Preventief medisch onderzoek bij sport en bewegen


PSMO

redactie E.R.H.A. Hendriks, 2e herziene druk, Lemma 1995,
ISBN 90-5189-520-8

VOORWOORD bij de 1e druk
In 1980 vierde de Federatie van Bureaux voor Medische Sportkeuring in Nederland haar 50-jarig bestaan. Als onderdeel van dit gouden jubileum organiseerde de Federatie het congres "Keuring op losse schroeven". Daarin werden normen en vormen met betrekking tot de sportkeuring ter discussie gesteld.

In het Ten geleide bij het congres schreef dr. W. Boersma. voorzitter van de Federatie, "Sterk leeft het besef dat, wil onze functie zijn maatschappelijke relevantie en ons functioneren een toegevoegde waarde blijven behouden, wij zeer kritisch naar dit functioneren moeten kijken, zowel strikt inhoudelijk als in de context van de sportgezondheidszorg". Niet alleen in woorden stelde de Federatie zich open voor kritiek ten aanzien van haar functioneren, maar ook in daden. In 1975 werd in opdracht van de Federatie met gelden van de Stichting de Nationale Sporttotalisator een onderzoek in drie fasen gestart met als doel te onderzoeken welke manco's er aan de sportkeuring kleven, hoe de sportkeuring verbeterd zou kunnen worden en of deze verbeterde versie ook vruchten zal afwerpen.

Aanbevelingen, gedaan op grond van het door De Weger en anderen gerapporteerde onderzoek (fase 1), waren de basis voor de opzet van de tweede fase van het onderzoek "Een screening in twee trappen".
De verslaglegging van dit onderzoek leed onder de in crescendo van steeds meer kanten klinkende negatieve geluiden, die noopten tot het eerst in de praktijk vertalen van de onderzoekresultaten.
Dit zou niet goed mogelijk zijn geweest zonder de inzet van zeer velen, zoals sportbonden, medische commissies van sportbonden, de Vereniging voor Sportgeneeskunde, in het veld keurende en begeleidende artsen. in de sport geïnteresseerde specialisten en de sportkeuringsbureaus te Haarlem en Arnhem. Niet vermeld kunnen hier worden de namen van allen, die op een of andere wijze hun medewerking hebben verleend. Een uitzondering moet gemaakt worden voor dr. J. Pool, die niet alleen een inspiratiebron was, maar ook een bron van positieve kanttekeningen.
Schreef hij al niet in de zeventiger jaren in het voorwoord bij de handleiding bij het Preventief Geneeskundig Onderzoek voor Sportbeoefening, over het P.G.O. in plaats van over de sportkeuring. Het heeft helaas nog een aantal jaren moeten duren voor de sportkeuring inhoudelijk een preventief gericht onderzoek werd.

Een tweede uitzondering moet gemaakt worden voor mevrouw M.F.C. Verpalen, beleidsmedewerkster van het NISGZ, die met niet aflatende energie heeft bijgedragen tot het tot stand komen van deze handleiding. Van belang daarbij waren vooral haar stimulerende werking, de door haar verzorgde coördinatie van de vele uiteenlopende onderdelen en de door haar aangebrachte correcties.

Het Nationaal Instituut voor de Sportgezondheidszorg (NISGZ) nam de taak van de Federatie over, de sportkeuring werd vervangen door het Preventief Sportmedisch Onderzoek, het PSMO.
Fase drie, de praktijk, is aangebroken.

De praktijk, die zal moeten bestaan uit gerichte aandacht voor de sportrelevante afwijking(en) en dus in zeer veel gevallen aandacht voor problematiek aan het steunen bewegingsapparaat. De praktijk, die in tegenstelling tot het verleden niet meer zal bestaan uit goed- of afkeuren, maar uit adviseren en geven van voorlichting.
De kwaliteit van het advies is onder andere afhankelijk van het er aan ten grondslag liggende onderzoek. Deze handleiding dient als basis voor het onderzoek en advies.

Sport is niet onveranderlijk, het sportadvies dus ook niet en deze handleiding derhalve ook niet. Een reden, waarom voortdurende bijstelling van deze handleiding en het PSMO in zijn totaal zal moeten plaatsvinden. Opmerkingen en aanbevelingen dienaangaande worden dan ook zeer op prijs gesteld. Controle en zelfkritiek moeten blijven waarborgen dat de doelstelling van de Federatie door het NISGZ bereikt wordt.

Het middel is veranderd, het doel: vermindering van de ernst en zo mogelijk voorkoming van schade aan de gezondheid en optimalisering van de sportbeoefening, niet.

De samenstellers,
G.C. van Enst
F. Nusse
maart 1985


Voorwoord bij de tweede druk

Na de introductie is het Preventief Sportmedisch Onderzoek (PSMO) in zijn oorspronkelijke opzet maar enkele jaren uitgevoerd. De PSMO-bureaus en de sportmedische regio's zijn inmiddels opgeheven. Het Nationaal Instituut voor de Sportgezondheidszorg (NISGZ) is na fusie met het Janus Jongbloed Research Centrum omgedoopt tot Nederlands Instituut voor Sport en Gezondheid (NISG) en dat is kort geleden onderdeel geworden van NOC*NSF. Voordien had het NISG(Z) de Sportmedisch Adviescentra (SMA) al losgelaten. De Federatie van SMA's is nu het overkoepelend orgaan. Een klein aantal SMA's maakt thans onderdeel uit van een Olympisch Steunpunt.
Zodoende is op kleinere schaal dan voorheen, maar wel van recreatieve sport tot en met de topsport, een preventief sportmedisch onderzoek nodig. In de praktijk wordt ook buiten de sportmedische setting gerichte aandacht besteed aan problematiek van het steun- en bewegingsapparaat. Deze handleiding zal dan ook voor niet-sportartsen als basis kunnen dienen voor het onderzoek en advies. Tevens kan het een hulpmiddel zijn bij de instructie van een systematisch orthopedisch onderzoek tijdens opleiding en nascholing van artsen en fysiotherapeuten.
Bij de revisie is met de ontwikkelingen van de laatste tien jaar, zowel op sportmedisch als op orthopedisch gebied, rekening gehouden. Dat heeft overigens niet tot essentiële wijzigingen geleid. Het pionierswerk van Gee van Enst en Frank Nusse staat nog fier overeind.
Doelstelling is nog steeds om een instrument te bieden, dat de arts en fysiotherapeut kan helpen om tot vermindering van de ernst van letsels te komen, zo mogelijk schade aan de gezondheid te voorkomen en de sportbeoefening te optimaliseren. Daar kan de sporter alleen maar voordeel van ondervinden.

Ed Hendriks, augustus 1995.