Ziekte van Osgood-Schlatter


De apofysitis van de tuberositas tibiae staat bekend als de ziekte van Osgood-Schlatter. Ofschoon de meeste auteurs de aandoening beschouwen als een osteochondrosis, blijkt dit toch niet juist te zijn, omdat de daarvoor kenmerkende aseptische necrose ontbreekt (Prakke, 1992). En alhoewel de ziekte van Osgood-Schlatter zeker overeenkomsten vertoont met avulsiefracturen van de proximale tibia, zijn er toch een aantal duidelijke verschillen.
Er is sprake van een veelvoud van micro-avulsies veroorzaakt door herhaalde trekbelasting op het voorste gedeelte van het ossificatiecentrum. De groeiplaat (apofyse) van de tuberositas tibiae zelf blijft intact. Op een röntgenfoto ziet men extra botvorming in de vorm van microscopische botfragmentjes. De ziekte treedt op bij kinderen tussen 11 en 15 jaar (meer bij jongens dan bij meisjes). Er wordt meestal een combinatie met het bedrijven van sport gezien en er wordt dan natuurlijk een relatie gelegd met de groeispurt. Slechts in uitzonderingsgevallen -als bij klachten toch zware sport wordt bedreven- bestaat het risico op een avulsiefractuur (Bowers, 1981).

Diagnostiek

Kenmerkend is een sluipend begin van klachten, welke betrekkelijk mild zijn en intermitterend optreden. Pijn in de knie ter hoogte van de tuberositas tibiae treedt aanvankelijk op na inspanning, later tijdens inspanning met name bij trappen van een bal, springen en hurksprongen. Vooral hurken en traplopen zijn pijnlijk, evenals knielen.
Meestal zullen klachten optreden bij kinderen, voornamelijk jongens van 10 tot 15 jaar in het begin van de groeispurt, die veel aan sport doen. Soms zijn er klachten op latere leeftijd, alhoewel er dan vaak ook op jongere leeftijd klachten geweest zijn.
Bij onderzoek is er meestal een gezwollen drukpijnlijke tuberositas tibiae met warmte en gevoeligheid. Soms is er ook een drukpijnlijke quadriceps-expansie. Er is pijn bij kloppen op de tuberositas en pijn bij strekken van de knie tegen weerstand.
Röntgenonderzoek toont weke-delenzwelling voor de tuberositas, eventueel losse fragmenten. Op jongere leeftijd zijn er ter plaatse nog verschillende ossificatiecentra zichtbaar. Het is dan soms moeilijk om te bepalen of de separate kernen bij abnormale fragmentatie passen of als normale ossificatiecentra kunnen worden beschouwd (Kujala e.a., 1985).

Behandeling
In principe is de ziekte self-limiting. Het beste advies is om in de eerste 2 maanden alle pijnlijke activiteiten te staken, desnoods deze periode met 1 tot 2 maanden te verlengen. Totale immobilisatie is alleen bij ernstige klachten nodig (Kujala e.a., 1985). Aansluitend laat men de duurtraining geleidelijk hervatten, waarbij rekening moeten worden gehouden met de belasting tijdens fietsen naar school en dergelijke. Specifieke training, zoals schieten, sprinten en springen, laat men pas hervatten na isometrische spierversterking, zodra dergelijke belasting zonder pijn mogelijk is. Men kan alternatieve belasting zoals lichte looptraining, of fietsen op de hometrainer of zwemmen in de vorm van crawl aanbieden.
Met een gereduceerde training gedurende 3-6 maanden moet elke sporter klachtenvrij te krijgen zijn. Driemaandelijkse controle is raadzaam, zodat relatieve immobiliteit niet onnodig lang behoeft te duren.
Als de klachten op latere leeftijd persisteren kan men extirpatie (operatieve verwijdering) van losse fragmenten overwegen (King e.a., 1981). Te vroeg chirurgisch ingrijpen kan aanleiding zijn tot premature sluiting van de apofyse, hetgeen tot genu recurvatum leidt.