot doel had toelagen ter beschikking te stellen tot "de wetenschappeijke ontplooiing van vrouwen. Vanaf 1944 was zij voorzitter van dit fonds.11
Het NVC wilde, als Nederland bevrijd zou zijn, een rol gaan spelen bij de bewustwording van de vrouw in de toekomstige Nederlandse samenleving. Het versterken van het saamhorigheidsgevoel van de Nederlandse vrouw was een van de geformuleerde doelstellingen.12

In november 1944 werd de Maliebaan-grond haar te heet onder de voeten en dook zij onder bij de familie Waller in de Brigittenstraat. Over geluk heeft zij niet te klagen gehad, want kort nadat zij er was vertrokken, werd het huis aan de Maliebaan door de Duitsers overvallen. Zij ontsprong ook de dans, toen de Sicherheitsdienst een inval deed in het huis van de familie Fentener van Vlissingen. Zij was op weg daarheen, maar werd door andere zaken even opgehouden.

Kort na de bevrijding raakte mej. Tellegen betrokken bij de werkzaamheden van het College van Herstel en Zuivering van de Rijksuniversiteit Utrecht en van de Commissie van onderzoek voor personeelszaken, een gemeentelijke zuiveringscommissie onder de leiding van wethouder mr. H.B.J. Waslander. Over dit "berechten" van collaborateurs zei zij later: "De zuivering is mislukt. Straffen hebben zin tegenover de voor de maatschappij schadelijke individuen, tegenover verraders. Maar in het grote aantal gevallen, waarin het ging om gebrek aan moed en dwalend inzicht, was straffen zinloos..."13
De Utrechtse universiteit maakte van haar capaciteiten gebruik door haar te benoemen tot lid van het College van Curatoren. Zij was daarmee het eerste vrouwelijke lid van dit College (1946-1964) en bleef zodoende ook verbonden met de stad waar zij zo lang had gewoond.

Na haar benoeming in oktober 1945 tot directeur van het kabinet der Koningin vertrok mej. Tellegen in mei 1946 uit Utrecht naar Den Haag, waar zij ging wonen op het adres Van Lennepkade 12. Haar aanstelling in deze functie - de trait d'union tussen de vorstin en de regering - veroorzaakte enig rumoer, want het was voor het eerst dat een vrouw deze eer te beurt viel. Bovendien was Marie Anne Tellegen niet van adel. Maar de benoeming paste heel goed bij de ideeën over het nieuwe, na-oorlogse Nederland die koningin Wilhelmina voor ogen stonden.
In de jaren dat mej. Tellegen deze functie heeft bekleed, heeft zij een actieve adviserende rol gespeeld. Zij was een krachtige persoonlijkheid en zowel met koningin Wilhelmina als met koningin Juliana stond zij op goede voet. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk, dat de vprstinnen haar wel eens om een persoonlijk advies hebben gevraagd. De naam van Marie Anne Tellegen wordt regelmatig genoemd in het kader van belangrijke politieke issues als de Indonesië-kwestie en het gratiëringsbeleid.

Na haar pensionering in 1958 werd Marie Anne Tellegen niet vergeten, zeker niet in de Utrechtse universitaire wereld. In april 1959 opende zij de tentoonstelling "Blauwkous?" in het Universiteitsmuseum. De tentoonstelling, mede georganiseerd door de U.V.S.V. (waarvan zij in 1945 erelid was geworden), was gewijd aan vrouwen in de wetenschap. Zij zei bij die gelegenheid: "Wij kunnen niet doen zoals zij [= de mannen], maar wij hebben iets eigens, iets anders te geven".14
In juni 1964 opende mej. Tellegen als curator van de Utrechtse universiteit een nieuwe vleugel van het Tandheelkundig instituut aan de Jutfaseweg. En op 18 maart 1967 werd zij op de rechtenfaculteit gehuldigd voor al haar verdiensten voor de Universiteit.15

