Een tijdje geleden nam ik het boek ' Republiek van rivaliteiten, Nederland sinds 1813' van Piet de Rooy ter hand om mijn algemene kennis bij te wat bij te spijkeren. In hoofdstuk I stuitte ik op een beschrijving waarmee een parallel te leggen is naar de huidige ontwikkelingen binnen de bibliotheek sector. Het gaat als volgt:
mist
'Macht was in de Nederlanden zoiets als in de deze streken veel voorkomende mist:
onmiskenbaar aanwezig maar, maar nauwelijks tastbaar. Het was een uitgewogen systeem van
'republikeinse veelheid' (de verschillende autoriteiten, organen, met verschillende grootheden -
AJH), van checks en balances, waarin op ieder niveau een grote hindermacht ontwikkeld kon
worden en waarin eigenlijk alleen tot iets besloten kon worden na langdurige vergaderingen.
Omdat dit leidde tot een sterke onderlinge afhankelijkheid, werd voortdurend de nadruk gelegd
op de noodzaak om vrijwillig samen te werken voor 'het gemene goed'.
Deze archipel van eigenwijze verscheidenheden was aanvankelijk heel succesvol. In de loop
van de achttiende eeuw kon de concurrentie strijd met de nieuwe monarchieën op het
wereldtoneel echter niet langer worden volgehouden. .... Dit groeiend verlies aan macht en
invloed voor een goed deel overigens meer in relatieve dan in absolute zin, zagen de tijdgenoten
als het resultaat van 'verval'. Maar pleidooien om dit verval te keren door over te gaan naar
meer eenheid en centralisatie konden niet voldoende kracht ontwikkelen om ook maar
daadwerkelijk iets te veranderen aan het corporatieve systeem.'
En toen kwamen de Fransen, en voeren een sterk centralistisch beleid en gezag in(A.JH)
water
Om een analogie te schetsen naar onze sector bleek na een inventarisatie de openbare
bibliotheeksector en de betrokken overheidsorganen elk over zo'n 12 gremia te beschikken die
betrokken zijn bij het bibliotheekvernieuwingsproces.
Daarnaast is te constateren dat verschillende 'autoriteiten' geen formele macht en directe
invloed hebben. Zij meten zich een bepaalde autoriteit aan door (in)direct middelen te
verdelen. De partijen willen wat maar niet beschikken over de sturingmogelijkheden want het
primaat ligt lokaal.
De Rijksoverheid wil bestuurlijke slagvaardigheid, kwaliteit en schaalvergroting, maar heeft
geen directe invloed op de lokale overheid, paait de provincie met incidenteel geld en geeft ze
een regiefunctie. De provincie doet hetzelfde richting de gemeenten en meet zich de rol aan om:
gemeenten aansturen om te komen tot grote eenheden, een kenniscentrum en een provinciaal
netwerk.
De gemeenten: accepteren met genoegen de Euro’s voor de herstructurering en gaan daarom
met de lokale bibliotheek in conclaaf om te kijken wat mogelijk zijn. De bibliotheken
verzanden in details en blijven halverwege het werkelijke proces hangen in nota’s
Water meandert, een ongeleide waterstroom vindt haar eigenweg wel. Een waterstroom kan je
beïnvloedenden: bij bron, halverwege of aan het eindpunt. Het is maar net wat in ons geval de
bibliotheeksector en samenleving wil met het water.
kanaliseren
Dit alles overdenkende kom ik een andere aanpak van de herstructurering van het openbaar
bibliotheekwerk. Voorgestelde vernieuwingen elementen terugbrengen naar:
Effectiever en doelmatiger werken
Financiering
Ieder bestuursorgaan neemt zijn verantwoordelijkheid voor het bibliotheekwerk:
inhoudelijk en financieel. Financiering van markttaken spreekt voor zich, dit kan worden
gesubsidieerd door de verschillende bestuurslagen.
Wondermiddel
Het bovenstaande aanpak schept duidelijkheid met het geen er gedaan moet worden en de
financiering.
Bij deze benadering kan ieder overheidsorgaan een behoorlijke inbreng leveren . De rol van de
provincie wordt teruggebracht, netwerken en tweedelijns organisatie dienen voort te komen
vanuit de eerste lijn. Vergis je van het feit dat er momenteel gebouwt wordt op oude
fundamenten. Maar belangrijker is dat het aanzet tot een fundamentele discussie over het
Openbaar Bibliotheekwerk.
Verder
Dit moet allemaal niet te lang duren, we staan nog voor een grotere vernieuwingsslag dat alles
te maken heeft met nu nog termen als: bezieling, bevlogenheid, eruditie, en beroepseer.
Alfred Haaksma
30 maart 2003