De poseurs: Pulcinella aan de macht

Er heerst op dit moment veel verwarring in het vaderland. Wat ontbreekt is inzicht, een zekere wijsheid, terwijl die toch in het verleden ruimschoots voor handen was. Zoals: 'Door het kosteloos en verplicht onderwijs zal alleen maar het aantal idioten toenemen… Zonder intelligentie valt er niets te beginnen en het algemeen kiesrecht zoals dat nu bestaat, is stompzinniger dan het goddelijk recht. U zult nog wat beleven als ze het laten bestaan. De massa, het getal, is altijd dom. Veel overtuigingen heb ik niet, maar dat weet ik zeker. Niettemin moeten we de massa respecteren, hoe dwaas ze ook is, omdat zij de kiemen van een onpeilbare vruchtbaarheid in zich draagt. Geef haar de vrijheid, maar niet de macht… De hele droom van de democratie bestaat uit het verheffen van de proletariër tot het domheidspeil van de burgerman. Die droom is al gedeeltelijk verwezenlijkt. Hij leest dezelfde kranten en heeft dezelfde hartstochten,' aldus schreef op 5 oktober 1871 Gustave Flaubert in een brief aan George Sand, 62 jaar voordat Hitler democratisch aan de macht kwam. En zijn scherpzinnige analyse heeft nog steeds niets aan actualiteit verloren. De wijd verspreide veronderstelling dat Pim Fortuyn de gedachten van het volk verwoordde is een grote misvatting. Allereerst omdat het volk als massa nooit gedachten heeft, nooit heeft gehad en nooit zal hebben. Ze wordt gedreven door instincten, niet door ideeën omdat die abstract zijn. De massa zoekt ook geen oplossing maar een ontlading en wel omdat 'in de ontlading de verschillen [worden] afgeworpen en allen zich gelijk [voelen]… De verlichting hierover is kolossaal. Ter wille van dit gelukkige ogenblik, waarin niemand méér, niemand beter is dan de ander, worden de mensen tot massa.' De formulering is van Elias Canetti in 'Massa en Macht,' die eraan toevoegde: 'Maar het zo begeerde en zo gelukkige ogenblik van ontlading draagt zijn eigen gevaar in zich. Het lijdt aan een fundamentele zinsbegoocheling: de mensen die zich plotseling gelijk voelen zijn niet werkelijk en voor altijd gelijk geworden.' Ten tweede wantrouwde Fortuyn het volk, de naam- en gezichtsloze massa, die hij als solist van nature niet anders kon dan minachten. Pim Fortuyn was een populistische poseur die zijn rol, zolang het duurde, voortreffelijk speelde en door de media als hype tot duizelingwekkende hoogte werd gestuwd. Na zijn dood schreef in NRC de auteur Herman Franke, die Fortuyn in diens rol van docent marxistische sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen had gekend: 'Daar zag ik hem de communistische revolutie uitroepen met dezelfde gedreven glansogen en op dezelfde zelfverzekerde messiastoon als hij nu de rechtse LPF-revolutie voor 15 mei aankondigde. Het was tijdens de oliecrisis in 1973. "Nu klapt het kapitalisme, nu breekt de dictatuur van het proletariaat aan," zei hij.' Die opportunistische houding karakteriseert een poseur. Voor hem is de inhoud altijd ondergeschikt aan de vorm. Belangrijk daarbij is te weten dat een poseur, in tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, geen aansteller is. Integendeel, tot op grote hoogte meent hij wat hij zegt op het moment dat de woorden uit zijn mond rollen. De pose is zijn overlevingsstrategie. Gelijk een kameleon van huidskleur verandert, wisselt hij (of zij) moeiteloos van rol. De ene dag is de poseur links, de andere dag rechts. Elk moment en in telkens weer veranderende omstandigheden moet hij zichzelf opnieuw bedenken. Hij is de hoofdpersoon in zijn eigen pulproman, een barokke dandy, een kitschfiguur, wiens optreden naadloos aansluit bij de behoeften van de moderne tijd. Want één ding is duidelijk: een poseur kan alleen in een -van zichzelf vervreemde- massamaatschappij functioneren. Die vormt zijn toneel, de massa zijn publiek. In een gesloten gemeenschap, gedragen door samenhangende identiteiten, zou hij allang door de mand zijn gevallen, daar zou hij niet meer zijn dan de dorpsgek. Terwijl de voltallige Nederlandse pers met uitpuilende ogen naar Pims optreden stond te kijken, was er één man die meteen zag wat dit allemaal te betekenen had, te weten de auteur Mohammed Benzakour, die als 'enige Reviaan van Marokkaanse origine' de klappen van de zweep kende. Hij schreef in de Volkskrant: 'Pim is niet op zoek naar het middelpunt van de