Rabo

Wielenvlechten

Zwammerdam Groep

 

Werk met systeem...

Het maken van een 32 of een 36 gaats wiel verlangt dezelfde techniek en uitleg.

Hier werd gekozen voor het klassieke koerswiel van 32 gaten.

Gezien de techniek voor het maken van fietswielen, bij voorwielen en achterwielen dezelfde is, staat de montage van het (iets eenvoudiger) voorwiel centraal. Nadien wordt het specifieke van een achterwielmontage toegelicht.

In principe kan men op twee manieren beginnen :

Met de pion of snelsluiter van u weg of met de pion of snelsluiter naar u toe gericht.

De voornaamste reden om steeds op de zelfde manier te werken is, dat men door het consequent werken volgens een bepaalde werkmethode sneller leert en ook minder fouten maakt.

Behalve het feit dat gelijkvormig gemonteerde wielen een evenwichtiger beeld opleveren zijn er ook een paar praktische redenen om steeds op dezelfde manier te beginnen.

Een voorwiel met de snelsluiter van zich weg.

Een achterwiel met de tandwielen naar zich toe.

Manier van starten...

Een belangrijke regel, is dat men bij de montage van een achterwiel altijd met een duwende spaak begint, met het ventielgat van de velg als referentiepunt.

De definitie van duwende en trekkende spaken volgt uit de manier waarop de krachten op de weg gebracht worden. Schematisch vindt u het patroon van duwende of trekkende spaken op de tekeningen 4a en 4b aangeduid. Als u op de tekening nakijkt hoe die krachten over het wiel op de weg komen, is het vrij eenvoudig te begrijpen. U kunt trouwens ook niet missen, als u een paar simpele regels volgt.

  

 

Trekkende spaken (de vol getekende spaken) hebben altijd de koppen aan de binnenkant.

Duwende spaken (de open getekende spaken) hebben altijd de koppen aan de buitenkant.

De navolgende sapim-diagrammen tonen exact hoe de volgorde van werken is, en hoe de trekkende en duwende spaken verdeeld zijn. Belangrijke elementen zijn de positie van de pion en het ventielgat om u te oriënteren.

Samenvattend,

Duwende spaken worden altijd met de koppen naar buiten gemonteerd.

Trekkende spaken worden altijd met de koppen naar binnen gemonteerd.

Praktisch gezien, bevestigen we hier een oude regel van de fietsenmakers :

"De koppen van de trekkende spaken moeten elkaar kunnen zien".

Basisregels voor het starten...

Het voorwiel met de snelsluiter van u afgewend.

Het achterwiel met de pionkant naar u toe.

In principe is het maken van een voor- of een achterwiel niet verschillend voor wat betreft de volgorde van de handelingen. Voor de achterwielen moet men echter wel degelijk acht geven op enkele punten, en bijkomende handelingen doen.

Werkmethode voorwiel...

De eerste reeks spaken...

U begint altijd met de duwende spaken (in de tekening de "open" getekende spaken), waarna het vlechtwerk automatisch op de juiste komt. Om dit te doen, steekt u acht spaken om de twee gaten van buiten naar binnen door de gaten van een passende naaf. Schroef dan de eerste spaak vast, links van het ventielgat in de velg. De volgende spaak bevestigt u vier velggaten naar rechts en herhaal deze actie tot alle acht spaken beschikbare spaken zijn aangeschroefd.

De tweede reeks spaken...

Nu begint u aan dezelfde wielkant met de trekkende spaken (in de tekeningen steeds als "volle"spaken getekend). Hierdoor maakt u de eerste wielkant volledig. Om dit te doen, steekt u acht spaken in de andere richting door de vrijgebleven naafgaten. Maar dit maal van binnen naar buiten. Laat de negende spaak vertrekken uit het naafgat rechts van de beginspaak en kruis voor twee spaken en achter de derde spaak naar links, volgens de tekening 5b. U moet op die manier terechtkomen in het tiende velggat (tellend naar links na de beginspaak). U moet uitkomen midden de gemonteerde spaken (6 en 7), met telkens een velggat vrij aan elke kant van de negende spaak. Op de tekening telt men de spaken en de open gelaten plaatsen op de binnenkant van de velg. Op gelijke wijze maakt u nu een voor een  de zeven resterende spaken met nippels aan de velg vast.

De tweede kant van het wiel...

