SIMON STEVIN BRUGGHELINCK
"Spiegheling en Daet"
Jozef T.L. Devreese
Universiteit Antwerpen &
Technische Universiteit Eindhoven
"Magic Without Magic" luidt de titel van een huldeboek (1) - vol met nieuwste ontwikkelingen
in de fysica - aangeboden bij de zestigste verjaardag van Professor John Archibald Wheeler,
de befaamde hedendaagse natuurkundige, specialist in de kernfysica, astrofysicus,
één der pioniers van de recente opbloei van de algemene relativiteitstheorie,
en die tevens een grote school creëerde. (figuur 1)

Figuur 1.
Ruim vierhonderd jaar geleden verscheen - "Tot Leyden, Inde Druckerye van Christoffel
Plantijn" (1586) - het meesterlijke werk van historische betekenis: "De Beghinselen der
Weeghconst beschreven duer Simon Stevin van Brugghe". In het vignet op de
geïllustreerde voorpagina is, op de banier, de uitspraak "Wonder en is gheen Wonder"
aangebracht. Intuïtief wordt "Wonder en is gheen Wonder" mooi als "Magic without Magic"
vertaald. Juistere en meer inspirerende vertaling van Simon Stevins adagium kan moeilijk
worden bedacht en het opduiken van deze gedachte in de moderne toonaangevende
natuurkunde-literatuur zoals op de titelpagina van Wheelers huldeboek, ook als deze
onafhankelijk zou zijn "herontdekt", is als een hulde aan Simon Stevin op te vatten.
Kan men stellen dat Simon Stevins bijdragen tot de mechanica en de hydrostatica alleszins
met te weinig bronvermelding aan bod komen in de moderne basis-leerboeken dan stemt het tot
voldoening dat in het meesterwerk van de hedendaagse basis-natuurkunde leerboeken, namelijk
in de onvolprezen "Feynman lectures on Physics" Simon Stevins bewijs met de "Clootcrans"
betreffende de samenstellingswet voor krachten, de hemel wordt ingeprezen. Eerst ontwikkelt
Feynman twee andere afleidingen van deze samenstellingswet doch dan stelt hij:
"Cleverness, however, is relative. It can be deduced in a way which is even more
brilliant, discovered by Stevinus and inscribed on his tombstone." (2) (figuur 2)

Figuur 2. The epitaph of Stevinus
Uit: "The Feynman Lectures on Physics." Hierbij merkt Feynman op: "Cleverness, however, is
relative. It can be deduced in a way which is even more brilliant, discovered by Stevinus
and inscribed on his tombstone, (If you get an epitaph like that on your gravestone,
you are doing fine.)"
Het is de geïnspireerde meester van de 20-eeuwse theoretische natuurkunde,
"de Mozart der Fysica", Richard Feynman, niet ontgaan dat Simon Stevin een uiterst geniaal -
in eerste instantie intuïtief - idee naar voor bracht toen hij de samenstellingswet
voor krachten afleidde. Wel dient opgemerkt dat het graf van Simon Stevin niet werd
teruggevonden, zodat Feynmans opmerking over de inscriptie op de grafzerk, evenals de
uitlating iets verder in de hoger geciteerde leerboektekst: "If you get an epitaph like that
on your gravestone, you are doing fine" als dichterlijke vrijheid zijn op te vatten.
Moderne beoefenaars van de klassieke mechanica die in contact komen met
Stevins bewijs met de "crans" (of "kogelsnoer") zijn veelal opgetogen.
Bijvoorbeeld Martin Gutzwiller, een leidende autoriteit op dit gebied - dat
thans een nieuwe opleving kent - vertelde op een conferentie in Tutzing met groot enthousiasme
en oprechte bewondering over dit wonderbaarlijke gedachtenexperiment van Simon Stevin.(3)
De bovenstaande voorbeelden illustreren hoe de betekenis van het werk van Simon Stevin
bij een aantal hedendaagse fysici gestadig meer doordringt, al mag hier worden aan
toegevoegd dat de geniale Joseph Louis Lagrange en geleerden als Ernst Mach zich bewust
waren van de waarde van Simon Stevins werk in de mechanica. Lagrange noemt het bewijs met
het kogelsnoer "une démonstration très ingénieuse" (4).
De doelstelling van dit essay is na te gaan in welk opzicht het werk van Simon Stevin
grensverleggend en innoverend is geweest. De discussie wordt daarbij geconcentreerd op de
natuurkunde alhoewel ook summier iets wordt gezegd over andere gebieden van wetenschap
en technologie, die in meer detail aan bod komen in de overige bijdragen tot dit volume.
De hoofdconclusie zal zijn dat Simon Stevin een aantal inderdaad grensverleggende
bijdragen heeft geleverd in het bijzonder tot de natuurkunde en dit zowel op het
methodologische als op het conceptuele vlak. Daarbij kan tevens gesteld worden dat de
onvolprezen biograaf van Simon Stevin, E.J. Dijksterhuis, in zijn quasi-definitief
standaardwerk (5) de bijdrage van Simon Stevin zeer precies en genuanceerd analyseert
en belicht, doch dat hij daarbij de betekenis ervan, voornamelijk voor de natuurkunde,
misschien toch nog eerder onderschat.