macht. Pim is op zoek naar het middelpunt van de belangstelling… Pim is als een stroboscooplamp die enkel schittert zolang er licht op valt. Maar als de schakelaar wordt overgehaald, verkommert Pim tot een bloem die lang geen water heeft gekregen… Pim heeft de Koude Oorlog verklaard, niet aan de islam maar aan de Anonimiteit… Wat Pim zijn eenzaam hart begeert, is een enorme Rode Loper, uitmondend op een Podium. Een groot houten podium met daarboven een strak gespannen koord. Zodat hij hoog boven het publiek kan zweven, zich kan uitleven in dans, zang, jongleren, jongens, sigaren. Opdat iedereen hem kan aanschouwen, bewonderen, beminnen.' Benzakour had gelijk: Fortuyn was niets anders dan een relnicht met een circusact. Hij was mediamiek, van nature publiciteitsgeil, sprak in soundbites en was dus een godsgeschenk voor de pers, altijd al op zoek naar iets dat afwijkt. De poseur en de media kunnen niet zonder elkaar, als parasieten leven ze van elkaar, ze vormen een symbiose in het almaar uitdijende rijk van de kitsch. Of zoals Milan Kundera het stelde: 'Op grond van de dwingende noodzaak te behagen en zo de aandacht van het grootst mogelijke publiek te trekken, is de esthetiek van de massamedia onvermijdelijk die van de kitsch en naarmate de massamedia ons gehele leven meer omsluiten en infiltreren, wordt de kitsch onze dagelijkse esthetiek en moraal.' We zien het op elk maatschappelijk gebied: natuurlijk in de politiek, in de economie maar ook in de sport en zelfs in de kunsten. 'Het woord kitsch verwijst naar een houding van degene die tot elke prijs zoveel mogelijk mensen wil behagen. Om te behagen dien je je te conformeren aan wat iedereen wenst te horen, in dienst te staan van pasklare ideeën, in de taal van de schoonheid en de emotie. Hij beweegt ons tot tranen van zelfvertedering over de banaliteiten die wij denken en voelen.' Een van de wezenlijke kernmerken van kitsch is dat het meer wil lijken dan het is. Het is uitsluitend gericht op effect. En omdat gedachten in een massacultuur niet het ultieme effect kunnen teweegbrengen bedient de poseur zich van sentimenten, verpakt in makkelijk te verteren meningen. Hij grossiert in frasen. Voor de poseur en zijn publiek tellen niet de feiten, maar de opinies, niet de hersenen maar de onderbuik. In het Angelsaksisch taalgebied bestaat het woord 'camp,' volgens Van Dale's woordenboek: 'kitscherig, gemaakt, verwijfd, nichterig.' Pim Fortuyn was camp. Hij speelde de politieke nicht, die in één adem pleitte voor het sluiten van de grenzen om vervolgens met een knipoog te laten weten wel met wat leuke jonge Marokkaanse knapen naar bed te willen. Tegelijkertijd speelde hij de geëmancipeerde homoseksueel, gedreven door de wens nu ook eens echt voor vol te worden aangezien, dat wil zeggen: politieke macht, omdat in de moderne wereld alleen nog de politiek telt. De tijd dat De Medici zich omringden met kunstenaars om aanzien te verwerven ligt ver achter ons. Vandaag de dag heeft de kunst slechts amusementswaarde.

Moest de erudiete uitgever Johan Polak net na de oorlog nog zwijgen over zijn seksuele geaardheid omdat het een ziekte werd beschouwd, Pim Fortuyn kon in alle vrijheid zijn 'coming out' belijden. Hij was een representant van een bepaalde groep homoseksuelen die niet langer meer getolereerd wil worden, maar geaccepteerd. Een drang voortkomend uit puur gelijkheidsdenken dat niet streeft naar bevrijding maar naar aanpassing. Tot voor kort manifesteerde zich dit gelijkheidsdenken het duidelijkst in de eis tot legalisering van het oerburgerlijke homohuwelijk, in niets verschillend van dat van de blanke middenklasse. En nu dus het politieke theater in, als onvermijdelijk sluitstuk van een maatschappelijk emancipatieproces in een massacultuur die verscheidenheid propageert maar conformisme afdwingt. In diezelfde kwarteeuw ontstond een kaste van nouveaux riches, die in de nieuwe economie een fortuin bij elkaar speculeerde of anderszins haar slag sloeg. Een tijdlang namen ze genoegen met de uitbundige aandacht van Story, Privé en andere roddelbladen. En met de regelmaat van de klok lieten ze zich te kijk zetten in Gert-Jan Dröge's hilarisch tv-programma 'Glamourland.' Maar voor de rest werden ze door de serieuze media en de politiek gemeden. Ook deze groep emancipeerde zich en wil nu eens door de gezeten burgerij worden