informatie over de snoek

Snoeken zijn gemeen, en dan vooral voor hun prooien. Voor de ware visschenvriend is het aanschouwen van een snoek op de loer een aakelige beezigheid. Het zijn met name de gemeene blik in de oogen, de met groote tanden bebekte muil, het zelfvoldaane gegrom, die het valsche karakter van de snoek verraden. De SVC, de in 1899 in Haarlem opgerichte Snoeken Verjaag Club, heeft zich nu bijna 100 jaar ingespannen voor een vischvriendelijker Nederlandsch binnenwater, waar de snoek zoveel mogelijk wordt vermeeden. De SVC heeft in de jaren '70 haar doel nagenoeg bereikt door waschmiddelen van fosfaaten te voorzien, het zuiveren van rioolwater tegen te gaan en boeren middelsch op oneerbare wijze vergaarde geldstroomen over te halen de veestapel uit te breiden en de dunne gier in het Nederlandsche oppervlaktewater te loozen. De waterplanten en daarmee de haar eigene soort niet ontziende snoek verdwenen.

Zo klonk het in de zeventiger jaren langs het hollandsche (en met name het Haarlemsche) nat. De SVC heeft na het van overheidsweege terugdringen van de vermesting van het oppervlaktewater een laatste middel, wij mogen wel zeggen PAARDEMIDDEL aangewend om het de snoek in het Nederlandsche binnenwater onaangenaam te maken. De snoek wordt een valsche visch ('spotaas') aangebooden, die zich juist achter een doorzichtige glaazen plaat bevindt. U moet weeten dat de snoek, om haar prooivis te kunnen verrassen, in zeer korte tijd een hooge snelheid moet kunnen ontwikkelen, het zoogenaamde 'schot'. De hoge snelheid wordt al aan het begin van het schot bereikt en komt overeen met die van een automobiel die in één seconde een snelheid van 40 KM per uur bereikt! Het schot duurt meestal niet langer dan een kwart seconde. In die tijd heeft de SVC-er haar doel echter reeds bereikt. Van deeze door valsche motieven ingegeven activiteit hebben wij slechts een onderwater-audio-fragment. De betreffende snoek heeft het incident niet overleefd.

Prof. H. Schlegel (1870) zegt over DE SNOEK. ESOX LUCIUS.:

De S n o e k, eene alom bekende soort, onderscheidt zich terstond van alle onze riviervisschen door zijne ver naar achteren geplaatste aars- en rugvin. Hij heeft den romp nagenoeg overal van gelijke hoogte, die een zevende der gehele lengte van den visch, zonder de staartvin, bedraagt; deze romp is een weinig zijdelings zamengedrukt. De kop zonder de onderkaak neemt slechts een derde gedeelte van deze lengte in, de bovensnuit is even lang als de kop achter de oogen, en de onderkaak steekt nog aanmerkelijk voor den bovensnuit uit. De staart bevat het kleinste achterste vierde deel der geheele lengte van het ligchaam; hij neemt naar achteren spoedig, tot meer dan de helft der hoogte van het ligchaam, af. De schubben zijn zeer klein. De aarsvin, die aan het bgin van den staart ligt, bereikt niet geheel de hoogte van den romp, en heeft 18 tot 20 stralen. De rugvin heeft er 20 tot 22; zij is hooger en eenigszins verder naar voren geplaatst dan de aarsvin. De staartvin is groot en tamelijk diep gevorkt. De buikvinnen hebben 9 stralen, en zitten een weinig digter bij de aarsvin dan bij de borstvinnen, die tamelijk klein zijn. Het getal der stralen van het kieuwvlies is verschillend bij de voorwerpen, somtijds zelfs aan beide zijden van een en hetzelfde voorwerp, en wisselt af van 13 tot 16. De mond is tot onder den voorrand der oogen gespleten, en met talrijke puntige kleine tanden aan de onderkaak, het middenkaak- en het ploegschaarbeen, de gehemelte- en keelgatbeenderen, de tong en de kieuwbogen gewapend; maar die aan het middenkaakbeen zijn op eene rij geplaatst; aan de zijden der onderkaak ontwaart men groote en stevige tanden.