De indeling van deze bijdrage is als volgt:
I. Summiere biografische gegevens over Simon Stevin.
II. De innovaties van Simon Stevin op het gebied der natuurkunde en de betekenis ervan.
III. (Appendix) Korte nota over Simon Stevin en de Nederlandse Taal.
I. De schaarse biografische gegevens over SIMON STEVIN.
Het is opvallend hoe weinig we in feite weten over de persoonlijkheid en over de levensloop
van Simon Stevin. Zoals hoger vermeld werd zelfs zijn begraafplaats niet teruggevonden
in tegenstelling bijvoorbeeld tot het graf van Archimedes (287-212 v. Chr.) dat in 1965
werd ontdekt bij graafwerken voor de funderingen van een hotel in Syracuse.
Wat de biografische gegevens betreft kan men Simon Stevin enigszins vergelijken met
Pieter Bruegel de Oude: ook deze sublieme schilder en humanist kennen we vrijwel
uitsluitend door zijn werk, al is de kans groot dat althans enige zelfportretten
in zijn werk kunnen worden geïdentificeerd. Van het, naar verluidt door een
tijdgenoot geschilderde portret van Simon Stevin dat zich in de bibliotheek van
de Universiteit te Leiden bevindt {Koppeling naar portret}, kunnen we enkel hopen
dat het ons inderdaad een idee geeft van zijn uiterlijke verschijning.
De schaarse gegevens over de levensloop van Simon Stevin werden door E.J. Dijksterhuis
kritisch geëvalueerd en beperken zich essentieel tot wat in Tabel I wordt weergegeven.
TABEL I. LEVENSLOOP VAN SIMON STEVIN
Geboren te Brugge in 1548 als de natuurlijke zoon van Antheunis Stevin (geboren in Veurne)
en Cathelyne vander Poort.
Klerk bij de Imposten (Belastingen) bij het Brugse Vrije (1577-1581).
Tevoren: kassier en boekhouder in Antwerpen (periode niet precies bekend).
Vestigt zich te Leiden in 1581, schrijft zich in als student aan de universiteit
aldaar op 16 februari 1583.
Rond 1590 wordt hij raadsman van Prins Maurits, graaf van Nassau.
Op 68-jarige leeftijd treedt hij in het huwelijk met Catherine Cray,
toen zij reeds vier kinderen hadden.
Simon Stevin overlijdt in 1620, wellicht in Den Haag.
Deze tabel leert ons niet of Simon Stevin een inspirerende leermeester had, noch wat het
aanknopingspunt was dat het hem mogelijk maakte de eerste belangrijke vooruitgang op het
gebied van de statica en hydrostatica te maken die iets toevoegt aan het werk van
Archimedes. Was hij een autodidact? Waarom verliet hij Brugge om eerst in Antwerpen en
later te leiden te verblijven? Hoe kan verklaard worden dat hij,
als het ware uit het niets, in 1585 "De Thiende" en in 1586 een meesterwerk
als "De Beghinselen der Weeghconst" (figuur 3) kan voortbrengen?

Figuur 3.
Wanneer heeft hij de buitenlandse reizen gemaakt die hem toelieten gedetailleerde
waterbouwkundige ontwerpen te maken ondermeer voor de stad Danzig? Op deze vragen
moeten we het antwoord schuldig blijven. We kunnen slechts hopen dat, in nog niet
ontgonnen archieven, nieuwe gegevens over Simon Stevin aan het licht zullen
komen, wie weet samen met het belangrijke manuscript "vant Lochtwicht" dat
jammer genoeg is verloren gegaan.
II. Innovaties op het gebied van de natuurkunde.
Teneinde de betekenis van het werk van Simon Stevin over de natuurkunde te
kunnen inschatten, is het van belang de stand der wetenschap rond 1580
te kennen.
Essentieel kan gesteld worden dat nog niets was toegevoegd aan het werk
van Archimedes op het gebied van de mechanica en de hydrostatica, met
uitzondering van de behandeling in de school rond Johannes Nemorarius
(? - 1237) van de samenstelling van krachten op grond van de dynamische
theorie toegeschreven aan Aristoteles.
Ter situering: Simon Stevin overleed 22 jaar vóór Newton
werd geboren, hij was 16 jaar ouder dan Galileo Galilei (1564-1642) en
leefde ook decades vroeger dan Pascal (1623-1662) of Christiaan
Huyghens (1629-1695). Simon Stevin was een tijdgenoot van figuren als
Calvijn, Palestrina, El Greco. Het is belangrijk het werk van Simon
Stevin te situeren tegen de achtergrond van de kennis en de stand van
wetenschap en techniek in de 16de eeuw. Het is bijvoorbeeld pas rond 1550
dat werken van Appolonius, Archimedes, Pappus e.a. stilaan algemeen
beschikbaar worden in Latijnse vertalingen.
Tegen deze historische achtergrond treedt Simon Stevin naar voren met
briljante bijdragen op het gebied van de statica resp. de hydrstatica:
In de statica bewijst hij (met de "crans") de wet der samenstelling van
krachten. In de hydrstatica ontdekt hij de vermaarde hydrostatische
paradox en brengt hij tevens een meer algemeen bewijs van de wet van
Archimedes naar voren dan door de grote man van Syracuse was gegeven.