Draai het wiel om en houd het ventielgat bovenaan. Om de tekening te vereenvoudigen, werden de reeks gemonteerde spaken van de andere kant niet getekend. Alleen de eerste spaak (naast het ventielgat) werd overgenomen als referentiepunt.

De derde reeks spaken...

Volg de eerste spaak (tekening 5c), rechts naast het ventielgat naar de naaf, en kies het naafgat daar recht tegenover, maar iets naar onder gericht (tekening 5c). Op de foto 5c(1) wordt met de linker wijsvinger de betreffende spaak aangewezen. Steek een spaak (de 17e) van buiten naar binnen door het naafgat en mik achter de rug van de tegenover liggende spaak die links vertrekt. U steekt de spaak boven het lage kruis, zoals u ziet op foto 5c(2).

            

Nadien laat u deze spaak evenwijdig meelopen met de tegenoverliggende spaak (van de andere wielkant), en u maakt de spaak in het ventielgat rechts ernaast vast. gezien de spaken van de andere wielkant niet getekend zijn, kunt u dat niet uit de tekening op maken, terwijl het in de praktijk vanzelfsprekend is.

Doe nu juist hetzelfde met de zeven volgende spaken, werkend in de richting van de klok.

De vierde reeks spaken...

U steekt acht spaken van binnen naar buiten door de overblijvende naafgaten.

Werk zoals steeds naar rechts, waarbij u volgens het reeds gekende stramien telkens twee spaken voorlangs kruist, en achter de derde spaak door gaat.

U maakt elke spaak vast in het eerste volgende vrije ventielgat (naar rechts) en vervolledigd zo het vlechtwerk van het wiel.

Het aanspannen van de spaken...

De eerste fase...

Wanneer alle spaken correct geplaatst zijn, kan u beginnen deze aan te spannen.

Als referentiepunt draait u de nippels gelijkmatig aan, tot u de laatste schroefdraad juist ziet verdwijnen (zolas foto 6a). Opdat deze referentie onvoorwaardelijk bruikbaar zou zijn, moet u met de grootste zorgvuldigheid spaken van gelijke (juiste) lengte kiezen...

Haal dus nooit de inhoud van verschillende dozen dor elkaar !

Ondanks het feit dat u de spanning zeer gelijkmatig en per kant opvoerde, blijven de spaken nog gebogen. Om een vakkundig gespannen wiel te krijgen, moet u altijd de gebogen spaken van de buitenkant aandrukken (trekkende) en ze aan de binnenkant (duwende) aantrekken; iets wat behoorlijk wat kracht vraagt. Na het aandrukken en aantrekken spant u elke spaak (met gevoel) opnieuw aan (volgens foto 6b).

Indien u een velg van goede kwaliteit en een passende kwaliteitsnaaf hebt gebruikt, moet het wiel nu vrijwel rond en ongeveer vrij van slag zijn. Dit controleert u op de gebruikelijke manier.

"Slag" verwijdert men door, ter hoogte van de slag, de nippel van de andere kant van het wiel aan te draaien.

 "Rondheid" corrigeert men door de nippel(s) aan te draaien aan de andere kant van de onregelmatigheid (ovaal). Gebeurtelijk moet men (in zeer extreme gevallen) enkele nippels (die 90 graden dwars op de fout staan) iets lossen.

Aandrukken vervangt met succes het inrijden...

Nu begint u de spaken te "knijpen", waarbij u telkens de spanning zeer voorzichtig opvoert per halve of kwarttoer.

Ondertussen blijft u de rondheid en de vlucht controleren en bijstellen.

U plaatst nu het wiel met de naafpunt op een houten blok en duwt de velg aan beide kanten (handbreedte per handbreedte) krachtig aan (zoals op foto 7).

Men behoort de verschillende spaaknippel combinaties lichtjes krakend op hun beste plaats schuiven. Daarna centreert u opnieuw...

U moet diezelfde handeling opnieuw herhalen tot het wiel geen krimp meer geeft en de spaken niet meer kraken en de naaf perfect in het midden staat, wat eenvoudig te controleren is met een speciale meetlat (zoals op foto 8).

Speciale toevoeging voor het maken van achterwielen...

De montage begint  met de pionkant naar u toe. Aan de pionkant komen de korte spaken, aan de andere kant de langere spaken.

Door deze montage komt de naaf ongeveer 8mm uit het midden. Dit moet zo om door het "over trekken" de spanning voldoende op te kunnen voeren en een perfecte "paraplu vorm" te verwezenlijken.

Terug naar het begin