De bovendeelen van dezen visch zijn van een olijfbruin, hetgeen op de zijden lichter wordt en met groene en geelachtige vlekken, van eene onregelmatige gedaante, gemarmerd is, terwijl het op de onderdeelen in het wit overgaat. De borst- en buikvinnen zijn lichtbruin, de overige vinnen donkerder en met groene, gele en witte vlekken. De snoek wordt in de zoete wateren van nagenoeg geheel Europa aangetroffen, en komt in Scandinavië tot Lapland en Finmarken voor. Men wil, ten gevolge van een oud Engelsch volksrijmpje, hetgeen zegt:

dat de snoek in Groot-Brittannië oorspronkelijk niet voorkwam, maar in dit land overgeplant werd. Dit volksrijmpje moge juist zijn, wat de zaak betreft, onjuist is het echter stellig ten opzigte der opgaaf van tijd. De snoek wordt inderdaad, reeds in het laatste gedeelte der dertiende eeuw, in wettige bepalingen omtrent de prijzen van visch, door Eduard den eerste gemaakt, vermeld; maar het blijkt uit den buitengewoon hoogen prijs, die voor den snoek bepaald werd, en welke het tienvoudige van dien van de tarbot bedroeg, dat de snoek toen hoogst zeldzaam in Engeland was, en dit was ook nog het geval in de zestiende eeuw, onder Hendrik den achtste. Indien men niet wil aannemen, dat de in andere landen gevangen snoek ten dezen tijd in Engeland ingevoerd werd, zoo is het ten minste duidelijk, dat deze visch vroeger hoogst zeldzaam in dat land was, of voor lekkerder dan alle overige visschen gehouden werd. Wat het bier betreft, zoo behoeft het naauwelijks vermeld te worden, dat het als een drank, die volgens TACITUS reeds ten tijde der oude Romeinen, door de Germaansche volksstammen toebereid werd, van oudtijds in Engeland bekend moet geweest zijn, al wist men niet dat er reeds onder voornoemden Eduard den eersten eene belasting op het bier bestond. Daarentegen weet men, dat de hop eerst in 1524 naar Engeland gebragt is, en de kalkoen kon er vroeger niet geweest zijn, daar hij eerst tijdens de eerste verovering van Mexico door F. Cortez, alzoo in 1521, aan de Europeanen bekend werd.

De snoek is in ons land een zeer gewone visch, die alle onze zoete wateren bewoont, in de staande wateren tot in de kleinste slooten, onverschillig of zij veen-, modder-, of zandgrond hebben, en zelfs in het halfbrakke water voorkomt. De rijtijd heeft vroeg in het jaar plaats: bij open water veelal in reeds in Februarij, maar gewoonlijk in Maart en April. Men zegt, dat jongere voorwerpen vroeger, de oudere later kuit schieten. Dit geschiedt in ondiepe met riet begroeide plaatsen. Men wil ook, dat de snoek in het eerste jaar van zijn leven ongeveer twee derden voet lengte, eerst in het zesde jaar omstreeks drie voet, in het twaalfde vier voet lengte bereikt, en in rivieren of meren, met ongelijken bodem, waar hij de netten ontsnappen, en eenen hoogen ouderdom bereiken kan, nog grooter en somtijds 40 to 50 pond zwaar wordt. Bij ons behooren snoeken van 10 pond zwaarte niet onder de zeldzaamheden, en men vangt er somtijds, die 28 tot 30 pond wegen. Zoodanig geheel oude voorwerpen noemt men in Zuid-Holland, Mossnoeken. Daar de snoek van dierlijk voedsel leeft, door zijne grootte en zijnen wijden, sterk gewapenden mond allerlei groote dieren verslindt, en door zijnen ligchaamsbouw in staat gesteld is, deze dieren door pijlsnelle bewegingen te verrassen en te vangen, zoo wordt hij hierdoor een geweldige roover, en men heeft hem daarom wel eens den haai der zoete wateren genoemd. Hij voedt zich met allerlei visschen, spaart zelfs zijn eigen soort niet, verslindt kikvorschen, muizen en ratten, overvalt de vogels die in zijn bereik komen, valt kortom al hetgeen zich beweegt aan, en er zijn voorbeelden, dat hij aan grotere dieren en menschen, die zich in het water bevonden, gevaarlijke wonden toegebragt heeft. Bij zonneschijn ziet men hem dikwerf volmaakt onbewegelijk en langen tijd op eene plaats in het water.

H.Aalderink (1911) zegt over DE SNOEK. (Esox lucius.):