Wat daarbij opvalt is dat hij telkens uiterst originele
gedachtenexperimenten introduceert. Merkwaardig is ook dat hij hetzelfde
principe, namelijk de onmogelijkheid van het perpetuum mobile, - in het
prachtige Nederlands van Simon Stevin "eeuwigh roersel...dat valsch is..."
- (figuur 4) weet te gebruiken, voor het eerst in de geschiedenis, zowel
bij de behandeling in de statica "met het kogelsnoer" als bij de
afleiding van de wet van Archimedes uit de hydrostatica.

Figuur 4.
Zijn bewijsvoering in de statica komt strikt genomen neer op een
toepassing van de wet van het behoud van energie die pas rond 1840,
i.e. 260 jaar later, door verschillende geleerden, waaronder
von Helmoltz (1821-1894) werd geformuleerd.
Zoals Dijksterhuis terecht opmerkt plaatst Simon Stevin zich
aldus op èèn lijn met Torricelli en Huyghens die
eveneens de wet van het behoud van energie anticipeerden.
In zijn bewijs "met het kogelsnoer" van de samenstellingswet
voor krachten gebruikt Simon Stevin opnieuw op intuïtieve
wijze de facto reeds het symmetrie-concept dat zo centraal
staat in de theoretische natuurkunde van deze tijd.
Laten we enige der innoverende bijdragen van Simon Stevin
tot de statica en de hydrstatica in meer detail bekijken.
II.1. "WONDER EN IS GHEEN WONDER"
In wat volgt stellen we het bewijs "met de clootcrans" van
Simon Stevin aan de lezer voor, als een voorbeeld van een
voor iedereen begrijpelijke afleiding van een wet uit de
natuurkunde. (figuur 5)

Figuur 5.
Simon Stevin beschouwt een rechthoekige driehoek ABC waar
AB tweemaal zo lang is als BC en "den grondt AC evewijdich
vanden sichteinder,..". Hij veronderstelt dat een bol D ligt
op de zijde AB en een bol E, met hetzelfde gewicht
"evewichtig ende evegroot", op BC. In zijn gedachtenexperiment
beeldt hij zich nu in dat deze twee bollen deel uitmaken van
een aantal (identieke) bollen. Deze bollen maken samen een
snoer uit dat kan glijden over de vaste punten S, T en V.
"Laet ons maecken rondom den driehouck ABC eenen crans van
veerthien clooten, evegroot, evewichtig, ende evewijt van
malcanderen ... al ghesnoert an een lini...". Dit snoer is
de "clootcrans". Het aantal bollen op AB is dus tweemaal
het aantal op BC. Simon Stevin wil nu bewijzen dat het
zogenaamde "staltwicht" van de bollen D, R, Q, P op AB gelijk
is aan dat van de bollen E, F op BC. Met "staltwicht" bedoelt
Simon Stevin het "effectief" gewicht van een bol langs een
hellend vlak; dit is de componente van de kracht langs een
hellend vlak.
Veronderstel dat het eerste "staltwicht" (dat van de bollen
P, Q, R, D) groter is dan het tweede (dat van de bollen E, F).
De vier denkbeeldige bollen O, N, M, L zijn in evenwicht
met de vier denkbeeldige bollen G, H, I, K; bijgevolg zal de
groep van acht bollen D...L zwaarder wegen dan de groep van
zes bollen E....K. Daarom zullen deze acht bollen naar
beneden rollen en de andere zes naar boven: "de acht cloten
sullen neerwaert rollen, ende d'ander zes rijsen...".
Daarbij gaat nu iedere bol op een bepaald ogenblik de plaats
innnemen van zijn voorganger. Beschouwd als een geheel zal
de positie van de "crans" evenwel niet gewijzigd worden door
deze substitutie. "Den crans der clooten sal alsulcken
ghestalt hebben als sy te vooren dede, ....".
De beweging zal daarom voortduren; m.a.w. de bollen zullen
een perpetuum mobile uitvoeren wat absurd is: "ende de
clooten sullen uyt haer selven een eeuwich roersel maken,
t' welck valsch is."
De crans zal daarom in rust blijven, de linkse en de rechtse groep
bollen "balanceren" elkaar. Indien links de vier bollen O...L worden
weggedacht en rechts de vier bollen G...K, die de andere vier in
evenwicht houden, zal het evenwicht niet verstoord worden. Daarom
volgt de stelling: omdat de vier bollen D, R, Q, P de twee E, F
in evenwicht houden, is het "staltwicht" van E tweemaal dat van D
net zoals de lengte van AB tweemaal die van BC is. De keuze van
de verhouding der lengten AB en BC is evenwel willekeurig.
Er volgt dan de beroemde samenstellingswet dat twee bollen
op hellende vlakken, verbonden door een touw dat over een
katrol loopt bij de top T in evenwicht zullen zijn, indien
de reden van hun gewicht gelijk is aan de reden van de
lengte van de twee.