geaccepteerd en door het volk toegejuicht. Ere die ere toekomt, het was de makelaar Harry Mens die de twee groepen in contact met elkaar bracht. Met het geld van zijn miljonairsvrienden en via zijn eigen al even hilarische talkshow 'Business Class' lanceerde hij Fortuyn, de gesjeesde academicus die als columnist voor Elsevier zijn tijd uitzat. Een politiek programma hadden ze niet. Sterker nog: dat wilden ze juist niet. Als zakenlui, gepokt en gemazeld in de wereld van de marketing, wisten ze maar al te goed hoe men een product slijt, of het nu een afwasmachine of een mening is. Ze beseften dat elke politieke partij een programma heeft en dat geen consument dat leest, teveel cerebrale woorden, te weinig sentimenteel gevoel. Vandaar geen programma, maar wat bijeen gesprokkelde columns van Pim waarin kant en klare opinies gebaseerd op extreme vooroordelen een oplossing heten te zijn voor een complex bestaan. Eén miljard islamieten hebben een 'achterlijke cultuur,' weg met de ambtenaren, grenzen dicht, elke dag een gratis borrel voor iedereen en meer van dat soort bühnewerk. Gefundeness Fressen voor dat deel van het volk dat al zappend ineens een kale 'professor' op tv hoorde zeggen wat het normaal zelf in het café rond bazuinde. Met als onvermijdelijk resultaat een monsterzege en een panisch geschrokken establishment. Een begrijpelijk reflex, maar al met al toch volstrekt onnodig, want er is niets aan de hand, laat staan een crisis in het poldermodel. Wat we zien is een logische ontwikkeling vergelijkbaar met die aan het eind van de jaren zestig toen de mannen van 'Tien over Rood' de macht grepen en binnen vijf jaar dezelfde regententaal uitsloegen als degenen die ze van het pluche hadden verdreven. Ook nu zullen de nieuwkomers in een mum van tijd het systeem ingezogen worden. Onlangs verscheen de voormalige 'Den Haag Vandaag' coryfee Ton Planken in beeld, meermaals gelauwerd voor de 'bekwame wijze,' waarop hij eigenhandig de politiek voor het tv-volk 'doorzichtig' maakte, met 'grondige kennis en een juiste kritische instelling.' Genoeg lof om onmiddellijk de 'objectieve' journalistiek te verwisselen voor het veel lucratievere bedrijfsleven, waar hij de zware taak van media-adviseur op zich nam. Tegenover Sonja Barend verklaarde Planken druk doende te zijn met het geven van een mediatraining aan een tiental debuterende LPF-kamerleden. In korte tijd wordt hen verteld wat je wel en vooral niet in het openbaar dient te zeggen. Gezien de 'bekwame wijze' waarmee Ton in het verleden te werk ging en de betrouwbare wijze waarop hij zijn BV aanbeveelt 'Al ons werk is maatwerk,' kunnen we er met een gerust hart van uitgaan dat de LPFers in een handomdraai de onontbeerlijke newspeak leren. Bovendien lonken de emolumenten van de macht. Een paar dagen na de machtswisseling vertelde een mij bevriende filmmaker me dat we duistere tijden tegemoet gaan. Hij doelde op het volgende: sinds Den Uyl's oproep om de lange mars door de instituten te ondernemen, waren de sociaal-democraten erin geslaagd her en der vitale posten in handen te krijgen, vooral die waar subsidies worden verstrekt of opdrachten worden vergeven voor een of ander adviseurschap of die waar aantrekkelijke aanstellingen worden verdeeld. Aan het PVDA/D'66-nepotisme komt nu een eind, zo voorzag mijn vriend terecht. De LPF zal de macht overnemen en op haar beurt familie en vrienden voor hun niet aflatende trouw vorstelijk belonen. De sociaal-democratische kliek delft het onderspit, tenzij ze opportunistisch genoeg is om op tijd van koers te veranderen en de eerste signalen van een dergelijke omzwaai zijn reeds waarneembaar. Hoewel het gezelschap van doctorandussen en sociale academici moet wijken voor de club uit het middenkader van het ambtenarenapparaat en bedrijfsleven aangevuld met wat medici, varkensboeren en seksexploitanten, verandert er voor fatsoenlijke burgers niets. Het was dezelfde Den Uyl die er een kwarteeuw geleden al op wees hoe smal de marges van het kapitalistisch systeem zijn. Binnen afzienbare tijd zullen de LPF-kamerleden uit puur eigenbelang niet langer meer hameren op het geloofsartikel dat Nederland te vol is en derhalve de grenzen hermetisch moeten worden gesloten. Per slot van rekening vertegenwoordigen ze de nieuwe rijken en die weten als geen ander dat zonder illegalen de asperges niet voor