Op vrijdag 23 april 1976 overleed Marie Anne Tellegen in Amsterdam op 82-jarige leeftijd. Zij was Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en groot-officier in de Orde van Oranje Nassau. Tevens was zij draagster van de door president Eisenhouwer geschonken Amerikaanse Medal of Freedom. Haar crematie vond plaats in het crematorium Westerveld. Marie Anne Tellegen was een vrouw met een groot gevoel voor humor, maar bovenal was zij een geboren bestuurder en een vrouw met onwankelbare principes. Zij was een kritische, aristocratische, rijzige en charmante vrouw, die op haar eigen wijze en vanuit haar maatschappelijke positie heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van vrouwen.
Utrecht en de Utrechters hebben haar vooral leren kennen in de oorlogsjaren. "In zijn hoogste vorm wortelt het verzet in de geest, in de overtuiging, dat slechts een vrije geest kan leven op een wijze de mens waardig", aldus Marie Anne Tellegen.16

G.J. Röhner


LITERATUUR
R. Vermeij, "De 'vrouwendingen' van mej. mr. M.A. Tellegen" (ongepubliceerde doctoraalscriptie RUL, 1992)

Roos Vermeij en Remco Raben, "De eigen waarde van de vrouw. Mej. mr. Marie Anne Tellegen en het Nederlands Vrouwen Comité". In: P. Luykx en P.I.M. Slot (red.), Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig. 1996.

C. Fasseur, "Restauratie en revolutie. De laatste regeringsjaren van Koningin Wilhelmina". In: Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden (110) 1995 afl. 4

Eugenie Schaepman-van Geuns, "1893-Marie Anne Tellegen-1976". In: Almanak UVSV/NVVSU 1977.

Jo van Staveren, "Mensen die wij gekend hebben. Mejuffrouw mr. M.A. Tellegen, alias dr. Max". In: Hervormd Utrecht 2-10-1989


Noten

1. Eugenie Schaepman-van Geuns, "1893-Marie Anne Tellegen-1976". In: Almanak UVSV/NVVSU 1977.
A.B.R. du Croo de Vries, Inleiding bij de archiefinventaris van de UVSV.
2. Vox Studiosorum (54) 21 november 1918
3. Album Promotorum
4. Gemeenteverslagen, De Vraagbaak (jaren '20 en '30); Wie is dat. Naamlijst 1956. Nijhoff
5. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, zaterdag 19-11-1932, avondblad 4e blad)
6. Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7, blz. 878-879
7. Dagboek van J. de Lange als gemeentesecretaris van Utrecht. GAU, Coll. Losse Aanwinsten, 642
8. Volgens mededeling van mw. Spaans.
9. T. Spaans-van der Bijl, Utrecht in Verzet
10. De Jong, 10a, blz. 96
11. Marieke Hellevoort, "Gaarne doe ik een beroep op uw fonds..." Activiteiten van het Fonds Dr. Catharina van Tussenbroek 1926-1996. Utrecht, 1996.
12. Archief Nederlands vrouwen Comité, Notulen 1945-1955. I.I.A.V., Amsterdam.
13. Uit: "Rekenschap aan de doden", uitgave van de stichting Kunstenaarsverzet, 1952. Geciteerd in: Eugenie Schaepman-van Geuns, "1893-Marie Anne Tellegen-1976". In: Almanak UVSV/NVVSU 1977.
14. "Het naadje van de blauwkous". Een eeuw vrouwen in de wetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht. Tentoonstelling Universiteitsmuseum maart-april 1986. (pag. 35)
15. Internet website http://www.museum.ruu.nl/telle.html (Universiteitsmuseum Utrecht).
16. Uit: "Rekenschap aan de doden", uitgave van de stichting Kunstenaarsverzet, 1952. Geciteerd in: Eugenie Schaepman-van Geuns, "1893-Marie Anne Tellegen-1976". In: Almanak UVSV/NVVSU 1977.




BOVEN
BIOGRAFIEËN
REAGEER
HOME