De opmerking die strikt genomen kan geformuleerd worden, is dat
in afwezigheid van wrijving, luchtweerstand enz. een perpetuum
mobile wel mogelijk is en dat de klassieke mechanica precies onder
deze idealiserende voorwaarde wordt geformuleerd. Het is evenwel
perfect mogelijk om de redenering van Stevin lichtjes aan te
passen en in het kader van de klassieke mechanica - maar dan op
grond van de wet van het behoud van energie - aan te tonen dat
de "crans" zoals opgevat door Simon Stevin niet in beweging zal
treden indien er geen beginsnelheid wordt gegeven.
Simon Stevin ontleedt verder in de "Beghinselen der Weeghconst",
uitgaande van zijn bovengeschetst bewijs, talrijke situaties
waarbij gewichten op hellende vlakken optreden. (figuur 6)

Figuur 6.
Hij analyseert het evenwicht van lichamen met een vast punt, (figuur 7)
het evenwicht als drie krachten optreden, hij bepaalt zwaartepunten
van vlakken ("vande Platten") en van ruimtelijke figuren ("Nu vande
vinding der swaerheits middelpunten vande lichamen").

Figuur 7.
Bij deze zwaartepuntsbepalingen volgt hij essentieel de methode van
Archimedes doch maakt daarbij een historische vooruitgang tot de
formulering van het begrip limiet. (ref. 5 p 129). In de "Weeghdaet"
worden dan tal van practische toepassingen behandeld, betreffende
werktuigen waarbij wrijvingskrachten, weer-standen, valproeven...
aan bod komen. Een merkwaardige verhandeling te vinden in het
"Vierde deel de byvoughs der weeghconst" is "Vande Toomprang",
tot stand gekomen op vraag van Prins Maurits "Hebbende sijn
Vorstelicke Ghenade van kintsche dag af tot nu toe, hem gheduerlick
met grooten yver seer vlietich gheoeffent inde Ruyterconst, ....".
Hierin behandelt Simon Stevin hoe de druk van het bit op de lip en van de
kinketting op de onderkaak van het paard afhangen. Het zal ook de
hedendaagse ruiter nog interesseren. (figuur 8)

Figuur 8.
Op één plaats, bij studies over de wrijvingskrachten,
komt Simon Stevin in contact met de dynamica: hij bestudeert er de
valbeweging (met als bedoeling zekere inzichten van Aristoteles
terzake te weerleggen). Dit heeft geleid tot de uitvoering van een
valproef waarbij Stevin, met de hulp van zijn vriend Johan Cornets
de Groot, twee loden bollen met verschillend gewicht gelijktijdig liet
vallen vanop een hoogte van dertig meter, en concludeerde (alhoewel
niet helemaal correct) dat beide bollen op hetzelfde ogenblik op
een plank vallen. Deze valproef werd uitgevoerd vóór
1586 waarbij dient opgemerkt (ref. 6 p. 130) dat de gelijkaardige
valproef vanop de scheve toren van Pisa, die aan Galileo wordt
toegeschreven - als die al werd uitgevoerd - pas na 1589 kan worden
gesitueerd. Toch moet worden gezegd dat Simon Stevin - afgezien van
zijn opmerkingen over de dynamica van Aristoteles - geen verdere
bijdragen heeft geleverd tot de dynamica, in tegenstelling tot
galileo. De valproef van Simon Stevin illustreert wel de waarde die hij
hecht aan het experiment bij de opbouw der natuurwetenschap.
De overgang naar de "hoe"-vraag in de natuurkunde, die aan de naam
Galileo wordt geassocieerd, wordt dus in die zin door Simon Stevin
geanticipeerd: waarschijnlijk was dit methodologisch concept bij
verschillende geleerden onafhankelijk aanwezig in die periode.
Stevin was daarbij een één der eersten maar de naam
van Galileo galilei groeide uit tot een symbolisch begrip om de
overgang van middeleeuws naar modern denken te karakteriseren:
hoe complex deze overgang was en hoe controversieel de bijdragen der
verschillende actors leert men bijvoorbeeld uit een werk zoals
"New Perspectives on galileo" dat in 1978 werd gepubliceerd.
We kunnen stellen dat Simon Stevin in de mechanica essentieel bijdragen
leverde tot de statica; daarbij nam hij de draad op waar Archimedes
gebleven was. Hij verrijkte de statica met prachtige bewijsvoeringen
en concepten. Het belang van zijn bijdrage ligt vooral in het vinden
van nieuwe wegen en methodes om de mechanica uit te bouwen. Verder
in dit essay wordt teruggekeerd op de betekenis van de bijdrage van
Stevin tot de statica. In zijn boek "The Scientific Revolution"
gaat H.F. Cohen (7) dieper in op de vraag waarom Stevin en zijn
tijdgenoten er voor het eerst in slaagden nieuwe paden te vinden
en een nieuwe start te nemen na de lange stilstand sinds de
Grieken en Archimedes.
II.2. BIJDRAGEN TOT DE HYDROSTATICA
Simon Stevin verwijst in de aanhef tot zijn studies over het
"Waterwicht" naar "de gheduerighe oefning die dese landen mettet
vvater hebben, meer als ander,...."