een habbekrats gestoken worden, de bloembollen niet geraapt en de eeuwig corrupte bouwwereld in grote problemen komt. En speciaal voor de naïeve domoren onder Fortuyns 'nazaten' heeft Nout Wellink, president van de Nederlandse Bank, het na de verkiezingen nog eens voor ze uitgespeld en voorgerekend: Nederland moet meer buitenlanders gaan toelaten om de extra kosten van de vergrijzing op te vangen, anders wordt de oude dag onbetaalbaar. Zelfs in het Italië van Berlusconi spreekt geen politicus meer over het half miljoen illegalen. Ze kijken wel uit, dan stort de economie in elkaar. Met andere woorden: er is geen reden voor ongerustheid. Het is waar: een deel van de gayparade is rechtsaf geslagen en de gasten van Gert-Jan Dröge zitten in de Tweede Kamer. Daarentegen zit de massa weer, weliswaar verveeld maar rustig, thuis te zappen tussen amusement en seks, in afwachting van het Wereldkampioenschap Voetballen. En zo hoort het ook in een parlementaire democratie, waar elk gerespecteerd Kamerlid de dominee en de koopman in zich verenigt. Opvallend is overigens dat de opkomst van Fortuyn samenviel met de ondergang van het Nederlands elftal. Het aloud Romeins adagium: 'Geef het volk brood en spelen,' opdat de onlustgevoelens gekanaliseerd worden, heeft niets aan geldigheid ingeboet. Toen Oranje de altijd al aanwezige onlustgevoelens keurig kanaliseerde in het bedwelmende 'We are the Champions-gevoel' was er geen vuiltje aan de lucht. De media portretteerden premier Kok als een staatsman, rijp voor het wereldtoneel, te groot voor Nederland, en dankzij zijn regering had het volk veel brood en nog meer spelen. Er was zelfs geen Oranjefan die wist dat onze voetballers zich met pep volpropten om hun conditie op peil te houden. Die geruststellende sentimenten hebben zich nog even kunnen hechten aan het 'sprookjeshuwelijk' van ons toekomstig staatshoofd met de geblondeerde dochter van een Argentijnse fascist. Maar dat was een eenmalig festijn, een prins trouwt maar één keer met een meisje van het volk. En toen kwam er de klad in en viel er een gat in de markt waar Fortuyn in sprong, met alle gevolgen van dien. Dat alles is voor ons evenwel geen politiek-, maar een esthetisch probleem. Ik bedoel: vroeger was het zo dat als Glamourland was afgelopen, die begerige koppen weer verdwenen, maar in de toekomst zullen ze in alle denkbare media opduiken boven hun krijtstreeppakken, met hun geoliede nekken en dubbele onderkinnen, hun gulzige monden en onnozele gelaatstrekken waarin geen spoortje verfijning is te ontdekken, terwijl de Calvin Klein eau de toilette als het ware dwars door de beeldbuis heen dringt. En dan die opzichtige vrouwen met hun opgespoten borsten en lippen, weggezogen vet en minutieus geharste bikinilijn, met hun schelle stemmen schallend uit zonnebankhoofden, gehuld in opzichtige mode. Op het boerse optreden van Jeltje van Nieuwenhoven na en de kippendrift van Frans Weisglas en nog wat ander klein grut zijn we tot nu toe redelijk gespaard gebleven. Maar zij waren slechts een flauw voorproefje van wat ons te wachten staat. Wat dat betreft gaan we inderdaad duistere tijden tegemoet. Desalniettemin, zoals gezegd, dat is een esthetisch en geen politiek probleem. Een blik op de vulgariteit van de debutanten leverde De Telegraaf van zaterdag 18 mei. Onder de kop: 'Oger Lusink, aankleder van jetset krijgt door Fortuyn steeds meer politici in zijn zaak,' stond een interview met de 'Don Corleone' van de P.C. Hooftstraat, wiens 'boardroom de komende tijd [is] volgeboekt, want er hebben zich deze week heel wat politici gemeld die alsnog hun imago willen verbeteren.' Onder het genot van een fles roze champagne kijkt de 'godfather' van het maatpak uit het raam. 