Palestijnse jongeren hebben geen voorlichting nodig

Tal van internationale organisaties hebben onafhankelijk van elkaar vastgesteld dat IsraŽl buitensporig geweld gebruikt tegen protesterende Palestijnen. Stan van Houcke begrijpt niet hoe Anet Bleich kan volhouden dat de schuld bij Arafat ligt.

IN HAAR column van 1 november schrijft Anet Bleich dat de 'hoofdverantwoordelijke voor het geweld dat de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook al meer dan een maand teistert' de Palestijnse leider Arafat is. Nog opmerkelijker is haar volgende opmerking: 'In hoeverre het IsraŽlisch tegengeweld inderdaad buitenproportioneel is, durf ik niet te zeggen.'

Het lijkt er op dat Bleich de feiten allesbehalve koel observeert. Ikzelf zag op dinsdag 10 oktober in Ramallah hoe een dertienjarige Palestijnse jongen door een IsraŽlische sluipschutter met een hoge-snelheidskogel door zijn rechteroog werd geschoten en stervend werd afgevoerd. Van een levensbedreigende situatie voor de scherpschutter was geen sprake. Hij schoot vanuit een hotel op een afstand van tenminste 400 meter. Nog geen minuut later schoot van dichtbij een andere militair, verdekt opgesteld achter een gepantserde jeep, lukraak met scherp in een groep jongeren, waarbij tenminste twee van hen geraakt werden. Over soortgelijke taferelen berichtte CNN's Christiane Amanpour vanuit Gaza. Dagelijks zien we nu tv-beelden van schietende militairen.

Maar misschien gelooft Bleich haar ogen niet of wantrouwt ze de massamedia. Maar gelooft ze ook Amnesty International niet, of Human Rights Watch, of de IsraŽlische vredesorganisatie Gush Shalom, of Defence for Children International of de Medici voor Mensenrechten? Die komen allen onafhankelijk van elkaar tot dezelfde conclusie, namelijk dat IsraŽl buitensporig geweld gebruikt.

Het doodschieten van minderjarigen die al dan niet met stenen gooien is in strijd met het internationaal recht. Het resultaat van al die schendingen valt dagelijks te lezen in emails van Law, een door de Nederlandse overheid gesteunde mensenrechtenorganisatie. Na 32 dagen volksopstand tegen de bezetting zijn 139 Palestijnen gedood en meer dan 6700 gewond geraakt. Van de doden is meer dan 30 procent kind, van de gewonden is 75 procent minderjarig. 92 procent is gedood door kogels, 70 procent van de gewonden is in het bovenlichaam geraakt, hetgeen de conclusie rechtvaardigt van de Amerikaanse afdeling van de organisatie Medici voor Mensenrechten dat er door militairen en kolonisten geschoten wordt om te doden. De feiten spreken voor zich, behalve voor Bleich.

Misschien kan ze als journaliste, die zich bovendien ook nog verbonden voelt met IsraŽl, zelf eens polshoogte gaan nemen. Uit eigen ervaring weet ik dat er voldoende IsraŽlische vredesactivisten zijn die haar in bezet gebied willen begeleiden. Bleichs vraag waarom Marcel van Dam vindt dat 'IsraŽls krediet uitgerekend nu op is', is een wonderlijke: voor een enigszins neutrale beschouwer is het duidelijk dat het inzetten van IsraŽlische sluipschutters, tanks en gevechtshelikopters tegen een burgerbevolking verwerpelijk is. Een ieder die de moeite neemt het grootste Palestijnse ziekenhuis in Jeruzalem te bezoeken om daar zwaargewonde of stervende kinderen te zien, beseft dat hier alle grenzen van beschaving overschreden zijn.

Overigens: hoe weet de columniste zonder onderzoek zo stellig dat Palestijnse jongeren 'beroerd' zijn voorgelicht? Vanaf hun geboorte gaan ze gebukt onder de dagelijkse vernederingen, willekeur en het geweld van de bezetting. Daar hoeven ze niet over te worden voorgelicht. Uit eigen ervaring weten ze wat iedere objectieve waarnemer weet. Zo schreef de vooraanstaande IsraŽlische vredesactivist Uri Avnery dat uit de kaart die tijdens de zogeheten vredesonderhandelingen aan de Palestijnse onderhandelaars werd gegeven, blijkt dat 'het land van Oost tot West en van Noord tot Zuid in stukken wordt gehakt, zodat de Palestijnse staat zal bestaan uit een groep eilanden, elk omgeven door IsraŽlische kolonisten en soldaten.'

En Gush Shalom merkt tegelijkertijd op dat van een waar vredesproces geen sprake is. De waarheid is dat sinds zijn aantreden als premier de oud-militair Barak 'het tempo van het oprichten van nieuwe nederzettingen heeft verhoogd (. . .) waarbij land wordt geconfisqueerd, Palestijnse huizen worden vernietigd en ringwegen worden aangelegd. Aan al deze activiteiten heeft Barak meer gedaan dan Netanyahu.' Wat betreft het toeŽigenen van Palestijns land is er nooit een wezenlijk verschil geweest tussen links en rechts in IsraŽl.

Gelukkig is Bleich het wel eens met het feit dat 'als IsraŽl vrede (. . .) wil, het die bezetting moet beŽindigen.' Ze vraagt zich alleen af: hoe? Welnu: door zich zonder voorbehoud terug te trekken uit andermans land, zoals de internationale gemeenschap al 33 jaar lang van IsraŽl eist. Alleen dan kan de geweldsspiraal doorbroken worden.

Blijft over haar retorische vraag aan Mient Jan Faber: 'Hoe haalt u het in uw hoofd (. . .) om IsraŽl te decreteren dat het miljoenen Palestijnen moet opnemen?' Ook hier is het antwoord simpel: etnisch zuiveren is in strijd met het internationaal recht. Dat naar schatting 760 duizend Palestijnen van 1947 tot 1949 verdreven zijn, is gedocumenteerd beschreven door de IsraŽlische historicus Benny Morris. Welnu, net zoals in het geval van voormalig JoegoslaviŽ, kan IsraŽl dit onrecht niet langer meer negeren, zal het dit feit onder ogen moeten zien en een politieke oplossing hiervoor moeten aanbieden.

De Volkskrant, 3 november 2000

terug