In de Ned. Visscherij-Courant van 29 Oct. 1892 werd een zeer lezenswaardig opstel geplaatst over "de wapenen der waterdieren." Daarin kwam het volgende voor: "In onze zoete wateren leeft een soort visch, die er een ontzaglijk gebit op nahoudt, namelijk de snoek, die ook om zijn vraatzucht wel de haai van het zoete water genoemd wordt. Alles wat leeft is van zijn gading; niets is voor hem veilig; jonge eenden trekt hij naar beneden, duikende watervogels pakt hij bij den kop, visschen van allerlei soort worden door hem ingeslikt en hij ontziet zelfs daarbij zijn eigen familieleden niet. Een visscher, die wel eens met zijn gebit heeft kennis gemaakt, zal er wel voor zorgen, dat hij in het vervolg op eenigen afstand blijft van den bek van een snoek." Het vorenvermelde moge sommigen wat overdreven voorkomen, toch valt op de waarheid daarvan niets af te dingen. De snoek is de schrik van alle waterbewoners en wordt dan ook met het meeste ontzag behandeld. Het is hem aan te zien, dat hij niet te vertrouwen is. Hij heeft iets onvergenoegds in zijn uiterlijk en is zich kennelijk bewust van zijne overmacht. Wanneer hij zich omwendt of zijn bek met vlijm-scherpe tanden opent, neemt alles wat in zijne nabijheid is de vlucht. Geen waterdier is voor hem veilig, dan alleen de kleine stekelbaars, voor wiens doornen hij eerbied schijnt te hebben. Wat hij eenmaal heeft gegrepen, kan zich ook verloren rekenen; want zijne tanden staan binnenwaarts, zoodat loslaten hoogst moeilijk gaat. En, dat er bij hem nog al iets naar binnen wordt gewerkt, bleek een bij zekere gelegenheid, toen in de maag van een ± 2 K.G. zwaren snoek nog vrij onverteerd werden aangetroffen: 2 waterratten, een groote pad en eenige kleine visschen. Algemeen is dan ook het beweren, dat een snoek in een week ongeveer het dubbele van zijn gewicht aan voedsel noodig heeft. Volgens sommigen gaat hij op geregelde tijden ter jacht, maar veel is er zeker voor te zeggen, dat de jachttijden in verband staan met de ledigheid der maag. Gaarne verschuilt hij zich achter een vooruitstekenden hoek of bocht, om plotseling op zijn prooi los te schieten. De visschers houden met deze voorliefde ook rekening. Onwillekeurig leeren zijn de plaatsen kennen, waar de snoek zich gaarne ophoudt, en vrij zeker kan men zijn, dat, waar eens een ex. wordt gevangen, later allicht ook een tweede en een derde zal worden buit gemaakt.

De snoek is een echte sport- en handelsvisch, en ook een fraaie visch. Zijn romp is slank en nagenoeg overal van gelijke hoogte, uitgezonderd het achtergedeelte, dat sterk afneemt tot op meer dan de helft. Hij heeft een grooten spitsen, platten bek. De onderlip steekt eenigszins buiten de bovenlip uit; de zijden zijn een weinig platgedrukt. Hij is bedekt met fijne schubben tot zelfs op de wangen; zijn huid is dik. Een vetvin is niet aanwezig. De rugvin zit ongeveer op de plaats van deze. De aarsvin is ver naar achteren geplaatst. De kleur van den snoek is zeer verschillend en hangt veel af van den leeftijd en de geaardheid van den grond, waarboven hij leeft. Over het algemeen is hij van boven donker, op de zijden grijs gevlekt, en op den buik wit, soms met enkele zwarte stippen. De borst- en buikvinnen zijn lichtbruin of een weinig roodachtig, doch de overige vinnen iets donkerder met zwarte dwarsstreepjes. Het zijn vooral de drie achterste vinnen, waardoor hij zijn lichaam een pijlsnelle vaart kan geven.

Dr.H.C. Redeke (1941) zegt over de Snoek (Esox lucius L.): D. 7-8/13-15, A. 4-5/12-13, sq. ± 125, vert. 61-64

Deze visch heeft zoo typische gedaante, dat men hem niet licht met een onzer andere zoetwatervisschen verwarren zal. Het lichaam is zeer langgestrekt, en tamelijk rond, rug- en buikzijde loopen nagenoeg evenwijdig; de kop is naar voren snavelvormig afgeplat, de onderkaak steekt ver vooruit, de bek is opmerkelijk wijd; het verhemelte, de tong en de kieuwbogen zijn met talrijke spitse tandjes bezet en eenige groote tanden zitten op de onderkaak; de afgeronde rugvin staat ver naar achteren boven de eveneens afgeronde anaalvin, de staartvin is iets ingebocht. De grondkleur der jonge individuen is groen in alle schakeeringen van geel- tot olijfgroen, met gele vIekken en strepen; oudere exemplaren zijn donkerder getint, tot grijsbruin met donkere vlekken en banden op de zijden; de buik is witachtig, de ongepaarde vinnen zijn olijf-groen met zwarte stippen en strepen. Lengte: tot 1 m, zelden grooter. Verspreiding: geheel Europa (behalve Spanje en Portugal), Siberië en noordelijk Noord-Amerika, in stroomende en stilstaande wateren. De Snoek behoort tot onze meest gewone "binnenvisschen" en komt in alle zoete en zwakbrakke wateren, tot in kleine slooten, en in den regel veelvuldig voor. Hij is ook een der weinige zoetwatervisschen, die op Texel gevonden worden. Het is een echte roofvisch en wordt wegens zijn vraatzucht wel als de "haai" onder de zoetwatervisschen aangeduid.

terug naar homepage