'Vanuit de kamer boven de winkel heeft men een schitterend uitzicht op de chicste straat van Nederland. "Kijk haar nou, die blonde met die forse dijbenen," zegt Lusink met glimmende ogen. "Loopt hier bijna elke dag uit verveling, winkel in winkel uit en om een uur of vier is ze in paniek als ze nog niet heeft gescoord."' Over zijn moeder spreekt deze klerenverkoper alsof hij het over een paard heeft: 'een prachtige Fries-Deense mix.' De best geklede politicus is volgens hem 'Hans Wiegel, die ziet er heel gedegen eigentijds uit. Zo'n man dwingt respect af. Zo'n man mag van mij Nederland leiden.' Illustrerend is ook Oger's volgende mening: 'Pim was zich er heel goed van bewust dat uiterlijke presentatie en persoonlijke verzorging een belangrijk onderdeel zijn van de politiek. Er werd tot voor kort in Nederland nog altijd traditioneel gedacht dat het uiterlijk er niet toe deed. Dat het ging om betrouwbaarheid, om de politieke boodschap… Veel andere politici hebben dat uiterlijk facet onbenut gelaten, de impact ervan onderschat. Maar ik denk dat ze nu allemaal een stoomcursus personal performance moeten gaan doen. The Boardroom zit de komende weken goed vol. Veel politici willen alsnog een imagoadvies. Op een heel breed niveau. Ook staatssecretarissen hebben zich gemeld.' De heer Balkenende krijgt ongevraagd het volgende advies: 'Ik zou hem een donkerblauw pak adviseren, type Fortuyn-look,' met 'een andere Napolitaanse schouder erin.' Van die dingen dus, het zijn de kleren die het 'm doen. De vrijdag voor zijn dood reserveerde Fortuyn 'The Boardroom' om samen met de 'godfather' een 'presidentsimago' te ontwerpen. 'Pim belde me enkele dagen ervoor. Hij zei: "Het gaat heel hard nu. De peilingen wijzen uit dat ik de grootste partij ga worden en ik wil een nieuwe look. We gaan mijn imago niet meer jong en dynamisch maken, maar statig en formeel. Als ik de grote winnaar word op 15 mei, dan denkt iedereen natuurlijk dat ik weer tevoorschijn kom met die gekke gekleurde dassen, maar nee, dan komt de échte president ten tonele." We hebben veel lol gehad die avond. Het presidentspak, een donkerblauw high performance pak… laten maken in Milaan, hing die avond al klaar.' Personal performance, high performance pak, nieuwe look, presidents imago. En ziedaar: de poseur in een heus showpak, want hoe geraffineerd zijn 'outfit' ook was, dit soort mensen blijft er als dressman uitzien. Het komische is dat ze er zich niet van bewust zijn dat sommige mensen dwars door dit uiterlijk vertoon heen kunnen kijken. Helaas voor Pim is zijn presidentspak met die onvervalste 'Napoli-lijn' z'n lijkkleed geworden. Miljoenen liet hij in diepe droefenis achter, onder wie Oger en zijn vijftien jaar jongere vrouw Coco en niet te vergeten zijn zoon Martijn uit een vorige verbintenis, met wie Pim graag tussen de roze satijnen lakens was geschoven, zo maak ik uit het interview op. 'Hij kwam overigens vaak in de winkel. "Even mooie jongetjes kijken," riep-ie dan. En wijzend op Martijn: "Laat hem alles morgen maar komen brengen. Alleen."' Want Fortuyn 'had er langzamerhand wel weer behoorlijk zin in,' wist zijn theaterproducent Harry Mens te vertellen. 'Hij zei me zaterdag nog dat hij al zeven maanden niet meer met iemand naar bed was geweest.' Los van de ranzigheid van al deze ontboezemingen, zijn ze toch tekenend. Achter het gekoketteer en de verkleedpartijen ging de intens eenzame wereld schuil van een ouder wordende nicht, wiens drang om in de schijnwerpers te staan absurde proporties had aangenomen. Voor een overrompeld publiek trad een dandy op die een 'presidentspak' uit Milaan liet invliegen, terwijl we toch al een echte Queen als staatshoofd hebben. Maar voor hem was dat feit een te verwaarlozen detail. Voor Pim was uiterlijk vertoon een wezenlijk onderdeel van zijn politieke travestietenshow, alles ter meerdere eer en glorie van zichzelf en bejubeld door de gewone man en vrouw die ervan zouden gruwen als hun kind ineens homoseksuele aandriften vertoonde. Had hij geleefd dan zou hij van zijn eigen begrafenis genoten hebben. Toen ik tv-beelden ervan zag moest ik meteen denken aan Domenico Tiepolo's tekening van een gestorven Pulcinella die met een tevreden grimas onder grote belangstelling met kist en al een podium wordt opgehesen om daar te kijk te worden gezet. Fortuyns gang naar de kerk was de glorieuze rondrit van een artiest die met zijn wervelende show 1,3 miljoen stemmers en de verzamelde vaderlandse pers op het verkeerde been zette en uiteindelijk ook zichzelf. Afgaand op zijn humorloze en woedende uitvallen zodra er ook maar één kritische vraag werd gesteld, is de conclusie gerechtvaardigd dat Pim was vergeten niet meer te zijn dan een vileine toneelspeler met een pathologische behoefte aan aandacht, die met een handvol leuzen, twee keffertjes op schoot en een butler op gehoorafstand iedereen een rad voor ogen draaide. Hij was in zijn eigen rol gaan geloven, de schijn had de werkelijkheid weggevaagd.