Zoals hoger vermeld zijn de bijdragen van Simon Stevin tot de
hydrostatica van grensverleggende betekenis. Zijn methodes zijn
opnieuw innoverend en conceptueel verdienen ze het epitheton
"magisch", een aantal resultaten zijn nieuw met de "hydrostatische
paradox" als hoogtepunt. Stevin berekende de kracht van water per
eenheid van oppervlak zodat hij feitelijk als eerste met het begrip
druk werkte, weliswaar zonder het begrip te voeren tot de
universele dimensie eraan gegeven door Pascal.
Op het gebied der hydrostatica was Simon Stevin de eerste die iets
toevoegde aan het werk van Archimedes. Hij was trouwens een der
eersten die het werk van Archimedes las in latijnse vertaling.
Het was pas rond 1550 dat de uit het Grieks naar het Latijn vertaalde
werken van Archimedes beschikbaar werden. Er zij nog opgemerkt dat
het een Vlaming was, Willem van Moerbeke, een vriend van Thomas van
Aquino, die - in het Vaticaan - werken van Archimedes had vertaald
rond 1250. Willem, die een grondige en uitzonderlijke kennis bezat
van de Oosterse talen, bracht het tenandere tot patriarch van Constantinopel.
In dit essay zal herinnerd worden aan de bewijsvoering van Simon
Stevin ter veralgemenining van de wet van Archimedes. tevens zal
het gedachtenexperiment uitgelegd worden waarmede Simon Stevin
de kracht berekent die een vloeistof, door haar gewicht, uitoefent op
de bodem van een vat.
II.2.a. Veralgemeende afleiding van de wet van Archimedes
Ook bij zijn afleiding van de wet van Archimedes gaat Simon Stevin te werk
met een vernuftig gedachtenexperiment. Hij formuleert de wet als volgt
(De Beghinselen des Waterwichts. Tot Leyden, 1586 p. 15): "Yder stijflichaems
swaerheyt is so veel lichter in t'water dan in de locht, als de swaerheyt
des waters met hem evegroot". Bij zijn originele bewijsvoering stelt Simon
Stevin ondermeer dat - bij evenwicht - een hoeveelheid water in water iedere
plaats houdt, die men eraan geeft, zoniet zou een "eeuwigh roersel" ontstaan
wat hij verwerpt. In een met water gevuld vat wordt een begrensd volume water
beschouwd, dat in evenwicht gedacht is met zijn omgeving. Het (denkbeeldig)
geometrisch oppervlak van dit volume wordt "vlackvat" genoemd. Men denke zich
dan in dat het water uit het vlackvat verwijderd zij dan ondervindt dit vlackvat
een "lichtheid", of een gewichtsvermindering die in grootte gelijk is aan het
gewicht van het water dat zich tevoren in het vlackvat bevond. Het vlackvat wordt
nu opgevuld met een lichaam A, "dan zal het vlackvat met het lichaam A erin,
zoveel wegen als.... het gewicht van A, verminderd met het gewicht van het water
dat uit het vlackvat weggedacht was.... Bijgevolg is A, als men het in het water
brengt, daarin zoveel lichter dan in de lucht, als het gewicht van het water bedraagt,
dat hetzelfde volume bezit. Het gaat hier om een "zuiver" gedachten-experiment,
waarbij nauwelijks een figuur nodig is. Net zoals in de statica weet Simon Stevin
het principe dat het perpetuum mobile onmogelijk is te gebruiken. Zijn bewijsvoering,
of althans het basisconcept ervan, wordt tot op heden overgenomen in de betere handboeken,
veelal zonder dat de naam van Simon Stevin wordt vermeld.
II.2.b. "..dat 1 lb. waters meer ghewelts sal connen doen, dan hondert duysent ponden...".
De hydrostatische paradox van Simon Stevin.
De belangrijkste ontdekking van Simon Stevin op het gebied der hydrostatica betreft de
Hydrostatische Paradox. (Propositie 10 van De Beghinselen des Waterwichts.)
Hier wordt niet ingegaan op de details van de bewijs-voering: er wordt verkozen een
sleutel-element ervan te belichten:
Bij de bepaling van de kracht door water uitgeoefend op de bodem "des waters" wordt
opnieuw een pareltje van een gedachten-experiment aangebracht:
Stevin gaat uit van de vaten in bijgaande figuur 9.


Figuur 9.
Om de kracht op het grondvlak aangegeven met EF te bepalen, beeldt hij zich
in dat het water overal in vaten is bevroren (i.e. vervangen door een "stijflichaem"),
behalve in de gearceerde gebieden. De kracht op EF zal daardoor geen wijziging
ondergaan. Hieruit volgt dat deze kracht steeds gelijk is aan het gewicht van de kolom EFGH.
De hydrostatische paradox, dat de kracht op de bodem niet hoeft gelijk te zijn aan
het gewicht van de inhoud ..volgt hieruit. Het zou aangewezen zijn in de literatuur
naar de "hydro-statische paradox van Simon Stevin" te verwijzen. De hydrostatische
paradox leidt tot de hydrostatische krik of vijzel zoals Simon Stevin expliciet inziet.
