
(NOIZE 1995)
BIG COUNTRY
Het Schotse kwartet BIG COUNTRY scoorde ooit (in 1986) een hit in Nederland met het van het album The Seer afkomstige Look Away. De groep debuteerde in 1983 met het sterke The Crossing, een jaar later gevolgd door het zo mogelijk nog sterkere Steel Town. Vooral dankzij de energieke live-optredens (waarbij we het legendarische Rockpalast konsert zeker niet mogen vergeten) kreeg de band een grote populariteit. Vanaf 1987 raakt de band, met name in ons land, in de vergetelheid. Bij Country maakte nog verschillende albums, waaronder een half unplugged/half elektrische liveplaat Without The Aid Of A Safety Net. Vorig jaar kwam de band terug met het album Why The Long Face. Dat album was echter waarschijnlijk helemaal aan ons voorbij gegaan als de band niet plotseling als openingsact voor de Rolling Stones in de Kuip mocht optreden. NOIZE sprak met zanger/gitarist Stuart Adamson. De line-up is ongewijzigd gebleven, dus naast Stuart zijn dat bassist Tony Butler, drummer Mark Brzezicki en gitarist Bruce Watson.
Waarom hebben jullie
twee verschillende studio's in Londen gebruikt voor de opnamen van de nieuwe
plaat?
We hebben het album
voornamelijk in de RAK Studios opgenomen, en daar hebben we al vijf tot
zes albums opgenomen. Het is onze favoriete studio, het is er erg ouderwets
met apparatuur uit de jaren zeventig, een groot live-gedeelte met mengpaneel.
We zien elkaar allemaal spelen. Ik moet niets van dat nieuwe spul hebben.
In de Metropolis Studio hebben we de zaak gemixed. Chris Sheldon co-produceerde
de plaat met ons, hij kent het daar allemaal precies. We hebben hem meer
als technikus gebruikt dan als producer. We hebben de plaat in drie weken
tijd opgenomen. De songs waren al afgemaakt en gearrangeerd, dus we hadden
weinig tijd nodig. Chris voelt ons goed aan, heeft ook zo hier en daar
een goed idee. Hij pakt de goede momenten van ons er uit. Alles is binnen
twintig dagen opgenomen, langer hoeft voor mij ook niet, het album moet
natuurlijk klinken, de tijd van de vele overdubs ligt ver achter ons.
Hoe ging het samenwerken
met de Stones, of zagen jullie ze ook alleen maar op het podium staan?
Ze behandelden ons goed.
Soms mochten we zelfs meespelen, zoals op Sympathy For The Devil, leuk
toch? Ego's hebben ze niet, en waarom zouden ze ook, ze hoeven zich niet
meer te bewijzen, dat hebben ze lang geleden al gedaan. We hebben goede
reakties op onze optredens gehad van het publiek. De mensen krijgen het
over zich heen of ze het nu mooi vinden op niet. We hebben er plezier in
en als je eerlijk over komt scheelt het heel veel, de mensen laten zich
niet beduvelen.
De dag vóór
jullie eerste Kuip-optreden deden jullie een akoestisch optreden in Nighttown.
We doen zoiets wel vaker
en we hebben daar erg veel plezier in. Het is beter om zoiets te doen dan
een dag niets doen. De Stones spelen drie keer per week en dan kunnen wij
de andere dagen onze gang gaan. Bovendien spelen we bij de Stones maar
veertig minuten. Verandering is heel goed voor ons, het maakt ons heel
relaxed.
In Nederland hebben we nog steeds veel fans, gelukkig. Helaas hebben we hier de afgelopen jaren heel weinig gespeeld. De schuld daarvan moet je bij de promotors zoeken.
Jullie gingen van
een grote platenmaatschappij, EMI, naar een kleine, Castle Communications.
Waarom?
Het album Why The Long
Face hebben we nog voor EMI in Engeland opgenomen, maar de promotie die
zij voor ogen hadden beviel ons niet. Castle kocht toen het album van EMI,
een soort van transfer dus voor ons. EMI vond de plaat wel goed, maar hun
ideeën voor de uitvoering waren slecht. We zullen nog wel meer albums
voor Castle gaan maken, we zijn met een come-back bezig en er zit een stijgende
lijn in. We moeten nog wel veel werk doen.
Heb je vroeger gitaarles
gehad?
Nee, nooit. Ik heb het
mezelf aangeleerd en zodoende ook een unieke speelstijl ontwikkeld. De
meeste Europese rockmusici hebben zich een blues stijl aangemeten. Zoals
ik speel zitten er veel folk- en country-invloeden in en niet zoveel blues,
uniek dus, en daarom ben ik blij dat ik geen les heb gehad. Aan de ene
kant zou ik wel graag muziek willen kunnen lezen, maar aan de andere kant...
ik speel nu wat ik in mijn hoofd heb. Ik ben op m'n twaalfde met gitaarspelen
begonnen. Mijn ouders vonden het prima, maar toen ik besloot om niet naar
de universiteit te gaan maar een band te beginnen was dat wel anders natuurlijk.
Bruce ontmoette ik toen hij in een punkband speelde samen met mijn zwager.
Tony en Mark kwam ik tegen toen ik de laatste tournee met The Skids deed
en zij in het voorprogramma speelden. We kunnen goed met elkaar opschieten,
we hebben natuurlijk wel eens ruzie, maar dat leggen we altijd vlug weer
bij.
Het touren is goed vol te houden als het maar goed uitgekiend is, dus bijvoorbeeld niet meer dan vier dagen na elkaar optreden, want anders gaat het fout. Ik drink al tien jaar niet meer en dat helpt enorm. Als je jong bent denk je dat je alles kan, maar... daar kom je door schade en schande wel achter als je wat ouder wordt...
De eerste band die ik live zag was Led Zeppelin in Dundee. Ik was toen dertien en dat was het einde voor mij. Daarna kreeg ik inspiratie van veel anderen, zoals Leonard Cohen, Kate Bush, Mott The Hoople en Roxy Music. Ook veel nieuwe bands inspireren mij, zoals Offspring en Weezer.
Zijn de fans belangrijk
voor jullie?
Nou en of! Onze fanclub,
The Country Club, doet goed werk voor ons. Wij sturen hen informatie toe
en zij geven dat weer door aan de fanclubleden. In Amerika is er overigens
een andere fanclub.
Worden jullie nog
of weer gedraaid op de radio?
Ja, gelukkig wel. In
Engeland draaien ze ons niet zo vaak als wij zelf zouden willen. Op de
alternatieve radiostations in de States worden we ook goed gedraaid.
Interview/fotografie: Henry Knegt