Op dit punt aangekomen moeten we een historische parallel trekken. We schakelen over naar Napels in het jaar 1674. Ook daar voltrok zich een gekostumeerd toneelstuk dat in een drama eindigde. Het begon tijdens een broeierige zomer, op de feestdag van de Madonna del Carmine, die als vanouds opgeluisterd werd met een 'Turkenveldslag.' Een waar volksfeest waarbij als christenen en muzelmannen gekostumeerde Napolitanen op elkaar inhakten tot -volgens traditie- de christenen wonnen. Normaal keerde het volk na de voorspelbare nederlaag van de, ook toen al, vuige islamieten kroegwaarts om zich te laten vollopen en zich kogelrond te eten. Maar dat jaar gebeurde er iets onverwachts. De energie die door de begrijpelijke opwinding was losgekomen keerde zich ineens tegen de macht, in de figuur van de Spaanse onderkoning Don Rodrigo die de belastingen op de eerste levensbehoeften had verhoogd om daarmee de tekorten in zijn hofhouding weg te werken. Iemand begon te roepen 'Weg met de belastingen,' een leuze die massaal weerklank vond. De Duitse historicus Joachim Fest schrijft hierover: 'Toen niemand eigenlijk meer wist hoe het nu verder moest, trok de menigte naar het regeringspaleis, en op weg daarheen stroomden van alle kanten kijklustigen toe. Niemand begreep waarom het eigenlijk ging, maar iedereen liep mee en allen schreeuwden: "Weg met de belastingen!" Toen de onderkoning op het balkon verscheen om het volk te kalmeren, verdronken zijn woorden in het gejouw. Sluw als Don Rodrigo was, en ook gezien de weinige soldaten die hij tot zijn beschikking had, gaf hij er de voorkeur aan de benen te nemen. Hij wierp een paar handenvol munten tussen de mensen en maakte van de onmiddellijk uitbrekende knokpartijen gebruik om te ontkomen.' Vanuit een veilige schuilplaats beval de koning het leger de orde te herstellen, daarbij viel een schot, niemand wist van welke zijde. In elk geval sloeg de vlam in de pan. De razende meute viel met alles dat los en vast zat het paleis aan, de wachtposten werden dood geranseld en de tolhuizen in brand gestoken. 'Uit naam van het volk' werden de wijken van de welgestelden geplunderd, het meubilair op straat gesmeten en in brand gestoken. Wat moest men er anders mee. Nadat die klus geklaard was viel er een machtsvacuüm en voelde het volk dat het een leider nodig had. 'De keus viel op Tommaso Aniello (kortweg Masaniello genoemd. SvH), een arme viskoopman van de Piazza del Mercato, maar welbespraakt, impulsief en niet in de laatste plaats beroemd omdat hij zojuist in de "Turkenveldslag" het winnende leger van de christenen had aangevoerd.' Deze populistische poseur begiftigd met de gave der welsprekendheid zou geschiedenis schrijven. Hij werd ogenblikkelijk tot 'koning van Napels' uitgeroepen. Vervolgens werd het nacht en ging iedereen moe maar voldaan slapen. De volgende dag drongen met mestvorken en dorsvlegels bewapende boeren de stad binnen om zich bij de opstandelingen aan te sluiten. Ook toen al was er veel leed onder het volk. Don Rodrigo stuurde een afgezant om onderhandelingen aan te knopen en zo de gemoederen tot bedaren te brengen en de politieke angel uit het oproer te halen. De eer viel te beurt aan ene Carafa, een man van blauw bloed die bij het volk geliefd was. Dat bleek geen slimme zet, want toen de massa besefte dat de echte koning bereid was water bij de wijn te doen, kwam ze met meer eisen, zoals 'gelijkstelling in de bestuursambten, evenals de bezittingen van de rijken, en Masaniello las een lijst voor met de namen van degenen die onteigend dienden te worden.' Toen Carafa verbijsterd door zoveel praatjes van het grauw enigszins terughoudend reageerde werd hij subiet vermoord, zijn paleis werd leeggeroofd en zijn kostbare voorwerpen voor spotprijzen verkocht om, naar men zei, de nood van het volk te verlichten. Er bleef Don Rodrigo maar één ding over: zelf onderhandelen met de kersverse Koning van Napels. 