Het toegepaste stuk van de studie van het waterwicht beslaat slechts acht
pagina's en werd door Stevin "Anvang der Waterwicht-daet" genoemd. Zich
richtende "Anden Leser" verklaart hij: "...welcke ons niet weerdich dunckende,
den naem van Waterwichtdaet te verstrecken,....., wij noemen Anvang van dien."
en: "de rest t'sijnder tijdt te verwachten." Voor zover bekend is, heeft Stevin
geen vollediger Waterwichtdaet laten verschijnen. De drie voorstellen (proposities)
in de Anvang der Waterwichtdaet betreffen de vraag hoe diep een schip zinkt in het
water, (figuur 10) verder voorbeelden ter illustratie van de hydrostatische paradox
en tenslotte "D'Oir-saeck te verclaren waarom een mensch diep onder t'water swemmende,
niet door gheprangten wort, van t'groot ghewicht des waters op hem ligghende".
Speciale aandacht verdient hier Stevins experiment om aan te tonen hoe opwaartse
druk optreedt in een vloeistof. Dit experiment wordt vandaag nog getoond in vele
secundaire scholen. (figuur 11)
Figuur 10.

Figuur 11.
Met de bovenstaande onderwerpen werden de belangrijkste bijdragen van Simon Stevin tot de
natuurkunde aangegeven. Andere bijdragen van Stevin die verband houden met de natuurkunde
zijn te vinden in geschriften over "De Hemelloop", "Van de Speigheling der Ebbenvloet",
"De Havenvindingh", "De Zeijlstreken" en in "Spiegheling der Singconst". Van belang is
alleszins de kinematische getijdentheorie die Stevin ontwierp en die het werk van Newton
voorbereidt. Ook merkwaardig is dat Simon Stevin de eerste blijkt te zijn (ref. 5) die
een volledige theorie geeft voor het toonsysteem waarbij het octaaf in twaalf gelijke halve
tonen wordt ingedeeld. daarbij corrigeert hij het werk van de vader van Galileo, die
wiskundige en musicus was. Op deze bijdrage buiten de statica en de hydrostatica wordt
in dit essay niet verder ingegaan.
II.3. De betekenis van het werk van Simon Stevin over Natuurkunde
Wanneer men zich op het standpunt plaatst dat het ontdekken van tevoren onbekende natuurwetten
de hoogste doelstelling is van de natuurkundige dan is de ontdekking van de hydrostatische
paradox het kroonjuweel van Simon Stevins bijdragen tot de natuurkunde. Hij is zonder twijfel
de ontdekker van de hydrostatische paradox. De hydrostatica had geen enkele voortgang
gemaakt sinds Archimedes, d.w.z. gedurende zowat achttienhonderd jaar, de historici merken
zelfs terecht op dat de verworvenheden van Archimedes op het gebied der hydrostatica in
hoge mate waren teloorgegaan in de loop der geschiedenis.
Het feit dat Simon Stevin het kernbegrip hydrostatische druk niet in zijn algemeenheid
invoerde (dit is de bijdrage van Pascal die er toe kwam na heel wat gissen en missen)
komt niet in mindering van zijn unieke ontdekking van de belangrijke natuurwet die de
hydrostatische paradox is. Trouwens aangezien Simon Stevin, zoals hoger vermeld,
de grootte van de kracht uitgeoefend door een vloeistof op een willekeurig oppervlak berekende
werkte hij reeds - telkens waar nodig - met het concept druk. Het grote inzicht van
Pascal bestond erin het algemeen karakter van het begrip druk en de uniforme voortplanting
van de druk in een vloeistof voorop te stellen.
Het is verwonderlijk dat in de vakliteratuur niet stelselmatig wordt verwezen naar de
"(hydrostatische) paradox van Stevin" - wat terecht zou zijn - maar naar de "hydrostatische
paradox" tout court. Men spreekt wel over "het principe van Huyghens" (in de optica), of
over de "wet van Pascal" (hydrostatica) waar het om vindingen van dezelfde allure gaat.
De associatie van zijn naam aan een wet of formule is niet enkel een gepast eerbetoon aan
de ontdekker, het verstrekt de onderzoeker spelenderwijs een zeker inzicht in de
geschiedkundige evolutie van zijn discipline, ook al kan een toewijzing wel eens
controversieel zijn.
Getransformeerd naar de 20ste eeuw is de ontdekking van de "hydrostatische paradox van
Simon Stevin" slechts te vergelijken met de doorbraken van de eerste orde zoals bijvoorbeeld
de "val der pariteit" bedacht door Lee en Yang. Het gaat hierbij om het vinden van
natuurwetten. Talrijke geleerden hebben belangwekkende bijdragen geleverd tot de wetenschap
zonder daarom een natuurwet te ontdekken.
Bij Stevins bewijs met de "clootcrans" is de methode van de afleiding - het originele
gedachtenexperiment - minstens zo belangrijk als het bekomen resultaat dat reeds via
een andere weg bekend was. Het gedachtenexperiment met de clootcrans is m.i. zelfs zo
prachtig en verrassend, dat het pas door Einstein in estetische waarde en doeltreffendheid
werd benaderd. (n.a.v. de ondertussen overbekende gedachtenexperimenten uit de speciale
relativiteitstheorie met bewegende treinen, liften, klokken.)
Het is inderdaad een visionnaire stap van Simon Stevin, een meesterlijk inzicht, om -
bij het bepalen van het evenwicht der bollen aan de hand van figuur 3 - in gedachten de
crans te sluiten door zich een snoer identische bollen in de vorm van een halve cirkel
in te beelden, daarbij intuïtief gebruik makend van een diepe symmetrie en deze
concepten dan nog te combineren met de onmogelijkheid van het perpetuum mobile om
tenslotte, doeltreffend, de samenstellingswet voor krachten te voorschijn te toveren.
Het weze herhaald dat, wat het perpetuum mobile betreft, Simon Stevin de eerste is in de
geschiedenis der wetenschap die er gebruik van maakt. Zoals hoger gezegd toont een
nadere analyse weliswaar dat bij de afleiding met het kogelsnoer eigenlijk gebruik dient
te worden gemaakt van het principe van het behoud van energie en dat strikt genomen
hier niet het verwerpen van het perpetuum mobile de kern is. Zoals Dijksterhuis terecht
opmerkt doet dit niets af van de de fundamenteel juiste intuïtie van Simon Stevin.
Het is van belang erop te wijzen dat in de natuurwetenschap het methodologische, vooral
met de diepgang die hier bij Simon Stevin wordt bereikt, van uitnemende betekenis is.
Zo we het intuïtieve clootcrans bewijs rigoreus formuleren dan zijn de sleutel-ingrediënten:
Het "transponeren" van het probleem door de toevoeging van denkbeeldige bollen die dus niet
echt optreden in het probleem. In Simon Stevins gedachtenexperiment is dit een verre van voor
de hand liggende transformatie van het probleem; het betreft hier iets diepers dan het
bedenken van een hulpconstructie bij een oefening van vlakke meetkunde: Stevins "sluiten"
van het snoer doet eerder denken aan gesofistikeerde methodes uit de hedendaagse theoretische
natuurkunde waar bij bepaalde fundamentele problemen - en dit wordt dan technisch - fictieve
deeltjes ("ghosts") werden toegevoegd aan de theorie, teneinde toe te laten dat zekere
onfysische benaderingen in de loop der berekening kunnen worden vermeden. Aan het eind der
berekening verdwijnen de "ghosts" net als de denkbeeldige bollen van Simon Stevins crans.
Het toepassen van een symmetrieprincipe waarbij het evenwicht van de vier bollen O N M L met
de vier bollen G H I K wordt geponeerd. Strikt genomen is het slechts de intuïtie ten
gronde aan deze symmetriebeschouwing die overleeft. In de theoretische natuurkunde van de
twintigste eeuw is de grote kracht van symmetrieprincipes gebleken: o.a. het bestaan van
sommige elementaire deeltjes - die nadien experimenteel werden ontdekt - werd via
symmetrieprincipes voorspeld. Het gebruik van een - zij het intuïtief - symmetrieargument
door Simon Stevin is dus opnieuw zijn tijd ver vooruit.
Behoud van energie: zoals hoger aangegeven komt het principe van het behoud van energie
tussen bij een rigoreuse formulering van het kogelsnoerbewijs en - in strikte zin - niet
het verwerpen van het perpetuum mobile. Simon Stevin beweegt zich hier in het limietgeval
van infinitesimale wrijving, en behoort - samen met Huyghens en Torricelli - en drie
eeuwen voor de verdere studie van deze begrippen tot de eersten die deze behoudsprincipes
reeds aanvoelden.
De methodes en gedachtenexperimenten die Simon Stevin invoert zijn niet van het type die
onmiddellijk door tijdgenoten, volgelingen en volgende generaties (kunnen) worden
overgenomen (zoals wel het geval was met de infinitesimaalrekening die door de Bernouilli's
en Euler tot een universeel instrumentarium werd ontwikkeld). Het gaat bij Stevin over
dermate diepgaande intuïtie dat de methodes waarnaar wordt verwezen pas in de 19-de
resp. de 20-ste eeuw een hoge vlucht blijken te gaan nemen. Ook het combineren van niet
minder dan drie originele principes verdient de aandacht evenals het feit dat een bewijs
resulteert dat, zoals Dijksterhuis terecht onderstreept, geen voorkennis veronderstelt
bij de lezer (dit is waarschijnlijk uniek in de natuurkunde). Het bewijs met de clootcrans
is niet enkel onovertroffen om het gestelde doel te bereiken (het krachtenparallelllogram)
doch het mag in het geheel der natuurkunde gelden als een pareltje van estetica, klaarheid,
overtuigingskracht.
II.4. De natuurwetenschappelijke methode
Een fundamenteel inzicht van Simon Stevin day de ganse methodologie der wetenschap ten gronde
betreft, is zijn expliciete koppeling van experiment en theorie. Hij noemt het spiegheling
resp. daet. De ultieme test voor de spiegheling is de daet. Deze decisieve sprong in de
benaderingswijze van de wetenschap tot de natuurverschijnselen, die een breuk betekent
met de methodiek van de Grieken, wordt veelal uitsluitend aan Galileo Galilei toegeschreven.
Simon Stevin gaat de man van Pisa evenwel vooraf.
Referenties.