'De viskoopman trok een gewaad van zilverbrokaat aan, bond een sierdegen om en stak een medaillon van de Madonna op zijn borst. In de straten waarlangs hij naar de zetel van de onderkoning trok, hadden zich honderdvijftig volkscompagnieën opgesteld, die hun haastig vervaardigde banieren en standaards lieten nijgen voor de tribuun en zijn gevolg.' Met groot Spaans ceremonieel werd de visverkoper op het paleis ontvangen en vervolgens naar de kathedraal geleid alwaar hij werd omgeven door hovelingen en hoogwaardigheidsbekleders en plaats nam onder een baldakijn. Plechtig liet Don Rodrigo voorlezen dat de belastingverhogingen met onmiddellijke ingang zouden worden afgeschaft. Ondertussen werd 'ook zijn vrouw, een eenvoudig viswijf, aan het hof uitgenodigd en door de onderkoningin ontvangen. Met huichelachtig eerbetoon heette de hertogin "Hare Doorluchtige Genade" welkom.' Na een kort en wat onwennig onderhoud vertrok de visvrouw weer om 'triomfantelijk, langs nieuwsgierig volk en buren, wier afgunst haar geluk slechts vergrootte, in de koninklijke kales naar haar woning terug te keren.' Maar ja, hoe nu verder? Dat realiseerde Masaniello zich ook. Het kon niet alle dagen feest en oproer zijn, hij moest iets doen, laten zien wie de lakens uitdeelde. 'Een paar dagen lang deelde hij naar alle kanten goud en juwelen uit en verleende hij zijn trouwste aanhangers fraai klinkende titels.' Intussen had hij de smaak van de macht te pakken. Maar zoals gebruikelijk wanneer een gewone sterveling ineens een hem onbekend universum in suist wist ook hij niet wat hij er mee aan moest. En dus begon Masaniello voor zichzelf en liet hij weten dat een koning zonder paleis een schertsfiguur is. Zonder uiterlijk vertoon zou niemand zien dat hij macht had. Dat kon natuurlijk niet, het zou een aanfluiting zijn. Er moest daarom op de plaats van zijn krot aan de Piazza del Mercato een enorm paleis voor hem verrijzen en 'om het terrein daarvoor te vergroten, begon hij zijn vroegere buren uit hun huizen te verdrijven.' Ondertussen liet hij 'voor een banket bij de familieportretten in het Palazzo Carafa de hoofden eruit snijden, aan lansen bevestigen en tegenover zijn zitplaats neerzetten.' Toen het volk eenmaal doorkreeg dat Masaniello aan grootheidswaan leed, begon men te morren. Al snel was de kreet 'Leve de onderkoning' te horen, maar de viskoopman liet zich niet zo snel uit het veld slaan. 'Hij reageerde met terreur en sprak doodvonnissen uit, die hij soms eigenhandig uitvoerde. Aan het begin van de Via Toledo liet hij een galg plaatsen als een symbool van de volksregering.' Ondertussen wachtte de onderkoning rustig af. Hij bezat de eeuwenoude kennis van de ware macht. Een kwestie van tijd, dacht hij. Een juiste inschatting want de onvrede mondde uit in rellen en tijdens één er van vluchtte Masaniello de Santa Maria del Carmine binnen. Hij greep een crucifix en probeerde zijn achtervolgers te kalmeren. Tevergeefs, ze sleurden hem van de kansel en sloegen zijn hoofd eraf. 'De stemming sloeg nogmaals om. Nauwelijks was Masaniello vermoord of het volk begon te jammeren. Alsof men de daad ongedaan wilde maken naaide men het hoofd weer aan de romp, en men bedde de dode, tussen kaarsen en massa's bloemen, op rijk gedrapeerde witte zijde. Men stelde een vervolging in tegen de moordenaars en gaf de dode koning een paar dagen later een begrafenis in de grote ceremoniële stijl waarvan hij zo had gehouden. Voor de machtige, door fakkeldragers omgeven katafalk in de Santa Maria del Carmine bogen de onderkoning, de hovelingen, de militairen en de schone dames, en de aartsbisschop leidde de uitvaart. Uit de haven denderden kanonsschoten, en de menigte viel op de knieën en riep: "Zalige Masaniello, bid voor ons."'

Ik zou hier het volgende aan willen toevoegen. De afgelopen maanden plaatsten de media afbeeldingen van het achterhoofd van Pim Fortuyn. Naar mijn weten is geen enkele politicus ooit zo geportretteerd in de Nederlandse kranten. Naar alle waarschijnlijkheid speelt hier het onderbewustzijn een rol. Het maakt niet uit van welke hoek het publiek naar zijn angstvallig geschoren hoofd keek, van alle kanten was het onmiddellijk herkenbaar als masker. Niet een masker dat veinst, want anders had iedereen hem onmiddellijk doorzien, maar een dat blootlegt, zoals de maskers van de acteurs uit de commedia dell'arte, waarover dezelfde Joachim Fest ooit eens schreef: 'Hun maskers zijn geen vermomming, maar onthulling. In tegenstelling tot het carnavalsmasker blijkt daaruit niet wat iemand in het geheim zou willen zijn, maar wat hij, achter alle kostumering van het permanente carnaval van het leven, in werkelijkheid is.' De man die zo van de 'Napoli-lijn' hield, leek in mijn ogen het meest op Pulcinella, een Napolitaans masker dat teruggaat tot op de tijd van de Romeinen. Zijn karakter beeldt het niets ontziende, rancuneuze en sluwe type uit, dat altijd op gespannen voet staat met welke autoriteit dan ook. Z'n populariteit onder het volk is te verklaren uit het feit dat hij de gewone man vertegenwoordigt, die telkens weer de dupe is bij gebrek aan reële macht en weet die nooit te zullen bezitten. Het enige dat hem overblijft is bespotten en beschimpen en de kluit belazeren. Opmerkelijk is het grote aantal Pulcinella's onder Pims aanhang die ons voortaan vanuit de Kamerbankjes zullen aankijken. We hebben hier te maken met mensen die op hun vakgebied nooit tot de top behoorden en zich jarenlang verbeten afvroegen waarom zij niet waren uitverkoren en wel die anderen die in hun ogen geen spat beter waren. Bovendien hangt rond enkelen van hen een luchtje, om het eufemistisch uit te drukken, maar nu kunnen ze alsnog wraak nemen, alleen al door dáár te zitten waar vroeger die anderen zaten. Tegenover Yoeri Albrecht van Vrij Nederland verwoordde Harry Mens het aldus: 'Er wordt een tijdperk afgesloten. Het was in Nederland verdomd moeilijk om door de leemlagen van het establishment heen te breken… Als ik op maandagavond bij Joop Braakhekke eet, zie ik daar die zogenaamde eetclub zitten. De heren die in hun ogen de elite van Nederland zijn. Als ze dan weglopen, gaat nu ineens Hans van Mierlo me goeiendag zeggen. En Mulisch ook.' Je ziet het voor je: jarenlang heeft de huizenhandelaar naar erkenning gehunkerd door de 'heren die in hun ogen de elite zijn.' Uit zijn ooghoeken heeft hij elke maandagavond weer naar die tafel van 'de herenclub' geloerd waar het allemaal gebeurde, heeft hij in stilte gehoopt, gesmeekt, gebeden om te mogen aanschuiven, maar hij en zijn milieu bleven genegeerd door het besloten gezelschap, omdat ze te ordinair en te oppervlakkig waren. Harry was zelfs publiekelijk weggehoond door de VVD-bonzen toen hij verklaarde minister van Volkshuisvesting te willen worden. Op de bijgaande foto staat de voormalige sponsor van Fortuyn in weer zo'n verkeerd hangend krijtstreeppak van Oger uit de P.C. Hooftstraat, waar de halve en hele onderwereld zich onder het winkelend publiek mengt op jacht naar de nieuwste status. Zijn droevig hondenhoofd zien we naast een protserige empirevaas of iets wat daar voor door moet gaan, in elk geval iets grofs dat en masse in Taiwan wordt geproduceerd, zijn handen in z'n zakken, zijn billen naar de open haard gekeerd, waar het gasvuur boven het kunsthout opvlamt, de mobiele telefoon binnen handbereik. De foto van Bert Nienhuis toont genadeloos aan hoe ostentatief het decor is waarin Harry Mens graag vertoeft. Verloren staat hij in zijn wereld vol statussymbolen zonder te beseffen, maar wel met een vaag vermoeden, dat de elite neerkijkt op zoveel uitgestalde kitsch. Bij de onzichtbare aristocratie, die in alle bevolkingslagen is te vinden, is niets nadrukkelijk aanwezig. Ze is klasseloos. Haar bezit is organisch gegroeid, is niet bij gebrek aan eigen stijl door een of andere designer bijeen geveegd. De ware elite weet dat je bepaalde dingen gewoon niet doet, niet omdat ze verboden zouden zijn, maar uit innerlijke beschaving, ze koestert geen wrok en neemt geen deel aan een verwoestende ratrace om zoveel mogelijk bijeen te graaien. Mens sluit zijn betoog met: 'We hebben vijftig jaar lang toch een soort regentenpolitiek gehad… Ik denk dat dat allemaal niet meer kan. Nou ja, het zal er op den duur misschien weer insluipen, maar voorlopig even niet.' Aan het gelaat van Harry Mens en uit zijn woorden valt op te maken dat de wrok over wat hem is aangedaan nooit echt zal verdwijnen, noch zijn wantrouwen. Diep in zijn hart zal hij, net als al die anderen, afgunstig blijven, zich altijd slachtoffer voelen, een buitenstaander, een Pulcinella. Het enige en wezenlijke verschil met vroeger is dat het hooggeëerd publiek er niet meer om kan schaterlachen en daarmee ook niet om zijn eigen groteske onzin.

De Humanist, juli/augustus 2002

terug