- J.R. Klauder, Magic without Magic: John Archibald Wheeler (San Francisco: W.H. Freeman
and Company, 1972
- The Feynman Lectures on Physics (Palo Alto: Addison-Wesley, 1963)
- M. Gutzwiller, Tutzing Conferentie over Padintegralen (mei 1992)
- J.M. Lagrange, Mécanique Analytique (Paris 1811)
- E.J. Dijksterhuis, "Simon Stevin", Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage (1943)
- H.B.G. Casimir, Waarneming en visie (Amsterdam: Meulenhoff Informatief, 1987)
- H.F. Cohen, The Scientific Revolution (Chicago: The University of Chicago Press, 1994)
- M. Kool, De rekenkundige termen van Simon Stevin, Scientarium Historia 2, 91-107 (1992)
- F. Claes, Simon Stevin als bron voor Kiliaan, Tijdschrift voor Nederlandse Taal-
en Letterkunde, 111, 55 (1995)
- Kiliaen, Etymologicum Teutonicae Linguae: sive Dictionarium
Teutonico-Latinum....Studio et Opera Cornelii Kiliani Dufflaei. 3 Antverpiae (1599)
Naschrift
Dit artikel werd oorspronkelijk geschreven voor de catalogus bij de tentoonstelling
"Spiegheling en Daet" in De Biecorf (Centrale Openbare Bibliotheek) te Brugge.
(09 december 1995 - 31 januari 1996)
III. Appendix. Simon Stevin en de nederlandse Taal.
De bijdragen van Simon Stevin tot de Nederlandse Taal kunnen hier niet onvermeld blijven:
Stevin is een van de voornaamste grondleggers van het wetenschappelijke en technische
Nederlands. Algemeen wordt aanvaard, en het wordt bijvoorbeeld in Vlaanderen in het
sekundair onderwijs aangeleerd, dat Simon Stevin de Nederlandse Taal met talrijke,
vooral technische, woorden heeft verrijkt. Dit is zeker niet iedereen gegeven. Waar in
andere Europese talen sprake is van mathématique, mathematics, Mathematik, hebben
wij een eigen Nederlands woord: wiskunde. Wiskunde stamt van wisconst een woord
dat wellicht door Simon Stevin werd "gesmeed". Dijksterhuis (5) heeft uitgebreide lijsten
gepubliceerd, enerzijds met woorden die Simon Stevin waarschijnlijk heeft ingevoerd,
anderzijds met woorden die misschien reeds tot op zekere hoogte in zwang waren en waarvan
hij het gebruik bepleit. Woorden waarvan veelal aangenomen wordt dat Stevin ze aan het
Nederlands toevoegde zijn ondermeer: reden (ratio, logos), evenredigheid (equiratio, analogia),
stelkunde, kegelsnede, raaklijn, gegeven, rechthouckich, evewijdich, lanckworpigh, evenaar,
middellini, vlack, sichteinder, middelpunt. Vanzelfsprekend is het moeilijk om te bewijzen
dat een woord op een bepaald ogenblik voor het eerst verschijnt.
In een recente studie (8) heeft M. Kool, voor de rekenkunde, grondiger onderzocht
welke termen uit de werken van Simon Stevin al dan niet reeds vroeger kunnen worden
aangetroffen. Als woorden die Simon Stevin heeft geput uit wat reeds in de taal voorhanden
was noemt de auteur van (8) ondermeer: menichvuldighen, noemer, rekenen, somme,
telder, tellen, vergaderen (voor: optellen) viercant, wortel, worteltrecken,
mael, verkeerdelijk, aftrekken, cijfer, deelder, deler, delinghe, ghebroken (= breuk),
getal, helft.
Neologismen die Simon Stevin met grote waarschijnlijkheid heeft ingevoerd en die de Auteur
van (8) alleszins niet in vroegere werken heeft aangetroffen, zijn uytbreng
(product bij een vermenigvuldiging), parich (even), onparich (oneven),
soomenichmael (betekent: quotiënt), teerlincxwortel (derde machtswortel),
thiendetal (getal uitgedrukt volgens het decimaal systeem), ghebreeckende (het getal nul).
Het zou interessant zijn indien ook voor de natuurkunde, de zeevaartkunde, de krijgswetenschap
enz. een grondiger studie zou worden gemaakt van de originele bijdragen van Simon Stevin tot
de Nederlandse taal.
In 1995 verscheen een studie (9) waarin o.a. werd nagegaan in hoeverre termen die in de werken van
Simon Stevin voor het eerst werden gebruikt, overgenomen zijn in het eerste systematisch en
grondig woordenboek van het Nederlands dat door Kiliaen, corrector in de Officina Plantiniana,
in 1599 werd uitgegeven (10).
De motieven van Simon Stevin ten gunste van het gebruik van het Duytsch worden ondermeer
uiteengezet in de inleiding tot de Weeghconst onder de hoofding: "Uytspraeck van de
weerdicheyt der Duytsche tael". Op de analyse van deze gronden en van de sociale en culturele achtergrond
waartegen Simon Stevin voor de volkstaal opkomt wordt hier niet verder ingegaan.
Klik hier om terug te keren naar het honkblad van Simon Stevin